Stephan Wetzels
Denken en Zijn

De betekenis van een Nederlands record: een open dialoog over vorm en gevoel bij nationale topprestaties door voormalige Afrikaanse atleten

Tijdens een wandeling in de avondschemer raken twee mannen in gesprek over een ongemakkelijk onderwerp. Wie het zijn weten we niet. We geven ze een naam, volgen ze op de voet en vormen onze eigen gedachten erbij…

Pheidippides: (…) Het lijkt me dat je jezelf in een grijs gebied begeeft, om niet te zeggen op glad ijs.

Achilles: dat voorvoel ik ook, maar het is wel een kwestie die me niet alleen bezighoudt, maar ook intrigeert.

Pheidippides: probeer die kwestie dan toch eens zo goed mogelijk uiteen te zetten.

Achilles: wat ik met je zou willen bespreken is de vraag wat een ‘Nederlands record’ betekent en hoe wij ons daartoe verhouden, waarbij ik me in eerste instantie op de atletiek zal richten. Afgelopen maanden zijn er verschillende toernooien geweest waar niet alleen Dafne Schippers buitengewone prestaties liet zien, maar ook Sifan Hassan en Ingnisious Gaisah. Alle drie Nederlanders, die alle drie indrukwekkende Nederlandse records hebben neergezet. Toen ik echter las dat Sifan Hassan die geweldige en stokoude records van Elly van Hulst uit de boeken begon te rennen, bekroop me een merkwaardig gevoel dat ik al eerder ervoer toen Lornah Kiplagat de Nederlandse records op de 5 en 10 kilometer aanscherpte. Wat bekroop me hier dan precies?Nederlandse atletiek records vrouwen?

Pheidippides: ik zag Van Hulst nog lopen als kleine jongen en het was juist zo knap herinner ik mij dat Van Hulst als een van de weinigen de strijd aankon met de sterke Afrikanen. Dat haar records (1500 meter, 4.03,63 uit 1987 en 3000 meter, 8.33,97 uit 1988) na zo’n lange tijd te hebben standgehouden juist uit de boeken wordt gerend door iemand met een Ethiopische achtergrond, heeft wellicht iets vreemds. Misschien is het dat?

Achilles: je zegt terecht: Ethiopische achtergrond. Maar het gaat hier om een Nederlandse vrouw, die geheel legitiem een Nederlands record rent. Wat is dan precies het vreemde hieraan?

Pheidippides: ik denk dat er in je hoofd twee zaken een rol spelen. Enerzijds de formele kant van de zaak. In artikel 2 van de grondwet staat te lezen dat De wet regelt wie Nederlander is. Daar is geen misverstand over: krijg je een Nederlands paspoort, dan heb je volgens de wet voldaan aan de eisen die gesteld worden aan het Nederlanderschap. Ik neem aan dat je daarmee instemt.

Achilles: geen twijfel over.

Pheidippides: anderzijds denk ik dat er een gevoel meespeelt in je hoofd. Iets formeel erkennen, betekent nog niet gevoelsmatig instemmen.

Achilles: juist. En dat gevoel zo onder woorden te brengen dat er geen misverstanden ontstaan, dat is een hele opgave!

Pheidippides: waarvoor ben je bevreesd?

Achilles: nou, je sprak al van glad ijs. Kijk, mensen hebben nogal de neiging om snel te vervallen in emoties als het gaat om onderscheid maken tussen groepen mensen. Ik wil echter geen oneigenlijk onderscheid maken, maar wil wel kanttekeningen plaatsen bij de waarde van een atletiekrecord.

Pheidippides: verklaar je nader.

Achilles: stel, een in Amerika geboren man werkt zich via het Amerikaanse onderwijssysteem op tot doctor in de fysica. 20 jaar lang heeft hij tijdens zijn werkzaamheden aan de Universiteit van Harvard voorbereidingen getroffen voor een grootse publicatie. Op enig moment echter emigreert hij om welke redenen dan ook naar Nederland, voldoet aan plichtmatigheden en verkrijgt het Nederlanderschap. Hij aanvaardt een positie aan de universiteit van Nijmegen en publiceert aldaar een baanbrekend wetenschappelijk artikel gebouwd op die 20 jaren voorbereiding. Het levert hem de Spinoza-prijs op. Zeggen we dan dat het een Nederlandse prestatie is? Een Nederlandse prestatie waarmee we ons kunnen identificeren?

Pheidippides: tja, hooguit formeel. Het zou me echter vreemd lijken als we er trots op zouden zijn en bijvoorbeeld de Universiteit Nijmegen zich op de borst zou kloppen: ‘kijk eens wat wij presteren!’ Aan de andere kant, de moeilijkheid die je met je wat gekke voorbeeld weergeeft heeft alles weg van de Sorites-paradox: feitelijk heb je geen idee waar je de grens moet leggen. Of wil je beweren dat je een genetische grens zou willen instellen? Of zou je een onderscheid willen maken tussen mensen die hier geboren zijn en mensen die op ‘latere’ leeftijd naar Nederland komen? Ik moet je eerlijk bekennen dat zelfs bij het louter stellen van deze vragen het me niet alleen duizelt, maar het me ook wat buikpijn oplevert!

Achilles: jaja, ik snap het. Maar toch, je hoeft niet gestudeerd te hebben om te kunnen zien dat het fysieke gestel van Afrikaanse lopers beduidend verschilt Nk tafeltennis Li Jie en Li Jiaovan dat van Europeanen. Maar goed, het woord ‘genetisch’ kan een beladen woord zijn. Laten we dat niet verder benoemen omdat we allang goed aanvoelen waar wij het over hebben. Want als ik naar het tafeltennis kijk bijvoorbeeld, dan stond in de finale van het Nederlands kampioenschap dit jaar Li Jiao tegenover Li Jie. Dat is dan toch op zijn m(….)

Pheidippides: akkoord, akkoord – ik voel wederom wat je probeert te zeggen. Ik herinner je aan het feit dat Kenia bijvoorbeeld met lede ogen aanziet dat zijn topatleten voor veel geld verkassen naar landen als Bahrein of Qatar.

Achilles: ‘Maar het is uiteindelijk een vrije wereld’ klinkt er dan. We hebben ook nog wel eens wat gekke schaatsers gehad die van nationaliteit wilden wisselen omdat ze zo wel naar een WK mochten. Een hoog Kafkaësk gehalte. Overigens kan ik dat niemand kwalijk nemen en verder geloof ik niet dat er ook maar één iemand in Nederland dat als hoofdmotief heeft gehad toen men hierheen kwam. Ik geloof 100% procent in de integriteit van deze atleten. Dat ze begenadigd zijn, een geweldige mentaliteit hebben en daarbij het nodige voordeel van hun geboorteland meenemen – of dat nu nature of nurture of beide is- dat kan niemand ze voor de voeten werpen. Misschien zelfs wel niet als ze in een ander land er meer uit kunnen halen…..hoewel…tja…dat is dan toch….

Pheidippides: je maakt het jezelf niet gemakkelijk, beste! Wat ik me overigens wel afvraag, is hoe Ethiopiërs bijvoorbeeld kijken naar de prestaties van die rappe Sifan Hassan. Ik kan me eerlijk gezegd evenmin voorstellen dat zij dat als Nederlandse prestatie zien. Ik gun die mensen hun rolmodellen bovendien ten zeerste, dus ik moet er niet aan denken als er voor Haile Gebrselassie op een kampioenschap ooit een ander volkslied had geklonken dan het volkslied van Ethiopië.

Achilles: inderdaad! Hoe trots de Ethiopiërs waren als hij de strijd aanging met de Kenianen! En bewandel eens met de gedachte de zijweg dat Dafne Schippers voor Ethiopië zou uitkomen en alle nationale helden daar uit de boeken rent. Helden waar generaties tegenop hebben gekeken. Zien wij dat dan als een Ethiopische prestatie en zien de Ethiopiërs het als een Ethiopische prestatie?

Pheidippides: ik kan me daar niets bij bedenken. Maar opmerkelijker nog: ik kan er niets bij voelen.

Achilles: maar het leven loopt ook niet altijd zo dat je kunt blijven in een land. Trouwens, Ignisious Gaisah kwam maar liefst tot zijn 30e voor Ghana uit en vanaf 2013 pas voor Nederland op vrijwillige basis. Zou hij niet in zijn hart het zwaar hebben als hij bij wijze van spreken op een wereldkampioenschap op de 2e plek naast een Ghanees zou staan die het volkslied uit volle borst meezingt? Of zelfs nog omgekeerd: dat hij op de eerste plaats staat en het Nederlandse volkslied moet zingen, terwijl zijn oud landgenoot naast hem staat op de tweede plek? Dat lijkt mij een hele absurde situatie.

Pheidippides: het is absurd omdat ik me goed kan voorstellen dat iemand formeel dan wel het Nederlandse volkslied meezingt, maar diep in zijn hart ook nog intens is verbonden met zijn vaderland, althans het land waar hij is geboren en getogen. Het typeert feitelijk onze discussie die ook laveert tussen formaliteit, emotie en de betekenis van verbondenheid. Vraag zelfs eens de gemiddelde hier geboren Turkse, Armeense of Marokkaanse dame welk volkslied zij het hardst meezingt wanneer bijvoorbeeld Nederland tegen Marokko, Turkije of Armenië speelt, en ik daag je uit dit niet als een retorische vraag te beschouwen… Maar ik neem aan dat je Ignisious Gaisah niet zonder reden te berde brengt.

Achilles: tja, op het moment dat hij in 2013 voor Nederland uit mocht komen verdween terstond het record van Emiel Mellaard uit de boeken dat sinds 1986 in zijn handen was. Emiel Mellaard was trouwens de eerste Nederlander die in 1987 pas met een sprong van 8,02 de acht meter barrière wist te doorbreken. Dat deed de geweldige Jesse Owens –over gevoeligheden gesproken- al in 1935! Wij zijn niet zo’n springers denk ik.

Pheidippides: zo’n man zou dan toch niet uit de boeken mogen, maar hoe is dat te regelen?

Achilles: ik heb wel een idee, maar ik durf het niet zo goed te zeggen.

Pheidippides: kom kom, voor de dag ermee. We zijn tenslotte vrije denkers!

Achilles: nou. Ik zit te denken aan een dubbele lijst. Weet je, bij het werelduurrecord op de fiets hebben ze een onderscheid gemaakt tussen records die zijn verreden op een fiets die later vanwege buitengewone voordelen werd verboden, en records die op een toegestane racefiets zijn verreden. En weet je nog dat bij de wereldkampioenschappen lange-baan-zwemmen tijdens Rome 2009 maar liefst 43 wereldrecords werden gezwommen? Lag aan het zwempak. De records worden wel nog erkend, maar men maakt er wel een kanttekening bij: kijk dat was met een polyurethaan-pak.

Pheidippides: okay, maar ik neem niet aan dat je brave hardlopers als Lornah Kiplagat wil benaderen vanuit het oogpunt van oneigenlijk voordeel. Toch?

Achilles: nee, nee. Dan kunnen we de sport wel opheffen. Bovendien moeten we ook niet onze Antilliaanse geweldenaren vergeten…

Pheidippides: bewaar me, je hebt ons al genoeg moeilijkheden in het overwegen bezorgd!

Achilles : ja, dat laat ik dan even rusten. Maar ik zou wel bijvoorbeeld de prestatie van een geïmmigreerde atleet en een in Nederland geboren atleet die tegen elkaar uitkomen op bijvoorbeeld een Nederlands kampioenschap, al kunnen ze niet beide winnen, toch allebei willen aanmerken als een eerste plaats. Ongeacht dus wie voor wie eindigt.

Pheidippides: dat laat denken aan een open Nederlands kampioenschap, behalve dan dat het niet open is.

Achilles: ja, min of meer. Maar ze krijgen dus allebei wel de juiste en dezelfde erkenning, zonder dat daarbij iemand naar de achtergrond wordt gedrukt of vergeten raakt.

Pheidippides: ik vrees dat je idee hoewel sympathiek bedoeld zo ongelukkig is, dat niemand eraan wil of überhaupt zoiets in de openbaarheid bespreekbaar zou willen maken. En misschien moet je begrijpen dat in onze open en vrije samenleving de waarde van iets ‘nationaals’ gewoon betrekkelijk is. Net als dat bijeen gewaaide hoopje los zand uit alle windstreken dat ‘$toevallig$’ voetbalt voor Real Madrid. Een club die voorts wel Spaans kampioen wordt. En waar wel ontzettend veel mensen nog best blij en opgewonden van worden. Mag ik je bovendien nog herinneren aan de wijze woorden die onze huidige koningin Maxima in 2007 sprak: ‘de Nederlander bestaat niet’. Ze wilde daarmee zoveel aangeven als geen idee te hebben wat een ‘Nederlander’ nu precies is. Een sterk staaltje te prijzen anti-essentialisme!

Achilles: eens. Maar mag ik jou dan herinneren aan de commotie die dat opleverde? ‘Hoe durfde ze dat te zeggen!’ Overigens had inderdaad iedereen er wat op aan te merken, maar bovenal ook geen idee.

Pheidippides: het leek erop dat ze zowel gelijk had als ongelijk. En misschien is dat precies de rode draad van onze discussie hier.

Achilles: ik denk dat dat een mooie conclusie is. We zijn er nog lang niet over uitgedacht of uitgesproken, maar ik geloof dat ik nog even een rondje rennen wil. Even het ‘koppie leegmaken’.

Pheidippides: gelukkig hoef jij je geen zorgen te maken dat je ooit een belangrijke prijs wint, laat staan dat je ook maar iets zou presteren wat enige discussie zou opleveren.

Achilles: in dat geval daag ik je uit mij bij te houden!

Pheidippides: 3…2…..1…

_____________________________________________

Geschreven in 2014. Actueler dan ooit nu de prestaties van Sifan Hassan op het WK in Quatar nauwelijks sentiment oproepen. Hoe komt dat? Lees ook het artikel van Pim Bijl bij deze vraag in het AD van 5 oktober 2019.

Vragend schrijven bij de moord op Derk Wiersum

Een filosoof kan slechts vragend schrijven. Te midden van het ongrijpbare, het onbegrijpelijke, zoekt hij een uitweg naar een nieuwe vraag die voldoende rust geeft. Maar dat is nog niet zo gemakkelijk in de onrust die is opgeworpen door een moord. Een moord op een man die naar zijn werk ging. Vlak voor zijn huis doodgeschoten. Geen man tegen man, geen argumenten, geen genade, geen zin.

De vragen die me lastigvallen zijn er velen. De belangrijkste is geloof ik, hoe ik me iemand moet voorstellen die hiertoe in staat is gebleken. Ik wil niet langs de weg van het louter krankzinnige, geesteszieke, nihilistische, manipuleerbare, redeloze domme dier wandelen. Die is te bevredigend in eenvoud. Ik stel me iemand voor die weet wat hij gedaan heeft, het zelf heeft gewild en er achter kan staan. Maar hoe is het dan om wakker te worden en het idee te bezitten dat je iets gedaan hebt wat onomkeerbaar is? En niet zomaar onomkeerbaar, maar walgelijk onomkeerbaar, in strijd met de beschaving, de redelijkheid en alles wat van waarde is.

Want het is toch van waarde dat iemand verdedigd kan worden tegen de Staat? Het is toch van waarde dat een mens altijd elementaire rechten heeft die moeten worden gewaarborgd? Dat is toch niet enkel een kwestie van het toevallige westers perspectief? Is het verdriet en de woede van miljoenen mensen een rechtmatig bewijs van onrecht? En dan wordt het de bitterste ironie dat wanneer mocht deze man ooit gepakt worden -als hij niet eerder wordt omgelegd- hij een advocaat zal krijgen die opkomt voor zijn rechten, omdat hij verdedigt behoord te worden tegen de Staat.

Wanneer ik verder nadenk over de voorstelling, hoe iemand letterlijk het onschuldige kan vernietigen, is er iets wat ik met zekerheid kan denken? Ja, dat is er wel. Wat zich namelijk opdringt is het idee dat zo iemand niet kan geloven in een God en zijn ziel heeft overgeleverd aan het toeval. De hoop op het toeval. Althans in de zin van het bestaan van een rechtvaardig oordeel. Dood is dood en alleen het leven telt. En in dat leven is weinig van waarde, behalve het eigen leven zolang het duurt.

En het leven staat enkel in het teken van alles wat tijdelijk is, leeg, hol en niets nalatend. Geld? Bloedgeld. Roem? Kwetsbaar. Aanzien? IJdel. Geen verhaal aan je kinderen: ‘Ik schoot iemand dood die naar zijn werk ging voor een paar stuivers’. Geen trotse ouders: ‘Mama ik ben iemand die op een ongewapende man afloopt en hem zomaar doodschiet’. Niets is er waarmee je de schoonheid eert of de waarheid helpt. Alles staat in de schaduw van die ene daad voor altijd.

Hoe zal iemand zich zijn leven lang verhouden tot de moord op het onschuldige, zonder ooit te bezwijken aan de ondraaglijke lichtheid van de laffe moord, opgedragen door anderen, in ruil voor het bedenkelijke en tijdelijke? Dat is een moeilijke vraag. Na lang overwegen, bleek het antwoord kort en stopt voor heel even het vragende schrijven.

Je moet je bovenal beschermen tegen liefde. Want als je liefde kent of ook maar een beetje toelaat, dan weet je wat je vernietigd hebt en dat doet pijn. De liefde van een vader voor zijn kinderen, voor de rechtvaardigheid, voor zijn voor vrouw en familie. Dat is vernietigd.

De pijn die je voelt als je liefde toelaat, is een teken van geweten. Liefde toelaten is je een verhouding kunnen voorstellen die buiten jezelf om gaat. En het menselijke geweten is in zijn oorsprong zo sterk, zeg ik met John Henry Newman, dat ernaar luisteren altijd leidt tot spijt en verdriet als het je zegt dat je de liefde hebt opgeheven. De verhouding herkennen die buiten jezelf ligt, de Ander toelaten, is begrijpen dat je iets gedaan hebt wat in strijd is met de liefde. Je hebt een verhouding opgeheven en daarmee eigenlijk jezelf vernietigd. Dat inzicht, daar moet iemand zich zijn leven lang tegen verzetten. Anders is het leven onmogelijk. De motor van dat verzet is vervreemding en herhaling. Alleen zo kan ik mij iemand voorstellen die niet tot inkeer komt.

Voor Derk Wiersum is het leven voorbij. Hij heeft gekregen wat hem niet toe-kwam. Maar hij zal heel lang in heel veel liefde worden herinnerd. Daar ben ik ook zeker van. 

Over pure moordlust

Over pure moordlust

‘Zoo diep kan een mensch zinken, dat het hem een wellust is, menschen van het leven te berooven.’
Ferdinand Herbst (1846). Christelijke leer in voorbeelden. Tweede deel. p. 238. Arnhem: G.J. Meijer.

Naar aanleiding van twee absurde voorvallen in Duitsland, waarbij mensen voor de trein werden geduwd en respectievelijk een vrouw en een achtjarig jongetje werden gedood, trokken de woorden ‘pure moordlust’ in de berichtgeving mijn aandacht. ‘De 28-jarige man die in het westen van Duitsland een 34-jarige vrouw voor een trein duwde waarna zij overleed, zou gehandeld hebben uit pure moordlust.’ (AD 21/7).
In deze overweging laat ik mijn gedachten gaan over deze woorden om te proberen door middel van verschillende denkbewegingen het absurde te vangen.

Het woord lust kan eigenlijk overal achter worden geplaatst. Goklust, kooplust, reislust, schrijflust. Enzovoorts. Het is de combinatie met het woord moord waardoor het intrigerend, verontrustend en aanmatigend wordt wanneer we er verder over doordenken.

Oud woord
Moordlust blijkt een oud Nederlands woord en komt al letterlijk voor in geschriften van Vondel in de zeventiende eeuw. Het blijkt ook een eeuwenoud onderwerp van (medische) discussie te zijn zoals we lezen in Het werktuig der moordlust In: Voorleezingen, gehouden te Berlijn, over de werksaamheden der hersenen van F.J. Gall uit 1805 of in het Tijdschrift der Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst uit 1852 waar enkele zaken worden aangehaald van door moordlust overvallen ‘ongelukkige wezens’ die worden vrijgesproken omdat er niets aan ten grondslag zou liggen wat toerekenbaarheid zou rechtvaardigen.

Hoe komt men tot de lust tot moorden? De lust tot gokken, kopen, reizen en schrijven kan ik begrijpen, maar de aandrang tot moorden? De sterke opwelling om iemand te willen vermoorden?

Misschien is deze opwelling aanvankelijk niet zo heel moeilijk te begrijpen en laat deze zich vooral oppervlakkig verstaan als een emotie die wij onmiddellijk onder controle krijgen met ons verstand, waardoor het vooral een uitdrukking blijft. Zoals bijvoorbeeld de uitdrukking: ‘Ik zou hem wel kunnen vermoorden!’ Of ‘Ik zou hem wel wat aan kunnen doen!’

Deze emoties kunnen we ons goed voorstellen en dan vooral in relatie tot personen die bijvoorbeeld ons leven zuur maken. Maar in vrijwel alle gevallen is dit toch ‘een bij wijze van spreken’. Net zoals wanneer iemand iets ontzettend graag wil hebben zegt: ‘O, ik zou er een moord voor doen!’ De moord staat symbool voor een bereidheid of een wens waarin men ver wil gaan, maar nooit voor de moord zelf. Dat is bij moordlust wel het geval. Daar staat het moorden zelf centraal en is het geen symbool of een bij wijze van spreken.

Gehoor geven aan lust
Hoe dan ook scheren we met deze uitdrukkingen langs een lugubere rand. Want de opwelling is nog tot daar aan toe, maar er gehoor aan te geven zodat de lust wordt bevredigd, dat is iets wat zich daadwerkelijk nauwelijks laat denken. Tussen de opwelling, de aandrang, de zin om iets te doen of bij wijze van uitdrukking de mogelijkheid overdenken en afdoen als waanzin enerzijds en de daadwerkelijke uitvoering en het concretiseren van het verlangen anderzijds, daartussen bevindt zich een wereld van onmetelijk verschil.

Maar er is nog iets anders, wat meer verborgen ligt. In het bovenstaande heeft in iedere uitdrukking de moord een objectivering, een beginsel van grond om het zo te zeggen. Maar in de moordlust is er niets te objectiveren, behalve het bevredigen van de lust op zichzelf. Laat ik wat ik bedoel uitleggen met het volgende.

Tijdens dit schrijven valt een vlieg me al een poos lastig en verhindert het denken. Ik krijg de aandrang hem te roosteren op de vliegenmepper. Hij stoort me, is vies, hoort niet in mijn huis en wil maar niet naar buiten vliegen. De aandrang is gegrond in de redenen. Of dit goede redenen zijn laat ik in het midden, maar er zijn tenminste redenen waarmee ik mijn aandrang kan verklaren. Ik heb een grond. Het is niet dat ik zomaar naar buiten ren om vliegen te roosteren. Maar in de pure vorm van de moordlust, dat is waar het woord puur kennelijk naar verwijst, ontbreekt deze grond. Mijn eerder gestelde vraag ‘Hoe komt men tot de lust tot moorden?’ kan dus ook niet beantwoord worden. Er is geen aanleiding, er is geen reden behalve dan de bevrediging omwille van de bevrediging. Pure moordlust heeft dus geen beginsel van grond, behalve de lust zelf. Het pure is hier een zuiverheid: verschoond van redenen.

Dat maakt het moeilijk om te begrijpen. Pure moordlust. Alsof het een ziekte is, een anomalia die iedereen willekeurig kan overkomen. Lust zonder grond. Lust die niet aard in rede of reden maar er gewoon is. En kennelijk dusdanig onweerstaanbaar dat er geen weerstand tegen kon worden geboden. Je kunt het hebben en je kunt er bovendien geen weerstand aan bieden. Hoe rekenen we iemand iets aan die geen weerstand kan bieden tegen iets waar hij geen achterliggende redenen voor heeft? De oplossing is tegenwoordig eenvoudig. Of iemand is naar wet krankzinnig en we sluiten hem op of we vinden dat hij zich desondanks toch tegen deze lust had moeten kunnen verzetten en we sluiten hem op.

Gedachte-experiment
Dat laatste is interessant om verder te overwegen, aangezien wij ons allen een drang kunnen indenken die geleidelijk aan sterker wordt en op een moment zelfs zo sterk dat we ons er nauwelijks of helemaal niet meer tegen kunnen verzetten. Het verschil is echter dat toegeven aan veel van zulke drang geen absurde gevolgen heeft. Neem de drang (de ontembare zin) om te krabben bijvoorbeeld. Krablust. Terwijl je weet dat het niet goed is voor je huid en het door deskundigen wordt afgeraden, kan de zin zo overweldigend worden dat je het toch doet. Als ik hier een gedachte-experiment aan koppel dat in het geval van toch krabben we jarenlang zouden worden opgesloten, zou dat onze (mentale) weerstand versterken? Staat zoiets in verhouding tot elkaar? En hoe dan precies? Waar zit de grens tussen toegeven aan een aandrang in verhouding tot de gevolgen? Kan een aandrang zo sterk worden dat onze geestesgesteldheid uiteindelijk ieder gevolg op de koop toe neemt?

De plicht je tegen jezelf te beschermen
In geval van het bovenstaande zou iemand kunnen opwerpen dat een aandrang nooit in volle hevigheid plotseling opduikt, maar geleidelijk aan sterker wordt en bij een goede mentale gesteldheid ook erkend moet worden. Er moet dan een moment zijn dat iemand weet dat zijn aandrang ernstige gevolgen heeft, en is het niet voor de ander dan wel voor zichzelf, op grond waarvan hij zichzelf tegen zichzelf in bescherming moet nemen door bijvoorbeeld hulp te gaan zoeken. We zouden dat kunnen aanmerken als een menselijke plicht: iedereen die weet dat hij een lust en niets anders dan een lust heeft die hem zelf en/of een ander schade toebrengt, heeft de plicht hiertegen in verzet te komen.

Overweeg de volgende illustratie (NB: sideline-spoiler):

In de voortreffelijke serie The Missing (2014) volgen we in seizoen 1 een jongeman die van zichzelf weet dat hij een gevaar is voor kleine kinderen omdat hij in zichzelf de ziekelijke neiging herkent deze seksueel te willen misbruiken. Hij gruwelt van wie hij is, maar hij is wie hij is en het is wat het is. Therapie, gebedsdiensten, zelfkastijding, medicatie – alles probeert hij, maar niets maakt van hem een ander mens die de ziekelijke lust kwijtraakt laat staan aankan. Het eindigt met wanhoop: zelfdoding. Wat kon hij nog anders doen? Is het de meest nobele beweging die hij maken kon?  Hij heeft de lust vernietigd door zichzelf te vernietigen. Beter dan met de lust anderen te vernietigen. Dat klinkt als een nobele gedachte en hoe tragisch het tegelijkertijd is, dat zou toch ook de enige uitweg zijn voor wie zich verhoudt tot pure moordlust. Alles in het werk stellen om tegen deze lust beschermd te worden. En als dan niets werkt, wat rest iemand dan nog in momenten van controle in de wetenschap dat de controle op ieder moment verloren kan raken? Ja, in Duitsland is iemand de controle over zijn eigen lust kwijtgeraakt.

Het is het gebrek aan verantwoordelijkheid nemen wat we verafschuwen. Dat gaat vooraf aan alles. De onbegrijpelijkheid van de redeloosheid en willekeur is één ding, maar het gebrek aan karakter en verzet iets heel anders. En het is de overgave die de zonde maakt net zoals in de lust als hoofdzonde, de luxuria, die wordt begrepen als wellust die betrekking heeft op de overgave aan zinnelijk seksueel genot.

De verontrustende mogelijkheid van de moordlust is en was er altijd al. Ze komt nu alleen tot ons in een alledaagse pure vorm in het beeld van een redeloze man zonder motief die een willekeurige vrouw voor een trein duwt. Zoals de pure moordlust geen grond heeft, kent een overweging als deze geen einde. Al moest ik nog denken aan Hendrik van der L. De oude man van 96 die van de rechtbank in Assen een boete kreeg van 300,- omdat hij de onweerstaanbare lust heeft goedkope chocoladerepen te stelen. ‘Waarom stelen, waarom chocolade, maar de rest afrekenen?’ vragen de agenten aan Hendrik. Hendrik zwijgt. Pure chocolade…lust.

Verzet en verdediging tegen Permission Machine. Deel II: Het Morele Appèl

Deel II: Het Morele Appèl

Ten geleide.

Onderstaande lange verdediging is een antwoord op eerdere correspondentie die ik had met Gunter Luyckx. Gunter Luyckx is de ‘CEO’ van Permission Machine. Het is niet noodzakelijk om deze lange eerdere correspondentie te kennen om mijn verdediging te kunnen volgen en er enig plezier aan te beleven, ondanks de tragische aanleiding (zoals ik hier uiteen heb gezet).

Deze Luyckx (hier op beeld) heeft er schik in gehad mij te antwoorden en ik vraag me af hoe ik deze man nu moet typeren. Ik kom er niet goed uit. Als je hem in een café tegenkomt lijkt hij wellicht zomaar de eerste beste bezopen drinkebroer waar je een avond schuine moppen mee kunt tappen. Hij zou goed de hele avond over damesvoetbal kunnen lullen, zijn hobby; om naar te kijken dan. Maar als ‘CEO’ van Permission Machine zou hij ook zomaar een wolf in schaapskleren kunnen zijn die maar één doel heeft, en dat is linksom of rechtsom geld binnenharken en nietsvermoedende goedbedoelende particulieren onder druk zetten. Gewoon omdat het kan.

Ik ben alles afwegende toch genegen om medelijden te hebben met deze man die om welke reden dan ook in een systeem is gesukkeld waarbij iedere vorm van morele overweging overboord moet worden gegooid om te kunnen blijven voortbestaan. Gunter Luyckx kan niet meer terug en is gevangen in het auteursrechtenweb dat misbruikt wordt door grote bedrijven zoals het ANP. En het ANP heeft er kennelijk beleid van gemaakt om zo slinks als mogelijk geld binnen te harken voor foto’s die normaal gesproken geen enkele waarde vertegenwoordigen. Kleine visjes pakken. Goede trouw afstraffen. Arme Gunter dat hij hier aan mee moet doen om zijn boterham te verdienen! Een tragische figuur zonder weerstand, een bleek weekdier, een ongelukkige antiheld en een eenvoudige zetbaas die je alle kanten op kunt duwen, omdat zijn morele weerstand is gebroken.

Nu juist het appel op het morele, niet zozeer op het juridische, is de kern van onderstaande verdediging.
Het vormt ook het sluitstuk van de wijze waarop ik de schikking heb vormgegeven, namelijk door deze Gunter het aanbod te doen zonder enige verplichting mee te doen aan het steunen van een goed doel. Juist omdat ik overwegend medelijden met hem heb gehad en het me duidelijk werd dat de juridische strijd over deze idiote afbeelding tijdrovend en mogelijk teleurstellend zou kunnen verlopen. Ik heb gepoogd zijn morele besef aan te wakkeren, zover dat niet morsdood was.

Hoe dat is afgelopen kunt u hier lezen in de derde en laatste bijdrage.

________________________________________

Verzet en verdediging tegen Permission Machine in de gedaante van Gunter Luyckx
Met ironie beladen en door ernst gevormd

Geachte heer Luyckx, en anderen die het interesseert in hun vrije uren,

Onderstaand heb ik de tijd genomen om te antwoorden op alles wat relevant is in deze tragisch-komische ontmoeting van twee mensen die elkaar ook gewoon met rust hadden kunnen laten. Als u de vrije tijd mist dit goed in u op te nemen, dan verwijs ik bij deze naar de laatste alinea’s ‘Hoe komt dit alles nu tot een einde?’. Een vlotte reactie op die alinea’s is het enige wat is verlangd voorts.

Een en anders dient ter vervanging van al het eerdere, maar zeker ook als vermetele poging u te overtuigen van het feit dat de reden van al deze moeite grondt in volkomen verkeerde prioriteiten, verkeerde aannames en een mensbeeld dat stoelt op wat de Franse filosoof Jean-Paul Sartre noemt mauvoise foi. Als u het mij vraagt dan. Ik zal dat proberen zo helder mogelijk toe te lichten.

U bent misschien een geharde rechtspositivist van het nagenoeg uitgestorven soort, en in dat opzicht is er een mogelijk mandaat om eindeloos en misschien zelfs schaamteloos brood te verdienen, ik zal daar zoals eerder aangegeven morele, broodnodige morele opmerkingen aan toe voegen. Die lopen voor mij vervolgens over naar het recht, in de zin dat ik daar ook rechtvaardigheid onder versta. U interesseert het recht, mij de rechtvaardigheid. Dus niet alles zal sec juridische kracht hebben, maar dat is ook niet mijn insteek. En allicht op het toppunt van vergane glorie, dura lex sed lex, maar lees veel beter Marcus Aurelius als u graag de oude Romeinen aanhaalt:

‘Kenmerkend voor de redelijke ziel zijn ook naastenliefde, waarachtigheid, zelfrespect en dat zij haar eigen zuiverheid als het hoogste goed beschouwt. Dat is trouwens ook een kenmerk van de wet. In dat opzicht is er dus geen verschil tussen juist denken en rechtvaardig denken.’ (Ta eis heauton, XI, I).

Ik zie mij zelf als volkomen redelijk en daarom is het schikkingsvoorstel ook zo onwaarachtig. Dat is vrij eenvoudig te begrijpen. Als ik namelijk toegeef aan een of ander voorstel, betekent dit dat ik op de een of andere wijze instem met een immoreel systeem dat in bijzondere zin niet te begrijpen is, daar waar het recht m.i. zich juist aan gewone burgers zonneklaar moet uitleggen. Het is een systeem waarin het loont om te misleiden, waarin waardeloze troep kan worden getransformeerd tot peperdure ambacht, omdat het nu eenmaal in een licentiecontainer is gedumpt.

Een systeem ook dat mensen oneigenlijk hard raakt en op zo’n wijze dat het geenszins in verhouding staat tot de zogenaamde schade die ze zouden hebben veroorzaakt. Over dat laatste kom ik nog te spreken. Maar het begint wat mij betreft allereerst, en dat is hier de menselijke maat, bij inlevingsvermogen, een persoonlijke blik en een in algehele zin redelijke afweging, wanneer je met behulp van techniek probeert geld te verdienen op basis van een ongetwijfeld zinvolle grondslag in de wet ook anno 2019, namelijk het auteursrecht. Een recht dat alles in zich heeft om met valse intenties ergens heel veel uit te halen en mensen die behoren te spreken liever laat zwijgen. Dat moet ook wel als je foto’s logischerwijs doorgaans nauwelijks iets waard zijn en niemand er meer dan een euro voor zou willen geven. Tragisch, maar dat is de realiteit onder fotografen. Dat weet u, dat weet ik. En heus niet omdat reeds verkochte foto’s onschuldig hier en daar nog eens opduiken, maar omdat het een noodzakelijk gevolg is van techniek.

Ik lees nota bene het volgende in interviews, dat verschillende serieuze klanten die u bedient of bediend heeft absoluut niet het oogmerk hebben om ‘Jan met de pet uit te kloppen’. ‘Sociale gevallen of kleine zaken laten we vallen’, zegt ene De Vinck van Photo News. ‘Het is zeker niet de bedoeling om via dit systeem de kleine garnalen aan te pakken’, zegt ene Philippe François, van Belgaimage.

Dat zijn waarachtig wijze woorden, waar u een goede les aan heeft zich dat ook uiteindelijk zelf aan te trekken. Want als er dan een opdrachtgever aanklopt die klaarblijkelijk wel de bedoeling heeft om onbeduidende spelers aan te pakken, goedbedoelende bloggers, mensen die op vrijwillige basis hun stukjes schrijven voor de lokale schaakvereniging, liefhebbers die voor 30 voorbijgangers per maand hun liefde delen over golf of plantjes en beestjes, dan zou het ongelofelijk sieren dat vriendelijk te weigeren.

Immers, wie wil zo zijn? Wie wil iemand die er vreugde in schept volkomen onbeduidende spelers te pakken als vriend hebben? Ik moet denken aan een grote stoere sterke jongen. Afgestompt en ongevoelig geworden, omdat iedereen hem haat. En die grote jongen voelt zich alleen nog maar fijn wanneer hij weer iemand waarvan hij weet dat deze zich nauwelijks zal verweren een pak slaag heeft gegeven. Gewoon omdat het kan. Maar niet alles wat kan moet. Niet alles wat kan hoeft. En daar gaat het hier om in grote lijnen.

Ik stel het volgende adagium even voor.

‘Het is in beginsel immoreel iemand die te goeder trouw is pijn te doen.’

Met betrekking tot het adagium zou ik beweren niet alleen immoreel, en welke ongelukkige kan het er mee oneens zijn, maar ook in beginsel onrechtmatig. In bepaalde omstandigheden geloof ik, wordt iemand die uitgaat van een verkeerde voorstelling van de rechtsverhouding toch beschermd door het Nederlandse recht, mits hij te goeder trouw is. In mijn geval beweer ik te goeder trouw te zijn en bovendien geen kwade opzet te hebben gehad. Wat betreft de goede trouw, ik heb nota bene jullie tracking-activiteiten diverse malen waargenomen op mijn website bij het betreffende artikel en op grond daarvan op 23 april 2019 11 minuten lang volgens mijn internethistorie jullie website bekeken en doelstellingen gelezen. Ik heb geen enkel vermoeden gehad dat ik hier iemand ‘schade’ aan het berokkenen was of zou hebben berokkend, laat staat dat ik iets onoorbaars zou hebben gedaan. Voor mij is dat op zijn minst een voldoende bewijs van goede trouw, hoewel ik natuurlijk heel goed mijn eigen gedachten ken en daarvan weet dat er sowieso geen enkele twijfel over bestaat. Daarnaast wijs ik er graag op dat onachtzaamheid iets anders is dan goede trouw.

U stelt met betrekking tot dat laatste in uw schrijven, waar het ook gaat over het ontbreken van enige opzet mijnerzijds: ‘Opzet of intentie speelt geen rol inzake auteursrechtelijke inbreuken; wat ook logisch is, aangezien iemands opzet vaak vrij moeilijk aan te tonen is.’

Dit is een klassieke drogredenering. Iets is niet logisch omdat iets vrij moeilijk is aan te tonen. Of erger nog, omdat iets moeilijk is aan te tonen -dus niet onmogelijk- komt er voor het gemak een containerbegrip zoals wat u noemt ‘objectieve aansprakelijkheid’. Ik kom deze termen, maar ik ben dan ook godzijdank filosoof en geen advocaat, alleen maar in het Belgische recht tegen en kan in de Nederlandse rechtspraak, buiten het strafrecht waarin geobjectiveerde bestanddelen een rol hebben, geen directe verwijzing vinden naar deze manier van kijken naar de werkelijkheid. Maar ook hier even los van het recht, de absurde gevolgen van een dergelijke opvatting laten zich niet moeilijk voorstellen en geven aanleiding om iedere ongelukkige handeling te juridiseren. En waarom het auteursrecht daarin iets bijzonders is, ontgaat mij volkomen, want in talloze andere gevallen zou dit totaal onacceptabel zijn. In de normale intermenselijke omgang zou een dergelijke opvatting een totale onwerkbare en onwenselijke samenleving met zich meebrengen bovendien.

Laat ik het eens ironisch zeggen omdat het allemaal zo tragisch is. U vergeet een keer per abuis het toilet door te spoelen, of dacht dat u het toch netjes gedaan had, en krijgt uit het niets een ziedende vrouw op uw dak met een heleboel moeilijke babbels. U heeft een ernstige inbreuk gemaakt op haar rechten in een propere omgeving te kunnen toiletteren en zij lijdt hierdoor schade, roept ze. Alle extra moeite, het zelfs tweemaal moeten doorspoelen en wat niet meer is! Ze stelt voor om € 250 uit uw portemonnee te grissen en dan is ze nog mild in de schade die u haar berokkend heeft.

Dat brengt mij tenslotte op het hele probleem van de zogenaamde schade. Want daar draait het toch ook om per slot van rekening. Het ANP lijdt schade door Stephan Wetzels. Het ANP lijdt schade door Stephan Wetzels!

U moet het met me eens zijn dat het onmogelijk is om als weldenkend mens dit met droge ogen een aantal malen achter elkaar hard op te zeggen. Het is namelijk even lachwekkend als dat het klinkt. Het zou hooguit nog lachwekkender kunnen worden als iemand hier ook een eens een hogere morele zaak in zou zien. Het fossiele auteursrecht in zijn huidige vorm is filosofisch net zo problematisch als het oude recht op absolute privacy in een open digitale wereld waarin iedereen participeert. Antieke manieren om iets te beschermen zijn al talloze malen gesneuveld en dat zal, geloof mij, ook voor uw huidige verdienmodel gelden, zolang u ook heil zoekt te verdienen aan het onbeduidende in plaats van alle energie te besteden aan het moedwillig op grote schaal misbruiken van auteursrechtelijke beschermde afbeeldingen. Alsof u met een wattenstaafje een olifant gelooft schoon te krijgen. Nu ja, zo iemand -en natuurlijk gelooft hij niet dat de olifant schoon wordt- heeft inderdaad voor de rest van zijn leven werk! Hoe nobel.

Uiteraard heeft het recht in zijn gemakzucht wat algemene zaken en richtlijnen in de weer, maar wat mij betreft behoort het recht nooit gemakzuchtig te zijn, maar ook en bovenal in het licht van rechtvaardigheid moet het stoelen op redelijke en objectieve grondslagen. Als het hele verweer van de goede trouw en het gebrek aan opzet niet slaagt om welke voor mij onbegrijpelijke redenen dan ook, dan moeten we vaststellen op welke manier een onrechtmatige daad tot daadwerkelijke schade heeft geleid. Schade die ik voor het gemak even definieer als het verschil tussen de actuele toestand van het slachtoffer, de arme fotograaf derhalve, en de hypothetische toestand waarin deze zich zou bevinden indien de onrechtmatige daad niet door mij zou zijn gepleegd.

Ik laat de foto even op me inwerken en kijk en kijk, en kijk. Kijkt u mee. Ik citeer de afbeelding even, gemaakt door Rob Engelaar voor de monopolist ANP:

https://www.anpfoto.nl/search.pp?page=1&ShowPicture=68119663&pos=1

Dit is ook ongeveer de grootte zoals ik hem bij mijn artikel heb geplaatst, waarbij ik inhoudelijk schrijf over het betreffende document. En ik kijk nogmaals en nogmaals. U kijkt mee. En ik moet het waarschijnlijk in het midden laten, maar welke creatieve keuzes zijn hier gemaakt? Wat is het schitterende eigene van deze afbeelding? Ik zou dus in deze armetierige beeltenis van een bestaand document een creatieve uitdrukking moeten kunnen vermoeden, maar dat vind ik hoogst twijfelachtig, tenzij ik mij wellicht een aantal jaren zou verdiepen in de esthetica rondom het fotograferen van uitgeprinte Word-documenten. Maar dan betwijfel ik het eigenlijk nog steeds.

Ik zie er niets in, behalve een niet door de fotograaf opgesteld stuk papier. Een foto ontleent aan de tekstuele inspanningen van anderen. Het is mijns inziens een foto die onafhankelijk door iedereen gemaakt had kunnen worden, dat is geenszins onwaarschijnlijk. Ik zou hier een rechter toch wel eens puur voor mijn interesse over willen horen, maar het lijkt me eerlijk gezegd geen compliment voor een fotograaf als dit wordt beschouwd als een creatieve uiting en een kunststuk van enige waarde in plaats van een inwisselbare door iedereen vrij exact zo te maken illustratieve zinledige afbeelding van een bestaande tekst. Het is dan toch voor mij sterk de vraag hier hoe dat überhaupt samenhangt met auteursrecht.

Maar goed, dat is gewoon een door en door subjectieve zaak, waarvan ik desondanks het vermoeden heb dat in een Atheens volksgericht, als we de Klassieken weer even ophalen, het overgrote deel aan mijn kant zou staan. Plato c.s. hadden trouwens sowieso weinig met afbeeldingen maken, een der laagste vormen van kunst, laat staan met zoiets als een plaatje van een plaatje, i.c. een document van een ander vastleggen.

Ik vermoed dat ik daardoor -na zelfonderzoek- misleid ben waar ik anders altijd voorzichtig ben. Zoals ik een foto van een boek zou plaatsen bij een recensie, zo heb ik de Nashvilleverklaring geplaatst bij een educatieve verhandeling over de Nashvilleverklaring. En of het relevant is of niet, ik zeg het toch: dat heeft mij in geen enkele zin ook maar iets opgeleverd. Geen lezingen, geen extra lezers. De hele website heeft geen enkele inkomsten, 0 adverteerders en kost alleen maar geld. Maar goed, even terug naar de zogenoemde schade.

Ik zie eigenlijk geen oorzakelijk verband tussen de schade en mijn fout. Mijn fout zou schade hebben berokkend, maar die is dus niet helder. Er wordt verwezen naar een algemeen document, te weten Stichting Foto Anoniem. Ik kan geen enkele wetenschappelijke grondslag vinden in de wijze waarop zij specifieke schade berekenen of op welke grondslagen zij een juridisch recht hebben (buiten een kennelijk gewoonterecht) om in algemene zin aan specifieke gevallen schade toe te kennen. Het enige wat voordelig is misschien in uw geval als u nog steeds overtuigd bent van de waarde en de inbreuk, is dat rechters er vooralsnog bij aansluiten omdat niet weersproken lijkt te zijn waarom deze Stichting tarieven van (anonieme) ‘fotografen’ kan vaststellen in algemene zin. Iedereen met groep 8 afgerond vermoed ik voelt aan dat er hier geen 250,- schade is geleden. Fotografen werkzaam voor het ANP in loondienst, laat staan freelancers, ontvangen ook nooit zoveel voor een foto, en zeker niet voor een dergelijke foto, dat is algemeen bekend en anders door vele fotografen te bevestigen. Ik wil er desgewenst een aantal opvoeren. In een recent interview, u vast bekend spraken fotografen van bedragen voor dit soort foto’s die hen 19 eurocent opleverden. Dat is schandalig weinig moet ik toegeven, maar helaas wel de realiteit die niet in verhouding staat tot de vermeende realiteit van zolderkamergeleerden die documenten opstelden ergens in 2015.

Maar ook hier doe ik weer een beroep op de intuïtieve redelijkheid. Als iemand al dan niet moedwillig thuis een schilderij van mijn buurvrouw in de fik steekt, wordt ter plekke een deskundige ingeschakeld om de daadwerkelijke schade vast te stellen en hoeft niemand zich godzijdank te beroepen op vooraf vastgestelde onduidelijke normen. Het bleek een waardeloos, zeer vlot en met weinig creativiteit beroepsmatig in elkaar gezet prul te zijn en de schade voor mijn buurvrouw wordt geraamd op ongeveer € 15. Vooruit, ze heeft er ook nog 3 minuten werk aan gehad, dus € 5 erbij. € 20 voor die arme buurvrouw.

Helaas is er in het recht weinig ruimte voor wat J.H. Newman noemt The illative sense. Ons diepste geweten en meest innerlijke gevoel dat ons ter plekke de zekerheid geeft van een bepaalde waarde. In die zin is het daarom ook moeilijk uit te drukken, en zou ik ervoor zijn om in specifieke gevallen de ruimte te geven om er een deskundige naar te laten kijken. Waarom zouden we ons, ook omwille van al het recht dat nog volgen moet, wanneer dan toch een kleine garnaal op basis van slapeloze nachten door een gevoel van onrechtvaardigheid zich verweert, overgeven aan een algemene zaak?

Zou u het niet met mij eens zijn dat wij in mijn specifieke geval voor ons beider bestwil eens onafhankelijk laten vaststellen wat de concrete schade is?

Of indien u gelooft dat een dergelijke objectieve vaststelling er al is bij monde van de stichting die iets van doen heeft met anonieme fotografen (daar is het helemaal geen sprake van overigens), dan toch op zijn minst een second opinion overwegen? Wat is daar op tegen en wat heeft u te verliezen? Indien de schade daadwerkelijk zo hoog is als wordt beweerd dan heeft u gelijk, en indien deze lager blijkt, dan bent u behoed voor een lelijke vergissing. In beide gevallen is dat alleen maar in uw voordeel.

Ik heb schade voor het gemak gedefinieerd als het verschil tussen de actuele toestand van het slachtoffer, de arme fotograaf derhalve, en de hypothetische toestand waarin deze zich zou bevinden indien de onrechtmatige daad niet door mij zou zijn gepleegd. Ik beweer nu dat de hypothetische toestand van de fotograaf er een is, waarbij hij een biertje drinkt en een boek van Susan Sontag leest, en dat de actuele toestand er een is waarin hij dat ook gewoon doet. U beweert dat de hypothetische toestand van de fotograaf er een is waarin hij (in de aanbieding weliswaar) 23 kratten bier had kunnen kopen en een boek van Susan Sontag leest, in tegenstelling tot de actuele toestand waarin hem maar 1 biertje tot beschikking staat. 23 kratten Stella Artois dus als compensatie, omdat ik een afbeelding heb gebruikt met een benattevingerde economische waarde, die ik überhaupt nooit zou hebben gekocht als ik buiten mijn goede trouw bewust geworden was dat deze gekocht had moeten worden!

Laat ik tot slotwoorden komen. Als u vilein bent, bent u toch al van het lachen niet meer bijgekomen hoe iemand zoveel tijd kan besteden zichzelf zo hopeloos in uw ogen te verdedigen. Het zij zo! En als u goed van hart en geest bent, bent u allang overtuigd dat ik hier goede punten maak, in het licht van de rechtvaardigheid in ieder geval.

Ik heb de tijd er ook niet meer voor om alles korter te maken dan het geworden is. In uw laatste schrijven geeft u aan dat mijn website een verademing is tussen alle bagger waarmee het internet tegenwoordig gevuld wordt.

Het is inderdaad een zegen dat mensen belangeloos, of misschien hooguit om existentiële redenen, uren en uren besteden om u, gratis en voor niets!, met veel interesse bepaalde bijdragen te doen toekomen. Zelfs als u mijn gedachten gekopieerd heeft in uw hoofd en verder heeft verteld, is dat voor mij geen enkel probleem. Op deze manier wordt echter het plezier en de onschuld van mij en van velen anderen die, zoals ik heb aangetoond helemaal geen schade berokkenen, oneigenlijk voordeel behalen of kwaad hebben willen doen, compleet vernietigd.

Ik zou zelfs kunnen vermoeden dat de strategie om mij te bewegen tot schikking iets weg heeft van het spel good cop, bad cop, en dat alles, inclusief de complimenten, heimelijk geregisseerd is. Of het laat nog eerder denken aan Strange case of dr. Jekyll and mr. Hyde. Het vraagt derhalve, zeker ook in het licht van de manier van handelen heel veel van mijn positieve mensbeeld, dat richting de fotografen om is geslagen in een rancuneus verzuurd beeld. Een beeld van arme stumperds die door gebrek aan creativiteit en relevantie dan maar op de lelijkste manier aan hun centen proberen te komen. Dat positieve beeld was wellicht toch al net zo naïef als het gebruik van de betreffende zinledige afbeelding, en wie weet nog welke afbeeldingen allemaal meer.

Een website aldus beladen met vrees en beven, want er zitten grijpgrage mensen achter mij aan die geld van mij willen hebben voor zaken die mij nooit iets hebben opgeleverd en waarvan ik op dit moment niet eens weet dat ik ze fout doe! Oh die vreselijke uren van honderden artikelen controleren en de toekomstige vrees voor, ondanks al die goede zorgen en zuiverheid van geweten, een misstap in de afgrond van geldmachines!

Wat een verschrikkelijk vooruitzicht! Kafka, 1984, Brave New World! Een verschrikkelijke angstcultuur in een open samenleving mogelijk gemaakt door een zieke wet die de werkelijkheid niet zo goed meer kan aanvoelen en mensen die dat haarfijn in de gaten hebben!

Hoe komt dit alles nu tot een einde?

U schrijft mij: ‘Neem gerust Uw tijd om een en ander te laten bezinken en de mail te beantwoorden.’

Wees allereerst verheugd dat ik geen 7 jaren de tijd neem, zoals ik van plan was met uw geste om te gaan. U zou mij moeten overtuigen dat een minnelijke regeling het beste is om te overwegen, maar ik heb reeds aangegeven dat dat nooit kan betekenen dat ik toegeef aan of instem met het feit dat u -als vazal van opdrachtgevers- op deze manier ‘kleine garnalen’ aanpakt, mensen die geen enkel kwaad in de zin hebben en met uren van hun zinvolle gedachten worden beroofd. Over schade gesproken. Ik ben echter ook niet beroerd en wil zoals vele anderen met mij van de zaak af, niet omdat ik uw praxis overtuigend vind, maar omdat ik gewoon de handen vrij wil hebben om bezig te zijn met wat er wel toe doet.

U blijft vrij de hele zaak op te geven uiteraard. Maar indien niet om welke reden dan ook, heb ik de volgende tegenvoorstellen uitgewerkt, zoals het schikken betaamt, waarin elk voldoende toegeeft binnen de grenzen van de redelijkheid. De redelijkheid die ik aangedragen heb, Marcus Aurelius nog even in gedachten, hebben mij reeds tot de exorbitante geste gebracht van € 15,- voor de afbeelding. Maar ik denk dat ik vooral moet blijven benadrukken dat het mij niet om het geld is te doen.

Ik stel derhalve de volgende bewegingen voor.

  1. U seponeert de zaak. Ik maak € 350 over naar KWF Kankerbestrijding of een CBF/ANBI gecertificeerd goed doel van uw keuze. Het bewijs van betaling na dit schrijven is de basis van het seponeren.
  2. Ik maak € 300 over op rekeningnummer NL93 KRED 0633 0159 38 v.v. IN457368. Ik staaf mij op het gehele bovenstaande. U maakt vervolgens een deel van dit bedrag over aan een goed doel van mijn keuze. Dat mag zoveel zijn als 19 eurocent!

Ik sluit af met een prachtig gedicht. Laat uw gedachten er eens een nacht over gaan.

Een galg

Ze dachten we gaan de aarde beklimmen

we gaan de dood verjagen, we

zegenen de regen, we

brengen stenen naar de stad

ze zwoegden

en bouwden moeizaam een galg.

Armando, 2009.

Dit alles is gezegd zonder voorbehoud. Het ga u goed,

Stephan Wetzels

_____________________________________________

Lees meer:

https://www.stephanwetzels.nl/verzet-en-verdediging-tegen-permission-machine-deel-i/

https://www.stephanwetzels.nl/verzet-en-verdediging-tegen-permission-machine-deel-iii-afronding-schikking/

Verzet en verdediging tegen Permission Machine. Deel I: Aanleiding en inleiding

Deel I: Aanleiding en inleiding

Op 29 april 2019 werd ik verrast door een schikkingsvoorstel inzake een foto die ik onrechtmatig zou hebben gebruikt. Dit schikkingsvoorstel was in opdracht van Bas van Beek van het ANP door Permission Machine opgesteld in een standaardbrief, waar ze er honderden geautomatiseerd van versturen. Er stikt dan altijd wel een visje in de netten.

De verrassing zat voornamelijk in het feit dat ik mij juist zeer bewust ben van de waarde en het belang van auteursrechten en desondanks toch per abuis, te goeder trouw en zonder kwade bedoeling bij een artikel een afbeelding had geplaatst die kennelijk belast was met auteursrecht. Het betreft de volgende infantiele foto van ene Rob Engelaar:

https://www.anpfoto.nl/search.pp?page=1&ShowPicture=68119663&pos=1

bij dit artikel:

https://www.stephanwetzels.nl/de-nashville-verklaring-als-volkomen-mislukte-cultuurkritiek/

Uiteraard is de betreffende afbeelding binnen tellen vervangen door een andere -who cares-, maar dat maakt de hele aangelegenheid niet minder triest. Aangezien meerdere mensen te maken hebben gehad en nog velen te maken zullen krijgen met deze zeer bedenkelijke manier van geld kloppen, zal ik mijn ervaringen en mijn correspondentie publiceren. Daarbij zal ik ook nog een aantal schetsen maken omtrent de mensen die zich hiermee bezighouden. Dit schrijven is daarbij een inleiding en alle publicaties hierover mogen worden gelezen als verzet. Ik geloof verder dat het verdienmodel geen lang leven beschoren is, maar dan is wel meer en nadrukkelijker opstand nodig. Hieraan draag ik nu zelf bij middels drie artikelen.

Het belangrijkste is dat we moeten vaststellen dat het juridische systeem met betrekking tot het auteursrecht hopeloos verouderd is en zich op dit moment leent voor immorele geldklopperij. Ik ben lang niet zo overtuigd geweest van een vaststelling als deze. Het hele schikkingsvoorstel dat ik heb ontvangen is hier te vinden. Daarin wordt schaamteloos gevraagd om € 340 (incl. ‘onkosten’) voor een foto van een bestaand document.

De betreffende foto is dus gemaakt door ene Rob Engelaar. Vermoedelijk een paar seconden werk en gespeend van enige creativiteit, diepgang en expressie,  althans voor de leek. Het zou goed Robs hele oeuvre kunnen kenmerken; wie weet is het fotograferen van bestaande documenten door ze schuin neer te leggen zijn afstudeervondst waarmee hij met een 5.5 als een kind zo blij was, terwijl ze dat cijfer enkel gaven om van zijn troep af te zijn. Je weet het niet. Enfin.

Toen ik deze Rob echter vriendelijk benaderde om hem deze kwestie voor te leggen -je wil immers geen kwaad doen-, heeft deze zonder enige vorm van reactie alles gelijk doorgespeeld naar de juristen van Permission Machine. Zo handelen laat mij denken aan NSB-praktijken en het geeft bovendien te denken dat je als fotograaf op deze manier je geld moet verdienen, maar akkoord, ook Rob moet overleven kennelijk. Als smiechterigheid in je aard zit, dan verdient dat bovendien eerder medelijden dan woede.

De problemen zijn hele anderen. Wanneer men zich namelijk juridisch verdiept in deze aangelegenheden, blijkt dat het te goeder trouw zijn, onbewust iets fout doen en geen enkel (commercieel) belang hebben (zoals in mijn geval) voor een rechter geen redenen zijn om de eisende partij in het ongelijk te stellen, simpelweg omdat de wet nu eenmaal zegt dat je geen foto’s waar copyright op zit mag gebruiken. De redenering is dan eenvoudigweg: “Vaststaat dat (gedaagde) de foto zonder toestemming van (bijvoorbeeld ANP) en zonder naamsvermelding op zijn website openbaar heeft gemaakt. Door zo te handelen heeft (gedaagde) inbreuk gemaakt op de hiervoor genoemde auteurs- en persoonlijkheidsrechten en hij heeft daarmee onrechtmatig gehandeld.”

Een tweede probleem is dat er dan schade is geleden. Deze schade is schitterend nattevingerwerk en berust op een vage constructie die ondergebracht is bij Stichting Foto Anoniem. Het is op dit moment vooral de kunst om wanneer het op een zaak aankomt deze tarieven die deze fossiele stichting hanteert nadrukkelijk te bestrijden. Iedereen begrijpt -nu ja, niet de mensen die natuurlijk de dollartekens in de ogen hebben- dat de foto zoals deze door mij gebruikt is nooit deze waarde kan vertegenwoordigen laat staan dat het ANP werkelijk deze schade heeft geleden omdat 60 mensen op mijn artikel hebben geklikt en indien ik mij bewust was geweest van het een en ander deze foto in geen 100 jaar zou hebben aangekocht. Het is dan de vraag wat we onder schade moeten verstaan.

Het derde probleem heeft betrekking op de originaliteit van foto’s. Wil er sprake zijn van een inbreuk op auteursrechten dan moet zo’n foto een eigen en oorspronkelijk karakter hebben waarbij de persoonlijke stempel van de maker is op te merken. Het mag dus niet ontleend zijn aan het werk van een ander. Bij een ‘persoonlijk stempel’ van de maker moet er sprake zijn van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes, die voortkomen uit de menselijke geest. Alles wat zo banaal en triviaal is dat daar geen creativiteit in te ontdekken valt, zou theoretisch vrij mogen worden gebruikt. Dan nu het probleem, namelijk dat dit zo subjectief is dat in iedere foto wel iets van zogenaamde creativiteit kan worden ontdekt. In het geval van de foto waar het hier over gaat zou ik zeggen dat een fotograaf zich zou moeten schamen indien hij hier het woord creativiteit aan durft te verbinden, of het moet zijn dat hij de bladzijde schuin heeft gefotografeerd. Maar goed, dat kan voor een rechter alweer een blijk zijn van ‘scheppende menselijke arbeid’. Kortom: juridisch trekt de gedaagde vrijwel altijd aan het kortste eind.

Dat brengt me tot het laatste en vierde probleem. Namelijk het risico dat men rechtvaardigheid via het recht wil afdwingen, terwijl het recht in deze iets heel anders is dan rechtvaardigheid. Dan ben je dus als particulier uiteindelijk niet alleen heel veel tijd kwijt, maar is de kans dat je ondanks het morele gelijk juridisch bot vangt. Het beste lees je dat in allerlei artikelen van Charlotte Meindersma. Iedereen die per toeval te maken krijgt met auteursrecht komt vroeg of laat op de website van deze dame terecht. Een ongetwijfeld ooit veelbelovende juriste die inmiddels iedere morele gedachtegang overboord heeft gekieperd en geen gelegenheid onbenut laat om te blijven jammeren dat inbreuk op het auteursrecht nu eenmaal fout is. Het lijkt me iemand die er plezier in schept een kind een pak slaag te geven omdat het per ongeluk een vaas heeft omgegooid . ‘Maar het is nu eenmaal fout om een vaas stuk te maken, opzet is niet vereist!’, is haar redenering dan. ‘En er is schade; laat ik me baseren op een vage richtlijn, en niet op de werkelijke waarde van de vaas in de kringloopwinkel waar hij 3 euro kost. 340,- zakgeld pak ik je af en wees blij, anders wordt het nog veel zuurder voor je!’

Zo infantiel is haar hele verdedigingslinie, en dan ook nog gepresenteerd met een zekere intellectuele overmoed. Ik kan er werkelijk niet meer van maken.

 

Hoe is het verder voor mij afgelopen? Lees er langzaam over in de vervolgartikelen!

Deel II: https://www.stephanwetzels.nl/verzet-en-verdediging-tegen-permission-machine-deel-ii-het-morele-appel/

Deel III: https://www.stephanwetzels.nl/verzet-en-verdediging-tegen-permission-machine-deel-iii-afronding-schikking/

_____________________________________

Zie verder als voorbeeld:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument

Citaatrecht in het gelijk gesteld:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:4919&showbutton=true&keyword=auteursrecht

Lees over meerdere zaken:

Uitspraken met Permission Machine als eiser

Lees over goede mensen met een zuiver geweten die zich verdedigen en verzetten tegen de immoraliteit van deze praktijken. Zonder het auteursrecht in twijfel te trekken dus!

https://www.martinebakx.com/2019/05/top-10-kromspraken-over-fotos.html

https://www.kijkenietkope.nl/2019/02/afpersing-met-het-wetboek-in-de-hand.html

https://www.tonverlind.nl/bloggers-pas-op-voor-de-geldmakers-van-het-anp/

Zie ook:

(Absurde en treurige zaak van claimfotografe Mariët Sieffers aka Mariët Syphilis)

https://jaapplaisier.blogspot.com/2018/07/ene-mariet-sieffers-fotografe-probeert.html

Lees verder dit hele zinnige interview over de achterhaalde wetgeving die leidt tot misbruik van immorele lieden als Mariët Sieffers en Rob Engelaars ANP:

https://decorrespondent.nl/5388/volgens-de-auteurswet-is-mijn-hele-generatie-crimineel-wat-nu/795037309968-ed28bf32?fbclid=IwAR2G0moIurgvuKqzHZddROh1hSMb6LwVE3bL0NUFSAbWRBp356EH_xIqhgA

Tragedie en catastrofe. Filosofische overwegingen bij het verlies van de Notre-Dame

Tragedie en catastrofe. Filosofische overwegingen bij het verlies van de Notre-Dame

Zowel het woord ‘tragedie’ als het woord ‘catastrofe’ vinden hun oorsprong in de antieke taal, waarbij de woorden betrekking hebben op droevig toneelspel en de noodlottige ontknoping ervan. De catastrofe volgt op de tragedie zogezegd, en de bittere ironie wil dat beide woorden via het Frans in ons taalgebruik terecht zijn gekomen.

De vuurzee die de Notre-Dame in Parijs grotendeels in de as heeft gelegd mag met recht een tragedie worden genoemd, waarbij de catastrofe groots maar niet fataal -ook een typisch Frans woord- lijkt. En zoals de oude Grieken uit hun tragedies vele lessen en ideeën haalden, ontspringen ook talloze gedachten uit deze hedendaagse tragedie.

Ik zal er in deze aforistische, filosofische bijdrage een aantal uiteenzetten, voor de ene die het lezen wil.

  1. Wat maakt verdrietig?

Een gebeurtenis als deze maakt iedere wereldburger onmiddellijke toeschouwer. De elkaar opeenvolgende dramatische verhaallijnen, de duidingen die voor ons gedaan worden, gecombineerd met de indringende beelden van het aanhoudende vuur, geven het idee dat je je wel verdrietig moet voelen, zonder dat het ons onmiddellijk duidelijk is waarom. ‘De meeste mensen zijn gedwongen om blij te zijn met de kleine dingen, maar verdrietig over de grote’, schrijft Chesterton in Orthodoxie, alsof hij honderd jaar vooruit kon kijken.

Maar wat maakt hier het verdriet, als we dat in onszelf oprecht en ongedwongen kunnen ontdekken? Dat vereist zelfonderzoek. Het moet hoe dan ook gaan over een verlies en het indringende besef daarvan. Het is verdriet over het verlies van schepping, historie en bovenal identiteit. Het besef dat het concrete schone herinnering is geworden en een herinnering die we niet zouden willen ons is opgedrongen. De onschuld van het vanzelfsprekende heeft plaatsgemaakt voor de schuld van het plotse. Een schuld die ons misschien overlaadt met spijt en genadeloos onze kwetsbaarheid toont als mensheid. De hedendaagse mens die zich waant op de schouders van giganten, is niet in staat gebleken de erfenis van zijn voorvaderen door te geven zoals zij die voor zich zagen.

  1. Herinnering

Ik ontdek ook dat verdriet, weemoed en melancholie hier samenspelen. Ik denk aan al die historische ogen die de Notre-Dame zagen, zoals die nooit meer te zien is. Miljoenen vergeten gebeurtenissen die vluchtig in hereniging komen en levendig worden door een tragedie. Ik grasduin voor even naar een paar van zulke lang vergeten herinneringen.

Friedrich Hebbel die de Notre-Dame aanziet en schrijft in zijn dagboek: ‘Een in alle opzichten middeleeuws gebouw: grauw, duister, veel tierelantijnen. Het heeft wel iets van een kraai die de trek gemist heeft en nu met verblinde ogen de om haar heen ontluikende meimaand in staart.’

Jean Lerond d’Alembert die samen met Denis Diderot de wereldberoemde Encyclopedie samenstelde: ooit te vondeling gelegd door zijn vader en moeder in de Notre-Dame.

Montaigne die in de Essays fantaseert hoe makkelijk het is om over een plank te lopen als deze op de grond ligt, maar hoe onmogelijk dat wordt wanneer men dezelfde plank tussen de twee torens van de Notre-Dame legt.

Edmond De Goncourt die samen met Victor Hugo toen die zijn Feuilles d’Automne schreef bijna dagelijks de torens van de Notre-Dame beklom om de zonsondergang te zien. Waarover De Goncourt nog noteert: ‘waar ik overigens niet zoveel aan vond’.

Hoeveel mensen zouden op dit moment nog wat graag zo’n zonsondergang zien.

De nieuwe herinneringen die aan de Notre-Dame zullen worden verbonden gaan over het heroïsche. In een tragedie zijn helden nodig, en die zullen ons de komende maanden verschijnen.

  1. Verbondenheid

De moderne mens aangespoord door de erfenis van Descartes zichzelf als centrale instantie beschouwend en de medemens voornamelijk als een hinderlijk obstakel of als middel om zijn eigen ontwikkeling te stimuleren, gooit bij de tragedie dat aangemeten egologische masker even af. Het is bijzonder hoe tragische gebeurtenissen verbinden. Alsof de mens in zichzelf door de tragedie heel even met zijn oorspronkelijke natuur in aanraking komt en als het ware een goddelijke inkijk krijgt in zijn betekenisloze nietigheid.

Het indrukwekkendste moment van verbintenis zien we in het collectief dat het Ave Maria zingt en onbevangen aan de wereld toont hoezeer het veerkrachtige katholicisme het in de kern om verbintenis gaat.  Die verbondenheid doet ook weer verbinden. Want het verbindende verbindt.

Seneca schrijft in zijn Romeinse tragedie Phaedra dat geringe zorgen zich uitspreken, maar zware zorgen stil zwijgen. Toch Seneca had het ook anders kunnen zeggen. Zware zorgen zingen. En dan het liefst samen, in verbondenheid.

  1. Complotten

De verbondenheid duurt altijd net zolang totdat de dag tot de orde roept en bezinning plaatsmaakt voor verklaring en samen-zijn plaatsmaakt voor eigenheid. Het is interessant om te zien dat vanuit deze eigenheid ook altijd de complotten worden gevoed. Ik beschouw het complot-denken als de meest primitieve poging om grip te krijgen op het tragische. Complotten zijn niet te falsificeren wat een schitterende schijnzekerheid biedt, die weer ruimte geeft om iedere criticus als naïeveling te bestempelen.  

Bovendien bieden complotten troost daar waar een redelijke verklaring uitblijft of daar waar de redelijke verklaring het gevoel niet kan bevredigen of niet strookt met een levensvisie. Zoals een zondebok een bepaalde haat kan koelen, zo kan de complottheorie de vertwijfeling stillen. Interessant genoeg zijn complotdenkers onderling toch sterk met elkaar verbonden want ze hebben elkaars bevestiging nodig, maar ik denk op de verkeerde manier.

Het is een kleine stap van tragedie naar complot, maar een gigantische stap van complot naar overgave aan het tragische.

  1. Ethiek

“Dit is onze 11 september. Het symbool van deze stad staat in brand”, zegt een verbijsterde toeschouwer.

Zoals ik in het begin van deze overweging al aangaf, is het moeilijk om wat we voelen uit te drukken en te begrijpen waarom we voelen wat we voelen. We roepen gekke dingen omdat ons verstand achterloopt bij ons gevoel. Gelukkig kan een filosoof in abstracte zin heel veel zeggen en loopt meestal zijn verstand voor op zijn gevoel. Een van die zaken die ik mij afvroeg toen ik las wat deze toeschouwer zei, en waarvan ik toch geloof dat velen diezelfde vraag met mij zouden stellen, was in hoeverre hij hier vergat dat bij 9/11 bijna 3000 doden zijn gevallen. Moest ik hier deze aangeslagen verbijsterde toeschouwer alleen begrijpen vanuit het idee dat hij sprak over het gebouw?

Maar dan toch is de Notre-Dame niet te vergelijken met de Twin Towers? Ik zou zeggen dat de eerste oneindig waardevoller is, vanwege haar architectuur, geschiedenis en betekenis. Ik zou denken dat het Vrijheidsbeeld zich dan beter verhoudt tot de Notre-Dame omdat de emotionele waarde veel groter lijkt dan het zonder meer indrukwekkende kantoorgebouw. 9/11 ging over de mensen. 15/4 ging over internationaal erfgoed.

Nu lenen mensen en internationaal erfgoed zich waarschijnlijk niet goed als vergelijkingsmateriaal. Ze zijn incommensurabel. Maar wat gebeurt er in ons hoofd als we die vergelijking toch maken? Is het behoud van de Notre-Dame een mensenleven waard, of meerdere? Iemand zei me vandaag minstens twee levens over te hebben als de Kathedraal niet in brand was gegaan, maar behouden.

Dan niet per definitie haar eigen leven en het liefst mensen die ze niet zou kennen. Twee levens in ruil voor het behoud van de kerk. Het is een interessante middeleeuws voorstel en in dat opzicht staat het nog niet eens zo heel erg ver af van de Notre-Dame.

Waarom we ons moeten blijven bemoeien met abortus

 

Waarom we ons moeten blijven bemoeien met abortus

Een repliek tegen de minachting voor het leven

De column van Nynke de Jong (afbeelding links) in het Algemeen Dagblad van 5 april 2019 mag met recht een absoluut dieptepunt worden genoemd in de discussie over abortus. In deze bijdrage dien ik haar van repliek, waarbij ik mij verplicht voel om niet alleen te nuanceren maar ook kritisch aan de kaak te stellen tot welke absurde uitwassen haar ondoordachte eenzijdige feministisch fundamentalisme leidt. Namelijk een wegwerpcultuur van kerngezonde kinderen en een systematische ontkenning van verantwoord leven. Ik begrijp dat een columnist bestaat bij de gratie van gezonde ergernis, maar dat betekent niet dat de lezer zich iedere grove generalisatie, ongefundeerde volksmennerij en van enige diepte gespeende opvattingen hoeft te laten welgevallen.

Deze complexe discussie over abortus beleefde zijn zoveelste episode toen nota bene CDA-minister Hugo de Jonge aangaf dat er bufferzones mogen komen voor demonstranten bij abortusklinieken omdat deze agressief zouden zijn jegens kwetsbare vrouwen die van plan zijn hun ongeboren kind weg te laten halen. Een opvatting van de minister die vooral gestoeld lijkt op een eenzijdig van horen zeggen, maar dat terzijde. Wat deze Nynke de Jong echter in haar schrijven doet is nog veel zorgwekkender.

De Jong begint met de opvatting dat volgens haar ‘weinig dingen zo ongepast en intimiderend voelen als baarmoederbemoeienis’. Baarmoederbemoeienis is het zelfverzonnen of van Kirsten van den Hul geleende containerbegrip wat op de een of andere manier gaat over het feit dat mensen opvattingen hebben over of betrokken zijn bij het ongeboren menselijke leven en daarover in gesprek raken. In het geval van De Jong lijkt dat hoe dan ook intimiderend en ongepast, of dat nu gebeurt uit interesse, naïviteit, goede bedoelingen of uit oprechte betrokkenheid.

En volgens haar is met afstand de allerergste baarmoederbemoeienis, die waarbij ‘mensen commentaar hebben op jouw abortus.’ Ik citeer:

Mensen die überhaupt voor jou beslissen dat je geen recht hebt op een abortus. Terwijl ze niks weten over jouw leven. Die jou niet kennen. Maar die dag in dag uit voor de deur van de abortuskliniek staan om zich agressief met jouw baarmoeder te bemoeien.

Hoe kan iemand in vredesnaam beslissen dat een ander ergens geen recht op heeft? Een recht is een juridisch gegeven afdwingbare feitelijkheid. Betrokken zijn bij het ongeboren leven betekent hooguit dat je dit recht liever niet zo zou zien, dat er belangrijke vragen te stellen zijn bij dat recht, of dat je van mening bent dat dit recht volkomen uit de hand is gelopen.

Wat betreft dat laatste: het recht op abortus wat eind jaren 70, begin jaren 80 vorm heeft gekregen in ons land, had zijn oorspronkelijke grond in de ernstige conflictsituatie voor de vrouw, waarbij er geen enkele mogelijkheid meer was om de conflictsituatie op een andere manier tot oplossing te brengen dan door het ongeboren menselijke leven tot stilstand te brengen (vgl. Sporken, P. (1977). Ethiek en gezondheidszorg. Amsterdam: Ambo/Anthos). Het uitvloeisel van deze grond zien we terug in de Wet Afbreking Zwangerschap (1981/1984) waarbij expliciet wordt gesproken van een onontkoombare noodsituatie van de vrouw. Nood dus; wanneer iets absoluut niet anders kan.

Ieder mens met gezond verstand zal een onontkoombare noodsituatie definiëren als waar het leven van de moeder in gevaar is of wanneer het kind is belast met zware al dan niet erfelijke ziekten. De kern van iedere betrokkenheid bij het ongeboren menselijke leven schuilt volgens mij dan ook in het feit dat deze noodsituatie op de meest uiteenlopende manieren wordt gebruikt, terwijl er wel degelijk aan te ontkomen valt. Derde meisje in plaats van een jongetje: noodsituatie. Vriend is weggelopen: noodsituatie. Ik wil nog studeren: noodsituatie. Dit is geen ridiculiseren van de situatie, maar in 91% van alle gevallen de nood (zie jaarrapportage 2017 van de Wet afbreking zwangerschap). Over de afgelopen zeven jaren die ik heb bestudeerd is er telkens in minder dan 10% van de gevallen sprake van een medische noodsituatie.

Terugkomend op De Jongs verdere argumentatie in de aangehaalde alinea. De vreselijke drogreden die toch even benoemd moet worden, dat omdat iemand een ander niet kent of niets weet over de ander, iemand daarom geen opvattingen meer mag hebben. Het zou per direct het einde betekenen van haar als columnist waarin ze de ene na de andere grove generalisatie bezigt over mensen die ze nooit gesproken heeft. Zoals klaarblijkelijk ook over ‘al die mensen’, die ze allemaal niet kent, die allemaal maar agressief zijn en daar als idioten tekeergaan bij de abortuskliniek. Schep een lelijk beeld en projecteer dat op een hele groep: het is een van de meest valse manieren binnen de retoriek.

Hoewel de hele column een dieptepunt is voor iedereen die deze discussie wel serieus neemt, bereikt De Jong de absolute bodem wanneer ze op basis van een verhaal van een Volkskrant-journalist een illustratie probeert te geven over hoe het er bij een abortuskliniek aan toegaat. Ik citeer:

Volkskrant-journalist Marjon Bolwijn stond deze week bij een abortuskliniek in Rotterdam en zag daar hoe demonstranten zich wierpen op de zwangere Fatima, een moeder van vijf die nu al de eindjes aan elkaar moet knopen, en dus zeker het geld niet heeft voor een zesde kind. De demonstranten spraken met haar, gaven haar 30 euro en beloofden dat ze het eerste jaar van het kind zijn of haar luiers zouden betalen. Fatima liet zich ompraten, en kwam niet op de afspraak met de abortusarts.

Het woord “wierpen” staat helemaal niet in het verslag van Bolwijn, maar past bij de vooringenomenheid van deze columnist. Als we even kritisch kijken naar wat we kunnen afleiden uit het verhaal van deze Fatima, dan kunnen we op zijn minst vaststellen dat Artikel 5 lid 2d van de Wet afbreking zwangerschap spectaculair faalt:

dat na afbreking van de zwangerschap een genoegzame nazorg voor de vrouw en de haren beschikbaar is, mede in de vorm van voorlichting over methoden ter voorkoming van ongewenste zwangerschap

Ten overvloede noem ik enkele cijfers uit de jaarrapportage 2017. Verreweg de meeste zwangerschapsafbrekingen vindt plaats bij vrouwen met kinderen. Bijna 25% had voor de tweede keer een abortus. Meer dan twaalf procent (!) had eerder twee of meer zwangerschapsafbrekingen. Ik vind dit de meest schrijnende conclusie die het feminisme van De Jong volkomen ontkent. Het feminisme wat ik voorsta is het feminisme wat zich bekommert om deze absurde cijfers, waarbij het er alle schijn van weg heeft dat de vrouwen in kwestie of volkomen weerloos zijn om zichzelf te beschermen of op geen enkele manier in staat zijn om verantwoordelijkheid te dragen.

Iedere vorm van bemoeienis is hier welkom! Want het beeld van het zielige jonge meisje dat in een absolute noodsituatie verkeert is het beeld waarop graag wordt gebouwd in dit soort columns. Maar het is een belachelijk eenzijdig beeld van de werkelijkheid waarbij vele vrouwen vooral slachtoffer zijn van een gebrek aan feminisme. En je kunt waar de wet faalt je er niet genoeg mee bemoeien.

Terug naar Fatima. We lezen in het verslag van Bolwijn de reden van dit zesde kind: ‘Voor anticonceptie is geen geld en periodieke onthouding blijkt zo veilig niet.’ Ik moest deze zin twee keer lezen. Nee zes keer. Geen geld voor anticonceptie. Dat is de reden voor dit zesde kind. Dat is de reden op grond waarvan er een beroep gedaan wordt op een recht, wat in eerste instantie nooit van kracht had moeten worden.

Goede condooms zijn voor een habbekrats verkrijgbaar, als ze al niet gratis ter beschikking worden gesteld. Ik herhaal: een habbekrats of gratis via verzekeringen of talloze instanties. En ik verwijs weer naar Artikel 5 lid 2d WAZ als we de verantwoordelijkheid van de vrouw (en haar man) geheel of gedeeltelijk willen ontkennen en we klaarblijkelijk een tragedie willen voorkomen in plaats van maskeren.

Wat De Jong tenslotte doet, is het inluiden van haar eigen morele failliet. Dat zijn grote woorden, maar ik daag iedereen uit hetgeen ze schrijft zelf te overwegen en dan tot een andere conclusie te komen. Wanneer namelijk blijkt dat – omdat op zijn minst die nazorg spectaculair heeft gefaald- mensen Fatima aanbieden om haar te helpen zodat haar kind in ieder geval een toekomst voor zich ziet, noemt De Jong dat potentiële menselijke leven ‘een levenslange tragedie’, waarbij klaarblijkelijk 17 jaren lang (levenslang?) het leven wat komen gaat zichzelf moet vervloeken en had moeten wensen er niet te zijn. De Jong weet niets van dit leven, maar speelt schaamteloos voor God en miskent in één pennenstreek de menselijke liefde en veerkracht die ook en juist in (relatieve) armoede een ongelofelijke kracht is, waarbij een zinvol en liefdevol leven absoluut niet is uitgesloten. Maar voor De Jong is een gezond kind hier een wegwerpproduct.

Het is echt te gek voor woorden hoe iemand zo minachtend kan doen over het menselijke leven, in een gezegende samenleving nota bene waarbij er allerlei kansen en mogelijkheden zijn met een schier onuitputtelijke medemenselijkheid en solidariteit. Laat De Jong als ze deze ‘levenslange’ tragedie voor zich ziet, zich anders opwerpen als financieel ondersteuner. Dat is pas feminisme. Ik berichtte haar dat we samen dit kind financieel zouden kunnen ondersteunen, het tragische samen aanvallen, maar niet heel verrassend blijft het stil. De columnist met de reikwijdte van één dag…

Natuurlijk eindigt het verhaaltje clichématig met een veeg uit de pan naar de gelovige medemens:

Ze intimideren vrouwen op het kwetsbaarste moment in hun leven, en ze voelen dat ze dat recht hebben, enkel en alleen omdat ze denken dat hun god abortus afkeurt. Hoe kan het toch dat er mensen zijn die denken dat hún geloof ook van toepassing is op andermans baarmoeder?

Het grappige is dat juist omwille van het geloof  in 99% van alle gevallen mensen in die kwetsbare positie zeer respectvol benaderd worden. Het is een van de fundamenten van het christendom. Maar nee, zij mogen hun geloof niet omzetten in handelen, doch Nynke mag haar geloof wel uitkramen in de krant. Het is de vraag of ze überhaupt voor rede vatbaar is als je de column een aantal malen hebt gelezen, want je bent dus al snel een radicaal in haar ogen als je het niet met haar eens bent.

Maar gesteld dat ze haar tunnelvisie zou kunnen ontstijgen, dan zou De Jong al heel snel ontdekken dat het op sociale gronden vernietigen van een toekomst zoals zij die zelf gelukkig wel voor zich ziet, niet alleen maar gelovige mensen aangaat. Het is een complexe discussie, waarbij letterlijk een mensenleven op het spel staat. De verantwoordelijkheid van de vrouw, de kansen van een mensenleven, de pogingen tot nazorg en begeleiding waar overheid en kliniek faalt, de zogenoemde vrije keuze die gekoppeld is aan technologische voortgang, de voorlichting over alternatieven voor abortus, de vraag naar persoonlijkheid van een kind.

Dat ieder verstandig mens zich daar nog heel lang tegenaan mag bemoeien.

 

Nynke de Jongs triomfantelijke pleidooi om kinderen die in relatieve armoede geboden dreigen te worden, beter maar dood te maken.

Nynke de Jongs schaamteloos triomfantelijke pleidooi om kinderen die in relatieve armoede geboden dreigen te worden, beter maar dood te maken.

– Lees ook mijn langere filosofische verhandeling over de moraliteit van abortus: Judith Jarvis Thomsons-A defense of abortion

– Mijn lezersbrief werd helaas niet geplaatst, wel twee jubelende briefjes van mensen die de column waarschijnlijk niet heel goed hebben gelezen.

Ik weet niet hoe goed mensen de column van Nynke de Jong over abortus hebben gelezen (5/4/2019), maar er staat gewoon dat wanneer je als kind in relatieve armoede dreigt te worden geboren, je beter doodgemaakt kunt worden. Wat een weerzinwekkend verhaal, gepredikt onder de vlag van het absolute gelijk van het feminisme. Ik denk dat ik in het AD nog nooit zoiets afschuwelijks gelezen heb.
Stephan Wetzels
Utrecht

IS-vrouwen. Of: het onderscheid tussen dom en kwaadaardig

‘Je moet er principieel op tegen zijn om domme mensen aan hun lot over te laten’

De meest uitdagende morele dilemma’s worden vaak zo door de werkelijkheid aangereikt. De tragiek dat, anders dan in een gedachte-experiment er daadwerkelijk meer op het spel staat dan alleen overwegen, doet niets af aan het feit dat het bijzonder het overwegen waard is.

Hetgeen ik hier wil overwegen is afgelopen dagen door de Amerikaanse president aangewakkerd: Trump riep zijn Europese bondgenoten op, waaronder dus ook Nederland, zijn IS-strijders terug te nemen en te berechten. Deze Europese IS’ers zijn in Irak en Syrië gevangengenomen en worden momenteel vastgehouden met de hulp van de Koerdische strijdkrachten die leunen op de hulp van het Amerikaanse leger. Het lijdt geen twijfel dat niemand zit te wachten op een dergelijke complexe en langdurige rechtsgang. Het is interessant te overwegen of de moderne nationale rechtsstaat hier zijn eigen grenzen heeft gevonden. Een hooguit internationale berechting met daarbij de mogelijkheid van de doodstraf, het niet actief inspannen voor Nederlandse staatsburgers waarbij een schuldvraag formeel niet is vastgesteld en de expliciete wens dat Syriëgangers in de strijd beter daar kunnen omkomen dan ooit nog hun heil zoeken in Nederland, zijn wel erg sterke aanwijzingen dat het leven van iemand in de ogen van de Staat is gedevalueerd en waardeloos geworden.

De meegereisde vrouwen en kinderen
Misschien dat de werkelijke morele dilemma’s hier nog niet beginnen, maar pas bij de laag eronder: de meegereisde vrouwen en kinderen. Naar aanleiding van het bovenstaande werden ook zij weer actueel, waar ze eerder al zonder slag of stoot waren verdwenen in de media omdat vrijwel niemand serieus mededogen kon opbrengen. Want gaat het hier om mededogen? Gaat het hier om barmhartigheid?

De complexiteit van het morele probleem ligt erin dat we niet goed kunnen vaststellen op welke gronden we de vrouwen moeten beoordelen. Die beoordeling wordt bovendien ernstig vertroebeld door het feit dat naast ons gezonde verstand ook nog eens de geschiedenis het ongelijk van de vrouwen heeft bewezen.

Verreweg de meeste vrouwen beroepen zich op het feit dat ze zich hebben vergist, dom waren en naïef. Ze zijn nu tot inkeer gekomen, hebben het licht gezien, begrijpen dat ze een foute en ondoordachte keuze hebben gemaakt. En dat is de paradox: we weten nooit of ze dat hadden kunnen inzien indien IS niet zo dramatisch was gevallen. Ondanks dat het hen dan misschien goed was gegaan, hadden ze nog steeds een verkeerde keuze gemaakt. Zoals een nazi verkeerd is, ondanks zijn overwinning.

Maar hoe kunnen wij nu het onderscheid maken tussen dom-zijn en kwaadaardig?
Hoe kunnen wij bepalen of iemand naïef was, makkelijk te beïnvloeden en goedgelovig in plaats van vilein, boosaardig en fundamentalistisch? Dat kunnen we niet. We kunnen nooit doordringen tot de diepste binnenwereld waarin de geheimen van de beweegredenen zich schuilhouden. En dus is daar het onoplosbare morele dilemma. Of zou iemand zeggen: ‘Of ze nu dom waren of boosaardig, in beide gevallen heb ik ze afgeschreven.’ Dan is er inderdaad geen dilemma meer.

Voor mij is dat er echter wel. Ik denk dat ik principieel tegen het zwaar bestraffen van domheid ben. Of misschien moet ik de stelling opperen dat we er principieel op tegen moeten zijn om domme mensen aan hun lot over te laten. Natuurlijk, als je in de strijd hebt gestreden aan de verkeerde kant met de lelijkste motieven, meest primitieve opvattingen en de valste beloften, dan is het helder wat je lot moet zijn. Dan heb je een grote kans gewaagd op een heel groot speelveld, en je hebt groots verloren.

Maar wat nu als je alleen hebt geloofd dat je op de goede weg was, en daar verder niets voor hebt gedaan? Zou iemand, als we dat zuiver zouden kunnen vaststellen, een nieuwe kans verdienen in onze open samenleving? Ik voel de weerzin om dat bevestigend te beantwoorden, maar welke redenen heb ik in dat geval om iemand dan aan zijn lot over te laten? Zou het kunnen zijn dat omdat we niet in iemands binnenste kunnen kijken we voor het gemak ervan uitgaan dat de mogelijkheid van kwaadaardigheid ons probleem snel oplost? Omdat die mogelijkheid er is, kunnen we ieder risico daarop willen uitsluiten. Maar ook dan gaan we voorbij aan het dilemma en de mogelijkheid dat iemand simpelweg onnozel is. Hoe moet een rechtsstaat omgaan met onnozelaars? Hoe moeten wij ons verhouden tegenover domme mensen die domme dingen doen?

Het antwoord dat ze beter hadden moeten weten strookt natuurlijk niet met het feit dat ze dom zijn. Waren ze dat immers niet, dan hadden ze wel beter geweten. Hebben ze met hun domheid dan niet iets ongelofelijk verschrikkelijks gefaciliteerd? Dat is waarschijnlijk waar. Dan blijft nog steeds de vraag open staan in hoeverre je ze dat moet aanrekenen en in welke mate. Een combinatie van goedgelovigheid, domheid en pech kunnen in vele omstandigheden leiden tot radicaal verkeerde keuzes. Je wil dan graag verantwoordelijkheid toekennen aan iemand die zo’n keuze gemaakt heeft, maar als het zo tegenzit, in hoeverre mag je, moet je, dan die verantwoordelijkheid enigszins relativeren? Je kunt niet ieder mens een even zware verantwoordelijkheid toekennen.

Maar ook hier is het de vraag in hoeverre de rechtsstaat zich moet en wil inspannen om deze nuancering toe te passen op het lot van tot inkeer gekomen islamitische vrouwen in veroverd oorlogsgebied. Kan de rechtsstaat zichzelf daarboven uittillen? Want wie zou deze nuancering graag in het debat willen betrekken, daar waar waarschijnlijk 95% of meer van de bevolking vindt dat deze vrouwen hun kansen hebben verspeeld om een toekomst op te bouwen in ons land? Een toekomst klaarblijkelijk die ze niet zagen of zo makkelijk kon worden vertroebeld om welke redenen dan ook. Is dat iets wat we ons nog als zelfverklaarde meritocratie moeten aantrekken?

De conclusie is niet eenvoudig. Het probleem verdwijnt niet vanzelf -hoe graag ook ik zou willen- en welke keuze er uiteindelijk ook gemaakt wordt, deze zal gepaard gaan met nieuwe problemen. Ook het uitstellen van het maken van keuzes, leidt tot nieuwe problemen. En het helemaal niet kiezen al helemaal. Barmhartigheid mag niet naïef zijn en hoop moet niet gepaard gaan met vrees, maar willen we ruimte geven voor barmhartigheid en hoop, dan zullen we eerst het waagstuk aan moeten gaan of we bereid zijn te accepteren dat deze vrouwen dom zijn geweest en daarom een nieuwe kans verdienen. Een nieuwe kans die inhoud dat zij zich nooit meer aan zo’n lelijke steen zullen stoten, en dat de rest van hun leven aan anderen zullen vertellen. Hoe goedgelovig en onnozel ze waren, en dat ze een tweede kans hebben gekregen van de samenleving die ze de rug hadden toegekeerd. Een dankbaarheid die in IS nooit had kunnen bestaan en een levensles die in het beloofde land nooit was geleerd.

De (on)geloofwaardigheid van Angela de Jong. Of: de ondergang van een tv-recensent

De geloofwaardigheid van Angela de Jong
Of: de ondergang van een tv-recensent

Recensenten zijn er op alle denkbare terreinen. De literair recensent, de culinaire recensent, de techniek recensent, de theater recensent; je struikelt erover in onze mediacratie waarin alles altijd beoordeeld moet worden en zovelen op zoek zijn naar een bevestiging van hun mening, of juist een steuntje in de rug nodig hebben om een ‘eigen’ mening te kunnen vormen.

Maar hoeveel verschillende recensenten er ook zijn, één ding hebben ze gemeenschappelijk: het recenseren vereist geen enkel bijzonder talent. Natuurlijk is enige kennis van zaken prettig en een redelijke pen noodzakelijk, maar bijzondere talenten zijn dat niet. Kritiek leveren is geen kunst, het is veelal de uitweg wanneer iemand tot de conclusie is gekomen dat het beheersen van een echte kunst er gewoon niet inzit.

Toch is er zelfs een gradatie binnen de recensenten, zoals dat binnen iedere beroepsgroep het geval is. Zo zijn de maatschappijleraar en de gymnastiekdocent het lachertje in het onderwijs en de bedrijfsarts en consultatiearts mislukt in de geneeskunde om wat voorbeelden te noemen. Nuttig, maar niet met een bijzonder talent.

Wat betreft de recensent, is televisierecensent het laagste wat je kunt zijn
Er bestaat waarschijnlijk geen enkele andere bezigheid die minder talent, inspanning, intellect en inzicht verlangt dan televisiekijken en er een kritische mening over vormen. Natuurlijk weet de televisierecensent ook wel dat hij een clowntje is voor de bühne, dankbaar dat hij er geld mee mag verdienen. Hij schrijft ter vermaak voor het ja-knikkende gepeupel en is zich bewust van die rol. En een van de opvallende clowntjes is Angela de Jong. Sinds jaar en dag schrijft zij in het Algemeen Dagblad stukjes in haar rubriek Angela kijkt tv. Ja zo eenvoudig als het klinkt, zo eenvoudig was het ook.

Angela kijkt tv en schrijft haar mening op
Angela kijkt naar boeren en vindt er iets van. Angela kijkt naar bakkers en vindt er iets van. Angela kijkt naar entertainers en vindt er iets van. Angela kijkt altijd naar goed bekeken of op zijn minst programma’s met veel publiciteit, waar gegarandeerd vele anderen ook iets van vinden en zichzelf teruglezen bij Angela. Geen diepzinnige analyses of literaire recensies, maar gewoon doorsnee populisme en volksvermaak. Een beetje stoken, lekker kritisch, af en toe de vinger op de zere plek leggen en dat is het. Tv-kijken en er iets van vinden.

En dan is het hoogst haalbare op enig moment gezag hebben in hetgeen je schrijft. En dat is Angela overkomen. De juiste rubriek met de juiste toon in het juiste tijdperk, en daarom belangrijk worden. En toen ging het mis. In plaats van dat gezag te verdiepen, ging Angela in zichzelf geloven en verruilde ze haar clownspakje voor een mantelpak. Ze werd de Sainte-Beuve die ook een A la recherche du temps perdu wil schrijven.

Want in plaats van afstand te bewaren, zakelijk en professioneel te blijven, hield Angela het niet meer bij alleen televisiekijken, maar is Angela zelf een onderdeel geworden van de televisie. Ze is zichzelf belangrijker gaan vinden dan het televisiewerk wat ze moet toelichten. En dat is voor een recensent een doodzonde. Angela bij De Wereld Draait Door, De Slimste Mens, WNL, De Wereld Draait Door en nu weer als opvulling in het zoveelste Linda de Mol-vehikel Weet ik veel.

Angela zou als tv-criticus moeten walgen hier te figureren in een compleet uitgemolken formule met de belegen schijndiepte van ‘de weetjes’, het clichématige publiek wat er omheen is geflanst in het uitwisselbaar decor, en het allerergste, die vreselijk pijnlijke en geforceerde humor. Ja er is altijd wel wat ruimte voor een seksgrapje. Van de balzak van Johnny tot aan de vraag ‘waarom kreunt een Nederlander als hij klaarkomt’. Let er eens op. Of beter, vermijd het programma als de pest en lees een boek van Nietzsche als je wil ontdekken hoe slim je bent.

Een recensent die zijn vak serieus neemt, moet heel ver wegblijven bij deze formule televisie. Ik wil daar stukken over lezen van een onafhankelijke geest. Ik wil degene die voor mij als abonnee schrijft, niet zelf zien paraderen in dit soort en vele andere programma’s. In plaatst van het beest te temmen, laat Angela zich er al te graag door voeden. Het is moeilijk te begrijpen waarom zij haar gehele geloofwaardigheid op het spel zet en waarom dat überhaupt wordt toegestaan door haar werkgever.

Het is alleen maar te verklaren vanuit het feit dat ze haar lezers als nog dommer beschouwt dan de vele programma’s die ze moet recenseren. ‘De lezers zullen het wel begrijpen, de lezers vinden mij geweldig slim, de lezers zien mij graag op televisie en houden van mijn kritiek en de lezers begrijpen vast wel dat mijn onafhankelijkheid niet in het geding is wanneer ik mijzelf uitleen aan commerciële pulp of meelach met Matthijs.’

Maar het is natuurlijk niet alleen minachting voor de kijker, het is ook Angela die kritisch moet zijn, maar geen enkele zelfkritiek meer heeft of nog erger, is bezweken onder commerciële belangen.

Toch is ze nog niet verloren en is er nog redding mogelijk. Ze kan zich op één manier onwaarschijnlijk verheffen en de hoogste onder de recensenten worden. En dat is de onthulling dat dit alles slechts een sociaal-experiment was. Angela deed dit niet voor zichzelf nee, het oprechte geveins was voor een hoger doel. Het valse lachen bij Linda voor de hogere zaak. Alleen door zelf onderdeel van het wereldje te worden, is er werkelijk kritisch over te schrijven. Ja, Angela onthult ons straks dat ze geproefd heeft van het valse theater en de platte bijbehorende roem! Om zich er vervolgens voorgoed van terug te trekken, er van te kotsen en dit allemaal als geloofwaardiger dan ooit aan het papier en de lezers toe te vertrouwen.

De recensent was dood, leve de recensent! 

Nog iets te willen hebben: Overwegingen bij het hoger beroep van Michael P.

Een niet juridisch verantwoorde verhandeling per se

Post Scriptum 5/7/2019. Uitspraak hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:5542

Michael P. gaat in hoger beroep tegen de 28 jaar cel en TBS die hij opgelegd heeft gekregen voor het verkrachten en doden van Anne Faber. In deze overweging sta ik stil bij de mogelijke zin van dit beroep, waarbij ik hier en daar wat stellingen opper die dienen als aanzet tot verder nadenken.

Hoewel de nabestaanden terecht teleurgesteld zijn in het hoger beroep, was het niet meer dan vanzelfsprekend dat het zou worden ingesteld. Michael P. heeft niets meer te verliezen, omdat hij niets meer is. Alles wat aan niets wordt toegevoegd, is oneindig veel en dat is wat het hoger beroep is: alles wat hij nog heeft.

Het is een menselijke al te menselijke gedachte dat een veroordeelde omwille van de nabestaanden afziet van hoger beroep. En het strookt ook niet met de conclusie van de rechtbank dat P. een gewetenloze en niets ontziende man is die zijn eigen perverse wensen laat voorgaan boven het leven en welzijn van zijn medemensen. Afzien van hoger beroep is diametraal in strijd met deze vaststelling en zou P. de onwerkelijke blijk van empathisch vermogen geven.

Wat als hij had afgezien van beroep en advocaat Niels Dorrestein namens P. had gezegd: ‘Dit is een eerste act van oprechte spijt – dit boek moet dicht voor de nabestaanden. Ze hebben nog zoveel boeken te dichten, daar hoort P. niet bij. Hij beseft dat en ziet af van zijn recht op beroep.’ Geeft dat ruimte voor sympathie? De wereld van daders en advocaten lijkt echter te vreemd om zo’n verklaring redelijk te denken. Mij lukt het niet.

Dit gezegd hebbende is het hoger beroep nu eenmaal een fundamenteel recht van een veroordeelde, met als enige risico de kans op een hogere straf. Die kans lijkt hier afwezig. Gelet op het feit dat 30 jaar en TBS onder deze omstandigheden de maximaal te eisen straf is, riskeert Michael P. feitelijk haast niets meer. Eens te meer aangezien TBS in zijn geval een zeer langdurig traject zal worden met een redelijke kans dat hij nooit meer uit zijn behandeling komt. De enige logische redenering is dat een lagere gevangenisstraf leidt tot een eerdere behandeling, wat kan leiden tot een eerdere terugkeer in de samenleving.

Wat wel opmerkelijk is, is dat de Hoge Raad in jurisprudentie heeft aangegeven dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging alleen samen kan worden opgelegd met een tijdelijke gevangenisstraf en dus niet samen met een levenslange gevangenisstraf. Dat is ook de reden waarom de rechtbank geen levenslang heeft overwogen: P. zou onbehandeld vrij kunnen komen. Nu echter levenslang in Nederland als levenslang onder druk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in strijd wordt geacht met de mensenrechten, kan het niet worden volgehouden dat levenslang geen tijdelijke straf is. Of anders: de mogelijkheid is zeer reëel dat levenslang tijdelijk is (immers de vrees van de rechtbank dat hij onbehandeld vrij kan komen bevestigd dit reeds). In dat geval vraag ik me af in hoeverre een vonnis levenslang en TBS wel stand zal houden bij de Hoge Raad; is het niet nu (om formele, wettelijke redenen) dan wel op termijn. Levenslang voor Michael P. komt dan neer op 25 effectieve jaren vastzitten waarna de vraag of het een legitiem doel dient om hem nog langer vast te houden eenvoudig beantwoord kan worden met: ‘Nee, hij moet in behandeling’. De veroordeelde moet sowieso volgens het nieuwe beleid eerst naar het Pieter Baan Centrum voor persoonlijkheidsonderzoek en risicoanalyse. Wat als dan behandeling noodzakelijk blijkt? Met deze interpretatie wordt meer recht gedaan aan de opvatting van de rechtbank dat de samenleving zo lang mogelijk tegen P. moet worden beschermd. Dat deze overweging echter een slippery slope is, behoeft geen toelichting.

Als het hoger beroep dan geen zaak is van medemenselijkheid of van tomeloze aandacht voor het advocatenkantoor, maar in alle ernst een principiële aangelegenheid, dan heeft P. één troefkaart. Kort gezegd is dat een beroep op artikel 3 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), welk het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing omvat. Het fundamentele kenmerk van een rechtsstaat is dat de overheid zich aan de wet moet houden en een verdachte zonder uitzondering met respect dient te behandelen. De rechtbank heeft vastgesteld dat dit recht van P. is geschaad en stelt vast dat door schending van artikel 3 EVRM (en daarbij ook het artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, namelijk dat P. niet is medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden) sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek. Dit vormverzuim leidt echter tot niets, aangezien in het oordeel van de rechtbank dit verzuim niet heeft geleid tot een oneerlijk proces: het heeft niet geleid tot het afleggen van een voor zijn strafzaak relevante belastende verklaring.

Dit alles deed onmiddellijk denken aan de Duitse zaak Magnus Gäfgen, die ik hier kort in herinnering breng. De rechtbank zelf verwijst overigens ook naar de zaak, wat aangeeft hoezeer het voor de hand ligt. Gäfgen, tegenwoordig vroom geheten Thomas David Lukas Olsen, bracht in 2002 de elfjarige bankierszoon Jacob von Metzler om het leven en verstopte zijn lijk. Ondertussen had hij de ouders om losgeld gevraagd onder het voorwendsel dat Jacob nog in leven was. Toen Gäfgen het losgeld kwam ophalen, werd hij gevolgd en later gearresteerd door de politie. Het was voor de politie niet duidelijk dat Jacob inmiddels was overleden, dus het was ze er veel aan gelegen deze jongen te redden. Omdat de tijd begon te dringen beval een hoofdofficier de verdachte met lichamelijke pijn te bedreigen en desnoods te onderwerpen aan die pijn om ervoor te zorgen dat hij de plek waar Jacob zich bevond zou onthullen. Het bevel werd ten uitvoer gebracht en onder druk van de angst dat ze hem zouden kunnen folteren onthulde Gäfgen waar hij het lijk had verstopt.

Dit is een klassiek voorbeeld waarin het menselijke geweten -als morele overtuiging- in conflict raakt met de wet –als juridisch kader- en het oordeel van zijn geweten zelfs boven de wet plaatst. In de klassieke opvatting is het recht er niet om een gelukkige samenleving tot stand te brengen, maar om rechtvaardigheid te realiseren. Het recht gebiedt om die reden een verdachte respectvol te behandelen, terwijl het geweten alleen het welzijn van het slachtoffer in ogenschouw neemt en kost wat kost in diens belang wil handelen. Intuïtief zullen velen het dreigen met fysiek geweld ten einde daarmee het leven van een slachtoffer te redden als een geoorloofd middel zien, omdat utilitaristisch geredeneerd de prijs van het schenden van rechten niet opweegt tegen de baten van het redden van een menselijk leven. Het vergt vele pagina’s om alle nuances hierbij te overwegen. Bijvoorbeeld over het verschil tussen een overheid die niet mag dreigen met geweld om een mens te redden en een overheid die iemand jarenlang gevangen mag houden om de mensen tegen hem te beschermen. In beide gevallen is het een gevolg van een handeling die onrechtmatig is. De eerste is onrechtmatig en onrechtvaardig, de tweede niet. Het recht heeft zichzelf de taak toebedeeld het beter te doen dan de misdadiger en het dreigen met geweld valt daar niet onder, laat staan het toepassen ervan, maar het gevangenzetten wel. Daarbij is het belang van het slachtoffer dus ondergeschikt gemaakt aan een volgens het recht noodzakelijk onpersoonlijk principe.

Dat er in de praktijk echter geen juridische robots bestaan, maar eerder mensen die niets menselijks vreemd is en terdege handelen vanuit persoonlijke morele principes eerder dan vanuit rechtsfilosofische uitgangspunten, is de enige verklaring waarom de rechten van P. zijn geschonden. De paradox hier moet zijn dat het schenden van zijn rechten juist door het systeem hersteld worden, wat maakt dat rechtmatigheid tot een nog groter onrechtvaardigheidsgevoel leidt in morele zin. Het is in mijn ogen dan ook zo dat er met veel juridische taal uiteindelijk toch vaak gekozen wordt voor het morele geweten en niet voor het juridische recht. Ja, in de zaak Gäfgen is er uiteindelijk een schadevergoeding toegewezen van € 3000 en zijn de agenten die hebben gedreigd met marteling geschorst, maar dat heeft een levenslange straf niet in de weg gezeten, omdat tegen die dreiging toch niet de bekentenis van moord kon worden weggestreept – om allerlei redenen, maar toch zeker omwille van een morele.

In de zaak van P. is er echter niet gedreigd, maar is hij daadwerkelijk blootgesteld aan fysieke grensoverschrijdende handelingen, i.c. de inzet van een politiehond ter dreiging en het toepassen van pijnprikkels met de handboeien door het arrestatieteam. Een en ander resulteerde erin dat hij zwaar gewond is geraakt aan zijn schouder.

Van evident belang is dat de rechtbank oordeelt dat er geen sprake is geweest van een oneerlijk proces:

Uit het dossier blijkt dat de behandeling die verdachte heeft ondergaan, niet heeft geleid tot het afleggen van een voor zijn strafzaak relevante belastende verklaring. Verdachte heeft op vragen van het arrestatieteam waar [slachtoffer] was, immers geantwoord dat hij dat niet wist. Ook in het eerste verhoor bij de politie heeft hij zijn betrokkenheid bij de verdwijning van [slachtoffer] ontkend. Pas twee dagen na zijn aanhouding, op 11 oktober 2017, heeft verdachte, in het bijzijn van raadsman, een bekennende verklaring afgelegd. De door verdachte afgelegde bekennende verklaring is dus niet het gevolg geweest van de schending van artikel 3 EVRM.

Het is per definitie de vraag wat de betekenis is van een oneerlijk proces indien een bekentenis onder (druk van) fysiek geweld precies leidt tot feiten die evident strafbaar zijn. De bekentenis klopt, moord of gekwalificeerde doodslag wordt wettig en overtuigend bewezen en het zwijgvoordeel is zelfs een klein kind bekend wanneer het een snoepje heeft gestolen. Wat is het oneerlijke? Het oneerlijke zit hem erin dat de verdachte op voorhand een voordeel heeft, wat hem klaarblijkelijk toekomt ondanks het feit dat hij een gruwelijke misdaad heeft begaan. Hij mag dit voordeel behouden omdat een verdachte niet hoeft bij te dragen aan een rechtvaardige samenleving, ten koste van zichzelf. Hier is op de een of andere manier de enkeling wel bovengeschikt gemaakt aan het systeem, daar waar de levensbelangen van een slachtoffer ondergeschikt zijn aan het systeem. Rechtvaardigheid is hier een heel flexibel begrip lijkt het. Hier schuilt mijns inziens de kern van het probleem wat de samenleving heeft met het recht en de rechten van een verdachte in dergelijke zaken, omdat dit contra-intuïtief is.

Dit alles brengt mij tot een intuïtieve conclusie, zonder het recht schade te doen. Hoewel ik de uitleg van de rechtbank zonneklaar vind, is het niet ondenkbaar dat het hof de feiten principiëler interpreteert en de schending van de rechten van P. meeweegt in het arrest. Via onvermoede omwegen is immers te beredeneren dat hij terdege is geschaad in zijn proces; zijn advocaten zien klaarblijkelijk -laten we dat aannemen oprecht- die mogelijkheid. In hoger beroep zou het OM daarom 29 jaren en TBS moeten eisen. Geen 30, aangezien er rekening wordt gehouden met licht verminderde toerekeningsvatbaarheid. Het hof gaat daarin mee, maar houdt rekening met het feit dat de verdachte is geschaad in zijn rechten. Dientengevolge kent het hof één heel jaar strafvermindering toe, wat leidt tot een veroordeling van 28 jaren en TBS.

In verschillende civiele procedures kan P. zijn recht op schadevergoedingen halen. Deze schadevergoedingen -die worden toegewezen aangezien er al is vastgesteld dat er sprake was van een onherstelbaar vormverzuim- kunnen vervolgens worden aangewend om de toegewezen schadevergoeding aan slachtoffers te kunnen voldoen. Het is immers niet aannemelijk dat P. in staat is om de toegewezen tienduizenden euro’s schadevergoeding op dit moment te voldoen. Het feit dat zijn rechten zijn geschonden en hier een passende vergoeding tegenover moet staan, maakt dat er een situatie ontstaat waarbij zowel recht gedaan wordt aan het principe dat een verdachte onvervreemdbare rechten heeft, als wel dat de veroordeelde daadwerkelijk opdraait voor de (materiële) schade die hij heeft veroorzaakt. Zo handhaaft het recht zich zonder de moraal geweld aan te doen.

Anne Faber heeft niets aan al dit juridische gewoel, maar het recht heeft zo voor Michel P. ook niets over. Zo blijft hij ook na zijn hoger beroep en mogelijk civiele procedures met niets in handen. En dat voelt moreel juist.

__________________________________

Lees ook:
Anne Faber: fietsen in de regen is zuivere onschuld

Wijsbegeerte als straf. Een overweging bij een zware mishandeling.

Wijsbegeerte als straf. Een overweging bij een zware mishandeling.

De mensen weten niet meer wat liefde is. Het is iets dat verloren is gegaan (…) Onmogelijk de werkelijkheid terug te vinden, die toch eenvoudig en helder moet zijn.
Jules Renard. 1901. 22 maart.

Alleen een kluizenaarsbestaan beschermt tegen het schuim der aarde. Voor mij en al die anderen is het onvermijdelijk om op ongevraagde tijden ongewild getuige te worden van de laagste uitingen binnen de grenzen van de menselijke natuur.

In dit geval kon ik niet ontkomen aan de beelden waarop de 15-jarige Tommy op een speelplaats aan het Kikkerveen in Spijkenisse zwaar wordt mishandeld door een groep jongeren. Het laat onmiddellijk denken aan wat er destijds in Eindhoven gebeurde.

Ik had in ieder geval nog nergens van gehoord of ik werd via sociale media om een reactie gevraagd. En vanochtend tijdens een les politieke besluitvorming deed zich het interessante verschijnsel voor dat ik in een uiteenzetting over coalitiespanningen omtrent het kinderpardon geconfronteerd werd met enorm ‘linkse’ opvattingen. Of dan toch niet de opvattingen van FvD, VVD of PVV in deze. Vrijwel eenduidig klonk de mening dat kinderen van uitgeprocedeerde ouders hier zonder meer zouden mogen blijven. Korte tijd later kwam iemand echter met het filmpje op de proppen -iedereen wist er al van-, en voordat ik er erg in had weerklonk als één stem de meest rechtse spierballentaal. Voorbeelden overbodig.

Dat alles heeft mij aan het denken gezet om kort een en ander te overwegen. De belangrijkste vragen, die al in de zaak van Eindhoven ter sprake kwamen, zijn ook nu weer: welke straf is passend? Is er een straf mogelijk binnen de grenzen van de rechtsstaat die recht kan doen? Heeft ons systeem voldoende kracht om wat hier overduidelijk krom is, recht te maken? En achterliggend: hoe is een dergelijke gedraging die ons doet walgen überhaupt mogelijk?

Om met die laatste vraag te beginnen. Je ziet -en ik kan echt iedereen afraden het te kijken want het helpt je niet er een evenwichtig, misschien eerlijker wereldbeeld op na te houden- compleet verdwaalde jongeren. Verdwaald en zonder enige zelfreflectie, onmachtig weerstand te bieden aan groepsdruk, gevangen in een surrogaatgangsterwereld, onder de indruk van banale waarden en arm in uitdrukkingsvermogen. Nu ja, dat zie ik. Dat alles ligt dan ten grondslag aan het gegeven dat iemand zich zo gedragen kan.

Ik stel dus vast dat er sprake is van een ernstige verstoring van sociale en geestelijke ontwikkeling in algemene zin. De oorzaken van deze ernstige beperking voor zover ze niet natuurlijk van aard zijn laat ik hier even liggen, die zijn al zo uitvoerig beschreven. Het voorstel wat ik zal doen, hangt echter wel samen met de concrete gedraging. Want als ik kom op de belangrijkste vraag, namelijk welke straf recht doet, dan heeft het jeugdstrafrecht gewoonweg te weinig te bieden.

Stel dat poging tot doodslag hier bewezen kan worden. Voor een jongere die nog geen 16 jaar is, bedraagt de maximale jeugddetentie dan 12 maanden. Voor een jongere die 16 of 17 jaar is, bedraagt de maximale jeugddetentie 24 maanden. Gevangenisstraf op zich is hier echter absoluut geen probaat middel. Domheid, een gebrek aan reflectie en een beperkt uitdrukkingsvermogen genezen niet van gevangenzitten. In het ergste geval levert het zelfs status op.

Dan is er nog de reële mogelijkheid tot de volgens justitie zwaarste strafrechtelijke maatregel voor jeugdigen, namelijk de Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ-Maatregel). Dat lijkt hier de enige uitweg te zijn, maar ik heb er mijn twijfels over. Niet alleen toont onderzoek aan dat de effecten van gedragsverandering nauwelijks zijn vast te stellen, bovendien laten jongeren met een PIJ-maatregel hoge recidive zien (al is die van minder ernstige aard dan waarvoor ze zijn veroordeeld).(Zie WODC 2012).

Ik zou daarom het volgende willen voorstellen. Op zijn minst als harde eis ter toevoeging aan de PIJ-maatregel.

Deze jongeren moeten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur totdat zij succesvol slagen in de wijsbegeerte. Omdat hun gedragingen symptomatisch zijn voor de verschrompeling van het bewustzijn, en de kracht is verloren het onvoorwaardelijke te denken en het voorwaardelijke te verdragen, moeten zij juist daarin geschoold raken.

De proef die moet worden afgelegd behelst op zijn minst een algemene kennis van de Westerse filosofie en al haar deelgebieden. Van de stellingen van Thales van Milete tot De civitas Dei van Augustinus. Van het cogito van Descartes tot de bibliotheek van Gilbert Ryle. Van de praktische ethiek van Kant tot aan de zorgethiek van Martha Nussbaum. Ze leren van de vogel en de lelie, van Emile en van Candide. Het finale-examen bestaat uit een lange dialoog van een pagina of 50 waarin gereflecteerd wordt op Plato’s opvattingen over wijsheid, schoonheid en de liefde. Aangevuld met hedendaagse en moderne bronnen. Voorgedragen tegenover medegedetineerden.

De gedetineerde krijgt zo vaak als hij wenst les en het programma wordt zo opgezet dat zelfstudie en maandelijkse toetsing een onderdeel zijn van de complete maatregel. Zo weinig hij studeert, zolang hij blijft vastzitten. Dus het onderwijssucces is rechtstreeks gerelateerd aan de kans op vrijlating. Wat mij betreft is er ook nog wel ruimte voor wat andere educatie; men haalt voor mijn part een zinvol beroepsdiploma. Maar het slagen in de filosofie is de keiharde eis om terug te mogen keren in de samenleving. Mijn stelling is namelijk dat hij die geschoold is in verwonderen en twijfelen over denken en zijn, het nalaat om iemand tegen zijn hoofd aan te schoppen.

Dit is misschien voor sommigen een wat vlot en al te druistig voorstel, ik zou dat natuurlijk helemaal kunnen verfijnen, maar het is naar mijn idee nu al oneindig veel beter dan alle andere ideeën van straf en boete die ik voorbij heb zien komen. Het is bovendien een interessante toevoeging aan het systeem zoals het ons nu ter beschikking staat, en ook nog eens gemotiveerd vanuit een positief mensbeeld. Een ieder die dit voorstel lacherig afwijst, daag ik uit met een betere strafmaatregel te komen. Die recht doet.

Tot die tijd verwacht ik louter sympathie.

De Nashville-verklaring als volkomen mislukte cultuurkritiek

De Nashville-verklaring als volkomen mislukte cultuurkritiek


Voor wie aangeslagen is op de Nashville-verklaring, ter geruststelling: de opwinding zal even snel luwen als dat ze gekomen is. En voor wie nog verbaasd kan zijn dat een dergelijke verklaring überhaupt enige opwinding biedt, die ontgaat de aloude zekerheid dat de combinatie van “christen” en “homo” garant staat voor massale hyperventilatie en misinterpretatie.

Maar voor wie er nog iets over wil zeggen, is er ook de teleurstelling: nog voor de gedachten weloverwogen zijn gevormd, zijn deze al bedolven onder de allesverzengende onpersoonlijke anonieme collectiviteit van de middelmatigheid, die Heidegger zo mooi Das Man noemde. En nog voordat er een uitleg gegeven is aan bepaalde opvattingen, is er al het Grote Gelijk van de regenboog overheen getrokken.

En nog voordat de gedachten op papier een weg hebben kunnen vinden, is het nadenken al een onderwerp van mogelijke criminalisering geworden. Zoals alles waarover Das Man schreeuwt voor de vorm serieus moet worden genomen.

De dictatuur van de nietszeggende mening van een ieder overschreeuwt de alleszeggende mening van de enkeling. Dat is de paradox, en dat is de tijd…

Maar al die zo vermoeiend voorspelbare mechanismen buiten beschouwing gelaten, geef ik hier een even korte als eenvoudige invulling van hoe we zouden moeten kijken naar de Nashville-verklaring.

De Nashville-verklaring is namelijk een terechte, maar volkomen mislukte cultuurkritiek.
Ze is mislukt omdat ze op de eerste plaats de elementaire wetten van de hedendaagse tijd niet begrijpt. Dat betekent in de kern dat een conservatief standpunt niet op een conservatieve manier moet worden gepredikt. Zoals ik boven al heb aangegeven zijn de mechanismen van de medialogica onverbiddelijk en mag je verwachten dat de verklaring zoals ze is opgesteld vrijwel niets van waarde voortbrengt. Immers wie een dergelijke opvatting is toegedaan, heeft deze verklaring niet nodig en wie deze opvatting niet is toegedaan zal door deze verklaring deze mening nooit overnemen. Want niet alleen de vorm deugt niet, de inhoud mist de noodzakelijke filosofische grondslag die deze tijdsgeest zo hard nodig heeft. Een louter beroep op Bijbelteksten is krachteloos, zinloos en vermoeit zichzelf bovendien met de eindeloze speculatie over de interpretatie en de context die al zo oud is sinds Philo van Alexandrië er opvattingen over schreef.

In de verklaring ontbreekt het aan wat ik noem een filosofisch christendom, zoals John Henry Newman, Søren Kierkegaard en G.K. Chesterton in hun tijd met de juiste intellectuele kracht de vloer aanveegden met alle ziekten van de secularisering en het richting de totale vertwijfeling leidende postmodernisme, dat zo vilein is dat het de vertwijfeling zelf weet te maskeren door de maakbaarheid van de mens te idealiseren en de consumptiezucht te maximaliseren.

Ik heb stellig de indruk dat de Nashville-verklaring een ongelukkige, ondoordachte en onbeholpen poging is om als antwoord te dienen tegen een hele reële diagnose. De cultuurkritische diagnose namelijk dat er een drammerige en nietsontziende progressieve beweging gaande is waarbij alles van vroeger als waardeloos of als kwaad wordt bestempeld, en waarbij ieder tegengeluid door schier onbeheersbare krachten onmiddellijk wordt vernietigd.

De cultuurkritische diagnose dat de gebrokenheid van het gezin, de tomeloze seksualisering en eindeloze perversiteiten die als gewoon en voor iedereen toegankelijk moeten worden gezien, beschaving en gezondheid bedreigen.

De cultuurkritische diagnose die erop wijst dat zingeving synoniem is geworden aan individualistisch genieten, en er een cultuur is gecreëerd van hersenloze eenvormigheid en verstikkend conformisme zoals dat al door Theodor W. Adorno en Karl Jaspers is vastgesteld toen de emancipatiebeweging in de jaren 70 van de vorige eeuw alle kinderen met het badwater nog moest weggooien.

Dat sekse en seksualiteit als rode draad door de verklaring lopen en dat door de stelligheid over homoseksualiteit de stelligheid tegen ook de heteroseksuele zondigheid volledig ondersneeuwt, kan niet verhullen dat de bovenstaande diagnose een reëel, concreet, helder en zorgwekkend beeld geeft. Dat identiteit niet ligt in onze seksualiteit zoals deze postmoderne tijd doet voorkomen, is een waarheid die een krachtige verdediging verdient. Dat zingeving en identiteit eerder ligt in onze verhouding tot Christus, is een zaak die aan de orde komt wanneer er allereerst voldoende rust is gecreëerd voor een gelijkwaardige discussie. De Nashville-verklaring slaat op dat vlak de plank kinderlijk naïef mis zoals ik heb vastgesteld.

Wat christenen dus moeten doen, is niet aangeslagen zijn over de ogenschijnlijk eenzijdige benadering waarop het enkelvoudig goed is om intimiteit te beleven, maar eerder een weg zoeken naar de wijze waarop conservatieve grondbeginselen wel op een krachtige en zinvolle manier kunnen worden uitgedragen.

Christenen moeten hun tijd niet verdoen door de strijd aan te gaan met hun dominee of zich afvragen of ze de kerk moeten verlaten om nog verder van de Eenheid af te dwalen. Nee christenen moeten op zoek naar wat het persoonlijk werkelijk betekent om onderscheidend christen te zijn en welke conservatieve uitgangspunten daarbij een plaats hebben als ideaal en niet als dwangmiddel, zonder dat ze daarbij ook wel terecht kunnen bij Plato, Aristoteles, Seneca, Cicero, Montaigne enzovoorts.

Want het christendom heeft in essentie een aantal bijzondere fundamentele conservatieve grondslagen die het waard zijn om verdedigd te worden als ideaal -van gezin tot gemeenschap-, zonder dat dit betekent dat het een verboden onderscheid maakt tussen mensen, juist om de reden die ik net gaf: het ideaal moet verdedigd worden, maar het moet niet als dwangmiddel gehanteerd. Dat geeft de hele zijdelingse discussie over transgenders, homoseksuelen en wat meer is (merk op dat ‘en wat meer is’ al als een oordeel gelezen kan worden!) een veel sterker daglicht.

Hoezeer deze met lucht en leegte omgeven discussie ook spoedig weer zal verdwijnen en zal ontsnappen aan de massale aandacht, kun je er gerust op zijn dat ze vroeger of later als een duveltje uit een doosje weer de kop opsteekt. En laat ik dan hopen dat er wel gestreden wordt met verstand, redelijkheid en lef. En misschien zelfs nog wel met een vleugje ironie, wat zo erg wordt gemist! Want als ik met vrij naar Chesterton mag eindigen, het lijkt wel dat omdat seksualiteit van nature zo gezond is, we er allemaal krankzinnig van kunnen worden…

Een polemiek tegen progressieve potsierlijkheid

Een polemiek tegen progressieve potsierlijkheid

-Voor een vrolijke open strijd die het daglicht verdragen kan-

Actievoerders hebben het onderkomen van de katholieke stichting Civitas Christiana in Heilig Landstichting besmuikt. Ze plakten stickers op muren en ramen. Op de voordeur was een affiche met een ‘progressieve stellingname’ gespijkerd, waarvan het onduidelijk is wat dat te betekenen heeft.

In deze polemiek richt ik mij volledig buiten de comfortabele schaduw van het nachtelijke duister tegen deze batteraven die het ‘vooruitstrevende’ verwarren met ‘stickers plakken’.

Moet je ten strijde trekken tegen lafheid? Moet je opstaan tegen de dommige? Nogal makkelijk het schuwe zwakzinnige terecht te wijzen, is het niet! Maar het is niet de luie, domme lafheid die hier terecht staat, maar de schimmige schaamteloosheid. De potsierlijke schaamteloosheid ook, die de ruimte van andere mensen tracht te beperken ten gunste van zichzelf. En dan hoor ik ze roepen: ‘Ja, maar zij zijn begonnen! Zij zijn begonnen!’ Is hier soms een kleuter aan het woord?

Nu, zo’n kleuter geef ik het liefst een conservatief pak op de broek en een draai om zijn oren bovendien. Maar je moet er natuurlijk ook medelijden mee hebben: Het zijn namelijk volwassen mannen, en geen kleuters.

Want stel je voor hoe dat gegaan moet zijn! Een paar mannen komen in het geniep bijeen en na enig keuvelen over lucht en leegte bereiken ze het inzicht dat zoals de legende over Maarten Luther verhaalt, ook zij heuse stellingen aan de deur moeten spijkeren. En wel bij Civitas Christiana, de stichting die binnen de grenzen van de rechtsstaat opkomt voor christelijke idealen. En zo klad iemand wat op een stuk papier (arme boom!), incluis storende taal- en spelfouten, maar niets menselijks is ze tot dat moment nog vreemd.

Het wordt pas ernstig als ze op enig moment, en dat moet ik ter verdediging van de mannen zeggen, straalbezopen en katjelam op de omafiets stappen en als een verzameling gauwdieven in de nacht de rit naar de Heilig Landstichting wagen. Daar aangekomen roept iemand amicaal en met dubbele tong: ‘Kommm wie spijkren en kladde drop loos pikkebazen, ze zullen ens zien waar wij vor *burp* staan!’

Het mooie zit er echter in dat wie werkelijk iets te zeggen heeft dit altijd in het volle licht doet. De waarheid is gebaat bij het licht. Maar het licht verdraagt klaarblijkelijk niet hetgeen wat hier gezegd moet worden. Alleen het koude geniepige duister is een plaats voor deze handeling. Wie hiervoor sympathie heeft, heeft sympathie voor het duistere, dat te laf is om zich met open vizier te verantwoorden. En wie sympathie heeft voor het laffe wordt daarmee even schaamteloos als deze progressieve clowntjes.

Want ja, de progressieveling! Is dat niet iemand die zijn eigen grootvader nog een pak slaag zou geven omdat deze een kerstboom opzet? Is dat niet iemand die zijn eigen moeder terechtwijst omdat ze nog naar de kerk gaat? Is dat niet iemand die zijn kinderen opsluit zonder eten omdat ze een kleurplaat hebben gemaakt over Sinterklaas? Is dat niet iemand die zonder zich te durven verantwoorden stellingen op andermans deur timmert?

Want wat is hier dan progressief? Wat is hier datgene wat in het donker anoniem moest worden uitgespuugd? Laten we eens kijken naar deze ‘progressieve stellingname’. Ik zal hier zo infantiel en kort als mogelijk op antwoorden, zodat niemand zich meer dan nodig hoeft in te spannen.

  1. Het huwelijk is voorbehouden aan alle mensen die met elkaar willen trouwen

Is dat progressief? Dat hoorde ik 50 jaren geleden al. Dat mag je heus vinden – geen enkel probleem! Maar er zijn ook mensen die daar anders over denken, daar moet je niet boos op zijn. Niet nodig.

  1. Veilige toegang tot abortus is een mensenrecht

Dat vereist wat toelichting! Want iemand mag toch gerust vinden dat een kind in de buik ook een mens is? En in dat geval bestrijd je mensen met mensenrechten. Of veronderstelt deze stelling een soort nattevingerdefinitie van ‘mens’? Dan ben je eerder een nattevingerling dan een progressieveling, als je het mij vraagt.

  1. Religieus staat niet gelijk aan conservatief

Inderdaad! Zoals 6+2 iets anders is dan 4+4. Maar ook weer niet.

  1. Transrechten zijn mensenrechten

Ik moest even opzoeken wat er wordt bedoeld met ‘transrechten’. Het enige wat ik kon vinden is dat je een petje kunt kopen met deze tekst erop. € 19,85 exclusief € 6 verzendkosten! Absurde kapitalistische uitbuiting tot en met. Ik voorzie een aantal stellingen op de deur van deze petjesverkoper.

  1. Racisme en seksisme zijn vormen van ongelijkheid die moeten verdwijnen

Racisme en seksisme bestrijd je toch in ieder geval niet met vandalisme. Wel het speelveld eerlijk houden!

  1. De welvaart van de katholieke kerk komt voort uit koloniale rooftochten en het uitbuiten van de arbeidersklasse

Bij gebrek aan originaliteit is er nog altijd deze ouderwetse reactionaire socialistische troef achter de hand. Niet heel progressief, maar als je het echt niet meer weet, deze gewoon inbrengen! ‘Jij katholieke boef en anders je voorouders van 400 jaar geleden, bent er schuldig aan dat ik een kansarme sodemieter ben zonder vrije wil om zelf wat van het leven te maken! Ik eis mijn deel!’
Verder zou ik nog willen opmerken dat men een erg beperkt begrip heeft van het woord katholiek. Verdiep je eens in de Kartuizers, Cisterciënzers, Norbertijnen en Franciscanen. Wellicht behoeft de stelling daarna wat aanscherping.

  1. Een herverdeling van deze welvaart moet plaatsvinden

Maar dan ter nuancering niet zoals het herverdelen ging in de voormalige Sovjet-Unie, Zuid-Amerika, Noord-Korea en China. Ik heb daar retrospectief (dat betekent ‘al terugblikkend’) wat bedenkingen en kanttekeningen bij.

  1. Het patriarchaat moet vernietigd worden

Patriarchaat: ‘Samenlevingsvorm, waarbij de kinderen behoren tot de stam van hun vader, en waarbij het gezag over de kinderen wordt uitgeoefend door de vader.’

Als je dat vernietigt, is er geen enkel gezag meer over de kinderen. Dat is niet verstandig. Ik neem aan dat het echter progressief is om de moeder ook te betrekken in het gezag over de kinderen. Maar dan moet het patriarchaat niet worden vernietigd, dan moet er iets aan worden toegevoegd. Ik zou dus als stelling willen adviseren: Het patriarchaat mag worden genuanceerd!

  1. Zwarte Piet is een racistische karikatuur en moet afgeschaft worden

Mij moet van het hart dat ik de afgelopen 12 jaar geen grotere karikatuur van ‘actievoeren’ ben tegengekomen dan deze potsierlijke stellingname die in het holst van de nacht aan een deur moest worden gespijkerd.

Tenslotte
Als het nu allemaal niet zo ernstig was, zou het ontzettend vermakelijk zijn. Maar jullie nemen jezelf waarschijnlijk erg serieus. Mijn advies is om een volgende keer geen stellingen op een deur te timmeren, maar op een mooie middag eens aan te kloppen en een biertje te drinken. Cor ad cor loquitur. Maar dan niet zoveel bier, dat daarna weer de zin komt om stickers op ramen en deuren te plakken als niemand kijkt! Neem dat advies ter harte en de echte progressieve wereld zal jullie een stuk serieuzer nemen.

Stephen Hawkings laatste goocheldoos: Zijn antwoord op de vraag of God bestaat

Een paar weken geleden verscheen het laatste boek van de vermaarde cultfiguur en natuurkundige Stephen Hawking (1942-2018). In Nederlandse vertaling kreeg het de titel mee De antwoorden op de grote vragen. Pretentieuzer kan het eigenlijk niet: De antwoorden. Gelukkig is de oorspronkelijke titel minder aanmatigend Brief Answers to the Big Questions en doet deze meer recht aan de bescheidenheid van Hawking. De Duitsers vertaalde het dan ook gewoon als Kurze Antworten auf große Fragen, maar dat terzijde.

In deze verhandeling zal ik het antwoord op de eerste grote vraag die Hawking in zijn boek stelt, namelijk: Bestaat er een God? kritisch bespreken.

Het kritische is hier bewust kritisch, niet per se sceptisch, en heeft als doel mijn belangrijkste bezwaar eenvoudig te verduidelijken tegen antwoorden op dergelijke vragen. De kern van mijn bezwaar is niet bijzonder of uniek, en zelfs al erg vaak herhaald, namelijk de hachelijke onderneming om vanuit een natuurkundige stellingname metafysische uitspraken te doen. Er is geen god, geen hemel, geen hiernamaals. Zeker kan de natuurkunde op grond van bevindingen metafysische beweringen ontkrachten, maar ik ben van mening dat ze daarin zichzelf inmiddels schromelijk overschat en totalitaire neigingen vertoont. Hawkings pretentie bovendien kort te antwoorden doet geen recht aan de vraag.

Daarnaast wil deze verhandeling hoe beperkt ook, een gezonde waarschuwing afgeven tegen het geloof wat is ontstaan dat de natuurkunde op het gebied van zingeving veel belangrijks te zeggen heeft. Ze heeft vrijwel niets te zeggen over zingeving. De zogenaamde pastorale macht van de wetenschap is echter dusdanig invloedrijk, dat talloze mensen klakkeloos overnemen wat deze wetenschap hen voorkauwt om vervolgens hun zin erop af te stemmen, of erger het zoeken naar zin te staken. Begrijpen doen ze het niet, overigens net zomin als ik iets begrijp van theoretische natuurkunde, maar dat leidt vaak tot een totale overgave en een kritiekloze acceptatie van gevolgen die niet noodzakelijk volgen uit de natuurkundige of wiskundige conclusies. En dat kan niet vaak genoeg worden geschreven, zoals ik ook al eerder deed in de bijdrage Waarom is er eerder niets dan iets?

Aan de hand van passages uit het hoofdstuk die ik chronologisch presenteer, wil ik uiteindelijk het antwoord toetsen wat Hawking geeft op de vraag Bestaat er een God?
Iedere lezer kan vervolgens een eigen oordeel vormen.

Bestaat er een God?
Het grootste probleem met dit hoofdstuk is dat hij feitelijk (waarschijnlijk
bewust) geen goede definitie geeft van God. Maar wat is dan de inhoud van de vraag? Naar welk bestaan wordt er precies gevraagd? Het lijkt erop dat de vraag die Hawking hier stelt betrekking heeft op een bewuste scheppende kracht. Hij spreekt in ieder geval over God in onpersoonlijke zin of mogelijk als de belichaming van natuurwetten, maar de gehele richting van het hoofdstuk wijst naar de vraag of God te begrijpen is als eerste bewuste oorzaak.

God op deze manier opvatten, moeten we omwille van de eenvoud wat Hawking ons vertellen wil maar even accepteren. De vraag is dus eigenlijk beter te begrijpen als: heeft een bewuste scheppende kracht het heelal zoals wij dit kennen gecreëerd, gemaakt, geschapen?

Hawking is klaarblijkelijk door de wol geverfd en excuseert zich in het hele hoofdstuk op allerlei manieren dat hij het echt niet kwaad meent en niemand boos wil maken of wil kwetsen. Hij begint er ook mee zich allereerst te excuseren dat hij niets tegen God heeft:

Ik wil niet de indruk wekken dat ik met mijn werk het bestaan van God wil bewijzen of ontkrachten. Mijn werk gaat om het vinden van een rationeel kader om het heelal te begrijpen. (p.54).

Waarom stelt Hawking zich dan toch deze vraag? Wanneer hij een rationeel kader wil vinden om het heelal te begrijpen, dan is deze vraag overbodig. Tenzij het rationele kader als gevolg heeft dat God wordt bewezen of ontkracht. Maar dat is nu precies wat hij niet wil. Verwarring alom.

Hawking gaat verder te stellen dat hij gelooft in de wetenschap:

Als je in wetenschap gelooft, zoals ik, dan geloof je dat er bepaalde wetten zijn waar alles zich altijd aan houdt. (p. 54). (…) Het heelal is een machine die wordt bestuurd door principes of wetten, wetten die door het menselijk verstand begrepen kunnen worden. Volgens mij is de ontdekking van deze wetten de grootste prestatie van de mensheid, want het zijn deze wetenschappelijke of natuurwetten, zoals we ze meestal noemen, die ons zullen vertellen of we een god nodig hebben om het heelal te verklaren. (p.55)

Dat laatste is een stevige uitspraak. Hier wordt feitelijk de conclusie getrokken dat het ontstaan van het heelal begrepen kan worden strikt en alleen vanuit natuurwetten. En wij zouden dat met ons menselijke verstand dus ook moeten kunnen begrijpen. Hier zitten we mijns inziens al op een immense slippery slope. Ik moet bij Hawking ook de hele tijd denken aan iemand die de liefde heeft verklaart in een biochemische verhandeling en dan tot zijn eigen ongeluk gelooft dat hij begrepen heeft wat liefde is.

Verder moeten we ter goede trouw aannemen dat natuurwetten daadwerkelijk universeel en onveranderlijk zijn. Of eigenlijk is dat een geloof zoals Hawking aangeeft, want hij beseft zich waarschijnlijk terdege dat er nogal wat wetenschapsfilosofische bezwaren tegen zijn in te brengen. Maar laten we aannemen dat dit zo is: dan leidt dit namelijk volgens Hawking tot de conclusie dat:

Het enige terrein waar godsdienst nog iets over te zeggen kan hebben, is dat van de oorsprong van het heelal, maar zelfs hier maakt de wetenschap vorderingen en zou binnenkort al een definitief antwoord moeten kunnen geven op de vraag hoe het heelal is begonnen. (p.57)

We stuiten hier eindelijk op de centrale kwestie, die in de metafysica bekendstaat onder de stelling die Parmenides voor het eerst formuleerde: Ex nihilo nihil fit. Oftewel: Niets kan niets voortbrengen. Uit niets kan niets ontstaan. Iets kan niet uit het niets komen. Als het menselijke verstand één logische stelling al kan begrijpen, dan lijkt het deze te zijn.

Het is duidelijk volgens Hawking dat het heelal niet eeuwig bestaat, dat kan natuurwetenschappelijk ook niet. Dan heeft het derhalve een begin gehad, wat iets wat daaraan voorafgaat als een eeuwig-zijn moet vooronderstellen (wat je God kunt noemen). Hawking lijkt echter te suggereren dat de stelling ex nihilo nihil fit overbodig is geworden met de huidige kennis van de natuurwetten: We kunnen namelijk de natuurwetten gebruiken om op zoek te gaan naar de oorsprong van het heelal, waarna we zullen ontdekken dat God niet nodig is om het te verklaren. (zie p. 60 en verder).

Akkoord, doch opgemerkt: Niet nodig is iets anders dan niet bestaand. Maar het is interessanter om te bekijken met welk inzicht hij de metafysische wet ex nihilo nihil fit aan de kant schuift.

Hawking doet eerst een expliciet beroep op zijn pastorale macht, waarin we hem gedwee moeten volgen:

 Ik geef toe dat dit, als wiskunde niet jouw ding is, moeilijk te bevatten is, maar zo zit het wel. (p. 61).

Er volgt in een notendop iets onnavolgbaars over positieve en negatieve energie met als conclusie dat:

Het betekent dat, als de som van het heelal nul is, God niet nodig is geweest om het te scheppen. Het heelal hebben we helemaal gratis gekregen.’ (p. 61)

Voor niets gaat de zon dus toch op. Nu komt het erop neer om aan ons duidelijk te maken hoe vanuit een toestand van ‘nul’ (let op: feitelijk iets anders dan het filosofische niets) er toch de werkelijkheid zoals deze aan ons verschijnt heeft kunnen komen.

Het valt mij op dat natuurkundigen dan handig gebruikmaken van het begrip ‘spontaan’. Consequent natuurkundig kan er volgens mij geen spontaan spontaan bestaan, dus wat dat betreft hebben ze een nieuw begrip nodig, maar bedoeld wordt hier dat klaarblijkelijk vanuit een toestand van ‘nul’ niet uitgelokt of door een ander of iets teweeggebracht, toch een werkelijkheid kan zijn. Op enig ‘ogenblik’ dus:

Wat kan het spontaan ontstaan van een heelal hebben veroorzaakt? Op het eerste gezicht is dit een ongelooflijk probleem; per slot van rekening ontstaat in ons dagelijks leven niets uit niets. (p. 62)

Ik vraag me af of je kunt spreken dat het spontane veroorzaakt kan worden? Is het nu juist dat het spontane geen oorzaak kent? Maar goed, we proberen te begrijpen wat hij hier wil zeggen, al zegt hij het slordig.

Het blijkt dat als we een onderzoek doen naar de allerkleinste deeltjes, dat er dan uit het niets deeltjes kunnen verschijnen:

Dat komt doordat op deze schaal deeltjes als protonen zich gedragen volgens natuurwetten die we de kwantummechanica noemen. En ze kunnen echt willekeurig ontstaan, een tijdje rondhangen en dan weer verdwijnen, om ergens anders weer te verschijnen. (p.62)

Hier moeten we aannemen dat er geen oorzaak of verklaring is dat een deeltje willekeurig ontstaat, behalve dan dat er klaarblijkelijk wetmatigheden zijn die kwantummechanisch worden genoemd en hiervoor ‘verantwoordelijk zijn’. Ik weet niet of ik dat goed uitdruk, maar ik heb al eerder aangegeven dat natuurkundigen hier de schildpad louter hebben ingeruild voor iets anders.

Gelukkig stelt Hawking zichzelf nog wel de uiterst relevante vraag:

…heeft God de kwantummechanica geschapen waardoor de oerknal heeft kunnen plaatsvinden? Anders gesteld: hebben we een god nodig die de theorie van de kwantummechanica opstelde zodat de oerknal kon knallen? (p.63)

Om zich weer te verontschuldigen:

Ik wil niemand die gelovig is kwetsen, maar naar mijn mening heeft de wetenschap een overtuigender verklaring dan een goddelijke schepper. (p. 63).

Wat is dan die overtuigende troef? Naarmate je verder komt in het hoofdstuk, verwacht je toch echt dat een keer het konijn uit de hoed wordt getoverd en dat is nu ook het geval. En het is niet eens zo heel moeilijk te vatten. Het primaire ontstaanspunt van het heelal namelijk, had een dermate hoge dichtheid, dat volgens het begrip van de moderne natuurkunde daar geen tijd kon zijn. Tijd is namelijk een relatief fenomeen wat tot stilstand komt naarmate de kracht van een oneindig dicht zwart gat hoog genoeg is. En dat was de toestand van het beginnende begin:

Terwijl we terugreizen in de tijd naar het moment van de oerknal, wordt het heelal kleiner en kleiner en kleiner, totdat we ten slotte op een punt komen waarin het hele heelal een zo kleine ruimte is dat het feitelijk een enkel oneindig klein, oneindig dicht zwart gat is. En net als met de zwarte gaten die in het heelal zweven, schrijven de natuurwetten iets buitengewoons voor. Ze zeggen ons dat ook hier de tijd zelf tot stilstand moet komen. Je kunt niet in een tijd voor de oerknal komen omdat er voor de oerknal geen tijd bestond. Eindelijk hebben we iets ontdekt dat geen oorzaak heeft, omdat er geen tijd was waarin een oorzaak kon bestaan. Voor mij betekent dit dat een schepper niet mogelijk is omdat er geen tijd bestond waarin die schepper zou hebben kunnen bestaan. (p. 66)

Hoe echter tijd kan beginnen, zonder dat er tijd aan voorafgegaan is, is waarschijnlijk een sprong die te groot is voor de fantasie van Hawking. Of ik begrijp het niet goed en moet aannemen dat tijd ook weer spontaan moet zijn ontstaan samen met het spontane ontstaan van de deeltjes. Die dankzij de aanwezige wetten spontaan konden ontstaan. Het is wellicht flauw te zeggen dat deze wetten ook spontaan zijn ontstaan, maar als dat er nog aan wordt toegevoegd is de cirkel wel rond en zowel de kip als het ei opgeheven. Ik laat even in het midden welke voorstelling ik mij moet maken bij oneindig klein, is dat niets?

Hawking doet tenslotte nog een uitspraak die ik hier in het bijzonder wil aanhalen, het is zijn troef:

Voor de oerknal bestond geen tijd en er was dus geen tijd voor God om het heelal in te maken. (p. 66-67)

Waar hij enerzijds de grondstelling dat niets niets kan voortbrengen aanvalt en natuurkundig goochelt met het begrip niets om er filosofische consequenties aan te verbinden, introduceert hij feitelijk een nieuwe grondstelling ter vervanging: namelijk dat schepping buiten tijd onmogelijk is. Dus waar het mogelijk is dat iets uit niets kan ontstaan of spontaan kan verschijnen of er wetten zijn op grond van wat dan ook, is het klaarblijkelijk wel onmogelijk dat schepping buiten tijd kan plaatsvinden.

Ik zou dan bijdehand willen opmerken dat indien het mogelijk is dat er uit niets iets kan ontstaan, het ook mogelijk zou kunnen zijn dat schepping welgemeend kan worden veroorzaakt buiten tijd (en ruimte) om. Ik zou dat zelfs met wat ingewikkelde redeneringen kunnen staven, die zolang men mij daarin volgt ongetwijfeld overtuigend zijn. Maar mijn punt is: Je kunt niet zomaar een volkomen logische stelling manipuleren en  vervangen om met een nieuwe stelling te komen en gewoon te zeggen dat deze deugt. Dat is wellicht wat menselijk, al te menselijk!

Tenslotte
Dat de natuurkunde zich helemaal niet leent om uitspraken te doen over mogelijkheden van geloof, hemel en schepping moet een intelligent denker als Hawking zeker begrepen hebben. Ik vermoed daarom ook dat hij stiekem de aantrekkelijkheid van deze vraag in combinatie met zijn wetenschappelijke gezag als een bijzondere mogelijkheid zag om een groot publiek te bereiken, aangetrokken door de metafysische beloften, en dit tegelijkertijd wat basale natuurkunde mee te geven.

Het is verder ook al te naïef te geloven dat de natuurkundige wetenschap vroeger of later een definitief antwoord formuleert over het ontstaan van het heelal zoals Hawking meent, zonder een beroep te doen op een causaal principe of een uitleg zonder causaliteit. Op enig moment houdt het gewoon op en moet je een sprong wagen door iets te veronderstellen. Dat kan na een leven van onderzoek de schitterende onduidelijkheid van het bestaan van kwantummechanische wetgeving zijn, maar net zo goed een intelligente eeuwig zijnde schepper. We kennen de keuze van Hawking nu en de lange weg die hij daarvoor bewandeld heeft, maar ik geloof dat de natuurkunde niet de juiste weg is om een sprong als deze te wagen. Als men het mij zou vragen, ken ik veel mooiere wegen naar Rome.

‘Lief dagboek’. Of het exploiteren van wat kwetsbaar is

Een zorgelijke uiting

Had jij een dagboek in je tienerjaren? Vertrouwde je je meest gênante ervaringen en gevoelens toe aan het papier? Dan zoeken wij jou!
goyaproductions.nl (2017)
~~~~~~~~~~~~~~~~~~
“Het droevigste misschien dat van een mens gezegd kan worden is: hij kan niet verheven worden, zijn eigen weten kan hem niet verheffen. Zoals een kind een vlieger oplaat, zo laat hij zijn weten opstijgen; (…) maar zelf stijgt hij niet omhoog, hij blijft in het moeras, steeds meer verlangend naar het opstijgende. Daarom, wie je ook bent, als het op de een of andere manier zo met je gesteld is: schaam je, schaam je, schaam je!”
Søren Kierkegaard, Het ogenblik, 1855

Er valt wat voor te zeggen je niet al te druk te maken over wanstaltige en aanmatigende ideeën in de marge. Soms echter wordt de geest dusdanig getergd en op de proef gesteld, dat niets anders rest dan de pen op te pakken in de hoop zo tot enige verlichting te komen. Vandaar deze kritiek in de marge, zelfs alvorens het daadwerkelijke kwaad is geschied.

Sinds enige weken word ik namelijk geregeld geconfronteerd met een promo op publieke zenders en sociale media voor een nieuw televisieprogramma, genaamd ‘Lief Dagboek’, wat me telkens meer stoorde, totdat het niet meer te verdragen was:


Volwassen mensen worden opgeroepen om hun persoonlijke ervaringen die ze ooit in hun puberteit aan papier hebben toevertrouwd te delen voor een ‘enthousiast’ publiek, en aan iedereen die veilig achter de (sociale) media zit mee te gluren. Daarbij wordt de valse suggestie gewekt dat de schaamte er toen al per definitie zou zijn. De bedoeling is dat er een zesdelig programma ontstaat, gebaseerd op een Amerikaanse theatertour genaamd Get Mortified. We zien Marc Marie Huijbregts eindigen met een zorgwekkende oneliner: #Share the shame#.

Voorproefje
In deze promo is een verontrustend fragment te zien van wat te wachten staat. Een ‘voorproefje’. We zien een kale veertiger, waarschijnlijk genaamd Frank Stojansek (aangezien dat groot is geprojecteerd op een scherm achter hem), die een onleuk clichématig stuk voorleest dat handelt over seksualiteit (want daar zijn pubers natuurlijk alleen maar mee bezig en dat typeert hun niveau), waarna er wordt geschakeld naar een publiek dat er om moet lachen en klappen en vrolijk van wordt. Ik maak me er sterk voor dat dit vermaakte publiek er zorgvuldig achter is gemonteerd, want mensen die hier om moeten huilen, zuchtend wegkijken, de handen ten hemel heffen of de mensheid als verloren beschouwen levert natuurlijk geen goede promo op, al zou het oneindig meer op zijn plaats zijn.

Medelijden
Zelfs slechts een paar seconden te zien, levert mij een diep medelijden op met deze Frank, die er waar het om schaamte gaat bijzonder glunderend bij staat.
Zijn oude zelf wordt publiekelijk te kakken gezet, wordt uitgelachen en in absolute zin geminacht zonder dat hij het zelf doorheeft -dat hoop je toch-, anders was hij er nooit gaan staan. Dat maakt het ‘komische’ inherent tragisch.

Daarbij en dat is nog ernstiger, wat dit hele concept van plan is te doen, is de puberteit te minachten. Te lachen om de ernst van die levensfase en feitelijk iedereen die zich daarin nu begeeft. Het is niet minder dan het pure denigreren van de puberteit en van het jongere zelf waarbij de schaamte wordt gebagatelliseerd, terloops belachelijk wordt gemaakt en bespot. Want er is feitelijk helemaal geen sprake van schaamte, of wel?

Stel dat deze mensen op dat podium zich daadwerkelijk schamen, past het dan te lachen? Men moet bij wijze van onethisch pedagogisch experiment eens een kind of puber consequent uitlachen wanneer er sprake is van schaamte. Bovendien, mensen die zich daadwerkelijk schamen buiten dat nooit uit op een podium laat staan dat ze er triomfantelijk genoegen in scheppen. Genoegen scheppen in schaamte is een contradictio in terminis.

Schaamte en ernst
Als we schaamte wel recht doen, dan beschouwen we deze als een kwetsbare en pijnlijke emotie die ontstaat vanuit het idee dat wie men is niet past bij wie men denkt te moeten of willen zijn*. Schaamte duidt op een sociaal-menselijk tekort (vgl. Dearing, R.L & Tangney, J.P. (2011) Putting shame in context. In: Shame in the therapy hour) waarbij er een constante verhouding is tot de ontwikkeling, identificatie en positionering van het zelf. Schaamte is niet een handeling waar mensen bewust voor kiezen, het is een toestand waarin ze terecht komen, die hen in de passieve zone van hun bestaan overvalt en waardoor zij zich in hun kwetsbaarheid blootgeven, zodanig dat ze dat willen opheffen (Verhoeven, C. (2002). Dierbare woorden. p. 350).

Dus als er dan toch sprake is van schaamte, hoe absurd is het dan om deze kwetsbaarheid te exploiteren voor een paar lachers op de hand? Hoe goedkoop doet men zijn innerlijkheid van de hand, dat ooit van waarde was, door zich als een van reflectie gespeend clowntje ter beschikking te stellen aan een kudde uit- en toe-lachers? Want denk je eens in: wat bezielt mensen om te gaan kijken naar hoe iemand uit de school klapt over ‘zijn meest gênante pubermomenten’?

Moet hier wellicht iets overwonnen worden? Is er sprake van een therapeutische, psychoanalytische bedoeling? In beide gevallen legt dit juist de pijnlijke minachting bloot: Pubers moeten zich schamen voor wat ze op dit moment schrijven, voelen, denken, zingen en dichten. Ze moeten zich schamen voor hun leefwereld. Ze moeten zich schamen voor hun zorgen, die door de volwassenen a postriori niet serieus worden genomen, maar worden weggelachen: ‘Want let maar op, de schaamte komt vanzelf’, zegt de volwassene. En het lachen is hier weer het denigreren. En als de tiener zich al werkelijk a priori schaamt, dan is er straks iemand op een podium die ervoor zorgt dat dit hoe dan ook totaal niet serieus genomen wordt: ‘We maken er gewoon een circus van, haha!’

Vragen…
Het doet diepere vragen stellen over de bedoelingen van dit alles en de ontische oorsprong van reflectieloos exhibitionisme. Waarom kan het kwetsbare niet privaat zijn, maar moet het publiek worden? Al langer is er de pathologische tendens waarneembaar dat kwetsbaarheid tentoonstellen loont. Enkele historische dieptepunten – waarbij het kijken je inderdaad doet schamen- betreffen de “losers” van Idols die in een Arena werden misbruikt voor de commercie, of het eveneens tragische lot van Ceri Rees in X-Factor. Met het indirect tentoonstellen en exploiteren van kwetsbaarheid zou je kunnen zeggen dat er een nieuwe quasi-intellectuele dimensie is aangeboord van juist schaamteloosheid.

Tenslotte
Iemand zal ongetwijfeld te berde brengen dat we eerst maar eens rustig moeten afwachten wat er daadwerkelijk van komt. Maar de grond van dit wanstaltige idee is m.i. zo vervuild, dat alles wat erop wordt gebouwd misselijk maakt. Een promo is de kern van wat men verkopen wil. Niemand zou überhaupt als doel op zichzelf moeten willen lachen over wat iemand in alle ernst in zijn tienerjaren heeft beleefd, en als dat dan toch op de een of andere manier een behoefte is, hoe onbegrijpelijk ook, doe dat dan samen in een stille kamer en wijd er eens wat diepere reflectie aan en laat het een aanzet zijn tot zelfonderzoek. Kijk vooral met eerlijke en respectvolle blik naar de betekenis van wat je toen opgeschreven hebt, in plaats vanuit een commercieel perspectief van valse schaamte of ridiculisering van een levensfase die voor een groot gedeelte ten grondslag ligt aan wie je nu bent. En ik hoop van ganser harte dat het niet dat clowntje is op dat podium.

________________

* Shame is a prevalent and painful emotion that arises frequently in everyday life and that can contribute to the psychological difficulties that cause people to seek treatment. Feelings of shame arise in situations in which an individual recognizes that he or she has committed an offense or violated a standard that is held to be important. Experiences of shame tend to be intense and overpowering because they evoke a sense of being bad, worthless, or contemptible. Shame is frequently associated with a sense of powerlessness, as well as sensations of shrinking, feeling small, being exposed, and wanting to disappear. (p. 4)

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2019 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"