Stephan Wetzels
Denken en Zijn

De Nashville-verklaring als volkomen mislukte cultuurkritiek

De Nashville-verklaring als volkomen mislukte cultuurkritiek


Voor wie aangeslagen is op de Nashville-verklaring, ter geruststelling: de opwinding zal even snel luwen als dat ze gekomen is. En voor wie nog verbaasd kan zijn dat een dergelijke verklaring überhaupt enige opwinding biedt, die ontgaat de aloude zekerheid dat de combinatie van “christen” en “homo” garant staat voor massale hyperventilatie en misinterpretatie.

Maar voor wie er nog iets over wil zeggen, is er ook de teleurstelling: nog voor de gedachten weloverwogen zijn gevormd, zijn deze al bedolven onder de allesverzengende onpersoonlijke anonieme collectiviteit van de middelmatigheid, die Heidegger zo mooi Das Man noemde. En nog voordat er een uitleg gegeven is aan bepaalde opvattingen, is er al het Grote Gelijk van de regenboog overheen getrokken.

En nog voordat de gedachten op papier een weg hebben kunnen vinden, is het nadenken al een onderwerp van mogelijke criminalisering geworden. Zoals alles waarover Das Man schreeuwt voor de vorm serieus moet worden genomen.

De dictatuur van de nietszeggende mening van een ieder overschreeuwt de alleszeggende mening van de enkeling. Dat is de paradox, en dat is de tijd…

Maar al die zo vermoeiend voorspelbare mechanismen buiten beschouwing gelaten, geef ik hier een even korte als eenvoudige invulling van hoe we zouden moeten kijken naar de Nashville-verklaring.

De Nashville-verklaring is namelijk een terechte, maar volkomen mislukte cultuurkritiek.
Ze is mislukt omdat ze op de eerste plaats de elementaire wetten van de hedendaagse tijd niet begrijpt. Dat betekent in de kern dat een conservatief standpunt niet op een conservatieve manier moet worden gepredikt. Zoals ik boven al heb aangegeven zijn de mechanismen van de medialogica onverbiddelijk en mag je verwachten dat de verklaring zoals ze is opgesteld vrijwel niets van waarde voortbrengt. Immers wie een dergelijke opvatting is toegedaan, heeft deze verklaring niet nodig en wie deze opvatting niet is toegedaan zal door deze verklaring deze mening nooit overnemen. Want niet alleen de vorm deugt niet, de inhoud mist de noodzakelijke filosofische grondslag die deze tijdsgeest zo hard nodig heeft. Een louter beroep op Bijbelteksten is krachteloos, zinloos en vermoeit zichzelf bovendien met de eindeloze speculatie over de interpretatie en de context die al zo oud is sinds Philo van Alexandrië er opvattingen over schreef.

In de verklaring ontbreekt het aan wat ik noem een filosofisch christendom, zoals John Henry Newman, Søren Kierkegaard en G.K. Chesterton in hun tijd met de juiste intellectuele kracht de vloer aanveegden met alle ziekten van de secularisering en het richting de totale vertwijfeling leidende postmodernisme, dat zo vilein is dat het de vertwijfeling zelf weet te maskeren door de maakbaarheid van de mens te idealiseren en de consumptiezucht te maximaliseren.

Ik heb stellig de indruk dat de Nashville-verklaring een ongelukkige, ondoordachte en onbeholpen poging is om als antwoord te dienen tegen een hele reële diagnose. De cultuurkritische diagnose namelijk dat er een drammerige en nietsontziende progressieve beweging gaande is waarbij alles van vroeger als waardeloos of als kwaad wordt bestempeld, en waarbij ieder tegengeluid door schier onbeheersbare krachten onmiddellijk wordt vernietigd.

De cultuurkritische diagnose dat de gebrokenheid van het gezin, de tomeloze seksualisering en eindeloze perversiteiten die als gewoon en voor iedereen toegankelijk moeten worden gezien, beschaving en gezondheid bedreigen.

De cultuurkritische diagnose die erop wijst dat zingeving synoniem is geworden aan individualistisch genieten, en er een cultuur is gecreëerd van hersenloze eenvormigheid en verstikkend conformisme zoals dat al door Theodor W. Adorno en Karl Jaspers is vastgesteld toen de emancipatiebeweging in de jaren 70 van de vorige eeuw alle kinderen met het badwater nog moest weggooien.

Dat sekse en seksualiteit als rode draad door de verklaring lopen en dat door de stelligheid over homoseksualiteit de stelligheid tegen ook de heteroseksuele zondigheid volledig ondersneeuwt, kan niet verhullen dat de bovenstaande diagnose een reëel, concreet, helder en zorgwekkend beeld geeft. Dat identiteit niet ligt in onze seksualiteit zoals deze postmoderne tijd doet voorkomen, is een waarheid die een krachtige verdediging verdient. Dat zingeving en identiteit eerder ligt in onze verhouding tot Christus, is een zaak die aan de orde komt wanneer er allereerst voldoende rust is gecreëerd voor een gelijkwaardige discussie. De Nashville-verklaring slaat op dat vlak de plank kinderlijk naïef mis zoals ik heb vastgesteld.

Wat christenen dus moeten doen, is niet aangeslagen zijn over de ogenschijnlijk eenzijdige benadering waarop het enkelvoudig goed is om intimiteit te beleven, maar eerder een weg zoeken naar de wijze waarop conservatieve grondbeginselen wel op een krachtige en zinvolle manier kunnen worden uitgedragen.

Christenen moeten hun tijd niet verdoen door de strijd aan te gaan met hun dominee of zich afvragen of ze de kerk moeten verlaten om nog verder van de Eenheid af te dwalen. Nee christenen moeten op zoek naar wat het persoonlijk werkelijk betekent om onderscheidend christen te zijn en welke conservatieve uitgangspunten daarbij een plaats hebben als ideaal en niet als dwangmiddel, zonder dat ze daarbij ook wel terecht kunnen bij Plato, Aristoteles, Seneca, Cicero, Montaigne enzovoorts.

Want het christendom heeft in essentie een aantal bijzondere fundamentele conservatieve grondslagen die het waard zijn om verdedigd te worden als ideaal -van gezin tot gemeenschap-, zonder dat dit betekent dat het een verboden onderscheid maakt tussen mensen, juist om de reden die ik net gaf: het ideaal moet verdedigd worden, maar het moet niet als dwangmiddel gehanteerd. Dat geeft de hele zijdelingse discussie over transgenders, homoseksuelen en wat meer is (merk op dat ‘en wat meer is’ al als een oordeel gelezen kan worden!) een veel sterker daglicht.

Hoezeer deze met lucht en leegte omgeven discussie ook spoedig weer zal verdwijnen en zal ontsnappen aan de massale aandacht, kun je er gerust op zijn dat ze vroeger of later als een duveltje uit een doosje weer de kop opsteekt. En laat ik dan hopen dat er wel gestreden wordt met verstand, redelijkheid en lef. En misschien zelfs nog wel met een vleugje ironie, wat zo erg wordt gemist! Want als ik met vrij naar Chesterton mag eindigen, het lijkt wel dat omdat seksualiteit van nature zo gezond is, we er allemaal krankzinnig van kunnen worden…

Kan men toeval dankbaar zijn? Een filosofische overweging

Kun je (het) toeval dankbaar zijn? Aangezien deze vraag bij verschillende gelegenheden tot mijn verrassing door velen overtuigend met “ja” wordt beantwoord, zal ik in deze overweging uiteenzetten waarom dit een verkeerd antwoord is.

GK ChestertonDe oorsprong van de vraag – Kun je (het) toeval dankbaar zijn – kan worden gevonden in het citaat dat: “The worst moment for the atheist is when he is really thankful and has nobody to thank.” De bron is niet te achterhalen, maar wordt voor het eerst door G.K. Chesterton in 1923 in zijn werk St. Francis of Assisi toegeschreven aan de Engelse dichter Dante Gabriel Rossetti (1828-1882). Chesterton noemt het zelf ‘een bittere vaststelling, maar met een grote waarheid.’ (p. 88). Ik ben het eens met Chesterton. Maar waarin schuilt dan nu die grote -haast evidente- waarheid?

Als we aannemen dat ‘toeval’ betrekking heeft op gebeurtenissen en omstandigheden die onmogelijk vooraf te zijn voorzien, dan is het de vraag hoe we ons daartoe kunnen of moeten verhouden. Cornelis Verhoeven (2002, p. 390) merkt op dat we het woord toeval vooral begrijpen als grond van waar al onze pogingen om dat wat gebeurt te verklaren vanuit bekende regels of vanuit onze eigen inspanning, tekortschieten.

Toeval is dus de verzonnen grond daar waar de grond volledig ontbreekt. Toeval is wat voorafgaat aan iets dat is. Maar het toeval zelf is dus niets. Het is geen zaak. Het is geen kracht of ding dat ‘werkt’ op andere dingen. Het is slechts een theoretisch concept dat verwijst naar het op zichzelf onverklaarbare, maar het toeval heeft zelf geen bestaan. Het heeft geen wezen, geen ontologische status waartoe je kunt doordringen. Het is niet iets wat je kunt ontrafelen. Want zou dat kunnen, dan zou het toeval als theoretisch construct ter plekke worden opgeheven.

toevalAls we nu toeval beschouwen in het licht van dankbaarheid, moeten we nog nader vaststellen hoe we dankbaarheid opvatten. Ik stel voor dankbaarheid te zien als een innerlijke beweging waarbij iemand een vrijwillige plicht voelt om datgene wat hem is gegeven te beantwoorden met een uiterlijke waardering. Dankbaarheid is, opgevat als betekenisvolle deugd, een vorm van erkentelijkheid, waarbij er erkend wordt dat ‘iets’ positieve waardering verdient. Omdat erkenning een antwoord is, vat ik het op als ‘uiterlijk’, ‘iets wat geuit moet worden’. Dat kan goed een onuitgesproken vaststelling zijn, die voor onszelf is uitgesproken, waarmee we iets erkend hebben. Nu is erkenning een manier om het bestaan van iets in te zien en toe te geven. Daarmee kan dankbaarheid niet bestaan zonder relatie tot iets. Dankbaarheid heeft een reële grond nodig. Toeval kan dat nooit zijn.

maastricht sterIk begrijp dat in de dagelijkse praktijk mensen dankbaarheid ervaren voor iets wat ze niet kunnen verklaren. Om de dankbaarheid dan toe te schrijven aan toeval is even onzinnig als trots te zijn op contingente feiten. Want er zijn vele contingente (dat wil zeggen niet noodzakelijke) feiten die ons leven kenmerken. Feiten die evengoed niet het geval hadden hoeven zijn, maar waar ik toch een gevoel of verhouding toe lijk te hebben.

Neem bijvoorbeeld het feit dat ik geboren ben in Maastricht. Ik kan niet zeggen dat ik op dit feit enige invloed heb kunnen uitoefenen, of dat het een gevolg is van een bepaalde inspanning die ik heb geleverd. Toch merk ik in mijzelf een gevoel van trots. Als ik echter even verder nadenk, dan ontdek ik dat het niet zinvol is, of ronduit irrationeel, om trots te zijn op iets waar ik geen enkele inspanning voor heb geleverd. Ik kan mijn trots uiteraard wel verklaren op basis van het feit dat ik in het geval van Maastrichtenaar te zijn een onderdeel uitmaak van een geschiedenis, een levenswijze en een sociale groep waar ik mijn eigenwaarde aan ontleen omdat ik er met instemming onderdeel van uitmaak, maar dat is iets anders dan dat ik trots ben op het toevallige feit.

Een soortgelijke fout maken nu mensen die het toeval dankbaar (menen te) zijn. Ze zijn verheugd dat hun iets overkomt, waarbij in het geval ze het niet kunnen verklaren de wederkerigheid die ten grondslag ligt aan de dankbaarheid toch in stand willen houden door het toeval een ontologische status toe te kennen.

Het is waarschijnlijk dat in het dagelijkse gevoel dankbaarheid verward wordt met blijdschap, vreugde, opluchting of het tevreden of verheugd-zijn. Dat zijn allemaal gevoelens die op zichzelf kunnen bestaan en geen noodzakelijke wederkerigheid vereisen, zoals dankbaarheid dat wel doet.

Iemand zou tenslotte nog kunnen opwerpen dat dit alles een apologetisch karakter heeft en toeval gewoon vervangen is door ‘God’. Dat is echter een misvatting. Op de eerste plaatst draag ik een bewijs aan waarom dankbaarheid en toeval zich onmogelijk tot elkaar kunnen verhouden en op de tweede plaats zijn toeval en God geen synoniemen omdat ze ‘toevallig’ op het oorspronkelijke betrekking hebben. Iemand kan zich namelijk wel relationeel verhouden tot God, maar niet tot het toeval. Het al dan niet bestaan van God doet hierin niet ter zake: het is nu eenmaal een kenmerk van het begrip God dat er een relatie mee mogelijk is voor wie er in gelooft. Een kenmerk dat de gelovigen in het toeval helaas echt nooit zullen vinden.

De kracht van naïviteit

De kracht van naïviteit
Onbevangenheid als levensinstelling

Een kleine uiteenzetting naar aanleiding van een filosofische ontmoeting, met als doel het begrip naïviteit nader te overwegen en eigen te maken (zo ook -zo niet juist- voor de lezer hier)

 

 1.      Het begrip naïviteit

A) Als we naïviteit opvatten als een zekere van nature aanwezige zuivere openhartigheid die gekenmerkt wordt door een ongekunstelde eenvoud, waarbij men zich zonder voorbehoud (in eigenheid) verhoudt als subject tot subject en object, dan gaan we daarmee in tegen een meer gangbare en intuïtieve opvatting dat het naïeve een negatieve houding weerspiegelt.

B) Evenals het onnozele oorspronkelijk het onschuldige aanduidt, is het naïeve van oorsprong niet zozeer een primair gebrek aan begrip en inzicht, als wel een bepaalde (bedoelde) houding ten opzichte van het leven. Het gaat dan om reflexieve argeloosheid. Het spanningsveld dat leidt tot het negatieve begrip van naïviteit zit in het gegeven dat wie als doel heeft het onschuldige te behouden, in een schuldige wereld, die wereld ergert en tot ergernis is.

C) We zouden het naïeve, positief beschouwd, kunnen opvatten als het ‘met de dag leven zonder plan’. Maar dan wel zo, dat men zich reflexief verhoudt ten opzichte van het leven zonder plan, waarbij men permanent een oordeel opschort. Daarmee wordt het een filosofische houding (waarbij men dus de paradox ervaart dat het reflexieve noodzakelijk het naïeve lijkt op te heffen).

D) Het gaat er om te kiezen (op voorhand) niet te willen weten en het gaat erom te kiezen onbevangen te zijn. Kan dus onbevangenheid en keuze zijn? Zeker, mits men de balans weet te vinden tussen praktijk en onbevangenheid. Zodra het onbevangene onpraktisch blijkt, zal ze worden opgeheven.

2.      Naïviteit als moment

A) Wie het naïeve –het bewust naïeve wat daarmee onbevangenheid wordt- ontmoet, wordt daardoor in eerste instantie ontwapend. Ontwapend van (voor)oordelen, omdat een oordeel over ‘hij die niet weet’ een vals oordeel is.

B) Maar juist de aanvankelijke ontwapening leidt tot reservering: men wapent zich weer. Een reflexieve naïviteit, leidt namelijk tot reflectie bij degene die deze ontmoet, juist omdat het naïeve onvanzelfsprekend is, waardoor het subject op zichzelf wordt gewezen. En deze onvanzelfsprekendheid leidt tot een fluwelen herbewapening: we willen het vriendelijk ontmaskeren, alvorens het ons ergert.

C) Ontmaskeren in de zin van (het kinderachtige): ‘deze naïviteit kan wel eens gespeeld zijn’. Ontmaskeren in de zin van: ‘de onnozele heeft als doel mij onnozel te doen lijken’. Dat is de ergernis ten opzichte van de idee van (doel)bewuste naïviteit (waarbij deze naïviteit dus negatief wordt opgevat, terwijl juist de bewuste naïviteit als onbevangenheid hierboven gedefinieerd is als positief).

D) Merk op: Er is een duidelijk verschil tussen bewuste en doelbewuste naïviteit. Bewuste naïviteit is een open houding zonder verwachting, terwijl doelbewuste naïviteit een verwachting in zich draagt (waarbij het naïeve dus wordt ingezet als houding, waarbij het dus negatieve naïviteit wordt; anders gezegd: het betreft een dubbele beweging waar het niet meer om het naïeve omwille van het naïeve gaat).

E) Anderzijds leidt ook de idee of herkenning van onbewuste naïviteit tot ergernis. Want ten opzichte van het oprechte ‘niet weten’ (het kinderlijke) verhouden wij ons vanuit de idee dat dit onbewust is weliswaar gereserveerd, maar willen we het oprechte niet weten ontdoen van het niet weten. Dat is de opvoeding: het spontane in het kind waarderen, maar de gehele opvoeding erop richten het spontane uit te bannen.

3.      Oprecht veinzen

A) Gespeelde naïviteit, die sterk neigt naar de houding die de verwondering kenmerkt, is ook wel te kenschetsen als het oprechte veinzen. Het suggereren dat men een spontane inval heeft, of dat men zich onwetend verhoudt ten opzichte van een bepaald dilemma, kan juist de verwondering van de andere wekken. Daarmee wordt het veinzen vanuit oprechtheid ook positief, evenzeer als een naïeve welbewuste houding met als doel te ontwapenen positieve naïviteit is.

B) Daarmee is zowel het oprechte veinzen als het welbewuste naïeve een kunst: zolang men niet ontmaskerd wordt dient het een positief doel. De ergernis zit in het vermoeden en de voorkennis: wie iemand bij herhaling een verhaal hoort vertellen alsof hij dit voor het eerst vertelt, is geërgerd (als een spontane inval wordt geveinsd).

4.       Tweede naïviteit als overweging

A) Is bewuste naïviteit als positieve houding praktisch mogelijk? Ja, juist omdat het bewust is mag het ten volle naïef worden genoemd. Vanuit het bewuste weten en het diepe inzicht kiezen zich anders te verhouden, of kiezen zich toch anders te verhouden ondanks de kennis. Men kan geen prediker zijn indien men zich niet bewust is van zijn boodschap, en men kan zich niet anders verhouden ten opzichte van kennis indien men niet bewust naïef is. Dat is misschien de ‘seconde naivité’ (vrij naar Ricoeur), de tweede naïviteit: een herwonnen inzicht op basis van verworven kennis, waarbij kritiek op het oorspronkelijke inzicht is overwonnen en zelfs is overstegen, zodat de oorspronkelijke houding hersteld wordt. Ja, een naïviteit die de kritische integriteit niet opgegeven heeft, maar kiest voor een nieuwe onbevangenheid die ook de eerste naïviteit kenmerkte.

B) Het onttoverde herkennen (vrij naar Chesterton), maar het weer betoveren. Een boom is niet zomaar een boom die appels geeft, maar het is een boom die betoverd is en daarom appels geeft.

C) Het geobjectiveerde herkennen, maar het weer tot het subject doen verhouden (vrij naar Kierkegaard). De objectieve denker richt zich op een objectieve zaak en vergeet dat hij zelf existeert. De tweede naïviteit is een reflectie op die houding waarbij het abstracte ontdaan wordt van zijn abstractheid en waarmee men het overstijgt. In wezen dus de grond van de filosofische houding.

D) Laat haar maar ergernis wekken.

De leefwereld van een kuikentje

Voor iemand die er van overtuigd is dat hij een kuikentje is, is niets gewoner dan dat. Het zijn juist alle anderen die het niet meer helder hebben. Of voor iemand die gelooft dat alle mensen tegen hem samenzweren, helpt het niet te zeggen dat iedereen dat ongetwijfeld zal ontkennen, want dat is nu precies wat samenzweerders plegen te doen!

Wie denkt dat deze mensen zich ver buiten onze leefwereld bevinden, heeft het mis. Ze zijn zelfs erg dichtbij. Denk bijvoorbeeld aan docenten die na decennia onderwijs niets anders meer hebben dan hun eigen vak en zich volledig hebben teruggetrokken in een duistere, vrijwel ontoegankelijke wereld, waar alleen nog maar eigen regels en wetten gelden. Immuun voor computers of bijscholing zogezegd. Of aan bazen die hun hart hebben verpand aan een afdeling en geloven dat ze daar een heilige missie uitvoeren. Volledig in paniek rakend als iemand een pragmatische afweging maakt, buiten hen om.

De vraag is nu: bestaat er nog ergens een mogelijkheid om de leefwereld van dit kuikentje binnen te treden? Dat is een uiterst lastige onderneming. Het is als Frodo die zich begeeft in het land Mordor. Om te beginnen zul je moeten afdalen tot zijn eigen wereld. Het vreemde moet gewoon worden, het onredelijke redelijk. Vermoed alles wat je nooit had kunnen vermoeden. Praat met hem mee, prijs onzinnige voorstellen en toon respect voor ondoorgrondelijke beslissingen. Dit alles is werkelijk levensgevaarlijk, want je zou zomaar meegezogen kunnen worden in het Absurde, waar vandaan niemand ooit meer heeft weten te ontsnappen…

Maar bedenk dat het voor een nobele zaak is! Een zaak waar de ernst af en toe verlaten kan worden voor een grap, waar ruimte is voor zelfspot, waar regels niet heilig zijn en waar gezond verstand weer de baas is! Maar misschien ben ik wel te optimistisch en zijn echte kuikentjes gewoon verloren voor de wereld, is het onmogelijk ze een spiegel voor te houden al ga je nog zo ver met ze mee, en zullen we ermee moeten leren leven. Of -en de schrik slaat me om het hart-..….misschien ben ikzelf wel het kuikentje…….

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2019 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved