Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Afghanistan. Of: het menselijk tekort.

De toestand in Afghanistan is van een ongekende tragedie die het menselijke tekort ten volle in het licht plaatst. De totale zinloosheid waarmee tienduizenden jonge mensen zich hebben opgeofferd om namens hun land ‘vrede, veiligheid en vrijheid’ te brengen in Afghanistan doet pijn en wekt ergernis. Dat de aldaar getrainde mensen op geen enkele manier bereid zijn geweest om zich voor een corrupte overheid in te spannen is nog wel te begrijpen, dat er weer gedacht is dat het mogelijk moet zijn om de westerse geluksformule van bovenaf op te leggen, terwijl de wil bij de ander ontbreekt echter niet.

Sifan Hassan en de aanhoudend koele liefde

Het merkwaardige verschijnsel dat je het gevoel hebt dat je trots mag zijn op een prestatie die je niet hebt geleverd, is het geheim van de sport en de vraag naar de betekenis van nationale identiteit. En als de Olympische Spelen iets aantonen, dan is het dat nationale identiteit er toe doet.

Voor de televisie zitten en uitroepen: We hebben gewonnen!”, terwijl je alleen opgewonden hebt zitten kijken, is desondanks een oprechte uitdrukking. We spreken van ‘ons’ land, ‘onze’ medailles en ‘onze’ sporters. We eigenen hun succes gevoelsmatig toe, omdat ze namens Nederland hebben gepresteerd. En vervolgens wordt zo’n sporter een idool, een rolmodel en een icoon. Een Dafne Schippersbrug tref je niet aan in Duitsland en over een Annemiek van Vleutenfietspad wordt niet in Botswana gediscussieerd.

Afgelopen weken is er in verschillende media ongelooflijk hard geprobeerd om ook zo’n nationaal rolmodel te maken van Sifan Hassan. Thijs Zonneveld schreef in het AD eerder al over Hassan dat ‘we hier in Nederland te weinig beseffen hoe goed Sifan Hassan is.’ Ik geloof dat dat niet waar is, maar het een probleem is van identificatie.

Er zijn honderdduizenden mensen die met tranen in de ogen kijken naar haar onwaarschijnlijke prestaties, waaronder ikzelf, maar moeite hebben om zich die ‘toe te eigenen’ zoals ze dat wellicht bij Ellen van Langen, Maarten van der Weijden of met Femke Bol konden. Die sporters staan kennelijk veel dichterbij het dominantie idee van nationale identiteit, Hassan staat daar veel verder vanaf. Bij Hassan ontbreekt het denk ik te veel aan het We hebben gewonnen!-gevoel, wat niet afdoet aan het enorme kijkgenot wat ze als atlete brengt.

Hassan mag tijdens de Olympische slotceremonie de Nederlandse vlag dragen. Maar op de een of andere manier komt dat erg geforceerd over. Waar ligt dat aan? Ik moet dan altijd denken hoe kinderen uit haar geboorteland kijken naar zoiets. Zij hebben heel, heel hard hun rolmodellen en idolen nodig. Modellen die alles geven, die vallen, opstaan en alsnog winnen. Maar wat halen ze hier uit? Zien zij dit als een Nederlandse prestatie? Hun Ethiopische Letesenbet Gidey ‘verliest’ en onze Hassan wint?

Maar als ik mij bedenk dat Femke Bol om welke reden dan ook morgen de Ethiopische nationaliteit verwerft en zij in Parijs een gouden medaille wint en het Ethiopische volkslied klinkt terwijl naast haar een beteuterde Nederlandse atlete brons heeft gepakt, denk ik: wees er maar niet al te blij mee, dit is gewoon een Nederlandse vrouw. Het is onze Femke die toevallig om welke reden dan ook voor jullie rent. Waarin schuilt hier het omslagpunt? Wanneer is Femke niet meer onze Femke?

Sifan Hassan, dus van Ethiopische origine, kwam op haar 15e naar Nederland en vroeg asiel aan op een grond die we nooit te weten zijn gekomen. Ze woont en traint in Amerika, spreekt na jaren Nederlands burgerschap op zijn best heel matig Nederlands en lijkt in heel veel opzichten geheel afgezonderd te zijn van de Nederlandse samenleving. Een beeld wat alleen maar in interviews bevestigd wordt.  Een dergelijke eigenzinnigheid is een prachtige randvoorwaarde voor topprestaties, maar maakt het enthousiasme om Hassan te omarmen en in het hart te sluiten heel erg ingewikkeld. En misschien moeten we dat ook helemaal niet willen forceren of proberen. Hassan lijkt telkens bewust buiten dat nationale gevoel te lopen, alsof onderdeel zijn van een natie een formaliteit is, een voor haar volkomen toevalligheid -net als de geboorte- waar ze wat mee moet. Soms lijkt ze er zelfs mee in haar maag te zitten, is mijn idee.

Kortom: het ontbreekt Sifan aan Sifan-promotion. Media kunnen dat niet voor je doen, die kunnen slechts faciliteren en aanmoedigen. Van den Hoogenband verandert daar niets aan. Een nationale held zijn, betekent zelf oprecht investeren in je land waar je voor strijdt. En dan moet je de taal goed (willen) beheersen (vgl. Maxima), aanschuiven bij Humberto, Tom en Sjoerd (tot vervelens toe soms), op koektrommels gaan staan (mag ook wat anders) en, niet onbelangrijk: je moet je persoonlijke verhaal vertellen. Mensen moeten weten wie je bent, zodat ze het gevoel krijgen dat ze je kennen, dat de sporter als mens dichter en dichterbij komt. Aanraakbaar wordt en benaderbaar is. Daar ligt de sympathie en wordt de identificatie-horde die er van nature is te overzien.

Niets kan haar daartoe verplichten, maar zolang Hassan die weg niet beloopt, zal de liefde altijd bekoeld blijven tussen supporter en atlete en kunnen we ons blijven afvragen waar dat enthousiasme blijft. Van het publiek kun je niet verwachten dat ze je zomaar in de armen sluiten, dat moet allereerst van de sporter zelf komen. Daar is niets raar aan.

Dus diepe buiging voor de atlete Hassan, maar voordat het ook collectief beleefd wordt als een Nederlandse topprestatie: daar is nog wat heel wat training en wilskracht voor nodig.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

We hebben onze geheime ruimte nodig

Hoewel het de afgelopen dagen over politiek leek te gaan, ging het vooral ook over de betekenis van vertrouwelijkheid, de waarde van het geheime en de noodzaak van openbaarheid. Ik geef hier een aanzet om het spanningsveld tussen het vertrouwelijke, private geheime en het openbare publieke transparante nader te overwegen.

De winst van D66, het verlies van GroenLinks en de zoektocht naar identiteit

In deze politieke overweging bespreek ik de drie opvallende kwesties die deze verkiezingen hebben opgeleverd: de winst van D66, het verlies van GroenLinks en de zoektocht naar identiteit.

D66. Of wat we toch een pyrrusoverwinning moeten noemen

Nog niet zo heel lang geleden was het de vraag of D66 nog bestaansrecht had en of de partij nog überhaupt tot leven kon worden gewekt. 10 verkiezingsnederlagen op rij, een warrig politiek profiel en de sterke associatie met een op macht beluste politieke partij zonder duidelijke aanhang’ hadden de partij nog net niet over de rand van de afgrond geduwd.

De slimme herprofilering richting een progressief liberalisme op het gebied van Europa en milieu en minder op het gebied van bestuurlijke vernieuwing, in combinatie met aansprekende lijsttrekkers hebben de partij voorlopig weer op de kaart gezet. Met Rob Jetten was het exact zelfde programma veel minder omarmd. En we moeten hierbij niet onderschatten hoezeer ook aansprekende tegenstanders zoals bijvoorbeeld de PVV of FvD kiezers in de handen van D66 drijft. Voor veel mensen is D66 de redelijke Alma Mater die hen beschermt tegen alles wat uit de rechts conservatieve hoek komt en innig wordt verafschuwd.

Wat eveneens belangrijk is om op te merken, is dat zo weinig de toeslagenaffaire kleeft aan de VVD, zo weinig het afschaffen van het referendum en het aan de basis staan van het volledig mislukte leenstelsel kleeft aan ‘de onderwijspartij’ D66. Hoe is dat te verklaren?

Dat is een complexe kwestie. In het geval van de toeslagenaffaire denk ik dat de oplossing gezocht moet worden in het feit dat kiezers een persoon (Rutte) een partij (VVD) in dit geval niets aan rekenen. Rutte symboliseert voor hen niet de oorzaak die verantwoordelijk is geweest voor de affaire. En weliswaar is er veel aandacht geweest voor hoe politieke bureaucratie verziekt kan zijn en de vanuit de samenleving sterk gewenste misbruik-aanpak het goede en kwade niet meer wist te onderscheiden, het betreft desondanks een relatief beperkte groep slachtoffers die samen nog niet 1 zetel verschil zouden maken en bovendien niet per se behoren tot het electorale domein van de liberalen.

Dat ligt bij leenstelsel anders, daar gaat het over een veel grotere groep gedupeerden over een langere periode, waarmee de vijver met jonge hoogopgeleide kiezers waaruit D66 veel stemmen haalt behoorlijk lijkt vervuild. Ook hier moet de oplossing waarschijnlijk worden gezocht in het feit dat men ‘team’ Kaag niet symboliseert met de partij die jarenlang voorstander was van het systeem waarbij iedereen voor zijn studie geld moest lenen. Eveneens is het afschaffen van het referendum snel vergeven, aangezien dit vehikel denk ik voor veel kiezers niet meer tot de kern behoort van waar de partij onder Kaag voor staat. Het seculiere, individualistische, pro-Europese en groene verhaal met veel ruimte voor feminisme, ‘nieuw’ leiderschap en inclusiviteit overschaduwt daarmee voormalig kroonjuwelen en miskleunen. En bovendien telt het frisse van Kaag die daarbij de juiste toon heeft gevonden voor haar achterban, in tegenstelling tot Hoekstra die de juiste toon nooit gevonden heeft, of Klaver die de juiste toon al een poos kwijt is.

Want in het verlengde van dat laatste: het belangrijkste wat we moeten opmerken over deze overwinning van D66 is dat ze primair verklaard moet worden door het verlies op de linkerflank. Dat maakt de uitbundige vreugde over de vier zetels winst bij D66 ook zo bevreemdend om naar te kijken. Natuurlijk geldt dat iedere partij gaat voor de winst, maar ten koste van wat? Netto heeft de progressieve politiek zo’n 5 tot 10 zetels aan bondgenootschap zien verdampen, dus de politieke droom van Kaag dat het allemaal progressiever moet, is gewoon niet passend als je kijkt naar de democratische verhoudingen in de gehele Kamer. Met partijen als de VVD, CDA, PVV, CU, SGP, FvD, JA21 en zelfs de BBB is er in principe een duidelijk overhelling naar behoudender rechts te bespeuren die op verschillende vlakken voor hun kiezers de rem zouden moeten hanteren waar D66 in een versnelling wil.

Ik ben er stellig van overtuigd dat wanneer de nieuwe coalitie op het vlak van milieumaatregelen, ethiek en nationale en lokale identiteit geen rem zet op allerlei progressieve wensen, de conservatieve en rechts-liberale partijen alleen maar verder zullen groeien komende verkiezingen of dat de polarisatie en versnippering zal toenemen. Het spanningsveld zal dus in de coalitie vooral liggen bij D66 die zich aan haar achterban groot zal moeten houden op progressief vlak, terwijl daar verre van een ideologische Kamermeerderheid voor bestaat.

Het logische verlies van GroenLinks: de tanende aantrekkingskracht van het merk Jesse

In een interview met De Gelderlander stelt de nummer 10 op de kieslijst van GroenLinks Lisa Westerveld die ik graag volg, niet te weten wat er precies is fout gegaan en dat over te laten aan de analyse van deskundigen. Ik geloof dat ze de beste deskundige is die hier een hele scherpe en juiste analyse zou kunnen maken over dit verlies.

GroenLinks is namelijk het momentum kwijt, dat is bij Kaag komen te liggen. Het gaat namelijk niet alleen om de inhoud, maar ook om het gevoel wat mensen bij een partij hebben. Dat momentum was er vier jaar geleden toen Klaver als verfrissende verschijning het linkse politieke landschap opschudde en veel kiezers het gevoel gaf onderdeel te kunnen worden van een nieuwe beweging. Naast de vaste groep kiezers die ongeacht de omstandigheden altijd GroenLinks zouden stemmen, bracht dat een boel zwevende gelukzoekers op links in vervoering. Ik merkte dat destijds onder andere onder jonge vrouwen die zich specifiek tot Klaver -en niet GroenLinks- voelden aangetrokken, maar afgelopen weken hoorde ik dat geluid van vier jaar geleden helemaal niet meer terug. De glans is van Klaver afgespoeld en hij heeft enorm veel moeite gehad om zijn oprechtheid voldoende voor het voetlicht te brengen denk ik. Het frisse geluid klonk na verloop van tijd te gemaakt, te voorbereid, te gescript.

In Baudet heeft hij bovendien zijn verkeerde tegenstander gekozen (dergelijke confrontaties zijn miljoenen keren bekeken en staan in schril contrast met alle relevante beleidsmatige inbreng van GroenLinks, waar niets van gedijt bij de gevoelskiezer). Het leverde volgens mij vooral antireclame op evenals de mijns inziens geforceerde hoop op linkse samenwerking met een poster die ook al geen blijk gaf van het merk Jesse, zoals de VVD het merk Mark wel perfect heeft gespeeld.

Concluderend moeten we het verlies van GroenLinks voor een belangrijk deel zoeken in het feit dat Klaver zijn hand heeft overspeeld door niet het momentum te pakken van meeregeren in Rutte III om zich daar samen met D66 te profileren of het groene geweten te vormen van het kabinet. De esthetische inwisselbaarheid is bovendien groot: VOLT heeft nu weer dat momentum dat veel kiezers zo onweerstaanbaar aantrekkelijk vinden. En bovendien zijn inmiddels niet alleen een heleboel groene en linkse thema’s gekaapt door Kaag, ook zij heeft zijn momentum gekaapt en het ligt voor de hand dat zij dit wel zal verzilveren. GroenLinks zal komende jaren veroordeeld zijn tot de schare vaste kiezers, net als de SP die het momentum met Marijnissen nooit meer gaan pakken. En gelet op het huidige maatschappelijke sentiment waar er bij een aanzienlijk deel van de bevolking een progressieve moeheid kan worden opgemerkt, verwacht ik ook niet snel een nieuwe vijver waarin GroenLinks onder leiding van Klaver in kan gaan vissen.

Identiteit en pas op de plaats

Want wat tenslotte niet onvermeld moet blijven is het feit dat het versnipperde naar rechts hellende politieke landschap, vooral sterk draait om identiteit. Grote thema’s als het verduurzaming, migratie en de positie van Nederland in Europees verband, raken rechtstreeks aan de persoonlijke identiteit van mensen. En meer dan ooit in onze mediacratie en post-digitale maatschappij belichamen politici een bepaalde identiteit waarmee je het gevoel moet hebben dat het klikt.

Je kunt bijvoorbeeld 100 keer wijzen op het feit dat iemand als Baudet inhoudelijk niets heeft gepresteerd in de Tweede Kamer of veel gekke onzin uitkraamt, maar als Baudet gewiekst de wetten van de sociale media volgend daartegenover zet dat mensen snakken naar vrijheid, lokale herkenbaarheid, het behouden van eeuwen oude tradities en een Europa wat zich niet moet bemoeien met ons strafrecht, dan is de kiezer aan de rand van de conservatieve flank bereid om heel veel door de vingers te zien. Wilders leunt hier feitelijk al zijn hele politieke leven op en ik stel vast dat de opkomst van JA21 en de BBB in hetzelfde kielzog zitten. Aan de andere kant zien we partijen als VOLT en Bij1 als ‘het nieuwe progressief’, die net als ooit de Partij voor de Dieren een mislukte deeltaak van de gevestigde politiek overnemen. Aan de rand van het politiek linkse spectrum profileren zij zich met een hippe one-issue strategie (Europa, inclusiviteit) waar altijd (jonge) kiezers voor te vinden zijn die zich dolgraag met ‘de nieuwe politiek’ of ‘politiek van de 21e eeuw’ willen identificeren.

Het aanstaande kabinet, en hoogstwaarschijnlijk in het bijzonder D66, doet er verstandig aan op te merken dat er een rechts en conservatief sentiment bij veel kiezers leeft. Daar moet je iets mee doen. Hard roepen dat het groener, duurzamer, mondialer en progressiever moet, miskent het verlangen naar lokale en nationale identiteit, de migratiemoeheid en de voor mensen niet weg te moffelen nadelen van de vergroeningsagenda (landschapsvervuiling, gebrek aan efficiëntie en kostenbeheersing, het kapen van groene stroom door multinationals etc.)

De ware kunst van de politiek is om een juiste balans te vinden waarbij die thema’s een plek krijgen in het beleid, maar tevens kiezers het gevoel krijgen dat, ook al neemt hun partij niet deel aan het kabinet, ze toch gehoord worden in hun verlangens.

Een bezoek aan De Librije

Beschouwingen bij het beste restaurant van Nederland

Wat als het eten niet smaakt, heb ik dan altijd ongelijk?

Wie in de gelukkige omstandigheid verkeert De Librije te kunnen bezoeken in Zwolle, heeft ook de morele verplichting deze ervaring te delen met anderen. In deze uiteenzetting doe ik verslag van enkele indrukken en stemmingen van het bezoek aan dit gelauwerde en bewierookte restaurant.

***

Drie Michelinsterren in de culinaire wereld is de mythische barrière waar je je niet zomaar doorheen kookt. Inter Scaldes in Kruiningen, Restaurant De Leest in Vaassen (dat eind 2019 de deuren heeft gesloten) en De Librije in Zwolle zijn in Nederland de trotse bezitters van deze drie sterren. Al schijnt het ook wel eens als last te worden ervaren, de druk van de immer hoge verwachtingen. Hoe lang wil men dat volhouden?

De Librije behoort sinds juni 2019 in ieder geval weer bij de beste 50 restaurants ter wereld (#46), waar de andere twee restaurants niet in de top 100 voor komen. In dat opzicht is het dus het beste restaurant van Nederland; al is de subjectiviteit de waarheid.

Maar voordat ik kom bij de beleving in het restaurant, moet ik een aantal noodzakelijke opmerkingen maken vooraf die de kern vormen van wat komen gaat. Ik kan me voorstellen dat hetgeen ik hier kort uiteen zal zetten een grote mate van herkenning en instemming zal opleveren, omdat het zo’n heldere en welonderscheiden waarheid is. De eenvoud van het inzicht is echter zo van toepassing dat ik er hier niet omheen kan. Het gaat namelijk over wat ik zal noemen de vloek van het betere middensegment of de wet van de voorsprong van het betere midden. Voor een betere naam houd ik mij aanbevolen.

***

In het kort komt het hierop neer dat de afstand van het lage tot het betere midden een enorm kwaliteitsverschil betekent wat ook daadwerkelijk waarneembaar is, terwijl datzelfde kwaliteitsverschil ten opzichte van dat midden alleen met gigantische inspanningen is te bereiken en soms nauwelijks is op te merken. In een schema zou dit er zo uitzien:

Laat ik enkele voorbeelden geven. Neem een elektrische gitaar uit het betere middensegment. Dan betaal je ongeveer € 2000. Het kwaliteitsverschil met een gitaar van € 150 is gigantisch, maar het kwaliteitsverschil met een gitaar van € 5800 is door nagenoeg niemand op te merken. Mijn stelling is nu dat dit een algemene wet is.

Neem een goede fles wijn van € 50. Laat ik zeggen een R. López de Heredia Rioja Viña Tondonia Reserva uit 2005. Deze maakt in beleving een absurde sprong ten opzichte van een slobberwijntje van € 5 in de aanbieding bij de Aldi. Maar betaal het honderdvoudige voor een Domaine Leroy Richebourg Grand Cru en de beleving is lang niet zo overweldigend ten opzichte van die Rioja. Het is zelfs de vraag of je het verschil merkt. Of koop een full carbon racefiets in het betere middensegment van zegge € 3500 en je voelt je een koning ten opzichte van een racefiets van € 300. Maar geloof maar niet dat je veel verschil gaat merken wanneer je fiets € 13.000 kost. En bovendien kunnen we vaststellen dat de kwantitatieve waarde die we moeten toevoegen aan het betere midden op weg naar het hoogste vrijwel nooit de kwalitatieve verbetering rechtvaardigt. Wat blijft is dan gevoel.

Zo zou ik nog talloze voorbeelden kunnen geven, maar ik geloof dat het punt wat ik wil maken duidelijk is en men zelf met veel meer voorbeelden op de proppen kan komen.

Een belangrijke notie is dus dat het zou kunnen betekenen dat wanneer je het kwalitatieve verschil daadwerkelijk wil ervaren -laat staan onder woorden brengen- tussen het betere middensegment en de absolute top, er buitengewone inzichten, vaardigheden en krachten van je worden vereist. En dat zijn juist krachten die maar voor de enkeling is weggelegd. Jimmy Page, Tom Dumoulin en Robert Parker.

***

Terug naar De Librije.

Want het bovenstaande probleem steekt ook hier de kop op. Eten bij zowat het beste wat de wereld te bieden heeft, is dat die absurde sprong ten opzichte van het betere midden, of is dit verschil (voor ons) nauwelijks te herkennen? En hoe zou je er dan ooit overtuigd van kunnen raken? Wie zou je daartoe moeten overtuigen? Dat zijn gerechtvaardigde filosofische vragen waar antwoorden niet zomaar op gevonden worden. Ook in de onderstaande ervaringen barst feitelijk de taal.

***

Het voelt in ieder geval wat ongemakkelijk aan om het imposante gebouw wat De Librije is binnen te treden. Wetende dat hier lang geleden gevangenen water en brood kregen -o ironie-, zitten we straks te midden van deze monumentale voormalige gevangenis kaviaar uit ei te vissen.

Vragen vooraf zijn er legio: ben ik goed gekleed? Hoe ga ik mij gedragen? Welk gezelschap zouden we er aantreffen? Waarin onderscheidt zich de bediening? Wat als het eten niet smaakt, heb ik dan altijd ongelijk? Zal ik een vork op de grond laten vallen?

We werden vriendelijk opgevangen en mochten in een tussenruimte wachten. Enkele amuses en een bestelde cocktail zonder alcohol waren heel smakelijk. Met name de smaak van de cocktail, Virgin genaamd en gebaseerd op de Rieslingdruif, liet de gedachten afdwalen naar Zuid-Frankrijk. Een vlotte jonge dame serveerde en was ontspannen spontaan in haar doen en laten.

Dat is moeilijker te zeggen van Therese Boer die ons even later welkom heette. Een imposante vrouw die mij gevangen leek tussen haar bekendheid, de haar bekende clichématige hoge verwachtingen van de gast die er één keer in zijn leven komt eten, en haar taak zo goed mogelijk gewoon te doen. Dat is natuurlijk ook een heel complex spel, waarbij de spanning tussen haar en de gast onmiddellijk duidelijk wordt. Want bedenk maar eens hoe gasten zich tot haar moeten verhouden. De gasten, wij dus ook, die gespeeld normaal doen. Maar het hier zo normaal mogelijk doen, is niet heel erg normaal. Je eet immers niet iedere dag in de Librije en je wordt niet iedere dag bediend door Therese Boer.

Toch is dat een onvermijdelijk onderdeel van het toneelspel waaraan ik me moest overgeven. Ik die ‘Bocuse voor thuis’ en ‘Escoffier voor iedereen’ probeert te koken, ik de enkeling, de passant, de zoveelste, de voorbijganger; in het licht van mensen die het gemaakt hebben, burgers van de wereld die oneindig veel meer weten van goed eten en drinken, en mij desondanks moeten beschouwen als een serieuze gast.

Ik had onmiddellijk het gevoel dat dit spanningsveld me de hele avond parten zou spelen en ik nam mij voor om vooral te onderzoeken in hoeverre ik dit spanningsveld kon doorbreken. In de filosofie is daarbij een goed gehanteerd wapen de verhouding tot de verhouding opwerpen. Door middel van het stellen van reflexieve vragen en indirecte mededelingen proberen te doorgronden en iemand uit zijn rol te dwingen. Dat lukte heel aardig en op enig moment verscheen er zowaar een lach op het gezicht van Therese toen ik over Paul van Craenenbroeck begon en korte tijd later het ook zomaar over opvoeding ging. Laat ik niet verder in details treden hierover, maar het had iets broodnodig ontwapenends.

Jonnie Boer, de meester zelf waar je toch voor komt, had een keurig toneelstukje voorbereid, waarbij hij bij een van de eerste gerechten aan onze tafel kwam om iets te vertellen over zijn grootvader. Een zoetwatervisser in Giethoorn en het gerecht was daar op geïnspireerd met snoek, rivierkreeft, paling, zoetwater krab en snoekbaars. Aardig, en even later herhaalde Jonnie deze voorstelling bij onze buren aan tafel. Buren wisselend van een homostel waarvan er een halverwege de avond begon te huilen en een joviale zakenman met zijn geamuseerde vrouw tot aan een echtpaar wat enig leven in het huwelijk probeerde te blazen.

Nu wil het geval dat een vriend van mij die een jaar gespaard had om ook te gaan eten bij De Librije recent niet het genoegen heeft gehad Jonnie en Therese in levende lijven in het restaurant aan te treffen. In plaats daarvan kreeg hij een kaart met daarop ‘een kus van Therese’ en de verontschuldigingen dat ze ergens in het buitenland inspiratie aan het opdoen waren. Dat lijkt me toch een absolute teleurstelling: je komt voor de meesters en je krijgt onbekende plaatsvervangers. Je wil Max Verstappen zien en je krijgt een lookalike. Het zal geen Michelinavond geweest zijn, het schip zonder kapitein.

Het zegt natuurlijk ook alles over hoe zo’n restaurant werkt: Jonnie onderzoekt, bedenkt, creëert; een bataljon aan talentvolle medewerkers voert uit. Dat was ook wel even de indruk die we kregen bij het eveneens wat routinematige, maar niet minder leuke bezoekje aan de keuken. Halverwege de avond werden we uitgenodigd om even door het restaurant te lopen en de keuken te bezoeken. Geleid door dezelfde jongedame -en jong waren ze vrijwel allemaal, nagenoeg niemand tikt 35 jaar of ouder aan-, zagen we vooral hulpjes aan het werk in een drukke keuken. De meester was toen al uit beeld, vertrouwend op de lijnen die hij had uitgezet.

***

“Maar we willen meer horen over het eten! Niet over het feit dat ze met een blik en vegertje de kruimels van tafel vegen of dat er overal kunst hangt en het toilet ruikt naar dure vrouwen in schemerlicht. Het eten man, het eten!”

Nu ja, daar kom ik toch weer terug op de theorie van de vloek van het betere middensegment. We aten bij restaurants zonder ster, zoals Restaurant Frunk in Brunsum of Zala’s Restaurant in Utrecht, wat écht hoogstaande en bijzondere verrassende ervaringen waren.

Maar de echte verrassing bleef een beetje uit bij De Librije.

Wat ons in ieder geval opviel is dat van alle gerechten de combinatie met de wijn niet de sensatie gaf waar we op hadden gehoopt. Daar hadden we ons extra op gespitst, juist omdat we daar wel al vele ervaringen van hadden. Maar op één enkele combinatie na, waarin de wijn echt een diepere laag aan smaakbeleving met zich meebracht, -een wow- bleef dat bij de overige gerechten uit. En wellicht speelt hier de vloek van het imago mee, wat je vaak hoort: kun je nog wel de juiste verwachtingen hebben? Hoe onbevangen kun je nog genieten van wat je krijgt met het idee dat dit het beste van de wereld is en vrijwel iedereen niets dan lof heeft voor de combinaties? We aten boerderijeend uit Ermelo, hammetjes van Urk, bron forel uit Hattem, Noordzeekreeft en krabsalade en nog een heleboel meer. Ik kan er geen verstandige dingen over zeggen, hier barst gewoon zoals gezegd de taal. Het was in elk geval mooi opgemaakt, creatief, met bijzondere ingrediënten waarvan je niet zou weten waar je het vandaan zou moeten halen -van klaverzuring tot bittercress en Japanse Knotweed. Of dan toch uit Jonnies kruidentuintje.

Het wisselend bedienende personeel aan tafel -af en toe naar mijn mening al te vrijpostig-, zette naast enkele amuses voor 10 euro aan water voor, een doodzonde om daar over te klagen. En wat betreft het bijschenken van wijn: dat ging zonder aarzelen. Glas lees? Dan werd het onmiddellijk weer gevuld. Levensgevaarlijk als je besloten hebt het er van te nemen, want voor je het weet ben je dik twee flessen verder. En zo geschiedde…

Maar in benevelde toestand tenslotte verkeren is eigenlijk helemaal niet zo’n ramp, want de rekening moet natuurlijk nog komen.

Voorbereid op het ergste is de kleine € 800 voor twee personen, waarmee 10 gangen zijn geproefd, samen met een koffieservies, drie non alcoholische cocktails en een dubbel wijnarrangement, toch even slikken. En we gaven ook maar een fooi van een paar tientjes, waarvan het de vraag is hoe gebruikelijk zoiets is. Maar ach, als het decadente decadent is, dan moet het ook echt decadent zijn!

Aldus is er maar één conclusie mogelijk. We hebben hier een ongelooflijk dure anekdote gekocht. En dat is de uiteindelijke kracht van dit restaurant: je gaat hier niet alleen voor het eten, je gaat ook voor het verhaal.

En dit alles zal nog lang verteld worden. Wij aten in de Librije.

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2021 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"