Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Filosofische kruimels XIV

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2015 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XIV van XVI.

Paasgedachte

‘Wat had Paulus nu in handen toen hij predikte in Athene en zei dat hij kwam als een boodschapper van God?’
Parafrase uit John Henry Newmans The Nature of Faith in Relation to Reason (jan. 1839). In: Oxford University Sermons 1826-1843 (1909).

John-Henry-NewmanHet antwoord van John Henry Newman (1801-1890) is even eenvoudig als logisch: Paulus had helemaal niets in handen, behalve zijn eigen woord dat God Christus uit de doden had opgewekt, en we dat moeten koesteren. Eigenlijk hetzelfde bewijs, of gebrek aan bewijs wat een nieuwsgierige toehoorder tegenwoordig verneemt als we Pasen vieren. Pasen is dus geen feest van filosofen, de rede, van argumenten of logica. Maar, en dat is een van Newmans grootste intellectuele inspanningen geweest, dat is maar goed ook: geloof hoort evenzeer bij het leven als verstandelijk redeneren dat doet. In 1870 ontwikkelt Newman in zijn voornaamste filosofische werk A Grammar of Assent, dit idee ten volle uit. Onze meest onwankelbare en redelijke zekerheden berusten op vormeloze en persoonlijke bewijzen die helemaal niet in logica kunnen worden omgezet. Sterker nog, mensen die alleen maar logisch of wetenschappelijk redeneren, gaan ons al snel ergeren en vervelen.

Dat is ook een voorname reden waarom Paulus zo succesvol was met zijn merkwaardige verhaal: hij sprak vanuit zijn hart en met de volle overtuiging en raakte mensen daarmee in een wezenlijk vermogen: hun geloof.

_____

Antieke spinsels

‘Waarom verlangen mannen ’s winters meer naar geslachtsgemeenschap en vrouwen ’s zomers?’
Aristoteles in Problemata Physika. Vertaald als: Problemen. 415 vragen over melancholie, wijn, muziek en liefde (2010).

Dat Aristoteles zich niet alleen met grote metafysische, ethische en aristotle-cartoonkentheoretische filosofische problemen bezig hield, blijkt uit misschien wel het merkwaardigste boek dat er onder zijn naam is overgeleverd: de Problemata Physika. Een soort 101 antwoorden op vragen over vermeende alledaagse verschijnselen. Waarom is bijvoorbeeld het zaad van drinkers doorgaans onvruchtbaar? Waarom zijn mannen die moeten plassen niet tot gemeenschap in staat? Waarom gebeurt het vaak dat we gapen in reactie op het gapen van anderen? Waarom heeft van alle dieren alleen de mens grijs haar? Hoewel de meeste antwoorden van wonderbaarlijke fantasie en intelligentie getuigen, zullen de meeste ervan ons vandaag de dag doen glimlachen. Want waarom verlangen mannen ’s winters meer naar geslachtsgemeenschap en vrouwen ’s zomers? Nou, ‘omdat de natuur van mannen warmer en droger is, en die van vrouwen vochtiger en koeler. Bij de mannen zijn het vocht en de warmte -waaruit het zaad ontstaat- toereikend om in de winter verlangen te veroorzaken, maar bij vrouwen is de warmte minder en is het vocht koel en dik door een gebrek aan vuur; maar dat vuur is er in de zomer wel….’

_______

Het eeuwige herkauwen

‘Ironisch genoeg komen sommige hoogleraren goed rond van het begraven, opgraven en herbegraven van de filosofie: een activiteit die meer weg heeft van necrofilie dan van filosofie.
Mario Bunge (2001). Philosophy in crisis. The need for reconstruction.

 

Is de filosofie dood? Wie een blik werpt op het ondoorgrondelijke postmoderne filosofische gegoochel, zou daarmee kunnen instemmen stelt de Argentijnse filosoof Mario Bunge (1919-2020).

Maar is de filosofie al niet vaker doodverklaard? Comte, Nietzsche, Wittgenstein, Rorty en vele anderen hebben de dood van de wijsbegeerte telkens weer aangekondigd. Maar de filosofie doodverklaren is klinkklare onzin aldus Bunge. Ieder mens filosofeert namelijk vanaf het eerste moment dat hij zich bewust wordt van zichzelf en de wereld om hem heen. Wat meer waar lijkt te zijn, is dat de academische filosofie op sterven na dood is. Filosofie op de universiteit is iets elitairs geworden, met ellebogenwerk en publicatiedruk als voornaamste motor. In welk opzicht helpt deze professionele filosofische organisatie de gewone man nog aan ideeën waar hij zijn leven mee kan vormgeven, vraagt Bunge zich af. Waar zijn de nieuwe frisse ideeën in de filosofie? Ja, welke professor meldt zich met een diep inzicht dat begrijpelijk is voor velen en dat niet het zoveelste recycleproduct is van ideeën uit vervlogen tijden?

©Veenmedia.nl

Filosofische kruimels XIII

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2015 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XIII van XVI.

Een ethisch leven?

‘Er zouden minstens enkele omstandigheden moeten zijn waarin het wettelijke recht op leven niet van kracht wordt bij de geboorte maar pas korte tijd daarna – misschien een maand.’
Peter Singer. Euthanasie: het embryo en de foetus (Vertaling uit Practical Ethics). In: Singer, P. (2001). Een ethisch leven.

peter-singerDe Australische utilitaristisch filosoof Peter Singer (1946) is niet alleen bekend om zijn baanbrekende werk over dierenrechten (Animal Liberation, 1975), maar ook om zijn uiterst controversiële opvattingen omtrent euthanasie en abortus. In Practical Ethics houdt hij een pleidooi voor morele acceptatie van infanticide onder bepaalde omstandigheden, oftewel het doden van pasgeboren kinderen als ze bijvoorbeeld ernstig mismaakt blijken. ‘Want waarop is het recht op leven eigenlijk gebaseerd?’, vraagt Singer zich af. Een pasgeboren baby is geen autonoom wezen, kan geen keuzes maken en heeft niet het intrinsieke verlangen om te blijven leven omdat ze zichzelf niet kunnen zien als wezens die al dan niet een toekomst hebben. Daarbij is het doden van pasgeboren kinderen een taboe dat in stand wordt gehouden door irrelevante aspecten als hulpeloosheid, schattigheid, onschuld en christelijke moraal.

Singer begrijpt zelf al te goed dat zijn argumentatie voor velen uit de bocht vliegt, maar volgens hem is het een kwestie van tijd totdat er openlijk over gedebatteerd wordt. Maar dan: zouden wij ons een samenleving voor kunnen of willen stellen die infanticide rechtvaardigt, evenals dat op dit moment gebeurt met abortus voor 24 weken? En zo niet, wat is dan het verschil tussen abortus en infanticide?

_______

Het vertellen goed grappig

“Een goed vertelde grap is alleen grappig als je hem goed vertelt, dus als een goed vertelde grap grappig is, dan is hij goed verteld.”
John Allen Paulos (1998). Ik denk, dus ik lach. Een alternatieve benadering van de filosofie.

Groucho MarxDat filosofische problemen op een luchtige en humoristische wijze kunnen worden gepresenteerd, bewijst J.A. Paulos in Ik denk, dus ik lach (1998). In een vrolijk en handzaam boekje leidt hij ons langs talloze opmerkelijke zaken die de logica, de wetenschaps- en taalfilosofie en de wijsgerige antropologie hebben blootgelegd. Middels grappen, verhalen en anekdotes laat Paulos zien hoe filosofie erg geestig kan zijn. Een voorbeeld van humor en taalfilosofie waarbij objecttaal en metataal met elkaar worden verward, zit besloten in de volgende grap:

Groucho tegen een kennis: ‘Ken je de grap van de vereniging voor mensen met een IQ dat tot de laagste 2% van het land behoort? Ik heb toevallig een nieuwsbrief ingekeken, die De Intellueel heet. Ha! Heb je ‘m? Heb je ‘m?’

Kennis: ‘Ja ik heb ‘em’.

Groucho: ‘Dat valt me van je tegen. Ik had je iets intelligenter ingeschat.’

Mits goed vertelt, gegarandeerd succes. Maar waarschijnlijk is er ook sprake van humor indien de grap mislukt. Probeer het zelfs maar eens uit!

________

Een goed mens ten opzichte van zichzelf

‘Je weet duidelijk niet met wie je in gesprek bent, dus laat ik je een idee geven. Ik ben niet in gevaar. Ik ben het gevaar.’
Walther White a.k.a. Heisenberg tegen zijn vrouw in de Amerikaanse televisieserie Breaking Bad.

Breaking-Bad quoteDe briljante Amerikaanse televisieserie Breaking Bad (2008-2013) bevat niet alleen memorabele personages, een ijzersterke plot en een fenomenale suspense, ze stelt de kijker ook constant op de proef: kan hij sympathie en begrip blijven opbrengen voor de hoofdrolspeler Walther White?

White is een terminale scheikundedocent die geheel op eigen kracht in de drugswereld belandt. Aanvankelijk om zijn gezin van brood op de plank te blijven voorzien, maar gaandeweg meer omdat hij merkt hoeveel macht en respect het hem oplevert. Maar met de toenemende macht, nemen ook de problemen toe. Mensen worden bedreigd, er vallen slachtoffers, en het ergste voor Walther: zijn familie begint zwaarder en zwaarder onder zijn geheim te lijden. Kan hij nog terug? Iedere keuze die hij vervolgens maakt, lijkt uit te lopen op een ramp. Maar omdat hij telkens zijn gezin probeert te beschermen, wil je het Walther vergeven wanneer er weer (onschuldige) doden vallen. Hij lijkt oprecht, maar tegelijkertijd verblind door geld en eer.

Tot aan de laatste afleveringen blijft het schipperen. Niet alleen voor Walther White, maar vooral voor de kijker – is dit uiteindelijk een goed mens?

©Veenmedia.nl

Een terugblik op de verkiezingsuitslag van 15 maart 2017

Een terugblik op de verkiezingsuitslag
van 15 maart 2017

Geschreven op 29/11/2015

(Noot 15/3/2017 14:00: dit stuk wordt tot mijn verbazing massaal bekeken. Ik verwacht met de nodige teleurstelling. Mijn excuses! Ik schreef dit namelijk in november 2015 en ben nu in gesprek met mijn oude zelf tot de waarschijnlijke conclusie gekomen dat er niet veel uitkomt van hoe ik toen de uitslag voor me zag.)

Hier bent u waarschijnlijk wel naar op zoek:

https://www.parool.nl/binnenland/live-alle-uitslagen-van-de-tweede-kamerverkiezingen~a4469179/

Dat Rutte II het eerste kabinet sinds Paars I (Kabinet Kok 1994-1998) is geweest dat de volledige regeerperiode van 4 jaar afgerond heeft, is weliswaar te verklaren vanuit het feit dat niemand erbij gebaat was de stekker er voortijdig uit te trekken, het blijft een opmerkelijke prestatie. 2016 is echter geen oogstjaar voor de coalitie geworden. Het vertrouwen in de rechts-links-coalitie, was van meet af aan zwak en is zeker voor de PvdA nooit hersteld.

Nu alle stemmen geteld zijn en de zetels verdeeld, werp ik een blik op het nieuwe politieke landschap dat het aangezicht van Nederland de komende jaren zal bepalen, met Rutte III als nieuwe gedoogcoalitie.

Opkomst
Er waren voor het eerst meer dan 13 miljoen kiesgerechtigden: 13.007.316. Met een opkomst van 77,52 % gaf dat 10.083.271 uitgebrachte stemmen. De kiesdeler komt daarmee uit op 67.222 stemmen voor 1 zetel. Dat de opkomst met 2,95% significant hoger was dan in 2012 is waarschijnlijk te verklaren vanuit het feit dat het sinds langere tijd weer echt serieuze verkiezingen waren gecombineerd met de felle strijd om de rechtse kiezer tussen de VVD en de PVV.

De uitslag
De vraag was niet of Nederland een politieke beweging naar rechts zou maken, maar de vraag was vooral hoe groot deze zou worden. In heel Noord-Europa zijn de voortekenen daarvan al te zien geweest. Nederland zou daar zeker niet bij achterblijven.

De negatieve effecten van de wereldse dynamiek, hebben meer dan ooit de behoefte aan een Nederlandse identiteit het licht gebracht. Wat dat dan ook betekenen mag. En de hoop is dan dat conservatief en populistisch rechts het verlies aan eigenheid afremt en een hardere vuist maakt tegen alles wat de bestaande eigenheid verder dreigt aan te vallen.

De nek-aan-nekrace die afgelopen maanden in de peilingen zichtbaar was tussen de VVD en de PVV is nipt gewonnen door de PVV, met een kleiner verschil dan iedereen had verwacht:

Verkiezingsuitslag 2017 15 maart

Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (van 41 naar 29)
De liberalen hebben toch een aardige prestatie geleverd door nog 29 zetels te halen. Natuurlijk is dat een verlies van 12 zetels ten opzichte van de uitslag in 2012, maar het zag er een jaar geleden een stuk dramatischer uit. De kiezer straft de VVD dus minder zwaar dan coalitiepartner Partij van de Arbeid. Op Rutte is voldoende is aan te merken geweest, maar hij heeft zich niet laten leiden door opportunisme en was als minister-president een stabiele factor in het kabinet en verkiezingscampagne.

Partij van de Arbeid (van 38 naar 13)
Dat de socialisten de grootste klap zouden opvangen, was eigenlijk al jaren duidelijk. Gedurende de gehele verkiezingscampagne is de partij er niet in geslaagd geloofwaardig haar linkse programma te verkopen op basis van het kabinetsbeleid van afgelopen vier jaar. De kiezer die in 2012 nog met volle overtuiging stemde voor Samsom, in de hoop daarmee Rutte uit het torentje te houden, heeft zich vanaf moment één bedrogen gevoeld. Dat de partij wellicht te prijzen is geweest dat ze de samenwerking is aangegaan (want veel andere opties waren er feitelijk niet) is geen boodschap die in dit gepolariseerde politieke landschap veel bijval heeft gekregen. Het vertrek van Samsom als partijleider vlak na de verkiezingsuitslag was niet meer dan een logische zet.

Partij Voor de Vrijheid (van 15 naar 30)
De PVV is een van de grote winnaars van deze verkiezingen. Hoewel niet zo groot als verwacht door sommigen, wel de grootste. Het lijkt er daarmee op dat de kiezer de PVV een nieuwe kans wil geven om nu wel de verantwoordelijkheid te nemen en het geschreeuw om te zetten in daden. Met vele nieuwe rechtse cowboys in de Kamer zal het voor Wilders een hels karwij worden om alle kikkers in de kruiwagen te houden. Want eerlijk is eerlijk, alle PVV-Kamerleden samen buiten Wilders halen minder dan 4% van het totaal aantal op de PVV uitgebrachte stemmen. Dus 29 PVV’ers samen zouden hooguit één zetel halen op basis van uitgebrachte stemmen.

Socialistische Partij (van 15 naar 17)
Hoewel een kleine winst voor de partij van Roemer, stelt de SP toch teleur. Gehoopt was op minimaal 20 zetels, met name door de teloorgang van de Partij van de Arbeid. Dat de SP haar kiezers aan de onderkant echter niet heeft weten vast te houden en een exodus heeft moeten constateren naar de PVV maakt de winst bescheiden. Meer dan wederom jaren oppositie voeren zit er voor de partij dan ook niet in.

Christen Democratisch Appel (van 13 naar 25)
Natuurlijk is de partij niet meer de grote partij van weleer. En of ze dat ooit nog gaat worden, is twijfelachtig. Met echter een bijna verdubbeling van het aantal zetels is het CDA samen met de PVV de grote winnaar van deze verkiezingen. De CDA-campagne die zich nadrukkelijk heeft gericht op de noodzaak van het stabiele midden heeft zich uitbetaald. Het gematigd en verstandig oppositie voeren heeft veel kiezers getrokken met Buma die eigenlijk verder gegroeid is in zijn rol. De partij zal het echter zwaar krijgen met de harde opstelling richting de PVV: die is tot nu toe consequent uitgesloten van samenwerking. Wellicht dat er ‘in het kader van landsbelang’ toch een opening gevonden wordt voor een centrumrechtse coalitie samen met de PVV en de VVD. De PVV zal dan echter publiekelijk een knieval moeten maken richting het CDA, maar daar ligt nu juist niet de kracht van de partij.

Democraten 66 (van 13 naar 11)
De links-liberalen leveren twee zetels in. In de beginperiode van Rutte II was de partij spekkoper met in de peilingen als historisch hoogtepunt 28 virtuele zetels. De kiezer heeft D66 echter tijdig in de smiezen gekregen als kabinetsgedoger en D66 is überhaupt nooit goed uit een Paarse constructie gekomen. Tel daarbij op dat Pechtolds verhaal tegen Wilders nog nooit zo zwak en geforceerd klonk als in de afgelopen campagne en dat het hele Europese project al tijden aan vertrouwen verliest bij de kiezer, waar D66 het fel blijft verdedigen, en 11 zetels vallen dan nog mee.

ChristenUnie (van 5 naar 6)
De protestanten pakken een zetel winst. De onzichtbaarheid van lijsttrekker Gert-Jan Segers heeft geen invloed gehad op de achterban van de christenen. Een partij die op haar eigen manier een sociaal-conservatieve toont aanslaat, doet het in deze tijd hoe dan ook goed. Een rol als het linkse geweten van het CDA ligt in het verschiet.

GroenLinks (van 4 naar 8)
De partij van Jesse Klaver profiteert feitelijk het meest van de teloorgang van de Partij van de Arbeid. Het verlies van vier jaar geleden, toen de gematigd GroenLinkse kiezers hun heil zochten bij de Partij van de Arbeid, is goedgemaakt. Klaver lijkt de enige in Nederland die nog gelooft in de zegen van de multicultureel-pluriforme samenleving, maar hij is vooral ook de enige politicus die het nog wel geloofwaardig weet te verwoorden.

Staatkundig Gereformeerde Partij (blijft op 3)
De stabiele SGP verrast niet met behoud van 3 zetels. Het is ook niet dat het aantal gereformeerden afgelopen jaren is gestegen in ons land, wel de algemene waardering voor behoud van kostbare tradities en christelijke normen en waarden. Een rol als conservatief geweten van het CDA ligt hier voor de hand.

Partij voor de Dieren (van 2 naar 3)
Met eindelijk drie zetels is dit een nieuwe overwinning voor de Partij voor de Dieren. Natuurlijk profiteert ze van de linkse identiteitscrisis, maar de rechten van het dier worden ook komende jaren weer op een unieke manier gewaarborgd in de oppositie.

50+ (2 naar 4)
Het bejaardenpopulisme van Krol en consorten heeft toch een succes geoogst. Waar Krol grossierde in kinderlijke referaten, heeft dat klaarblijkelijk geen uitwerking op de aantrekkingskracht van de rijpe kiezer. Een kiezer die vooral door teleurstelling gemotiveerd dan maar zijn heil zoekt in deze protestpartij, waarbij het wachten is op de volgende ruzie en onenigheid. Vier jaar onzichtbare oppositie in het verschiet.

Voor Nederland (van 0 naar 1)
Het failliet van de democratie in de huidige vorm wordt gesymboliseerd door de ene nipt behaalde zetel van VNL. Niet door de kracht van VNL’s klassiek liberalisme dat nauwelijks te onderscheiden is van de VVD, maar door de volle aandacht van de media. Moszkowicz hoopte op 5 zetels minimaal, maar mag de komende jaren in zijn eentje door de Kamer struinen. Een ongemakkelijk tijdverdrijf. De noodzaak van een kiesdrempel is al geruime tijd duidelijk, maar de politiek schijnt er geen haast mee te willen maken. Sommigen zullen misschien beweren dat het knap is en juist democratisch om vanuit het niets een volksvertegenwoordiger te worden, maar wat dit allemaal toevoegt en bijdraagt aan het politieke landschap, wordt nooit duidelijk.

DENK (‘2’ naar 0)
De twee gestolen zetels krijgen zoals verwacht geen vervolg. In de peilingen is er ook nooit sprake van geweest. Tunahan Kuzu en Selcuk Öztürk die vooral de PVV in de flank hebben proberen te raken zijn geen moment geloofwaardig voor het voetlicht gekomen. De karikatuur die zij door een merkwaardige mix van ijdelheid en onkunde hebben geëtaleerd, was niet alleen een dankbare voedingsbodem voor cartoonisten, maar doet ook de vraag rijzen hoe deze figuren überhaupt ooit op de lijst van de Partij van de Arbeid zijn beland.

Conclusie
Het is duidelijk dat de kiezer nadrukkelijk toe is aan een sociaal-culturele rechtse beweging in de Nederlandse politiek. De chaos is echter compleet: versnipperd Links, 5 partijen met 6 zetels of minder en de PVV, VVD en CDA als de enige logische coalitie. Maar juist deze drie partijen zijn oneindig ver van samenwerking verwijderd. Vooral het CDA is het experiment Rutte I en de afstraffing die daarop volgde niet vergeten.

Daarbij ligt het ook niet voor de hand dat Wilders minister-president wordt: zelfs onder PVV kiezers is daar geen overtuigend draagvlak voor. Logisch: die hebben ook vooral gestemd op Wilders omwille van zijn scherpe verhaal. Er is feitelijk maar één constructie die hier gaat werken:

Een kabinet van VVD en PVV met Mark Rutte als minister-president, waarbij nu het CDA de gedoogfunctie zal vervullen in de Tweede Kamer. Rutte III ‘Vrijheid en eigenheid’ zal daarmee opnieuw een bijzonder experiment worden, waarbij het te hopen is dat de PVV het populisme laat varen voor realisme en het vertrouwen van de opportunistische en grond onder de voeten verloren kiezer op een volwassen manier weet te behouden.

Men kan zichzelf geen raadsel opgeven: Een introductie bij Friedrich Hebbel

~Men kan zichzelf geen raadsel opgeven~
Een introductie bij Friedrich Hebbel

en zijn werk:

Een blinde bij zonsopgang
Bladen uit een dagboek

Niet zelden leidt het toeval je naar literaire pareltjes die je anders nooit was tegengekomen. Zoveel boeken die liggen te wachten om te worden ontdekt, maar alleen door het toeval onder het stof der vergetelheid kunnen worden gehaald. Zo kwam ik in een citatenboek een aforisme tegen van de Duitse dichter, schrijver en filosoof Friedrich Hebbel (1813-1863) en ben ik naar aanleiding daarvan gaan kijken of er Nederlandstalige literatuur beschikbaar was.

Het enige beschikbare boek, naast een vertaalde roman van Sibylle Knauss over het leven van Elise Lensing, de tragische geliefde van Hebbel aan wie hij zich nooit binden kon, bleek nummer 198 te zijn uit de beroemde reeks Privé-domein van de Arbeiderspers. Het gaat hier om een verzameling dagboekfragmenten die Hebbel van 1838 tot 1863 bijhield en is gebundeld onder de poëtische titel Een blinde bij zonsopgang.

Ik kocht onmiddellijk een exemplaar en toen het me na een paar pagina’s lezen al zo goed beviel nog één. Nu had ik een exemplaar om in te schrijven en stuk te lezen en een exemplaar om te bewaren. Noem dat een gezonde trek van een boekenliefhebber.

Het 341 pagina’s dikke boek is voor een habbekrats volop verkrijgbaar via tweedehands kanalen en heeft waarschijnlijk nog in de ramsj gezeten. Het verscheen in 1996 vertaald, geannoteerd en van een verantwoording voorzien door Klaus Siegel en was toen te koop voor een prijs van fl. 59,90.

Onderstaande tekst is een introductie op weg naar het lezen van Hebbels dagboekfragmenten, waarmee ik hoop dat de lezer naar aanleiding hiervan er met enthousiasme aan begint.

Een blinde bij zonsopgang
Hebbel zag zijn leven als een langzame terechtstelling van zijn innerlijk. De tragiek die Hebbel aan het leven toekent, kent hij maar al te vaak ook aan zichzelf toe. Op het pathetische af:

Door mijn karakter is mijn leven al bij voorbaat tot mislukking gedoemd. Misschien moet het geluk niets van me hebben omdat het beseft dat er met mij toch niets valt te beginnen. (p. 139).

En in talloze passage valt te proeven hoezeer hij poëtisch lijdt aan het leven:

De kiem van alle ongeluk in mijn leven ken ik maar al te goed: Het is mijn dichterlijke talent. Het is te groot dan dat ik het zou kunnen onderdrukken en te klein dan dat het mij voor alle moeite die ik eraan besteed, naar rato zou kunnen belonen. (p.68)

De naam Friedrich Hebbel heeft bij iedereen die ik ermee heb lastig gevallen geen enkel belletje doen rinkelen. Hebbel was zelf geen liefhebber van zijn eigen naam. Hij noteert indachtig zijn uiteindelijke vrouw Christine Enghaus:

Merkwaardige situatie tussen mijn vrouw en mij: zij houdt van mijn naam Friedrich en spreekt hem graag uit, ikzelf heb er een vreselijke hekel aan. Aan wie is het nu, rekening met de gevoelens van de ander te houden en zijn eigen gevoelens op te offeren? Ik geloof in haar, zelfs twijfel ik er niet aan dat ze me evengoed Friedrich, de ‘vrede-rijke’, zou noemen als ze besefte dat ik allesbehalve rijk aan vrede ben en me daarom zo ongaarne Friedrich laat noemen. (p. 211).

Hoeveel zelfbeklag ook, de Duitser die leefde in wat misschien wel het meest dynamische tijdperk van de Europese geschiedenis kan worden genoemd, werd toch tegen het einde van zijn leven herkend en erkend als groot schrijver. In de literatuurkritiek geldt hij tegenwoordig als de enige toneelschrijver van betekenis uit de Realistische periode. De dagboeken die hij vanaf zijn 23e levensjaar bijhield (vanaf 23 maart 1835) laten een intense worsteling zien met het leven waarbij zelfmedelijden, hoop, gedoseerde arrogantie en de zoektocht naar erkenning afgewisseld worden met levenswijsheden, anekdotes en scherpe beschouwingen over het leven van alledag.

Dat verklaart ook de keuze van de titel ‘Een blinde bij zonsopgang’ die de vertaler bedacht: ‘In het vacuüm tussen geluk en ellende is het oeuvre ontstaan van een schrijver die zichzelf als een blinde bij zonsopgang beschouwde. Hij wist dat het geluk bestond, maar hoe het eruitzag ontdekte hij pas zeer laat.’ (p. 9). Hebbel noteerde de frase  ‘Een blinde bij zonsopgang’ zelf ergens rond mei 1837, als hij nog aan het begin staat van een lange schrijfweg en een turbulente zoektocht naar geluk, erkenning en liefde. Later merkt hij ook nog op: ‘de mens is een blinde die droomt van het zien’ (p. 75). Dat is in ieder geval zijn eigen droom.

Wat het boek aantrekkelijk maakt om te lezen is dat een werk als dit niet oprechter kan worden geschreven worden, al is het duidelijk dat Hebbel altijd rekening heeft gehouden met de publicatie van zijn dagboeken:

Er is niemand die schrijft zonder dat hij met zijn autobiografie bezig is, en dat is nog het sterkst het geval naarmate hij zich er minder van bewust is. (p. 49).

En zo luiden zijn allereerste zinnen:

Ik begin dit cahier niet met de vooropgezette bedoeling mijn toekomstige biograaf ermee te plezieren, ofschoon ik gezien mijn kansen onsterfelijk te worden er zeker van kan zijn dat me een biograaf ten deel zal vallen.

En soms laat hij een tekst voorafgaan met: ‘Ten behoeve van mijn biografie’.

Hebbel schrijft het omdat hij schrijven wil. En geen enkel werk biedt zoveel vrijheid om te schrijven dan een aan de publiciteit onttrokken dagboek. En daarbij: hier spreekt een 22-jarige knul met bravoure zoals tijdgenoot Kierkegaard met bravoure voorspelde dat Vrees en beven (1843) hem eeuwige roem zou bezorgen terwijl er een amper paar honderd boekjes waren verkocht. Hebbel hoopt vooral dat hij de vergetelheid zal weten te trotseren. Krijgt hij gelijk, dan is het goud en krijgt hij geen gelijk, dan maalt niemand erom. Dat Hebbel zijn leven lang heeft willen bewijzen dat ook eenvoudige mensen in staat zijn tot groots denken maakt hem een kind van zijn tijd, waarin de vanzelfsprekendheid van meritocratie nog in de verste verte geen gemeengoed was.

Aan de hand van het thema ‘aforismen’ zal ik Hebbel kenschetsen op basis van gekozen fragmenten, die ik aanvul met een korte overweging. Er zijn veel meer thema’s denkbaar zoals ‘ergernissen en succes’ of ‘boze brieven aan beduidende mensen’, maar daarvoor is de lezer uitgenodigd die zelf op te pakken uit het dagboek. Aan het thema ‘liefde en tragiek’ was ik nog wel begonnen, maar de complexiteit daarvan heeft me na enkele pagina’s schrijven doen besluiten dat te staken. Meer over dit toch pakkende thema treft men aan in Klaus Siegels Het bevroren vuur van Friedrich Hebbels Brieven. In: Maatstaf 11/12 1987, pag. 70 e.v. of in het eerder genoemde boek van Sibylle Knauss (1981) Ach Elise – oder Lieben ist ein einsames geschäft. 

Aforismen
Een dagboek zonder aforismen is als liefde zonder romantiek: dat kan eigenlijk helemaal niet. In een literaire wereld waar het er vooral om draait langere samenhangende teksten te produceren, is het aforisme een zwaar onderschatte kunst.

Het is alsof het fragmentarische altijd een bijzondere verantwoording vereist. Toch kun je mij nergens meer een plezier mee doen dan met een verzameling weloverwogen aforismen, stelregels over de menselijkheid en zinspreuken op basis van inzicht in het leven. Het zet op een unieke manier aan tot zelfkritisch nadenken. Een treffend aforisme verraadt altijd een scherpe geest die behept is met een goed observatievermogen. Hebbels dagboeken worden gekenmerkt door een dergelijk vermogen.

Bij herlezen heb ik enkele fragmenten gekozen waar een bijzondere zeggingskracht vanuit gaat. Ik heb ze aangevuld met een eerste overweging met de bedoeling dat het leidt tot zelf verder denken.

  • Met ieder mens verdwijnt er een geheim uit de wereld. (Onverschillig om welke mens het gaat.) Een geheim dat vanwege zijn specifieke opzet slechts door die éne mens kon worden ontdekt en dat niemand na hem ooit zal ontdekken. (p. 58)

Heeft een dergelijk geheim zin? Kan iemand uit de wereld verdwijnen en het geheim hebben prijsgegeven? Is dit een ode aan de individualiteit?

  • Tot aan zijn dood kan ieder mens het zonder spijs en drank stellen; men noemt dit evenwel verhongeren. (p. 62)

Een dergelijke vorm van ironie gebruikt Hebbel vaker. Zijn korte verhaaltjes over moord en doodslag die in het dagboek verspreid zijn hebben iets geestig in hun ernst. Overigens noteert Hebbel enkele zinnen later ‘Een vette bedelaar’ en ‘Zich verhangen om niet te verhongeren’. (p.63). Hebbel moet in die tijd op de een of andere manier een indruk hebben gehad waardoor hij tot bovenstaande notities is gekomen. De aanleiding is misschien een reëel gevoel van honger dat hem heeft geraakt?

  • De mens kan zichzelf het best als een experiment van de natuur beschouwen. (p. 66)

De actuele tekst, zo merkt ook de vertaler op in een naschrift. Het opkomende existentialisme wat zijn oorsprong vindt bij Kierkegaard en later verder wordt geïnterpreteerd door de Duitse en Franse filosofen wortelt feitelijk in een zin als deze.

  • Zelfmoord is altijd een zonde wanneer een detail er de aanleiding toe geeft en niet het leven in zijn geheel. (p. 92)

Wie pleegt zelfmoord omwille van een detail? Dat is een gruwelijke gedachte! Ik geloof niet dat de zelfmoordenaar in staat is om te onderkennen dat het gaat om een detail wanneer hij een einde aan zijn leven maakt…

Veel later merkt Hebbel nog iets interessants op over de zelfmoordenaar: ‘Zelfmoordenaars schrikken terug voor heldere meertjes waarin de zon wordt weerspiegeld. Ze werpen zich in sombere putten of moerassige vijvers.’ (p. 270)

  • Zodra ze een kind heeft houdt de vrouw alleen nog maar zoveel van een man als hij van het kind houdt. (p. 104)

Deze stelling heb ik hier en daar aan mensen voorgelegd en ze leidt tot onmiddellijke stellingname (die alle kanten op kan). Iets om zelf uit te proberen.

  • Veel mensen onderscheiden zich daardoor dat, als er ergens geen beul aanwezig is, ze onmiddellijk staan te dringen diens functie over te nemen. (p. 107)

Hebbels fragmentarische wijsgerige antropologie is geen vrolijke. Dit gezegde is feitelijk een lugubere variant van het gezegde ‘de beste stuurlui staan aan wal.’

  • Er zitten vlekken op de zon. Maar die geven geen schaduw. (p. 125)

Dit zijn typische observaties van een zich verwonderende geest, die geen nadrukkelijke overdenking verlangen, maar meer een uiting zijn van hoe men verwondering uit kan spelen met taal.

  • Zichzelf kan men geen raadsel opgeven. (p. 181)

Hebbel noteert dit in 1850 op 2 juli nogmaals: ‘Je kunt jezelf geen raadsel opgeven.’ (p. 237), waar hij dit eerder in februari 1844 had bedacht. Ik moet onmiddellijk denken aan mensen die met zichzelf schaak spelen: voortschrijdend inzicht maakt dat ze toch een tegenstander kunnen zijn van zichzelf en zich kunnen verrassen bovendien door een probleem wat ze in eerste instantie zelf hebben gecreëerd.

  • ‘Niemand is onafhankelijk, nog niet eens de mens die zich aan een balk zou verhangen, hij blijft afhankelijk van de balk.’ (p. 220)

Soms plaatst Hebbel zinnen tussen aanhalingstekens. Dat duidt erop dat hij een dergelijke zin waarschijnlijk ergens heeft gelezen of opgevangen. Uiteindelijk slaat het bovenstaande op het al oude metafysische principe: ‘alles komt voort uit iets.’

  • Er bestaat weliswaar een Latijnse, een Griekse, een Engelse taal enzovoorts, maar geen Latijnse, Griekse, Engelse et cetera wiskunde. Dat lijkt me het beste bewijs dat de taal niet logisch van aard is. (p. 287).

Hier waag ik mij maar niet aan. Bertrand Russell en Wittgenstein hebben hun leven gewijd om te proberen alledaagse taal te vertalen naar een logische vorm, die in zijn volmaaktheid elke dubbelzinnigheid uit zou moeten sluiten. Niet met onverdeeld succes.
_____________

Hebbels dagboeken bestaan uiteraard uit zoveel meer dan uit treffende inzichten en wonderlijke observaties, waarvan ik er hier een paar heb overgenomen. Brieven, reisverslagen, liefdesperikelen, ontboezemingen en, samenvattend, een niets verhelende blik in een innerlijk, maken dit boek een waardevolle spiegel voor iedere lezer die zichzelf net als Hebbel voor de nodige levensraadsels stellen wil.

De sublieme schoonheid van Schippers

De sublieme schoonheid van Schippers
En waarom ze schoon is en schoon blijft

Een schets tegen lasteraars

~Was ist schöner als schön? Die Großmut im Kleide der Demut~
Johann Kaspar Lavater

Tegenover het bijzondere, het ongelofelijke, het unieke en het sublieme staat altijd het jaloerse, het sceptische, het rancuneuze en het relativerende.

Het zijn de geruststellende bewegingen waar een zwakke en met weinig verwondering gezegende geest zich mee kan bedienen om grip te houden op de werkelijkheid én zichzelf. Grip, omdat iemand die zich ervan bedienen moet zichzelf plots in een schaduw zag van iets wat hem in alles overdondert. Grip, omdat hij met een voorbehoud zichzelf in een altijd mogelijk gelijk stelt. Zoals ieder ‘ik moet het nog maar eens zien’ het makkelijkste verweer is om niet te struikelen en veilig op een papieren troon te blijven.

Het is ook een beweging die voortvloeit uit ongemak, onbegrip, onzekerheid of onbeholpenheid. Het is ook niet eenvoudig je fatsoenlijk te gedragen tegenover het sublieme zonder een beroep te doen op scepticisme. Het is ook niet eenvoudig je over te geven aan iets wat ongelofelijk is en voor onmogelijk gehouden. Het is ook vele malen moeilijker om de schoonheid van een prestatie te bezingen, dan om haar in een verdacht hoekje te plaatsen. Zelfs de verdediging dat men beter sceptisch is dan ‘naïef’, blijft een gemakzuchtige vorm van vernietigen van schoonheid.

Ik moet denken aan de oom die vlak nadat de jeugdgeliefden hun ja-woord hebben gegeven roept: ‘Vergis je niet, de liefde kan zo weer over zijn!’
Hij heeft op basis van wat ervaring misschien wel een punt, maar toch kan hij gewoon beter zijn klep dichthouden.

En zo is het ook met iedereen die het sublieme van de prestatie van Dafne Schippers denkt te moeten relativeren (dom) of er een dopingvoorbehoud bij maakt (vals).  Een verdachtmaking, een suggestie over mogelijk dopinggebruik – niets vereist minder verbeeldingskracht dan dat.

En zo’n suggestie is alleen maar vernietigend. Het is ongepast, ergerlijk en niemand schiet er iets mee op. Behalve dan degene die het voorbehoud maakt en zichzelf ermee in het licht van een onweerlegbaar gelijk stelt en enkele schlemielen naar de mond praat. En als het niet daarom is, waarom dan wel?

De kracht van dit soort wilde speculatie zit verder in de eenvoud van het destructieve effect dat ermee te bereiken is en tegelijkertijd in de ongevoeligheid voor tegenspraak. Laster is de kracht van lafaards. Niemand kan zich namelijk verdedigen tegen een suggestie dat iets mogelijk is. Mogelijk heeft ze doping gebruikt. ‘Er is geen enkel bewijs en er is geen enkele aanwijzing, maar het zou toch kunnen?’ 

Dafne Schippers kan het alleen maar ontkennen of weerspreken, en in beide gevallen schiet ook zij er niets mee op. De scepticus blijft sceptisch en zij blijft schoon. Ze kan zich erboven verheffen door te zwijgen of ironie te gebruiken, maar meer nog door even bescheiden te blijven, ootmoedig en oprecht zoals we haar tot nu toe hebben gezien. Juist nu. Daarin schuilt haar geloofwaardigheid en haar schoonheid als mens. Een schoonheid bovendien die zichtbaar geworden liefde is voor de atletieksport.

Tot besluit
Schippers overweldigde met haar titel en haar tijd van 21.63 op de 200 meter in Peking tijdens WK atletiek. Het is zover ik kan bedenken de beste individuele prestatie die ik ooit van een Nederlandse vrouw heb gezien.

Zelfs Olympische titels in andere disciplines komen niet in de buurt bij de prestatie van Schippers. Niet alleen omdat er geen andere sport zo sterk bezet is, dat ze een polderdiva is tussen het louter buiten-Europese talent, maar vooral omdat het ondenkbaar is dat een Nederlandse vrouw dit deze eeuw nog gaat overtreffen. Daarvoor staat dit te veel op zich en zien we achter ons pas bij Fanny Blankers-Koen een vergelijkbaar fenomeen, al had Blankers-Koen Rio logo 2016zeventig jaar geleden beduidend minder concurrentie dan Schippers. Daarbij wijst alles erop dat Schippers haar niveau vast zal houden en sterker nog, zal verbeteren.

De ondertitel van dit verhaal doet vermoeden dat er een pleidooi zou zijn waarin ik uiteenzet waarom Dafne Schippers schoon is en schoon blijft. Maar dat is een zinloze onderneming. De scepticus blijft sceptisch en zij blijft schoon.

En ik blijf ontroerd genieten van het sublieme – en hopelijk als straks het goud spreekt tijdens de Olympische Spelen, is het geblaat van de scepticus definitief verstomd. Maar ik vrees dat hij daar te stom voor is…

______________________
Lees ook:
De betekenis van een Nederlands record

Het goud en de keerzijde

Een uiteenzetting van een wonderlijke klucht: de Kafkaëske wereld van Lloydsbank Nederland

Een uiteenzetting van een wonderlijke klucht
~Een hypotheekaanvraag bij Lloydsbank: Kafka in de bankensector of de aanvrager aan gene zijde van de rationaliteit~

Sinds de bankencrisis van 2008 is sommige banken er alles aan gelegen om het vertrouwen van de klant zo goed mogelijk verder te beschamen. Eén van die banken betreft Lloydsbank Nederland, een ouderwetse geldtroggelaar geschroeid op de Aldi-strategie. Niet lulle, vakke vulle. Dat werk.

-Leestip: te lang? Ga gelijk naar ‘E-mail II’ en begin daar!

~Meer dan 10000 x gelezen, daar moet je als bank blij mee zijn~

Onderstaand verhaal is een weergave van een hypotheekcasus die zo opzichtig vals en kafkaësk in elkaar steekt, dat hij zich daarmee uitstekend leent als studiematerie. Als zodanig moet deze polemiek ook gelezen worden. Het gaat hier om werkelijke feiten. Namen zijn gefingeerd.

Wie de moeite neemt dit verhaal goed te lezen zal gegarandeerd beloond worden met stijgende verbazing.

Overzicht en analyse van correspondentie tussen Lodewijk van Deyssel en Jeffrey Samsa

Vooraf: We noemen de aanvrager hier de heer Lodewijk van Deyssel en de betreffende financieel administratief medewerker waarmee Van Deyssel te doen heeft Jeffrey Samsa.

Van Deyssel heeft een vast inkomen van ongeveer € 52.000 bruto per jaar. Hij heeft bovendien een gevalideerd NWWI taxatierapport laten maken van het pand dat hij aanschaffen wil. Het aardige is dat het pand volgens de taxateur een aankoopwaarde vertegenwoordigt van € 155.000. Van Deyssel echter is in de gelukkige omstandigheid dat hij er maar € 87.000 voor hoeft te betalen. Hij wil daarom slechts €115.000 lenen van Lloyds. De aankoopsom plus een stukje verbouwingskosten.

Omdat het om een energiezuinige verbouwing gaat, is de gemeente waar Van Deyssel woont bereid om hem € 75.000 innovatiegeld te lenen (bouwdepot). De rente van die lening ligt bovendien een stuk lager dan die van de hypotheek.

Alles goed en wel zijn de maandlasten van Van Deyssel ongeveer € 700 netto. Volgens allerlei adviseurs kan Van Deyssel tussen de € 220.000 en € 240.000 lenen maximaal. Met in totaal € 190.000 zit hij daar ruimschoots onder. De taxateur heeft de woning na verbouwing bovendien een waarde van € 255.000 toegekend. Met alle vertrouwen legt hij zijn dossier dus in handen van Lloyds bank. ID, werkgeversverklaring, belastingopgave, spaarkapitaal, de hele santenkraam.

De voordelen van de Lloyds Bank hypotheek zitten vooral in lage rente (10 jaar vast 2,25% – bij publicatie) en lage afsluitkosten van slechts € 310-. Waar andere geldmachines met flauwekulkosten en overbodig verplicht advies op de proppen komen, spreekt het voor Lloyds dat ze een klant die kan optellen en aftrekken zelf de zaak laat regelen.

Na een aantal mailwisselingen tussen Van Deyssel en Samsa, waarin het op een vriendelijke manier gaat om het aanleveren van allerlei extra informatie en documenten volgt er een telefoongesprek.

Van Deyssel: Met Van Deyssel. Goedenavond.
Samsa: Goedenavond, u spreekt met Jeffrey Samsa van de Lloydsbank. Ik heb helaas geen goed nieuws voor u. Uw hypotheekaanvraag is afgekeurd.
Van Deyssel: O – dat is inderdaad geen goed nieuws. Op grond waarvan?
Samsa: Nou. Ik heb het voorgelegd en op basis van het onderpand kunnen wij geen hypotheek verstrekken.
Van Deyssel: Op basis van het onderpand? Wat bedoelt u daarmee?
Samsa: Wat ik zeg: het onderpand voldoet niet.
Van Deyssel: Maar het onderpand is bijna twee keer zoveel waard als wat ik ervoor betaal.
Samsa: Uh… Wellicht, maar op grond van onze voorwaarden moet ik u helaas teleurstellen.
Van Deyssel: Daarnaast is mijn inkomen op basis van een vast contract ruimschoots voldoende om te kunnen voldoen aan de lasten. U loopt geen enkel risico als maatschappelijke dienstverlener.
Samsa: Ja, op basis van het onderpand is de aanvraag dan ook afgewezen.
Van Deyssel: Maar ik heb hier het taxatierapport voor me. Daarin staat toch dat het onderpand een veel hogere waarde vertegenwoordigt dan de hypotheeksom die ik uiteindelijk verlang. Wat is dan de zin van een taxatierapport als u uiteindelijk op grond van het onderpand een hypotheekaanvraag afwijst? Er zit € 65.000 marge op!
Samsa: Uh ja – we hebben ook eigen taxateurs, die voor ons taxaties uitvoeren.
Van Deyssel: Kom zeg – dit is een NWWI gevalideerd rapport! U begint nu onzin uit te kramen.
Samsa: Maar goed. De mededeling is dus niet anders: kredietverlening achten wij niet verantwoord.
Van Deyssel: Akkoord… Excuses voor het feit dat ik zei dat u onzin uitkraamt. Graag ontvang ik van u een schriftelijke bevestiging van datgene we hier besproken hebben.
Samsa: U ontvangt straks een e-mail.
Van Deyssel: Ik ben benieuwd. Goedenavond.
Samsa: Goedenavond.

Er volgt inderdaad een e-mail niet veel later.

E-mail I

From: $Lloyds Bank Hypotheek Service Desk <hypotheek@onbenulllbank.nl>
To: “‘Van Deyssel'” <vandeyssel@plato.com>
Sent: Thursday, July 23, 2015 8:59 PM
Subject: Uw hypotheekaanvraag met offertenummer 131313

Geachte heer Van Deyssel,

Hierbij refereren wij naar uw aanvraag voor een Lloyds Bank Hypotheek.

Ter beoordeling hebben wij recent documentatie van u mogen ontvangen. Na zorgvuldige afweging hebben wij besloten uw hypotheekaanvraag aanvraag niet te accepteren.

Bij een aanvraag voor een hypotheek hanteren wij een aantal acceptatienormen. Na toetsing hebben wij geconstateerd dat uw aanvraag niet aan alle door ons gestelde normen en voorwaarden voldoet.

Kredietverlening achten wij derhalve niet verantwoord

Uw interesse in Lloyds Bank hebben wij zeer op prijs gesteld.

Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

Jeffrey Samsa
Hypotheek Consultant

Van Deyssel neemt de moeite deze e-mail, waarin niets inhoudelijks is op te merken, te beantwoorden.

E-mail II

From: L. Van Deyssel <vandeyssel@plato.com>
To: ‘jeffrey.samsa@onbenulllbank.nl’ <jeffrey.samsa@onbenulllbank.nl>
Sent: Friday, July 24, 2015 11:39 AM
Subject: Re: Uw hypotheekaanvraag met offertenummer 131313

Geachte heer Samsa,

dank voor de informatie. Ik zou deze informatie echter graag gespecificeerd willen zien. Aan de telefoon sprak u dat de reden van afwijzing is dat het onderpand niet zou voldoen. Graag zou ik daarvan een schriftelijke bevestiging van u ontvangen. Ik heb nog gezocht naar de acceptatienormen en voorwaarden die gehanteerd worden, maar kon daar niets specifieks over vinden.

U heeft het betreffende taxatierapport van de toekomstige woning overigens nooit gezien, dus dat is op zichzelf al wonderlijk, maar nog wonderlijker is dat die gevalideerde taxatie 79% hoger ligt dan het hypotheekbedrag dat ik ervoor vraag. Ik stuur dat rapport uiteraard graag toe.

Daarnaast biedt mijn vaste inkomen alle garanties voor het afbetalen van de aangevraagde hypotheek en kunnen er zelfs gemeentelijke garanties worden afgegeven. Dus het is uiteindelijk een kwestie van vertrouwen en vooral hoe wel aan uw voorwaarden kan worden voldaan. Graag ontvang ik van u een antwoord op die vraag.

Ik zou er overigens ook nog wel wat voor voelen dat uw eigen mensen een taxatie opstellen van de waarde van het aan te schaffen pand. Het zou mij zeer verbazen als uw eigen taxatieservice waarover gesproken wordt, wel de zekerheid zou bieden dat het rapport aan alle voorwaarden van Lloyds Bank voldoet -maar dat is een reëele optie. Ik hoor graag hoe u tegen die optie aankijkt; u liet daarover al wat doorschemeren aan de telefoon.

Ik zie uw antwoord tegemoet.

Met vriendelijke groeten,

L. Van Deyssel

In de e-mail hierboven worden feitelijk drie eenvoudige vragen gesteld:

  1. Waar kunnen de precieze acceptatienormen en voorwaarden gevonden worden?
  2. Wat is er voor nodig om wel te kunnen voldoen aan de acceptatienormen?
  3. En waarom niet inderdaad alsnog een taxatie laten uitvoeren door de eigen mensen van Lloyds?

Twee weken lang volgt er geen reactie. Van Deyssel stuurt een herinnering en dan komt er een verrassend schaamteloos antwoord:

E-Mail III

From: $Lloyds Bank Hypotheek Service Desk <hypotheek@onbenulllbank.nl>
To: “‘Van Deyssel'” <vandeyssel@plato.com>
Sent: Tuesday, August 4, 2015 1:50 PM

Subject: Uw hypotheekaanvraag met offertenummer 131313

Geachte heer Van Deyssel,

Dank voor uw bericht. Wij hebben uw bericht in goede orde ontvangen en willen hier graag op reageren.

Helaas kunnen wij u niets anders aangeven dan eerder vermeld en bevestigd per email en besproken tijdens het telefoongesprek. Wij hebben uw aanvraag nogmaals bekeken naar aanleiding van de ontvangen informatie, echter dit heeft ons standpunt niet veranderd.

Uw interesse in Lloyds Bank hebben wij zeer op prijs gesteld.

Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

Jeffrey Samsa
Hypotheek Consultant

Analyse en commentaar bij de correspondentie tussen Lodewijk van Deyssel en Jeffrey Samsa

Het is overduidelijk wat er gebeurt. De laatste mail is een Pavlov-reactie van een organisatie die verstrikt is geraakt in haar eigen onzin-redenering. De e-mail is een toonvoorbeeld van lucht en leegte. Geen enkele vraag wordt beantwoord en er worden geen inhoudelijke zaken verduidelijkt of bevestigd. Dat laatste heeft ongetwijfeld een juridische grondslag of duidt op volslagen incompetentie.

De uitweg die hier gehanteerd wordt is die van een cirkelredenering in de hoop dat de betreffende klant moedeloos wordt en het opgeeft. Waarschijnlijk gebeurt dat in 99% van de gevallen al in een veel eerder stadium dan in het geval van de bewust naïeve Van Deyssel, die op zoek gaat naar inhoudelijke redenering. Want Van Deyssel weet natuurlijk wel wat er aan de hand is:

De gemeentelijke leningen zijn hier de werkelijke boosdoener. Het maakt dat de leenconstructie een heel klein beetje ingewikkelder wordt. Daarnaast is de € 115.000 geen interessant bedrag voor deze bank. Daar zijn geen zakken mee te vullen in verhouding tot de relatieve complexiteit.

Dit zijn echter twee zaken die deze bank natuurlijk niet ruiterlijk gaat toegeven. De vraag is waarom niet. Het antwoord op die vraag is dat de bank zich daarmee een brevet van onvermogen opspeld en erkent dat het mooie reclameplaatje wat ze houden eigenlijk maar op een select gezelschap van toepassing is: niet te moeilijk doen en niet te weinig lenen. Dit niet toegeven en anders suggereren is één ding, op de proppen komen met een ongelofelijke flauwekulredenering een heel ander.

Iedere sukkelaar kan namelijk begrijpen dat de redenatie van Lloyds gebaseerd is op kletspraat. Welk onderdeel binnen Van Deyssels situatie maakt namelijk dat kredietverlening onverantwoord is? Dit zou het onderpand zijn. En de redenering van Lloyds komt dus overeen met het volgende:

‘Kredietverlening op basis van een onderpand dat 75% meer waard is dan er voor betaald wordt, wordt niet verantwoord geacht.’

Als de bank deze redenering consequent zou handhaven, zou ze binnen de kortste keren failliet zijn, want dat een huis op voorhand al een dergelijke meerwaarde vertegenwoordigt is uitzonderlijk. De meeste woningen zijn vrijwel altijd evenveel waard dan ervoor betaald wordt. Dat betekent dat volgens de redenering van Lloyds ze dan een ‘nog’ hoger risico lopen, en in de praktijk dus geen enkele hypotheek zouden kunnen verstrekken. Dat is misschien ook wel een van de redenen dat deze bank met belastinggeld gereanimeerd moest worden…

Het koddige ‘Uw interesse in Lloyds Bank hebben wij zeer op prijs gesteld’ is knip- en plakwerk en in dit geval een vorm van misplaatste klantvriendelijkheid. Het zal waarschijnlijk nog onder een overlijdensadvertentie van een Lloyds-werknemer staan.

Rest nog één belangrijke vraag.

Moeten we Jeffrey Samsa als verloren beschouwen?

Jeffrey Samsa is naar alle waarschijnlijkheid een minkukel. En iemand die bij geboorte niet gezegend is met een bijzondere intelligentie, kan dat niet kwalijk genomen worden. Eigenlijk is Jeffrey vooral een tragische figuur, die eerder ons mededogen dan onze afkeuring verdient. Want ga maar eens na:

Ze hebben hem allereerst wijsgemaakt dat hij een belangrijke baan heeft door hem een stropdas te geven en zijn functie als administratief medewerker om te dopen tot ‘Hypotheek Consultant’ of nog lachwekkender “Accountmanager”. Beslissingen nemen doet hij niet. De ongelukkige Jeffrey kletst alles wat ze hem influisteren gewoon door, zonder zelf na te denken. Zelf nadenken is ook contra-productief: zo kun je geen carrière maken in een organisatie waarin op willekeurige momenten onzin verkocht moet worden.

Jeffrey is een ook tragische figuur omdat hij op een schandelijke wijze misbruikt wordt door het systeem waarin hij terecht is gekomen en waarin het trekken van rationele conclusies gevaarlijk is.

  • 2+2=5
  • Oorlog is vrede
  • Vrijheid is slavernij
  • Onwetendheid is kracht en
  • Een klant die alle mogelijke garanties en zekerheden biedt dat de lening afbetaald kan worden is een gevaar voor de bank

Jeffrey verkoopt het allemaal als zoete koek en wat zou het hem ook verrotten? Hij zegt immers precies wat zijn baas hem vertelt te zeggen. En hij zou toch zeker niet zo stoutmoedig zijn om iets anders te doen dan wat zijn baas van hem verlangt? Zijn baas zal het toch wel weten?

"Jeffrey Rotteveel"En als het echt moeilijk wordt en Van Deyssel zou zo onverstandig zijn om toch te reageren op de laatste e-mail, dan is het moment daar dat Jeffrey de casus door moet schuiven aan de paladijn die net boven hem staat. Van Deyssel zou dan gelabeld worden tot ongewenste en moeilijke klant, en de toon van de e-mail zou juridischer van aard worden, maar nog steeds van bedenkelijk niveau en even nietszeggend. En degene die dat baantje nu heeft, juist dat ligt straks in het verschiet voor Jeffrey. We moeten hem dat maar niet misgunnen en hem bovenal niet uit zijn droom wekken. Hij zou op een ochtend wel eens wakker kunnen worden, en ontdekken dat hij in zijn bed in een reusachtig ondier is veranderd….

Conclusie

Dit verhaal is een klassieke hoofdschudder. Je weet dat het gebeurde, dat het gebeurt en dat het blijft gebeuren. Goedwillende mensen die alles op orde hebben en gewoon een bijzonder huis willen kopen, worden door organisaties van de ergste bureaucratische soort als Lloyds met een kluitje in het riet gestuurd. Al beroofd van hun kostbare tijd kunnen ze eenvoudig gezegd verrekken wanneer ze verzoeken om een redelijk antwoord of wanneer ze willen weten hoe ze dan in vredesnaam wel kunnen voldoen aan de onduidelijke en onvindbare acceptatienormen. Deze bank is niet in mensen geïnteresseerd, maar alleen in makkelijke centjes. ZO simpel is het.

Voor Van Deyssel is het verder gewoon goed afgelopen. Niet veel later heeft hij met exact hetzelfde verhaal bij een andere bank zonder één enkel probleem de gevraagde hypotheeksom gekregen. De woning is in 2020 getaxeerd en 4x meer waard dan de hypotheeksom. Eind goed….

 

Meer hoofdschuddend lezen?
Reviews Lloydsbank

Het verleden leeft voort

Deze recensie is geschreven voor 8Weekly en daar als eerste verschenen. Benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan nu een kijkje op de site aldaar!

Met Gevonden foto is de succesvolle wekelijkse rubriek uit het Parool in boekvorm verschenen. Auteur en journalist Mark Moorman dompelt de lezer onder in een kijkboekje vol met vreemden, verhalen en schetsen van een verloren tijd.

De fascinatie die een foto teweeg kan brengen is iets unieks. Het bewoog Roland Barthes tot een fenomenologie van het kijken naar foto’s (Camera Lucida), Susan Sontag tot een diepgravend onderzoek naar de rol van fotografie in de media in relatie tot ethiek (On Photography) en de recent overleden Allan Sekula tot een kritische verzameling essays over het wezen van de fotografie (Photography against the Grain). Zulke diepten vinden we niet in Gevonden foto, maar desondanks verleidt het ons tot een fantasievolle reflectie die in deze tijd van oppervlakkige selfies en overdaad aan digitaal geschoten fotomateriaal nog maar zelden lijkt plaats te vinden.

Van alles wat te zien
Gevonden foto is opgebouwd uit vele korte hoofdstukken en diverse intermezzo’s waarin allerlei facetten van de foto besproken worden. Van pasfoto tot trouwfoto, van straatfotografie tot vakantiekiekjes, van mislukte foto’s tot professionele en elegante portretten. Het boek opent sterk met een lange inleiding waarin we lezen over de liefde die gepaard gaat met een ‘gevonden foto’. Het blijkt zelfs een heuse hobby te zijn die tot kunst verheven kan worden: op zoek naar beelden uit het verleden van onbekenden. Want niet alleen toevallig stuit men op een onbekende foto’s, men kan ook zoeken in prullenbakken in de buurt van fotowinkels, bij pasfoto-automaten à la Amélie, of te rade gaan bij een antiquair die vast nog wel een oude foto in een lijst heeft staan. En het idee dat er hoe dan ook een (levens)verhaal achter schuil gaat, maakt dat onze verbeelding niet stil komt te staan wanneer we erna kijken.

Verhaaltjes
Eigenlijk zijn de verhaaltjes waar er iets over de foto verteld wordt het leukst en meest boeiend aan het boek. Wie zijn het die we zien? Waarom staan ze er zo bij? Wat is er gebeurd met de mensen? Hoewel Gevonden foto belooft op zoek te gaan naar de verhalen achter de pasfoto, de uitgaanspolaroid, de mislukte foto, de visitefoto en de straatfoto staan er vele foto’s in het boek bij de artikelen die niet verder worden ontrafeld of nauwelijks worden toegelicht. Dan blijft het te vaak bij een algemeen verhaal en beschouwing. Dat is jammer, want juist die verborgen geschiedenis trekt aan. Zodra we deelgenoot worden van het verhaal achter het plaatje, leeft op een bijzondere manier het verleden voort. Nu zijn we vaak overgeleverd aan onze fantasie, alsof de auteur ons wil bewegen zelf maar een verhaal te verzinnen bij het meisje in het gras en de vrouw in de bikini.

Koffietafelboek
Een foto moet je in de hand hebben, want dan is het pas een foto. Dit boek toont, zou Plato zeggen, foto’s van foto’s en vormt daarmee een absolute schim van de werkelijkheid. Maar aangezien het boekje, net als de foto ons stil doet staan bij beeld en verhaal is dat niet erg. Sterker nog: het wakkert naast nostalgische gevoelens ook zin aan om je te verdiepen in de wereld van de foto.

Gevonden foto is daarmee een prima koffietafelboek dat makkelijk wegleest, gespreksonderwerpen oplevert en misschien beweegt om de kunst van het echte fotograferen – waarbij er ouderwets aandacht is voor beeld, compositie en sfeer – op te pakken. Want als we dan toch foto’s verliezen of kwijt raken, laat het dan iets bijzonders zijn.

Neonatologische bekommering of het menselijk tekort: Op zoek naar de grenzen van pril leven

Deze recensie is geschreven voor 8Weekly en daar als eerste verschenen. Benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan nu een kijkje op de site aldaar!

Brenda van Osch geeft in Het onvoltooide kind. Op zoek naar de grenzen van pril leven niet alleen een kijkje in haar privéleven, maar probeert de lezer ook te confronteren met morele vraagstukken. Hoe ver moeten we gaan om een kind in leven te houden?

Docenten ethiek hebben een geliefd, ongepolijst gedachte-experiment om eerstejaars studenten te prikkelen na te denken over hoe hun keuzes tot stand komen. Het is oorlog. Er worden vier patiënten naar de spoedoperatiekamer gebracht. Het zijn een generaal van het geallieerde leger, een zwaar gehandicapt meisje, een zwangere vrouw en een journalist. De chirurg van dienst roept verschrikt dat hij met het materiaal voorhanden maar één persoon kan redden. Wie moet hij kiezen?

Details kunnen naar hartenlust worden aangereikt, maar hoe er ook gepuzzeld wordt, tot hun eigen schaamte zullen vrijwel alle studenten geen argumenten vinden om het gehandicapt meisje te verkiezen boven de andere drie. Zelfs als er drie mensen gered kunnen worden, dat nog is het haast ondoenlijk kiezen voor het meisje. Hoe komt dat? Is dat omdat wij gewend zijn teleologisch te denken in termen van nut, waarde en betekenis? Hoe dat ook zij, het legt iets bloot. Iets dat op dit moment bedekt wordt door een dun laagje beschavingsvernis en de onstuitbare wetenschap die met alle middelen het leven in leven lijkt te willen houden. De centrale vraag nu die Het onvoltooide kind ons stelt is: moeten we dat eigenlijk wel willen?

Kiezen
Van Osch heeft haar boek gebaseerd op dagboekaantekeningen, herinneringen, mails en dossiers. Het boek beslaat drie delen die allemaal bestaan uit puntige, leesbare hoofdstukken. Het eerste deel verhaalt over de geboorte van haar Eva, met 680 gram veel te licht en nauwelijks tot leven in staat. Het tweede deel werpt een blik op de moeizame ontwikkeling van Eva van baby tot negenjarige die gekenmerkt wordt door de ene na de andere tegenvaller en medische schimmigheid. Het laatste deel handelt concreter over de ethische en geneeskundige vraagstukken die samenhangen met vroeggeboorten. Van Osch is daarin niet meer lijdend voorwerp, maar kritisch journalist. Het maakt dat dit derde deel op zichzelf leesbaar is en als uitgangspunt van gefundeerde discussie kan dienen.

Want wat zijn de feiten? Allereerst dat de medische wetenschap geen exacte wetenschap is: grenzen die worden getrokken zijn akelig arbitrair en uiterst rekbaar. Het pleidooi om kinderen van 24-weken te behandelen is feitelijk gebaseerd op zo’n arbitraire grens. Immers, wat als 62% van de kinderen die dan ter wereld komt sterft, en van de 38% die het wel redt een op de drie te kampen krijgt met zware handicaps en een derde met minder zware handicaps (p. 159)? Wie zou op basis van deze cijfers beslissen zijn kind te behandelen? Dat is een ongemakkelijk idee. De voorstelling dat je kindje, als het al overleeft, een grote kans heeft (zwaar) gehandicapt door het leven te gaan, is iets wat weinigen goed kunnen verdragen. ‘Je wilde een mens op de wereld zetten, maar je hebt een diertje gebaard’, zei een psychiater tegen haar.

Wat als
Wie de aangrijpend beschreven worstelingen van Van Osch de eerste twee delen heeft meegevoeld, zal in zijn diepste zelf moeten luisteren naar het stemmetje dat hij daar waarneemt. Wil ik de kans lopen op een leven lang zorgen? De kans dat mijn kind nooit van me zal houden? Dat ik niets terugkrijg voor al mijn inspanningen omdat het me niets terug kan geven? Want het is een taboe: niemand wil een ouder zijn die geen gehandicapt kind wil. En tegelijkertijd is er ook niemand die vooraf werkelijk rekening houdt met een zwaar gehandicapt kind. Een kind dat niet wil eten, doof is, de ontwikkeling van een tweejarige nooit zal ontstijgen, autisme heeft en spastisch is. Is dat kind eigenlijk wel gelukkig?

Leven en lijden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar wat nu als dit lijden vroeg in de kiem gesmoord kan worden? Wanneer stop je een behandeling? Wanneer is het nog verantwoord om een kind agressief te behandelen? Ja, het blijft leven, maar tegen welke prijs? Ook dan stuiten we weer op een ongemakkelijke vraag: dit kost handenvol geld. Miljoenen per kind. Hoezeer Van Osch alles ook aansnijdt, dit laat ze toch wijselijk rusten. Want als we dan toch iets moeten koesteren dan is dat juist onze beschaving, die zich over vele vragen mag buigen, maar deze gelukkig nooit hoeft te stellen.

Wie het weet
Van Osch heeft een bijzonder boek geschreven, waarin ze recht uit het hart en zonder filosofische omhaal een eerlijk en toegankelijk verhaal vertelt voor een groot publiek. Toegegeven, de eerste twee gedeelten zijn vaak topzwaar om te lezen. De lezer wordt soms zelfs murw geslagen door de ontberingen die Van Osch en haar man ondergaan in hun relatie tot Eva. Maar dat is niet erg: dit is zoals het is. De vragen die ze opwerpt zijn niet eenvoudig te beantwoorden, en sommige zijn misschien wel alleen te beantwoorden als men zelf werkelijk keuzen moet maken.

Een boek als dit kan geen lijvig handboek ethiek vervangen, maar tegelijkertijd tref je in geen enkel ethisch werk een zo’n levendige beschrijving aan van hoe dilemma’s wekelijkheid worden. Daar moeten medici, medici in spé en iedereen die zich bekommert om pril leven zijn voordeel mee doen.

_______________

Lees ook: Judith Jarvis Thomsons A Defense of Abortion: besproken en becommentarieerd

Over de noodzaak van vrije geesten in het onderwijs

Over de noodzaak van vrije geesten in het onderwijs
-een kleine opinie-

In de nasleep van de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo zijn er talloze discussies te voeren over wat nu precies ‘vrijheid van meningsuiting’ is. Een uitdrukking die, nu ze zo vaak te pas en te onpas wordt gebruikt bijna even betekenisloos is geworden als het Amerikaanse “I love you”.

Maar als er dan toch ergens betekenis aan kan worden gegeven en als die discussie al ergens nadrukkelijk gevoerd moet worden, dan is dat wel in een onderwijsomgeving. Niet door bange leerkrachten en docenten die stamelend zoeken naar hoe ze zo voorzichtig mogelijk het onderwerp kunnen aansnijden (er zal maar een iemand bij zitten zonder ruggengraat, sociaal schild of gevoel voor nuance: dan is het juist een mogelijkheid om dat te ontwikkelen in een beschermende omgeving, want je hebt het hard nodig in een open samenleving!), maar door kritische, onafhankelijke en vrije geesten die met gevoel voor verhoudingen een verschijnsel weten te duiden. Ik zeg met gevoel voor verhoudingen, want roekeloos spotprenten vertonen schiet zijn doel voorbij.

Het zou te gek voor woorden zijn indien een school gevrijwaard zou moeten worden van wat in een open en vrije samenleving als de onze massaal is geagendeerd door zowel media, politiek en publiek. Het getuigt daarbij van een ontzettende naïviteit om een school proberen te onttrekken aan alles wat verwijst naar spotprenten, de gebeurtenissen in Parijs, in Nigeria, in Berlijn, of waar dan ook ter wereld.

Juist een onderwijsomgeving biedt de ruimte om de nodige nuancering aan te dragen en te voorzien van een helikopterperspectief. Iets wat ontbreekt, wanneer studenten of leerlingen toch wel geconfronteerd worden met deze verschijnselen op internet, in de krant, op televisie of waar dan ook in de samenleving. Dan 1000 maal liever in een les vertoond, toegelicht en besproken, dan net doen of ‘neutraliteit’ betekent dat op geen enkele wijze uiting mag worden gegeven aan gevoelens die verwijzen naar Je Suis Charlie: of dat nu de simpele internationale leus is, het satirische tijdschrift zelf, of de vormen waarin zij zich heeft uitgedrukt. Want neutraliteit is een gevaarlijk begrip: het suggereert meningloosheid. Maar in het bijzonder onderwijs moeten openbare discussies nooit worden vermeden en in het openbare onderwijs moeten bijzondere opvattingen niet worden geschuwd.

Wat deze discussie dus ook vooral eist, is een directie die niet in de kramp schiet of uit angst of onkunde de vrijheid van haar docenten inperkt. Binnen een leslokaal moet er alle ruimte zijn om te tonen, zeggen en denken wat men wil, waarbij een directie altijd a priori moet vertrouwen op de integriteit en de professionaliteit van de docent, waarbij zijn gezag niet wordt ondermijnd wanneer er een verschil is van inzicht over hoe men iets bespreekt. Want de idiotie en de censuur doorgevoerd betekent ook dat we Nietzsche niet meer mogen bespreken omdat hij God doodverklaart, Darwin vermijden omdat hij de schepping overhoop haalt, de 95 stellingen van Maarten Luther moeten verwijderen uit de lesstof omdat Katholieken er aanstoot aan nemen, de slavernij niet meer moeten tonen omdat….etc.

Het meest ondoordachte wat je nu kunt doen als school is individuele docenten het recht ontzeggen om binnen hun lesomgeving onomwonden aandacht te besteden aan maatschappelijke fenomenen. Lessen geschiedenis, maatschappijwetenschappen, filosofie, burgerschap of voor mijn part Nederlands ontlenen hun kracht aan de mogelijkheid om actualiteit te betrekken en te duiden.

Wanneer iemand aanstoot neemt aan alledaagse en actuele fenomenen als spotprenten, moeten we godzijdank blij zijn dat dit zichtbaar wordt in een onderwijssituatie. Daar is er de eerste mogelijkheid om gekwetst te zijn, zonder dat dit gelijk wordt omgezet in ongecontroleerde haat of ongenuanceerd geblaat.

Charlie zijn

Ik weet niet wat ik schrijven moet. Je moet deze dagen Charlie zijn. Iedereen is Charlie. Ik wil ook graag Charlie zijn – maar ik weet niet hoe.

Ik stak heel even een pen de lucht in, toen niemand het zag, en ik fantaseerde over een tekening, maar bij gebrek aan talent zal die nooit het daglicht zien. Ik las in John Lockes Brief over tolerantie en bladerde door John Stuart Mills Over vrijheid, maar alles van waarde zag ik worden weggezogen in een zwart gat van weerloosheid.

Ik wil Charlie zijn, maar stuit daarbij op een ondoordringbare muur van irrationaliteit, van waanzin en krankzinnigheid. Twee wezens wilden iets vernietigen en zagen tot hun afgrijzen dat datgene wat ze hadden willen vernietigen, groter werd dan ooit. Nooit eerder werd zo massaal de spot gedreven met dat wat ze ‘liefhadden’. Wat zou hun antwoord zijn, als de vraag is: ‘wie precies heb je nu een plezier gedaan?’ ‘Welke zaak heb je nu eigenlijk vooruit geholpen?’

Maar dan bedenk ik me: zelfs die vragen zouden ze nooit begrepen hebben, laat staan de rest. En tegen lieden die niets begrijpen, is geen kruid gewassen. Geen tien, geen honderd en zelfs geen honderd miljoen Charlies. Hoe kan men immers iemand bereiken die de dood ziet als een bevrijding, terwijl hij kerngezond is?

Wat verlang ik er naar om één dag niet geconfronteerd te worden met deze idioten en alles wat ze in een rimpeling teweeg hebben gebracht. Wat snak ik er naar om één dag niet bezig te zijn met deze verdoolden, die met hun handelen eigenlijk zeggen: ‘het liefst heffen we de mensheid vandaag nog op. Want dood is iedereen beter af.’

Want wie in het leven naast onbegrepen, ook nog onbeduidend is en kansarm, kan zich eigenlijk maar op één manier aan de vergetelheid onttrekken, en dat is met een daad van terreur die enkel de dood als doel heeft. Daarom moeten we dit zo snel mogelijk vergeten. We zijn helemaal niet Charlie dankzij hen, we waren dat al. We hoeven dat nu niet expliciet te zijn.

En dan besef ik me wat vrijheid werkelijk betekent: ik hoef helemaal geen Charlie te zijn. Ik was dat altijd al. Ik hoef geen pen de lucht in te steken. Ik hoef niet in een protestmars mee te lopen. Ik hoef het niet te volgen op het nieuws. Ik hoef er zelfs nooit meer ook maar enige aandacht aan te besteden als ik dat wil. En dan zo dat ik me er niet schuldig over hoef te voelen. En zo dat ik me er niet over hoef te verantwoorden. Dat is vrijheid. Ik laat het langs me gaan, en nu de hele wereld even Charlie is, ga ik iets onnozels doen.

Ik loop zonder plan naar buiten de regen in en adem de frisse lucht. Ik interpreteer noch verander de wereld. Zo heb ik voor mezelf, hetzij voor even, de idiotie verslagen en de vrijheid geëerd.

Apologie voor wie het nodig heeft

Deze recensie is geschreven voor 8Weekly en daar  als eerste verschenen. Benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan nu een kijkje op de site aldaar!

Met Geloven tegen beter weten in heeft emeritus hoogleraar Russisch christendom Wil van den Bercken een beknopte geloofsverdediging geschreven voor Christenen die hun religie intellectueel willen verantwoorden. Of zoals hij stelt: gelovigen moeten zich intellectueel kunnen verantwoorden.

Het fundamentele probleem van apologetische geschriften is dat we weten dat ze sinds Kant en Kierkegaard eigenlijk overbodig zijn. Of dat ze zelfs in het geheel altijd overbodig zijn geweest. Atheïsten overtuigt men er niet mee, en gelovigen weten dat het even onzinnig is om iemand van de redelijkheid van het geloof te overtuigen dan iemand die nog nooit verliefd is geweest door middel van argumenten proberen verliefd te krijgen. Toch lijkt er geen eind te komen aan geschriften die de bedoeling hebben het christendom intellectueel te verdedigen tegen atheïsten, humanisten, neo-darwinisten of nietsisten. Van Ik heb te weinig geloof om een atheïst te zijn van Geisler en Turek tot Bruggen bouwen van Alister McGrath. Van Hans Kungs Bestaat God? tot Over de redelijkheid van de christelijke hoop van Th. J. de Jong. Van James Sires Waarom zouden wij ook maar iets geloven? tot aan het recent verschenen lijvige Handboek Christelijke Apologetiek onder redactie van o.a. prof. dr. H.A. Bakker.

Van den Bercken voegt daar nu nog één boek aan toe, dat echter terecht niet de bedoeling heeft om ook maar iemand te overtuigen, maar om, net als de middeleeuwers Anselmus van Canterbury en Thomas van Aquino dat al voor ogen hadden met hun godsbewijzen, gelovigen een hart onder de riem te steken: geen enkele christen hoeft een atheïst te vrezen.

Zalig zij die niet zien en toch geloven
Het boekje bestaat uit vijf puntige hoofdstukken waarin Van den Bercken de lezer aan de hand neemt langs de meest bekende argumenten voor het christelijke geloof. Vanuit de rede kan er niets tegen God bewezen worden, atheïstische stromannen als Richard Dawkins begaan dezelfde fundamentele fouten die ze fanatieke gelovigen verwijten, natuurkundigen moeten vooral geen theologische consequenties trekken uit hun onderzoek en het geloof is een wezenlijk menselijke activiteit die beantwoordt aan de diepste existentiële levensvragen. Of zoals Van den Bercken in zijn conclusie noteert: ‘Het christelijke geloof is ‘primair een intellectuele en ethische uitdaging aan de mens, die in haar geestelijk appèl aansluit bij fundamentele menselijke gevoelens.’ (p. 153)

Als lezer bekruipt je het gevoel dat het boek, zoals veel hedendaagse apologetiek dat doet,  in zijn geheel sterk leunt op de argumentatie die de Franse denker Blaise Pascal (1623-1662) uitwerkt in zijn Pensées (1669), en er in het kort op neerkomt dat je wel krankzinnig moet zijn om het geloof op zijn minst niet serieus en in al zijn facetten te onderzoeken in de korte tijd die je te leven hebt.

Zalig zijn de armen van geest
Het boek zoekt nergens echt de diepte. Grote verdedigers van het christendom als Kierkegaard, Bonhoeffer, Pascal en Chesterton staan dan wel in het register, maar komen jammer genoeg nergens inhoudelijk aan het woord. Maar dat is ook niet de bedoeling van het boek: ‘het wil slechts stof aandragen voor verdere reflectie in de nooit eindigende confrontatie tussen geloof en atheïsme.’ (p. 12) De overdaad aan aanrakingen en het gebrek aan uitwerking leidt er wel toe dat Van den Bercken zelf een boel vragen oproept. Wie immers het Nieuwe Testament zonder toelichting bestempelt als ‘geen literair hoogstaand werk’, in een bijzin het fenomenale boek Orthodoxy van G.K. Chesterton als ‘erg gedateerde apologie’ wegzet en de uitdrukking ‘leven in de zekerheid van het geloof’ nooit heeft begrepen heeft wat uit te leggen. En daarbij: welk doel dient reflectie op een discussie, waarvan men weet dat die geen einde zal hebben? Waartoe leidt dan die verdere reflectie, waar men nu als gelovige niet al is?

Hoewel we dus dit boekje moeten beschouwen als een inleiding, is het toch vooral geschikt voor de intellectueel die begint zijn geloof vorm en inhoud te geven. Want Van den Bercken schrijft absoluut niet eenvoudig en lijkt heel wat voorkennis en niveau te veronderstellen van zijn lezers. Dat doet de vraag rijzen voor wie dit boek nu precies bestemd is: het is veel te inleidend voor doorgewinterde christenen en veel te moeilijk voor mensen zonder kennis van het filosofische en theologische discours. Het best lijkt Geloven tegen beter weten in op zijn plek als handvat voor discussie in een christelijke studentenvereniging. Misschien heeft Van de Bercken zoiets ook wel voor ogen gehad als primaire doelgroep.

Zalig zijn de barmhartigen
Toch is het boekje ondanks genoemde beperkingen en aanmerkingen de moeite waard om te lezen, voor wie op zoek is naar een overzicht aan argumenten die pleiten voor een religieuze houding. Het biedt voor mensen die nu nog omver geblazen worden door vragen als ‘Als God almachtig is, kan Hij dan een steen maken die Hij zelf niet kan tillen?’ voldoende vuurkracht om zich in discussies staande te houden en om zelf het voortouw te nemen in de discussie. Daarnaast biedt het een opstap en kapstok naar meer filosofisch inhoudelijke werken. Het maakt nieuwsgierig naar die rijke wereld die er verscholen ligt achter die eenvoudige vragen die ieder mens zich in zijn leven zal stellen. Van den Bercken presenteert zo beschouwd een oprecht en bescheiden geschreven verhaal, dat misschien juist door de handzaamheid niet afschrikt. Dus misschien toch maar eens lezen, tegen beter weten in.

Filosofische kruimels XII

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2014 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XII van XII.

Wat nu, maakt dat een persoon in tijd en ruimte dezelfde blijft?
Derek Parfit in Reasons and Persons (1984)

De dood van Jan

Hoewel nog niet helemaal doorgedrongen tot de inleidingen en overzichten van de wijsbegeerte, is Derek Parfit (1942) een veelvuldig geciteerd denker, dankzij de stortvloed aan obscure, haast onmogelijke en ingenieuze gedachte-experimenten die hij ontwikkeld heeft in zijn baanbrekende werk Reasons and Persons over onder andere persoonlijke identiteit. Wat betekent het om een persoon te zijn en wat zorgt ervoor dat iemand op twee verschillende momenten één en dezelfde persoon is?

Parfits bedoeling is vooral om onze intuïtie te beproeven. Stel bijvoorbeeld eens dat Jan een broer is van een eeneiige drieling. Bij een auto-ongeluk raakt hij ernstig lichamelijk gewond en worden de hersenen van zijn broers onherstelbaar beschadigd. Omdat de hersenen van Jan nog intact zijn, wordt besloten deze in tweeën te verdelen en -aangenomen dat het kan- de beide helften naar de gezonde lichamen van zijn broers te transplanteren. De operatie slaagt. De broers ontwaken uit narcose en zijn psychologisch continu met Jan: ze hebben zijn herinneringen en geloven dat ze Jan zijn. Ook fysiek zijn ze vrijwel identiek aan Jan, en aan elkaar.

Maar is Jan nu dood of niet?

©Veenmedia.nl
________________________

Kierkegaards eerste druk van Of/Of

‘Eenmaal, andermaal……verkocht voor € 134.000!’
Eerste druk van Kierkegaards Of/Of (1843) onder de hamer in 2003

Het fenomeen “eerste druk” heeft iets merkwaardigs. Het raakt de kunst aan, waar uniciteit en zeldzaamheid ook ongehoorde prijzen kunnen opleveren. Maar toch, een boek, dat is een boek. Letters, zinnen, alinea’s van een eerste druk, lezen exact hetzelfde als die van de 28e druk. Het papier is niets waard evenmin als de kaft. En het verschil tussen bijvoorbeeld een eerste druk en een tweede druk is vaak enkel en alleen een ander jaartal op het voorblad. Toch zijn liefhebbers bereid om flink veel te betalen voor een eerste druk.

Het belangrijkste aspect is niet alleen de invloed en de historische betekenis van het boek, maar ook ‘het idee erbij’. Het exemplaar van Kierkegaards meesterwerk Enten/Eller (uit 1843, met een uitverkochte oplage van 525 stuks) ging echter ook nog om een andere reden voor € 134.000 van de hand. Kierkegaard had dit exemplaar namelijk opgedragen aan zijn ex-verloofde Regine Olsen.

Wie tegenwoordig nog stuit op een eerste exemplaar van Enten/Eller mag rekenen op minstens € 3000 voor de twee delen. Dat levert tenslotte toch een wonderlijke rekensom op: voor slechts twee toegevoegde regels door Kierkegaard legde een liefhebber er nog graag € 131.000 bij…

©Veenmedia.nl
________________________

Kerstgedachte

‘Welnu, wie nadenkt over het eerste kerstprobleem, denkt na over de claim dat God met mensen communiceert, en wel door zich helemaal te verplaatsen in de mens, zich diens perspectief eigen te maken.’
René van Woudenberg Kerstmis is een dankbaar feest voor filosofen. In: Trouw 17/12/2002.

Wanneer hoogleraar filosofie Van Woudenberg denkt aan kerst, raakt hij in een feeststemming. Niet omdat kerst een feest is van mooie kleren, cadeaus en een overvloed aan eten, maar een feest voor zijn geest met tal van dilemma’s, problemen en filosofische vraagstukken. Een eerste probleem wat hij aantreft heeft te maken met communicatie. Hoe kan een wezen van een bepaalde soort zich namelijk überhaupt verstaanbaar maken aan een wezen van een geheel andere soort? Het tweede (ontologisch) probleem is de vraag hoe God iets geheel anders kon worden (mens) en toch zichzelf wist te blijven. En tenslotte is er nog een sociaal-ethisch probleem wanneer Van Woudenberg denkt hoe het mogelijk is dat de allerhoogste in staat is om de aller nederigste te worden (zonder daarbij het ‘allerhoogste’ te verliezen). ‘Hoe dit alles mogelijk is, begrijp ik eerlijk gezegd helemaal niet. En dus, zou ik denken, viert de filosoof in mij feest’, overweegt Van Woudenberg.

Maar toch is de oplossing eenvoudiger dan hij zou denken. In plaats dat de filosoof feest in hem viert, zou hier vooral de gelovige feest in hem moeten vieren. Want kerstmis is misschien leuk voor filosofen, het is bovenal een dankbaar feest voor gelovigen.

©Veenmedia.nl
________________________

Zie ook:

 

Filosofische kruimels XI

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2014 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XI van XII.

De Korsaar-affaire

‘Ik zou alleen willen dat ik spoedig in de Korsaar kwam. Het is toch werkelijk hard voor een arme schrijver zo apart te staan in de Deense literatuur, om de enige te zijn die daarin nog niet is uitgescholden.’
Søren Kierkegaard in Het Vaderland (1845). Vertaling uit: Kierkegaard’s Writings, XIII: The Corsair Affair and Articles Related to the Writings, onder redactie van Howard en Edna Hong (1982).

Een van de meest fenomenale, complexe en tragische polemieken die de filosofische geschiedenis rijk is, is de zogenaamde Korsaar-affaire waar Søren Kierkegaard (1813-1855) in verzeild raakte. De Korsaar was een Deense satirische krant opgericht door Meir Goldschmidt, die spoedig de grootste oplage had van het land. Veel mensen spraken er ondertussen wel schande van. Toch schreven er grote namen voor het blad die de vloer aanveegden met bekende Denen, alleen deden ze dat altijd onder pseudoniem of verdekt door een gekochte naam te gebruiken. Kierkegaard, met zijn ongekende scherpe pen en polemische stijl, werd door vele welgestelden in Kopenhagen beschouwd als de ideale opponent om dat ‘vuige roddelblad’ eens goed aan te pakken. In 1845 zag hij een kans om de strijd aan te gaan. In een messcherpe satire geschreven onder pseudoniem Frater Taciturnus in de krant Het Vaderland, daagde hij de Korsaar uit om eens met hem de spot te drijven. Goldschmidt, die altijd erg op had gekeken tegen Kierkegaard, hoopte dat Kierkegaard zijn woorden terug zou nemen. Maar dat gebeurde niet en de Korsaar gaf waarom werd gevraagd. Kierkegaard werd jarenlang bespot en kon zich al gauw nauwelijks nog vertonen in openbare gelegenheden. Alle vooraanstaanden lieden die hem hadden aangespoord, waren nu plotseling naïef geworden en ‘wisten werkelijk nergens van’…

©Veenmedia.nl
________________________

Wat blijft…

‘Tussen ‘iets’ en ‘niets’ ligt- net als tussen ‘iets’ en ‘iets anders’- namelijk een soort ruimte, die weliswaar niet door iets (en dus door niets) wordt ingenomen, maar die wel degelijk bestaat (en dus is).’
Patricia De Martelaere in Wat blijft (2002).

In een buitengewoon aardig essay dat verscheen in 2002 ter gelegenheid van de maand van de filosofie, buigt de Belgische filosofe Patricia De Martelaere zich over de vraag “wat blijft?”. Vanuit een aanstekelijke verwondering toont ze de mens als een gevangen wezen tussen betoverde en onttoverde werkelijkheid, zoekend welke kant hij moet kiezen. De religie als meest triomfantelijke overwinning op het idee van de vergankelijkheid, lijkt onder aanvallen van Hume, Nietzsche, Sartre en niet in de laatste plaats het darwinisme te zijn bezweken. De onsterfelijke ziel is gestorven en daarmee misschien ook een beetje de mens zelf. Het enige wat werkelijk nog blijft, is een worden, een radicaal uitzichtloos worden. Want als het worden tot niets leidt, wat is het dan? Gisteren een aap, vandaag een mens, morgen van de aardbodem verdwenen. Net zoals de aarde zelf zal verdwijnen. Wat blijft er dan nog? Wat geeft zin?

De Martelaere zelf was bij leven een mysterie en als denker vooral geïnteresseerd in verhoudingen tot het leven en de dood. In 2009 stierf ze op 51-jarige leeftijd aan een hersentumor, waarbij ze, misschien wel volgens haar eigen idee weer terugkeerde naar dat wat is tussen niets en iets.

©Veenmedia.nl
________________________

‘Het recht bestaat namelijk niet alleen uit regels, maar ook uit beginselen.’
Ronald Dworkin in Taking Rights Seriously (1977).

Ronald Dworkin (1931-2013) die de leerstoel een Oxford van de eveneens wereldberoemde rechtsfilosoof H.L.A. Hart (1907-1992) overnam, maakte in Taking Rights Seriously korte metten met zijn voorganger. Het boek is vooral een kritiek op diens rechtspositivisme (heel kort gezegd: wet is wet). Om zijn bezwaren tegen het rechtspositivisme duidelijk te maken put Dworkin uit de zaak Riggs tegen Palmer uit 1889. In deze zaak moest een Amerikaans gerechtshof oordelen of een moordenaar (kleinzoon) kon erven van zijn slachtoffer (grootvader). Er was geen geschreven wet of jurisprudentie voorhanden waaruit was af te leiden dat een moordenaar niet zou mogen erven van zijn slachtoffer. Desondanks besloot het hof de moordenaar de nalatenschap te ontzeggen. Volgens Dworkin terecht: het morele beginsel ‘niemand mag van zijn misdaad profiteren’ moet als recht gelden wanneer het bijdraagt aan de beste morele rechtvaardiging van de rechtspraktijk in een samenleving als geheel.

©Veenmedia.nl
________________________

Filosofische kruimels X

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2014 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel X van XII.

Paasgedachte

‘Wandel niet op het glibberige en vlakke pad van de genoegens, want men nadert slechts door vasten en onthouding tot het Paasfeest.’
Paasbrief aan de bisschoppen van heel Egypte in het jaar 404 van Theophilus, bisschop van de stad Alexandrië, in Brieven van Hiëronymus (2009).

Hiëronymus van Stridon (347-420), een van de vier grote kerkvaders, vertaalde voor de Grieks schrijvende bisschop Theophilus van Alexandrië diens Paasbrief in het Latijn voor het jaar 404, zodat de boodschap ook in het Westen te horen was. De lange brief wordt gekenmerkt door zeer veel vrome passages, waarin voornamelijk wordt opgeroepen de verlokkingen van het aantrekkelijke kwaad te vermijden. Inkeer, zelfreflectie, soberheid, onthouding en deugdzaamheid sieren een goed leven.

Maar zoals het grote geestelijken betaamt, wordt er ook volop gefilosofeerd (met de Bijbel in de hand, dat wel) over metafysische aangelegenheden. Zo bestrijdt Theophilus het dogma van Origines dat aardse lichamen door God zijn geschapen als woning voor uit de hemel gevallen zielen.

Anno Pasen 2014 is het moeilijk om ons in te leven in de wonderlijke wereld van deze geloofshelden ruim 1600 jaren geleden. Onze aardse lichamen lijken nu vooral geschikt voor de Paasbrunch. De roep om deugdzaamheid heeft echter nog niets aan kracht verloren. Wat dat betreft valt er wel degelijk nog heel veel te leren van Pasen 404.

©Veenmedia.nl
________________________

Belangrijkste filosofische artikelen van de 20e eeuw

‘Veel van de respondenten hadden moeite om met een lijst van 5 belangrijkste filosofische artikelen van de 20e eeuw te komen.’
Douglas P. Lackey in What are the modern classics? The baruch poll of great philosophy in the twentieth century (1999).

Iedereen die een beetje op de hoogte is van de hedendaagse wijsbegeerte, zal intuïtief een idee hebben over de belangrijkste filosofische werken van de 20e eeuw. Volgens een onderzoek van de Amerikaan Douglas Lackey in 1999, onder ruim 400 Amerikaanse filosofen, kwam er een duidelijke top drie naar voren. Op de eerste plaats staat Ludwig Wittgenstein met de Filosofische onderzoekingen (1953). Op de tweede plaats treffen we Martin Heidegger aan met Zijn en Tijd (1927) en op 3 staat John Rawls, met Een theorie van rechtvaardigheid (1971). Europeanen zullen waarschijnlijk wat moeite hebben met de derde plek, maar verder is het goed te volgen. Hoe zit het echter met de belangrijkste artikelen? Hebben we daar ook intuïtief een idee over? Lackey heeft ook hiernaar gevraagd en kwam met de volgende top 3. Op 1. staat W.V.O. Quine met Two Dogmas of Empiricism op 2. Bertrand Russell met On Denoting en op 3. Kurt Gödels Über formal unentscheidbare Sätze der Principia Mathematica und verwandter Systeme. Niet eenvoudig om uit het hoofd te bedenken. Wie echter de lijst van Lackey op internet verder bekijkt (top 20 artikelen), zal als filosoof toch een grote “ach ja!”-ervaring hebben.

Zie ook:
De belangrijkste filosofische artikelen van de 20e eeuw

©Veenmedia.nl
________________________

De Welwillenden

‘Na de oorlog ondervraagd, antwoordden al deze personen stuk voor stuk: ‘ik, schuldig?’’
In: Jonathan Littell (2008). De welwillenden.

De welwillendenDe Amerikaan Jonathan Littell (1967) die vooral in het Frans schrijft, heeft met de roman Les bienveillantes (De welwillenden in de Nederlandse vertaling) een controversiële fictieve wereld gecreëerd, waarin hij met zeer veel gevoel voor detail en historische accuratesse een slimme SS- officier ten tonele voert (Max Aue). Deze Max neemt de lezer 900 pagina’s lang mee in alle gruwelen die hij meemaakte én waaraan hij zelf deelnam. Spijt heeft hij echter niet. Want waarom? ‘Ik deed mijn werk, meer niet’, klinkt het aldoor. Een berucht argument, maar literair weet het toch vaak te overtuigen.

De vele filosofische passages die het boek rijk is over goed en kwaad, samen met de gedetailleerde beschrijvingen van Littell, kruipen je als lezer onder de huid. En niet zelden weet Max onze intuïtie te verwarren: waarom zou de man die vele malen het gas opendraaide, schuldiger zijn dan de wisselwachter die ervoor zorgde dat de Joden met de trein bij het kamp aankwamen? Had de wisselwachter ook niet moeten weigeren? En is hij niet net zo schuldig omdat hij dat niet deed?

©Veenmedia.nl
________________________

Zie ook:

 

Filosofische kruimels IX

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2014 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel IX van XII.

Waarom is er eerder niets dan iets?

‘Het niets is onstabiel.’
Lawrence Krauss in Universum uit het niets. Waarom er iets is in plaats van niets (2012).

In zijn populair natuurwetenschappelijk werk Universum uit het niets, stelt Krauss zich ten doel ‘het onbevattelijke helder uit te leggen’. Hoe dat mogelijk is, is op zichzelf al een raadsel, maar Krauss wil graag de fundamentele filosofische vraag van Gottfried Wilhelm Leibniz (‘waarom is er eerder iets in plaats van niets’) ontrafelen. Het wordt echter al snel een hoop gegoochel met begrippen, want de oplossing van het raadsel blijkt te zitten in de definitie van het niets. Dit niets blijkt niets minder te zijn dan ‘een onstabiel vacuüm’, dat valt onder de wetten van de kwantummechanica. De vraag waar we vervolgens mee worden geconfronteerd is dan ook: ‘Waar komen de wetten van de kwantummechanica vandaan?’ Krauss moet toegeven daar nog geen enkel idee van te hebben. Het ziet er dus naar uit dat de metafysische vraagstelling van Leibniz, ondanks de hedendaagse natuurkunde, nog wel even stand zal houden….

©Veenmedia.nl
________________________

Tot de vrijheid veroordeeld

‘Het verhaal gaat dat het boek wel werd verkocht, omdat het precies een kilo woog en dus als vervanging voor de door de Duitsers geconfisqueerde koperen gewichten kon worden gebruikt.’
Voorwoord van de vertaler bij Jean-Paul Sartres Het zijn en het niet: proeve van een fenomenologische ontologie (2003).

Het filosofische hoofdwerk ‘L’être et le néant: Essai d’ontologie phénoménologique’ van de Franse filosoof Jean-Paul Sartre werd in oktober 1942 voltooid, maar de verschijning ervan bleef zoals dat voor veel grote filosofische werken geldt, onopgemerkt. Pas na de Oorlog werd zijn werk in de slipstream van zijn populaire toneelstukken en romans, meer en meer gelezen en gewaardeerd om zijn originele invalshoeken. In de jaren 50 werd het zelfs een van de belangrijkste pijlers van de existentialistische wijsbegeerte. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Kierkegaard, predikte Sartre een strikt atheïstisch existentialisme: er is geen ontwerper die vooraf een idee heeft gemaakt van hoe de mens moet zijn of zou moeten leven. Het gaat dan ook bij Sartre om persoonlijke authenticiteit: beschouw welke rollen je worden opgedrongen en maak je er onmiddellijk van los!

Zijn idee dat de mens tot vrijheid is veroordeeld, heeft ook op de ethiek een behoorlijke stempel gedrukt. Nooit kon iemand meer zeggen: ‘ik moest het doen, omdat hij het me opdroeg.’

Sartre raakte na zijn dood in 1980 wat uit de mode. Het idee van verouderde romans, te abstracte filosofie en het beeld dat hij op het gebied van de liefde wel heel erg rigoureus gebruik maakte van zijn vrijheden, gingen overheersen. Gelukkig kunnen zijn boeken ook nu nog voor tal van andere dingen worden gebruikt.

©Veenmedia.nl
________________________

De ‘Mandeville-paradox’

‘Trots en ijdelheid hebben meer ziekenhuizen gebouwd dan alle deugden bij elkaar.’
Bernard Mandeville (1723). Een essay over menslievendheid en arme scholen. In: de Fabel van de bijen.

Fabel van de bijen

Geboren in Rotterdam is Bernard Mandeville (1670-1733) misschien wel de meest miskende grote denker die Nederland heeft voortgebracht. Wellicht omdat hij naast filosoof ook arts was en al op 21-jarige leeftijd definitief naar Engeland vertrok, heeft hij nooit de faam gehad die hem toe zou komen. In Nederland is er gelukkig sinds 2006 weer systematisch aandacht voor deze denker. Vanaf dat moment verschijnen er in zeven delen het verzameld werk van deze vergeten filosoof.

In 2014 is het exact 300 jaren geleden dat zijn meest beroemde werk De fabel van de bijen verscheen. De centrale stelling die hierin wordt verdedigd, staat ook wel bekend als de ‘Mandeville-paradox’: zonder ondeugd geen gezonde samenleving! ‘De eigenschappen waarvan we allemaal doen alsof we ons ervoor schamen, zijn het grote fundament van een bloeiende samenleving’. Mandeville was er zeker niet op uit om ondeugden aan te moedigen, maar volgens hem behoren zij simpelweg tot de menselijke natuur en moet er voldoende ruimte zijn ze af en toe te kunnen laten vieren. Wat daarbij wel noodzakelijk is, is het bestaan van bekwame bestuurders die zich bewust zijn van de ondeugd in de mens. Zij moeten deze goed reguleren, zodat iedereen er profijt van heeft.

Hadden de Europese bestuurders dus Mandeville gelezen, waren ons misschien wel heel wat crises bespaard gebleven…

©Veenmedia.nl
________________________

Zie ook:

 

 

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2020 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"