Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Nemo op zoek naar zichzelf: de zaak van 3 iMacs voor 6 euro

“When life gets you down, you know what you gotta do? Just keep swimming.”
— Dory

Ach ja, het leven van de mens in de natuurlijke staat is eenzaam, arm, smerig, bruut en kort. Maar heel soms lacht het je toe en krijg je zomaar 3 iMacs van meer dan € 2000 per stuk voor zes piek. Omdat je het eerlijk verdiend hebt. Dit is kort gezegd de toestand van Nemo Strengman uit Emmen die op de website van MediaMarkt voor een paar euro drie van deze Appeltjes voor de dorst aanschafte. MediaMarkt wijst hem op de vergissing en wil de computers graag terug, maar Nemo weigert en stelt dat hij volledig in zijn recht staat. ,,Door de producten te leveren heeft MediaMarkt de koopovereenkomst bevestigd.”

In deze verhandeling bespreek ik drie verschillende stellingen die geopperd kunnen worden in deze casus.

Stelling 1: Nemo kon ervan uitgaan dat er hier sprake was van een bijzondere aanbieding

In het AD zegt Nemo:

MediaMarkt heeft wel vaker bizarre aanbiedingen, dus ik dacht dat het hier om een legitieme actie ging.

We belanden met deze verantwoording van Nemo eerder in een bizarre werkelijkheid, die het uiterste vraagt van ons voorstellingsvermogen en onze realiteitszin. Het is ook de vraag naar welke bizarre aanbiedingen Nemo verwijst en welke ervaring hij hiermee heeft. Ik ben  -het zal niemand verbazen- geen aanbieding tegengekomen die ook maar in de buurt komt van een korting van 99,9%.

Want voor de goede orde: Nemo betaalt hier minder dan 0,1% van de werkelijke waarde.

Hoe bizar dat is? Dat je een Tesla Model X in de aanbieding ziet voor € 89,-. En ach, bestel er dan gelijk maar 3. Mooie deal!

Nee, het ligt veel meer voor de hand dat Nemo hier last heeft van een menselijk al te menselijk fenomeen: cognitieve dissonantie. De Amerikaanse sociaal psycholoog Leon Festinger (1919-1989) ontwikkelde de theorie van dit mechanisme in zijn beroemde werken When Prophecy Fails uit 1956 en A theory of cognitive dissonance uit 1957. Illustratief is zijn nu zeer bekende casus van de huisvrouw Marian Keech (echte naam Dorothy Martin (1900–1992); Festinger wilde haar privacy waarborgen):

Keech dacht dat de aarde op 21 december 1954 overspoeld zou worden door een vloedgolf en ze werd daarbij gesteund door berichten die ze kreeg van de planeet Clarion. Iedereen die haar volgeling zou worden, zou worden gered door een vliegende schotel. In korte tijd had Keech een hele groep gelovigen om zich heen verzameld die nadrukkelijke tekenen vertoonden van de ernst van het gegeven.

Festinger was benieuwd wat er na 21 december zou gebeuren met de overtuiging van Keech en haar tientallen volgelingen. Zouden ze toegeven dat ze zich hadden vergist?

Nee, integendeel. Toen in de nacht van 21 december om 4.00 uur de wereld nog steeds niet was vergaan, gaf Keech na een huilbui aan dat ze een nieuw bericht van de planeet Clarion had gekregen. Het bericht meldt dat God had besloten de aarde te sparen en niet te vernietigen.

Omdat ze samen de hele nacht door hebben gewaakt en gebeden, heeft dat zoveel licht verspreid dat God heeft besloten de wereld te sparen.

Wat Nemo doet is vergelijkbaar: zoeken naar de uitweg tussen de spanning van zijn hebzuchtige gedrag en de door en door strijdige, onlogische informatie. De kroon spant hij met dit citaat:

Ze hebben echt verschillende keren de kans gehad om de bestelling te annuleren. De actie ging een half uur nadat ik besteld had offline. Daarna heb ik meerdere keren een bevestiging gekregen dat de iMacs mijn kant op zouden komen. Op een gegeven moment is er geen sprake van een vergissing meer, maar van een wederzijds overeenkomen.

Het lijkt redelijker te stellen dat het ongelofelijk knap is hoe snel de organisatie de actie offline heeft weten te halen. Dat er vervolgens in een geautomatiseerd systeem zogenaamde bevestigingen worden gestuurd, heeft niets van doen met de gesuggereerde intentionaliteit. Tenzij Nemo echt gelooft -en het is niet uit te sluiten- dat de duizenden bestellingen per dag allemaal van tevoren door de juridische afdeling één voor één worden gecontroleerd met groeten en de kusjes van dr. mr. Hadjememaar. Het zou de producten onbetaalbaar maken en het logistieke failliet inluiden van MediaMarkt.

Stelling 2: Er is een bevestigde koopovereenkomst en daar moet MediaMarkt zich aan houden

We betreden nu een vervelend speelveld, namelijk dat van het legalisme. Een legalist is iemand die zijn hele ziel en zaligheid bouwt op de letter van de wet. De wet is de wet en dat is de wet.

Ik waag het te betwijfelen of Nemo een echte legalist is of dat deze positie hier heel handig uitkomt. ‘Gesteund’ door publiciteitshongerige juristen die hier ‘wel kansen’ zien en Nemo influisteren – want dat heeft hij heus niet zelf verzonnen- dat er sprake is van een bevestigde koopovereenkomst, voelt hij zich sterk staan. Op stelten in de woestijn weliswaar, maar dat vertellen die juristen hem niet. Ook kansloze zaken leveren hen immers geld of publiciteit op.

Maar het legalisme is een afschuwelijke positie in deze. In casu is het gezonde verstand al geofferd, en nu moet ook a posteriori dat gezonde verstand geofferd worden omwille van de wet. Omgekeerd kan ik mij niet voorstellen dat Nemo zo zou redeneren wanneer hij abusievelijk € 6000 overschrijft waar hij € 6 bedoelde. Ik denk dat hij alles in het werk zou stellen om aan te tonen dat hier sprake is van een overduidelijk gemaakte fout.

‘Ja,’ redeneert de andere partij dan’, ‘Nemo geeft wel vaker bizarre fooien.’

Maar goed, wat is dan de waarde van een overeenkomst? Nu komt het erop aan te kiezen voor een bepaald mensbeeld.

Los van wat een rechter in deze beslist of wat de letter van de wet stelt, zijn wij verantwoordelijk voor onze eigen handelingen en die zeggen iets over onze morele sentimenten. Het existentialisme heeft het rechtspositivisme op vele manieren aangevallen en ik denk succesvol. Het verschuilen achter een wet, maskeert en miskent de eigen vrijheid, verantwoordelijkheid en het zelfstandig nadenken; drie kernaspecten van mens-zijn.

En ik kom tot geen andere conclusie dat verantwoordelijk en in vrijheid zelfstandig nadenken hier betekent afstand doen van iets wat enkel en alleen verkregen is dankzij een keten aan fouten. We hoeven niet eens te raden dat hier een gedachteloos en geautomatiseerd proces heeft plaatsgevonden waarbij er geen redelijk wezen ingestemd kan hebben met de voorwaarden drie iMacs te leveren voor € 6. MediaMarkt heeft dit beoogt noch gewild.

En al is er dan wellicht nog technisch een overeenkomst, moreel gezien moet je zo’n overeenkomst nooit willen. Hoe kun je blij zijn met deze ‘besmette’ apparaten? Daarbij, dit is redelijk noch billijk en er is zo evident sprake van dwaling dat ook in juridische zin er meer dan goede en wettige gronden zijn om de overeenkomst te ontbinden. Nemo krijgt na het retourneren van de spullen dan gewoon zijn centjes terug en is nog lang het lachertje.

Stelling 3: Nemo is een arm, zielig slachtoffer; door de stommigheid van MediaMarkt is hij valselijk heel gelukkig gemaakt. En MediaMarkt is een groot bedrijf, dat moet gewoon toegeven.

Dit zijn eigenlijk twee stellingen die een suggestie van samenhang wekken.

Het is een gegeven dat we in tijden leven van rendabel slachtofferschap. Iedereen die zich opstelt als een slachtoffer heeft nooit eerder in de geschiedenis zulke goede troeven in handen gehad om met voorsprong een twist aan te gaan. Ik zou ons tijdperk zelfs willen uitroepen tot ‘Het tijdperk van het slachtoffer’, zoals we ooit het tijdperk hadden van monniken en ridders. In welke gevallen dit actieve slachtofferschap met recht en rede mag worden aangevoerd daargelaten, denk ik niet dat het goed is om Nemo als een slachtoffer voor te stellen.

Als we dat doen namelijk zetten we de meest elementaire weerbaarheid en de meest minimale noodzakelijke intelligentie om in deze wereld te overleven op het spel.

We mogen in deze dan ook gerust medelijden hebben met Nemo, maar niet omdat hij een computer gekregen heeft die hij niet mag houden, maar omdat hij zo lichtgelovig is dat hij iedere dag de kans loopt oneindig teleurgesteld te raken. In Nemo’s wereld zijn de meest ongeloofwaardige aanwijzingen immers redenen voor mogelijke toe-eigening. Eén knipoog van het mooiste meisje van de school en Nemo denkt redelijke gronden te hebben dat ze met hem wil trouwen. Hoe groot is dan de teleurstelling als de knipoog blijkt te berusten op een misverstand?

Dat MediaMarkt een groot bedrijf is, is overigens volstrekt niet relevant. En het is al helemaal niet kinderachtig dat MediaMarkt hier niet aan fouten toegeeft en de zaak laat zoals deze is. Het enige wat het bedrijf doet is zich beroepen op een evidente fout (in een geautomatiseerde keten) die vliegensvlug is hersteld. Bovendien wil ze terecht geen precedent scheppen. Vergelijk het ook met de bekende drogredenering dat wanneer een grote bank een fout maakt, we deze niet hoeven te melden omdat het geld wat de bank kwijtraakt door de fout toch niet gevoeld wordt. Er is dan weliswaar geen overeenkomst, maar de passieve houding waarbij we de verantwoordelijkheid leggen bij het grote onpersoonlijke bedrijf en niet bij onszelf is evident. Het rechtvaardigt onze passieve houding echter geenszins.

Hoe moet dit alles dan tenslotte tot een einde komen? Is er dan niets wat voor Nemo pleit?

Nee feitelijk niet. Toch is het niet zo heel moeilijk om te zien wat hier werkelijk is gebeurd. Nemo heeft zichzelf heel wat wijsgemaakt en/of is door anderen van alles ingefluisterd, en dat komt hem niet ten goede. Ja we moeten Nemo dankbaar zijn dat hij ons een grappige casus aanbiedt, maar wie werkelijk begaan is met Nemo spiegelt hem in ieder geval geen kansrijke rechtszaken voor, zoveel is zeker.

Ik vind het onmenselijk en zeer klantonvriendelijk dat MediaMarkt zo agressief in de aanval gaat. Ik ben per slot van rekening een klant die ze tevreden moeten houden.

Dat MediaMarkt hem onmenselijk heeft benaderd, ja onmenselijk dus -vergelijkbaar met hoe mensen in Syrië behandeld worden of in Guantánamo Bay bijvoorbeeld-, geeft aan dat we hier te maken hebben met een zeer ernstig gekwetst kind. Of in dit geval een zeer ernstig gekwetste man van 22, maar het verschil is te verwaarlozen. Deze gekwetstheid neem ik serieus. Ik sluit niet uit dat de reactie van MediaMarkt scherp is geweest en vooral gebaseerd op de verbazing hoe ridicuul iemand zich kan beroepen op een ‘recht’. In dat geval wordt het al snel de oorlog van allen tegen allen. Als de een zich zo graag wil beroepen op het recht, zal de ander dat ook doen. Het wordt al snel erg onvriendelijk op die manier en ja, inderdaad smerig en bruut.

Maar dit gaat natuurlijk nooit een rechtszaak worden. Dit gaat, nee moet worden opgelost buiten het recht om: want zelfs winnen is hier verliezen. En bij voorkeur ook buiten alle media-aandacht, maar dat is een utopische gedachte.

Nemo verdient een bos bloemen, omdat hij Nemo is. En een doos Merci om te geven aan een knipogend meisje. En in plaats van dat iedere MediaMarkt in heel Nederland hem de toegang tot winkels ontzegd en geen zaken meer met hem wil doen -en welke elektronicazaak eigenlijk wel- bieden ze hem wat leuks aan met wat zalvende woorden. Misschien wel een bizarre korting van 25% op producten die zolang het merk bestaat niet bekend is om zijn afwijkende prijzen.

Concluderend is Nemo in deze casus vooral een beetje op zoek naar zichzelf. En ik denk dat hij er heel wat wijze lessen uit kan halen. Wat Nemo rest te doen en hem voor de eeuwigheid niet belachelijk achterlaat op het internet, is toegeven dat hij hier een iets te ruime fantasie heeft gehad en vanaf nu de ironie van het leven omarmt als tragische held. Een historische zin hem ik alvast voor hem klaar:

Een Nemo valt wellicht niet ver van de boom, maar een Apple toch echt wel.

Argumenten ter overweging in het licht van de ‘historische vernieldrang’

Of: De gebrekkige grond van de Beeldenstorm

In de huidige ‘Beeldenstorm’ zien we dat historische figuren, van Christopher Columbus tot Winston Churchill, afgerekend worden op specifieke handelingen of denkbeelden die niet binnen het discours van het huidige protest vallen. Hun historische en praktische relevantie lijken daarbij ondergeschikt te zijn. In deze bijdrage onderzoek ik de rechtvaardigingsgrond voor deze vernielzucht en plaats daar de nodige bedenkingen en kanttekeningen bij. Die zullen wellicht als vanzelfsprekend worden opgevat, maar kennelijk zijn ze dat dus niet. Het blijft nodig om hoe dan ook een perspectief aan te reiken voor deze beweging.

  1. Een standbeeld is een eerbewijs

Het wemelt van de minderheidsgroeperingen die zich aan een willekeurig beeld zouden kunnen storen. Ik kan mij een groep katholieken voorstellen die standbeelden van Johannes Calvijn -o ironie- zouden willen vernietigen. We moeten ons echter afvragen of (stand)beelden gelden als algemeen eerbewijs of als herinnering aan een geschiedkundige gebeurtenis die onderhavig is aan interpretatie. Een standbeeld toont ons in ieder geval een deel van de geschiedenis, maar de waardering van de geschiedenis is een zaak van ieder voor zich. Bovendien kan nooit worden miskent dat een eerbewijs altijd binnen de historische context moet worden begrepen.

Het kan goed nodig zijn, voor zover samenleving en onderwijs dat na zouden laten, om een zekere context aan deze gebeurtenis toe te voegen. Een beeld van een slaaf bijvoorbeeld heeft een duidelijke context: het is niet een monument omdat we slavernij verheerlijken. Zo kan het nodig zijn om in verschillende gevallen een perspectief toe te voegen, maar daarbij niet te vergeten dat onze maatstaven niet zonder meer geprojecteerd mogen worden op vroegere gebeurtenissen: The Past Is a Foreign Country. (David Lowenthal, 1985).

  1. Een standbeeld van Columbus hoort in dat geval niet thuis in de publieke ruimte

Iemand zou kunnen opperen dat dergelijke standbeelden dan wellicht in een museum thuishoren en niet in de publieke ruimte. Maar dat zou betekenen dat in de publieke ruimte alleen nog maar standbeelden zouden kunnen worden gehandhaafd van historische figuren die moreel gezien de norm van hun eigen tijd ver vooruit waren, ja onze normen in hun eigen tijd als uitgangspunt hadden. Dat is natuurlijk volkomen absurd. Om daar een ironische noot aan toe te voegen: Het zou ook absurd zijn bijvoorbeeld als over 500 jaar een standbeeld van Nelson Mandela omver getrokken zou worden omdat hij nogal een fervente carnivoor was en de weerzin van de toekomstige samenleving daarover zo groot is dat er voor carnivoren geen publieke plaats kan zijn. En ter overweging in de lijn met het voorgaande: We zouden een beeltenis ook kunnen herwaarderen: niet als een teken van eer, maar als een teken van significantie.

  1. ‘Hilter verdient ook geen standbeeld’

Of algemener: Villains don’t deserve statues, zoals het luid op sociale media en door de straten klinkt. En dus moet het beeld van Jan Pieterszoon Coen ten gronde worden gericht, want ‘we zouden ook geen standbeelden van Adolf Hitler optuigen’.

Het grote probleem blijft dat verschillende morele maatstaven door elkaar lopen. Je kunt nu eenmaal niet met onze huidige normen en waarden historische figuren de maat gaan nemen. Het is zinloos alle middeleeuwers te veroordelen omdat ze het concept ‘kind’ niet kenden en deze kinderen behandelden als kleine volwassenen. Maar dan nog: er is een essentieel verschil tussen Jan Pieterszoon Coen en Adolf Hitler. De laatste doorstond de morele toets in zijn eigen tijd al niet en was naar de maatstaven van die tijd verderfelijk; het heeft niet heel lang geduurd voordat haast de hele wereld in verzet kwam. Jan Pieterszoon Coen echter deed in zijn tijd niks geks: vrijwel iedereen was overtuigd van de westerse superioriteit, haar rechtssysteem en rede, en dat zou nog honderden jaren zo blijven.

  1. Je moet in alles deugen, anders deug je niet

In de filosofie is er een langlopende esthetisch-ethische discussie waarbij de centrale vraag luidt of, hoe en welke waardering we kunnen opbrengen voor iemands prestaties, wanneer we moeite hebben met diens (voormalige) politieke opvattingen of moreel verwerpelijke handelingen. We hebben al gezien dat ‘deugen’ een cultuur en historisch genuanceerd perspectief verlangt, maar iemand zou gerust kunnen opperen dat ‘één slecht boek iemands hele oeuvre verdacht maakt’.

Groot probleem is echter dat in geval van historische verworvenheden het hypocriet is om niet te profiteren van de vooruitgang die deze zelfde bewegingen hebben veroorzaakt. We kunnen kijken naar een beeld van Winston Churchill en toch dankbaar zijn dat we hier geen Duits sprekende Jodenhaters geworden zijn. Het heft bedenkingen over bepaalde opvattingen of het feit dat hij per jaar ongeveer 4000 dubbele sigaren rookte niet op. Het een sluit het ander niet noodzakelijk uit: je moet kinderen niet al te gemakkelijk met het badwater weggooien. 

  1. Daden kun je niet los zien van de dader

Dit sluit rechtstreeks aan bij het vorige. De geschiedenis is zwanger van bijzondere prestaties van mensen die naar onze maatstaven de toets der kritiek niet zouden doorstaan.

Zo moest ik denken aan Martin Heidegger en zijn roemruchte lidmaatschap van de NSDAP; een schaduw waar hij nooit goed uitgestapt is. Wat weerhoudt ons van een collectieve boekverbranding van Sein und Zeit en het vernielen van zijn plakaat in Meßkirch, omdat hij ooit een nationaalsocialist was? En onlangs luisterde ik nog naar Richard Wagners Der Ring des Nibelungen. Het is niet heel moeilijk om de ideologische grondtoon van Wagner antisemitisch te noemen: geen opera’s meer opvoeren en zijn platen vernielen zou dan het gevolg zijn? En Maarten Luther – ook weer in vele beelden op deze wereld gevangen – als een notoire antisemiet terugvinden. Of wat te denken van James Marion Sims die baanbrekende medische technieken zonder anesthesie uitoefende op donkere vrouwen? Of John Broadus Watson die de psychologie als experimentele wetenschap ontwikkelde ten koste van baby’s waarmee sociaal werd geëxperimenteerd?

We kunnen nog eindeloos voorbeelden opnoemen, maar het punt is dat we op de een of andere manier een scheiding moeten leren aanbrengen tussen persoon, historische context en prestaties op zichzelf. Want hoezeer we Heidegger kunnen verachten om dat lidmaatschap, Sein und Zeit staat als filosofisch meesterwerk op zich en verdient een waardering die losstaat van denkbeelden die Heidegger daarnaast heeft gehad. Hetzelfde valt te zeggen van Wagner: je kunt die muziek waarderen als kunst op zichzelf. En belangrijker: hoe kunnen we nu filosofen en kunstenaars als pioniers van hun voetstuk halen, als dat betekent dat we daarmee de geschiedenis van de oorsprong van een bepaalde kunst vernietigen? De geschiedenis van de psychologie is zonder Watson nu eenmaal moeilijk te begrijpen: je kunt hem niet negeren, tenzij je de hele geschiedenis wil herschrijven.

Zo zal Columbus ook nooit genegeerd kunnen worden voor het leggen van hij het fundament wat we noemen de Columbian Exchange: het oostelijke en het westelijke halfrond kwamen door zijn indrukwekkende ontdekkingsreizen samen en waren een inleiding voor de globalisering van de wereld en haar ontelbare gevolgen. En het leiderschap van Churchill in WOII staat op zich: dat is niet te negeren.

Het heeft bovendien iets hypocriet om de persoon af te wijzen, maar zijn prestaties wel te gebruiken. Ik moet altijd denken aan islamitische terreurgroepen die de westerse civilisatie verachten en tegelijkertijd de wapens en technologie die deze heeft voortgebracht gebruiken voor hun zaak. Dat is op zijn minst lachwekkend. En het is een interessante gedachte: een medicijn ontwikkelt door een racist, wiens standbeeld omver moet. Zou je het toch gebruiken als het je leven kon redden of handhaaf je een principieel standpunt: ‘Met racisten wil ik niets te maken hebben!’

Het is een hele interessante kwestie en in het licht hiervan zijn er zeker ook verschillende voorbeelden te bedenken die de zaak echt op scherp zetten, en juist daarom bijzonder moeten worden overdacht. Neem een banaal voorbeeld als Jimmy Savile. Hij bracht 40 miljoen bij elkaar voor goede doelen, maar bleek (niet lang na zijn dood) een notoire zedendelinquent. Zeker maken we wederom de essentiële kanttekening dat hij ook naar de maatstaven van zijn eigen tijd bijzonder gefaald heeft, wat bijvoorbeeld een eerbetoon of een standbeeld niet logisch maakt, maar die 40 miljoen hebben heel veel levens ten goede gekeerd. Is dat een prestatie die we op zich kunnen waarderen?

  1. Racistische verwijzingen in films moet je censureren

En tenslotte toch nog even dit onvermijdelijke punt. ‘Films en series met racistische verwijzingen moeten worden gecensureerd, vernietigd of uit collecties worden gehaald’. Of ja, in het beste geval moet er straks een moralistische waarschuwing bij de televisiebeelden, alsof we allemaal achterlijk zijn:

‘Pas op, bevat opvattingen uit een ander tijdperk, met andere normen en waarden en opvattingen!’

Je zou wellicht ook Spartacus in dat licht van een waarschuwing moeten voorzien, want het kruisigen van mensen is toch wel heel barbaars en verwerpelijk te noemen. Deze ironische noot daargelaten: van censuur komt niets goeds.

Ik kan in de hele geschiedenis van de mensheid mij niet één voorbeeld voor de geest halen, buiten privacygevoelige censuur of essentiële veiligheidskwesties, waarbij het verbieden, ontzeggen, kuisen of anderszins maskeren of wegwerken iets heeft opgeleverd. Integendeel: censuur wakkert altijd verlangens aan.

Je kunt alcohol verbieden, er wordt waarschijnlijk nooit zoveel gezopen. Je kunt Gone with the Wind uit je aanbod halen en op je brave borst slaan, waarschijnlijk is die film nooit vaker gedownload of bekeken sindsdien. En wie is er niet nieuwsgierig naar de aflevering van Fawlty Towers waarin er sprake zou zijn van racisme (terwijl als je die aflevering goed bekijkt ironisch genoeg het juist tegen racisme lijkt te zijn)? En belangrijker nog: Tonen en vereren zijn niet per definitie met elkaar verbonden. We kunnen naar Wagners Ritt der Walküren luisteren, en tegelijkertijd zijn antisemitische ideeën veroordelen. Het blijft een raadsel wat mensen bezielt te kiezen voor censuur of specifieke zinledige morele toevoegingen.

Tenslotte

Blijft er tenslotte nog iets over wat pleit voor de vernielzucht van historische beelden en het moraliseren en censureren van beeldmateriaal als algemeen feit?

Ik kan het echt niet bedenken. De enige conclusie waar ik telkens op stuit, is dat het averechts werkt. Je wint niemand voor je zaak, het zet mensen tegen je op, minderheden worden er niet geliefder door, historische context wordt miskent, kinderen met het badwater weggegooid, etc.. En bovenal schuilt er iets hypocriets in al die bewegingen, want talloze vrijheden die wij genieten zijn gebouwd op de bedenkelijke moraal van het verleden. Het is ook niet moeilijk voor te stellen dat ons eigen leven een rechtstreeks gevolg is van bedenkelijke gebeurtenissen uit dat verleden. We moeten dat verleden op zichzelf, lokaal en in de juiste context waarderen en bekritiseren in een open dialoog, waarbij grootse prestaties niet ondergeschikt worden aan irreële maatstaven. Juist voor een open publiek debat, zijn daarom openbare beelden en beeltenissen nodig. Vernieling en censuur zijn de vruchten van de boom die men wil omhakken. Wie dat niet inziet zal zowel van het verleden, het heden als de toekomst helemaal niets leren.

Racisme als foutieve grondoorzaak: Een fundering voor een eerlijker debat

Racisme als foutieve grondoorzaak

. . . But then there is an eternity, where there is no cold of winter, nor heat of summer, nor violent storms, nor the thousand bothers of a thousand insect bites; nor what perhaps torments
me just as much, people’s envy and narrow-mindedness and twaddle; nor what perhaps torments even more: well-meaning misunderstanding―(…)
Kierkegaard. JOURNAL NB32 : fragm. 129 • 1854.

NOOT VOORAF: mijn stuk wordt hier en daar eenzijdig of vals geïnterpreteerd, of gemaakt tot een academisch semantisch spel volledige bezijden de pointe. Daarom hier in de kern de werkelijke en enige bedoeling van dit stuk: verbreding van het debat, bewustwording dat wat racistische gedragingen worden genoemd niet of nauwelijks gefundeerd zijn op racistische motieven en dat we uiteindelijk de zwarte zwanen aan beide kanten van de rivier moeten zoeken, in plaats van alleen aan de rechterflank bijvoorbeeld. Zie ook in het verlengde van mijn stellingen: https://www.limburger.nl/cnt/dmf20200616_00164414/een-eenzijdige-schreeuw-om-gelijkheid

De afgelopen dagen zoals dat gaat, liepen tweets, tijdlijnen, krantenkoppen en verzin maar welk praatprogramma over van de discussie aangaande ‘Black Lives Matter’. Het debat is zoals gebruikelijk in ons post-digitale tijd behoorlijk vertroebeld, en is het niet voor een ander, dan is het wel voor mezelf om er wat helderheid in te scheppen. In deze bijdrage zal ik een kernprobleem in dit hele debat aan de orde stellen, zodanig dat dit het hele debat in een veel juister perspectief stelt.

Wat begon als een krankzinnige arrestatie van een donkere man in Amerika en een daaropvolgend woedend protest tegen excessief autoritair geweld, is in zijn overgewaaide vorm in Nederland geblenderd tot een demonstratie tegen racisme (en natuurlijk Zwarte Piet). De urgentie van verzet tegen autoritair geweld (expliciet tegen minderheden) in Nederland snijdt ook weinig feitelijk hout, om nog te zwijgen over de stelling dat we de meest zachtzinnige agenten van Europa hebben.

Maar dat racisme centraal is komen te staan in een breder verzet is duidelijk. In de talloze comments zien we dingen voorbij komen als:

“Ik denk dat het mij en veel anderen nogal wat tijd gekost heeft om structureel racisme in eigen land onder ogen te zien vanwege het taboe op racisme (…)” en “Mijn ogen zijn eindelijk geopend om te zien hoe wijdverbreid racistisch we in Nederland zijn” en “Wie rascisme (sic) nu nog niet erkend zal het nooit doen, Black Lives Matter!”

Mijn stelling is dat al dit soort ideeën en opmerkingen finaal de plank mis slaan door te suggereren dat racisme hier de grondoorzaak is. Oorzaken en gevolgen lopen bovendien volledig door elkaar en vele verschillende antecedenten (zoals de significante bijdrage van vrijwillige segregatie, gebrekkige integratie, differentiële associatie, cognitieve dissonantie en existentiële en identiteitsvraagstukken) worden miskend, vergeten, overgeslagen of geparkeerd ten gunste van de racisme-kaart als grond.

De suggestie van racisme is echter een hele gevaarlijke en pretendeert nogal wat. Je stelt in algemene zin namelijk dat iemand intentioneel op basis van een superieur gevoel met betrekking tot zijn eigen ras zich gerechtigd weet om consequent iemand van een ander ras met andere maatstaven te beoordelen. Doelen als het systematisch (proberen te) vernietigen van iemands identiteit, cultuur en geschiedenis zou daar bij aansluiten (zie o.a. Bonnett (2000), Anti-Racism, Routledge: Londen). Dit is de zweem van betekenis die racisme omringt.

Als het erop aankomt, blijken velen eigenlijk niemand te kennen die deze ideeën erop nahoudt en worden er in plaats daarvan voorbeelden aangehaald van ‘nieuwsfeiten’ of wordt het probleem anoniem en institutioneel gemaakt, waardoor het nog abstracter wordt dan het al was.

Dergelijke ‘nieuwsfeiten’ en institutionalisering kun je bijvoorbeeld terugvinden in de volgende vragen:

“Waarom wordt een meisje met een buitenlandse naam stelselmatig niet uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek en haar vriendin met Nederlandse achternaam wel? Waarom wordt er gediscrimineerd bij de belastingdienst op grond van afkomst? Waarom worden donkere mensen veel vaker preventief gefouilleerd dan blanke mensen? Waarom krijg ik hulp aangeboden als ik aan mijn fiets sta te sleutelen op het station, terwijl een donker iemand de opmerking krijgt of die een fiets aan het jatten is?”

De waarheid van deze vragen zullen we for the sake of the argument niet in perspectief plaatsen, maar deze retorische vragen zouden dus in dit geval een bewijs leveren voor ‘structureel racisme’. Alsof het er toch overduidelijk uit blijkt.

Wat ik echter zal betogen is dat de grondoorzaak helemaal geen racisme is, maar moet worden gezocht in de werking van de menselijke geest en natuur. Daarmee wordt niet betoogd dat racisme geen probleem is (één racist in Nederland zorgt de facto al voor een racistisch probleem), maar dat racisme veel beperkter voorkomt dan velen willen doen geloven en de problemen waarover men spreekt vrijwel nooit een racistische grond hebben, maar een hele andere.

Terloops moet ik opmerken dat het me onduidelijk waarom blijft een heleboel mensen zo graag willen blijven vasthouden aan die racistische grond als grond. Wat valt daarmee precies te halen? Is het een manier om een progressieve identiteit vorm te (blijven) geven? En betekent het opgeven van de racismekaart iemands morele failliet? Ik heb werkelijk geen idee. Maar laat ik uiteenzetten wat de kern is van mijn stellingname.

Een eenvoudige manier om de menselijke natuur te begrijpen is dat hij in algemene zin een gewoonte dier is, gevoelig voor herhaling en beperkt bereid tot handelen buiten veilige en zekere kaders. Ik zou teksten van Plato tot Pascal tot Hume tot Nietzsche tot Elias kunnen aanhalen om dat te illustreren, maar ik zal met eenvoudige voorbeelden in deze context verduidelijken waar dit naar toe gaat, eveneens telkens afgesloten met een retorische vraag:

  • Stel, je bent een juwelier en je bent achtmaal overvallen, telkens door iemand met Aziatische nationaliteit. Je besluit geen mensen meer binnen te laten met die nationaliteit. Ben je een racist?  
  • Stel,  je bent opgegroeid met een bepaalde traditie die door sommigen als racistisch wordt beschouwd. Jij wil deze traditie graag voortzetten. Ben je een racist?
  • Stel, je bent agent en hebt al 27 liquidaties meegemaakt. Verreweg het merendeel van die liquidaties hadden met drugs te maken binnen de joodse subcultuur. Je besluit er extra alert op te zijn en joden vaker preventief te fouilleren. Ben je een racist?
  • Stel, je hebt een grote shoarmazaak en je wil graag een bepaalde mediterrane identiteit met je winkel uitstralen. Je besluit daarom om alleen Marokkaanse meisjes aan te nemen, Nederlands uitziende meisjes zijn kansloos. Ben je een racist?
  • Stel, je bent een meisje en al 10 keer op een vervelende manier lastig gevallen, uitgemaakt voor hoer en nagefloten, toevalligerwijs door jongeren met een Mexicaanse achtergrond. Je ontwikkelt een bepaalde afkeer voor deze mannen. Ben je een racist?
  • Stel, je werkt bij een financiële instelling en allerlei algoritmes brengen bepaalde typen fraudeurs in beeld, die voornamelijk uit het Oostblok komen. Je besluit preventief mensen met deze kenmerken extra in de gaten te houden. Ben je een racist?
  • Stel je bent een minderheid in het buitenland, je wordt niet zo vaak uitgenodigd voor een gesprek. Zijn het racisten?

Ik kan nog eindeloos veel voorbeelden aanhalen, maar mijn punt is nu wel helder: in geen van alle gevallen waar iemand hier een onderscheid maakt tussen het een en ander is racisme het motief of de grondoorzaak. Behoud van identiteit, differentiële associatie, voorkeur voor de eigen dominante cultuur, ‘better safe than sorry’, een ezel stoot-redenering,  etc. … Dat soort motieven liggen heel vaak ten grondslag aan de gedragingen. Niet het gevoel van superioriteit ten opzichte van het andere ras. En er is vast wel een voorbeeld te verzinnen waarbij zuiver racisme wel de oorzaak is, maar dat is echt marginaal.

Daarmee is niet gezegd dat de gedragingen zijn goed te keuren. Maar moeten we hier zeggen: in alle bovenstaande gevallen heeft iemand niet het recht om zich anders te gaan gedragen!

Ik vraag me sterk af of je dit van mensen kunt verlangen; deze gedragingen verdienen geen goedkeuring per se, maar wel nuancering. De mens heeft nu eenmaal de sterke neiging om een negatief beeld en ervaring langer en bepalender bij zich te dragen dan een positief beeld. En ik denk dat deze negatieve beelden uiteindelijk door allerlei omstandigheden, feitelijke oorzaken, mediaframes, tijdlijnalgoritmes, maar ook van horen zeggen of uit tweede hand pervasief in mensen kunnen wortelen, waardoor het ook niet meer zo eenvoudig is om gedragingen aan te passen. Maar ik herhaal nogmaals: dat is geen racisme.

Het punt wat gemaakt moet worden, is dat in een utopische wereld iemand op grond van die ervaringen iedereen daaropvolgend ongeacht ras een exact zelfde kans geeft of een gelijksoortige behandeling, maar de mens is een inductief redenerend wezen en kan zich ongelooflijk moeilijk verzetten tegen gevolgtrekkingen op basis van die inductie. Een bewustwording van hoe inductie kan leiden tot bepaald gedrag, is een prima inzet voor een protest, maar meer moet dan ook niet gepretendeerd worden. Daarnaast is beeldvorming een ongelofelijk hardnekkig fenomeen in onze multimediale tijd. Eén keer iemand wegzetten als pedofiel, beschadigd iemand voor de rest van zijn leven. 10 keer een groep een plofkraak zien plegen in Opsporing Verzocht, beschadigt een groep voor lengte van jaren.

Mensen handelen, ook als het gaat over de eerder gestelde retorische vragen, gewoon heel simpel, heel veilig en heel voorspelbaar. Dat bepaalde subculturen een voorkeur hebben voor bepaalde subculturen is heel begrijpelijk, dat is geen racisme. Net zozeer de dominante cultuur een neiging heeft zich te voegen naar zijn dominante cultuur. Racisme of soort zoekt soort?

En dat negatieve voorvallen kunnen leiden tot uitsluiting, is geen racisme. Je zou het zelfde zien bij junkies, koks en clowns. Als je een meisje bent en er komt een grote donkere man in de nacht op je af met een capuchon, dan fiets je zo hard weg als je kan, zelfs al was het de vriendelijkste donkere man op aarde. En waarschijnlijk zou ze dat ook gedaan hebben als de man niet donker geweest was. Ze is geen racist, je mag het er in lezen (meisje rent weg omdat de zwarte man haar iets aan zal doen), maar het snijdt geen hout. Evenmin als de man die vraagt aan een Botswaan of deze een fiets aan het stelen is, wanneer deze met een zaag een slot probeert open te maken omdat hij zijn sleutels kwijt is. Wie gelooft dat deze man dat doet omdat hij zichzelf hoog verheven acht ten opzichte van deze Botswaan? Je zou het onuitroeibare domheid kunnen noemen, net zoals het gooien van bananenschillen provocerend is bedoeld, maar racisme vereist intelligentie en gaat vaak via indirecte mededeling.

Deze bovenstaande nuancering is de meest noodzakelijke die nodig is in de schier eindeloze kletspartijen over ‘de racistische Nederlandse samenleving’ die over ons uitgestort is afgelopen dagen.

Het probleem wat mensen benoemen en misschien zelfs (indirect) voelen, moet zonder meer serieus genomen worden, maar het kan alleen serieus genomen worden als de mensen die deze problemen de wereld inroepen bereid zijn te aanvaarden dat racisme hier niet aan ten grondslag ligt, maar eerder een veel bredere problematiek waarbij -en dat is pijnlijk- ook de hand hier en daar in eigen boezem moet worden gestoken, in plaats van als vuist in de lucht.

___________________________

Nagekomen.
Dit stuk wordt voornamelijk aangevallen op de gehanteerde definitie van racisme. Dat brengt ons tot een nieuw probleem: als deze definitie niet geldig zou zijn om te spreken van racisme (en je kunt het begrip racisme zo verwarrend maken als je zelf wil met allerlei uitwassen richting structureel, institutioneel en systematisch racisme waarbij zelfs het onbewuste een rol begint te spelen), dan is racisme kennelijk verworden tot een containerterm die op ieder geval afzonderlijk is te plakken. Hebben we daarmee een grondoorzaak duidelijk gemaakt? Nee integendeel, we hebben de verwarring groter gemaakt: Als je definitie ruimer wordt, dan wordt vanzelf ook het probleem groter. Maar of we daarmee iets zijn opgeschoten in het debat, is zeer de vraag. Ik blijf pleiten voor een veel bredere kijk aan oorzaken voor gedragingen.

Nagekomen II.
Het is duidelijk dat mensen hier niet neutraal in zitten, ik ook niet. Het is echter opmerkelijk dat met name door irrelevante semantische discussies de kern van het stuk wordt ondergesneeuwd.

Ik heb in ieder geval geconcludeerd dat het racismedebat enorm is vertroebeld en des te urgenter het nodig is dat we verschillende antecedenten die leiden tot afkeurenswaardige gedragingen, of gedragingen die leiden tot segregatie, benoemen. Als een gedraging voorkomt uit superioriteit ten opzichte van het andere ras, dan moeten we dat ten stelligste afkeuren – al komt dat dus maar zeer zelden voor. En dat geldt ook zoals ik heb geschreven als het voorkomt uit andere, externe bewegingen. Het zijn deze externe bewegingen die in het debat (ook en juist) moeten worden blijven benoemd, niet als afleidingsmanoeuvre (hand in eigen boezem ;-)), maar als wezenlijk -dat betoog ik althans- onderdeel van het centrale probleem.

Als iemand om nog maar weer eens een voorbeeld te noemen zijn gedraging negatief aanpast ten opzichte van een subcultuur omdat hij toevalligerwijs in de verkeerde wijk de pech heeft gehad al te vaak te zijn geconfronteerd met gevaarlijk, agressieve rijdende personen, dan is dat aangepaste gedrag iets wat we liever niet willen zien. Maar de grond is dus niet racisme (of als je het binnen je definitie wel racisme wil noemen, dan is die grond niet alleen te zoeken bij deze persoon die zijn gedrag aanpast op basis van negatieve ervaringen en beeldvorming).

De term racisme legt de verantwoordelijkheid eenzijdig neer naar mijn idee en we moeten in het algemene debat niet bang zijn om het probleem van twee kanten te blijven bekijken. Door telkens te spreken van institutioneel, structureel en/of systematisch racisme Is het gevolg dat de tegenstellingen tussen groepen alleen maar groter worden en hoe links je ook bent de zaak eigenlijk alleen maar verergert in plaats van verbetert. Immers wil niemand met deze negatieve termen geassocieerd worden en indien de associatie wel plaatsvindt, dan moet ook de andere kant worden meegewogen voor een eerlijk gesprek. Ik hoop dat dit als centrale overweging blijft hangen en op relevantie wordt gewogen.

 

Complotten, autoriteit, gehoorzaamheid en het pokerspel

Een fragmentarische overweging

Deze tijd waarin we geconfronteerd worden met het onzichtbare corona-fenomeen is voor complotdenkers, met hun aanleg om het algemene altijd ter discussie te stellen omwille van het bijzondere, een absoluut feest. Met behulp van sociale media dat zal niemand ontgaan zijn: dit is het moment om mensen meer dan ooit ‘te overtuigen’ dat de wereld en de gebeurtenissen daarin een groot vooropgezet spel zijn, waarin jij en ik slechts inwisselbare marionetten zijn.

Dat kan misschien enorme ergernis opwekken, maar dat is helemaal niet nodig. Complotdenkers zijn over het algemeen vermakelijke mensen. Vrolijk paranoïde en volkomen ongevaarlijk, zijn ze net als ieder ander op zoek naar een beetje aandacht en misschien zelfs wel naar zin en betekenis. Dat laatste moet hoe dan ook altijd worden toegejuicht. De combinatie van teveel vrije tijd, fantasie en werkelijkheid geven ongekende ruimte om de meest bijzondere mogelijkheden op te kunnen werpen. Want het schitterende van een complottheorie is, dat er altijd ten minste één mogelijkheid open blijft dat het waar zou kunnen zijn

Complotten leunen extreem op ‘zie je wel’-redeneringen en die zijn dan ook de drijvende kracht van hun voortbestaan. De kern van ieder complot bestaat hierin dat het niet te falsificeren is, maar alleen te verifiëren. Een klassieke wetenschapsfilosofische fout, maar natuurlijk aan dovemansoren gericht. Zo kan ik bijvoorbeeld op dit moment al weg worden gezet als onderdeel van het complot, zo als alles wat tegen het complot pleit een onderdeel van het complot is. Enfin, die strekking is wel duidelijk.

Wat ik hier ten hoogste wil doen is aan één zo’n complot, zij het fragmentarisch, wat meer gedachten wijden. Dat heeft weinig meer bedoelingen dan dat ik er wat gedachten aan wijd. En af en toe moet men juist complotdenkers wat kruimeltjes filosofie toewerpen; daar leven ze immers van.

Het is nog moeilijk kiezen tussen al hetgeen voorbij gekomen is afgelopen weken, maar ik heb voor deze bijdrage mijn oog laten vallen op deze tekst die gedeeld werd, en in vele verschillende varianten van gelijke strekking rondwaart als een spook:

“The Coronavirus will come and go but the government will never forget how easy it was to take control of your life. To control every sporting event, classroom, restaurant table, and church pew…and even if you are allowed to leave your home.”

Read that again.

Ik zei al dat complotdenkers uiterst vermakelijk zijn. Dat komt deels denk ik door hun al dan niet gespeelde ernst (je weet het niet!). Ook in het bovenstaande lezen we iets van die ernst. In het bijzonder wordt het drama aangezet door het ‘Read that again’. De suggestie is dat je dan pas ten volle tot besef komt ‘wat er gebeurt’. Deze anonieme klokkenluider waarschuwt ons voor de overheid, de Staat die ons heel eenvoudig kan controleren en ons leven op elk moment heel eenvoudig kan beperken. Kortom: onze negatieve vrijheid, de toestand waarin we vrij zijn van beperkingen en van schending van natuurlijke rechten door dwang (van de Staat), staat hier op het spel!

Het is ontegenzeggelijk waar dat de afgelopen weken onze negatieve vrijheid behoorlijk is beperkt. De vraag is echter of dit komt door een gedwee volgzame gehoorzaamheid aan autoriteit of door het gebruik van ons gezonde verstand. Een combinatie van beide is uiteraard ook niet uitgesloten: gedwee volgen kan een keuze zijn van het gezonde verstand.

De complotdenker die hier de Staat voorstelt als een orgaan wat centrale controle wil uitoefenen, die controle als doel zou hebben of op andere wijze daar een gigantisch voordeel in zou zien, heeft hier helemaal geen slechte troef in handen. Verificatie genoeg: de wereldgeschiedenis wemelt van totalitaire experimenten. Als we de complotlezing in onze tijd als een pokerspel zouden begrijpen dan heeft de complotdenker hier voor de flop een aardige hand lijkt het. Maar het probleem is dat er in het complot nooit een flop komt, laat staan een ‘turn’ of een ‘river’. Men blijft de kracht van de hand herhalen zonder dat het ooit tot een spelverloop komt.

Wij spelen echter wel het spel hier en dat betekent ook kritische kaarten bekijken. Het is een verdienste van de complotdenker dat hij voor ons interessante en kritische vragen opwerpt. Vragen die we normaal gesproken niet zouden stellen misschien wel omdat de antwoorden te vanzelfsprekend lijken. De vragen die mij opkomen zijn de volgende:

  • Als de Staat niet zou bestaan, zou het dan noodzakelijk zijn haar uit te vinden?

  • Zouden we haar nodig hebben en zou ze hoe dan ook niet ontstaan?

  • Is de best mogelijk denkbare Staat altijd een met democratische beginselen?

  • Is gehoorzaamheid aan een autoriteit problematisch? Op welke wijze en op welke wijze niet?

Talloze auteurs van naam -van Augustinus tot Machiavelli, van Hobbes tot Nozick, van Rousseau tot Rawls- zijn ons voor geweest in het stellen van deze vragen en formuleren van antwoorden. De kunst hier is echter om er zelf overwegingen bij te maken, en dan in het bijzonder met betrekking tot onze huidige situatie:

  • Wanneer mag of moet (als überhaupt) een Staat democratische beginselen opschorten?

  • Kan een Staat democratische vrijheden beperken omwille van de democratie?

  • Moet democratie het laatste woord hebben? En zo niet, welke uitzonderingen staan we dan toe?

Stel bijvoorbeeld dat een meerderheid van de bevolking vindt dat de maatregelen van de overheid te veel hun negatieve vrijheid beperken. Moet de overheid deze maatregelen dan opschorten? Onze indirecte parlementaire democratie verdraagt moeilijk dit soort vragen, omdat ze niet meer rechtstreeks door het volk wordt aangesproken. De overheid in onze toestand heeft dan de ruimte om zich te gedragen als een Alma Mater: een zorgende moeder die om bestwil de vrijheid van haar kinderen beperkt.

En het is die bestwil die juist door de complotdenker ter discussie wordt gesteld:

  • Handelt de Staat in ons belang of heeft zij zelf (hogere) belangen in deze situatie?

  • En als dat laatste het geval zou zijn, op welke manier gaan die belangen dan ten koste van het individu?

De permanente paradoxale problematiek waar de complotdenker mee worstelt wordt hier ten volle zichtbaar: Zo kun je de huidige democratische orde bekritiseren als systeem van zoethoudertjes en schijninspraak (de sterke pokerhand), maar het valt nog niet mee om een alternatief te verzinnen, of een verbetering van het systeem uit te werken zonder dat dezelfde kritiek van zoethoudertjes en schijninspraak standhoudt (de flop).

Dat geldt ook voor het idee van gehoorzamen aan een autoriteit als potentieel gevaarlijk (de sterke pokerhand), maar niet als dit gepaard gaat met gezond verstand en positieve vrijheid: de ruimte om zelf af te kunnen wegen of een autoriteit met recht van spreken bepaalde beperkingen oplegt. De huidige gehoorzaamheid aan autoriteit is geen Milgram-experiment alwaar we de 47-jarige James McDonough voor straf dood maken met stroomstoten omdat hij vragen fout maakt.

Nee, de huidige gehoorzaamheid aan autoriteit is een afweging tussen kwaad en erger. Het is waar dat ‘het erger’ hier wordt ondersteund door autoriteit, maar dat zijn dan wel allemaal individuen die een gezamenlijke autoriteit vormen. Artsen, virologen en microbiologen vormen hier de autoriteit, niet de overheid die er net zo van afhankelijk is. Je zou in dat geval ook de complotstelling als volgt kunnen formuleren:

“The Coronavirus will come and go but the physicians and biologists will never forget how easy it was to take control of your life. To control every sporting event, classroom, restaurant table, and church pew…and even if you are allowed to leave your home. (And control Statebudgets and –etc.)”

Read that again.

Tenzij alle deskundigen bedreigd worden door de overheid of aandelen hebben bij een farmaceut vormen ze een geloofwaardig collectief, dat tot nadere orde gehoorzaamd kan worden. Het is niet gezegd dat men zich niet kritisch moet verhouden tegen de pastorale macht van de medische wetenschap, alleen vergt het heel veel fantasie om de directe en indirecte voordelen van een epidemie te zien voor deze beroepsgroep: die passen enkel in complottheorieën met sterke handen pre-flop.

Het alternatief voor de complotdenker die zich per definitie niet neer wil leggen bij de beperking van zijn negatieve vrijheid door autoriteit, is deze gehoorzaamheid opschorten en experimenteren met de dodelijkheid van de mogelijkheid. Gek genoeg zien we dat spanningsveld echter hoe dan ook terug in de samenleving: de utilitaristische experimenten met sectoren waarbij op basis van zachte kansberekening en verwachtingen vrijheden worden gegarandeerd ten koste van iets onbekends (wat het dus een ‘verantwoord’ experiment maakt.) Dat maakt het complot nog lastiger te verdedigen, of roept op zijn minst op tot een nieuwe troef: de overheid wil alle mensen met een Pabo-opleiding omleggen.

Ik heb al eerder betoogd dat bijvoorbeeld docenten het morele recht moeten behouden om te mogen weigeren deel te nemen aan deze experimentele setting waarbij op basis van kansberekening vrijheden worden toegestaan. Ook dat is een vorm van pokeren met onduidelijke starthanden en een al helemaal onbekende flop. Ik vind op dit moment een van de weinige legitieme manieren om autoriteit ter discussie te stellen wijzen op de veel te zachte gronden die worden aangevoerd om scholen te openen.

De utopische gedachte dat er zoiets bestaat als een 1,5 m school is namelijk even lachwekkend als dat het klinkt. Ziek worden kinderen wellicht minder, maar aansteken doen ze volop. Wie overigens denkt dat dit morele recht eenvoudig is uit te oefenen, die miskent daarbij de druk van een organisatie, het idee van loyaliteit en de plichtsroep die stagiaires, beginnende docenten en tijdelijke contractanten ervaren. En dan nog moet je een sterke morele ruggengraat hebben om je onderwijswerk als niet fundamenteel en cruciaal te beschouwen.

Om deze fragmentarische overweging tot een einde te brengen, kan ik niet anders dan tenslotte (wederom) benadrukken hoezeer het van belang blijft om het gezonde verstand, het kritische denken en het zelfstandige afwegen te laten prevaleren.

We moeten daarbij als axioma aanvaarden dat we ons niet op de laatste pagina van 1984 bevinden. Maar wie niet het idee heeft dat een gemaakte afweging afkomstig is van zichzelf, heeft gewoon een fundamenteel probleem. Die ziet zich gesteld voor een hopeloze opgave waarin hij geheel overgeleverd is aan autoriteiten. Het zijn wellicht de tragische figuren die bleekmiddel drinken omdat een niet nader te noemen president dit min of meer opperde. Je kunt dan boos zijn op zo’n president die om welke redenen dan ook dergelijke onzin uitkraamt, maar je kunt ook het gezichtspunt verleggen naar het tragische volgzame individu. Een figuur die geen eigen afweging meer kan maken en gedwee maar volgt wat zijn autoriteit hem influistert en wijsmaakt. Is er een ondergrens? Ik denk het wel.

Wie immers met een basaal gezond verstand volgt zo’n advies op? De conclusie is dat een samenleving waarbij de overheid gehoorzaamheid afdwingt niet het probleem is, maar een samenleving waarbij het gezonde verstand gedoofd is en waar een kritiekloze aanvaarding plaatsvindt van alles wat die overheid (of de deskundige) doet en zegt.

Dat alle adviezen van deskundigen worden opgevolgd, is voor mij overwegend een teken van gezond verstand. Daarbinnen is er voldoende ruimte om kritisch te kijken naar de waarde van adviezen en voorstellen. En hoe vermakelijk ook, het is niet nodig om complotten te verzinnen of aan te hangen; de werkelijkheid is immers al complex genoeg om zonder die complotten het pokerspel op de juiste manier proberen te spelen.

Geef je over aan Omdenken en Omarm de Lucht en de Leegte ®

Al geruime tijd loop ik met het idee rond me eens polemisch te uiten over het Omdenken, in brede kring ook wel bekend onder het synoniem Uitmelken. De quasi-geestige flauwekul gevoed door jatwerk, goedkoop effectbejag, mislukte ironie en gauw geld, ergert me al jaren. En ergernis komt toch het best tot bedaren op papier.

Omdenken presenteert zich als de ‘filosofie’ die van een probleem een feit maakt en daarmee een nieuwe mogelijkheid creëert. ‘Omdenken gaat om wat er is, en niet om wat er zou moeten zijn.’ Lees die zin gerust nog maar een paar keer. Deze en een diarree aan nog veel meer oppervlakkige onzin kan vrijwel niemand zijn ontgaan afgelopen jaren. Op Facebook volgen bijna 500.000 mensen de Omdenken-pagina en inmiddels zijn er tientallen boekjes in omloop en nog veel meer troep die je niet onder je kerstboom hoopt aan te treffen, omdat de gever geen inspiratie had je iets van waarde cadeau te doen. Die one-trick pony boekjes lijken overigens niet alleen allemaal op elkaar, maar kunnen het beste gewoon illegaal worden gedownload. Bespaart een hoop centen. Of stuur me een mail, krijg je ze van mij. Omdenken doet daar niet moeilijk over, want ‘Dat kan immers, omdat het er is’.

De figuur achter de Omdenken-cultus is Berthold Gunster (natuurlijk niet zijn echte naam, die is Omgedacht). De man moet iedere avond van het lachen niet meer in slaap geraken hoe het toch mogelijk is geweest dat hij met een dergelijk gebrek aan originaliteit zo’n ongelofelijk groot publiek heeft weten te verleiden. Al is dat ook weer niet zo verwonderlijk als je bedenkt dat 2 miljoen mensen hun heil zoeken in een politiek programma van een A4’tje. Wat Loesje tot kunst verhief, transformeerde Berthold schaamteloos tot commercieel gedrocht.

Het is onmogelijk voor te stellen dat Berthold zelf gelooft in wat hij verkoopt. Als voormalig theaterregisseur acteert hij dan ook alles. Op de Omdenken-website acteert hij een orakel, visionair en groot denker. Berthold is het Antwoord en de Weg daar waar de kleinste beweging van zelfreflectie het laat afweten. Berthold geeft antwoord op het probleem van de vluchtelingen. Berthold geeft antwoord op het probleem van de echtscheiding. Een vrouw heeft moeite met haar lichaam, maar gelukkig biedt het Omdenken de verlichting: ‘Accepteer jezelf, wees blij met wie je bent. Ook oud worden hoort erbij en dat kan ook prachtig zijn. Amen!’ Probleem opgelost. Iedereen blij.

Je ziet op de filmpjes dat Berthold af en toe moeite heeft om niet in de lach te schieten. De gauwdief die samen met zijn marketingafdeling uitgekauwde psychologische wijsheden van de bevroren grond achter elkaar plakt overgoten met een populair wetenschappelijk en esoterisch-filosofisch sausje, heeft een onverwacht grote sinaasappel gevonden. En die zal en moet tot de laatste druppel worden uitgeknepen. En zolang er nog onzekere directeuren te vinden zijn, een management van een of andere bank met teveel geld in de scholingskast of een theater wat een gat in de programmering moet opvullen, verkoopt Berthold zijn shows voor grof geld. Kun je hem boeken dan? Ja maar natuurlijk kun je hem boeken!

Ik was ooit eens in de ongelukkige omstandigheid om Berthold in een ‘sessie’, een show, een healing of hoe je het noemen moet aan het werk te zien. Niet vrijwillig overigens, maar bij gelegenheid. Het was een van de meest naargeestige voorstellingen die ik ooit in mijn leven bijwoonde. Het woord naargeestig dekt eigenlijk de lading niet eens, als ik mijn uitvoerig gedocumenteerde herinneringen erop nasla.

Berthold had zich de rol aangemeten van Ecclesiastes. Op enig moment kwam hij met een opdracht voor het aanwezige publiek die inhield dat je geen ‘nee’ mocht zeggen. Een lieve man die zich had voorgesteld als Ruud, bleek niet in staat te zijn overal ‘ja’ op te zeggen. Toen hij achteloos na een publiekelijk standje van de Prediker toch weer ‘nee’ antwoordde op een vraag, werd hij overvallen door een afkeurend rumoer vanuit de zaal. ‘Was hij soms mentaal niet in orde’? De volgende persoon wist wat haar te doen stond. Een vrouw van in de 30 gaf zonder enige tegenzin antwoord op de meest absurde vragen. Of ze zichzelf gruwelijk lelijk vond? Ja, natuurlijk! Ze mocht immers geen nee zeggen van de Prediker…

Ik observeerde nog een aantal mensen die zonder schroom op alles ja bleven antwoorden en toen overviel me het besef dat ik getuige was van een griezelig staaltje volksmennerij waarvan de ernst nauwelijks onderschat kon worden. Het maakte me intens droevig. Tenslotte kwam de Prediker weer terug bij Ruud. Ruud mocht, of eigenlijk moest het nog een keer proberen. ‘Hij had toch immers gezien hoe het ook kon?’ En wederom had hij er moeite mee, verslikte zich, ontkende half en nam het geroezemoes voor lief… Het eindigde. Zonder moraal, zonder doel. En niemand mocht ‘ja-maar’ zeggen. Dat was de doodzonde. Dat werd de publieke vernedering.

Advertentie. Met mislukte ironie probeert Omdenken critici de wind uit de zeilen te nemen. Leuk ook dat dyslexie-grapje. Lachen.

Ruud is een held, Berthold is een sukkel. Ruud laat zien dat je nooit moet zwichten voor de groepsdruk, volksmennende clowntjes, goedkope oplossingen of onelinerhulp. De troost van conformisme is de meest valse troost. Ruud toont dat je nooit je eigenheid moet opgeven. Dat je zingeving oneindig beter kunt vinden door introspectie dan je hoop te vestigen op Omdenk-esoterie. Dat je oneliners beter kunt zoeken bij Greshoff of Pascal. Ruud verdedigde Kierkegaards Hiin Enkelte op unieke wijze. Kierkegaard die overigens nooit een cent verdiende aan zijn boeken, iets waar het Omdenken een voorbeeld aan heeft als het zichzelf werkelijk oprecht zou Omdenken.

Maar natuurlijk is er niets oprecht aan deze ‘filosofie’. Misschien ergert mij dat nog het meest. Zou er geen cent mee worden verdiend, dan was Berthold al lang en breed op zoek gegaan naar een ander kunstje vol bedwelmende lucht en leegte.

Dit alles heb ik uiteraard geschreven als zuivere reclame voor het Omdenken. Want Omdenken is bedrog,  een parasiterend gezwel dat bestaat bij de gratie van domheid, luiheid, en geestelijke armoede. Het is volksverlakkerij dat geniepig commercieel misbruik weet te maken met dank aan een individualistisch oppervlakkig ijdel tijdperk. Een tijd waar dagelijks vermaak tot God verheven is. Omdenken is zo’n God. Ik had het dan ook niet beter de hemel in kunnen prijzen dan met deze woorden. Ga heen en Omdenk jezelf. En leg al je problemen en zorgen in de handen van het grote Niets. Omdat je het verdient, net als Berthold.

Het recht om een morele afweging te mogen maken

In tijden van crisis komt het ook aan op zelfstandig afwegen

of: Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral?

De mogelijkheid tot zelfstandig nadenken is een van de grootste menselijke vermogens, en komt als eerste na geloven, hopen en liefhebben. Het is echter ook een van de meest kwetsbare vermogens welk constant onder druk staat van autoriteit, loyaliteit en algemene beginselen. Er is sinds Kierkegaard niets wat meer benadrukt is in de filosofie dan het bewustzijn van dit vermogen en hoezeer dat telkens weer op de proef gesteld wordt.

Ook nu weer in deze coronacrisis. Het opvolgen van richtlijnen van autoriteiten is op zichzelf geen probleem en in veel gevallen absoluut aanbevelenswaardig, maar we zijn op een punt aanbeland waar autoriteiten zelf in een experimentele fase zijn gekomen waarbij de beste richtlijn of het juiste antwoord niet meer te zeggen is.

Zo stelt de Italiaanse reanimatiearts dr. Ferdinando Lorini dat de enige juiste oplossing is dat iedereen binnen blijft en er geen enkel sociaal contact meer is. Aan de andere kant zien we minister Slob die vindt dat schoolexamens (!) voor eindexamenklassen doorgang kunnen hebben. Uiteraard gebaseerd op richtlijnen en voorschriften van deskundigen, waarvan iedere leek zou kunnen vermoeden dat deze nauwelijks handhaafbaar zijn.

Aan de ene kant zien we mensen vrolijk in het Vondelpark rennen, aan de andere kant zien we leger en politie mensen torenhoge boetes geven als ze zonder urgente reden zich op straat begeven (Spanje). Ik zou nog legio van dit soort tegenstrijdige bewegingen kunnen opsommen die leiden tot vertwijfeling, maar ik geloof dat de lezer zich inmiddels wel bewust is van het spanningsveld.

Het komt er dus wat mij betreft op aan om binnen de vrije ruimte die er nog is, een eigen afweging te mogen maken. Ik zeg te mogen maken, want binnen het morele spanningsveld spelen enorme krachten.

Laat ik allereerst het morele spanningsveld verduidelijken.

Er is ruimte gecreëerd (op 17 maart) om bijvoorbeeld examens te mogen afnemen. Examens kunnen alleen doorgang vinden als er surveillanten zijn. Moet een surveillant nu, ook al is hij niet ziek, geacht worden aanwezig te zijn?

Verzaakt hij een plicht indien hij niet komt? Mag van hem worden verlangd dat hij zich begeeft in een risicovolle omgeving, zonder dat het heel duidelijk is wat daarvan de urgente noodzaak is? Daarbij neem ik aan dat het afnemen van een schoolexamen geen urgente noodzaak is. Het spanningsveld is dan simpelweg het idee van loyaliteit en eventueel een zeker algemeen belang in relatie tot de afweging om onaanvaardbare gezondheidsrisico’s te lopen in een nauwelijks te controleren omgeving.

Het is niet moeilijk om meerdere voorbeelden te bedenken. Kun je van een kapper verlangen dat hij mensen knipt en scheert? Kun je van een tandarts verwachten dat hij routinecontroles blijft draaien? Kun je van klantmedewerkers in kledingzaken eisen dat ze blijven komen?

Mijn stelling is dat iemand hier het fundamentele recht heeft op een eigen morele afweging, ondanks de ruimte die er op basis van voorschriften en richtlijnen zou zijn. Dat recht is mijns inziens een volledig ondergesneeuwd en ondergeschoven uitgangspunt. Het lijkt erop dat waar die ruimte geschapen is (het is niet verboden om te scheren, om je kledingzaak open te houden, om examens af te nemen) geleund wordt op een vanzelfsprekendheid deze ruimte te benutten. De druk die op mensen komt te staan wanneer zij zich zouden verzetten tegen deze quasi-vanzelfsprekendheid komt juist voort uit het feit dat het fundamentele recht van de morele afweging niet voldoende wordt benadrukt.

Maar ik heb zojuist al aangegeven dat op dit moment deze ruimte gebaseerd is op experimentele vermoedens van antwoorden. Dat is nu precies de reden waarom hier het fundamentele recht op een eigen morele afweging moet worden gerespecteerd.

Ik begrijp wel dat er een paradoxaal karakter schuilt in de stelling. Immers als verschillende mensen de afweging maken dat ze bijvoorbeeld geen risico willen lopen op een besmetting om welke reden dan ook, kan dat betekenen dat er binnen de vrije ruimte scheve verhoudingen ontstaan. Op enig moment bijvoorbeeld kunnen schoolexamens geen doorgang meer vinden. Maar dat mag nooit verhinderen dat mensen het recht behouden op deze morele afweging onder deze omstandigheden; die druk mag geen rol spelen. Want anders dan de ezel van Buridan die sterft omdat hij zich exact te midden van twee hooibalen begeeft en niet kan kiezen welke hij eten moet, kan de mens wel een eigen afweging maken te midden van uitersten. Welke hij kiest, als er goed over is nagedacht en wellicht zelfs overlegd is met het hart, maakt dan uiteindelijk niet zoveel uit. Thuisblijven is evenzeer te rechtvaardigen dan gaan.

Ik heb hier de morele afweging genoemd binnen een context waarbij er geen wezenlijke voortgang wordt belemmerd of direct levensbedreigende consequenties vastzitten aan de morele afweging. Ik begrijp maar al te goed dat artsen en verpleegkundigen veel meer dan bijvoorbeeld onderwijzend personeel of kappers iedere dag het morele spanningsveld ervaren inclusief de druk van de loyaliteit en het daadwerkelijk algemene belang. Wordt van hen meer verlangt? Moeten zij meer risico’s aanvaarden dan gemiddeld? Is dat onderdeel van hun beroep, anders dan bij docenten en kledingmakers? Dat is een hele moeilijke kwestie. Ik denk het wel. Maar hebben zij dan minder het recht op deze morele afweging? Absoluut niet. Hun uitgangspositie maakt de afweging weliswaar nog moeilijker en de grenzen worden daarbij wellicht verder verschoven dan elders (omdat het midden troebeler is); ook daar komt uiteindelijk een punt dat binnen het zuivere geweten niet het onmogelijke of onredelijke kan worden verwacht. Het blijft vooral van belang dat we in deze situatie überhaupt begrijpen dat we de morele overweging altijd mogen maken en dat we ook het lef hebben dat te doen.

Carnaval naar de Filistijnen: ‘We noemen het Verkleedfeest!’

Carnavaleske toestanden op een basisschool:
Carnaval mag geen carnaval meer heten

Wie tegenwoordig vlot aandacht wil van veel mensen, kan zich bedienen van een relatief eenvoudig recept. Een bijzonder diep inzicht is niet nodig, speciale kwaliteiten worden absoluut niet verlangd; meestal werken die namelijk tegen de goedkope aandacht. Ik heb het niet over het interviewen van pedofielen of een vergelijking maken met nazi-Duitsland, nee, ik heb het over het zogenaamde ‘herwaarderen’ van diepgewortelde culturele aangelegenheden.

De laatste in een lange rij van dit soort oprispingen treffen we aan bij basisschool IKC Carrousel in Zevenaar. Deze basisschool viert namelijk geen carnaval meer. Het carnavalsfeest is immers een katholiek feest en de school heet openbaar te zijn. Daarom heet het vanaf nu Verkleedfeest. Je zou denken dat het uit de koker komt van een karikatuur als directeur Anton van de Luizenmoeder, maar dit idee is gedekt door een werkelijk bestaande karikatuur: directrice Petra van den Brink, geflankeerd door een aan totale zelfoverschatting lijdende ouderraad.

Ik stel me zo’n vergadering voor. Een verzameling van existentieel verveelde mensen komt bijeen op een regenachtige avond. Tot op de bodem van de betekenisloosheid gekomen, voelt iedereen zich ‘heel serieus’ genomen door de directrice. Mislukt voor de klas, dus managen geblazen! Een fatsoenlijke agenda is er eigenlijk niet, het is wat allemaal ter tafel komt en wat iedereen te binnen schiet. Op enig moment dat een stevige dame moorkoppen komt brengen, schrikt iemand wakker en kraait: ‘Dat vervloekte carnavalsfeest, dat is een katholiek feest, en dat past niet bij onze openbare school!’  En in plaats van dat de directrice zegt ‘neem nog een pilsje en hou verder je domme waffel dicht’, ziet zij hier een uitstekende kans om de publiciteit te halen met een prachtig progressief verhaal. Wat een voorbeeldfunctie zal zij wel niet vervullen, wat een pionier is haar school wel niet!

Door het dolle heen oppert iemand vervolgens om de Romeins-christelijke jaartelling niet meer te gebruiken en vanaf nu te rekenen met ‘Olliebollies’. Weer een ander roept met het kwijl in de mond om de zondag af te schaffen en daar gewoon een schooldag van te maken. En met het schuim op de mond schreeuwt iemand dat geen enkel kind met een Bijbelse naam nog welkom behoort te zijn op de openbare school! Het zou een achterhaalde valse indruk wekken, die christelijke Bijbelse namen! Weg met Esther, weg met Paulus en Jesse, Elisabeth, Joël en Matthias! Weg ermee!

De directrice glundert van plezier en zegt toe alle voorstellen in de eerstvolgende vergadering op de agenda te zetten.

Arme Petra (vrouwelijke naam ontleent aan Apostel Petrus). Arme muggenzifters (Mattheüs 24:23) die de haren te berge doen rijzen (Job 4:15.)! En zo kent de Nederlandse taal nog tienduizenden christelijke gezegden, uitdrukkingen en verwijzingen. Die schaffen we niet af omdat ze van christelijke oorsprong zijn, we gebruiken ze dankbaar omdat ze een rijkdom verschaffen aan de manier waarop we ons kunnen uitdrukken, zonder dat ze daarmee rechtstreeks iets christelijks in het taalspel betekenen. Dat is met carnaval niet anders. Carnaval is een begrip wat ongelofelijk rijk is aan historie, wat vele heidense en Romeinse invloeden kent, wereldwijd gevierd wordt en door UNESCO in verschillende gevallen geplaatst is op de Lijst van Meesterwerken van het Orale en Immateriële Erfgoed van de Mensheid.

Een openbare school zijn betekent hier kennelijk je buiten de redelijke orde plaatsen, de noodzaak van cultureel, historisch besef en werelderfgoed ontkennen, en bovenal niet begrijpen dat begrip en inhoud niet altijd met elkaar samenhangen.

Want het pleit op zich wel voor Petra dat zij nog bij zinnen is om überhaupt de relatie met de Katholieke kerk te leggen, maar het is een feit dat het carnaval vieren op heel veel manieren kan worden gevierd, zonder dat daarbij de relatie hoeft te worden gelegd met de kerk. Het mag, en ik zou het voor de algemene ontwikkeling van al die kinderen op de school daar van onschatbare waarde vinden, maar het is niet per se nodig.

Door die nadruk wel zo expliciet te maken wordt de tegenstelling tussen mensen alleen maar vergroot en creëer je enkel afstand tot de werkelijkheid en een eindeloos onbegrip, onbehagen en misnoegen. En ja, je krijg aandacht van mij, boze carnavalsverenigingen en opgefokte brievenschrijvers waar je je natuurlijk niets van moet aantrekken, want dat gaat ten koste van dat dappere ego. Alaaf! Alaaf, alaaf!

In alle ernst tenslotte stoort het me toch het meest dat volwassen mensen ook hier weer voor kinderen een invulling geven en het zo willen kleuren dat het feest zogenaamd neutraal is, terwijl dat helemaal niet kan. Overal ter wereld wordt verder gewoon carnaval gevierd, maar daar moeten deze kinderen kost wat kost van afgeschermd worden met het absurde ‘Verkleedfeest’, waarin men zich waarschijnlijk precies zo gedraagt als iedere carnavalsvierder van Eijsde tot de Mookerheij.

De clowneske, carnavaleske, karikaturale, dom eigenwijze en absurde stuiptrekkingen van deze school passen in dat ene opzicht dan toch wel weer goed bij carnaval. Een feest waarin je je even als een losgezongen idioot kunt gedragen. Dat gaat echter na drie dagen meestal weer over. Voor Petra van den Brink en consorten valt echter te vrezen dat ook na die drie dagen het heldere licht in de bovenkamer niet meer gaat branden. 

Een bezoek aan De Librije

Beschouwingen bij het beste restaurant van Nederland

Wat als het eten niet smaakt, heb ik dan altijd ongelijk?

Wie in de gelukkige omstandigheid verkeert De Librije te kunnen bezoeken in Zwolle, heeft ook de morele verplichting deze ervaring te delen met anderen. In deze uiteenzetting doe ik verslag van enkele indrukken en stemmingen van het bezoek aan dit gelauwerde en bewierookte restaurant.

***

Drie Michelinsterren in de culinaire wereld is de mythische barrière waar je je niet zomaar doorheen kookt. Inter Scaldes in Kruiningen, Restaurant De Leest in Vaassen (dat eind 2019 de deuren heeft gesloten) en De Librije in Zwolle zijn in Nederland de trotse bezitters van deze drie sterren. Al schijnt het ook wel eens als last te worden ervaren, de druk van de immer hoge verwachtingen. Hoe lang wil men dat volhouden?

De Librije behoort sinds juni 2019 in ieder geval weer bij de beste 50 restaurants ter wereld (#46), waar de andere twee restaurants niet in de top 100 voor komen. In dat opzicht is het dus het beste restaurant van Nederland; al is de subjectiviteit de waarheid.

Maar voordat ik kom bij de beleving in het restaurant, moet ik een aantal noodzakelijke opmerkingen maken vooraf die de kern vormen van wat komen gaat. Ik kan me voorstellen dat hetgeen ik hier kort uiteen zal zetten een grote mate van herkenning en instemming zal opleveren, omdat het zo’n heldere en welonderscheiden waarheid is. De eenvoud van het inzicht is echter zo van toepassing dat ik er hier niet omheen kan. Het gaat namelijk over wat ik zal noemen de vloek van het betere middensegment of de wet van de voorsprong van het betere midden. Voor een betere naam houd ik mij aanbevolen.

***

In het kort komt het hierop neer dat de afstand van het lage tot het betere midden een enorm kwaliteitsverschil betekent wat ook daadwerkelijk waarneembaar is, terwijl datzelfde kwaliteitsverschil ten opzichte van dat midden alleen met gigantische inspanningen is te bereiken en soms nauwelijks is op te merken. In een schema zou dit er zo uitzien:

Laat ik enkele voorbeelden geven. Neem een elektrische gitaar uit het betere middensegment. Dan betaal je ongeveer € 2000. Het kwaliteitsverschil met een gitaar van € 150 is gigantisch, maar het kwaliteitsverschil met een gitaar van € 4800 is door nagenoeg niemand op te merken. Mijn stelling is nu dat dit een algemene wet is.

Neem een goede fles wijn van € 50. Laat ik zeggen een R. López de Heredia Rioja Viña Tondonia Reserva uit 2005. Deze maakt in beleving een absurde sprong ten opzichte van een slobberwijntje van € 5 in de aanbieding bij de Aldi. Maar betaal het honderdvoudige voor een Domaine Leroy Richebourg Grand Cru en de beleving is lang niet zo overweldigend ten opzichte van die Rioja. Het is zelfs de vraag of je het verschil merkt. Of koop een full carbon racefiets in het betere middensegment van zegge € 3500 en je voelt je een koning ten opzichte van een racefiets van € 300. Maar geloof maar niet dat je veel verschil gaat merken wanneer je fiets € 13.000 kost. En bovendien kunnen we vaststellen dat de kwantitatieve waarde die we moeten toevoegen aan het betere midden op weg naar het hoogste vrijwel nooit de kwalitatieve verbetering rechtvaardigt. Wat blijft is dan gevoel.

Zo zou ik nog talloze voorbeelden kunnen geven, maar ik geloof dat het punt wat ik wil maken duidelijk is en men zelf met veel meer voorbeelden op de proppen kan komen.

Een belangrijke notie is dus dat het zou kunnen betekenen dat wanneer je het kwalitatieve verschil daadwerkelijk wil ervaren -laat staan onder woorden brengen- tussen het betere middensegment en de absolute top, er buitengewone inzichten, vaardigheden en krachten van je worden vereist. En dat zijn juist krachten die maar voor de enkeling is weggelegd. Jimmy Page, Tom Dumoulin en Robert Parker.

***

Terug naar De Librije.

Want het bovenstaande probleem steekt ook hier de kop op. Eten bij zowat het beste wat de wereld te bieden heeft, is dat die absurde sprong ten opzichte van het betere midden, of is dit verschil (voor ons) nauwelijks te herkennen? En hoe zou je er dan ooit overtuigd van kunnen raken? Wie zou je daartoe moeten overtuigen? Dat zijn gerechtvaardigde filosofische vragen waar antwoorden niet zomaar op gevonden worden. Ook in de onderstaande ervaringen barst feitelijk de taal.

***

Het voelt in ieder geval wat ongemakkelijk aan om het imposante gebouw wat De Librije is binnen te treden. Wetende dat hier lang geleden gevangenen water en brood kregen -o ironie-, zitten we straks te midden van deze monumentale voormalige gevangenis kaviaar uit ei te vissen.

Vragen vooraf zijn er legio: ben ik goed gekleed? Hoe ga ik mij gedragen? Welk gezelschap zouden we er aantreffen? Waarin onderscheidt zich de bediening? Wat als het eten niet smaakt, heb ik dan altijd ongelijk? Zal ik een vork op de grond laten vallen?

We werden vriendelijk opgevangen en mochten in een tussenruimte wachten. Enkele amuses en een bestelde cocktail zonder alcohol waren heel smakelijk. Met name de smaak van de cocktail, Virgin genaamd en gebaseerd op de Rieslingdruif, liet de gedachten afdwalen naar Zuid-Frankrijk. Een vlotte jonge dame serveerde en was ontspannen spontaan in haar doen en laten.

Dat is moeilijker te zeggen van Therese Boer die ons even later welkom heette. Een imposante vrouw die mij gevangen leek tussen haar bekendheid, de haar bekende clichématige hoge verwachtingen van de gast die er één keer in zijn leven komt eten, en haar taak zo goed mogelijk gewoon te doen. Dat is natuurlijk ook een heel complex spel, waarbij de spanning tussen haar en de gast onmiddellijk duidelijk wordt. Want bedenk maar eens hoe gasten zich tot haar moeten verhouden. De gasten, wij dus ook, die gespeeld normaal doen. Maar het hier zo normaal mogelijk doen, is niet heel erg normaal. Je eet immers niet iedere dag in de Librije en je wordt niet iedere dag bediend door Therese Boer.

Toch is dat een onvermijdelijk onderdeel van het toneelspel waaraan ik me moest overgeven. Ik die ‘Bocuse voor thuis’ en ‘Escoffier voor iedereen’ probeert te koken, ik de enkeling, de passant, de zoveelste, de voorbijganger; in het licht van mensen die het gemaakt hebben, burgers van de wereld die oneindig veel meer weten van goed eten en drinken, en mij desondanks moeten beschouwen als een serieuze gast.

Ik had onmiddellijk het gevoel dat dit spanningsveld me de hele avond parten zou spelen en ik nam mij voor om vooral te onderzoeken in hoeverre ik dit spanningsveld kon doorbreken. In de filosofie is daarbij een goed gehanteerd wapen de verhouding tot de verhouding opwerpen. Door middel van het stellen van reflexieve vragen en indirecte mededelingen proberen te doorgronden en iemand uit zijn rol te dwingen. Dat lukte heel aardig en op enig moment verscheen er zowaar een lach op het gezicht van Therese toen ik over Paul van Craenenbroeck begon en korte tijd later het ook zomaar over opvoeding ging. Laat ik niet verder in details treden hierover, maar het had iets broodnodig ontwapenends.

Jonnie Boer, de meester zelf waar je toch voor komt, had een keurig toneelstukje voorbereid, waarbij hij bij een van de eerste gerechten aan onze tafel kwam om iets te vertellen over zijn grootvader. Een zoetwatervisser in Giethoorn en het gerecht was daar op geïnspireerd met snoek, rivierkreeft, paling, zoetwater krab en snoekbaars. Aardig, en even later herhaalde Jonnie deze voorstelling bij onze buren aan tafel. Buren wisselend van een homostel waarvan er een halverwege de avond begon te huilen en een joviale zakenman met zijn geamuseerde vrouw tot aan een echtpaar wat enig leven in het huwelijk probeerde te blazen.

Nu wil het geval dat een vriend van mij die een jaar gespaard had om ook te gaan eten bij De Librije recent niet het genoegen heeft gehad Jonnie en Therese in levende lijven in het restaurant aan te treffen. In plaats daarvan kreeg hij een kaart met daarop ‘een kus van Therese’ en de verontschuldigingen dat ze ergens in het buitenland inspiratie aan het opdoen waren. Dat lijkt me toch een absolute teleurstelling: je komt voor de meesters en je krijgt onbekende plaatsvervangers. Je wil Max Verstappen zien en je krijgt een lookalike. Het zal geen Michelinavond geweest zijn, het schip zonder kapitein.

Het zegt natuurlijk ook alles over hoe zo’n restaurant werkt: Jonnie onderzoekt, bedenkt, creëert; een bataljon aan talentvolle medewerkers voert uit. Dat was ook wel even de indruk die we kregen bij het eveneens wat routinematige, maar niet minder leuke bezoekje aan de keuken. Halverwege de avond werden we uitgenodigd om even door het restaurant te lopen en de keuken te bezoeken. Geleid door dezelfde jongedame -en jong waren ze vrijwel allemaal, nagenoeg niemand tikt 35 jaar of ouder aan-, zagen we vooral hulpjes aan het werk in een drukke keuken. De meester was toen al uit beeld, vertrouwend op de lijnen die hij had uitgezet.

***

“Maar we willen meer horen over het eten! Niet over het feit dat ze met een blik en vegertje de kruimels van tafel vegen of dat er overal kunst hangt en het toilet ruikt naar dure vrouwen in schemerlicht. Het eten man, het eten!”

Nu ja, daar kom ik toch weer terug op de theorie van de vloek van het betere middensegment. We aten bij restaurants zonder ster, zoals Restaurant Frunk in Brunsum of Zala’s Restaurant in Utrecht, wat écht hoogstaande en bijzondere verrassende ervaringen waren.

Maar de echte verrassing bleef een beetje uit bij De Librije.

Wat ons in ieder geval opviel is dat van alle gerechten de combinatie met de wijn niet de sensatie gaf waar we op hadden gehoopt. Daar hadden we ons extra op gespitst, juist omdat we daar wel al vele ervaringen van hadden. Maar op één enkele combinatie na, waarin de wijn echt een diepere laag aan smaakbeleving met zich meebracht, -een wow- bleef dat bij de overige gerechten uit. En wellicht speelt hier de vloek van het imago mee, wat je vaak hoort: kun je nog wel de juiste verwachtingen hebben? Hoe onbevangen kun je nog genieten van wat je krijgt met het idee dat dit het beste van de wereld is en vrijwel iedereen niets dan lof heeft voor de combinaties? We aten boerderijeend uit Ermelo, hammetjes van Urk, bron forel uit Hattem, Noordzeekreeft en krabsalade en nog een heleboel meer. Ik kan er geen verstandige dingen over zeggen, hier barst gewoon zoals gezegd de taal. Het was in elk geval mooi opgemaakt, creatief, met bijzondere ingrediënten waarvan je niet zou weten waar je het vandaan zou moeten halen -van klaverzuring tot bittercress en Japanse Knotweed. Of dan toch uit Jonnies kruidentuintje.

Het wisselend bedienende personeel aan tafel -af en toe naar mijn mening al te vrijpostig-, zette naast enkele amuses voor 10 euro aan water voor, een doodzonde om daar over te klagen. En wat betreft het bijschenken van wijn: dat ging zonder aarzelen. Glas lees? Dan werd het onmiddellijk weer gevuld. Levensgevaarlijk als je besloten hebt het er van te nemen, want voor je het weet ben je dik twee flessen verder. En zo geschiedde…

Maar in benevelde toestand tenslotte verkeren is eigenlijk helemaal niet zo’n ramp, want de rekening moet natuurlijk nog komen.

Voorbereid op het ergste is de kleine € 800 voor twee personen, waarmee 10 gangen zijn geproefd, samen met een koffieservies, drie non alcoholische cocktails en een dubbel wijnarrangement, toch even slikken. En we gaven ook maar een fooi van een paar tientjes, waarvan het de vraag is hoe gebruikelijk zoiets is. Maar ach, als het decadente decadent is, dan moet het ook echt decadent zijn!

Aldus is er maar één conclusie mogelijk. We hebben hier een ongelooflijk dure anekdote gekocht. En dat is de uiteindelijke kracht van dit restaurant: je gaat hier niet alleen voor het eten, je gaat ook voor het verhaal.

En dit alles zal nog lang verteld worden. Wij aten in de Librije.

Het technologische gif, het einde van het lezen

Onderzoek heeft aan het licht gebracht dat de leesvaardigheid en het leesplezier van Nederlandse scholieren is afgenomen. Bijna een kwart van de tieners leest niet goed genoeg om teksten écht te begrijpen. De leesprestaties dalen ook nog eens een stuk harder dan van jongeren in andere landen. ‘Ze vinden er bovendien geen bal aan om te lezen.’

De onderzoekers hebben niet geanalyseerd waardoor het lezen zo achteruit is gegaan. ‘Verklaringen zijn nu echt gissen’, klinkt het stomverbaasd.

Laat ik dan maar een voorschot nemen op alle dure onderzoeken die hieruit nog mogen volgen.

Wie zich zoals ik in een dagelijkse en langdurige positie bevindt van observatie en daarbij een analyse maakt van het gebruik van de openbare ruimten, ontkomt er niet aan om de volgende conclusies te maken inclusief de daaruit voortvloeiende gevolgtrekkingen.

Neem bijvoorbeeld de trein. Wie enkele weken de moeite neemt om daar de heterogene samengebalde menigte te observeren, ziet voornamelijk licht voorover gebogen mensen turen naar een mobiel schermpje. Opvallend vaak merk ik een lelijk fronsje op, alsof er nog sprake zou zijn van enige ernst! Dat mobiele apparaat van deze mensen komt mij voor als hun meest kostbare bezit, aangezien het ook wanneer het verder geen enkele functie lijkt te hebben stevig wordt vastgehouden. Ja vastgeklemd is het in de handjes. Alsof het ieder moment verloren zou kunnen gaan en men dan zelf verloren is.

Het is mij opgevallen dat ik kwartieren lang kan staren naar het gezicht van de ander, zonder dat mijn oogcontact ook maar wordt opgemerkt. In deze openbare ruimte is er sprake van nagenoeg totale afzondering, waarbij de aandacht volledig is gericht op hetgeen zich afspeelt tussen lucht en leegte. Oren dicht en ogen strak vooruit.

Want de kennelijke aantrekkelijkheid van het apparaat moet schuilen in vele zaken, maar van die vele zaken is het in ieder geval nooit de rust of de diepte. Nee, het is juist het tegenovergestelde: directe bevrediging, direct vermaak, directe afzondering. En daar zit precies de hele crux van de achteruitgang van de leesvaardigheid en het plezier van het lezen van een boek. Wie een boek ter hand neemt, beloont zichzelf pas na vele pagina’s, na vele hoofdstukken. Dan is er de blijdschap, krijgt de verwondering echte kans, ziet men de samenhang en kan men over zichzelf nadenken. Pas na vele boeken kan men werkelijk stilstaan, vergelijken, nadrukkelijk overwegen.

Maar we zijn aanbeland in een individualistische postmoderne beeldcultuur die stoelt op klassieke conditionering en instant bevrediging, waarbij het langere complexere verhaal of gedicht, waarvoor rust en geduld nodig is, ten grave is gedragen. Het directe bevredigende platte vermaak is in vele gevallen de enige en rechtstreekse oorzaak van de permanente onrust die ontstaat wanneer dit vermaak moet worden opgeschort voor het behoedzame en het bedachtzame. Het zijn de afkickverschijnselen van een junk die we zien, wanneer iemand een boek ter hand moet nemen.

En dit begint al in de jongste jaren, waarbij de verslaafde ouders zonder direct zichtbare grote gevolgen –dat is het venijnige- het kind rustig houden met beeld, beeld en nog meer beeld. En niet veel later wordt dat beeld ‘interactief’ (het meest passieve actieve wat er maar is) en leert een kind zich te haasten, want het ‘interactieve’ gaat nooit snel genoeg en het kan altijd sneller. Het moet sneller, het moet vlotter. Zoals een verwend kind het ene cadeau nog niet heeft uitgepakt of al begint te scheuren aan het andere zonder zich te bekommeren om de inhoud of stil te staan bij dat wat er is, en wat het betekent dat het er is.

‘Hoe vele mensen leven voort in jagende activiteit en kunnen niet, zonder in verveling te vervallen, één uur met zichzelf alleen zijn! Verveling zou niet bestaan, als de gedachten van de mens niet van nature droefgeestig waren’, zegt Pascal. En daarin heeft hij gelijk. De rust is zo onverdraaglijk geworden en het antwoord daarop ligt iedere dag weer in de hand. Vis animai/ Conturbatur, … et divisa seorsum/ Disjectatur, eodem illo distracta veneno! Mensen moeten leren zich te vervelen. Mensen moeten leren alleen te kunnen zijn en tot ontdekking komen dat ze aan zichzelf genoeg kunnen hebben met een rijk geestesleven. Ach, lees Viktor Frankl! Lees!

Oplossing? Alleen als de hele individualistische beeldcultuur van de directe bevrediging bezwijkt onder haar eigen dolle oppervlakkigheid, pas dan kan er op die puinhopen weer worden gebouwd. Maar ik geloof niet dat in mijn generatie deze cultuur bezwijkt. Het technologische gif waaraan zovelen zich hebben overgegeven is nog te krachtig in zijn aantrekkelijkheid om de paradox te slechten: het gif wordt enkel doorgegeven. Ach onderzoeker, onderzoek het maar, wat denk je toch te vinden?

Natuurlijk zien we al jaren tandeloze doktoren krachteloze medicijnen voorschrijven. Het mag niet in de auto, je mag het niet meer op de fiets. In het restaurant willen we het niet meer of pas op tijdens een concert of voorstelling! De Fransen hebben zelfs symbolisch geprobeerd om het uit de schoollokalen te weren, maar daar lacht de docent om die zelf niet meer zonder zijn schermpje kan om dan halverwege zijn les plotseling iets ‘interactiefs’ te doen. Maak het maar op jullie telefoon! Zoek het daar maar op! En het lokaal wordt verlicht en de geest wordt donker; van de 30 mensen zoekt er één daadwerkelijk iets op, de rest doolt richting het vermaak en de zoektocht naar bevestiging.

Dit alles wordt door zo weinigen zo gezien, omdat simpelweg het merendeel precies deze door mij waargenomen symptomen vertoont. Ik zag het 15 jaar geleden en ik zie het nu 15 jaar erger. De dystopische en fatalistische toon van dit stuk heb ik nergens zwaarder aangezet dan nodig. Want wie nog zonder kan, kan zich niet anders dan getergd verschrikt en geërgerd verbazen, over hoe we hele generaties zover hebben gekregen dat ze volledig afhankelijk zijn geworden van één zielloos apparaat en diens permanente mogelijkheid om het denken te vertragen en tot stilstand te brengen, met als gevolg een afkeer van alles wat het weer in beweging probeert te krijgen. Zoals het lezen.

Maar genoeg! genoeg! Ik houd het niet meer uit. Slechte lucht! Slechte lucht! Deze technologische werkplaats waarin men dode idealen fabriceert – ik vind het er stinken van de leegte! Wie opent toch het raam!

________

Lees ook als je het niet te lang is:
https://www.stephanwetzels.nl/de-stuitende-hypocrysie-van-mobielloze-zondag/

Lees ook een richtinggevende oplossing:
https://www.linkedin.com/pulse/er-geen-makkelijk-antwoord-op-de-teleurstellende-mbt-lezen-luc-koning/

De betekenis van een Nederlands record: een open dialoog over vorm en gevoel bij nationale topprestaties door voormalige Afrikaanse atleten

Tijdens een wandeling in de avondschemer raken twee mannen in gesprek over een ongemakkelijk onderwerp. Wie het zijn weten we niet. We geven ze een naam, volgen ze op de voet en vormen onze eigen gedachten erbij…

Pheidippides: (…) Het lijkt me dat je jezelf in een grijs gebied begeeft, om niet te zeggen op glad ijs.

Achilles: dat voorvoel ik ook, maar het is wel een kwestie die me niet alleen bezighoudt, maar ook intrigeert.

Pheidippides: probeer die kwestie dan toch eens zo goed mogelijk uiteen te zetten.

Achilles: wat ik met je zou willen bespreken is de vraag wat een ‘Nederlands record’ betekent en hoe wij ons daartoe verhouden, waarbij ik me in eerste instantie op de atletiek zal richten. Afgelopen maanden zijn er verschillende toernooien geweest waar niet alleen Dafne Schippers buitengewone prestaties liet zien, maar ook Sifan Hassan en Ingnisious Gaisah. Alle drie Nederlanders, die alle drie indrukwekkende Nederlandse records hebben neergezet. Toen ik echter las dat Sifan Hassan die geweldige en stokoude records van Elly van Hulst uit de boeken begon te rennen, bekroop me een merkwaardig gevoel dat ik al eerder ervoer toen Lornah Kiplagat de Nederlandse records op de 5 en 10 kilometer aanscherpte. Wat bekroop me hier dan precies?Nederlandse atletiek records vrouwen?

Pheidippides: ik zag Van Hulst nog lopen als kleine jongen en het was juist zo knap herinner ik mij dat Van Hulst als een van de weinigen de strijd aankon met de sterke Afrikanen. Dat haar records (1500 meter, 4.03,63 uit 1987 en 3000 meter, 8.33,97 uit 1988) na zo’n lange tijd te hebben standgehouden juist uit de boeken wordt gerend door iemand met een Ethiopische achtergrond, heeft wellicht iets vreemds. Misschien is het dat?

Achilles: je zegt terecht: Ethiopische achtergrond. Maar het gaat hier om een Nederlandse vrouw, die geheel legitiem een Nederlands record rent. Wat is dan precies het vreemde hieraan?

Pheidippides: ik denk dat er in je hoofd twee zaken een rol spelen. Enerzijds de formele kant van de zaak. In artikel 2 van de grondwet staat te lezen dat De wet regelt wie Nederlander is. Daar is geen misverstand over: krijg je een Nederlands paspoort, dan heb je volgens de wet voldaan aan de eisen die gesteld worden aan het Nederlanderschap. Ik neem aan dat je daarmee instemt.

Achilles: geen twijfel over.

Pheidippides: anderzijds denk ik dat er een gevoel meespeelt in je hoofd. Iets formeel erkennen, betekent nog niet gevoelsmatig instemmen.

Achilles: juist. En dat gevoel zo onder woorden te brengen dat er geen misverstanden ontstaan, dat is een hele opgave!

Pheidippides: waarvoor ben je bevreesd?

Achilles: nou, je sprak al van glad ijs. Kijk, mensen hebben nogal de neiging om snel te vervallen in emoties als het gaat om onderscheid maken tussen groepen mensen. Ik wil echter geen oneigenlijk onderscheid maken, maar wil wel kanttekeningen plaatsen bij de waarde van een atletiekrecord.

Pheidippides: verklaar je nader.

Achilles: stel, een in Amerika geboren man werkt zich via het Amerikaanse onderwijssysteem op tot doctor in de fysica. 20 jaar lang heeft hij tijdens zijn werkzaamheden aan de Universiteit van Harvard voorbereidingen getroffen voor een grootse publicatie. Op enig moment echter emigreert hij om welke redenen dan ook naar Nederland, voldoet aan plichtmatigheden en verkrijgt het Nederlanderschap. Hij aanvaardt een positie aan de universiteit van Nijmegen en publiceert aldaar een baanbrekend wetenschappelijk artikel gebouwd op die 20 jaren voorbereiding. Het levert hem de Spinoza-prijs op. Zeggen we dan dat het een Nederlandse prestatie is? Een Nederlandse prestatie waarmee we ons kunnen identificeren?

Pheidippides: tja, hooguit formeel. Het zou me echter vreemd lijken als we er trots op zouden zijn en bijvoorbeeld de Universiteit Nijmegen zich op de borst zou kloppen: ‘kijk eens wat wij presteren!’ Aan de andere kant, de moeilijkheid die je met je wat gekke voorbeeld weergeeft heeft alles weg van de Sorites-paradox: feitelijk heb je geen idee waar je de grens moet leggen. Of wil je beweren dat je een genetische grens zou willen instellen? Of zou je een onderscheid willen maken tussen mensen die hier geboren zijn en mensen die op ‘latere’ leeftijd naar Nederland komen? Ik moet je eerlijk bekennen dat zelfs bij het louter stellen van deze vragen het me niet alleen duizelt, maar het me ook wat buikpijn oplevert!

Achilles: jaja, ik snap het. Maar toch, je hoeft niet gestudeerd te hebben om te kunnen zien dat het fysieke gestel van Afrikaanse lopers beduidend verschilt Nk tafeltennis Li Jie en Li Jiaovan dat van Europeanen. Maar goed, het woord ‘genetisch’ kan een beladen woord zijn. Laten we dat niet verder benoemen omdat we allang goed aanvoelen waar wij het over hebben. Want als ik naar het tafeltennis kijk bijvoorbeeld, dan stond in de finale van het Nederlands kampioenschap dit jaar Li Jiao tegenover Li Jie. Dat is dan toch op zijn m(….)

Pheidippides: akkoord, akkoord – ik voel wederom wat je probeert te zeggen. Ik herinner je aan het feit dat Kenia bijvoorbeeld met lede ogen aanziet dat zijn topatleten voor veel geld verkassen naar landen als Bahrein of Qatar.

Achilles: ‘Maar het is uiteindelijk een vrije wereld’ klinkt er dan. We hebben ook nog wel eens wat gekke schaatsers gehad die van nationaliteit wilden wisselen omdat ze zo wel naar een WK mochten. Een hoog Kafkaësk gehalte. Overigens kan ik dat niemand kwalijk nemen en verder geloof ik niet dat er ook maar één iemand in Nederland dat als hoofdmotief heeft gehad toen men hierheen kwam. Ik geloof 100% procent in de integriteit van deze atleten. Dat ze begenadigd zijn, een geweldige mentaliteit hebben en daarbij het nodige voordeel van hun geboorteland meenemen – of dat nu nature of nurture of beide is- dat kan niemand ze voor de voeten werpen. Misschien zelfs wel niet als ze in een ander land er meer uit kunnen halen…..hoewel…tja…dat is dan toch….

Pheidippides: je maakt het jezelf niet gemakkelijk, beste! Wat ik me overigens wel afvraag, is hoe Ethiopiërs bijvoorbeeld kijken naar de prestaties van die rappe Sifan Hassan. Ik kan me eerlijk gezegd evenmin voorstellen dat zij dat als Nederlandse prestatie zien. Ik gun die mensen hun rolmodellen bovendien ten zeerste, dus ik moet er niet aan denken als er voor Haile Gebrselassie op een kampioenschap ooit een ander volkslied had geklonken dan het volkslied van Ethiopië.

Achilles: inderdaad! Hoe trots de Ethiopiërs waren als hij de strijd aanging met de Kenianen! En bewandel eens met de gedachte de zijweg dat Dafne Schippers voor Ethiopië zou uitkomen en alle nationale helden daar uit de boeken rent. Helden waar generaties tegenop hebben gekeken. Zien wij dat dan als een Ethiopische prestatie en zien de Ethiopiërs het als een Ethiopische prestatie?

Pheidippides: ik kan me daar niets bij bedenken. Maar opmerkelijker nog: ik kan er niets bij voelen.

Achilles: maar het leven loopt ook niet altijd zo dat je kunt blijven in een land. Trouwens, Ignisious Gaisah kwam maar liefst tot zijn 30e voor Ghana uit en vanaf 2013 pas voor Nederland op vrijwillige basis. Zou hij niet in zijn hart het zwaar hebben als hij bij wijze van spreken op een wereldkampioenschap op de 2e plek naast een Ghanees zou staan die het volkslied uit volle borst meezingt? Of zelfs nog omgekeerd: dat hij op de eerste plaats staat en het Nederlandse volkslied moet zingen, terwijl zijn oud landgenoot naast hem staat op de tweede plek? Dat lijkt mij een hele absurde situatie.

Pheidippides: het is absurd omdat ik me goed kan voorstellen dat iemand formeel dan wel het Nederlandse volkslied meezingt, maar diep in zijn hart ook nog intens is verbonden met zijn vaderland, althans het land waar hij is geboren en getogen. Het typeert feitelijk onze discussie die ook laveert tussen formaliteit, emotie en de betekenis van verbondenheid. Vraag zelfs eens de gemiddelde hier geboren Turkse, Armeense of Marokkaanse dame welk volkslied zij het hardst meezingt wanneer bijvoorbeeld Nederland tegen Marokko, Turkije of Armenië speelt, en ik daag je uit dit niet als een retorische vraag te beschouwen… Maar ik neem aan dat je Ignisious Gaisah niet zonder reden te berde brengt.

Achilles: tja, op het moment dat hij in 2013 voor Nederland uit mocht komen verdween terstond het record van Emiel Mellaard uit de boeken dat sinds 1986 in zijn handen was. Emiel Mellaard was trouwens de eerste Nederlander die in 1987 pas met een sprong van 8,02 de acht meter barrière wist te doorbreken. Dat deed de geweldige Jesse Owens –over gevoeligheden gesproken- al in 1935! Wij zijn niet zo’n springers denk ik.

Pheidippides: zo’n man zou dan toch niet uit de boeken mogen, maar hoe is dat te regelen?

Achilles: ik heb wel een idee, maar ik durf het niet zo goed te zeggen.

Pheidippides: kom kom, voor de dag ermee. We zijn tenslotte vrije denkers!

Achilles: nou. Ik zit te denken aan een dubbele lijst. Weet je, bij het werelduurrecord op de fiets hebben ze een onderscheid gemaakt tussen records die zijn verreden op een fiets die later vanwege buitengewone voordelen werd verboden, en records die op een toegestane racefiets zijn verreden. En weet je nog dat bij de wereldkampioenschappen lange-baan-zwemmen tijdens Rome 2009 maar liefst 43 wereldrecords werden gezwommen? Lag aan het zwempak. De records worden wel nog erkend, maar men maakt er wel een kanttekening bij: kijk dat was met een polyurethaan-pak.

Pheidippides: okay, maar ik neem niet aan dat je brave hardlopers als Lornah Kiplagat wil benaderen vanuit het oogpunt van oneigenlijk voordeel. Toch?

Achilles: nee, nee. Dan kunnen we de sport wel opheffen. Bovendien moeten we ook niet onze Antilliaanse geweldenaren vergeten…

Pheidippides: bewaar me, je hebt ons al genoeg moeilijkheden in het overwegen bezorgd!

Achilles : ja, dat laat ik dan even rusten. Maar ik zou wel bijvoorbeeld de prestatie van een geïmmigreerde atleet en een in Nederland geboren atleet die tegen elkaar uitkomen op bijvoorbeeld een Nederlands kampioenschap, al kunnen ze niet beide winnen, toch allebei willen aanmerken als een eerste plaats. Ongeacht dus wie voor wie eindigt.

Pheidippides: dat laat denken aan een open Nederlands kampioenschap, behalve dan dat het niet open is.

Achilles: ja, min of meer. Maar ze krijgen dus allebei wel de juiste en dezelfde erkenning, zonder dat daarbij iemand naar de achtergrond wordt gedrukt of vergeten raakt.

Pheidippides: ik vrees dat je idee hoewel sympathiek bedoeld zo ongelukkig is, dat niemand eraan wil of überhaupt zoiets in de openbaarheid bespreekbaar zou willen maken. En misschien moet je begrijpen dat in onze open en vrije samenleving de waarde van iets ‘nationaals’ gewoon betrekkelijk is. Net als dat bijeen gewaaide hoopje los zand uit alle windstreken dat ‘$toevallig$’ voetbalt voor Real Madrid. Een club die voorts wel Spaans kampioen wordt. En waar wel ontzettend veel mensen nog best blij en opgewonden van worden. Mag ik je bovendien nog herinneren aan de wijze woorden die onze huidige koningin Maxima in 2007 sprak: ‘de Nederlander bestaat niet’. Ze wilde daarmee zoveel aangeven als geen idee te hebben wat een ‘Nederlander’ nu precies is. Een sterk staaltje te prijzen anti-essentialisme!

Achilles: eens. Maar mag ik jou dan herinneren aan de commotie die dat opleverde? ‘Hoe durfde ze dat te zeggen!’ Overigens had inderdaad iedereen er wat op aan te merken, maar bovenal ook geen idee.

Pheidippides: het leek erop dat ze zowel gelijk had als ongelijk. En misschien is dat precies de rode draad van onze discussie hier.

Achilles: ik denk dat dat een mooie conclusie is. We zijn er nog lang niet over uitgedacht of uitgesproken, maar ik geloof dat ik nog even een rondje rennen wil. Even het ‘koppie leegmaken’.

Pheidippides: gelukkig hoef jij je geen zorgen te maken dat je ooit een belangrijke prijs wint, laat staan dat je ook maar iets zou presteren wat enige discussie zou opleveren.

Achilles: in dat geval daag ik je uit mij bij te houden!

Pheidippides: 3…2…..1…

_____________________________________________

Geschreven in 2014. Actueler dan ooit nu de prestaties van Sifan Hassan op het WK in Quatar nauwelijks sentiment oproepen. Hoe komt dat? Lees ook het artikel van Pim Bijl bij deze vraag in het AD van 5 oktober 2019.

Vragend schrijven bij de moord op Derk Wiersum

Een filosoof kan slechts vragend schrijven. Te midden van het ongrijpbare, het onbegrijpelijke, zoekt hij een uitweg naar een nieuwe vraag die voldoende rust geeft. Maar dat is nog niet zo gemakkelijk in de onrust die is opgeworpen door een moord. Een moord op een man die naar zijn werk ging. Vlak voor zijn huis doodgeschoten. Geen man tegen man, geen argumenten, geen genade, geen zin.

De vragen die me lastigvallen zijn er velen. De belangrijkste is geloof ik, hoe ik me iemand moet voorstellen die hiertoe in staat is gebleken. Ik wil niet langs de weg van het louter krankzinnige, geesteszieke, nihilistische, manipuleerbare, redeloze domme dier wandelen. Die is te bevredigend in eenvoud. Ik stel me iemand voor die weet wat hij gedaan heeft, het zelf heeft gewild en er achter kan staan. Maar hoe is het dan om wakker te worden en het idee te bezitten dat je iets gedaan hebt wat onomkeerbaar is? En niet zomaar onomkeerbaar, maar walgelijk onomkeerbaar, in strijd met de beschaving, de redelijkheid en alles wat van waarde is.

Want het is toch van waarde dat iemand verdedigd kan worden tegen de Staat? Het is toch van waarde dat een mens altijd elementaire rechten heeft die moeten worden gewaarborgd? Dat is toch niet enkel een kwestie van het toevallige westers perspectief? Is het verdriet en de woede van miljoenen mensen een rechtmatig bewijs van onrecht? En dan wordt het de bitterste ironie dat wanneer mocht deze man ooit gepakt worden -als hij niet eerder wordt omgelegd- hij een advocaat zal krijgen die opkomt voor zijn rechten, omdat hij verdedigt behoord te worden tegen de Staat.

Wanneer ik verder nadenk over de voorstelling, hoe iemand letterlijk het onschuldige kan vernietigen, is er iets wat ik met zekerheid kan denken? Ja, dat is er wel. Wat zich namelijk opdringt is het idee dat zo iemand niet kan geloven in een God en zijn ziel heeft overgeleverd aan het toeval. De hoop op het toeval. Althans in de zin van het bestaan van een rechtvaardig oordeel. Dood is dood en alleen het leven telt. En in dat leven is weinig van waarde, behalve het eigen leven zolang het duurt.

En het leven staat enkel in het teken van alles wat tijdelijk is, leeg, hol en niets nalatend. Geld? Bloedgeld. Roem? Kwetsbaar. Aanzien? IJdel. Geen verhaal aan je kinderen: ‘Ik schoot iemand dood die naar zijn werk ging voor een paar stuivers’. Geen trotse ouders: ‘Mama ik ben iemand die op een ongewapende man afloopt en hem zomaar doodschiet’. Niets is er waarmee je de schoonheid eert of de waarheid helpt. Alles staat in de schaduw van die ene daad voor altijd.

Hoe zal iemand zich zijn leven lang verhouden tot de moord op het onschuldige, zonder ooit te bezwijken aan de ondraaglijke lichtheid van de laffe moord, opgedragen door anderen, in ruil voor het bedenkelijke en tijdelijke? Dat is een moeilijke vraag. Na lang overwegen, bleek het antwoord kort en stopt voor heel even het vragende schrijven.

Je moet je bovenal beschermen tegen liefde. Want als je liefde kent of ook maar een beetje toelaat, dan weet je wat je vernietigd hebt en dat doet pijn. De liefde van een vader voor zijn kinderen, voor de rechtvaardigheid, voor zijn voor vrouw en familie. Dat is vernietigd.

De pijn die je voelt als je liefde toelaat, is een teken van geweten. Liefde toelaten is je een verhouding kunnen voorstellen die buiten jezelf om gaat. En het menselijke geweten is in zijn oorsprong zo sterk, zeg ik met John Henry Newman, dat ernaar luisteren altijd leidt tot spijt en verdriet als het je zegt dat je de liefde hebt opgeheven. De verhouding herkennen die buiten jezelf ligt, de Ander toelaten, is begrijpen dat je iets gedaan hebt wat in strijd is met de liefde. Je hebt een verhouding opgeheven en daarmee eigenlijk jezelf vernietigd. Dat inzicht, daar moet iemand zich zijn leven lang tegen verzetten. Anders is het leven onmogelijk. De motor van dat verzet is vervreemding en herhaling. Alleen zo kan ik mij iemand voorstellen die niet tot inkeer komt.

Voor Derk Wiersum is het leven voorbij. Hij heeft gekregen wat hem niet toe-kwam. Maar hij zal heel lang in heel veel liefde worden herinnerd. Daar ben ik ook zeker van. 

Over pure moordlust

Over pure moordlust

‘Zoo diep kan een mensch zinken, dat het hem een wellust is, menschen van het leven te berooven.’
Ferdinand Herbst (1846). Christelijke leer in voorbeelden. Tweede deel. p. 238. Arnhem: G.J. Meijer.

Naar aanleiding van twee absurde voorvallen in Duitsland, waarbij mensen voor de trein werden geduwd en respectievelijk een vrouw en een achtjarig jongetje werden gedood, trokken de woorden ‘pure moordlust’ in de berichtgeving mijn aandacht. ‘De 28-jarige man die in het westen van Duitsland een 34-jarige vrouw voor een trein duwde waarna zij overleed, zou gehandeld hebben uit pure moordlust.’ (AD 21/7).
In deze overweging laat ik mijn gedachten gaan over deze woorden om te proberen door middel van verschillende denkbewegingen het absurde te vangen.

Het woord lust kan eigenlijk overal achter worden geplaatst. Goklust, kooplust, reislust, schrijflust. Enzovoorts. Het is de combinatie met het woord moord waardoor het intrigerend, verontrustend en aanmatigend wordt wanneer we er verder over doordenken.

Oud woord
Moordlust blijkt een oud Nederlands woord en komt al letterlijk voor in geschriften van Vondel in de zeventiende eeuw. Het blijkt ook een eeuwenoud onderwerp van (medische) discussie te zijn zoals we lezen in Het werktuig der moordlust In: Voorleezingen, gehouden te Berlijn, over de werksaamheden der hersenen van F.J. Gall uit 1805 of in het Tijdschrift der Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst uit 1852 waar enkele zaken worden aangehaald van door moordlust overvallen ‘ongelukkige wezens’ die worden vrijgesproken omdat er niets aan ten grondslag zou liggen wat toerekenbaarheid zou rechtvaardigen.

Hoe komt men tot de lust tot moorden? De lust tot gokken, kopen, reizen en schrijven kan ik begrijpen, maar de aandrang tot moorden? De sterke opwelling om iemand te willen vermoorden?

Misschien is deze opwelling aanvankelijk niet zo heel moeilijk te begrijpen en laat deze zich vooral oppervlakkig verstaan als een emotie die wij onmiddellijk onder controle krijgen met ons verstand, waardoor het vooral een uitdrukking blijft. Zoals bijvoorbeeld de uitdrukking: ‘Ik zou hem wel kunnen vermoorden!’ Of ‘Ik zou hem wel wat aan kunnen doen!’

Deze emoties kunnen we ons goed voorstellen en dan vooral in relatie tot personen die bijvoorbeeld ons leven zuur maken. Maar in vrijwel alle gevallen is dit toch ‘een bij wijze van spreken’. Net zoals wanneer iemand iets ontzettend graag wil hebben zegt: ‘O, ik zou er een moord voor doen!’ De moord staat symbool voor een bereidheid of een wens waarin men ver wil gaan, maar nooit voor de moord zelf. Dat is bij moordlust wel het geval. Daar staat het moorden zelf centraal en is het geen symbool of een bij wijze van spreken.

Gehoor geven aan lust
Hoe dan ook scheren we met deze uitdrukkingen langs een lugubere rand. Want de opwelling is nog tot daar aan toe, maar er gehoor aan te geven zodat de lust wordt bevredigd, dat is iets wat zich daadwerkelijk nauwelijks laat denken. Tussen de opwelling, de aandrang, de zin om iets te doen of bij wijze van uitdrukking de mogelijkheid overdenken en afdoen als waanzin enerzijds en de daadwerkelijke uitvoering en het concretiseren van het verlangen anderzijds, daartussen bevindt zich een wereld van onmetelijk verschil.

Maar er is nog iets anders, wat meer verborgen ligt. In het bovenstaande heeft in iedere uitdrukking de moord een objectivering, een beginsel van grond om het zo te zeggen. Maar in de moordlust is er niets te objectiveren, behalve het bevredigen van de lust op zichzelf. Laat ik wat ik bedoel uitleggen met het volgende.

Tijdens dit schrijven valt een vlieg me al een poos lastig en verhindert het denken. Ik krijg de aandrang hem te roosteren op de vliegenmepper. Hij stoort me, is vies, hoort niet in mijn huis en wil maar niet naar buiten vliegen. De aandrang is gegrond in de redenen. Of dit goede redenen zijn laat ik in het midden, maar er zijn tenminste redenen waarmee ik mijn aandrang kan verklaren. Ik heb een grond. Het is niet dat ik zomaar naar buiten ren om vliegen te roosteren. Maar in de pure vorm van de moordlust, dat is waar het woord puur kennelijk naar verwijst, ontbreekt deze grond. Mijn eerder gestelde vraag ‘Hoe komt men tot de lust tot moorden?’ kan dus ook niet beantwoord worden. Er is geen aanleiding, er is geen reden behalve dan de bevrediging omwille van de bevrediging. Pure moordlust heeft dus geen beginsel van grond, behalve de lust zelf. Het pure is hier een zuiverheid: verschoond van redenen.

Dat maakt het moeilijk om te begrijpen. Pure moordlust. Alsof het een ziekte is, een anomalia die iedereen willekeurig kan overkomen. Lust zonder grond. Lust die niet aard in rede of reden maar er gewoon is. En kennelijk dusdanig onweerstaanbaar dat er geen weerstand tegen kon worden geboden. Je kunt het hebben en je kunt er bovendien geen weerstand aan bieden. Hoe rekenen we iemand iets aan die geen weerstand kan bieden tegen iets waar hij geen achterliggende redenen voor heeft? De oplossing is tegenwoordig eenvoudig. Of iemand is naar wet krankzinnig en we sluiten hem op of we vinden dat hij zich desondanks toch tegen deze lust had moeten kunnen verzetten en we sluiten hem op.

Gedachte-experiment
Dat laatste is interessant om verder te overwegen, aangezien wij ons allen een drang kunnen indenken die geleidelijk aan sterker wordt en op een moment zelfs zo sterk dat we ons er nauwelijks of helemaal niet meer tegen kunnen verzetten. Het verschil is echter dat toegeven aan veel van zulke drang geen absurde gevolgen heeft. Neem de drang (de ontembare zin) om te krabben bijvoorbeeld. Krablust. Terwijl je weet dat het niet goed is voor je huid en het door deskundigen wordt afgeraden, kan de zin zo overweldigend worden dat je het toch doet. Als ik hier een gedachte-experiment aan koppel dat in het geval van toch krabben we jarenlang zouden worden opgesloten, zou dat onze (mentale) weerstand versterken? Staat zoiets in verhouding tot elkaar? En hoe dan precies? Waar zit de grens tussen toegeven aan een aandrang in verhouding tot de gevolgen? Kan een aandrang zo sterk worden dat onze geestesgesteldheid uiteindelijk ieder gevolg op de koop toe neemt?

De plicht je tegen jezelf te beschermen
In geval van het bovenstaande zou iemand kunnen opwerpen dat een aandrang nooit in volle hevigheid plotseling opduikt, maar geleidelijk aan sterker wordt en bij een goede mentale gesteldheid ook erkend moet worden. Er moet dan een moment zijn dat iemand weet dat zijn aandrang ernstige gevolgen heeft, en is het niet voor de ander dan wel voor zichzelf, op grond waarvan hij zichzelf tegen zichzelf in bescherming moet nemen door bijvoorbeeld hulp te gaan zoeken. We zouden dat kunnen aanmerken als een menselijke plicht: iedereen die weet dat hij een lust en niets anders dan een lust heeft die hem zelf en/of een ander schade toebrengt, heeft de plicht hiertegen in verzet te komen.

Overweeg de volgende illustratie (NB: sideline-spoiler):

In de voortreffelijke serie The Missing (2014) volgen we in seizoen 1 een jongeman die van zichzelf weet dat hij een gevaar is voor kleine kinderen omdat hij in zichzelf de ziekelijke neiging herkent deze seksueel te willen misbruiken. Hij gruwelt van wie hij is, maar hij is wie hij is en het is wat het is. Therapie, gebedsdiensten, zelfkastijding, medicatie – alles probeert hij, maar niets maakt van hem een ander mens die de ziekelijke lust kwijtraakt laat staan aankan. Het eindigt met wanhoop: zelfdoding. Wat kon hij nog anders doen? Is het de meest nobele beweging die hij maken kon?  Hij heeft de lust vernietigd door zichzelf te vernietigen. Beter dan met de lust anderen te vernietigen. Dat klinkt als een nobele gedachte en hoe tragisch het tegelijkertijd is, dat zou toch ook de enige uitweg zijn voor wie zich verhoudt tot pure moordlust. Alles in het werk stellen om tegen deze lust beschermd te worden. En als dan niets werkt, wat rest iemand dan nog in momenten van controle in de wetenschap dat de controle op ieder moment verloren kan raken? Ja, in Duitsland is iemand de controle over zijn eigen lust kwijtgeraakt.

Het is het gebrek aan verantwoordelijkheid nemen wat we verafschuwen. Dat gaat vooraf aan alles. De onbegrijpelijkheid van de redeloosheid en willekeur is één ding, maar het gebrek aan karakter en verzet iets heel anders. En het is de overgave die de zonde maakt net zoals in de lust als hoofdzonde, de luxuria, die wordt begrepen als wellust die betrekking heeft op de overgave aan zinnelijk seksueel genot.

De verontrustende mogelijkheid van de moordlust is en was er altijd al. Ze komt nu alleen tot ons in een alledaagse pure vorm in het beeld van een redeloze man zonder motief die een willekeurige vrouw voor een trein duwt. Zoals de pure moordlust geen grond heeft, kent een overweging als deze geen einde. Al moest ik nog denken aan Hendrik van der L. De oude man van 96 die van de rechtbank in Assen een boete kreeg van 300,- omdat hij de onweerstaanbare lust heeft goedkope chocoladerepen te stelen. ‘Waarom stelen, waarom chocolade, maar de rest afrekenen?’ vragen de agenten aan Hendrik. Hendrik zwijgt. Pure chocolade…lust.

Verzet en verdediging tegen Permission Machine. Deel II: Het Morele Appèl

Deel II: Het Morele Appèl

Ten geleide.

Onderstaande lange verdediging is een antwoord op eerdere correspondentie die ik had met Gunter Luyckx. Gunter Luyckx is de ‘CEO’ van Permission Machine. Het is niet noodzakelijk om deze lange eerdere correspondentie te kennen om mijn verdediging te kunnen volgen en er enig plezier aan te beleven, ondanks de tragische aanleiding (zoals ik hier uiteen heb gezet).

Deze Luyckx (hier op beeld (Noot, november 2019. Vrij vlot na deze link ging het beeld offline: wat duister is, verdraagt het licht kennelijk heel erg slecht) heeft er schik in gehad mij te antwoorden en ik vraag me af hoe ik deze man nu moet typeren. Ik kom er niet goed uit. Als je hem in een café tegenkomt lijkt hij wellicht zomaar de eerste beste bezopen drinkebroer waar je een avond schuine moppen mee kunt tappen. Hij zou goed de hele avond over damesvoetbal kunnen lullen, zijn hobby; om naar te kijken dan. Maar als ‘CEO’ van Permission Machine zou hij ook zomaar een wolf in schaapskleren kunnen zijn die maar één doel heeft, en dat is linksom of rechtsom geld binnenharken en nietsvermoedende goedbedoelende particulieren onder druk zetten. Gewoon omdat het kan.

Ik ben alles afwegende toch genegen om medelijden te hebben met deze man die om welke reden dan ook in een systeem is gesukkeld waarbij iedere vorm van morele overweging overboord moet worden gegooid om te kunnen blijven voortbestaan. Gunter Luyckx kan niet meer terug en is gevangen in het auteursrechtenweb dat misbruikt wordt door grote bedrijven zoals het ANP. En het ANP heeft er kennelijk beleid van gemaakt om zo slinks als mogelijk geld binnen te harken voor foto’s die normaal gesproken geen enkele waarde vertegenwoordigen. Kleine visjes pakken. Goede trouw afstraffen. Arme Gunter dat hij hier aan mee moet doen om zijn boterham te verdienen! Een tragische figuur zonder weerstand, een bleek weekdier, een ongelukkige antiheld en een eenvoudige zetbaas die je alle kanten op kunt duwen, omdat zijn morele weerstand is gebroken.

Nu juist het appel op het morele, niet zozeer op het juridische, is de kern van onderstaande verdediging.
Het vormt ook het sluitstuk van de wijze waarop ik de schikking heb vormgegeven, namelijk door deze Gunter het aanbod te doen zonder enige verplichting mee te doen aan het steunen van een goed doel. Juist omdat ik overwegend medelijden met hem heb gehad en het me duidelijk werd dat de juridische strijd over deze idiote afbeelding tijdrovend en mogelijk teleurstellend zou kunnen verlopen. Ik heb gepoogd zijn morele besef aan te wakkeren, zover dat niet morsdood was.

Hoe dat is afgelopen kunt u hier lezen in de derde en laatste bijdrage.

________________________________________

Verzet en verdediging tegen Permission Machine in de gedaante van Gunter Luyckx
Met ironie beladen en door ernst gevormd

Geachte heer Luyckx, en anderen die het interesseert in hun vrije uren,

Onderstaand heb ik de tijd genomen om te antwoorden op alles wat relevant is in deze tragisch-komische ontmoeting van twee mensen die elkaar ook gewoon met rust hadden kunnen laten. Als u de vrije tijd mist dit goed in u op te nemen, dan verwijs ik bij deze naar de laatste alinea’s ‘Hoe komt dit alles nu tot een einde?’. Een vlotte reactie op die alinea’s is het enige wat is verlangd voorts.

Een en anders dient ter vervanging van al het eerdere, maar zeker ook als vermetele poging u te overtuigen van het feit dat de reden van al deze moeite grondt in volkomen verkeerde prioriteiten, verkeerde aannames en een mensbeeld dat stoelt op wat de Franse filosoof Jean-Paul Sartre noemt mauvoise foi. Als u het mij vraagt dan. Ik zal dat proberen zo helder mogelijk toe te lichten.

U bent misschien een geharde rechtspositivist van het nagenoeg uitgestorven soort, en in dat opzicht is er een mogelijk mandaat om eindeloos en misschien zelfs schaamteloos brood te verdienen, ik zal daar zoals eerder aangegeven morele, broodnodige morele opmerkingen aan toe voegen. Die lopen voor mij vervolgens over naar het recht, in de zin dat ik daar ook rechtvaardigheid onder versta. U interesseert het recht, mij de rechtvaardigheid. Dus niet alles zal sec juridische kracht hebben, maar dat is ook niet mijn insteek. En allicht op het toppunt van vergane glorie, dura lex sed lex, maar lees veel beter Marcus Aurelius als u graag de oude Romeinen aanhaalt:

‘Kenmerkend voor de redelijke ziel zijn ook naastenliefde, waarachtigheid, zelfrespect en dat zij haar eigen zuiverheid als het hoogste goed beschouwt. Dat is trouwens ook een kenmerk van de wet. In dat opzicht is er dus geen verschil tussen juist denken en rechtvaardig denken.’ (Ta eis heauton, XI, I).

Ik zie mij zelf als volkomen redelijk en daarom is het schikkingsvoorstel ook zo onwaarachtig. Dat is vrij eenvoudig te begrijpen. Als ik namelijk toegeef aan een of ander voorstel, betekent dit dat ik op de een of andere wijze instem met een immoreel systeem dat in bijzondere zin niet te begrijpen is, daar waar het recht m.i. zich juist aan gewone burgers zonneklaar moet uitleggen. Het is een systeem waarin het loont om te misleiden, waarin waardeloze troep kan worden getransformeerd tot peperdure ambacht, omdat het nu eenmaal in een licentiecontainer is gedumpt.

Een systeem ook dat mensen oneigenlijk hard raakt en op zo’n wijze dat het geenszins in verhouding staat tot de zogenaamde schade die ze zouden hebben veroorzaakt. Over dat laatste kom ik nog te spreken. Maar het begint wat mij betreft allereerst, en dat is hier de menselijke maat, bij inlevingsvermogen, een persoonlijke blik en een in algehele zin redelijke afweging, wanneer je met behulp van techniek probeert geld te verdienen op basis van een ongetwijfeld zinvolle grondslag in de wet ook anno 2019, namelijk het auteursrecht. Een recht dat alles in zich heeft om met valse intenties ergens heel veel uit te halen en mensen die behoren te spreken liever laat zwijgen. Dat moet ook wel als je foto’s logischerwijs doorgaans nauwelijks iets waard zijn en niemand er meer dan een euro voor zou willen geven. Tragisch, maar dat is de realiteit onder fotografen. Dat weet u, dat weet ik. En heus niet omdat reeds verkochte foto’s onschuldig hier en daar nog eens opduiken, maar omdat het een noodzakelijk gevolg is van techniek.

Ik lees nota bene het volgende in interviews, dat verschillende serieuze klanten die u bedient of bediend heeft absoluut niet het oogmerk hebben om ‘Jan met de pet uit te kloppen’. ‘Sociale gevallen of kleine zaken laten we vallen’, zegt ene De Vinck van Photo News. ‘Het is zeker niet de bedoeling om via dit systeem de kleine garnalen aan te pakken’, zegt ene Philippe François, van Belgaimage.

Dat zijn waarachtig wijze woorden, waar u een goede les aan heeft zich dat ook uiteindelijk zelf aan te trekken. Want als er dan een opdrachtgever aanklopt die klaarblijkelijk wel de bedoeling heeft om onbeduidende spelers aan te pakken, goedbedoelende bloggers, mensen die op vrijwillige basis hun stukjes schrijven voor de lokale schaakvereniging, liefhebbers die voor 30 voorbijgangers per maand hun liefde delen over golf of plantjes en beestjes, dan zou het ongelofelijk sieren dat vriendelijk te weigeren.

Immers, wie wil zo zijn? Wie wil iemand die er vreugde in schept volkomen onbeduidende spelers te pakken als vriend hebben? Ik moet denken aan een grote stoere sterke jongen. Afgestompt en ongevoelig geworden, omdat iedereen hem haat. En die grote jongen voelt zich alleen nog maar fijn wanneer hij weer iemand waarvan hij weet dat deze zich nauwelijks zal verweren een pak slaag heeft gegeven. Gewoon omdat het kan. Maar niet alles wat kan moet. Niet alles wat kan hoeft. En daar gaat het hier om in grote lijnen.

Ik stel het volgende adagium even voor.

‘Het is in beginsel immoreel iemand die te goeder trouw is pijn te doen.’

Met betrekking tot het adagium zou ik beweren niet alleen immoreel, en welke ongelukkige kan het er mee oneens zijn, maar ook in beginsel onrechtmatig. In bepaalde omstandigheden geloof ik, wordt iemand die uitgaat van een verkeerde voorstelling van de rechtsverhouding toch beschermd door het Nederlandse recht, mits hij te goeder trouw is. In mijn geval beweer ik te goeder trouw te zijn en bovendien geen kwade opzet te hebben gehad. Wat betreft de goede trouw, ik heb nota bene jullie tracking-activiteiten diverse malen waargenomen op mijn website bij het betreffende artikel en op grond daarvan op 23 april 2019 11 minuten lang volgens mijn internethistorie jullie website bekeken en doelstellingen gelezen. Ik heb geen enkel vermoeden gehad dat ik hier iemand ‘schade’ aan het berokkenen was of zou hebben berokkend, laat staat dat ik iets onoorbaars zou hebben gedaan. Voor mij is dat op zijn minst een voldoende bewijs van goede trouw, hoewel ik natuurlijk heel goed mijn eigen gedachten ken en daarvan weet dat er sowieso geen enkele twijfel over bestaat. Daarnaast wijs ik er graag op dat onachtzaamheid iets anders is dan goede trouw.

U stelt met betrekking tot dat laatste in uw schrijven, waar het ook gaat over het ontbreken van enige opzet mijnerzijds: ‘Opzet of intentie speelt geen rol inzake auteursrechtelijke inbreuken; wat ook logisch is, aangezien iemands opzet vaak vrij moeilijk aan te tonen is.’

Dit is een klassieke drogredenering. Iets is niet logisch omdat iets vrij moeilijk is aan te tonen. Of erger nog, omdat iets moeilijk is aan te tonen -dus niet onmogelijk- komt er voor het gemak een containerbegrip zoals wat u noemt ‘objectieve aansprakelijkheid’. Ik kom deze termen, maar ik ben dan ook godzijdank filosoof en geen advocaat, alleen maar in het Belgische recht tegen en kan in de Nederlandse rechtspraak, buiten het strafrecht waarin geobjectiveerde bestanddelen een rol hebben, geen directe verwijzing vinden naar deze manier van kijken naar de werkelijkheid. Maar ook hier even los van het recht, de absurde gevolgen van een dergelijke opvatting laten zich niet moeilijk voorstellen en geven aanleiding om iedere ongelukkige handeling te juridiseren. En waarom het auteursrecht daarin iets bijzonders is, ontgaat mij volkomen, want in talloze andere gevallen zou dit totaal onacceptabel zijn. In de normale intermenselijke omgang zou een dergelijke opvatting een totale onwerkbare en onwenselijke samenleving met zich meebrengen bovendien.

Laat ik het eens ironisch zeggen omdat het allemaal zo tragisch is. U vergeet een keer per abuis het toilet door te spoelen, of dacht dat u het toch netjes gedaan had, en krijgt uit het niets een ziedende vrouw op uw dak met een heleboel moeilijke babbels. U heeft een ernstige inbreuk gemaakt op haar rechten in een propere omgeving te kunnen toiletteren en zij lijdt hierdoor schade, roept ze. Alle extra moeite, het zelfs tweemaal moeten doorspoelen en wat niet meer is! Ze stelt voor om € 250 uit uw portemonnee te grissen en dan is ze nog mild in de schade die u haar berokkend heeft.

Dat brengt mij tenslotte op het hele probleem van de zogenaamde schade. Want daar draait het toch ook om per slot van rekening. Het ANP lijdt schade door Stephan Wetzels. Het ANP lijdt schade door Stephan Wetzels!

U moet het met me eens zijn dat het onmogelijk is om als weldenkend mens dit met droge ogen een aantal malen achter elkaar hard op te zeggen. Het is namelijk even lachwekkend als dat het klinkt. Het zou hooguit nog lachwekkender kunnen worden als iemand hier ook een eens een hogere morele zaak in zou zien. Het fossiele auteursrecht in zijn huidige vorm is filosofisch net zo problematisch als het oude recht op absolute privacy in een open digitale wereld waarin iedereen participeert. Antieke manieren om iets te beschermen zijn al talloze malen gesneuveld en dat zal, geloof mij, ook voor uw huidige verdienmodel gelden, zolang u ook heil zoekt te verdienen aan het onbeduidende in plaats van alle energie te besteden aan het moedwillig op grote schaal misbruiken van auteursrechtelijke beschermde afbeeldingen. Alsof u met een wattenstaafje een olifant gelooft schoon te krijgen. Nu ja, zo iemand -en natuurlijk gelooft hij niet dat de olifant schoon wordt- heeft inderdaad voor de rest van zijn leven werk! Hoe nobel.

Uiteraard heeft het recht in zijn gemakzucht wat algemene zaken en richtlijnen in de weer, maar wat mij betreft behoort het recht nooit gemakzuchtig te zijn, maar ook en bovenal in het licht van rechtvaardigheid moet het stoelen op redelijke en objectieve grondslagen. Als het hele verweer van de goede trouw en het gebrek aan opzet niet slaagt om welke voor mij onbegrijpelijke redenen dan ook, dan moeten we vaststellen op welke manier een onrechtmatige daad tot daadwerkelijke schade heeft geleid. Schade die ik voor het gemak even definieer als het verschil tussen de actuele toestand van het slachtoffer, de arme fotograaf derhalve, en de hypothetische toestand waarin deze zich zou bevinden indien de onrechtmatige daad niet door mij zou zijn gepleegd.

Ik laat de foto even op me inwerken en kijk en kijk, en kijk. Kijkt u mee. Ik citeer de afbeelding even, gemaakt door Rob Engelaar voor de monopolist ANP:

https://www.anpfoto.nl/search.pp?page=1&ShowPicture=68119663&pos=1

Dit is ook ongeveer de grootte zoals ik hem bij mijn artikel heb geplaatst, waarbij ik inhoudelijk schrijf over het betreffende document. En ik kijk nogmaals en nogmaals. U kijkt mee. En ik moet het waarschijnlijk in het midden laten, maar welke creatieve keuzes zijn hier gemaakt? Wat is het schitterende eigene van deze afbeelding? Ik zou dus in deze armetierige beeltenis van een bestaand document een creatieve uitdrukking moeten kunnen vermoeden, maar dat vind ik hoogst twijfelachtig, tenzij ik mij wellicht een aantal jaren zou verdiepen in de esthetica rondom het fotograferen van uitgeprinte Word-documenten. Maar dan betwijfel ik het eigenlijk nog steeds.

Ik zie er niets in, behalve een niet door de fotograaf opgesteld stuk papier. Een foto ontleent aan de tekstuele inspanningen van anderen. Het is mijns inziens een foto die onafhankelijk door iedereen gemaakt had kunnen worden, dat is geenszins onwaarschijnlijk. Ik zou hier een rechter toch wel eens puur voor mijn interesse over willen horen, maar het lijkt me eerlijk gezegd geen compliment voor een fotograaf als dit wordt beschouwd als een creatieve uiting en een kunststuk van enige waarde in plaats van een inwisselbare door iedereen vrij exact zo te maken illustratieve zinledige afbeelding van een bestaande tekst. Het is dan toch voor mij sterk de vraag hier hoe dat überhaupt samenhangt met auteursrecht.

Maar goed, dat is gewoon een door en door subjectieve zaak, waarvan ik desondanks het vermoeden heb dat in een Atheens volksgericht, als we de Klassieken weer even ophalen, het overgrote deel aan mijn kant zou staan. Plato c.s. hadden trouwens sowieso weinig met afbeeldingen maken, een der laagste vormen van kunst, laat staan met zoiets als een plaatje van een plaatje, i.c. een document van een ander vastleggen.

Ik vermoed dat ik daardoor -na zelfonderzoek- misleid ben waar ik anders altijd voorzichtig ben. Zoals ik een foto van een boek zou plaatsen bij een recensie, zo heb ik de Nashvilleverklaring geplaatst bij een educatieve verhandeling over de Nashvilleverklaring. En of het relevant is of niet, ik zeg het toch: dat heeft mij in geen enkele zin ook maar iets opgeleverd. Geen lezingen, geen extra lezers. De hele website heeft geen enkele inkomsten, 0 adverteerders en kost alleen maar geld. Maar goed, even terug naar de zogenoemde schade.

Ik zie eigenlijk geen oorzakelijk verband tussen de schade en mijn fout. Mijn fout zou schade hebben berokkend, maar die is dus niet helder. Er wordt verwezen naar een algemeen document, te weten Stichting Foto Anoniem. Ik kan geen enkele wetenschappelijke grondslag vinden in de wijze waarop zij specifieke schade berekenen of op welke grondslagen zij een juridisch recht hebben (buiten een kennelijk gewoonterecht) om in algemene zin aan specifieke gevallen schade toe te kennen. Het enige wat voordelig is misschien in uw geval als u nog steeds overtuigd bent van de waarde en de inbreuk, is dat rechters er vooralsnog bij aansluiten omdat niet weersproken lijkt te zijn waarom deze Stichting tarieven van (anonieme) ‘fotografen’ kan vaststellen in algemene zin. Iedereen met groep 8 afgerond vermoed ik voelt aan dat er hier geen 250,- schade is geleden. Fotografen werkzaam voor het ANP in loondienst, laat staan freelancers, ontvangen ook nooit zoveel voor een foto, en zeker niet voor een dergelijke foto, dat is algemeen bekend en anders door vele fotografen te bevestigen. Ik wil er desgewenst een aantal opvoeren. In een recent interview, u vast bekend spraken fotografen van bedragen voor dit soort foto’s die hen 19 eurocent opleverden. Dat is schandalig weinig moet ik toegeven, maar helaas wel de realiteit die niet in verhouding staat tot de vermeende realiteit van zolderkamergeleerden die documenten opstelden ergens in 2015.

Maar ook hier doe ik weer een beroep op de intuïtieve redelijkheid. Als iemand al dan niet moedwillig thuis een schilderij van mijn buurvrouw in de fik steekt, wordt ter plekke een deskundige ingeschakeld om de daadwerkelijke schade vast te stellen en hoeft niemand zich godzijdank te beroepen op vooraf vastgestelde onduidelijke normen. Het bleek een waardeloos, zeer vlot en met weinig creativiteit beroepsmatig in elkaar gezet prul te zijn en de schade voor mijn buurvrouw wordt geraamd op ongeveer € 15. Vooruit, ze heeft er ook nog 3 minuten werk aan gehad, dus € 5 erbij. € 20 voor die arme buurvrouw.

Helaas is er in het recht weinig ruimte voor wat J.H. Newman noemt The illative sense. Ons diepste geweten en meest innerlijke gevoel dat ons ter plekke de zekerheid geeft van een bepaalde waarde. In die zin is het daarom ook moeilijk uit te drukken, en zou ik ervoor zijn om in specifieke gevallen de ruimte te geven om er een deskundige naar te laten kijken. Waarom zouden we ons, ook omwille van al het recht dat nog volgen moet, wanneer dan toch een kleine garnaal op basis van slapeloze nachten door een gevoel van onrechtvaardigheid zich verweert, overgeven aan een algemene zaak?

Zou u het niet met mij eens zijn dat wij in mijn specifieke geval voor ons beider bestwil eens onafhankelijk laten vaststellen wat de concrete schade is?

Of indien u gelooft dat een dergelijke objectieve vaststelling er al is bij monde van de stichting die iets van doen heeft met anonieme fotografen (daar is het helemaal geen sprake van overigens), dan toch op zijn minst een second opinion overwegen? Wat is daar op tegen en wat heeft u te verliezen? Indien de schade daadwerkelijk zo hoog is als wordt beweerd dan heeft u gelijk, en indien deze lager blijkt, dan bent u behoed voor een lelijke vergissing. In beide gevallen is dat alleen maar in uw voordeel.

Ik heb schade voor het gemak gedefinieerd als het verschil tussen de actuele toestand van het slachtoffer, de arme fotograaf derhalve, en de hypothetische toestand waarin deze zich zou bevinden indien de onrechtmatige daad niet door mij zou zijn gepleegd. Ik beweer nu dat de hypothetische toestand van de fotograaf er een is, waarbij hij een biertje drinkt en een boek van Susan Sontag leest, en dat de actuele toestand er een is waarin hij dat ook gewoon doet. U beweert dat de hypothetische toestand van de fotograaf er een is waarin hij (in de aanbieding weliswaar) 23 kratten bier had kunnen kopen en een boek van Susan Sontag leest, in tegenstelling tot de actuele toestand waarin hem maar 1 biertje tot beschikking staat. 23 kratten Stella Artois dus als compensatie, omdat ik een afbeelding heb gebruikt met een benattevingerde economische waarde, die ik überhaupt nooit zou hebben gekocht als ik buiten mijn goede trouw bewust geworden was dat deze gekocht had moeten worden!

Laat ik tot slotwoorden komen. Als u vilein bent, bent u toch al van het lachen niet meer bijgekomen hoe iemand zoveel tijd kan besteden zichzelf zo hopeloos in uw ogen te verdedigen. Het zij zo! En als u goed van hart en geest bent, bent u allang overtuigd dat ik hier goede punten maak, in het licht van de rechtvaardigheid in ieder geval.

Ik heb de tijd er ook niet meer voor om alles korter te maken dan het geworden is. In uw laatste schrijven geeft u aan dat mijn website een verademing is tussen alle bagger waarmee het internet tegenwoordig gevuld wordt.

Het is inderdaad een zegen dat mensen belangeloos, of misschien hooguit om existentiële redenen, uren en uren besteden om u, gratis en voor niets!, met veel interesse bepaalde bijdragen te doen toekomen. Zelfs als u mijn gedachten gekopieerd heeft in uw hoofd en verder heeft verteld, is dat voor mij geen enkel probleem. Op deze manier wordt echter het plezier en de onschuld van mij en van velen anderen die, zoals ik heb aangetoond helemaal geen schade berokkenen, oneigenlijk voordeel behalen of kwaad hebben willen doen, compleet vernietigd.

Ik zou zelfs kunnen vermoeden dat de strategie om mij te bewegen tot schikking iets weg heeft van het spel good cop, bad cop, en dat alles, inclusief de complimenten, heimelijk geregisseerd is. Of het laat nog eerder denken aan Strange case of dr. Jekyll and mr. Hyde. Het vraagt derhalve, zeker ook in het licht van de manier van handelen heel veel van mijn positieve mensbeeld, dat richting de fotografen om is geslagen in een rancuneus verzuurd beeld. Een beeld van arme stumperds die door gebrek aan creativiteit en relevantie dan maar op de lelijkste manier aan hun centen proberen te komen. Dat positieve beeld was wellicht toch al net zo naïef als het gebruik van de betreffende zinledige afbeelding, en wie weet nog welke afbeeldingen allemaal meer.

Een website aldus beladen met vrees en beven, want er zitten grijpgrage mensen achter mij aan die geld van mij willen hebben voor zaken die mij nooit iets hebben opgeleverd en waarvan ik op dit moment niet eens weet dat ik ze fout doe! Oh die vreselijke uren van honderden artikelen controleren en de toekomstige vrees voor, ondanks al die goede zorgen en zuiverheid van geweten, een misstap in de afgrond van geldmachines!

Wat een verschrikkelijk vooruitzicht! Kafka, 1984, Brave New World! Een verschrikkelijke angstcultuur in een open samenleving mogelijk gemaakt door een zieke wet die de werkelijkheid niet zo goed meer kan aanvoelen en mensen die dat haarfijn in de gaten hebben!

Hoe komt dit alles nu tot een einde?

U schrijft mij: ‘Neem gerust Uw tijd om een en ander te laten bezinken en de mail te beantwoorden.’

Wees allereerst verheugd dat ik geen 7 jaren de tijd neem, zoals ik van plan was met uw geste om te gaan. U zou mij moeten overtuigen dat een minnelijke regeling het beste is om te overwegen, maar ik heb reeds aangegeven dat dat nooit kan betekenen dat ik toegeef aan of instem met het feit dat u -als vazal van opdrachtgevers- op deze manier ‘kleine garnalen’ aanpakt, mensen die geen enkel kwaad in de zin hebben en met uren van hun zinvolle gedachten worden beroofd. Over schade gesproken. Ik ben echter ook niet beroerd en wil zoals vele anderen met mij van de zaak af, niet omdat ik uw praxis overtuigend vind, maar omdat ik gewoon de handen vrij wil hebben om bezig te zijn met wat er wel toe doet.

U blijft vrij de hele zaak op te geven uiteraard. Maar indien niet om welke reden dan ook, heb ik de volgende tegenvoorstellen uitgewerkt, zoals het schikken betaamt, waarin elk voldoende toegeeft binnen de grenzen van de redelijkheid. De redelijkheid die ik aangedragen heb, Marcus Aurelius nog even in gedachten, hebben mij reeds tot de exorbitante geste gebracht van € 15,- voor de afbeelding. Maar ik denk dat ik vooral moet blijven benadrukken dat het mij niet om het geld is te doen.

Ik stel derhalve de volgende bewegingen voor.

  1. U seponeert de zaak. Ik maak € 350 over naar KWF Kankerbestrijding of een CBF/ANBI gecertificeerd goed doel van uw keuze. Het bewijs van betaling na dit schrijven is de basis van het seponeren.
  2. Ik maak € 300 over op rekeningnummer NL93 KRED 0633 0159 38 v.v. IN457368. Ik staaf mij op het gehele bovenstaande. U maakt vervolgens een deel van dit bedrag over aan een goed doel van mijn keuze. Dat mag zoveel zijn als 19 eurocent!

Ik sluit af met een prachtig gedicht. Laat uw gedachten er eens een nacht over gaan.

Een galg

Ze dachten we gaan de aarde beklimmen

we gaan de dood verjagen, we

zegenen de regen, we

brengen stenen naar de stad

ze zwoegden

en bouwden moeizaam een galg.

Armando, 2009.

Dit alles is gezegd zonder voorbehoud. Het ga u goed,

Stephan Wetzels

_____________________________________________

Lees meer:

https://www.stephanwetzels.nl/verzet-en-verdediging-tegen-permission-machine-deel-i/

https://www.stephanwetzels.nl/verzet-en-verdediging-tegen-permission-machine-deel-iii-afronding-schikking/

Verzet en verdediging tegen Permission Machine. Deel I: Aanleiding en inleiding

Deel I: Aanleiding en inleiding

Op 29 april 2019 werd ik verrast door een schikkingsvoorstel inzake een foto die ik onrechtmatig zou hebben gebruikt. Dit schikkingsvoorstel was in opdracht van Bas van Beek van het ANP door Permission Machine opgesteld in een standaardbrief, waar ze er honderden geautomatiseerd van versturen. Er stikt dan altijd wel een visje in de netten.

De verrassing zat voornamelijk in het feit dat ik mij juist zeer bewust ben van de waarde en het belang van auteursrechten en desondanks toch per abuis, te goeder trouw en zonder kwade bedoeling bij een artikel een afbeelding had geplaatst die kennelijk belast was met auteursrecht. Het betreft de volgende infantiele foto van ene Rob Engelaar:

https://www.anpfoto.nl/search.pp?page=1&showpicture=368119663&pos=0

of hier:

Nashvilleverklaring

bij dit artikel:

https://www.stephanwetzels.nl/de-nashville-verklaring-als-volkomen-mislukte-cultuurkritiek/

Uiteraard is de betreffende afbeelding binnen tellen vervangen door een andere -who cares-, maar dat maakt de hele aangelegenheid niet minder triest. Aangezien meerdere mensen te maken hebben gehad en nog velen te maken zullen krijgen met deze zeer bedenkelijke manier van geld kloppen, zal ik mijn ervaringen en mijn correspondentie publiceren. Daarbij zal ik ook nog een aantal schetsen maken omtrent de mensen die zich hiermee bezighouden. Dit schrijven is daarbij een inleiding en alle publicaties hierover mogen worden gelezen als verzet. Ik geloof verder dat het verdienmodel geen lang leven beschoren is, maar dan is wel meer en nadrukkelijker opstand nodig. Hieraan draag ik nu zelf bij middels drie artikelen.

Het belangrijkste is dat we moeten vaststellen dat het juridische systeem met betrekking tot het auteursrecht hopeloos verouderd is en zich op dit moment leent voor immorele geldklopperij. Ik ben lang niet zo overtuigd geweest van een vaststelling als deze. Het hele schikkingsvoorstel dat ik heb ontvangen is hier te vinden. Daarin wordt schaamteloos gevraagd om € 340 (incl. ‘onkosten’) voor een foto van een bestaand document.

De betreffende foto is dus gemaakt door ene Rob Engelaar. Vermoedelijk een paar seconden werk en gespeend van enige creativiteit, diepgang en expressie,  althans voor de leek. Het zou goed Robs hele oeuvre kunnen kenmerken; wie weet is het fotograferen van bestaande documenten door ze schuin neer te leggen zijn afstudeervondst waarmee hij met een 5.5 als een kind zo blij was, terwijl ze dat cijfer enkel gaven om van zijn troep af te zijn. Je weet het niet. Enfin.

Toen ik deze Rob echter vriendelijk benaderde om hem deze kwestie voor te leggen -je wil immers geen kwaad doen-, heeft deze zonder enige vorm van reactie alles gelijk doorgespeeld naar de juristen van Permission Machine. Zo handelen laat mij denken aan NSB-praktijken en het geeft bovendien te denken dat je als fotograaf op deze manier je geld moet verdienen, maar akkoord, ook Rob moet overleven kennelijk. Als smiechterigheid in je aard zit, dan verdient dat bovendien eerder medelijden dan woede.

De problemen zijn hele anderen. Wanneer men zich namelijk juridisch verdiept in deze aangelegenheden, blijkt dat het te goeder trouw zijn, onbewust iets fout doen en geen enkel (commercieel) belang hebben (zoals in mijn geval) voor een rechter geen redenen zijn om de eisende partij in het ongelijk te stellen, simpelweg omdat de wet nu eenmaal zegt dat je geen foto’s waar copyright op zit mag gebruiken. De redenering is dan eenvoudigweg: “Vaststaat dat (gedaagde) de foto zonder toestemming van (bijvoorbeeld ANP) en zonder naamsvermelding op zijn website openbaar heeft gemaakt. Door zo te handelen heeft (gedaagde) inbreuk gemaakt op de hiervoor genoemde auteurs- en persoonlijkheidsrechten en hij heeft daarmee onrechtmatig gehandeld.”

Een tweede probleem is dat er dan schade is geleden. Deze schade is schitterend nattevingerwerk en berust op een vage constructie die ondergebracht is bij Stichting Foto Anoniem.

Het is op dit moment vooral de kunst om wanneer het op een zaak aankomt deze tarieven die deze fossiele stichting hanteert nadrukkelijk te bestrijden. Te vuur en te zwaard. Iedereen begrijpt immers -nu ja, niet de mensen die natuurlijk de dollartekens in de ogen hebben- dat de foto zoals deze door mij gebruikt is nooit deze waarde kan vertegenwoordigen laat staan dat het ANP werkelijk deze schade heeft geleden omdat 60 mensen op mijn artikel hebben geklikt en indien ik mij bewust was geweest van het een en ander deze foto in geen 100 jaar zou hebben aangekocht.

Het is dan de vraag wat we onder schade moeten verstaan. Zie hiertoe de analyse gemaakt door mr. drs. Anne Bekema: Foto-auteursrecht en de begroting van de schade. In: Tijdschrift voor Auteurs-, Media- en Informatierecht AMI, 2019, nr. 6, p. 192-196. (Download artikel hier). Bekema stelt doodeenvoudig de kern van het probleem vast: ‘Deze standaardtarieven zijn vastgesteld door (vertegenwoordigers van) de beroepsgroep van fotografen en liggen aanmerkelijk hoger dan het gemiddelde in de branche'(p. 194). Juist: Wij van WC-EEND dus…

Het derde probleem heeft betrekking op de originaliteit van foto’s. Wil er sprake zijn van een inbreuk op auteursrechten dan moet zo’n foto een eigen en oorspronkelijk karakter hebben waarbij de persoonlijke stempel van de maker is op te merken. Het mag dus niet ontleend zijn aan het werk van een ander. Bij een ‘persoonlijk stempel’ van de maker moet er sprake zijn van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes, die voortkomen uit de menselijke geest. Alles wat zo banaal en triviaal is dat daar geen creativiteit in te ontdekken valt, zou theoretisch vrij mogen worden gebruikt. Dan nu het probleem, namelijk dat dit zo subjectief is dat in iedere foto wel iets van zogenaamde creativiteit kan worden ontdekt. In het geval van de foto waar het hier over gaat zou ik zeggen dat een fotograaf zich zou moeten schamen indien hij hier het woord creativiteit aan durft te verbinden, of het moet zijn dat hij de bladzijde schuin heeft gefotografeerd. Maar goed, dat kan voor een rechter alweer een blijk zijn van ‘scheppende menselijke arbeid’. Kortom: juridisch trekt de gedaagde vrijwel altijd aan het kortste eind.

Dat brengt me tot het laatste en vierde probleem. Namelijk het risico dat men rechtvaardigheid via het recht wil afdwingen, terwijl het recht in deze iets heel anders is dan rechtvaardigheid. Dan ben je dus als goedbedoelende particulier uiteindelijk niet alleen heel veel tijd kwijt, maar is de kans aanzienlijk dat je ondanks het morele gelijk juridisch bot vangt. En op de koop toe nog allerlei tweederangs juristen in de minor league van het recht spekt.

Het beste lees je dat in allerlei artikelen van Charlotte Meindersma. Iedereen die per toeval te maken krijgt met auteursrecht komt vroeg of laat op de marketingwebsite van deze dame terecht, die er verder overigens weinig van bakt. Die malle Charlotte, alsof het hier iemand betreft met een minderwaardigheidscomplex, die op haar eigen website schrijft: “Inmiddels word ik ‘de social media jurist van Nederland’ genoemd”. Zonder bronvermelding dat citaat. Dat niveau jurist krijg je dus. Het is Monty Python in het kwadraat.

Charlotte, een ongetwijfeld ooit veelbelovende juriste die inmiddels iedere morele gedachtegang en zelfstandige vorm van nadenken overboord heeft gekieperd en geen gelegenheid onbenut laat om te blijven jammeren dat inbreuk op het auteursrecht nu eenmaal fout is, alleen omdat ze er centjes mee verdient, anders niks. Het lijkt me iemand die er plezier in schept een kind een pak slaag te geven omdat het per ongeluk een vaas heeft omgegooid . ‘Maar het is nu eenmaal fout om een vaas stuk te maken, opzet is niet vereist!’, is haar redenering dan. ‘En er is schade; laat ik me baseren op een vage richtlijn, en niet op de werkelijke waarde van de vaas in de kringloopwinkel waar hij 3 euro kost. 340,- zakgeld pak ik je af en wees blij, anders wordt het nog veel zuurder voor je!’

Zo infantiel is haar hele verdedigingslinie, en dan ook nog gepresenteerd met een zekere intellectuele en fysieke overmoed. Ik kan er werkelijk niet meer van maken.

 

Hoe is het verder voor mij afgelopen? Lees er langzaam over in de vervolgartikelen!

Deel II: https://www.stephanwetzels.nl/verzet-en-verdediging-tegen-permission-machine-deel-ii-het-morele-appel/

Deel III: https://www.stephanwetzels.nl/verzet-en-verdediging-tegen-permission-machine-deel-iii-afronding-schikking/

_____________________________________

Zie verder als voorbeeld:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument

Citaatrecht in het gelijk gesteld:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:4919&showbutton=true&keyword=auteursrecht

Lees over meerdere zaken:

Uitspraken met Permission Machine als eiser

Lees over goede mensen met een zuiver geweten die zich verdedigen en verzetten tegen de immoraliteit van deze praktijken. Zonder het auteursrecht in twijfel te trekken dus!

https://www.martinebakx.com/2019/05/top-10-kromspraken-over-fotos.html

https://www.kijkenietkope.nl/2019/02/afpersing-met-het-wetboek-in-de-hand.html

https://www.tonverlind.nl/bloggers-pas-op-voor-de-geldmakers-van-het-anp/

Zie ook alle andere artikelen van Martine Bax, die het onafhankelijke denken wel bewaart:

https://www.martinebakx.com/2020/07/auteursrechtboeven.html?fbclid=IwAR3q9ZNmV8EFPbFfOCt4krDynkA-Rf5R-a-w-GmxBApLUBzfKHtkRL8N27g

Zie ook:

(Absurde en treurige zaak van claimfotografe Mariët Sieffers aka Mariët Syphilis)

https://jaapplaisier.blogspot.com/2018/07/ene-mariet-sieffers-fotografe-probeert.html

Lees verder dit hele zinnige interview over de achterhaalde wetgeving die leidt tot misbruik van immorele lieden als Mariët Sieffers en Rob Engelaars ANP:

https://decorrespondent.nl/5388/volgens-de-auteurswet-is-mijn-hele-generatie-crimineel-wat-nu/795037309968-ed28bf32?fbclid=IwAR2G0moIurgvuKqzHZddROh1hSMb6LwVE3bL0NUFSAbWRBp356EH_xIqhgA

 

Tragedie en catastrofe. Filosofische overwegingen bij het verlies van de Notre-Dame

Tragedie en catastrofe. Filosofische overwegingen bij het verlies van de Notre-Dame

Zowel het woord ‘tragedie’ als het woord ‘catastrofe’ vinden hun oorsprong in de antieke taal, waarbij de woorden betrekking hebben op droevig toneelspel en de noodlottige ontknoping ervan. De catastrofe volgt op de tragedie zogezegd, en de bittere ironie wil dat beide woorden via het Frans in ons taalgebruik terecht zijn gekomen.

De vuurzee die de Notre-Dame in Parijs grotendeels in de as heeft gelegd mag met recht een tragedie worden genoemd, waarbij de catastrofe groots maar niet fataal -ook een typisch Frans woord- lijkt. En zoals de oude Grieken uit hun tragedies vele lessen en ideeën haalden, ontspringen ook talloze gedachten uit deze hedendaagse tragedie.

Ik zal er in deze aforistische, filosofische bijdrage een aantal uiteenzetten, voor de ene die het lezen wil.

  1. Wat maakt verdrietig?

Een gebeurtenis als deze maakt iedere wereldburger onmiddellijke toeschouwer. De elkaar opeenvolgende dramatische verhaallijnen, de duidingen die voor ons gedaan worden, gecombineerd met de indringende beelden van het aanhoudende vuur, geven het idee dat je je wel verdrietig moet voelen, zonder dat het ons onmiddellijk duidelijk is waarom. ‘De meeste mensen zijn gedwongen om blij te zijn met de kleine dingen, maar verdrietig over de grote’, schrijft Chesterton in Orthodoxie, alsof hij honderd jaar vooruit kon kijken.

Maar wat maakt hier het verdriet, als we dat in onszelf oprecht en ongedwongen kunnen ontdekken? Dat vereist zelfonderzoek. Het moet hoe dan ook gaan over een verlies en het indringende besef daarvan. Het is verdriet over het verlies van schepping, historie en bovenal identiteit. Het besef dat het concrete schone herinnering is geworden en een herinnering die we niet zouden willen ons is opgedrongen. De onschuld van het vanzelfsprekende heeft plaatsgemaakt voor de schuld van het plotse. Een schuld die ons misschien overlaadt met spijt en genadeloos onze kwetsbaarheid toont als mensheid. De hedendaagse mens die zich waant op de schouders van giganten, is niet in staat gebleken de erfenis van zijn voorvaderen door te geven zoals zij die voor zich zagen.

  1. Herinnering

Ik ontdek ook dat verdriet, weemoed en melancholie hier samenspelen. Ik denk aan al die historische ogen die de Notre-Dame zagen, zoals die nooit meer te zien is. Miljoenen vergeten gebeurtenissen die vluchtig in hereniging komen en levendig worden door een tragedie. Ik grasduin voor even naar een paar van zulke lang vergeten herinneringen.

Friedrich Hebbel die de Notre-Dame aanziet en schrijft in zijn dagboek: ‘Een in alle opzichten middeleeuws gebouw: grauw, duister, veel tierelantijnen. Het heeft wel iets van een kraai die de trek gemist heeft en nu met verblinde ogen de om haar heen ontluikende meimaand in staart.’

Jean Lerond d’Alembert die samen met Denis Diderot de wereldberoemde Encyclopedie samenstelde: ooit te vondeling gelegd door zijn vader en moeder in de Notre-Dame.

Montaigne die in de Essays fantaseert hoe makkelijk het is om over een plank te lopen als deze op de grond ligt, maar hoe onmogelijk dat wordt wanneer men dezelfde plank tussen de twee torens van de Notre-Dame legt.

Edmond De Goncourt die samen met Victor Hugo toen die zijn Feuilles d’Automne schreef bijna dagelijks de torens van de Notre-Dame beklom om de zonsondergang te zien. Waarover De Goncourt nog noteert: ‘waar ik overigens niet zoveel aan vond’.

Hoeveel mensen zouden op dit moment nog wat graag zo’n zonsondergang zien.

De nieuwe herinneringen die aan de Notre-Dame zullen worden verbonden gaan over het heroïsche. In een tragedie zijn helden nodig, en die zullen ons de komende maanden verschijnen.

  1. Verbondenheid

De moderne mens aangespoord door de erfenis van Descartes zichzelf als centrale instantie beschouwend en de medemens voornamelijk als een hinderlijk obstakel of als middel om zijn eigen ontwikkeling te stimuleren, gooit bij de tragedie dat aangemeten egologische masker even af. Het is bijzonder hoe tragische gebeurtenissen verbinden. Alsof de mens in zichzelf door de tragedie heel even met zijn oorspronkelijke natuur in aanraking komt en als het ware een goddelijke inkijk krijgt in zijn betekenisloze nietigheid.

Het indrukwekkendste moment van verbintenis zien we in het collectief dat het Ave Maria zingt en onbevangen aan de wereld toont hoezeer het veerkrachtige katholicisme het in de kern om verbintenis gaat.  Die verbondenheid doet ook weer verbinden. Want het verbindende verbindt.

Seneca schrijft in zijn Romeinse tragedie Phaedra dat geringe zorgen zich uitspreken, maar zware zorgen stil zwijgen. Toch Seneca had het ook anders kunnen zeggen. Zware zorgen zingen. En dan het liefst samen, in verbondenheid.

  1. Complotten

De verbondenheid duurt altijd net zolang totdat de dag tot de orde roept en bezinning plaatsmaakt voor verklaring en samen-zijn plaatsmaakt voor eigenheid. Het is interessant om te zien dat vanuit deze eigenheid ook altijd de complotten worden gevoed. Ik beschouw het complot-denken als de meest primitieve poging om grip te krijgen op het tragische. Complotten zijn niet te falsificeren wat een schitterende schijnzekerheid biedt, die weer ruimte geeft om iedere criticus als naïeveling te bestempelen.  

Bovendien bieden complotten troost daar waar een redelijke verklaring uitblijft of daar waar de redelijke verklaring het gevoel niet kan bevredigen of niet strookt met een levensvisie. Zoals een zondebok een bepaalde haat kan koelen, zo kan de complottheorie de vertwijfeling stillen. Interessant genoeg zijn complotdenkers onderling toch sterk met elkaar verbonden want ze hebben elkaars bevestiging nodig, maar ik denk op de verkeerde manier.

Het is een kleine stap van tragedie naar complot, maar een gigantische stap van complot naar overgave aan het tragische.

  1. Ethiek

“Dit is onze 11 september. Het symbool van deze stad staat in brand”, zegt een verbijsterde toeschouwer.

Zoals ik in het begin van deze overweging al aangaf, is het moeilijk om wat we voelen uit te drukken en te begrijpen waarom we voelen wat we voelen. We roepen gekke dingen omdat ons verstand achterloopt bij ons gevoel. Gelukkig kan een filosoof in abstracte zin heel veel zeggen en loopt meestal zijn verstand voor op zijn gevoel. Een van die zaken die ik mij afvroeg toen ik las wat deze toeschouwer zei, en waarvan ik toch geloof dat velen diezelfde vraag met mij zouden stellen, was in hoeverre hij hier vergat dat bij 9/11 bijna 3000 doden zijn gevallen. Moest ik hier deze aangeslagen verbijsterde toeschouwer alleen begrijpen vanuit het idee dat hij sprak over het gebouw?

Maar dan toch is de Notre-Dame niet te vergelijken met de Twin Towers? Ik zou zeggen dat de eerste oneindig waardevoller is, vanwege haar architectuur, geschiedenis en betekenis. Ik zou denken dat het Vrijheidsbeeld zich dan beter verhoudt tot de Notre-Dame omdat de emotionele waarde veel groter lijkt dan het zonder meer indrukwekkende kantoorgebouw. 9/11 ging over de mensen. 15/4 ging over internationaal erfgoed.

Nu lenen mensen en internationaal erfgoed zich waarschijnlijk niet goed als vergelijkingsmateriaal. Ze zijn incommensurabel. Maar wat gebeurt er in ons hoofd als we die vergelijking toch maken? Is het behoud van de Notre-Dame een mensenleven waard, of meerdere? Iemand zei me vandaag minstens twee levens over te hebben als de Kathedraal niet in brand was gegaan, maar behouden.

Dan niet per definitie haar eigen leven en het liefst mensen die ze niet zou kennen. Twee levens in ruil voor het behoud van de kerk. Het is een interessante middeleeuws voorstel en in dat opzicht staat het nog niet eens zo heel erg ver af van de Notre-Dame.

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2020 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"