Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Judith Jarvis Thomsons A Defense of Abortion: besproken en becommentarieerd

Een inleiding tot stellingname in de discussie over de moraliteit van abortus aan de hand van Judith Jarvis Thomsons ‘A Defense of Abortion’*

Geschreven voor en met dank aan Sanne Eschbach

 ‘The child that I carry for nine months can be defined neither as me nor as not-me’
Adrienne Rich (1929-2012)

 

Klik hier voor de laatste cijfers over abortus bij de jeugd   en hier over 2021 (27/09/2022)

Klik hier voor de cijfers over abortus (1/04/2021)

Klik hier voor cijfers over abortus. (7/2/2019)

Lees ook: Het recht een zwangere vrouw alcohol te weigeren

Waarom we ons moeten blijven bemoeien met abortus

Medische ethiek in de praktijk: overwegingen voor iedereen

Contra abortusrecidive. Of: de sterkste aanzet tot nuancering van het abortusrecht

Saskia Noort en abortus: van de regen in de drup

Argumenten voor verplichte anticonceptie bij ongewenste zwangerschap

Inleiding
Judith Jarvis ThomsonIn dit essay bespreek ik de moraliteit van abortus op basis van Judith Jarvis Thomsons klassieke tekst uit 1971 A Defense of Abortion. Hoewel de titel dus luidt ‘een verdediging van abortus’ is het Ronald Dworkin die in Life’s Dominion: An Argument About Abortion, Euthanasia, and Individual Freedom (1993, p. 54) opmerkt dat bijzonder veel feministen juist een hekel hebben aan het artikel van Thomson. Later zal blijken waarom.

Desondanks is het tot op heden onovertroffen in aantrekkelijkheid en toegankelijkheid wat betreft argumentatie over het onderwerp en blijft het een bron van verwijzing. De tekst neemt niet voor niets op de lijst van De belangrijkste filosofische artikelen van de 20e eeuw een 8e plek in.

Het artikel dat werd gepubliceerd in de eerste editie van Philosophy & Public Affairs bestaat uit een inleiding en acht secties waarin uiteen wordt gezet dat er omstandigheden denkbaar zijn waarin het moreel toegestaan is om een onschuldige persoon te doden, in het bijzonder daar waar de persoon buiten zijn eigen schuld om zelf een mogelijke dreiging vormt ten aanzien van een ander.

Hoewel het artikel inhoudelijk op een aantal punten is gedateerd en al meer dan 40 jaar blootstaat aan juridische, ethische en filosofische aanvallen, biedt het als vertrekpunt genoeg aanknopingspunten voor een kritische analyse en de mogelijkheid een eigen visie over het probleem van abortus, recht en verantwoordelijkheid te ontwikkelen. Ik stip daarbij verschillende morele dilemma’s aan en probeer in verschillende alinea’s (actuele) problemen te benoemen.

Daarmee heeft dit essay met zijn uitgebreide commentaar, zijn vragen, verwijzingen en voorbeelden ook vooral de bedoeling om als inleiding en discussiestuk te fungeren voor niet ingewijden die zich een mening willen vormen over het onderwerp, waarbij mijn persoonlijke insteek erop is gericht om door middel van verschillende argumenten de ‘vrijheid van abortus per definitie’ scherp te benaderen. Dat ik dus zelf kritisch sta ten opzichte van abortus, is daarmee gezegd.

 Samenvatting en commentaar
A Defense of Abortion

Inleiding
Thomson (1929) begint met het aanstippen van de vraag wanneer een foetus een persoon wordt. Het meest voorkomende argument tegen abortus is dat de foetus een persoon is vanaf het moment van conceptie. Hoewel ze denkt dat dit argument onjuist is (omdat we een eikel ook niet al de status van eik toekennen), is ze bereid om het te accepteren. De argumentatie van tegenstanders van abortus gaat dan als volgt: ‘Ieder mens heeft recht op leven, dus de foetus heeft recht op leven.’ De moeder heeft weliswaar een recht om te beslissen wat er met en in haar lichaam mag gebeuren, maar het recht van een persoon (wat een foetus dus is) op leven gaat boven het recht van de moeder om te beslissen wat er in en met haar lichaam gebeurt. Abortus is dus altijd uitgesloten (standaard-argument).

Dan volgt haar gedachte-experiment van de beroemde violist dat de bedoeling heeft de argumentatie van deze tegenstanders met wie ze het hele artikel in gesprek is, te bestrijden.

Denk je in dat je op een zekere ochtend wakker wordt, rug aan rug gekluisterd in een ziekenhuisbed aan een beroemde violist. Bij hem is een fatale nierziekte vastgesteld, en de Vereniging van Muziekliefhebbers heeft alle beschikbare medische dossiers doorzocht en ontdekt dat toevalligerwijs alleen jij het goede bloedtype hebt om te helpen. Daarom heeft deze vereniging je ontvoerd en zijn de nieren van de violist via een circulatiesysteem aan de jouwe verbonden. Dankzij jouw nieren wordt nu zowel je eigen bloed als zijn bloed gezuiverd. Een directeur van het ziekenhuis vertelt je dat als ze dit hadden geweten, de koppeling nooit hadden toegestaan. Maar het is nu eenmaal gebeurd: de violist zit aan je verbonden. Hem losmaken zou zijn dood betekenen. Maar gelukkig is het slechts voor negen maanden, want daarna zal hij voldoende hersteld zijn en veilig losgekoppeld kunnen worden.

Kunnen degenen die zich onvoorwaardelijk verzetten tegen abortus een uitzondering maken voor een zwangerschap ten gevolge van een verkrachting?

Commentaar: inleiding
Het probleem van abortus is buitengewoon complex omdat het een moreel probleem is. Het gaat over goed en kwaad, en wanneer het daarover gaat zijn er per definitie uiteenlopende en aan elkaar tegengestelde opvattingen waarvan in vele gevallen niet te zeggen is dat de ene opvatting beter is dan de andere, iets wat velen in de discussie over abortus wel geneigd zijn om te vinden. Of zoals Gert, Culver et al. (2006) in Bioethics: A Systematic Approach stellen: ‘We intend to show that no arguments provide conclusive support either for the view that abortion is prima facie morally wrong or for the view that it is morally wrong to legally prohibit abortion.’(p. 65).

De illusie hebben dat er een unieke en juiste oplossing is voor het probleem zou een voorbeeld zijn van morele arrogantie. Als we de overtuiging hebben dat we met onze argumenten alle redelijke personen aan onze kant zouden moeten hebben, zou dit betekenen dat iedereen die het niet met ons eens zou zijn, onredelijke personen zijn. Toch is dat natuurlijk de insteek van een filosoof en in zekere zin ook de insteek van dit essay. Dat is ook de reden waarom het aantrekkelijk is om gedachte-experimenten te ontwikkelen, omdat deze in het bijzonder de bedoeling hebben aanspraak te maken op onze redelijkheid, wat vervolgens doorwerkt op onze morele opvattingen. Dat is ook de insteek van Thomson.

Thomson bevindt zich gematigd aan de ‘pro-choice’ kant, waar ze een lans breekt voor keuze voor de vrouw in bepaalde gevallen. Ze loopt daarmee vooruit op verschillende wetgeving in westerse landen die sindsdien (1971) meer ruimte hebben gecreëerd voor de vrouw om te kiezen of ze het kind wil dragen of niet.

–        Zijn foetussen personen (I)?
Hoewel Thomson bereid is om te accepteren dat foetussen vanaf dag één personen zijn (we belanden anders in een oeverloze discussie en op een zogenaamde ‘slippery slope’), is het in de filosofie juist een van de belangrijkste en meest bediscussieerde argumenten voor abortus dat ze dat niet zijn[1]. Feitelijk vindt Thomson dat ook, al is haar argument dat een eikel geen eik is juist niet van toepassing op iets metafysisch als een ‘persoon’.

–        De sorites paradox
Het is juist dat iemand de status van persoon meegeven op enig later moment arbitrair is, iets wat samenhangt met de sorites paradox, of de paradox van Eubulides van Miletus: 1.000.000 zandkorrels is een hoop zand (premisse 1). Een hoop zand min één korrel is nog steeds een hoop (premisse 2). Omgekeerd analoog: een foetus van 1 seconde oud, is geen persoon (premisse 1). Een foetus van een seconde oud, waar een seconde aan wordt toegevoegd, is nog steeds geen persoon. Het wonderlijke doet zich dan voor dat men de status van ‘persoon’ dus in een seconde kan verdienen (evenals de status van een hoop zand klaarblijkelijk afhangt van 1 zandkorrel die wordt weggenomen). Het is deze ‘slippery slope’ waarmee in de morele en juridische praktijk telkens wordt geworsteld, omdat de status van persoon afhankelijk is van allerlei subjectieve gewaarwordingen en ontwikkelingen die met de tijd veranderen.

–        Zijn foetussen personen (II)?
De complexiteit van deze vraag wordt in de praktijk zichtbaar door het feit dat de antwoorden uiteenlopen van ‘een foetus is geen persoon’ tot ‘een foetus is een persoon’ tot ‘een foetus is een beetje een persoon’. Ik zal kort een schets geven van de discussie, omdat de crux van de argumentatie van zowel voor- als tegenstanders van abortus vrijwel altijd samenhangt met de status van de foetus. Daarom zet ik twee tegengestelde visies naast elkaar, die allebei stellen dat het morele probleem van abortus op een unieke en juiste manier is te beantwoorden.

–        Donald Marquis: Why Abortion Is Immoral
In een invloedrijk artikel uit april 1989 dat verscheen in de Journal of Philosophy is Marquis niet direct geïnteresseerd in de vraag of een foetus een persoon is, maar in de vraag wat we intrinsiek verkeerd vinden aan het feit dat iemand vermoord wordt. Marquis stelt dat dit het feit is dat we iemand van zijn toekomst en daarmee zijn mogelijkheden beroven. Het doden van een foetus is daarom moreel verkeerd, omdat we daarmee hetzelfde doen als wat we afkeuren bij het doden van een persoon. Sterker nog, in termen van toekomstige ruimte verliest een foetus meer mogelijkheden, ervaringen, kansen en indrukken dan bijvoorbeeld een 55-jarige man die wordt gedood. We zijn daarom verplicht om wezens die op zich bestaan te beschermen onder de morele wet waarvan we duidelijk inzien dat ze een toekomst tegemoet zullen zien, zoals wij onze toekomst tegemoet zien. Dit is ook wel bekend als het ‘future-like-ours’ argument, ‘widely viewed by philosophers as containing the single most powerful argument against abortion’ (Boonin, 2003, p.20).

–        Mary Ann Warren: On the Moral and Legal Status of Abortion
Warren stelt in haar artikel dat morele wezens vooral zichzelf willen beschermen. Dus het is niet vreemd dat de morele wet morele wezens beschermt. Het zegt echter niets over de bescherming van niet morele wezens. Warren werkt daartoe een lijst uit van vijf kenmerken, waaruit kan worden opgemaakt of er sprake is van een moreel wezen: (1) er is bewustzijn (consciousness), (2) het vermogen tot redeneren, (3) de mogelijkheid van zelf-gemotiveerde activiteiten, (4) de capaciteit om (taalkundig) te communiceren, en (5) er is een zelfbeeld en zelfbewustzijn (self-awareness).

Iemand die alle vijf kenmerken bezit, is duidelijk een persoon die lid is van een morele gemeenschap. Hoewel ze bereid is om toe te geven dat de eigenschappen (1) en (2) alleen voldoende zijn voor persoonlijkheid, stelt ze dat een wezen dat geen van deze kenmerken heeft, nooit een onderdeel van de morele gemeenschap kan zijn en dus ook nooit aanspraak kan maken op morele rechten. En dat geldt dus met zekerheid voor vroege foetussen.

–        Thomsons middenpositie
In beide bovenstaande gevallen lijkt het er echter op dat het maken van uitzonderingen op de argumenten, moreel verkeerd is. Het pleit voor Thomson dat ze daarom ervoor kiest te laten zien dat abortus toegestaan is, zelfs als we de foetus de status van persoon toekennen. Al moet worden opgemerkt dat haar allerlaatste zin van het artikel een duidelijk statement is: ‘it should be remembered that we have only been pretending throughout that the fetus is a human being from the moment of conception. A very early abortion is surely not the killing of a person, and so is not dealt with by anything I have said here.’

–        Is het menselijk leven van exceptionele waarde?
Zouden we ons overigens beroepen op het feit dat het niet belangrijk is dat we (potentiële) personen moeten beschermen, maar (potentiële) mensen (want een foetus heeft wellicht moreel niet de kenmerken van een persoon, maar wel de biologische kenmerken van een mens; zie ook commentaar sectie 7) dan is ook dat misschien niet voldoende:

De doctrine dat ‘het menselijke leven van exceptionele waarde is’ stelt Peter Singer, kan nooit een uitgangspunt zijn in een discussie, omdat het stoelt op een religieus dogma. Hij verwerpt dan ook transcendente mensenrechten als een fictie. De overtuiging dat louter het behoren tot onze soort, ongeacht andere eigenschappen, een wezenlijk verschil betekent, is een erfenis van het religieuze tijdperk dat miskent dat andere levende wezens uit precies dezelfde bouwstenen bestaan dan mensen en zelfs –mocht iemand dat belangrijk vinden- evenzeer eigenschappen als rationaliteit, zelfbewustzijn, besef van ervaringen, autonomie, vreugde en verdriet hebben. Sterker nog, zegt Singer (zonder dat hij dat nader onderbouwt), varkens en kippen scoren op die eigenschappen veel hoger dan de foetus in een willekeurig stadium van de zwangerschap. Zelfs een vis zou meer tekenen van bewustzijn vertonen dan een foetus van minder dan drie maanden oud (Een ethisch leven. p. 205).

Aan de andere kant, wanneer we ons afvragen wanneer foetussen filosofische verhandelingen zouden kunnen schrijven, zou dit dan een verschil moeten maken voor de legale status van abortus, omdat een moeder dan wel rechteloos wordt of zou moeten worden (vgl. Het laatste woord over abortus)? Een kritisch artikel, vanuit een pro-life beweging, doch met redelijk wat steekhoudende argumenten tegen Singer is hier te vinden.

–        Het morele probleem van abortus is fundamenteel onoplosbaar
Het heeft er alle schijn van dat Singer, overigens net als Warren, zich met zijn argumentatie midden op een glijdende helling positioneert, waarbij infanticide op zelfs gezonde baby’s uiteindelijk bespreekbaar zou moeten worden en op grond van de argumentatie ook geoorloofd zou zijn. Ik geloof niet dat dat op dit moment een zinvolle bijdrage levert aan de abortus discussie.

Willen we ons adequaat positioneren in de discussie, door ons bewust te worden van de aard van het problem, dan is het juiste uitgangspunt het volgende belangrijke inzicht: ‘There is no unknown fact that, were it discovered, would resolve this disagreement (whether fetuses belong in the fully protected group, or in a group that is protected at all). No biological discovery about an embryo or fetus will make them into moral agents. Also, no biological discovery will make it irrational for a moral agent to want to include fetuses in the fully protected group. Thus, we have a classic unresolvable moral problem. There is not even any conclusive moral argument for legally allowing each pregnant woman to make a decision with regard to her own fetus.’ (Gert et al. 2006, p.75).

–        Religieuze dogma’s zijn niet noodzakelijk om tegen abortus te zijn
Hoewel bijvoorbeeld christenen zich actief in het abortusdebat begeven en zich daarmee eveneens positioneren op een absoluut en enig moreel juist gelijk, lijkt het weinig zinvol om de hedendaagse discussie te voeren op basis van religieuze dogma’s. Eens temeer omdat er juist zeer krachtige argumenten kunnen worden aangedragen tegen abortus die berusten op biologische en filosofische grondslagen[2]: daar waar de discussie tegenwoordig bepalend is en van invloed is op de concrete praktijk, gaat het niet over religieuze uitgangspunten, maar over mensenrechten en sociale rechtvaardigheid.

Toch is Thomson in beginsel in gesprek met mensen die wel de radicale (dogmatische) stelling hanteren dat abortus altijd moord is.

We zullen zien dat gedurende het hele artikel, de analogie van de beroemde violist het centrale uitgangspunt blijft en vooral standhoudt wanneer het gaat om een vrouw die zwanger is geworden op basis van een verkrachting. In dat opzicht lijkt de verdediging te slagen, maar is de discussie tegenwoordig al lang niet meer zo zwart-wit? Verder is een veelgehoord bezwaar dat dit soort analogieën (de ernst van) de discussie vertroebelen, omdat ze simpelweg ‘te raar zijn’[3]: ‘The moralities we have represent some ways of dealing with the realities and regularities of human life; and they may not fit well the irregularities or impossibilities….So what is appropriate for kidnapped kidney bearers and their violinist parasites might not be appropriate for mothers and the babes in their wombs’[4].

Zelf ben ik er echter van overtuigd dat gedachte-experimenten en analogieën mits ze adequaat ontworpen zijn, sterke zeggenschap kunnen hebben over de realiteit en iets van onze morele opvattingen kunnen blootleggen. Ik zal in dit artikel er zelf ook een aantal uiteenzetten.

1. Het leven van de moeder
Wanneer we stellen dat een foetus evenveel recht heeft op leven in vergelijking met een volwassen vrouw, levert dat verschillende problemen op. Stel dat een zwangere vrouw ontdekt dat ze een hartaandoening heeft die haar fataal zal worden indien ze de foetus voldraagt, wat kan er dan voor haar gedaan worden, wanneer iemand zich op het standpunt stelt dat abortus moord is?

In beide gevallen gaat het om een persoon met gelijke rechten, zou iemand dan een munt willen opgooien? Of moet aan het recht van de moeder op leven worden toegevoegd dat ze het recht heeft om te beslissen wat er in en met haar lichaam gebeurt?

Het argument wat dan stand lijkt te houden, is dat het uitvoeren van abortus een actieve handeling is, die direct de dood tot gevolg heeft, terwijl wanneer er niets wordt gedaan, er een passieve beweging plaatsvindt die de moeder doet sterven. De plicht om iemand te weerhouden van het direct te doden van een onschuldig persoon gaat dan boven de plicht te verhinderen dat een persoon sterft.

Thomson stelt echter dat dit een absurde redenering is. Hoe kan er sprake zijn van moord, wanneer een moeder omwille van haar eigen leven te redden een abortus ondergaat? In hoeverre volgt uit de stelling dat het doden van een onschuldig persoon betekent dat de moeder in dit geval gedwongen moet worden passief toe te kijken hoe ze zal sterven? Dat is even absurd wanneer je in de analogie van de violist, passief af moet wachten dat je binnen een maand zult sterven omdat de violist plotseling meer van je nieren nodig blijkt te hebben dan je aan kunt.

De conclusie is dat een moeder altijd het recht heeft op zelfverdediging en zelfbehoud wanneer haar leven op het spel staat terwijl ze onschuldig is, en de reden dat haar leven op het spel staat veroorzaakt wordt door een onschuldig wezen. Dat rechtvaardigt het argument dat buitenstaanders niet kunnen interveniëren, maar de persoon die bedreigd wordt in zijn leven wel.

1. Commentaar: het leven van de moeder
In deze sectie wordt feitelijk het extreme standpunt dat abortus hoe dan ook niet mag worden voltrokken weerlegd, door te wijzen op de absurde consequenties die dat met zich meebrengt voor de moeder. Ook hier baseert Thomson zich op het idee dat de persoon wiens leven op het spel staat door zwangerschap er zelf niets aan heeft kunnen doen, dan wel niet heeft kunnen vermoeden dat het eigen leven op het spel zou komen te staan. Dat geeft in ieder geval ruimte voor vragen die samenhangen met de idee dat een persoon dit wél heeft kunnen vermoeden of er zelf wél voor verantwoordelijk is geweest.

–        Juridische rechten en morele rechten
Stel bijvoorbeeld dat iemand weet dat ze een zwak hart heeft en dat een zwangerschap haar fataal zou worden. Stel vervolgens dat ze onverantwoord met dit risico omgaat, bijvoorbeeld door aantoonbaar veelvuldig onveilig te vrijen, en zwanger wordt van een tweeling. Dan is het nog steeds een juridisch recht van de vrouw om abortus te plegen, maar in hoeverre zouden we dit ook een moreel recht willen noemen? Het lijkt alsof een groot gedeelte van de hedendaagse discussie juist hierom draait. Want stel dat er een vader is die in staat is om voor de tweeling te kunnen zorgen, en die wens ook heeft, waarom zou hij dan niet een juridisch recht hebben op de kinderen? Met andere woorden: in welk opzicht kan abortus moreel verkeerd zijn omdat het rechten van de vader miskent?

Het meest standaard argument is dat iemand nooit over de eigenheid van een ander lichaam mag en kan oordelen, en er nooit a priori een recht kan bestaan dat stelt dat een ander verplicht iets met zijn lichaam moet doen. (Westerse) juridische pogingen die ondernomen zijn om een vrouw te weerhouden van abortus (binnen geldende regels) zijn dan ook mislukt. Zo hebben Amerikaanse en Britse rechtbanken consequent besloten dat een vrouw het recht op een abortus niet kan worden geweigerd door een echtgenoot, partner of ex, en hebben nadrukkelijk de Amerikaanse rechters zelfs gesteld dat een vrouw niet verplicht kan worden de vader mee te delen dat zij van plan is om een abortus te ondergaan.

–        Europese Commissie voor de Rechten van de Mens
In een zaak (Paton vs Groot-Brittannië) die uiteindelijk belandde bij de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens in 1980, stelt de commissie dat ze de vader wel als slachtoffer beschouwt: ‘The commission accepts that the applicant, as potential father, was so closely affected by the termination of his wife’s pregnancy that he may claim to be a ‘victim’, within the meaning of Article 25 of the Convention, of the legislation complained of, as applied in the present case.’, maar dat de zaak uiteindelijk niet ontvankelijk is, onder andere omdat: ‘The Commission considers that it is not in these circumstances called upon to decide whether Article 2 does not cover the foetus at all or whether it recognises a ‘right to life’ of the foetus with implied limitations. It finds that the authorisation, by the United Kingdom authorities, of the abortion complained of is compatible with Article 2 (1), first sentence because, if one assumes that this provision applies at the initial stage of the pregnancy, the abortion is covered by an implied limitation, protecting the life and health of the woman at that stage, of the ‘right to life’ of the foetus.’ (Artikel 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens beschermt het recht van iedere persoon op leven). Natuurlijk, zoals Thomson ook van oordeel is, moet het leven van een vrouw beschermd worden – maar dat is misschien niet wezenlijk het probleem. Verder lijkt het mij een nog schimmig en onontgonnen terrein.

Hoewel ik er geen jurisprudentie over gevonden heb, lijkt het juridisch gezien ook in Nederland lastig om een vrouw te verbieden om een abortus uit te laten voeren en is het waarschijnlijk dat een belangenafweging door een rechter in de praktijk in het voordeel van de moeder zou uitvallen.

De vraag blijft dan vooral waarom, en nog meer: in alle redelijke gevallen denkbaar? En is een moreel recht, uiteindelijk niet een grond voor een juridisch recht?

–        Onwetend zwanger
Op de eerste plaats kan de wetgever wel degelijk verplichten of eisen stellen aan hoe iemand met zijn lichaam behoort om te gaan. Stel bijvoorbeeld dat een vrouw haar zwangerschap niet bemerkt (naar verluidt komt dat tientallen malen per jaar voor), maar op geen enkele wijze behoeftig is aan een kind. Ze komt er vervolgens in de 24e week van de zwangerschap achter dat ze een kind draagt. Nu geldt er geen recht meer op autonomie en wordt de vrouw alsnog verplicht door de wet het ongewenste kind uit te dragen. Er kan dus wel degelijk een omstandigheid plaatsvinden, waarbij iemand tegen zijn wil in een kind behoort uit te dragen, maar omdat dit een nogal exotisch voorbeeld is, ga ik wat nader in op het probleem van miskende rechten van de vader en daarnaast het begrip ‘noodsituatie’ en de reflectieve rol van de arts.

–        Noodsituatie en de rechten van de vader (I)
De Amerikaanse filosoof G.W. Harris stelt in zijn artikel Fathers and fetuses (1986. Ethics 96 (3): 594–603) de zogenaamde vanzelfsprekende belangenafweging die een rechter maakt voor de vrouw aan de kaak. In vele gevallen is namelijk goed voorstelbaar dat een man een capabele ouder kan zijn en de zwangerschap zich op gezonde wijze voltrekt, zodat er geen sprake meer is van de oorspronkelijke noodsituatie. De Nederlandse wet stelt namelijk dat er sprake moet zijn van een noodsituatie om de zwangerschap af te kunnen breken: ‘Bij algemene maatregel van bestuur worden eisen gesteld met betrekking tot hulpverlening en besluitvorming, welke erop zijn gericht te verzekeren dat iedere beslissing tot het afbreken van zwangerschap met zorgvuldigheid wordt genomen en alleen dan uitgevoerd, indien de noodsituatie van de vrouw deze onontkoombaar maakt.’ (Art. 5 Waz). Maar of iets een noodsituatie is, dat bepaalt de vrouw. In de wet zelf is daarover (bewust) geen enkele aanwijzing gegeven.

–        Eerbied voor het leven als ethische grondnorm?
Om te zien hoe op welke progressieve glijbaan het begrip ‘noodsituatie’ zit, is het aardig om een publicatie van C.P Sporken aan te halen uit 1977. Sporken, toenmalig hoogleraar medische ethiek aan de Universiteit Maastricht spreekt in Ethiek en gezondheidszorg van een concrete conflictsituatie waarbij twee levens zijn gemoeid: het leven van de vrouw en van het zich ontwikkelende menselijke leven van de foetus. Onder welke voorwaarden kan dan een zwangerschap worden afgebroken?

Ik citeer: ‘het behoeft geen betoog dat een lichtvaardig beslissen in dezen onverantwoord is. In het nu volgende bedoel ik dan ook niet te spreken over ongewenste zwangerschap in de zin van ‘eigenlijk niet goed uitkomen’ of ‘toch wel een beetje ongewenst zijn’, maar over de situatie van een zwangere vrouw, die zich in een serieuze conflictsituatie bevindt’ (p. 138). De beslissing om tot abortus over te gaan kan dus slechts in aanmerking komen, volgens Sporken, als er geen enkele mogelijkheid bestaat om de conflictsituatie op een andere manier tot oplossing te brengen. De belangrijke ethische grondnorm zo stelt hij, die uitgaat van eerbied voor het menselijke leven dat ook geldt voor het ongeboren menselijke leven, moet wanneer dit menselijk leven moedwillig tot stilstand wordt gebracht zich bevinden tegenover een ernstige conflictsituatie.

Sporken zelf wijst overigens iedere afbreking op grond van sociale indicatie af (ontoereikende financiële middelen, de beperkte behuizing, verstoring in de gezinssamenstelling, het ongehuwd zijn, of bang voor de opvoeding). Een sociale indicatie kan serieus zijn, er zijn echter talloze oplossingen denkbaar die geopperde moeilijkheden kunnen neutraliseren waardoor er van een noodsituatie of conflictsituatie nauwelijks sprake hoeft te zijn (p. 146-147). De vraag die dan openligt: kan een begrip als ‘noodsituatie’ heden ten dage soeverein toekomen aan een persoonlijk gevoel van een moeder?

–        De arts en het verantwoorden van de noodsituatie
De rol van de arts, eveneens nader toegelicht in de Wet afbreking zwangerschap, is daarbij wellicht cruciaal om op te vatten of er sprake is van een noodsituatie. Ook dan is een sterke mate van subjectiviteit onontkoombaar, terwijl juist de medische wetenschap behoefte heeft aan scherp omlijnde criteria. Want zo wordt gesteld in de Richtlijn begeleiding van vrouwen die een zwangerschapsafbreking overwegen (2011, Nederlands Genootschap van Abortusartsen), de arts kan zijn medewerking verlenen indien naar zijn inzicht, alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, de noodsituatie van de vrouw de abortus onontkoombaar maakt. Daarbij worden dus ‘nood’ en ‘onontkoombaarheid’ aan elkaar gekoppeld. Nader onderzoek naar ‘noodsituaties’ leidt dan tot opvattingen bij de vrouw als ‘Momenteel geen wens voor een kind’, ‘Ik voel me nog te jong’, ‘Ik ben bezig met een opleiding’, ‘Financieel is het lastig’ of ‘Ik woon nog bij mijn ouders’ (zie daartoe o.a. Gevers, J.K.M., Visser, M.R.M. et al. (2005). Evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap. P. 100 ev.).

Met een sterk inlevingsvermogen is het nog voorstelbaar dat een vrouw dit zelf als noodsituatie kan verantwoorden, maar toch zeker geen academisch en moreel geschoolde arts. Tenzij dus de arts niet voor zichzelf afweegt wat een noodsituatie betekent, maar dit geheel voor rekening laat van een vrouw, is het moeilijk voorstelbaar dat er in de genoemde vijf gevallen überhaupt een arts kan worden gevonden die op deze gronden abortus voor zijn rekening wil nemen. Met andere woorden, in hoeverre is een sociale indicatie (vgl. Sporken) volgens een arts niet met alternatieven te bestrijden? En waarom niet? In hoeverre speelt de ethische grondnorm die uitgaat van eerbied voor het menselijke leven nog een rol in de afweging van een arts? En hoe verhoudt deze grondnorm zich dan ten aanzien van een sociale indicatie als grondslag voor abortus? Opvallend is overigens dat blijkt dat zowel volgens hoofden van klinieken als ziekenhuizen het aan de vrouw is om te beoordelen of het om een noodsituatie gaat, waarbij geregeld slechts zeer summier wordt doorgevraagd naar de redenen (Gevers et al. (2005). P. 162). Niet alleen is dat een merkwaardige zaak, het wekt ook dubieuze gevallen in de hand waarbij er gelogen wordt over de nood wanneer men bijvoorbeeld ontevreden is over het geslacht.

–        Kwalitatief onderzoek naar morele verantwoording
Het is in dat perspectief van belang te onderzoeken op welke wijze de arts zowel medisch als ethisch aan zichzelf kan verantwoorden mee te gaan in het uitvoeren van abortus wanneer bijvoorbeeld de noodsituatie omschreven wordt als ‘ik voel me nog te jong voor een kind’.
Zelfs als de noodsituatie wordt gesubjectiveerd in termen als ‘ik kan een kind emotioneel niet aan’, dan nog is een utilitarische (zelf)reflectie raadzaam: ‘kunt u een abortus wel emotioneel aan?’ In beide gevallen is namelijk onduidelijk wat de werkelijke emotionele situatie zal zijn. En waarom is een levend kind dat opgevoed zou kunnen worden door de vader alleen (stelt dat de vader wel de kinderwens heeft), dan een minder te prefereren optie dan een dood kind dat door niemand opgevoed wordt?

–        De vrouw beslist of sprake is van een noodsituatie: de ‘ik voer slechts uit’-geneeskundige
Ik zou dus graag eens een onderbouwde ethische verantwoording willen lezen van abortusartsen die, zoals de wetgever beoogt, ook telkens voor zichzelf de noodsituatie kunnen verantwoorden. Met andere woorden, de onontkoombaarheid van de abortus terugvinden in een totaal gebrek aan alternatieven, waarbij de noodsituatie niet pragmatisch of financieel wordt verantwoord, maar moreel.

Op dit moment is mij enkel de Evaluatie Wet afbreking zwangerschap bekend, niet bepaald een introspectief diepgaand onderzoek, waarin staat te lezen: ‘Zo zal de vrouw moeten uitmaken of naar voren gekomen alternatieven inderdaad een oplossing bieden. Voor dit alles geeft de wetgever haar ook een eigen verantwoordelijkheid (art. 5 lid 2 sub b Waz). Tegelijkertijd houdt de arts een eigen verantwoordelijkheid en kan deze zich daaraan niet onttrekken met louter verwijzing naar de beslissing van de vrouw. Ook moet hij verantwoorde voorlichting geven over alternatieven’ (p. 161, vetgedrukte tekst van mij). Maar in de evaluatie zeggen de meeste artsen op de vraag ‘Wat houdt verantwoording noodsituatie voor u in’: ‘cliënte bepaalt noodsituatie’(p. 277), waarmee alle eigen morele verantwoording weer van de baan lijkt en we op deze manier ook geen inzicht krijgen in de persoonlijke moraliteit van een arts, maar eerder te maken lijken te hebben met een ‘ik voer slechts uit’-geneeskundige. Daarbij moeten we niet alle abortusartsen over één kam scheren, maar zonder het te willen ridiculiseren: wie geen gemoedsbezwaren ervaart bij een afbreking (Art. 20 Waz) die wordt gemotiveerd vanuit ‘Ik woon nog bij mijn ouders’ (13% van de redenen), of dit voor zich verantwoordt met ‘ik ben niet opgeleid om nood in te schatten’ (p. 277) is in morele zin wel behoorlijk diep afgedaald of op zijn minst niet klaar voor de ernst van het werk dat wordt verricht – al zou het maar om één arts gaan.

–        Noodsituatie en de rechten van de vader (II)
Nu concreter, wat betreft de rechten van de vader. Waarom zou het niet aanvechtbaar zijn om voor een rechter de vastgestelde noodsituatie ‘ik voel me nog te jong voor een kind’ te toetsen? Deze noodsituatie komt immers te vervallen wanneer de vader zichzelf wel sterk en volwassen genoeg voelt voor een kind. Als het recht op abortus zoals ik eerder zei niet absoluut kan zijn en moet voldoen aan het criterium noodsituatie, dan zou een vrouw evengoed voor de 24e week van haar zwangerschap verplicht kunnen worden door de wetgever het kind te voldragen, evenzeer dat geldt na de 24e week. (NB: Artsen in abortusklinieken houden in de praktijk 22 weken aan als grens.)

Een voorbeeld dat Harris in Fathers and fetuses aanhaalt, dient evenals het provocatieve gedachte-experiment van Thomson, als richtlijn voor discussie over morele grenzen en toelaatbaarheid. Het gaat als volgt:

–        Anne de mannenhater
Anne haat echt mannen. Ze krijgt een relatie met Mark, een fatsoenlijke man en Anne besluit een plan te smeden waarmee ze haar woede via Mark op alle in haar ogen chauvinistische mannen kan koelen. Ze speelt een ideale en zorgzame vrouw, wat Mark tot een aanzoek beweegt dat ze aanvaardt. Ze overtuigt hem ervan dat hij zijn zaak moet opgeven, en het geld wat dat oplevert moet investeren in een kindvriendelijk huis met een mooie natuurrijke omgeving. Mark ziet zichzelf als vader en geeft zijn lucratieve baan evenals en zijn zaak op, om het geld met verlies te investeren in een potentieel gezinsleven. Anne raakt zwanger en hoewel ze aanvankelijk de vrolijke vrouw in blijde verwachting acteert, wat Mark buitengewoon gelukkig maakt, ondergaat ze na 18 weken een abortus, zonder Mark daarover in te lichten. ‘Relishing Mark’s horror, she further reveals her scheme and explains that his pain and loss are merely the just deserts of any man for the things that men have done to women.’

De vraag die dan voorligt is niet enkel nog of het moreel verkeerd is, maar ook of het juridisch verkeerd is wat hier is gebeurd. Met andere woorden, in hoeverre kan een vrouw vervolgd worden met terugwerkende kracht door haar man, indien blijkt dat hij ernstig geschaad is in zijn (morele) rechten, en er ook niet (zo blijkt achteraf) sprake is geweest van een reële noodsituatie (want wraak jegens mannen, waarbij het ongeboren kind als middel wordt gebruikt kan toch niet worden beschouwd als een noodsituatie, zal zelfs de arts moeten erkennen die een vrouw aborteert op basis van de noodsituatie ‘ik heb er geen zin in’.)

Hoewel dit voorbeeld ook weer een sterk beroep doet op ons inlevingsvermogen, toont het mijns inziens aan dat een man wel degelijk een recht zou kunnen hebben op het ongeboren kind, evenzeer hij plichten heeft ten aanzien van bijvoorbeeld een ongewenst kind zijnerzijds.

Om deze discussie af te sluiten, draag ik nog een eigen gedachte-experiment aan ter overweging, geïnspireerd door Harris’ artikel.

–        Claire en brave Hendrik
Claire is getrouwd met Hendrik. Hendrik wil dolgraag kinderen, Claire absoluut niet, maar ze heeft dit nooit durven vertellen aan Hendrik, bang als ze is dat hij haar zou verlaten. Hendrik wijdt zich helemaal aan zijn huwelijk en richt zijn leven geheel in op het idee dat hij weldra vader zou kunnen worden. Op een dag wordt Claire per ongeluk zwanger van haar man. Hendrik is dolblij wanneer Claire hem dit nieuws mededeelt, maar dan vertelt Claire schoorvoetend dat ze volgende maand abortus gaat plegen, omdat ze geen zin heeft in kinderen en nooit heeft gehad. Hendrik loopt boos weg van huis en wordt aangereden door een auto, waardoor hij invalide geraakt: hij blijkt niet meer in staat om kinderen te verwekken.

Hier in tegenstelling bij Anne, leeft het kind nog en is het de laatste kans voor Hendrik om vader te worden van zijn eigen kind. Heeft hij er moreel recht op?

–        Niemand kan gedwongen worden abortus te verrichten
Aan het einde van de sectie, stelt Thomson dat niemand verplicht kan worden tot het uitvoeren van een abortus, iets wat in Nederland wordt gestaafd in de genoemde Wet afbreking zwangerschap: Niemand is verplicht een vrouw een behandeling, gericht op het afbreken van zwangerschap, te geven, dan wel daaraan medewerking te verlenen (art. 20, lid 1). Overigens mag een abortus enkel door een arts worden voltrokken: Een behandeling, gericht op het afbreken van zwangerschap, mag slechts worden verricht door een arts in een ziekenhuis of kliniek, waaraan een vergunning tot het verrichten van dergelijke behandelingen is verleend (art. 2).

Dit staaft dat wat eerder is aangedragen, dat een arts een bijzondere morele verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van niet alleen zichzelf, maar ook ten aanzien van de samenleving. Waar de discussie vaak de neiging heeft om de verantwoordelijkheid expliciet bij de moeder neer te leggen, blijft het van belang juist het morele kader van artsen waar het gaat om het vaststellen van een noodsituatie kritisch tegen het licht te houden.

2. Rechten van derden
Hoewel iedereen het recht heeft een abortus te weigeren, is het argument dat niemand een abortus zou mogen uitvoeren behalve de vrouw bij zichzelf volgens Thomson niet valide. Het is duidelijk dat als er al een onbetwistbaar recht is, dit het recht is van iemand aanspraak te mogen maken op zijn eigen lichaam. Het lichaam is niet iets wat in bruikleen is gegeven, waardoor anderen er zeggenschap over zouden kunnen hebben. Maar dat betekent niet dat er daarom in een situatie niet door professionals mag worden ingegrepen.

Stel bijvoorbeeld dat Jones een jas heeft aangetrokken, die echter van Smith is. Had Jones deze jas niet aangetrokken, dan zou hij zijn doodgevroren. Maar dit geldt echter ook voor Smith, die de jas nu niet meer kan aantrekken, terwijl het zijn bezit is. Zouden wij niet tegen Smith durven zeggen: ‘uiteraard is het jouw jas, iedereen moet dat erkennen. Maar niemand mag kiezen tussen jou en Jones wie hem zou mogen hebben’. Met andere woorden: we kunnen en moeten wel degelijk partij kiezen in een situatie waarbij twee levens op het spel staan. Je kunt je weliswaar beroepen op de stelling ‘ik zal hier niet handelen’, maar we kunnen ons onmogelijk beroepen op het feit dat een ander niet zou moeten of mogen handelen.

2. Commentaar: Rechten van derden
Alles wat Thomson hier aandraagt, spreekt voor zich. Wanneer iemand iets toebehoort wat hij noodzakelijk nodig heeft, is het niet redelijk om te zeggen wanneer een ander daar gebruik van maakt en het nodig heeft om te overleven, dat we niet kunnen kiezen wie het werkelijk toebehoort: dat is absurd. Met andere woorden, wanneer iemand bedreigd wordt in zijn bezit, en hij heeft dit bezit nodig om te kunnen overleven, is het dan niet onze plicht om hem te helpen door juist partij te kiezen voor degene die bedreigd wordt in zijn oorspronkelijke bezit?

Het is in ieder geval ons recht om, stelt Thomson, te weigeren dan partij te kiezen, aangezien degene die iemand beroofd van zijn bezit het klaarblijkelijk zelf nodig heeft om te overleven. Maar daarmee is niet gezegd dat niemand zou mogen ingrijpen.

Het recht om te bepalen wat gebeurt met het eigen lichaam (het baas in eigen buik principe) is overigens lang niet zo absoluut als vaak wordt gedacht. De vrouw is strikt gebonden aan wetgeving, en helemaal geen baas in eigen buik, aangezien ze enkel kan beslissen over het kind binnen wat de wet haar toestaat, waarbij de 24-wekengrens op onze slipery slope in alle gevallen juridisch cruciaal blijkt. Op dit moment is het overigens zo dat een levend ter wereld gekomen niet zelfstandig levensvatbare vrucht wordt beschouwd als niet geboren indien deze minder dan 24 weken oud is en tegelijkertijd kan worden beschouwd als geboren (hier is de Wet op de lijkbezorging in strijd met het Burgerlijk Wetboek).

–        Het Nederlandse recht: dubbelzinnig, maar 24 weken cruciaal?
In het Wetboek van Strafrecht lezen we in de artikelen 290-291 dat een moeder onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling kan worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren (in het geval van kinder doodslag) en met een gevangenisstraf van ten hoogste negen (in het geval van kindermoord). In die gevallen gaat het echter om een kind dat bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven beroofd wordt, door de moeder zelf. Toch is het zo dat in een zogenaamde ‘memorie van toelichting’ bij de wet afbreking zwangerschap, dit gelijkgetrokken wordt met een handeling die plaatsvindt op een kind van 24 weken of ouder. Het heeft er daarom alle schijn van dat iemand die moedwillig een moeder vermoord die bijvoorbeeld 24 weken zwanger is, veroordeeld kan worden voor dubbele moord. Maar hoe wordt iemand die een moeder die 23 of 8 weken zwanger is beoordeeld?

Hoe dit ook zij, een korte studie naar deze materie toont in ieder geval aan dat we hier te maken hebben met een op zichzelf staand complex onderwerp, waarin de wet al dan niet bewust dubbelzinnig is. Ik laat dit voor nu rusten.

3. Wanneer het leven van de moeder niet op het spel staat
Wanneer het leven van de moeder niet op het spel staat, geldt dan niet dat er zoiets is als recht op leven? Met andere woorden, abortus toestaan wanneer het leven van de moeder op het spel staat is wellicht acceptabel, maar wat als dit niet het geval is?

Volgens Thomson beschouwt deze redenering het recht op leven onproblematisch, en dat is een denkfout. Want wat betekent eigenlijk zoiets als ‘recht hebben op leven’? Dat betekent in ieder geval niet een ongebreideld recht dat anderen iets voor jou moeten doen. Veronderstel dat iemand op sterven ligt, en het enige wat deze persoon kan redden, is dat een beroemdheid die zich aan de andere kant van de wereld bevindt zijn hand op het voorhoofd komt leggen. Dat zou heel aardig zijn van deze beroemde man (Thomson noemt Henry Fonda), maar hij kan toch zeker niet moreel verplicht worden om dit te doen. Met andere woorden: het is niet zo dat mensen geen recht hebben op leven, maar dat individuen die recht hebben op leven niet het recht hebben om daartoe het lichaam van een ander te claimen.

Vergelijk dit weer met de beroemde violist. Niemand kan iemand verplichten zijn nieren af te staan. Het is geen recht van iemand die de nieren nodig heeft om te overleven, dat iemand anders verplicht kan worden om ze af te staan.

3. Commentaar: Wanneer het leven van de moeder niet op het spel staat
De moeilijkheid van deze aantrekkelijke redenering, schuilt wat mij betreft wederom in het feit dat een verantwoordelijkheid van de vrouw over het hoofd wordt gezien. Het is moeilijk aanvechtbaar dat een persoon een recht kan claimen die de lichamelijke vrijheid van een ander in het gedrang brengt. In het geval van de violist, is het juist dat je nooit aan hem gekoppeld had mogen worden, maar doordat dit toch gebeurd is, is er nog niet zoiets als een recht dat hem aan jou verzekert. Het is volgens Thomson aardig als je ervoor kiest negen maanden lang aan hem verbonden te zijn, maar het is geen plicht.

–        De analogie van de violist als ongeluk
De terugkerende analogie van de violist, heeft als moeilijkheid dat zwangerschap telkens wordt opgevat als een ongeluk, iets toevalligs is, iets wat niet gepland is en in beginsel tegen de wil en wens is van degene die het is overkomen. Ik moet daarbij overigens denken aan de plichten van een vader wanneer hij tegen zijn zin verneemt dat zijn partner zwanger is geworden (en wat wanneer de partner zwanger is geworden door bijvoorbeeld te rommelen met anticonceptie, zonder medeweten van de man: een man wordt dan waarschijnlijk op zijn verantwoordelijkheden aangesproken).

Maar stel nu eens dat een vrouw zich moedwillig aansluit op de violist, in beginsel om hem het leven te geven (omdat ze hem dat daadwerkelijk kan geven). Na 15 weken echter doen er zich omstandigheden voor, waardoor ze niet langer aangesloten wenst te zijn op de violist. Heeft ze zich echter met haar eerste moedwillige handeling niet op zijn minst moreel geconformeerd aan de violist? Ik denk het wel. In potentie blijft het een geweldige violist. Dan ligt weer de vraag voor: welke redenen of omstandigheden kan de vrouw met recht aandragen om deze morele conformiteit op te heffen? Het lijkt erop dat we dan wederom terechtkomen bij de discussie over ‘noodsituatie’.

Daarbij, het ligt voor de hand dat iemand niet moreel verplicht is om uit Amerika over te vliegen om een warme hand op een voorhoofd te leggen van een stervende patiënt, maar dat wordt toch anders indien hij niet uit Amerika over hoeft te vliegen, maar slechts een deur verder woont.

–        Peter Ungers Bugatti Bob
Dat laat me denken aan een analogie die Peter Unger maakt in Living high & letting die. Our illusion of innocence (1996), en die hij ontleent aan Phillippa Foot’s ‘Trolley problem’. Het gaat ongeveer als volgt: Bob gaat bijna met pensioen en heeft een mooie onverzekerbare Bugatti, die hij kan verkopen om gerieflijk van zijn oude dag te genieten. Op een dag gaat hij rijden en parkeert hij zijn auto aan het eind van een rangeerspoor. Terwijl hij langs het spoor wandelt, ziet hij plots een onbestuurbare trein. De trein rijdt recht af op een kind dat vastzit in de rails. Bob ziet een hendel, waarmee hij de wissel kan omzetten die de trein van spoor verandert. Dan wordt wel zijn Bugatti vernietigd. Bob denkt even na en besluit niets te doen. Het kind wordt doodgereden en Bob verkoopt zijn Bugatti voor een miljoen en geniet van een comfortabel pensioen.

In hoeverre zouden we hier nu zeggen dat het aardig van Bob zou zijn geweest indien hij de wissel zou hebben omgezet? Het ligt voor de hand dat iedereen met enig moreel verstand, het nalaten van handelen door Bob ten gunste van zijn eigen leven hier veroordeelt. Met andere woorden: in hoeverre heeft het kind hier geen moreel recht dat Bob ten gunste van hem handelt? Een gunst overigens die om de analogie compleet te maken in vergelijking met wat Thomson aandraagt met enige fantasie behoorlijk wat vergt van Bobs lichamelijke gesteldheid.

Indien we het leven van een mens serieus nemen, en zeker als we bereid zijn om het menselijk leven in zijn vroegste vorm als potentieel persoon of zelfs als persoon te accepteren zoals Thomson doet, of bijvoorbeeld als onschuldig wezen dat door moedwilligheid het leven zag, dan zou de volgende stelregel van nota bene Peter Singer van toepassing kunnen zijn: ‘Indien we iets slechts kunnen voorkomen zonder dat we daarbij iets wezenlijks hoeven offeren, dan zouden we dat moeten doen.’ (p. 169, (1979)).

Sociale redenen, die bijvoorbeeld de geriefelijkheid van het leven verminderen, accepteren we niet als we aan Bob denken (Bob: ‘er was sprake van een noodsituatie, mijn Bugatti stond op het spel)’, waarom zouden we ze als redenen accepteren wanneer het gaat over abortus? Hoewel Bob toevallig voor een situatie geplaatst werd, is het waarschijnlijk dat we nog steeds niet accepteren dat hij handelt zoals hij handelt, waarom zouden we dit vervolgens, wanneer iemand toevallig zwanger wordt, wel accepteren? Er is in ieder geval sprake van nabijheid, die handelen rechtvaardigt en wat mij betreft ook moreel verplicht, daar waar dit (want daar is het oorspronkelijke argument voor bedoeld) inderdaad lastiger lijkt (al dan niet terecht ook in moreel opzicht) wanneer er sprake is van een situatie die niet in zicht is.

–        Is het claimen van een lichaam iets wezenlijks?
De vraag is of het claimen van bijvoorbeeld een lichaam voor negen maanden (en de gevolgen die daarna aan de orde zijn) dan onder alle gevallen als iets wezenlijks kan worden opgevat. In het voorbeeld van Unger is het zo dat de Bugatti uiteindelijk niets wezenlijks is. Het is een behoorlijk offer, en in ieder geval een groot financieel verlies, maar niets waar Bob niet bovenop kan komen. Bovendien, hij krijgt er een kinderleven voor terug, ook al heeft hij niets met het kind te maken. Als Bob bovendien jonger was geweest, dan had hij nog heel veel kansen gehad en mogelijkheden om de Bugatti terug te verdienen. Maar zelfs als hem dat niet in het geheel lukt, dan kan hij een heel eind komen. Mag dit nu vergeleken worden met de gevolgen die een vrouwenlichaam ondervindt gedurende een zwangerschap? Dat is een lastige kwestie en misschien zelfs ongepast volgens sommige. Maar, zonder de lichamelijke gevolgen van zwangerschap te bagatelliseren, zwangerschap heeft inderdaad lichamelijke gevolgen en ongemakken als gevolg (dat is een soort offer net als Bobs Bugatti), maar dan toch niet wezenlijk?

–        Gevolgen van abortus: een gok in het duister?
En verder, wanneer er niet ‘geofferd’ wordt, zijn er nog immer de niet te onderschatten gevolgen van een abortus. Evenals Bob plotseling ernstige psychische klachten krijgt, naarmate hij beseft wat hij heeft gedaan, is dit eveneens voorstelbaar bij abortus (en dan gaat het ook nog om je eigen kind). Het idee dat iemand niet bereid is om zijn lichaam te offeren (omdat ze bijvoorbeeld van mening is dat het ongeboren leven geen recht heeft op haar lichaam), moet gepaard gaan met het besef dat er een tweevoudig ander offer wordt gevraagd, waarmee er een soort van absurde hedonistische calculus ontstaat. De lichamelijke gevolgen van een vroege abortus zijn in vele gevallen dan misschien beperkt, maar de psychologische gevolgen zijn moeilijk te overzien en kunnen buitengewoon zwaar zijn. Daarnaast zijn de lichamelijke gevolgen evenals de psychosociale gevolgen van een late abortus wel aanzienlijk en redelijk voor de hand liggend: ‘Physical and chemical changes during pregnancy, making the mother psychologically adjusted to accept a baby, can lead to great grief after a late abortion (Glover. J. (1990). Causing death and saving lives. p.142)’, iets wat wordt bevestigd in een Nederlandse evaluatie (Kooten, M. van, Berlo, W. van & Vanwesenbeeck, I. (2003). Psychosociale gevolgen van abortus) waarbij wordt geconstateerd dat vooral jonge vrouwen, vrouwen die laat abortus ondergaan (en daarbij de baby al hebben gevoeld bijvoorbeeld) of die al eerder een abortus hebben gehad, meer klachten hebben. In een rapportage met betrekking tot Seksuele gezondheid in Nederland (Bakker, F.C. (2006)) is een op de acht vrouwen niet tevreden met de genomen abortusbeslissing (p.83). Slechts 38% van de onderzochte vrouwen die een abortus ervaring hebben gehad zegt er nooit meer last van te hebben. De overigen ondervinden ‘soms’ tot ‘zeer vaak’ emotionele last van de abortus. ‘Meer onderzoek naar effecten van beslissingen betreffende afbreking van zwangerschap voor het toekomstig psychisch welzijn van de betrokken vrouwen en naar de risicofactoren die in dat verband een rol spelen, lijkt zinvol’ stelt ook Gevers et al (2005). ‘Het verdient aanbeveling dat de overheid zulk onderzoek stimuleert.’ (P. 167).

Hoewel inderdaad moet worden gezegd dat het wetenschappelijk onderzoek naar de psychosociale gevolgen van abortus (die mijns inziens longitudinaal nauwelijks valide zijn uit te voeren gelet op de relevante maatschappelijke opvattingen en ontwikkelingen die zelf weer bijdragen aan de sterkte van het gevolg) een ratjetoe is van opvattingen en vaak wordt vertroebeld door individuele belangen en instanties die de gevolgen exclusief gebruiken om abortus in zijn geheel af te wijzen (vgl. de beruchte Koop-affaire), is het gegeven dat het telkens voor ieder individu op zich een moeilijk uit te maken zaak is of er significante gevolgen zijn van een abortus, ernstig genoeg en voldoende reden om er zowel persoonlijk als maatschappelijk alle aandacht voor te hebben. Want gevoelens kunnen weliswaar abstract worden gemaakt in een wetenschappelijk onderzoek, de fenomenologie van een abortus is uiteindelijk niet kwantificeerbaar, laat staan dat het zich laat afzetten tegen de gevolgen van een uitgedragen zwangerschap die aanvankelijk niet werd gewenst. Of zoals een maatschappelijk werker het verwoordt: ‘Wij zien vrouwen die vijftien of twintig jaar later nog nachtmerries, spijt, rouw of schuldgevoelens hebben omdat ze niet in het reine kunnen komen met hun beslissing. Mensen onderschatten wat het betekent om een abortus te ondergaan, omdat het wettelijk geregeld is.’ (Trouw, 19/11/2005).

–        Onderzoek en gevolgen: appels en peren
Hoewel vaak wordt gesteld dat het wetenschappelijk niet goed is gefundeerd dat de gevolgen van abortus ernstig zijn, geldt dat wat mij betreft evenzeer voor het wetenschappelijk onderzoek naar ongewenste uitgedragen zwangerschappen. Wat zou moeten worden onderzocht is wat de gevoelens en gevolgen zijn van een vrouw die ondanks dat ze haar zwangerschap niet wenst, het kind toch geboren laat worden en als moeder functioneert. Er wordt vaak geschermd door utilitaristen dat een ongewenste zwangerschap resulteert in een ongewenst kind en het daarmee beter is dat de zwangerschap wordt afgebroken dan dat er een kind geboren wordt dat niet welkom is, maar dat is een boute gevolgtrekking, die (eveneens) nauwelijks wetenschappelijk is gefundeerd. In het bijzonder niet wanneer het gaat om het eerste kind, en niet bijvoorbeeld een kind dat terecht zou komen in een overvol gezin (waarbij we ons in dat laatste geval uiteraard weer moeten afvragen of en wat er mis is gegaan met de bijzondere verantwoordelijkheid in dergelijke situaties: zie commentaar sectie 4).

Ik geloof, hoewel ik dat niet wetenschappelijk kan onderbouwen, dat in zijn geheel zogenaamde verwachte negatieve gevolgen van een ongewenst kind afgezet kunnen worden tegen de onverwachte positieve gevolgen van een ongewenst kind, evenzeer als dat er een onnoemelijke hoeveelheid negatieve gevolgen blijken te zijn bij een gewenst kind. Het aantal opvoedingsproblemen en kinderverwaarlozing lijkt mij niet gecorreleerd aan al dan niet gewenst te zijn. Juist omdat dit zo is, zou het daarom geen argument moeten zijn in alle gevallen. Daarin ben ik een existentialist, in de zin dat we in het leven indien we ons moreel goed willen gedragen, daarbij incidenteel moeilijkheden moeten overwinnen, in plaats van ze te elimineren alsof ze nooit zullen staan. En om met een extreme stelling te eindigen, als utilitaristen zo begaan zijn met de gevolgen voor het kind bij een ongewenste zwangerschap en het als argument gebruiken dat een vrouw daarom recht heeft op abortus, zouden ze zich minstens zo druk moeten maken over de gevolgen voor een gewenst kind wanneer er genoeg signalen zijn dat het aan opvoedingsverstand ontbreekt.

4. Over het doden, het onrechtmatig doden en bescherming tegen zwangerschap
Iemand die recht heeft op leven, heeft daarmee niet vanzelfsprekend het recht om niet te worden gedood, hij heeft enkel het recht om niet onrechtmatig te worden gedood, stelt Thomson. In de analogie van de beroemde violist, kunnen we immers niet stellen dat hij omdat jij toevallig op hem bent aangesloten, hij daarmee vanzelf het recht heeft verworven niet te mogen worden gedood.

Kan er gesteld worden dat abortus onrechtmatig doden is?

Met betrekking tot verkrachting, is het vrij duidelijk. Maar hoe zit het met een vrouw die zich vrijwillig overgeeft aan geslachtsgemeenschap, waarbij ze weet dat ze kans loopt om zwanger te worden? Is ze dan niet verantwoordelijk voor het feit dat er vervolgens een kind, een onschuldig persoon, in haar groeit? Is ze niet op zijn minst gedeeltelijk verantwoordelijk? En heeft ze dan het recht op zelfverdediging verloren, als blijkt dat ze kan sterven door deze zwangerschap? Dat is een absurde opvatting.

Het zou betekenen dat een ongeboren persoon een recht verwerft op het lichaam van de moeder, wanneer haar zwangerschap een gevolg is van een vrijwillige handeling. Maar stel nu eens dat ik mij bevind in een benauwde kamer, en het raam openzet. Vervolgens klimt een inbreker naar binnen in het huis en is van plan te blijven. Heeft hij dan dit recht op mijn huis, omdat ik immers gedeeltelijk verantwoordelijk ben voor het feit dat hij dit heeft kunnen doen? En het zou nog absurder zijn dat een inbreker recht zou hebben te wonen in mijn huis, stelt Thomson, indien ik mijn huis beveilig met ijzeren spijlen voor mijn ramen en hij desondanks binnenkomt omdat er buiten mijn weten om een defect zat in een van deze spijlen!

Als ik er al het mogelijke aan doe om te voorkomen dat mensen in mijn huis een kans krijgen om te aarden (Thomson spreekt van ‘people-seeds’ die door de lucht zweven), door mijn huis op de meest optimale manier te beveiligen, maar er komt dan toch zo’n zaadje binnengewaaid, dan kan zonder meer geen sprake zijn dat dit zaadje het recht heeft om zich te ontwikkelen in mijn huis.

Te zeggen ‘in plaats van optimaal je huis te beveiligen, had je in je huis überhaupt nooit een raam open mogen doen’, is even ridicuul als te zeggen dat een zwangerschap door verkrachting te voorkomen zou zijn door een hysterectomie te ondergaan of een verkrachting te voorkomen door het huis enkel en alleen te verlaten met een betrouwbaar leger om zich heen.

4. Commentaar: Over het doden en het onrechtmatig doden en bescherming tegen zwangerschap
Thomson verlaat hier haar argument dat een vrouw recht heeft op abortus als ze verkracht is, een argument dat redelijk stevig gefundeerd lijkt te zijn. Maar ook een vrouw die zich vrijwillig overgeeft aan seksuele handelingen, en daarbij het risico aanvaardt dat ze zwanger kan raken, verliest daarmee nog niet het recht op abortus, omdat ze nog steeds een recht op zelfbeschikking houdt.

Ik vind dat een lastige opvatting. In mijn commentaar bij sectie 1 onder Juridische rechten en morele rechten, werp ik al op dat iemand die zich willens en wetens overgeeft aan een wezenlijk risico (met de nadruk op wezenlijk), misschien nog wel juridische rechten heeft, maar nog niet vanzelfsprekend morele rechten. Thomsons opvatting dat het absurd zou zijn dat een vrouw het recht op haar eigen leven verliest indien ze ongewenst zwanger raakt terwijl haar leven daarmee op het spel staat, is ook om te draaien: hoe absurd is het dat je dat risico neemt (wanneer je bijvoorbeeld uitdrukkelijk een negatief zwangerschapsadvies van een arts hebt gehad)?

–        Het onschuldige vuurwerkslachtoffer/ de onschuldige vuurwerkafsteker
Stel dat iemand levensgevaarlijk gevaarlijk vuurwerk afsteekt, en een toevallig passerende persoon (let wel, het is Thomson die heeft geaccepteerd dat er sprake is van een persoon) slaat dat gade, ligt het dan voor de hand dat als we zouden moeten kiezen, we kiezen dat dit, laten we zeggen toevallig passerend kind wordt gedood door dit vuurwerk, of degene die het heeft aangestoken?

En in hoeverre wordt dat anders indien degene die het vuurwerk aansteekt, niet op voorhand had kunnen weten dat het hem dodelijk zou treffen? In dat geval heeft Thomson een sterker punt, en geldt eigenlijk weer haar eerdere standpunt: iemand heeft recht om te beslissen over zijn leven indien dit buiten zijn weten om door een ander in het geding komt. Het gewenste wordt dan een ongewenstheid omdat men het moet bekopen met haar eigen leven, en dat hoeft niemand te willen. Ik kan daar mee instemmen. Dit is ook met recht mijns inziens een noodsituatie te noemen, zoals de wet haar bedoeld zou kunnen hebben.

–        Recht op abortus bij voldoende voorzorgsmaatregelen
Vervolgens stelt Thomson dat er een recht is op abortus, wanneer een vrouw redelijke voorzorgsmaatregelen heeft getroffen die in het teken staan van niet zwanger worden. Natuurlijk is het beste voorbehoedmiddel geen seks hebben, maar ik geloof dat Thomson dat (in het licht van progressieve vrouwelijke seksualiteit) geen realistische optie vindt. Met andere woorden, iemand die zich optimaal heeft voorbereid, kunnen we het niet kwalijk nemen wanneer er desondanks een ongeluk gebeurt. Overigens is de kans op zwangerschap wanneer de pil wordt gebruikt nog steeds buitengewoon groot, indien dit onverantwoord gebeurt: verkeerde inname, vergeten dagen en de fout maken door te laat te beginnen met de volgende strip zijn daarin meest voorkomend.

Beerthuizen (2009) concludeert in Anticonceptie op maat: Van puberteit tot overgang dat van de 100 vrouwen die de (veelgebruikte) combinatiepil gebruiken er in de praktijk er tussen de 0,2 en 10 zwanger worden (dus tot 10% volgens de Pearl-Index). Als we de voorzorgsmaatregelen die Thomson in haar analogie gebruikt aan de concrete praktijk koppelen, dan zijn enkel een hormoonhoudend spiraaltje, de prikpil, een hormoon-implantaat of een sterilisatie van de man of de vrouw afdoende om ‘inbrekers’ buiten te houden. Die laatste twee schieten daarbij waarschijnlijk hun doel voorbij, omdat er dan klaarblijkelijk geen moment meer is waarbij men zijn raam gaarne openzet en een voorbijganger met open armen wenst te ontvangen.

–        Inbrekers?
Hoewel het duidelijk is wat Thomson met haar analogie beoogt, lijkt het desondanks merkwaardig om een kind dat ontstaat door een seksualiteit, te vergelijken met een inbreker die bezit neemt van een huis omdat hij door een onvolkomenheid in de beveiliging via een raam naar binnen kon. Hij heeft klaarblijkelijk geen recht om binnen te zijn, maar in de logica van de analogie, is het toch zeker ook geen recht van de vrouw om vervolgens deze inbreker (die niets wezenlijks kwaads in de zin heeft, buiten het feit dat hij de ijskast wil plunderen voor onbepaalde tijd), te vermoorden? Anders gezegd, het feit dat een persoon zich illegaal op mijn terrein begeeft, geeft mij nog niet het recht om hem ervan af te schieten. Waarom zou er dan een moreel recht kunnen bestaan, een onschuldig persoon van mijn terrein te verwijderen, wanneer ik er zeker van ben dat dit zal leiden tot zijn dood[5]?

–        Wat heet conservatief?
Het is wellicht een conservatief standpunt, maar het is goed te verdedigen dat iemand die ondanks genomen voorzorgsmaatregelen zwanger wordt (waarbij voorzorgsmaatregelen gepaard moeten gaan met bewust en verantwoord gebruik uiteraard), daarvan de consequenties moet dragen. Het is een hedendaagse trend dat we voor iedere vorm van ongemak in het leven, een verzekering hebben bedacht die ons beschermt tegen dat ongemak, waarbij we langzaam maar zeker vergeten zijn dat een zeker risico aanvaarden bij het leven hoort. Dat betekent wat mij betreft inderdaad dat we niet als een monnik ons hoeven op te sluiten in een verzegeld huis, maar wel dat we wanneer we onze seksuele mogelijkheden gebruiken als een middel om onszelf te plezieren, we moeten beseffen dat het wezenlijk niet primair gaat om het onszelf plezieren en dat er een grote verantwoordelijkheid mee kan samenhangen – zelfs al zouden we alle denkbare voorzorgsmaatregelen hebben getroffen. Bedenk namelijk eens het volgende:

–        Veilig vrijen of het Russisch roulette
Stel dat we in een samenleving terecht zijn gekomen, waarin het gebruikelijk is om zichzelf samen met een ander te plezieren door het spelen van Russisch roulette. Om echter te voorkomen dat men een serieus risico loopt, is er een gouden pistool ontworpen met 10.000 kamers. Vervolgens wordt er een kogel in een van deze 10.000 kamers gestopt, en men begint met het spelen van het spel, waarbij het voornaamste doel is het gevoel van sensatie dat ontstaat tijdens het vasthouden en afdrukken van dit machtige gouden pistool.

Is het dan logisch of redelijk om te veronderstellen dat ze omdat ze de kans op schade hebben beperkt voor zichzelf daarbij vanzelfsprekend niet meer hoeven te denken aan de mogelijke gevolgen? Of anders gezegd, wanneer het dan toch honderd keer misgaat (het spel wordt immers gespeeld door één miljoen mensen per dag), zouden we het deze mensen dan niet kwalijk nemen dat het is misgegaan?

Misschien is er nog iemand die dan zegt: ‘ik neem ze dit niet kwalijk’. Maar dan vraag ik je om het volgende te bedenken: stel nu dat de sensatie van dit spel erin bestaat het gouden pistool te richten op een onschuldige persoon die voorbij loopt? Of zelfs op een onschuldig dier? Ik ben ervan overtuigd dat helemaal niemand dat nog moreel vindt.

–        Abortus als onredelijke verzekering: restricties?
Dat in onze samenleving de mogelijkheid van abortus wordt beschouwd als een redelijke verzekering in het geval van een noodsituatie, is misschien te begrijpen. Het probleem van abortus zit er mijns inziens echter in dat er ook een belangrijke mate van misbruik van deze verzekering plaatsvindt. Het heeft er wat mij betreft de schijn van dat de verzekering ook wordt aangesproken in onredelijke gevallen. Juist het liberale sentiment in de samenleving, waar mensen steeds meer worden aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid, lijkt mij een uitgelezen mogelijkheid om in het abortusdebat deze eigen verantwoordelijkheid weer centraal te stellen, waarbij de consequenties die samenhangen met het handelen niet zonder meer kunnen worden afgewend op de verzekering die de samenleving daartoe heeft opengesteld. Met andere woorden, zou het niet open voor discussie moeten zijn dat een recht, zoals dat in vele gevallen geldt, ook verspeeld kan worden? Er is geen enkele verzekering die akkoord gaat met het uitbetalen van een grote som geld, wanneer blijkt dat de verzekerde telkens achteloos de deur laat openstaan – maar wanneer het gaat om ‘gezondheid’ dan is er een nochtans ongebreideld recht om daar onverantwoord mee om te gaan (vergelijk het debat over kettingrokers en hamburgerliefhebbers en hun recht op donororganen).

Mijn stelling is dat de samenleving steeds meer de persoonlijke verantwoordelijkheid zal gaan meewegen, wanneer men aanspraak maakt op een collectieve voorziening. De gangbare tegenwerping dat indien er restricties worden gesteld aan de mogelijkheid om gebruik te maken van een geneeskundige voorziening kan leiden tot gevolgen die erger zijn dan de kwaal, doet op zijn minst de vraag rijzen of er dan geen enkele voorwaarden kunnen worden gesteld aan vrouwen die zich keer op keer melden bij de abortuskliniek.

–        Solidair zijn met onverantwoord gedrag?
Ik denk dat een wetgever (die mensen met een uitkering verplicht om netjes gekleed te gaan) niet al te veel moeite zou moeten hebben om mensen die bij herhaling achteloos omgaan met het menselijke leven, restricties op te leggen. Wanneer er bijvoorbeeld geen medische noodzaak is om het leven van een ongeboren kind te beëindigen, en iemand meldt zich voor de derde keer bij een abortuskliniek, dan zou de wetgever wat mij betreft goed kunnen zeggen: ‘we gaan niet voor de derde keer een kind wegnemen bij u mevrouw, u zult de consequenties en de verantwoordelijkheid moeten dragen, evenals een vrouw van 24 weken zwangerschap dat ook behoort te doen.’ Stel dat dit wettelijk zou worden vastgelegd, dan wordt dus abortus gecriminaliseerd bij een derde keer (een soort three strikes and you’re out) en zou er in ieder geval een persoonlijk gevolg aan moeten worden gekoppeld indien er nog steeds de optie tot abortus bestaat.

–        Voorlichting blijft noodzakelijk
Er kan natuurlijk altijd worden gekeken in hoeverre de voorlichting en begeleiding nog beter kan worden georganiseerd, maar het gaat me hier om vrouwen die niet voor de eerste keer een abortus plegen, maar dit bij herhaling doen. Om de analogie van Thomson aan te halen, het gaat over vrouwen waarbij is ingebroken en er is gewezen op de ondeugdelijke ijzeren spijl, maar er klaarblijkelijk nauwelijks omzien naar hebben gehad.

–        Bij alle redelijke voorlichting denkbaar: grens aan volhardende onnozelheid
Hoewel vergelijkingen in deze gevaarlijk lijken, moet ik toch denken aan de Nederlandse Banken. De Nederlandse Vereniging van Banken presenteerde recentelijk vijf uniforme veiligheidsregels waar mensen aan moeten voldoen, willen zij er zeker van zijn dat schade door de bank wordt vergoed bij fraude. Een bank is dus niet zomaar meer bereid om compensatie te verlenen aan mensen die nog op een e-mail klikken waarin staat te lezen: ‘gaarne onmiddellijk uw bankgegevens sturen inclusief pincode, anders wordt uw bankaccount opgeschort.’ In de praktijk zal het om een zeer gering aantal mensen gaan, die dan de gevolgen moeten dragen voor hun onverantwoord gedrag of hun grove nalatigheid. Maar juist omdat het om een gering aantal mensen gaat, is dat geen reden om daarmee niet de verantwoordelijkheid aan te scherpen. Er is klaarblijkelijk een grens aan de mate waarin onverantwoord gedrag en bewuste dommigheid gesteund moeten blijven worden vanuit solidariteit: wat staat ons tegen die discussie breder te trekken naar daar waar het gaat over abortus bij herhaling? Zolang er een prikkel uitblijft om verantwoord om te gaan met je lichaam én dat van het ongeboren kind, blijft het bedenkelijk gedrag in stand.

Herhaalde abortus kortom, is een merkwaardig soort recidive waarbij bedenkelijk gedrag zonder gevolgen blijft en waar op dit moment al te weinig stelling tegen wordt genomen. Politiek gezien, los van christelijke idealen of iets dergelijks, mag dit nadrukkelijker vanuit humanitair perspectief en toenemende liberalisering met discussie te over op een algemene agenda worden geplaatst.

–        Enkele cijfers
Omdat de discussie zich vooral beweegt aan de uitersten van het onderwerp, is het zinvol om kort stil te staan bij de cijfers. Als we namelijk zoals in het voorgaande spreken over abortus bij herhaling, gaat het dan om kleine aantallen? In de Jaarrapportage 2012 van de Wet afbreking zwangerschap (Inspectie voor de gezondheidszorg (2013)) zien we dat van de 30577 zwangerschapsafbrekingen 11% van de vrouwen er voor de derde keer of meer een abortus onderging. Dus het gaat in de praktijk om >3300 mensenlevens. Daarbij is 24 % (>7300) van de vrouwen die zich in 2012 meldden voor een abortus, ook al een keer eerder geweest voor een afbreking van ongeboren menselijk leven. Van alle zwangerschappen is overigens slechts 8,3% van de afbrekingen op basis van medische indicatie, dat wil zeggen ‘geobjectiveerde noodtoestand’. In 91,7 % van alle abortussen is dus sprake van een subjectieve noodtoestand.

–        Noodsituatie terwijl men zich er niet aan onttrekt: een paradox?
Men kan zich afvragen in hoeverre de subjectieve noodtoestand niet in een paradox belandt, indien iemand zich er klaarblijkelijk niet sterk tegen wapent. Immers, het is zowel logisch als redelijk dat iemand zich niet willens en wetens bloot zou willen stellen aan een situatie waarin zij in nood komt te verkeren. Indien dit bij herhaling dan toch gebeurt, dan kan de vraag worden gesteld of er dan wel sprake is van een noodsituatie, aangezien men zich er niet met al te veel moeite aan heeft proberen te onttrekken. Iemand die niet kan zwemmen, maar iedere dag op een brug balanceert, die zouden we misschien 2x op kosten van de samenleving uit het water willen vissen, maar als hij er dan nog een derde maal in kukelt niet meer: hij wordt er uitgevist, maar betaalt de kosten zelf en wordt verplicht om te leren zwemmen.

5. Over fatsoen en rechtvaardigheid
Thomson borduurt hier voort op sectie vier. Er zijn gevallen denkbaar waarin het moreel onbehoorlijk is om een persoon van je los te koppelen ten koste van zijn leven. Stel bijvoorbeeld dat hij slechts 1:00 uur hoeft te zijn aangesloten op je lichaam, en dat je je eigen gezondheid nauwelijks schade toebrengt. In dat geval zou je hem moeten toestaan om aangesloten te blijven op je lichaam.

Echter, doe je dit niet, dan handel je niet onrechtvaardig maar buitengewoon onfatsoenlijk. Wanneer iemand een doos chocolade heeft verworven, en er zit naast hem iemand die trek heeft, maar geen chocolade heeft, dan is het gierig en gulzig om de doos in je eentje leeg te eten, maar degene die trek heeft, heeft niet in de minste zin recht op de chocolade.

Het feit dat iets eenvoudig in plaats van ingewikkeld is te bewerkstelligen, maakt het nog niet een verplichting in juridische zin. Er is met andere woorden geen reden om te constateren dat een persoon morele verplichtingen krijgt, wanneer het gemak waarmee hij ze kan vervullen toeneemt. Het nalaten van morele handelingen kan de kwalificatie egocentrisch, ongevoelig , onfatsoenlijk , maar niet onrechtvaardig krijgen.

5. Commentaar: Over fatsoen en rechtvaardigheid
Thomson maakt hier het onderscheid tussen fatsoen en recht, of zoals ik al eerder besproken heb het onderscheid tussen juridisch recht en moreel gelijk. Ik ben van mening dat deze niet in alle gevallen los van elkaar kunnen worden gezien, sterker nog, in Nederland is het zo dat iedere burger geacht wordt een ander mens in nood te helpen. In het Wetboek van Strafrecht staat dit verwoord onder artikel 450:

–        Overtreding betreffende hulpbehoevende
‘Hij die, getuige van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin een ander verkeert, nalaat deze die hulp te verlenen of te verschaffen die hij hem, zonder gevaar voor zichzelf of anderen redelijkerwijs te kunnen duchten, verlenen of verschaffen kan, wordt, indien de dood van de hulpbehoevende volgt, gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.’

Dat de straf relatief laag uitvalt indien men nalaat hulp te verlenen bij iemand die in levensgevaar is, is misschien te verklaren vanuit het onderscheid dat Thomson maakt. Dat we hier het nalaten van een morele plicht strafbaar stellen, toont in ieder geval aan dat in het geval het weinig moeite kost om een persoon in leven te houden, je dit ook verplicht ben te doen op straffe van. Thomson concludeert wat dat betreft terecht dat het schokkend is te ontdekken dat rechten van personen afnemen of verdwijnen wanneer het moeilijker wordt om ze te garanderen – maar het is in mijn ogen niet absurd. Want feitelijk blijven de rechten wel bestaan, maar zijn ze niet meer afdwingbaar door te wijzen naar individuen die ze zouden moeten garanderen (omdat van deze individuen redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat ze ze kunnen vervullen)

Je ‘moet’ betekent hier dus ‘hij heeft recht op’. Maar het gaat in onze discussie dan om het geval wanneer redelijkerwijs sprake is van ‘je moet niet’ waarmee het recht van de ander vervalt. Wanneer een zwangerschap betekent dat er een gevaar is ontstaan voor zichzelf, dan vervalt de plicht ‘de ander’ te helpen. Ik benadruk dat ik nog steeds het ongeboren menselijk leven als een persoon beschouw, en vanuit die gronden in gesprek ben met Thomson. Het is een feit dat we een ongeboren leven als primair hulpbehoevend moeten beschouwen, en dat het na 20 weken beschermd wordt door de wet. Dan is de vraag in hoeverre negen maanden zwangerschap en eventueel negen maanden fysiek herstel, kunnen worden beschouwd als een afwezigheid van een redelijk te duchten gevaar. Wordt de lichamelijke integriteit dan zodanig verstoord dat dit niet de plicht met zich meebrengt zich in te zetten voor een ander leven? Dat is een ingewikkelde arbitraire zaak, waarvan ik niet de illusie heb deze hier verder nader te kunnen toelichten. Een en ander is er bovendien reeds over gezegd waar er gesproken is over noodsituatie.

–        Morele plicht, juridische dwang?
Uitgangspunt moet uiteraard zijn de morele plicht van de zwangere vrouw om er alles aan te doen om vermijdbare schade aan het kind dat zij draagt te voorkomen. Dat deze morele verplichting juridische moeilijkheden met zich meebrengt mag duidelijk zijn. Immers in hoeverre zouden we via het recht willen afdwingen dat een zwangere vrouw niet rookt, drinkt of drugs gebruikt? In de opvatting van Thomson is er dan sprake van een onfatsoenlijke vrouw, maar niet een vrouw die onrechtmatig handelt. Toch blijft dit een vreemd uitgangspunt: dat er de mogelijkheid is om zonder concrete consequenties schade te mogen berokkenen aan een ander persoon (in het bijzonder wanneer deze persoon niet geboren is, maar de discussie voelt natuurlijk verder bij ouders die hun kinderen permanent ongezond voedsel voorschotelen).

In het in ethisch opzicht nog steeds van belang zijnde Conflicterende belangen van zwangere vrouw en ongeboren kind, in het bijzonder bij allochtonen van G.A. de Boer en A.J.M. Roex (Nederlands Tijdschrift voor de geneeskunde, 1994; 138: p.339-43) wordt opgemerkt dat het uitoefenen van morele druk via een juridische dwangmaatregel te veel bezwaren met zich meebrengt. Wetgeving derhalve ter bescherming van het ongeboren kind aanscherpen, is daarmee misschien niet wenselijk. ‘Het morele gelijk van de behandelaar kan niet opgelegd worden aan de geïnformeerde, competente vrouw met een even zwaar moreel gelijk.’ Dat laatste is redelijk, mits er sprake is van dat zware morele gelijk.

–        Erkenning van rechten ongeboren kind
Desondanks is het niet ondenkbaar dat in de nabije toekomst de ‘rechten van het ongeboren kind’ steeds vroeger worden erkend. Die glijdende helling is dan evident in het nadeel van de zwangere vrouw, aangezien haar rechten op zelfbeschikking steeds vroeger aan banden zal worden gelegd. Wat nu 24 weken is, kan zomaar binnen nu en 50 jaar 18 weken zijn, met als enige argumentatie levensvatbaarheid dankzij medische wetenschap, gek genoeg niet erkenning van menselijke eigenheid (vgl. de belangrijke zaak Roe v. Wade (1973): ‘Because the unborn is not a person within the language and meaning of the Fourteenth Amendment, it therefore does not have the right to life specifically guaranteed by that Amendment. So states are not permitted to prohibit abortion to protect the fetus’s right to life. On the other side, the woman’s constitutional right of privacy entitles her to make this most personal of decisions, without state intervention, at least throughout the first two trimesters. At the same time, the Court recognized legitimate state interests in protecting maternal health, in maintaining medical standards, and in protecting potential human life. ‘At some point in pregnancy, these respective interests become sufficiently compelling to sustain regulation of the factors that govern the abortion decision. The privacy right involved, therefore, cannot be said to be absolute[6]’.

Het is juist de menselijke eigenheid waarmee pro-life bewegingen schermen die tegenover de juridische rechten van de vrouw staat, maar het kan geen kwaad om ook zelf te realiseren wat een mens van 22 weken oud aan eigenschappen met zich meedraagt, waarbij zelfs de oren hun uiteindelijke vorm aan nemen en het gehoor al redelijk is ontwikkeld, zodanig dat het kind empirisch in contact staat met de buitenwereld en muziek die dan wordt gespeeld zelfs na de geboorte zal herkennen. Het juridisch recht blijft worstelen met wat in de zaak Roe vs Wade wordt geïllustreerd door de woorden van de rechter ‘At some point in pregnancy’. Gelet wat ik onder sectie vier heb aangedragen, waar eigen verantwoordelijkheid een factor van importantie is waar het gaat om toe te eigenen of te verwerven rechten, vind ik het niet onlogisch om wanneer er een ernstig gebrek aan verantwoordelijkheid wordt geconstateerd in dat geval wel degelijk rechten toe te kennen aan het ongeboren leven, ten koste van de rechten van de moeder.

6. De barmhartige Samaritaan
Deze sectie borduurt weer voort op de voorgaande sectie. En feitelijk komt ze tot dezelfde conclusie: er kan binnen het recht niet zoiets bestaan als een wet die mensen verplicht een barmhartige Samaritaan te zijn. Sterker nog: in geen enkele Amerikaanse staat bestaat er zelfs ook maar een wet om een minieme barmhartige Samaritaan te zijn. Daar waar geen enkele persoon vervolgd zou kunnen worden voor het feit dat ze niet ingegrepen toen Kitty Genovese werd vermoord, omdat ze niet verplicht kunnen worden tot de wet een barmhartige Samaritaan te zijn, is het zo dat wetgeving van vrouwen wel verwacht een barmhartige Samaritaan te zijn ten opzichte van hun ongeboren kind. Dat is krom en absurd.

6. Commentaar: De barmhartige Samaritaan
Hier is denk ik de opvatting van Thomson duidelijk gedateerd, zoals ik in het vorige commentaar heb betoogd. Van mensen mag wel degelijk worden verwacht dat ze in omstandigheden een goed mens zijn voor een ander. Bovendien, en dat moeten we niet miskennen, moet kennis die we kunnen putten uit het verleden een belangrijke reden zijn om anders te handelen: we zouden immers anders eeuwig dezelfde fouten maken en dit nog keer op keer accepteren ook. Het voorbeeld van Kitty Genovese heeft in de psychologie geleid tot onderzoek naar wat we nu kennen als het ‘bystander-effect’. Wanneer een persoon in nood is, dreigen omstanders de neiging te krijgen passief te worden, met als gevolg dat uiteindelijk niemand ingrijpt.

–        Kennis van effecten is van invloed op het handelen
We kunnen echter niet zeggen dat kennis van effecten geen invloed zou hebben op handelen. Wie bijvoorbeeld op de hoogte is van het psychologische experiment dat uitgevoerd werd door Stanley Milgram, waarbij onderzoekers proefpersonen binnen een eenvoudige machtsrelaties (waarbij er nauwelijks consequenties waren voor de proefpersoon) konden bewegen tot dodelijke handelingen, zou beter moeten weten dan gedwee op een knopje drukken dat 300 Volt door een onschuldig persoon voert.

–        De professor die niet handelt naar zijn eigen inzichten
Stel je immers voor dat een professor in de psychologie zelf in een soortgelijk experiment bij zijn volle verstand bereid blijkt om een schok te geven van 300 volt, dan zouden we hem toch pervers, moreel laakbaar en ziekelijk noemen en zelfs persoonlijk verantwoordelijk houden voor de gevolgen. Met andere woorden: kennis is niet enkel macht, maar kennis betekent ook een grotere verantwoordelijkheid. Een verantwoordelijkheid waarop men moet worden aangesproken.

Dat wetgeving van vrouwen wel verwacht een barmhartige Samaritaan te zijn ten opzichte van hun ongeboren kind, is daarom misschien minder krom en absurd dan Thomson denkt: het is absurder dat wetgeving van mensen niet verwacht dat ze in omstandigheden een barmhartige Samaritaan zijn. En met de kennis die we tegenwoordig hebben, mag in veel gevallen worden verwacht dat mensen verantwoordelijk omgaan met hun handelen. Als mensen kennis hebben van de ernstige gevolgen van hun handelen en desondanks zodanig handelen dat het in strijd is met wat ze hadden kunnen weten, dan moeten daar consequenties aan worden verbonden, evenzeer dat redelijk is in het geval van de laakbare professor die in strijd handelt met zijn kennis en daardoor anderen ernstig benadeeld.

–        Herhaalde abortus als maatschappelijk probleem
Daarmee kom ik weer bij het eerdere argument, dat mij de herhaalde abortus het meest tegenstaat: in hoeverre mogen we verwachten dat mensen na het ondergaan van een abortus redelijkerwijs voldoende kennis hebben over de morele consequenties van hun handelen? En indien er sprake is van achteloosheid ten aanzien van ongeboren menselijk leven, dan lijkt er wat werk aan de winkel op het gebied van morele voorlichting, ethiek en potentiële persoonlijkheid. Taken die wat mij betreft abortusklinieken naar behoren moeten uitvoeren. Want in hoeverre kan men stellen dat herhaalde abortus uiteindelijk een probleem is van gebrekkige voorlichting of begeleiding in de abortusklinieken? En als het niet een probleem is van de klinieken (zoals wordt gesteld door Gevers et al. (2005)) waar ligt het probleem van herhaalde abortus dan? Als we de abortusproblematiek werkelijk ernstig nemen (en daartoe spreken van ‘personen vanaf conceptie’ zoals Thomson aandurft), dan moeten we ook de 24% van de vrouwen die voor een 2e keer abortus ondergaan als een ernstig feit beschouwen en misschien wel als een maatschappelijk probleem.

7. Bijzondere verantwoordelijkheid
De conclusie is, stelt Thomson, dat zelfs als we de foetus als een persoon zien dat onvoldoende is om abortus niet toe te staan. Maar het zou kunnen worden betoogd dat alle analogieën irrelevant zijn, omdat het de bijzondere band tussen moeder en kind niet benoemd. We hebben geen bijzondere band ten aanzien van de violist, en Henry Fonda heeft geen bijzondere band ten aanzien van Thomson. Maar als ouders (zoals eerder betoogt) alle redelijke voorzorgsmaatregelen hebben getroffen tegen het krijgen van een kind, dan kunnen we niet stellen dat enkel en alleen door hun biologische verbondenheid ze een verantwoordelijkheid hebben ten aanzien van het kind dat alsnog per ongeluk in de buik groeit. Verantwoordelijkheid is dan een keuze. En als die keuze dan betekent dat er zeer grote offers moeten worden gebracht, dan mag er worden geweigerd.

7. Commentaar: bijzondere verantwoordelijkheid
Thomson evalueert hier haar opvattingen. De strekking blijft dat wie alle redelijke voorzorgsmaatregelen heeft getroffen en toch in verwachting geraakt, het recht op abortus niet verspeeld. Opvallend is wel dat Thomson in tegenstelling tot de progressieve opvatting die de Nederlandse praktijk erop nahoudt waar het gaat over ‘nood’, hier stelt dat er grote offers moeten worden verondersteld: ‘And I am suggesting that if assuming responsibility for it would require large sacrifices, then they may refuse’. Dat verklaart wellicht ook waarom feministen, zoals ik in de inleiding zei, niet gelukkig zijn met dit artikel. Hoewel een verdediging voor abortus, neemt het artikel mijns inziens abortus wel degelijk serieus als probleem waarmee zeer zorgvuldig moet worden omgegaan, waarbij ik vermoed dat ‘ik denk dat ik nog te jong ben voor een baby’ niet als een legitieme reden zou worden beschouwd door Thomson.

–        Persoon of lid van de familie
Thomson heeft aangegeven dat het erkennen van een foetus als persoon, op zichzelf niet voldoende is om abortus te verbieden. Veel pro-life bewegingen beroepen zich in het licht van de filosofische argumentatie ook niet op het feit dat een foetus een persoon is, maar familie is van het menselijke geslacht[7]. Indien bijvoorbeeld een zwangere vrouw gedood zou worden door een bom, dan zouden er genetische sporen worden gevonden van twee mensen. Maar dat er een biologische overeenkomst is, betekent nog niet noodzakelijk dat er ook een morele overeenkomst is.

–        Seksualiteit als bijzondere verantwoordelijkheid
Maar ook als we de foetus in biologische zin accepteren als gelijke, zorgt dat er echter niet voor dat een zwangere vrouw geen enkele zeggenschap zou mogen hebben over het leven in haar. Zoals ik heb aangegeven in mijn commentaar, kan daar wel degelijk sprake van zijn wanneer het leven in gevaar is van de moeder, in noodsituaties die niet worden gedefinieerd door de persoonlijke sociale omstandigheden en (dat vind ik een progressieve opvatting die ik omwille van een hedendaagse discussie zou willen toestaan) wanneer er sprake is van een eerste abortus, terwijl men zorgvuldig is omgegaan met anticonceptie. Een dergelijk recht past bij een open en vrije samenleving, al zien we in Spanje dat de wetgever abortus enkel wil toestaan in de eerste twee gevallen: Abortus wordt in Spanje strafbaar tenzij een vrouw zwanger wordt na een verkrachting of als haar lichamelijke of psychische gezondheid in gevaar komt. Hoewel dit door sommigen zal worden beschouwd als een stap terug in de tijd, is het vooral een nadrukkelijke appel op eigen verantwoordelijkheid in relatie tot het menselijke leven: seksualiteit is geen lichtzinnig spel, evenmin als het spelen met vuurwerk, het gebruiken van drugs of het springen van een rots in het water dat is.

–        Terug naar een maatschappelijke synthese?
Dat bijvoorbeeld de Katholieke Kerk de seksualiteit op een al te strenge manier heeft benaderd, is nog geen reden om met het wegvallen van de invloed van de kerk onze wensen ten aanzien van seksualiteit de vrije loop te laten zonder te hoeven nadenken over de gevolgen. In dat opzicht lijkt de Nederlandse abortuswetgeving op een Hegeliaanse antithese als reactie op de these van de jaren 50: het is wachten op de synthese, waar er een moreel evenwicht wordt gevonden tussen de rechten en de zelfbeschikking van een verantwoordelijke rationele vrouw, en de rechten van een ongeboren kind en die van de samenleving. Ik denk dat Thomson juist die synthese al in 1971 beoogt.

8. Geen definitieve richtlijnen
Aan het eind van het betoog vat Thomson haar bedoelingen samen.

Ten eerste is het zo dat abortus niet verboden moet worden, maar dat het eveneens niet in alle gevallen moet worden toegestaan. Wanneer er sprake is van een minimaal offer, dan is dat geen standaard waar we onder moeten vallen ten koste van een menselijk leven. De insteek van het artikel is dat er een lans moet worden gebroken voor de zieke en bange veertienjarige schoolmeisjes, die door een verkrachting zwanger zijn geworden en dan vanzelfsprekend abortus mogen plegen. Een wet die dat verbiedt, is een idiote wet. Het zou echter buitengewoon onfatsoenlijk zijn indien een abortus wordt verlangd omdat anders de buitenlandse reis in het gedrang komt, en het zou buitengewoon onfatsoenlijk zijn van een arts indien hij hiermee akkoord zou gaan.

Ten tweede is het artikel een pleidooi geweest voor de mogelijkheid van abortus in sommige gevallen, niet een pleidooi voor een recht om de dood van een ongeboren kind te verzekeren. We zijn niet moreel gehouden om negen maanden in bed door te brengen, om daarmee het leven van de violist te garanderen, maar indien we ons los zouden koppelen, en door een wonder overleeft de violist, dan is er vervolgens geen recht om hem alsnog te doden. Als een vrouw het vooruitzicht van een levend kind niet kan verdragen, en daarmee het kind dus expliciet dood wenst, is dat geen verlangen wat iemand ook maar zou moeten willen.

8. Commentaar: Geen definitieve richtlijnen
Belangrijk in dit slotstuk is dat de opvatting van Thomson over abortus hier duidelijk niet betekent dat het doden van een foetus een doel op kan zijn. Als een foetus in staat is om op zichzelf te kunnen voortbestaan, of misschien wanneer de medische wetenschap in staat is een foetus te verwijderen terwijl ze deze kunnen laten volgroeien, dan zou dat moeten gebeuren. De moeder verwerft dan niet het recht, gelet op bijvoorbeeld haar toekomstplannen, alsnog tegen een arts te zeggen: ik wil dat het niet levend ter wereld komt. Het is niet voor niets dat op dit moment de 24 weken grens in Nederland wordt aangehouden, omdat klaarblijkelijk we dan in staat zijn om de foetus buiten de moeder in leven te houden.

–        Abortus als intentioneel doden van leven
Desalniettemin, is juist het doden van een ongeboren kind in vele gevallen exclusief gemotiveerd vanuit het idee dat het de toekomstplannen dwars zit. Een vrouw die vindt dat haar toekomst in het geding is omdat ze haar opleiding niet kan afmaken, omdat ze denkt er niet voor te kunnen zorgen of omdat zij het financieel moeilijk zou gaan krijgen, stelt dat daarom het kind niet levend ter wereld mag komen. Als het kind immers wel levend ter wereld komt, dan zijn die mogelijkheden in het geding. Het is daarom welbewust en geheel de bedoeling dat het leven van het kind wordt beëindigd, waarmee er sprake is van intentioneel doden, in tegenstelling tot hoe Thomson abortus beschouwt.

Ik denk dat de opvatting van Thomson over abortus als niet intentioneel doden samenhangt met haar expliciete opvatting van de noodsituatie: ik wil het kind niet dood, maar ik heb geen andere keuze. Dit veronderstelt een impliciete kinderwens die onder morele druk tijdelijk onderbroken moet worden, bijvoorbeeld wanneer het kind ernstig gehandicapt is, er sprake is van een verkrachting of het eigen leven in gevaar komt.

Het is voorstelbaar, zoals eerder gezegd, dat de grens telkens verder verschuift naar beneden, waarbij de moeder in theorie minder vrijheid heeft in haar keuze wat er in haar lichaam gebeurt, en sterker nog in hoeverre ze verantwoordelijk is voor het toekomstige leven wat buiten haar in staat is zich te ontwikkelen. Velen die op dit moment een foetus niet als persoon beschouwen, moeten zich realiseren dat de biologische en medische wetenschappen in de toekomst in staat zullen blijken foetussen vanaf de 20e week of eerder in leven te houden, waarmee de discussie een nieuwe fase in gaat een ook het recht opnieuw stelling moet nemen.

Tot besluit
Hoewel deze studie op basis van het artikel van Thomson enkele weken in beslag heeft genomen, is dat verre van genoeg om ook maar de contouren van de complexe discussie omtrent abortus volledig weer te geven. Daarvoor is de materie te ingewikkeld, te veelzijdig en vooral teveel uiteenlopend beschreven.

Toch denk ik dat dit essay voldoende aanknopingspunten biedt voor wie zich wil positioneren, of wil verdiepen in het debat. Verder denk ik dat er enkele originele argumenten zijn aangedragen, die onze opvattingen over verantwoordelijkheid, omgang met seksualiteit, en de relatie tussen rechten en plichten uitdagen. Ik geloof dat iedereen die zich serieus in de discussie begeeft, uiteindelijk alleen maar kan wensen dat er zo min mogelijk abortussen worden gepleegd: gewenste kinderen en gelukkige moeders, daar kan niemand tegen zijn. Dat gold voor Thomson in 1971 net zo goed als voor mij. Maar aangezien dat enkel en alleen mogelijk is in een ideale wereld, is het goed dat we de discussie blijven voeren.

 


* Dit is geen wetenschappelijk artikel. Hoewel zorgvuldig nagezien, is het niet geredigeerd. Het essay kan in de loop der tijd aangevuld of verbeterd worden.

[1] Waar het de leesbaarheid bevordert, heb ik de verwijzende literatuur als voetnoot opgenomen, in plaats van in de tekst. Vgl. Hier: Peter Singer (2001) in Een ethisch leven, p. 193-215, David Boonin (2003) in A Defense of Abortion, p. 19-49 of Mary Ann Warren (1996) in On the Moral and Legal Status of Abortion, (In: Mappes, T.A. &. DeGrazia, D.(eds). Biomedical Ethics. 4th ed. P. 434-440).

[2] Zie o.a. Hochderffer (1994). Fight For Life: A Pro-Life Student’s Abortion Debate Guide en Newton (1978) The Irrelevance of Religion in the Abortion Debate. In: Edward Batchelor, Jr., ed (1982). Abortion: The Moral Issues. p. 3–6.)

[3] Vgl. Wilcox, J.T. (1989). Nature as Demonic in Thomson’s Defense of Abortion.

[4] In: Baird, R.M & Rosenbaum, S.M. (eds.) The Ethics of Abortion: Pro-Life vs. Pro-Choice.)

[5] (Zie: Warren, M.A. (1973). On the Moral and Legal Status of Abortion. In: The Monist, Vol. 57, No. 4)

[6] Zie: Steinbock, B. (1992/2011). Life Before Birth. The Moral and Legal Status of Embryos and Fetuses. p. 96).

[7] Vgl. Noonan, J.T. (1968). Deciding Who is Human. In: Natural Law Forum 13; zie hier voor een kritische evaluatie.

________________________________

Uit het AD van 10/2/2017

 Uit het AD van 3/4/2017
Lees ook:
https://logos.nl/volwassen-zenuwen-laten-jonge-embryos-al-pijn-voelen/

7 problemen in de discussie naar meer inclusiviteit

Een verdraagzame overweging voor wie het verdragen kan

Het Algemeen Dagblad (17/10/2022) had maar liefst op 6 pagina’s aandacht voor het feit dat de aanvoerder van Feyenoord geen trek had om de speciale OneLove-band te dragen. Prominent op de voorpagina (‘Kökçü weigert regenboogband’), uitgebreid op p. 3 (‘Wat wil Kökçü wél doen voor LHBTI-acceptatie?’), op de voorpagina van Sportwereld (‘Feyenoord worstelt met weigering Kökçü om OneLove-band te dragen’), een column van Hugo Borst op p.2  (Bas blijft door Kökçü nog even in de kast), op p. 3 nogmaals (Feyenoord worstelt met Kökçü’s weigering) en tenslotte een nuancerende noot van Willem van Hanegem op p. 5 (Ik heb niets met bedachte acties) voor wie dan nog niet murw is geslagen met het idee dat het allemaal wel heel erg en gewichtig is.

Het is voor mij als lezer altijd gissen of er geen enkele eindredactie plaatsvindt of dat men het daadwerkelijk een zo eminent belangrijke discussie vindt, dat die als een rode draad door de krant moet lopen. Laat ik maar even uitgaan van dat laatste. In dat geval, en niet alleen bij het Algemeen Dagblad maar natuurlijk media-breed, speelt er een aantal storende problemen op de achtergrond. Deze zal ik kort toelichten.

Probleem 1: De pervasieve neiging om deze discussie vanuit LHBTIQ+-perspectief te beschouwen

Dat komt vooral denk ik door de goed georganiseerde en dominante aanwezigheid van deze gemeenschap in dit debat. Stelselmatig wordt dan gesproken over ‘een speciale aanvoerdersband in de regenboogkleuren’, terwijl de kleuren van de band echter afkomst, ras, genderidentiteit én seksuele geaardheid symboliseren -aldus de KNVB-. En als ze echt inclusief willen zijn zouden ze daar geloofsovertuiging nog aan kunnen toevoegen.

Het betreft dus een algemeen statement tegen discriminatie.

Staat buiten kijf dat het naïef is om te kiezen voor een symbool wat makkelijk gekaapt kan worden door regenboog-ideologie.

Probleem 2: Wie niet voor ons is, is tegen ons!

Het tweede probleem betreft een nogal ergerlijk probleem. Dit namelijk omdat het zo stompzinnig is, dat je het bijna niet geloven kan: maar de discussie is voor velen toch echt op het niveau beland dat wanneer je bijvoorbeeld niet een gekleurde band draagt, ze vinden dat je hoe dan ook niet deugt (‘Pijnlijk’, ‘Onthutsend’, ‘Een klap in het gezicht van de gemeenschap’, ‘Voorbeeldfunctie onwaardig’, etc.). Het gevolg is een storm van shaming waarbij anderen nadrukkelijk in beeld worden gebracht dat ze wel deugen en het goede voorbeeld geven.

Ik moet denken aan de briljante Seinfeld-aflevering waar Cosmo Kramer de bewustwording van AIDS op zijn eigen manier wil ondersteunen.

Het gesprek gaat vrij vertaald als volgt:

Vrijwilliger: Je bent ingecheckt. Hier is je aids-lintje!
Kramer: Ach, nee bedankt.
Vrijwilliger: Jij wilt geen aids-lintje dragen?
Kramer: Nee, nee. 
Vrijwilliger: Maar je moet een aids lintje dragen. 
Kramer: Moet ik dat? 
Vrijwilliger: Ja.
Kramer: Ja, kijk, daarom wil ik het niet. 
Vrijwilliger: Maar iedereen draagt het lintje. Jij moet het lintje dragen!  
Kramer: Weet je wat je bent? Je bent een lintjespestkop! (a ribbonbully)
(loopt weg).
Vrijwilliger: Hey! Hey jij! Kom terug! Kom terug en doe dit lintje om!

Deze scène is een mooi voorbeeld van een soort symbolisch fundamentalisme, hier uitgebeeld door lintjesradicalen. Kramer, die op zijn manier bereid is zijn steentje bij te dragen, wordt aan het einde van de scène door lintdragende wandelaars in elkaar geslagen. Iemand die om moverende redenen niet meedoet, moet het ontgelden; dat klinkt bekend in de oren.

Probleem 3: Gewetensnood is geen zaak waar je gemakkelijk overheen stapt

Dit probleem sluit aan bij het vorige. In het geval Kökçü wordt door velen voor het gemak namelijk vergeten dat hij zich verbonden voelt met een eeuwenlange complexe traditie en daarbij niet alleen als voorbeeld voor uit-de-kast-komers dient, maar hij ook de trots is van een hele andere en meer conservatieve gemeenschap.  Het idiote idee dat hij stelling zou moeten nemen tegen die gemeenschap ten faveure van een andere is ook weer zo absurd dat ik niet geloof dat toelichten enige zin heeft, voor wie hier geen vriend van het begrijpen is.

Probleem 4: Overtuiging laat zich niet sturen

Dit is misschien wel het belangrijkste probleem. Je zou hier vrij naar John Locke kunnen stellen: acceptance is no acceptance without sincere believing. Het is namelijk volstrekt nutteloos om een overtuiging af te dwingen. Dwang brengt immers hypocrisie voort, geen overtuiging. En het laatste waar ik op zit te wachten is een hypocriete aanvoerder van Feyenoord of wie dan ook die zich laat ringelen met een band omdat er anders gesodemieter van komt of omdat het van bovenaf van hem wordt verwacht. Bovendien, er bestaat echt zoiets als gewetensvrijheid, zonder dat je er kwaad mee doet.

Probleem 5: Er komt hoe dan ook gesodemieter van

Voor wie het nog niet is opgevallen: dit soort (bedachte) publieksacties leveren altijd verkeerde aandacht en eindeloos foute discussies op met een hoop bagger. Je kunt tegenwoordig de Pavlov-klok erop gelijkzetten dat er een storm van meningen aangewakkerd wordt die nu niet bepaald bijdragen aan verdraagzaamheid. Dat is zeker niet dè reden, maar bijvoorbeeld wel een goede reden om in Qatar niet met de regenboogvlag het veld op te rennen.

Probleem 6: Werkt het eigenlijk wel?

Dit probleem hangt samen met het vorige. Er heerst een naïef geloof dat de mens een ziek dier is wat wil genezen, en de remedie erin ligt zo vaak mogelijk en zo hard mogelijk te roepen ‘dat iedereen erbij hoort.’ En welke bedenking je daarbij ook zou hebben: pas op want je staat op glad ijs patiënt!

Het blijft echter volstrekt onduidelijk of dit soort acties als het collectief moeten dragen van een band enig effect sorteren en bijvoorbeeld de voetbalsport plotseling een representatieve afspiegeling van de samenleving blijkt in plaats van een waar enkel hetero-macho-mannen de dienst uitmaken. Of wat te denken van de vraag of de doelgroep uitgesproken blij is als er weer de nadruk wordt gelegd op hun kwetsbare identiteit door derden. Ik denk het eigenlijk niet. Het middel is de kwaal geworden. Het enige wat ik zie is dat tegenstellingen worden uitvergroot en ergernis wordt aangewakkerd in alle kampen. 

Probleem 7: Sympathie komt te voet en gaat te paard

Want een sluimerende en gigantische ergernis ligt op de loer. En dit vertaalt zich vroeg of laat weer in antipathie, conservatief stemmen of juist recalcitrant en puberaal gedrag. En pubers sterven nooit uit, want je ook verzint. Wie namelijk telkens door hard te schreeuwen en verontwaardigd te zijn het nieuws haalt, moet zich afvragen of de zaak die hij verdedigen wil daarmee is gediend of dat hij juist mensen van zich wegduwt of triggert op een verkeerde manier. Alle negatieve aandacht die één aanvoerder nu gekregen heeft wekt bovendien helemaal geen sympathie voor de goede zaak. Want de goede zaak heeft sympathie nodig, en die is buitengewoon kwetsbaar.

Je kunt een Van Gogh besmeuren met goedkope tomatensoep en roepen dat Kunst nooit boven mensenlevens mag staan(?), maar met een beetje verstand zou je kunnen inzien dat je zo alle krediet verspeelt en niemand meer luistert. In het verlengde hiervan geloof ik ook niet dat het bekladden van openbare ruimten zoals trappen met regenboogkleuren bijdraagt aan verdraagzaamheid. Waar je vroeger de politie belde vanwege vandalisme, wordt nu van je verwacht dat je klappend staat toe te kijken hoe openbaar bezit verandert in een snoeplolly. Gaat écht niet helpen en bovendien weet je van tevoren al dat mensen er aanstoot aan gaan nemen. Gevolg: de merkwaardige overtuiging dat er daarom nog meer trappen moeten worden beschilderd en je moet blijven volharden in die ingeslagen weg ‘omdat het dus hard nodig blijkt!’

We hebben echter eerder ironie, zelfspot, relativeringsvermogen en humor nodig om verder te komen dan nog meer geforceerde kleuren van de regenboog.

Samenvattend moeten we ons afvragen of de gemeenschap voor wie men zegt op te komen, uiteindelijk 1. zit te wachten op deze zich eindeloos herhalende steuntjes in de rug en 2. of dit de juiste manier is om het probleem aan te pakken. Want het feit dat uiteraard, vanzelfsprekend en zonder enige discussie ieder mens telt en erbij mag horen is zonneklaar. Wie dat niet beweert (En ik ben in de omstandigheid dat ik eigenlijk nooit iemand tref die dat niet beweert), sluit zichzelf buiten.

Bovenstaande problemen maken echter voldoende duidelijk dat het blijven zwaaien met regenboogkleuren in al zijn facetten zijn langste tijd heeft gehad. Hoogste tijd voor iets nieuws.

Het einde van VI, het einde van een dialoog

De staat van verveling waarin een land verkeert kan men afleiden uit de mate waarin men zich druk maakt over banale zaken. Gelet op de drukte rondom het einde van het programma Vandaag Inside -van het oeverloos lege gemoraliseer van orakel Angela de Jong tot aan een door hysterie aangewakkerd volledig kansloos onderzoek van het Openbaar Ministerie- kunnen we niet anders concluderen dat we ons op de rand bevinden van een totaal verveelde gemoedsgesteldheid, tegen het beroerde aan. In deze overweging, in het besef dat ik mij daarmee onder de verveelden schaar, werp ook ik nog enkele thema’s nader op het vuur. Voor die ene lezer, die nog niet verveeld is.

Als liefhebber van het eerste uur schreef ik ooit al over het mogelijke einde van het programma. Nu dat er werkelijk is, voelt dat als een onbevredigende leegte. In tegenstelling tot anderen die zeggen dat het programma met een knal is geëindigd, ervaar ik het eerder dat het programma als een  nachtkaars is uitgegaan. In dit verband zou je dat ironisch kunnen noemen, maar het voelt in ieder geval heel onbevredigend. Het is me volkomen onduidelijk wat iemand hier nu mee opschiet. Johan Derksen zei in de uitzending van 28 april dat er geen plaats meer is voor Johan Derksen; maar het werkelijke probleem volgens mij is dat Nederland uitpuilt van mensen die vele malen groffer, geniepiger en beledigender zijn dan Johan Derksen. De rioollucht komt je al tegemoet wanneer je op sociale media de moeite neemt om enkele reacties te lezen op welk willekeurig onderwerp dan ook. Het einde van de openbare voetbalkantine is niet het einde van de polarisatie, maar eerder een absolute bevestiging ervan.

Wat ging er mis?

Natuurlijk ging er wel behoorlijk wat verkeerd. Eerder betoogde ik dat een grap nog zo misselijkmakend kan zijn, ik het recht om deze grap te mogen uiten zou verdedigen. Het probleem met dedronken vrouw en de kaars-anekdote van Derksen was echter dat ernst en ironie met elkaar verstrengeld raakten. Het gevolg was een uitermate giftige combinatie die niet meer om te vormen was tot een zuivere grap. Aangewakkerd door de technologie waarbij een enkele gedachte kan leiden tot een sneeuwbaleffect van honderdduizenden meningen en reacties, werd het leidend sentiment dat slachtoffers hier geridiculiseerd zouden worden.

Ik heb er geen enkele twijfel over dat dit absoluut nooit de bedoeling is geweest. Maar onze tijdsgeest kent een soort oncontroleerbare blinde wraakzucht, een soort middeleeuwse vergeldingsdrang waarbij iemand de gevolgen kost wat kost moet voelen. Een open dialoog met ruimte voor begrip en nuance, het controleren van feiten en context, hermeneuse, duiding en bedoeling en de mogelijkheid tot vergeving is er niet. Als het beeld gevormd is, moet dat hoe dan ook bevestigd blijven.

Vragen die blijven

Maar in het licht van wat Derksen probeerde te zeggen en waarbij hij naïef een zekere filosofische vrijheid permitteerde, blijven er tal van interessante kwesties hangen. Het probleem is echter dat zo in filosofische zin deze vrij besproken moeten kunnen worden, het dreigende schreeuwende sentiment vrijwel iedere open en kwetsbare vraag lastig zo niet onmogelijk te overwegen maakt. Van zenderbaas tot HR-manager, allemaal lijken ze bevangen door afrekenangst. Het idee om iemand in vrijheid van denken te kwetsen, waarbij het denken soms onbeholpen begint teneinde al zoekende tot nadere inzichten te komen, leidt dan tot de zelfcensuur van het vrije denken. Dat is precies wat er nu gebeurd is.

Het vrije denken stuit in zijn onbeholpenheid tegen de grens van het overheersende sentiment en de ruimte om dit denken in openbaarheid en ernst voort te zetten is daarmee gesmoord. Dat is dood zonde, want zo lijkt het erop alsof er een gelijk gevonden is, terwijl de vragen verre van helder beantwoord zijn. Want hoe kun of mag je bijvoorbeeld de tijdsgeest meewegen in het beoordelen van gedragingen van mensen? We vergeten soms al te gemakkelijk dat de context van de vrije jaren zeventig door velen totaal niet meer voorvoelt kan worden, net zo min als het idee dat kinderporno tot in de jaren 80 vrij verkrijgbaar in de etalages lag (!), net zo min als dat verkrachting binnen het huwelijk pas na 1991 (!) strafbaar werd of dat Nederland tot aan de strafbaarstelling in 2010 de grootste producent ter wereld was van dierenporno. Die bewegingen van maatschappelijke afkeuring en strafbaarstelling zijn van veel grotere geleidelijkheid dan velen lief is en veel minder absoluut en resoluut als men hoopt. Hoe terecht de afkeuring nu ook voelt of zelfs is, met terugwerkende kracht de toorn leggen op hen die zich binnen die toenmalige ruimte vrij bewogen is veel te simpel.

Een andere kwestie in het verlengde hiervan die veel dieper overwogen moet worden, is in hoeverre we los van tijdsgeest iemand moeten of willen veroordelen voor zijn gedragingen van zegge 50 jaar geleden. Het annuleringssentiment suggereert daar een vanzelfsprekend antwoord op te hebben, maar het lijkt me desondanks een wijd openstaande vraag. Derek Parfit (1942-2017) overweegt deze kwestie in Reasons and Persons, waarbij de analogie met Derksen verrassend dichtbij ligt:

Stel je een man voor van negentig jaar, een van de weinige rechtmatige winnaars van de Nobelprijs voor de Vrede, die bekent dat hij het was die op twintigjarige leeftijd een politieagent verwondde in een dronken vechtpartij….

Derek Parfit (1984). Reasons and Persons. Oxford, UK: Oxford University Press. P. 326.

…Moet deze man dan zijn prijzen inleveren? Moeten we zijn posities afnemen, hem ontslaan uit respect voor alle agenten? Verdient hij het om als paria door te moeten?

Parfit meent dat hoewel dit een misdrijf was, deze man nu misschien geen straf meer verdient of dat we daar tenminste veel genuanceerder tegenover moeten staan. Deze man is ook in zijn ogen niet meer de dronken twintiger. Het is zeer waarschijnlijk dat we op negentigjarige leeftijd niet dezelfde overtuigingen en verlangens zullen hebben als toen we twintig waren. Deze man is een winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede geworden, en gelooft in niets meer dat zijn gedragingen van toen passend waren of hem nu kenmerken of identificeren. Daarbij moeten we ons bovendien ook het doel indenken van wat de straf hier precies beoogt. Wat is namelijk het maximale wat we met de straf kunnen of willen bereiken? En hoezeer bereiken we dat ook?

Wat is i.c. namelijk de zin of het doel om Derksen zijn theatertournee af te nemen of zijn goed beluisterde radioprogramma’s te annuleren? Het antwoord luidt dan volgens hoofdredacteur Henk Ruijl van Omroep West dat zo’n beslissing genomen is ‘uit respect voor alle vrouwen die ooit met seksuele intimidatie, aanranding of verkrachting te maken hebben gehad’. 

Alsof al die vrouwen uit alle tijden totaal niet voor zichzelf kunnen denken en kunnen beslissen of ze ernaar willen luisteren. Alsof al die vrouwen -mannelijke slachtoffers lijken nooit bestaansrecht te hebben- dergelijk paternalisme pruimen en alsof de bedoelingen en nuanceringen van het 50-jaar oude incident volkomen irrelevant zijn. Alsof de opvattingen van Derksen, die in dezelfde uitzending zijn eigen gedragingen al afkeurt en het opneemt voor slachtoffers, de blijvende idiote bedoeling houden die Henk Ruijl erin wil blijven horen. En alle excuses doen er volgens Henk ook niet meer toe. De dialoog moet en zal vernietigd worden ten gunste van…tja ten gunste van wat? En dan mogen we nog hopen dat het niet vooral de angst is van Henk en consorten om adverteerders kwijt te raken. Dat zijn vaak toch de eerste weekdieren die de dialoog offeren voor de centen. Het is allemaal zo oppervlakkig, dat je er haast moedeloos van wordt.

Iemand zei me gisteren in een les dat hij de volgende analogie had bedacht. ‘Wat als een dronken fietser een bezopen vrouw die op de snelweg loopt aanrijdt, op wie zijn we dan het meeste boos, om welke redenen en wie heeft het minste recht van spreken?’ Ik voorvoelde de moeilijkheid en kon hem onmiddellijk de klas uitsturen omdat ik er een suggestie in hoorde die me niet beviel. Maar dat deed ik niet en we overwogen zijn analogie lang en op vele manieren. ‘Wat nu als ik ook echt een dronken vrouw heb aangereden?’ zei hij op enig moment. ‘Zou u me dan alles willen afnemen?’ Ik antwoordde hem dat ik vooral zou hopen dat hij in alle rust eens met die vrouw het gesprek aan zou gaan. ‘En wat als ze niet dronken was?’ ‘Dan nog des te meer en hopelijk vanuit begrip en diep berouw.’

‘Ja,’ antwoordde hij. ‘Dat gesprek aangaan. Dat gesprek samen aan durven in alle rust. Daar gaat het eigenlijk altijd mis, niet?’

Geef je over aan Omdenken en Omarm de Lucht en de Leegte®

Al geruime tijd loop ik met het idee rond me eens polemisch te uiten over het Omdenken, in brede kring ook wel bekend onder het synoniem Uitmelken. De quasi-geestige flauwekul gevoed door jatwerk, goedkoop effectbejag, mislukte ironie en gauw geld, ergert me al jaren. En ergernis komt toch het best tot bedaren op papier.

Omdenken presenteert zich als de ‘filosofie’ die van een probleem een feit maakt en daarmee een nieuwe mogelijkheid creëert. ‘Omdenken gaat om wat er is, en niet om wat er zou moeten zijn.’ Lees die zin gerust nog maar een paar keer. Deze en een diarree aan nog veel meer oppervlakkige onzin kan vrijwel niemand zijn ontgaan afgelopen jaren. Op Facebook volgen bijna 500.000 mensen de Omdenken-pagina en inmiddels zijn er tientallen boekjes in omloop en nog veel meer troep die je niet onder je kerstboom hoopt aan te treffen, omdat de gever geen inspiratie had je iets van waarde cadeau te doen. Die one-trick pony boekjes lijken overigens niet alleen allemaal op elkaar, maar kunnen het beste gewoon illegaal worden gedownload. Bespaart een hoop centen en oud paper. Of stuur me een mail, krijg je ze van mij. Omdenken doet daar niet moeilijk over, want ‘Dat kan immers, omdat het er is’.

De figuur achter de Omdenken-cultus is Berthold Gunster (natuurlijk niet zijn echte naam, die is Omgedacht). De man moet iedere avond van het lachen niet meer in slaap geraken hoe het toch mogelijk is geweest dat hij met een dergelijk gebrek aan originaliteit zo’n ongelofelijk groot publiek heeft weten te verleiden. Al is dat ook weer niet zo verwonderlijk als je bedenkt dat de gemiddelde mens gelooft dat hij een kans heeft van 1 op 2500 om de Jackpot te winnen van € 30.000.000 in de Staatsloterij of de wanhoop van de armoede iedereen kan verleiden tot banaliteit. Wat Loesje tot kunst verhief, transformeerde Berthold schaamteloos tot commercieel gedrocht.

Het is onmogelijk voor te stellen dat Berthold zelf gelooft in wat hij verkoopt. Als voormalig theaterregisseur acteert hij dan ook alles. Op de Omdenken-website acteert hij een orakel, visionair en groot denker. Berthold is het Antwoord en de Weg daar waar de kleinste beweging van zelfreflectie het laat afweten. Berthold geeft antwoord op het probleem van de vluchtelingen. Berthold geeft antwoord op het probleem van de echtscheiding. Een vrouw heeft moeite met haar lichaam, maar gelukkig biedt het Omdenken de verlichting: ‘Accepteer jezelf, wees blij met wie je bent. Ook oud worden hoort erbij en dat kan ook prachtig zijn. Amen!’ Einde citaat. Probleem opgelost. Iedereen blij.

Je ziet op de filmpjes dat Berthold af en toe moeite heeft om niet in de lach te schieten. De gauwdief die samen met zijn riante marketingafdeling uitgekauwde psychologische wijsheden van de bevroren grond achter elkaar plakt overgoten met een populair quasi-wetenschappelijk en esoterisch sausje, heeft een onverwacht grote sinaasappel gevonden. En die zal en moet tot de laatste druppel worden uitgeknepen. En zolang er nog onzekere directeuren te vinden zijn, een management van een of andere bank met teveel geld in de scholingskast of een theater wat een gat in de programmering moet opvullen, verkoopt Berthold zijn geparfumeerde stronthoop voor grof geld. Kun je hem boeken dan? Ja maar natuurlijk kun je hem boeken!

En als de Gunster niet kan of veel te duur is, dan staan er nog genoeg gerekruteerde idioten klaar die vooral ten koste van anderen hun pavlov-kunstje en de goedkope lach komen verkopen, en zo onbeschaamd geld binnen harken. Zeker, want Omdenken kost hoe dan ook goudgeld, duizenden euro’s voor een paar kwartier, gewoon omdat het kan!

Ik was ooit eens in de ongelukkige omstandigheid om Berthold zelf in een ‘sessie’, een show, een healing of hoe je het noemen moet aan het werk te zien. Niet vrijwillig overigens, maar bij gelegenheid. Het was een van de meest naargeestige voorstellingen die ik ooit in mijn leven bijwoonde. Het woord naargeestig dekt eigenlijk de lading niet eens, als ik mijn uitvoerig gedocumenteerde herinneringen erop nasla.

Berthold had zich de rol aangemeten van Ecclesiastes. Op enig moment kwam hij met een opdracht voor het aanwezige publiek die inhield dat je geen ‘nee’ mocht zeggen. Een lieve man die zich had voorgesteld als Ruud, bleek niet in staat te zijn overal ‘ja’ op te zeggen. Toen hij achteloos na een publiekelijk standje van de Prediker toch weer ‘nee’ antwoordde op een vraag, werd hij overvallen door een afkeurend rumoer vanuit de zaal. ‘Was hij soms mentaal niet in orde’? De volgende persoon wist wat haar te doen stond. Een vrouw van in de 30 gaf zonder enige tegenzin antwoord op de meest absurde vragen. Of ze zichzelf gruwelijk lelijk vond? Ja, natuurlijk! Ze mocht immers geen nee zeggen van de Prediker…

Ik observeerde nog een aantal mensen die zonder schroom op alles ja bleven antwoorden en toen overviel me het besef dat ik getuige was van een griezelig staaltje volksmennerij waarvan de ernst nauwelijks onderschat kon worden. Alsof Solomon Asch nooit bestaan heeft; alsof Hannah Arendt nooit Eichmann in Jerusalem heeft geschreven. Wat bezielt mensen in vredesnaam om zich over te geven aan dat wat precies de kern is van de condition humaine? Eigenheid, zelfverantwoordelijke zelfbepaling, excentrische positionaliteit, bedachtzame overweging, om dan ten volle te zeggen: ‘Ja maar en nee, want hoezo…’?’

Het maakte me intens droevig. Of dat nu kwam door de algehele leegheid of het gebrek aan verzet daartegen weet ik nog steeds niet. Tenslotte kwam de Prediker weer terug bij Ruud. Ruud mocht, of eigenlijk moest het nog een keer proberen. ‘Hij had toch immers gezien hoe het ook kon?’ En wederom had hij er moeite mee, verslikte zich, ontkende half en nam het geroezemoes voor lief… Het eindigde. Zonder moraal, zonder doel. En niemand mocht ‘ja-maar’ zeggen. Dat was de doodzonde. Dat werd de publieke vernedering. Ik was getuige van de moord op de dialectiek, en zonder dat iemand het in de gaten leek te hebben, werd hier de mens haast zelf opgeheven.

Advertentie. Met mislukte ironie probeert Omdenken critici de wind uit de zeilen te nemen. Leuk ook dat dyslexie-grapje. Lachen.

Ruud is een held, Berthold is een sukkel. Ruud laat zien dat je nooit moet zwichten voor de groepsdruk, volksmennende clowntjes, goedkope oplossingen of onelinerhulp. De troost van conformisme is de meest valse troost. Ruud toont dat je nooit je eigenheid moet opgeven. Dat je zingeving oneindig beter kunt vinden door introspectie dan je hoop te vestigen op Omdenk-esoterie. Dat je oneliners beter kunt zoeken bij Greshoff of Pascal of Renard of Gide of Hebbel. Echte denkers kortom. Ruud verdedigde Kierkegaards Hiin Enkelte op unieke wijze. Kierkegaard die overigens nooit een cent verdiende aan zijn boeken, iets waar het Omdenken een voorbeeld aan heeft als het zichzelf werkelijk oprecht zou Omdenken.

Maar natuurlijk is er niets oprecht aan deze ‘filosofie’. Misschien ergert mij dat nog het meest. Zou er geen cent mee worden verdiend, dan was Berthold al lang en breed op zoek gegaan naar een ander kunstje vol bedwelmende lucht en leegte voor de massa, het kuddedier dat hij zo graag in zijn vuilnis laat graven.

Dit alles heb ik uiteraard geschreven als zuivere reclame voor het Omdenken. Want Omdenken is bedrog,  een parasiterend gezwel dat bestaat bij de gratie van domheid, luiheid, en totale geestelijke armoede. Het is volksverlakkerij dat geniepig commercieel misbruik weet te maken met dank aan een individualistisch en oppervlakkig tijdperk. Een tijd waar dagelijks vermaak tot God verheven is. Omdenken is zo’n God. Ik had het dan ook niet beter de hemel in kunnen prijzen dan met deze woorden. Ga heen en Omdenk jezelf. En leg al je problemen en zorgen in de handen van het grote Niets. Omdat je het verdient, net als Berthold.

KIRAC 23 ‘Honeypot’: Bananasplit voor nihilisten

Indien het vat niet schoon is, verzuurt alles wat men erin giet.
Horatius

Aanleiding voor deze korte overweging is het project KIRAC 23 ‘Honeypot’, waar ik tegen wil en dank nog tegenaan liep. Deze film vol met naakt is in zijn volmaakte lafheid alleen tegen betaling ongecensureerd te zien, maar dat is niet noodzakelijk om te begrijpen waar het over gaat.

Het plan voor de film was ontstaan, na een oproep op GeenStijl van ‘studente filosofie’ Jini van Rooijen aan zogenaamde ‘rechtse mannen’ of ze voor het oog van de camera met haar naar bed zouden willen. De bedoeling van het project was, stelt Van Rooijen in een interview, om met ‘porno de polarisatie te willen opheffen’. Als je nog nooit zoiets stompzinnigs gehoord hebt, iets wat zo evident oppervlakkig is, dan zou mij dat niets verbazen.

Van Rooijen is in ieder geval niet op zoek naar een serieuze maatschappelijke carrière en lijkt mij bovendien van wat we uit de film kunnen opmaken zo ongelooflijk afhankelijk van haar lichaam en uiterlijk, dat wanneer ze dat zou verliezen, ze helemaal niets meer over heeft. Ik vraag me in alle oprechtheid af of ze überhaupt overziet wat ze hier doet of dat haar adolescentenbrein nog de broodnodige ontwikkeling behoeft. Ik kan mij niet anders voorstellen dan dat je hier vroeg of laat heel veel spijt van krijgt. ‘Mama, ze zeggen op school dat jij mannen expres vernedert..!’

De uiteindelijke film, die ik zou willen samenvatten als Bananasplit voor nihilisten, noemt zichzelf een kunstproject. Dit betekent in de regel kennelijk dat de moraal geheel overboord mag, en de mens als middel mag worden gebruikt, in plaats van als doel op zich moet worden beschouwd. En het middel heet hier Sid Lukkassen.

Sid is om een of andere reden waarover ik hier niet zal speculeren, ingegaan op het verzoek van Jini van Rooijen. Argeloos, zeker, maar oprecht. Rond minuut 13 kwebbelt een vrouw trots hoe blij iedereen was dat deze ‘vette eland’ binnenboord was; de minachting is haar af te lezen. En rond 26:30 horen we een man fluisteren dat hij graag de pik van Sid wil zien. Er druipt een griezelig Nietzscheaans übermensch-gevoel van af die iedere vorm van ironie ontbeert en ongelofelijk pijnlijk moet zijn voor iedereen die zichzelf als (linkse) denker of kunstenaar serieus neemt. Het is niet dat de film niet ironisch probeert te zijn; de tenenkrommende stem van de Voice-over, het al eindeloos eerder beproefde spel tussen fictie en realiteit en de onvermijdelijke belegen etnische grapjes zijn er mislukte pogingen toe.

Het centrale gegeven is uiteindelijk, dat hier permanent misbruik wordt gemaakt van iemand die kwetsbaar en oprecht zoekt naar een vorm van liefde, affectie en verbinding. Sid is op zoek naar het esthetische wat het poëtische vuur kan aanwakkeren en werpt zich vol overgave in dat experiment. Wie het Schone begrepen heeft, begrijpt haar aanvankelijke verblindende kracht die zo sensationeel kan zijn dat men er een leven naar lang kan blijven hunkeren. Zoiets probeert Sid hier oprecht te vinden denk ik.

Maar deze schoonheid is nooit bedoeld voor het schone, maar voor het lelijke. Wat hier werkelijk iets bijzonders had kunnen zijn, wordt banaal, ‘abject en infaam’. Sid wordt geconfronteerd met een Kierkegaardiaanse Johanna de Verleidster. Let wel een volslagen parodie op Kierkegaard en het Forførerens Dagbog, waar de ‘kunstenaars’ nog een paar afslagen bij de existentialist missen.

Een mogelijk motief van de makers zou gevonden kunnen worden in een middeleeuwse opvatting van vergelding. ‘Dat wat anderen ons hebben aangedaan, dat doen we nu jullie aan! En zie eens hoe dat voelt!’, roepen ze dan kunstzinnig. Rechts heeft kwetsende ideeën, Sid is ‘rechts’, dus kwetsen we Sid. Dat is de logica volgens mij. Ik moest onverhoopt denken aan George Harris’ ‘Anne de mannenhater’ die een abortus ondergaat vlak voor de fatale termijn van 24 weken, om zo haar man die oprecht dacht dat ze uit liefde een kind van hem wilde een lesje te leren: dat wat mannen haar heel het leven al hadden aangedaan, dat gevoel wilde ze hem nu bezorgen. Bravo Anne. Bravo KIRAC. Leve het Beest!

Maar Sid is de enige oprechte persoon te midden van een verzameling idioten. Hij is de enige mens met een hart van goud tussen de dwazen met een hart van steen. Dwazen die denken dat de Tuin der lusten van Jeroen Bosch de bedoeling is; maar hoe kan dat ook anders dat je het schijnparadijs aanbidt, als je leven zich voltrekt in een schaduw.

De werkelijke ironie is denk ik dan ook dat nog nooit zoveel mensen sympathie hebben gekregen voor een rechts, conservatieve denker die open en bloot probeert polarisatie te slechten, en wellicht voor het eerst eens wat verder gaan graven in zijn thematiek. Als dat de bedoeling was van deze klucht, chapeau. Maar daar heeft het niet de schijn van. En wat ‘kunstenaars’ dan heerlijk vinden is dat mensen zoals ik gaan proberen de schijn te verklaren. Maar de film is zo leeg dat er nauwelijks iets te verklaren overblijft. En dan zegt de kunstenaar weer: ‘Dat is precies wat we bedoelden.’

En hierin schuilt tenslotte het fundamentele probleem van dit soort postmoderne nihilisten, die op weg zijn naar niets en het Niets: je kunt ze op geen enkele manier nog aanspreken. Want hoe je ze ook aanspreekt, de enige repliek die is te verwachten is dat ‘de kunst’ verdedigd moet worden en daarom het individu en zijn wil ondergeschikt is. Een behoorlijk fascistische benadering zou ik denken.  Maar op geen enkele manier staan ze werkelijk open voor een dialoog, nuancering, kritisch gesprek of laat staan het opheffen van polarisatie. In tegendeel, de walging die dit oproept vergroot alleen maar de weerzin tegen dit soort linkse ‘betaal ons en je ziet bloot’-kunstenaars. De boodschap van Honeypot is niets, leidt tot niets en blijft niets. En dat moet dan verdedigd worden.

Zwelgend in hun eigen paradigma is alles wat daarbuiten valt de vijand en is alles wat er niet binnenvalt weg te redeneren door middel van de paradox. Ze beschermen zichzelf met het verheerlijken van lucht en leegte en dat maakt dat alle kritiek daarin kan verstommen.  Ja, Sid had nog mogen opdraven om zijn verhaal te doen, lees je hier en daar. Alsof het vertrouwen niet fundamenteel vernietigd was! Schaamtelozer kan het haast niet. Bovendien, als Lukkassen zelf de spot had gedreven met deze club, had het project nooit de eindstreep gehaald natuurlijk. Dit heeft het daglicht gezien bij de gratie van de vernedering.

Te midden van dat alles is Sid Lukkassen de tragische held. Een oprecht leven is een vruchtbaar zaad. Hij hoeft zich nu juist nergens voor te schamen. ‘Dat is precies wat we bedoelden’, hoor ik ergens slissen. Yeah right.

Afghanistan. Of: het menselijk tekort.

De toestand in Afghanistan is van een ongekende tragedie die het menselijke tekort ten volle in het licht plaatst. De totale zinloosheid waarmee tienduizenden jonge mensen zich hebben opgeofferd om namens hun land ‘vrede, veiligheid en vrijheid’ te brengen in Afghanistan doet pijn en wekt ergernis. Dat de aldaar getrainde mensen op geen enkele manier bereid zijn geweest om zich voor een corrupte overheid in te spannen is nog wel te begrijpen, dat er weer gedacht is dat het mogelijk moet zijn om de westerse geluksformule van bovenaf op te leggen, terwijl de wil bij de ander ontbreekt echter niet.

Sifan Hassan en de aanhoudend koele liefde

Het merkwaardige verschijnsel dat je het gevoel hebt dat je trots mag zijn op een prestatie die je niet hebt geleverd, is het geheim van de sport en de vraag naar de betekenis van nationale identiteit. En als de Olympische Spelen iets aantonen, dan is het dat nationale identiteit er toe doet.

Voor de televisie zitten en uitroepen: We hebben gewonnen!”, terwijl je alleen opgewonden hebt zitten kijken, is desondanks een oprechte uitdrukking. We spreken van ‘ons’ land, ‘onze’ medailles en ‘onze’ sporters. We eigenen hun succes gevoelsmatig toe, omdat ze namens Nederland hebben gepresteerd. En vervolgens wordt zo’n sporter een idool, een rolmodel en een icoon. Een Dafne Schippersbrug tref je niet aan in Duitsland en over een Annemiek van Vleutenfietspad wordt niet in Botswana gediscussieerd.

Afgelopen weken is er in verschillende media ongelooflijk hard geprobeerd om ook zo’n nationaal rolmodel te maken van Sifan Hassan. Thijs Zonneveld schreef in het AD eerder al over Hassan dat ‘we hier in Nederland te weinig beseffen hoe goed Sifan Hassan is.’ Ik geloof dat dat niet waar is, maar het een probleem is van identificatie.

Er zijn honderdduizenden mensen die met tranen in de ogen kijken naar haar onwaarschijnlijke prestaties, waaronder ikzelf, maar moeite hebben om zich die ‘toe te eigenen’ zoals ze dat wellicht bij Ellen van Langen, Maarten van der Weijden of met Femke Bol konden. Die sporters staan kennelijk veel dichterbij het dominantie idee van nationale identiteit, Hassan staat daar veel verder vanaf. Bij Hassan ontbreekt het denk ik te veel aan het We hebben gewonnen!-gevoel, wat niet afdoet aan het enorme kijkgenot wat ze als atlete brengt.

Hassan mag tijdens de Olympische slotceremonie de Nederlandse vlag dragen. Maar op de een of andere manier komt dat erg geforceerd over. Waar ligt dat aan? Ik moet dan altijd denken hoe kinderen uit haar geboorteland kijken naar zoiets. Zij hebben heel, heel hard hun rolmodellen en idolen nodig. Modellen die alles geven, die vallen, opstaan en alsnog winnen. Maar wat halen ze hier uit? Zien zij dit als een Nederlandse prestatie? Hun Ethiopische Letesenbet Gidey ‘verliest’ en onze Hassan wint?

Maar als ik mij bedenk dat Femke Bol om welke reden dan ook morgen de Ethiopische nationaliteit verwerft en zij in Parijs een gouden medaille wint en het Ethiopische volkslied klinkt terwijl naast haar een beteuterde Nederlandse atlete brons heeft gepakt, denk ik: wees er maar niet al te blij mee, dit is gewoon een Nederlandse vrouw. Het is onze Femke die toevallig om welke reden dan ook voor jullie rent. Waarin schuilt hier het omslagpunt? Wanneer is Femke niet meer onze Femke?

Sifan Hassan, dus van Ethiopische origine, kwam op haar 15e naar Nederland en vroeg asiel aan op een grond die we nooit te weten zijn gekomen. Ze woont en traint in Amerika, spreekt na jaren Nederlands burgerschap op zijn best heel matig Nederlands en lijkt in heel veel opzichten geheel afgezonderd te zijn van de Nederlandse samenleving. Een beeld wat alleen maar in interviews bevestigd wordt.  Een dergelijke eigenzinnigheid is een prachtige randvoorwaarde voor topprestaties, maar maakt het enthousiasme om Hassan te omarmen en in het hart te sluiten heel erg ingewikkeld. En misschien moeten we dat ook helemaal niet willen forceren of proberen. Hassan lijkt telkens bewust buiten dat nationale gevoel te lopen, alsof onderdeel zijn van een natie een formaliteit is, een voor haar volkomen toevalligheid -net als de geboorte- waar ze wat mee moet. Soms lijkt ze er zelfs mee in haar maag te zitten, is mijn idee.

Kortom: het ontbreekt Sifan aan Sifan-promotion. Media kunnen dat niet voor je doen, die kunnen slechts faciliteren en aanmoedigen. Van den Hoogenband verandert daar niets aan. Een nationale held zijn, betekent zelf oprecht investeren in je land waar je voor strijdt. En dan moet je de taal goed (willen) beheersen (vgl. Maxima), aanschuiven bij Humberto, Tom en Sjoerd (tot vervelens toe soms), op koektrommels gaan staan (mag ook wat anders) en, niet onbelangrijk: je moet je persoonlijke verhaal vertellen. Mensen moeten weten wie je bent, zodat ze het gevoel krijgen dat ze je kennen, dat de sporter als mens dichter en dichterbij komt. Aanraakbaar wordt en benaderbaar is. Daar ligt de sympathie en wordt de identificatie-horde die er van nature is te overzien.

Niets kan haar daartoe verplichten, maar zolang Hassan die weg niet beloopt, zal de liefde altijd bekoeld blijven tussen supporter en atlete en kunnen we ons blijven afvragen waar dat enthousiasme blijft. Van het publiek kun je niet verwachten dat ze je zomaar in de armen sluiten, dat moet allereerst van de sporter zelf komen. Daar is niets raar aan.

Dus diepe buiging voor de atlete Hassan, maar voordat het ook collectief beleefd wordt als een Nederlandse topprestatie: daar is nog wat heel wat training en wilskracht voor nodig.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

We hebben onze geheime ruimte nodig

Hoewel het de afgelopen dagen over politiek leek te gaan, ging het vooral ook over de betekenis van vertrouwelijkheid, de waarde van het geheime en de noodzaak van openbaarheid. Ik geef hier een aanzet om het spanningsveld tussen het vertrouwelijke, private geheime en het openbare publieke transparante nader te overwegen.

De winst van D66, het verlies van GroenLinks en de zoektocht naar identiteit

In deze politieke overweging bespreek ik de drie opvallende kwesties die deze verkiezingen hebben opgeleverd: de winst van D66, het verlies van GroenLinks en de zoektocht naar identiteit.

D66. Of wat we toch een pyrrusoverwinning moeten noemen

Nog niet zo heel lang geleden was het de vraag of D66 nog bestaansrecht had en of de partij nog überhaupt tot leven kon worden gewekt. 10 verkiezingsnederlagen op rij, een warrig politiek profiel en de sterke associatie met een op macht beluste politieke partij zonder duidelijke aanhang’ hadden de partij nog net niet over de rand van de afgrond geduwd.

De slimme herprofilering richting een progressief liberalisme op het gebied van Europa en milieu en minder op het gebied van bestuurlijke vernieuwing, in combinatie met aansprekende lijsttrekkers hebben de partij voorlopig weer op de kaart gezet. Met Rob Jetten was het exact zelfde programma veel minder omarmd. En we moeten hierbij niet onderschatten hoezeer ook aansprekende tegenstanders zoals bijvoorbeeld de PVV of FvD kiezers in de handen van D66 drijft. Voor veel mensen is D66 de redelijke Alma Mater die hen beschermt tegen alles wat uit de rechts conservatieve hoek komt en innig wordt verafschuwd.

Wat eveneens belangrijk is om op te merken, is dat zo weinig de toeslagenaffaire kleeft aan de VVD, zo weinig het afschaffen van het referendum en het aan de basis staan van het volledig mislukte leenstelsel kleeft aan ‘de onderwijspartij’ D66. Hoe is dat te verklaren?

Dat is een complexe kwestie. In het geval van de toeslagenaffaire denk ik dat de oplossing gezocht moet worden in het feit dat kiezers een persoon (Rutte) een partij (VVD) in dit geval niets aan rekenen. Rutte symboliseert voor hen niet de oorzaak die verantwoordelijk is geweest voor de affaire. En weliswaar is er veel aandacht geweest voor hoe politieke bureaucratie verziekt kan zijn en de vanuit de samenleving sterk gewenste misbruik-aanpak het goede en kwade niet meer wist te onderscheiden, het betreft desondanks een relatief beperkte groep slachtoffers die samen nog niet 1 zetel verschil zouden maken en bovendien niet per se behoren tot het electorale domein van de liberalen.

Dat ligt bij leenstelsel anders, daar gaat het over een veel grotere groep gedupeerden over een langere periode, waarmee de vijver met jonge hoogopgeleide kiezers waaruit D66 veel stemmen haalt behoorlijk lijkt vervuild. Ook hier moet de oplossing waarschijnlijk worden gezocht in het feit dat men ‘team’ Kaag niet symboliseert met de partij die jarenlang voorstander was van het systeem waarbij iedereen voor zijn studie geld moest lenen. Eveneens is het afschaffen van het referendum snel vergeven, aangezien dit vehikel denk ik voor veel kiezers niet meer tot de kern behoort van waar de partij onder Kaag voor staat. Het seculiere, individualistische, pro-Europese en groene verhaal met veel ruimte voor feminisme, ‘nieuw’ leiderschap en inclusiviteit overschaduwt daarmee voormalig kroonjuwelen en miskleunen. En bovendien telt het frisse van Kaag die daarbij de juiste toon heeft gevonden voor haar achterban, in tegenstelling tot Hoekstra die de juiste toon nooit gevonden heeft, of Klaver die de juiste toon al een poos kwijt is.

Want in het verlengde van dat laatste: het belangrijkste wat we moeten opmerken over deze overwinning van D66 is dat ze primair verklaard moet worden door het verlies op de linkerflank. Dat maakt de uitbundige vreugde over de vier zetels winst bij D66 ook zo bevreemdend om naar te kijken. Natuurlijk geldt dat iedere partij gaat voor de winst, maar ten koste van wat? Netto heeft de progressieve politiek zo’n 5 tot 10 zetels aan bondgenootschap zien verdampen, dus de politieke droom van Kaag dat het allemaal progressiever moet, is gewoon niet passend als je kijkt naar de democratische verhoudingen in de gehele Kamer. Met partijen als de VVD, CDA, PVV, CU, SGP, FvD, JA21 en zelfs de BBB is er in principe een duidelijk overhelling naar behoudender rechts te bespeuren die op verschillende vlakken voor hun kiezers de rem zouden moeten hanteren waar D66 in een versnelling wil.

Ik ben er stellig van overtuigd dat wanneer de nieuwe coalitie op het vlak van milieumaatregelen, ethiek en nationale en lokale identiteit geen rem zet op allerlei progressieve wensen, de conservatieve en rechts-liberale partijen alleen maar verder zullen groeien komende verkiezingen of dat de polarisatie en versnippering zal toenemen. Het spanningsveld zal dus in de coalitie vooral liggen bij D66 die zich aan haar achterban groot zal moeten houden op progressief vlak, terwijl daar verre van een ideologische Kamermeerderheid voor bestaat.

Het logische verlies van GroenLinks: de tanende aantrekkingskracht van het merk Jesse

In een interview met De Gelderlander stelt de nummer 10 op de kieslijst van GroenLinks Lisa Westerveld die ik graag volg, niet te weten wat er precies is fout gegaan en dat over te laten aan de analyse van deskundigen. Ik geloof dat ze de beste deskundige is die hier een hele scherpe en juiste analyse zou kunnen maken over dit verlies.

GroenLinks is namelijk het momentum kwijt, dat is bij Kaag komen te liggen. Het gaat namelijk niet alleen om de inhoud, maar ook om het gevoel wat mensen bij een partij hebben. Dat momentum was er vier jaar geleden toen Klaver als verfrissende verschijning het linkse politieke landschap opschudde en veel kiezers het gevoel gaf onderdeel te kunnen worden van een nieuwe beweging. Naast de vaste groep kiezers die ongeacht de omstandigheden altijd GroenLinks zouden stemmen, bracht dat een boel zwevende gelukzoekers op links in vervoering. Ik merkte dat destijds onder andere onder jonge vrouwen die zich specifiek tot Klaver -en niet GroenLinks- voelden aangetrokken, maar afgelopen weken hoorde ik dat geluid van vier jaar geleden helemaal niet meer terug. De glans is van Klaver afgespoeld en hij heeft enorm veel moeite gehad om zijn oprechtheid voldoende voor het voetlicht te brengen denk ik. Het frisse geluid klonk na verloop van tijd te gemaakt, te voorbereid, te gescript.

In Baudet heeft hij bovendien zijn verkeerde tegenstander gekozen (dergelijke confrontaties zijn miljoenen keren bekeken en staan in schril contrast met alle relevante beleidsmatige inbreng van GroenLinks, waar niets van gedijt bij de gevoelskiezer). Het leverde volgens mij vooral antireclame op evenals de mijns inziens geforceerde hoop op linkse samenwerking met een poster die ook al geen blijk gaf van het merk Jesse, zoals de VVD het merk Mark wel perfect heeft gespeeld.

Concluderend moeten we het verlies van GroenLinks voor een belangrijk deel zoeken in het feit dat Klaver zijn hand heeft overspeeld door niet het momentum te pakken van meeregeren in Rutte III om zich daar samen met D66 te profileren of het groene geweten te vormen van het kabinet. De esthetische inwisselbaarheid is bovendien groot: VOLT heeft nu weer dat momentum dat veel kiezers zo onweerstaanbaar aantrekkelijk vinden. En bovendien zijn inmiddels niet alleen een heleboel groene en linkse thema’s gekaapt door Kaag, ook zij heeft zijn momentum gekaapt en het ligt voor de hand dat zij dit wel zal verzilveren. GroenLinks zal komende jaren veroordeeld zijn tot de schare vaste kiezers, net als de SP die het momentum met Marijnissen nooit meer gaan pakken. En gelet op het huidige maatschappelijke sentiment waar er bij een aanzienlijk deel van de bevolking een progressieve moeheid kan worden opgemerkt, verwacht ik ook niet snel een nieuwe vijver waarin GroenLinks onder leiding van Klaver in kan gaan vissen.

Identiteit en pas op de plaats

Want wat tenslotte niet onvermeld moet blijven is het feit dat het versnipperde naar rechts hellende politieke landschap, vooral sterk draait om identiteit. Grote thema’s als het verduurzaming, migratie en de positie van Nederland in Europees verband, raken rechtstreeks aan de persoonlijke identiteit van mensen. En meer dan ooit in onze mediacratie en post-digitale maatschappij belichamen politici een bepaalde identiteit waarmee je het gevoel moet hebben dat het klikt.

Je kunt bijvoorbeeld 100 keer wijzen op het feit dat iemand als Baudet inhoudelijk niets heeft gepresteerd in de Tweede Kamer of veel gekke onzin uitkraamt, maar als Baudet gewiekst de wetten van de sociale media volgend daartegenover zet dat mensen snakken naar vrijheid, lokale herkenbaarheid, het behouden van eeuwen oude tradities en een Europa wat zich niet moet bemoeien met ons strafrecht, dan is de kiezer aan de rand van de conservatieve flank bereid om heel veel door de vingers te zien. Wilders leunt hier feitelijk al zijn hele politieke leven op en ik stel vast dat de opkomst van JA21 en de BBB in hetzelfde kielzog zitten. Aan de andere kant zien we partijen als VOLT en Bij1 als ‘het nieuwe progressief’, die net als ooit de Partij voor de Dieren een mislukte deeltaak van de gevestigde politiek overnemen. Aan de rand van het politiek linkse spectrum profileren zij zich met een hippe one-issue strategie (Europa, inclusiviteit) waar altijd (jonge) kiezers voor te vinden zijn die zich dolgraag met ‘de nieuwe politiek’ of ‘politiek van de 21e eeuw’ willen identificeren.

Het aanstaande kabinet, en hoogstwaarschijnlijk in het bijzonder D66, doet er verstandig aan op te merken dat er een rechts en conservatief sentiment bij veel kiezers leeft. Daar moet je iets mee doen. Hard roepen dat het groener, duurzamer, mondialer en progressiever moet, miskent het verlangen naar lokale en nationale identiteit, de migratiemoeheid en de voor mensen niet weg te moffelen nadelen van de vergroeningsagenda (landschapsvervuiling, gebrek aan efficiëntie en kostenbeheersing, het kapen van groene stroom door multinationals etc.)

De ware kunst van de politiek is om een juiste balans te vinden waarbij die thema’s een plek krijgen in het beleid, maar tevens kiezers het gevoel krijgen dat, ook al neemt hun partij niet deel aan het kabinet, ze toch gehoord worden in hun verlangens.

Wetzels’ werkelijkheid: zetelvoorspellingen die er toe doen!

De vrije pen en de politieke bespiegeling: de ideale combinatie van de democratie. Aan de vooravond van de ‘historische’ verkiezingen daarom deze extreem subjectieve duidingen van alle politieke partijen inclusief een onvermijdelijke voorspelling. Volledig gebaseerd op de natte vinger. Makkelijk? Ga er maar eens aan staan!

VVD- 33 zetels

De VVD was ooit sigaren, mooie Leidse vrouwen, Bentley, Corps en gebral. Met Mark Rutte is het echter tofoe, handjes boven de dekens, Gazelle, op tijd naar bed en gebral. En de VVD is Mark Rutte. Ik zou niet eens weten wie de nummer twee en drie zijn van de VVD. De oude rechts-liberale identiteit van de partij is ook compleet irrelevant geworden, het gaat om het vasthouden van het momentum, de premiersbonus pakken en zoveel mogelijk mensen uit het midden weghouden bij andere partijen. Het merk Mark is excellent uitgespeeld en mensen zijn kennelijk nog niet uitgekeken op de staatsman, zoals dat bij Balkenende in zijn laatste optreden duidelijk het geval was (U kijkt zo lief….). Ik had nooit gedacht dat hij nog een vierde kabinet zou gaan leiden, maar Rutte en corona blijkt een gouden duo.

PVV- 23 zetels

Bij deze partij speelt maar één vraag: wat als? Vervolgens kun je daar een heleboel zinnen achter plakken. Wat als Geert zijn programma iets intelligenter uiteenzet? Wat als Geert het immigratievraagstuk iets beter onderbouwt met realistische oplossingen? Wat als Geert economisch iets liberaler uit de verf zou komen? Maar vooral ook: wat als Geert er een keer mee stopt? Ze zullen Geert ooit weg moeten takelen uit de Tweede Kamer, en daarmee niet veel later de restanten van de rest van de PVV. Voor nu echter blijft een van de beste debaters van het politieke landschap – in dat opzicht het absoluut ideale clowntje- een aantrekkingskracht houden voor heel veel Nederlanders die zich onbegrepen blijven voelen door de politieke en maatschappelijke situatie die hen omgeeft. De oplossingen komen niet van de PVV, maar de niet aflatende troostende schouder van Geert is voor heel veel mensen ook wat waard.

CDA- 20 zetels

Flopke Hoekstra is geen clowntje en dat breekt hem op. Net als Omtzigt is het een man voor achter de schermen: keihard knokken voor de politieke zaak. Op het podium echter moet je in staat zijn het clowntje uit te hangen en een vrolijke gevatheid bezitten. Maar Wopke toverde alleen maar mislukte konijnen uit de hoed en reed letterlijk een scheve schaats. De kracht van het CDA schuilt echter erin dat ze in een prettig midden zitten ten tijde van politieke besluiteloosheid bij de kiezer. En juist omdat Omtzigt niet is afgeschminkt op het podium heeft het CDA, samen met Mona Keijzer daar nog een paar mooie tranen-, herstel stemmentrekkers.

D66- 11 zetels

De valse brave Hond, ik bedoel Maurice, kwam vlak voor de streep nog met een zogenaamde klinkende overwinning voor D66. Ik geloof daar geen biet van. D66 staat symbool voor alles wat rammelt in onze hedendaagse hypernerveuze maatschappij: het krampachtig maskeren van gebrek aan diepere betekenis (geloven in jezelf, whatever that may mean), volledige inwisselbaarheid (exemplarisch Jetten die werd vervangen door Kaag) en de nihilistische houding tegenover de waarde van het menselijke leven. Ja zelfs een exotische hansjepansje boomkever wordt beter beschermd dan het ongeboren kind bij D66. Keuzevrijheid keuzevrijheid! Maar de bijbehorende verantwoordelijkheid, dat hoeft allemaal niet zo nodig. Toegegeven, de prachtig gephotoshopte Kaag ziet er aantrekkelijk en stoer uit op de grote verkiezingsposter, maar inhoudelijk is het allemaal ongeloofwaardig. Van leenstelsel tot afgeschaft referendum: je krijgt altijd precies wat je er niet van verwacht.

SP- 8 zetels

Het grootste probleem bij de SP zijn zeker niet de rode jongeren die Karl Marxje willen spelen en lustig zwaaien met Das Kapital, wat ze nooit gelezen hebben (wie wel overigens). Nee, het probleem is Lilian Marijnissen. Als ik haar zie verlang ik gewoon nog steeds naar good old Emile Roemer. De oom die op je feestje altijd wel een schunnige mop paraat had, maar als je wat langer met hem sprak er een buitengewoon interessante en oprechte visie over de samenleving op na bleek te houden. Maar Lilian is niet grappig, en verveelt ook snel. Ze heeft het gewoon niet, ze mist de gunfactor. Typisch was de poster in het AD waar ze samen stond met Renske Leijten. Waar zie je dat een lijstrekker moet steunen en leunen op een succesvolle partijgenoot?

GroenLinks- 10 zetels

Ik geloof dat mensen Jesse niet meer zo geloven. Vier jaar geleden kon hij aanschuiven bij Rutte III, maar hij besloot toen niet in de strontkar te springen. Daarmee heeft hij zijn hand overspeeld. Niet alleen was het zeker geen strontkar, het was een ideaal politiek ogenblik om als GroenLinks te begrijpen hoe coalitievorming werkt en hoe je daar desondanks toch jezelf mooi in kunt profileren. De linkse progressieve natte droom gaat in dit Europa echter nooit van de grond komen, simpelweg omdat mensen op zoek zijn naar herkenbaarheid, lokale identiteit en traditie. Het kosmopolitische groene kader is als verhaal ook niet voldoende, en als de uitstraling dan ook nog eens flets wordt, dan gaat het heel moeilijk worden om nog 10 zetels te halen. Ik vrees dat Jesse over the green hill is.

PvdA- 12 zetels

Zo ik bij de SP nog wel eens verlang naar Emile Roemer, mis ik hier Lodewijk Asscher. Ik zou bijna zeggen dat ik een voorkeur heb voor mannelijke lijsttrekkers, maar dat is dan hooguit een impliciet vooroordeel wat op freudiaanse wijze een keer tevoorschijn zou moeten worden getoverd. De enige reden die ik kan bedenken waarom de PvdA zetels gaat terugpakken is omdat het alternatief op de linkerflank bij de SP en GroenLinks voor veel mensen niet werkt. En vooruit, Lilian Ploumen is wel een Maastrichtse en dat levert altijd wat extra sympathie op.

ChristenUnie en de SGP – 7 en 3 zetels.

Gert-Jan Segers en Kees van der Staaij zijn mannen waar je je autosleutels zonder aarzeling bij inlevert en dan nog een gepoetste auto terugkrijgt ook. Beide christelijke partijen zijn betrouwbaar, stabiel en behoren tot het meubilair en het geweten van het politieke landschap. Af en toe is er de mogelijkheid om mee te regeren of relevant te zijn op bestuurlijk niveau, en die vruchten zijn afgelopen jaren door beide partijen voldoende benut. Maar daar waar de SGP haar identiteit zorgvuldig bewaakt komt de ChristenUnie af en toe in een vaarwater terecht waar de prijs voor coalitievorming moet worden betaald. Het is logisch om oppositie te verwachten voor deze partij komende jaren om de christelijke identiteit weer optimaal uit te kunnen dragen zonder hinderlijke ideologische strontvliegen aan de linkerflank of rechterflank.

Partij voor de dieren- 7 zetels

Ik ben altijd geneigd om te zeggen Partij van de Dieren. Het maakt niet veel uit wie hier lijsttrekker is, het is een partij die aan blijft spreken omwille van haar rechtlijnige ideologie, en denk ik vooral meisjes aantrekt die net mogen stemmen en op paardrijden zitten. Ik weet niet hoe ik daarbij kom. Voor de rest is deze hele partij me niet opgevallen gedurende de campagne, dat is over het algemeen een goed teken: aardige winst voor de partij, ondanks de onbegrijpelijke verkiezingsposter waar Ouwehand als Sub-Zero uit Mortal Combat poseert..

Forum voor Democratie- 9 zetels

Ik voorspel een verrassing: de gordijntjesbonus. Niet in het openbaar uitkomen voor het feit dat je stiekem toch Thierry Baudet wel pruimt, maar gewoon wel op hem stemmen en zijn gekkigheid op de koop toenemen. Dat zou zo toch nog heel wat zetels kunnen opleveren. Geen enkele politieke persoonlijkheid heeft de media zo op zijn nek gehad als Baudet met als dieptepunt de voordracht van Martijn Koning. Hoge bomen vangen veel wind, maar hoeven daarom nog niet permanent met de zaag te worden aangevallen. Er lijkt bovendien op het conservatieve liberale vlak heel weinig keus te zijn, wat zwevende kiezers kan bewegen tot nog eenmaal een gokje op Thierry en zijn uil.

DENK -2 zetels

Ik gun ze twee zetels, want Azarkan zonder Kuzu, is als Snip zonder Snap, Bassie zonder Adriaan of Ernie zonder Bert. Die twee van elkaar scheiden zou het wel erg treurig en saai maken. Ze moeten echt kost wat kost behouden blijven al is het maar ter vermaak. Voor de rest kan ik me niet voorstellen dat deze partij ooit nog relevant gaat worden, die kansen zijn verkeken.

50+ – 1 zetel

Dit was de enige partij waarbij ik niet direct op de naam kon komen van de lijsttrekker. Het gekibbel van de oudjes heeft de partij natuurlijk de das omgedaan. Want als je als oudere ergens niet mee geassocieerd wil worden dan is het wel met zure en afgunstige ruziemakers. Een geluk bij een ongeluk is wel dat Henk Krol waarschijnlijk definitief met pensioen kan, want ik geloof niet dat zijn egopartij de kiesdrempel gaat halen. We zullen hem herinneren als een… ja als wat?

Overige partijen- 4 zetels

Het zou mij verbazen als de meeste partijen die meedoen echt het geloof en het gevoel hebben een kans te maken. Alleen JA21, VOLT en Code Oranje strijden om in totaal 4 zetels. Bij1 haalt net de kiesdrempel niet en ook wat betreft de Piratenpartij blijft dat meedoen tegen beter weten in. Splinter, NLBeter en TROTS spreken de kiezers te weinig aan en het voelt ook alsof je stem daarin verzuipt en verloren raakt.

Ik denk dat ik alles excellent heb verwoord en zeer dicht tegen de werkelijkheid aanzit. En mocht dat niet het geval blijken, dan is er vast nog een carrière in de politiek voor mij weggelegd.

Ga stemmen!

 

Het monster op de fiets dat het kind deed vallen

Of: Het Tijdperk van het Slachtoffer

Het Monster. Vrij naar Edvard Munch

In 1870 vraagt John Henry Newman zich vertwijfeld af wat er met zijn tijd gebeurd is. Waar is toch die geweldige menselijke geesteskracht gebleven?[1] Hoe weinig kon hij vermoeden dat Het Tijdperk van het Slachtoffer toen nog moest aanvangen en ‘het zielige’ een van de grootste drijvende maatschappelijke krachten zou worden? In deze korte bijdrage bespreek ik een exemplarisch geval dat onze tijdsgeest zo ongelofelijk scherp samenvat, dat ik geloof nooit meer op iets te stuiten wat dit overtreft[2].

Over welk schitterend verhaal gaat dit dan? Nu, men neme een fietser in de Ardennen. Een man van middelbare leeftijd die eropuit gaat om wat te werken aan zijn conditie. Ergens op het parcours loopt er een kind los van de ouders en staat vader Patrick Mpasa te filmen. De fietser belt en (iemand) roept ‘pas op! Pas op! Pas op’, wil er langs en tikt dan al dan niet opzettelijk het kind met zijn knie aan. Het kind sukkelt naar voren en landt op beide handjes.

Voor wie dat met eigen ogen wil zien (Waarschuwing! De beelden zijn buitengewoon NIET schokkend), die kan terecht op talloze kanalen, zoals hier en hier.

Allereerst – en ik zeg dit er toch maar weer nadrukkelijk bij- moeten we aannemen dat dit niet in scène is gezet om juist spot te drijven met onze tijd en de wraakzuchtige kosmonihilistische twitterzieke probleemdieren waar ze van overloopt. We moeten aannemen dat het hier geen sociaal experiment betreft met de bedoeling de waanzin en de massahysterie ten volle te ontmaskeren op basis van de vraag:

Hoe lang zal het duren voordat dit banale niemendalletje nationaal nieuws is, men er schande, GROTE schande van spreekt en roept om vergelding en bloedige wraak? Hoelang duurt het om van deze man een monster te maken?

Uiteraard niet lang. Zo wil als ik wat grasduin in honderden reacties, Nel G. de fietser opsodemieters verkopen en Sven de B. de fiets om zijn nek vouwen. Een beetje zoals de middeleeuwers dit soort zaken oplosten.

Maar we gaan er dus vanuit dat we niet naar Jiskefet zitten te kijken, maar dat het hier een echte gebeurtenis betreft.

Dan merk ik vervolgens op dat alle nuance en relativering ontbreekt in de berichtgeving. Was dit een fietspad? Kon er niet geremd worden omdat het veel te glad was en anders de situatie gevaarlijker was geworden? Waarom reageren de ouders niet op de hoorbare bel? Hoe komt zo’n filmpje bij een krant terecht en wat is daar in vredesnaam de werkelijke bedoeling van, de zin? Waarom moet die fietser opgespoord worden en gaat er een bericht uit van de federale politie alsof we hier te maken hebben met een terrorist? Waarom wordt zijn identiteit niet a priori beschermd?

Kortom: Wat valt er hier precies te winnen met nationale aandacht (in plaats van het voorval privé te houden), wraakzucht (in plaats van vergevingsgezindheid), aangifte (in plaats van zand erover en kan een keer gebeuren) en jezelf wegzetten als een immens slachtoffer (in plaats van relativeren en jezelf een heel klein beetje te vermannen)?

Ja, waarom kan zoiets zo onbeduidend als dit zo disproportioneel uitgroeien tot een lelijk monster? Waarom moet deze man tot monster worden gemaakt?

Het antwoord is simpel: Omdat we in het Het Tijdperk van het Slachtoffer leven.

Dit is simpelweg kenmerkend voor deze tijd. Geen enkel voorval hoe onbeduidend ook kan door de vingers worden gezien, alles moet publiekelijk worden gemaakt. Autoriteiten voelen zich en zijn gedwongen alles serieus te nemen (omdat de toorn van het publiek er is). Juridisering is de norm, wraak is leidend. Hoe betekenisloos een voorval ook, de veronderstelde dader moet zich dader weten en dader voelen en dader worden. Zijn verhaal doet er niet toe, het slachtoffer heeft alle troeven in handen.

Wat een vreselijke tijd! Wat moet het ook vreselijk zijn om kind te zijn van ouders die hun pedagogische onmacht kracht bijzetten door aangifte te doen, geen genoegen nemen met het verhaal van de fietser, die zozeer bezig zijn met hun slachtofferschap, dat het kind daarbij zelf ondergeschikt lijkt te worden. Want welk doel wordt hier nu precies nagestreefd en welke prijs wordt daarvoor uiteindelijk betaald?

Hoezeer heeft een kind te lijden van het gedrag van de ouders hier? Het is misschien wel de bekendste pedagogische wet dat de schrik van een kind eerder wordt veroorzaakt door de hysterische overprotectieve reactie van ouders dan door datgene wat het kind zelf is overkomen. En hoe onwaarschijnlijk hysterisch moet het worden om hier nationaal nieuws van te willen maken? Je kwetsbare kind ten toon te willen stellen aan Das Man?

Een kind krijgt een tikje en landt op zijn knieën in de sneeuw! Ja, dit onschuldige kind, is nu DAT kind. Het kind wat een tikje kreeg en dankzij de ouders aanleiding werd voor nationale toorn.

Ik vraag me dit alles echt in oprechtheid af. En wellicht vindt iemand het eveneens oprecht ongelooflijk zielig voor dat kindje en zit de fietser wellicht fout en had hij even af moeten stappen (maar wat waren dan de gevolgen geweest?).

Maar kijk nu eens hoe deze zieligheid vervolgens wordt gecultiveerd. En kijk eens even door al mijn woorden heen – of ze je nu bevallen of niet- en vraag jezelf in stilte af wat hier nu gebeurt. Is dit een wereld die je echt kunt willen? Is dit een wereld waar je vrolijk van wordt? Zou jij in het belang van je kind dit alles in de openbaarheid willen slingeren?

Is dit de wijze waarop we kinderen groot willen brengen met het idee dat een tik in het licht geplaatst moet worden van de dreiging van een jaar celstraf?

Natuurlijk mag iemand af en toe verontwaardigd zijn, de behoefte voelen verhaal te willen halen of zijn toestand als tragisch beschouwen. Maar daar moet een vorm van reflectie, relativering, zelfspot en geesteskracht tegenover staan. Zodra die opgeheven worden -in het bijzonder zoals in bovenstaand geval-, wordt je blind en ten volle een zielig slachtoffer van banale omstandigheden. Dan heb je de tijdgeest helemaal mee en is er vluchtig medelijden alom…

Maar als dat alles weer is weggewaaid, ben je slechts een zielig slachtoffer van je eigen slachtofferschap. Wat je niet ombracht, heeft je zwakker gemaakt.

 

[1] Zie p. 476 van An Essay in Aid of A Grammar of Assent (1870).

[2] Dat dacht ik overigens eerder, zie het tragische: Wat-heet-een-pyrrusoverwinning

GroenLinks en de worsteling met Achilles en de Schildpad

Of: 4 verwonderingen over Kauthar Bouchallikht als mogelijk Kamerlid

Zo af en toe noteer ik wat kanttekeningen bij onze politieke besluitvorming en haar randzaken. Niet omdat het veel mensen zou interesseren of dat het grootse inzichten betreft, maar vooral omdat mijn eigen verwondering zich zo opdringt dat ze pas op papier enigszins tot bedaren komt. En in het politieke moeras van aanhoudende verwondering stuit ik nu op de nummer negen van de kandidatenlijst van GroenLinks voor de Tweede Kamer: mevrouw Kauthar Bouchallikht.

Dit betreft vast een uiterst marginale kwestie zou je zeggen, zeker waar, met dit verschil dan dat Bouchallikht in opspraak is gekomen omdat ze vermeende banden zou hebben met de moslimbroederschap. Volgens onderzoeksjournalist Carel Brendel, die er een uitvoerig bronnenonderzoek op nahield bestaat daar weinig misverstand over. Publicist Özcan Akyol verbaasde zich hooglijk toen hij haar zag op foto’s van het nationalistisch-conservatieve islamitisch verbond Milli Görüş en zelfs op Joop.nl, de kraamkamer van inclusief Nederland, zijn er mensen die met hun hoofd schudden (!). Enfin, als dat geen verwondering opwekt, dan weet ik het ook niet meer.

Verwondering I
Uiteraard is er allereerste vanzelfsprekende ontkenning. Stel je maar eens voor dat het toegegeven zou worden en Bouchallikht zou zeggen:

Ja beste kiezers, alles wat de onderzoeksjournalist zegt klopt. Het is zoals het is, maar ik blijf het milieu een warm hart toedragen. Zo was ik namelijk ook voorzitter van de stichting Groene Moslims!

Toen ik benieuwd was deze website eens te bezoeken –want wat zijn groene moslims dat er een aparte stichting voor moet worden opgericht– bleek dat mijn browser daar niet zoveel trek in had:

Dat is dan wel weer schitterende ironie; dit zou je nooit zelf kunnen verzinnen.

Hoe dat ook zij, de ontkenning is menselijk weer al te menselijk en volgens Jesse Klaver wordt Bouchallikht nu zo kritisch benaderd omdat zij moslim is (AD 20/11/2020). En volgens inclusiteitsdeskundige Zoë Papaikonomou is het zo dat “de islam en moslims gelden als bedreigingen en zonder pardon worden verdacht gemaakt.” (AD 20/11/2020).

Verwondering II
Dat is een zo’n schitterende onzinverdediging die zo gruwelijk lamlendig in elkaar steekt dat je er eigenlijk geen woorden meer aan vuil hoeft te maken.

Maar dat doe ik toch, voor die ene die het wel een goed argument vindt. Het is in dezelfde lijn als dat zonder pardon de SGP’er altijd weer in de hoek wordt gedreven als het gaat over het abortusvraagstuk of seks voor het huwelijk. Het is hetzelfde als dat zonder pardon alles wat een gemiddelde PVV’er aanraakt door talloze lui in de extreemrechtse hoek wordt geschopt. Het is hetzelfde als dat Slob een slip-of-the-tongue heeft en zonder pardon Artikel 23 de fik in moet en ‘het eens afgelopen moet zijn met die christelijke idioten’. Het is hetzelfde als dat Baudet zonder pardon door talloze lieden aanhoudend als fascist wordt neergezet en de hele partij kapot moet of de ‘vieze k***********l’ Pieter Omtzig zonder pardon dood. Etc. enz., und so weiter.

Omdat ze allemaal moslims zijn?

Nou, nee, omdat ze politiek willen bedrijven en daarbij onder het vergrootglas liggen van miljoenen nederige onderdanen met een hele grote waffel. Klik- en Tweet-geile onderdanen die op de een of andere manier hun eigen identiteit willen afmeten tegenover die van de politicus. Simpele medialogica verklaart de rest. Zo werkt dat nu eenmaal en het gaat hier lang niet zo ver als bij Omtzigt bijvoorbeeld.

En als je deze zogenaamde verdachtmakingen niet hebt zien aankomen, dan ben je bij voorbaat al kansloos in de politiek. Gelukkig zag Bouchallikht wel in dat het erbij hoort en meldt ze in een Tweet:

Het doet me pijn om hierop te moeten reageren, maar ik wist dat dit soort verdachtmakingen zouden gebeuren toen ik me kandideerde voor GroenLinks. Elke keer weer dezelfde tactiek: guilty by association.

Zonder er inhoudelijk toe te lichten wat haar bedoeling is geweest bij al die door deskundigen aangemerkte bedenkelijke clubs, volgt dan geheel in de lijn met wat ik eerder vaststelde “Het Tijdperk van het Slachtoffer” een grote “We got your back”-steunbetuiging. Om nog maar eens te benadrukken dat de boze buitenwereld altijd maar weer de kwetsbare moslims aanpakt omdat ze moslims zijn (let ook op het subtiel suggestieve altijd weer dezelfde tactiek). Wat dus niet zo is.

Verwondering III
Want hoe zit Bouchallikht werkelijk in elkaar? We zien een schitterende paradox: niet eentje in de zin van dr. Jekyll en mr. Hyde, maar eentje in de trant van Achilles en de Schildpad: een vrolijke dame met een hoofddoek (Schildpad) die opkomt voor gelijkheid en duurzaamheid (Achilles), die zich laat inspireren door de islam (Schildpad) en tegelijkertijd progressieve stokpaardjes als een abortuspil en een geëmancipeerd lhbtqx-beleid omarmt (Achilles). Achilles haalt de schildpad natuurlijk nooit in – maar ook weer wel. Kortom: wonderlijk, wonderlijk!

Maar als ik dan toch heel kort even de psycholoog mag uithangen: Bouchallikhts trotse kandidatuur voor de kamer in 2021 is gewoon een coming out of age. Het is voor haar een streep willen zetten onder haar verleden en er nooit meer aan herinnerd willen worden of in alle andere gevallen de betekenis van het verleden hardnekkig relativeren, zoals Rita Verdonk ooit een streep zette onder haar PSP- en PPR-lidmaatschap en een volwassen liberaal werd, zonder ooit nog aan dat verleden te willen worden herinnerd. Dat liep voor Rita niet zo heel goed af verder, maar dat is weer een heel ander verhaal.

Het zou heel goed kunnen dat zoals vaker wanneer er sprake is van diepe banden met verschillende subculturen, iemand loyaal wil blijven op beide fronten. Dat spanningsveld zien we ook hier weer terug en het zal komende jaren, helaas voor Bouchallikht, nog vaak onder de aandacht worden gebracht. Dat is nu eenmaal ook inclusief in deze tijd.

Verwondering IV
Het laatste wat ik nog wil zeggen, is zeker niet de minste verwondering. Hoe kan iemand als talent (‘De commissie ziet in Kauthar een groot en wijs talent’, aldus de GroenLinks-website) uit het relatieve niets op zo’n hoge positie worden geplaatst volgens een kandidatencommissie? En waarom plaatst zo’n club iemand als Lisa Westerveld (Achilles zonder Schildpad), die al 4 jaar ongelofelijk veel resultaten boekt voor GroenLinks een plek lager? Welke logica schuilt achter zoiets? Is dat voor een gewone sterveling ooit te bevatten?

Wellicht dat iemand denkt dat hier gehengeld wordt naar alle 2017-stemmers van DENK die sinds het gesodemieter aldaar weer zwevend zijn, maar daarvoor lijkt mij Bouchallikht toch echt te (oprecht) progressief.

Of, en dat lijkt mij logischer, je zou kunnen stellen dat een vrouw als Westerveld toch wel op eigen kracht hoger komt te staan dankzij de GroenLinks-leden die zich over de kandidaten mogen uitspreken, en de commissie hier een sterk staaltje positieve discriminatie voor ogen heeft gehad. Want normaal gesproken mogen talenten in bijvoorbeeld het voetbal langzaam wennen op de bank of eens ruiken aan het grotere werk in het tweede elftal, maar hier is de suggestie van de kandidatencommissie: voor ons een zekerheid in de Kamer. Ik ben echter zeer benieuwd naar de uiteindelijke lijst en hoe ver de kiezer bereid is te gaan hier. Want een ding is zeker: met de voordracht van Bouchallikht zoekt zelfs GroenLinks haar eigen grenzen op.

Voor mij mag Bouchallikht gerust op het pluche laten zien hoe ze de schilpad wil verslaan, maar het zou mij niet verwonderen als Jesse Klaver straks beter slaapt als zijn leden besluiten dat het toch een stapje te ver is geweest. Heerlijk zo’n democratie! Zeno zou het mooi gevonden hebben.

Kruisigem. Of: de voorbeeldige christen

De keuze van het Sinterklaasjournaal voor de fictieve plaats Kruisigem als mogelijke aankomstplek van de Sint, en daarbij de afbeelding van een crucifix, Christus aan het kruis, heeft hier en daar wat verbazing gewekt. In deze overweging plaats ik enkele kritische noten bij deze beduidende onbeduidendheid.

Niet zo lang geleden schreef ik nog een stuk met de titel Ik kan uw grap nog zo misselijkmakend vinden, maar ik zal uw recht verdedigen om die te uiten. Dat staat natuurlijk als een huis. Het onderstaande gaat dus ook niet over het feit dat in een kinderprogramma volwassenen weloverwogen het christendom en in het bijzonder het katholicisme bespotten. Het gaat ook niet over de vraag of het überhaupt grappig is en of de timing deugt – vrij essentieel als het gaat om humor-. Het gaat ook niet over de vraag waarom een publieke omroep moeite steekt in het belachelijk maken van wederom (de kern van) het christendom en niet zoals mensen opmerken de islam; dat zou natuurlijk een zeer bijzonder statement zijn geweest, maar overduidelijk teveel gevraagd.

Nee, het is helder dat hier iemand doelbewust een grappig bedoelde woordspeling heeft willen maken opgesierd met een gekruisigde Christus voor extra effect, zonder duidelijke aanleiding of relevante context en al te veel risico’s. Gewoon: een hele veilige, gemakkelijke, uit de lucht gegrepen grappig bedoelde voorstelling.

Waar ik nu wel over wil spreken is de ophef hierover. Die is er namelijk vrijwel niet. De wereldvreemde NTR-redactie we dachten dat het niet zou kwetsen heeft geen politiebescherming nodig en hoeft ook niet onder te duiken. Er zijn geen doodsbedreigingen geuit, oproepen tot geweldpleging gedaan, er is geen Kamerdebat nodig en het heeft nauwelijks impact op sociale media.

Des te opmerkelijk dat er een boel halfzachte opmerkingen en stukjes zijn verschenen waarin wordt opgeroepen dat ‘dat christenen zich niet zo druk moeten maken’, ‘hypocriet zijn’,  tegen een stootje moeten kunnen en vooral niet een slachtofferrol moeten gaan aannemen.

Het dieptepunt trof ik aan bij Chiel Voerman. Een vlogger die vlogt over ‘Wat geloof in mijn leven doet’. Het is prachtig exemplarisch hoezeer iemand de plank mis kan slaan in een analyse en de onwijs beschaafde christen ook nog zijn laatste kritische bedenkingen wil smoren.

Zijn warrige betoog -lees het gerust eerst helemaal zelf- begint met een warrige titel: Kruisigem, daar gaan de fatsoenlijke christenen weer.’ Waartoe dient het woord fatsoenlijk in deze context? Is het niet goed om fatsoenlijk te willen zijn? En waar ging het eerder massaal mis? Want: daar gaan we weeeeeer…?

Voerman is voorts geweldig onder de indruk van deze schitterende taalvondst en kan er vleselijk (ondeugende taalvondst van mij!) van genieten. Een kinderhand, het is tenslotte een kinderprogramma, is dan wel heel gauw gevuld. Hij zou waarschijnlijk ook in een deuk hebben gelegen bij het plaatsje Snijmedan of Steekmemarum en een afbeelding van Geert Wilders op de achtergrond. In een kinderprogramma, die hebben dat toch niet door. Tja, alles is subjectief bij Voerman, dus over humor valt niet te twisten. ‘Over wat je oneerbiedig vindt of niet eigenlijk ook niet.’ Maar ook weer wel, want hij schrijft er een stuk over. Enfin.

Geschokt is hij echter ook. Hij stelt:

Weet je waarom ik ook geschokt was toen ik die prachtige woordspeling zag? Dat ik er al helemaal vanuit ging dat mensen erover zouden vallen. Dat er weer een smet over het spel voor jong en oud zou komen. Ik was dus geschokt over mijn eigen opvatting dat christenen bekrompen en fatsoenlijke mensen zijn.

Nu wordt de context van het woord ‘fatsoenlijk’ wel wat duidelijker: christenen zijn bekrompen en fatsoenlijke mensen. Helemaal ‘volgens verwachting’. Deze lachwekkende generalisatie slaat natuurlijk nog steeds nergens op, maar het is dus duidelijk dat een christen beter niet fatsoenlijk -eerbaar, overeenkomend met het fatsoen, netjes, welgemanierd, welopgevoed – kan zijn volgens Voerman. Het grappige is dat etymologisch het woord bekrompen ook kan verwijzen naar ‘mensen van lage stand’, terwijl het woord fatsoenlijk kan verwijzen naar ‘mensen van hoge stand’. Maar ik zei al: het is een heel warrig verhaal. En ik zal daarom ook maar niet al te veel interpreteren, en ‘weer een smet’ niet opvatten als een pleidooi voor Zwarte Piet.

Voerman is nog niet klaar. Hij heeft als doel een spiegel voor te houden:

Dan die spiegel weer. Waarom zijn we zo geschokt door Kruisigem. (sic) Op wie zijn we eigenlijk boos? Zijn we echt zo braaf en fatsoenlijk als we een ander opleggen? Voelen we ons slachtoffer van de mensen om ons heen? En waarom voelen we ons aangevallen als iemand een grap maakt? (Christelijke cartoonisten krijgen er ook regelmatig van langs). Waarom geloven we niet gewoon in de goede bedoelingen van een ander? Denken we dat God hier niet tegen kan? Denken we dat Jezus braaf was?

Wat zijn dit voor merkwaardige en vage vragen, en aan wie worden ze eigenlijk gesteld? Denken we dat Jezus braaf was? Wat is de implicatie van een antwoord op deze vraag in deze context precies? En wie is hier de ‘we’? Hij in ieder geval niet zelf blijkt uit het artikel, ook al lijkt dat nu wel zo. Maar wie dan wel? Is dit een oproep tot naïviteit en weerloosheid?

Ik zou willen zeggen: godzijdank wordt een aantal mensen hier nog door geraakt. Het toont aan dat een christen nog niet zo afgestompt is door de schier eindeloze ridiculisering in de mainstream media, waar de clichés over homoseksualiteit en abortus haast de enige onderwerpen zijn die daar aandacht vangen als het gaat over christenen.

De kracht van de ‘kritische’ reacties zit juist in het feit dat er zo ongelofelijk fatsoenlijk mee wordt omgegaan. Ja, ik zeg hier fatsoenlijk: dus beschaafd, volwassen, maar wel kritisch en weerbaar. Het bijzondere is dus juist dat christenen zich heel beschaafd af en toe druk maken over de tomeloze hoeveelheid spot die over ze wordt uitgestort.

Van de rooms-katholieke homo- en pedofielengrappen, tot aan het parodiëren van de ‘muffe’ refo-cultuur, tot aan de Lachende kerk van Fons Jansen tot aan Theo Maassen die aan een kruisbeeld likt, tot aan het ridiculiseren van de paus tot aan de eindeloze badinerende commentaartjes op fora als het gaat over het christendom, etc. etc. En wat heerlijk dat al die commentatoren, twitteraars, cabaretiers, cartoonisten en NTR-redactieleden zo vrij en onbevangen zich kunnen uiten over het christendom. En maar om één reden: de christen is ongelofelijk weerbaar, ongelofelijk fatsoenlijk en ongelooflijk in staat om te incasseren.

Voerman echter heeft een bleek weekdier in zijn voorstelling als hij over ‘de vele christenen’ schrijft en vindt dat ‘we’ juist moeten kijken naar onze weerbaarheid:

Dus laten we het maar loslaten en kijken naar onze eigen weerbaarheid: hoe sterk sta jij in je geloof. Kan jij je in het gezicht laten spugen zoals Jezus liet gebeuren zonder er minder heilig van te worden?

Als de verwarring nog niet compleet is en het statement nog niet genoeg heeft gerammeld, ben ik hier toch ook weer wat confuus. Want moeten we dit nu zo lezen dat de taalgrap vergelijkbaar is met je in het gezicht te laten spugen? In dat geval staat Voerman er dus ook nog eens hard bij te lachen en roept ondertussen: ‘Denk aan je weerbaarheid!’ Dat is pas echt een kostelijke voorstelling, maar ik vrees toch dat hier heel wat zaken elkaar worden gehaald. Ik laat dit maar rusten.

Voerman eindigt met:

Laten we geen mensen meer kruizigen (sic), ook niet de bedenkers van deze plaatsnaam. Laten we hen omarmen in de liefde van Jezus.

Wie wil er in vredesnaam dan mensen kruisigen? In welke voor mij totaal onbekende fundamentalistische sociale netwerken begeeft deze man zich dat hij een stortvloed aan verwijzingen en oproepen heeft gezien dat hier nog mensen gekruisigd moeten worden voor deze flauwekul? Het enige wat ik zie is een boel gelatenheid en een toppunt van beschaving, zoals ook exemplarisch hier is te lezen op het Twitteraccount van Alain Verheij.

Kortom: we moeten ongelofelijk blij zijn met hoe het leeuwendeel van de ‘gristenen’ zich al jaren, decennia, eeuwen verhouden tot de eindeloze, en zoals in dit geval ook contextloze spot. Daar waar heel wat minderheidsgroeperingen parasiteren op de slachtoffercultuur, zet een pruik op en een brede oproep tot boycot is je deel– zijn het de christenen die een genuanceerde en redelijke stem vertolken als ze weer te grazen worden genomen in het wezenlijke.

Zeker niet kritiekloos, zeker niet mak, maar voor iedereen die er zoals Voerman aan twijfelt en doet alsof het absurd is hoe er gereageerd wordt, raad ik aan de wereld eens voor te stellen als iedereen zo zou reageren op spot zoals nu op dat Sinterklaasjournaal gebeurd. Het zou een absolute zegen zijn.

Never shoot the messenger: een overweging naar aanleiding van de moord op Samuel Paty

Een overweging naar aanleiding van de moord op Samuel Paty

Over de krankzinnige moord op de Franse docent Enseignement Morale et Civique Samuel Paty vallen heel veel vragen te stellen. Sommige daarvan zijn al vele malen eerder gesteld, zoals de vraag waarom iemand die problemen heeft met het vrije denken in een land wil vertoeven waar de vrijheid van expressie als norm geldt.

Of hoe de zwakzinnige ironie te begrijpen valt dat je je daad op Twitter, -toch het platform van de vrije mening- aan de wereld wil mededelen. Of de vraag wat dit alles nu voor welke zaak dan ook maar iets heeft bijgedragen.

Zoals altijd lijkt immers het tegendeel eerder het geval, zoals de moord op Pim Fortuyn en Theo van Gogh tot een tsunami van rechts-populisme heeft geleid en de aanval op Charlie Hebdo tot een stortvloed aan gewraakte cartoons. Kortom, die onbegrijpelijke bedoelingen moeten we echt niet verder proberen te doorgronden, zoals ik al eerder betoogde.

Waar ik hier wel bij wil stilstaan is iets anders wat samenhangt met het bovenstaande. Namelijk iets wat we de laatste jaren vaker hebben gehoord na dergelijke aanslagen:

‘We blijven staan waar we voor staan, maar we worden wel bedachtzamer.’

Wat betekent dit nu precies? Wat betekent het als iemand zegt:

‘Ik ben bedachtzamer geworden na de aanslagen’?

Het eerste waar ik aan moest denken is dat bedachtzamer in deze context een eufemisme is voor laffer en banger, terwijl het buiten deze context eerder iets positiefs lijkt. Het is in ieder geval verwant met woorden als ‘bezonnen’, ‘welberaden’ en ‘omzichtig’ volgens Van Dale. Met name ‘omzichtig’ drukt een toegenomen kwetsbaarheid uit.

Vergelijk: ‘De deur van de slaapkamer werd zeer zachtjes en omzichtig geopend’. Niet overhaast, niet luid, maar: bedachtzaam. Omdat er ergens iets kwetsbaars schuilgaat. Ik denk dan ook dat iemand die bedachtzamer is geworden zijn kwetsbaarheid kent of is gaan kennen. En kwetsbaarheid moet je beschermen. Is dat dus minder durven, omdat de durf een risico in zich draagt voor de kwetsbaarheid?

Maar hoe verhoudt dit zich dan met de vrijheid van meningsuiting? Die is ook kwetsbaar. Hoe verhoudt zich dit met de stelling dat we nooit zullen toegeven op de vrijheid van meningsuiting? Ja, hoe gaat het bedachtzamere en de vrijheid van meningsuiting samen?

Hoe presenteer je bijvoorbeeld bedachtzaam spotprenten over een religie in een college? Of is het bedachtzame hier juist dat je dit niet meer doet maar omzichtig probeert desondanks een punt te maken over vrijheid van meningsuiting?

Is iemand die bedachtzaam is geworden tot inzicht gekomen dat het laten zien van een spotprent niets toevoegt aan de boodschap die men wil verkondigen? Is een bedachtzaam iemand hier, iemand die de ironie en het ridiculiseren van systemen niet meer toont, maar louter abstract en feitelijk mededeelt?

Het grote probleem is denk ik dat je hiermee op een hele rare glijdende helling komt te zitten. Want ik ben bang dat zelfs het abstract mededelen niet bedachtzaam genoeg blijkt. Want iedereen is kansloos tegen welke vorm van radicale domheid dan ook, hoe bedachtzaam je ook bent. Dus wat levert het bedachtzame de bedachtzamere uiteindelijk op?

Ik las dat Samuel Paty in zijn les had gezegd dat wie aanstoot zou kunnen nemen aan de spotprenten de ruimte had om de les te mogen verlaten. Dat is denk ik zeer omzichtig, bedachtzaam. Net zoals in mijn filosofielessen ik toehoorders altijd vooraf aangeef dat alles wat we bespreken veilig in een zwarte doos behoort te zitten.

In die zwarte doos is alles mogelijk en hoeven we niet omzichtig te werk te gaan. Maar als iemand merkt of denkt dat hij (bij voorbaat) de materie niet meer in de doos weet te houden, bijvoorbeeld dat hij emotioneel geraakt wordt door een begrip als zelfmoord, dood, liefdesverdriet of in het geval van Paty een spotprent, dan mag hij de les verlaten om even de noodzakelijke afstand te nemen.

Want vrijheid van meningsuiting in het onderwijs betekent dat je over complexe onderwerpen en moeilijke begrippen van gedachten moet kunnen wisselen, zonder dat de uitkomsten per definitie iets zeggen over een persoon die ze aandraagt. Het zijn altijd primair verkenningen.

Het is niet omdat ik het fragment ‘de dolle mens’ uit De vrolijke wetenschap van Nietzsche lees, ik zoek naar de toorn van katholieken in mijn klas. Het is niet omdat ik enkele passages uit Das Kapital fileer ik uit ben op de woede van linkse meisjes. Het is niet omdat ik uit Mein Kampf citeer ik een warme aanhanger ben van het antisemitisme en daarmee aanwezigen met een joodse achtergrond tegen me in het harnas wil jagen. Nee, natuurlijk niet. In het onderwijs geldt de gouden wet: never shoot the messenger. Hoe wrang dat nu ook klinkt.

Zo geloof ik ook dat Paty nooit de bedoeling heeft gehad om te kwetsen. Nee, hij heeft gewoon lesgegeven. Hij wilde iets onderwijzen. Hij was bedachtzaam genoeg door van te voren aan te geven dat de boodschap wel eens bitter zou kunnen worden. En wie uiteindelijk een bittere boodschap weet te doorstaan, die is veel sterker in zijn opvattingen en persoonlijkheid: dat is ook de rol van onderwijs. Leren je altijd te kunnen verhouden tot het andere, zonder dat je de controle over jezelf verliest.

Ik moet voor nu tot de conclusie komen dat ik nog steeds niet goed weet wat het betekent om bedachtzamer te worden, maar dat ik er geen goed gevoel bij heb. Paty was bedachtzaam -in zijn context iets heel positiefs. Bedachtzamer was niet nodig. Als de vrees om het lot van Paty te tarten aanleiding is om bedachtzamer te worden dan hij was, gaat het de verkeerde kant op en wordt bedachtzamer wel laffer, met als nieuwe uitdaging hoe je iedereen in je les te vriend kunt houden.

Maar we geven a priori geen onderwijs om vrienden te maken en toehoorders te plezieren. We geven onderwijs om mensen kritisch te maken over wat er in de wereld gezegd en gedacht en getoond wordt. En daarvoor moeten we zeggen, denken en tonen. Het bedachtzamere knaagt aan dat fundament.

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2022 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"