Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Filosofische kruimels XIX

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2016 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XIX van XX.

Kwetsbaarheid als kracht

‘We moeten naar een breder kwetsbaarheidsperspectief dat oog heeft voor de geleefde ervaringen van de oudere patiënt en laat zien dat kwetsbaarheid niet louter beperkt is tot het lichaam maar ook betrekking heeft op menselijke relaties.’
Parafrase uit het proefschrift Why frailty needs vulnerability. A care ethical study into the lived experiences of older hospital patients van J.W. van der Meide (2015).

Schopenhauer schreef ooit dat de betrouwbaarste maatstaf voor de beschaving van een volk is, hoe zij de dieren beschouwen en behandelen. We zouden daar tegenwoordig aan kunnen toevoegen ‘en hoe zij ouderen behandelen’. Want met de toenemende vergrijzing en de westerse ideaal van de jonge, vlotte en productieve mens, staan ouderen onder druk.

In Why frailty needs vulnerability werpt Hanneke van der Meide (1984) zich op het ouderenvraagstuk en dan specifiek met betrekking tot zorg: hoe ervaren ouderen het ziekenhuis? Net als Atul Gawande (1965) in het vertaalde Sterfelijk zijn. Geneeskunde en wat er uiteindelijk toe doet (2015), kiest Van der Meide nadrukkelijk het perspectief van de oudere zelf in beeld te brengen. Via een zogenaamde fenomenologische shadowing studie heeft ze jarenlang verschillende patiënten intensief gevolgd van intake tot ontslag. Het blijkt dat ouderen zich in een ziekenhuis niet thuis voelen, zich beperkt weten en er weinig aandacht is voor hun geleefde ervaringen. Willen we ouderenzorg serieus nemen, dan zal er een nadrukkelijke omslag moeten komen: niet alleen het ‘technische’ genezen als meetbare component is van belang, ouderen voorzien van zingeving in het ziekenhuis is minstens, zo niet waardvoller aan het eind van hun levensloop.

__________

Voorwoord bij voorwoorden

‘Een voorwoord is een stemming. Het schrijven van een voorwoord is als het slijpen van een zeis, is als het stemmen van een gitaar, als het praten met een kind, als spugen uit het raam.’
Vertaling uit: Kierkegaard & Postmodernism. Prefaces: Light Reading for Certain Classes As the Occassion May Require, by Nicolaus Notabene (1989).

De Deense filosoof Søren Kierkegaard (1813-1855) publiceerde in zijn leven heel wat merkwaardige en bijzondere boekjes. Het in 1844 verschenen Forord (Voorwoorden) is daar geen uitzondering op. Forord bestaat uit acht voorwoorden die allen voorafgegaan worden door een voorwoord.

Volgens de pseudonieme auteur van dit boek, de estheticus Nicolaus Notabene, verdienen voorwoorden aandacht en studie. Ze lijken weliswaar onbeduidend in verhouding tot het boek zelf, maar juist daarom zijn ze bijzonder. Zoiets moet hij ook wel beweren, want Nicolaus is namelijk overeengekomen met zijn vrouw dat hij geen echte schrijver zal worden. Schrijvers zijn volgens haar niet alleen tijdens maar ook buiten het schrijven zo in gedachten verzonken, dat ze voor geliefden vrijwel altijd ontoegankelijk zijn. Nicolaus mag zich echter wel toeleggen op voorwoorden, die een boek suggereren wat er nooit komen zal. Forord is uiteindelijk naast een ode aan het voorwoord een scherpe kritiek op G.W.F. Hegel die het voorwoord tot een filosofische tekst als overbodig en ongepast had weggezet. Maar de belangrijke verwachting die het voorwoord wekt, moet worden verdedigd. Wat dat aangaat, zou het volgens Nicolaus Notabene de hoogste tijd zijn ook de filosofiekalender eens te voorzien van een woord vooraf…

__________

Even wat geld ‘wisselen’

‘Heeft het voornemen van de verdachten om een misdrijf te plegen zich door een begin van uitvoering geopenbaard?’
Centrale rechtsvraag in het Grenswisselkantoor-arrest (Hoge Raad 08-09-1987)

Het recht is net als de filosofie een interessante kraamkamer als het aankomt op begrippen verhelderen en kaderen. Zo maak het nogal uit of iemand een begin van uitvoering heeft geopenbaard (en dus straf verdient) of wanneer dit ontbreekt en er enkel voorbereidingen zijn.

Neem het Grenswisselkantoor-arrest. Twee mannen hadden het plan om een Grenswisselkantoor te overvallen. Ze zaten in hun auto te wachten op de eerste bankmedewerker, om actie te ondernemen wanneer deze het kantoor zou openen. De medewerker voelde echter intuïtief nattigheid en waarschuwde de politie. De politie kwam, de mannen vluchtten en werden na een wilde achtervolging ingerekend. Duidelijk begin van uitvoering overval? Niet volgens de Hoge Raad. Immers, wanneer iemand het voornemen heeft opgevat een bank te overvallen, is er geen begin van uitvoering wanneer hij zich enkel met een auto naar die bank begeeft, de auto niet verlaat noch iets deed in de auto wat leek op te willen overvallen. Dat de intuïtie van de bankmedewerker juist bleek, heeft wellicht erger voorkomen, maar zeker weten kunnen we dat niet.

De verdachten werden vrijgesproken. Omdat iedere lezer hier waarschijnlijk aanvoelt dat er iets wringt aan deze uitleg is de wetgever zo verstandig geweest om bij ernstige misdrijven (>8 jaar gevangenisstraf) de voorbereiding ook strafbaar te stellen. Maar waarom alleen bij ernstige misdrijven?

©Veenmedia.nl

Filosofische kruimels XVII

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2016 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XVII van XX.

Liefde zeg je met druiven

‘Ik werd onpasselijk bij de gedachte dat de oude Schopenhauer het trosje druiven had aangeraakt. En daarom liet ik ze heel onopvallend achter mij in het water glijden…’
Uit: Irvin D. Yalom. De Schopenhauerkuur. (2005).

De Duitse denker Arthur Schopenhauer (1788-1860), die met zijn pessimistische filosofie desondanks veel mensen wist te plezieren, was niet bijzonder goed met de dames. De Arbeiderspers koos ook niet voor niets ooit een verzamelbundeltje uit te geven onder de sprekende titel: Er is geen vrouw die deugt. Maar wellicht waren het vooral Schopenhauers versierkunsten die niet zo deugden.

Verschillende biografen, waaronder Rüdiger Safranski (1945) verhalen over Schopenhauers poging de mooie 17-jarige Flora Weiss ten huwelijk te vragen. Schopenhauer zelf al 43, kende het meisje nauwelijks, maar poogde desondanks haar voor zich te winnen. Een versierpoging kwam er tijdens een boottochtje toen hij haar een trosje druiven aanbood. Weiss moest er echter niets van weten en volgens de familieoverlevering walgde ze bij iedere geste van Schopenhauer telkens een beetje meer. Schopenhauer bleef zijn leven lang alleen.

__________

Aforismen afstoffen

‘Ik wil niets van doen hebben met politiek, zedenleer, wijsbegeerte, maatschappelijk nut. Ik ben, in laatste aanleg, uitsluitend lezer-en-schrijver.’
Greshoff (1958). Nachtschade.

De haast vergeten Nederlandse schrijver Jan Greshoff (1888-1971) erkende in zichzelf maar één wet: de volmaakte overgave aan de schone letteren. Greshoff liet in dat opzicht een stevig oeuvre na, waarin hij die kunst niet onverdienstelijk trachtte over te brengen naar papier. Hoewel hij stelt niets van filosofie te moeten hebben, toont Greshoff zich in de ruimste zin een denker, peinzer en verwonderaar.

Een prestatie van formaat is wat dat betreft het door dr. G.W. Huygens samengestelde werk Nachtschade, waarin duizenden aforismen over levenskunst, liefde, poëzie, geloof en ongeloof en individu en gemeenschap bijeen zijn gebracht. Greshoff noteerde de levenswijsheden bij voorkeur tijdens slapeloze nachten, wat de titel verklaart. De sombere existentiële inslag die in dit verzamelde werk te herkennen is, doet denken aan de stoïcijnen, Heidegger en Kierkegaard. Greshoff -bang voor het sterven, niet voor de dood- liet zo iets na dat het verdient afgestoft te worden en menig filosoof nog lang uit de slaap zal houden.

__________

Paasgedachte bij 27 maart 2016

‘Moet je je eens indenken hoe fijn het zal zijn als we samen Pasen vieren.’
Maria von Wedemeyer aan Dietrich Bonhoeffer op 4 april 1944, uit: Bruidsbrieven uit de cel (2004).

Pasen viert men het liefst samen.  Dat was in 1944 niet anders, ware het niet dat Maria von Wedemeyer (1924-1977) vlak na haar verloving gescheiden werd van de vooraanstaand religieus filosoof, theoloog en verzetsstrijder Dietrich Bonhoeffer (1906-1945). Bonhoeffer was wegens hoogverraad gearresteerd en moest zijn tijd in gevangenis doorbrengen. Daar schreef hij naast klassiek geworden overpeinzingen (zie: Verzet en overgave en Navolging (2014)) ook veelvuldig met zijn verloofde. Hij bemoedigt haar: ‘wees vrolijk, geduldig en dapper en vergeet mij niet, zoals ik jou niet vergeet’,  en zij houdt van hem: ‘ik ben verliefd op elke zin, op elk woord, op elke kronkel van je handschrift’.

Hoezeer zij ook te kennen geeft Pasen nooit meer te willen vieren zonder hem (‘helemaal echt Pasen vieren kan ik pas als jij weer bij me bent’), is dat er nooit meer van gekomen. Bonhoeffer wordt namelijk wegens samenzwering ter dood veroordeeld en geëxecuteerd op 9 april 1945, een week na Pasen. De verloofden kunnen elkaar dan allang niet meer bereiken per brief. De troost die Pasen biedt moet zelfs voor een zo gelovig iemand als Von Wedemeyer een lange tijd bitter zijn geweest.

©Veenmedia.nl

Indrukken bij de eerste druk VI: Jules Léquyers La Recherche d’une Première Vérité uit 1865

Indrukken bij de eerste druk VI
Jules Léquyers La Recherche d’une Première Vérité uit 1865
~En de ontdekking van een brief~

~Voor die ene die ontdekken wil~

Het essay wat ik eerder publiceerdeStatue Lequier, met daarin een bescheiden uiteenzetting van enkele gedachten van Jules Lequier (noot 1), bracht me tot een zoektocht naar de beschikbaarheid van de eerste druk van zijn postuum verschenen filosofische fragmenten, die zijn vriend Charles Renouvier in 1865 heeft uitgegeven bij Imprimerie de Mme Ve Belin, Saint-Cloud.

Het is aantrekkelijk en ook enigszins voor de hand liggend om het werk van Lequier te vergelijken met dat van Kierkegaard. Er is geen enkele aanwijzing dat ze elkaar gekend hebben of hebben beïnvloed, maar Lequiers existentiële grondslagen, de keuze voor verantwoordelijkheid en vrijheid en het pleidooi voor bestaansrecht van corsaren3het individu (anti-Hegeliaans in die zin) vertonen grote overeenkomsten met het filosofische project van Kierkegaard. Hier en daar wordt zelfs de vergelijking gemaakt tussen Kierkegaards verhouding tot Regine Olsen en Lequiers verhouding tot Anne Deszille (vgl. Clair, A. (2008). Kierkegaard et Lequier: Lectures croisées). Dat lijkt me echter ver gezocht. Jammer genoeg is er over Anne Deszille niets te vinden, zodat haar mysterie in tegenstelling tot dat van Olsen voorgoed bewaard blijft.

Prof. dr. Donald Viney, de Engelse autoriteit op het gebied van het denken van Lequier, merkt op dat Kierkegaard en Lequier eenzelfde soort literaire filosofische stijl hanteren (het lezen van Het Heggenblad doet dat bevestigen) waarbij wijsgerige en religieuze thema’s met elkaar vervlochten zijn en het christendom op een nieuwe filosofische manier wordt opgevat. Het spreekt voor zich dat Kierkegaard hierin veel ‘systematischer’, consequenter en uiteindelijk ook succesvoller is geweest, maar in thematiek zijn er inderdaad naast talrijke verschillen interessante gelijkenissen op te merken.

Lequier was een toegewijd rooms-katholiek. Het verhaal gaat dat hij op 15 augustus 1846 een mystieke ervaring heeft gehad, die doet denken aan Pascals Memorial, helemaal omdat hij de ervaring neerschreef gecombineerd met Franse en Latijnse teksten. Die ervaring is niet opgenomen in het boek, maar verder staan alle belangrijke teksten erin, die Renouvier na verschillende correspondenties heeft gebundeld.

Eerste druk LequierDe uitgave was nadrukkelijk niet bedoeld voor de verkoop zoals ook staat vermeld in het boek zelf, maar voor vrienden en kennissen ter nagedachtenis aan de filosofische nalatenschap van Lequier. De oplage bedroeg dan ook slechts 120 exemplaren. Het geluk was met mij, dat ik na wat zoekwerk een aangeboden exemplaar bij een Frans antiquariaat (J. Vrin) tegenkwam, zo niet het laatste exemplaar op de wereld in de verkoop. Nadat ik hem een eerste bod had gedaan per e-mail, wat zonder reactie bleef, kon ik op een avond de slaap niet vatten door de gedachte ernaast te grijpen, dat ik zodoende de ochtend erna het boek direct aanschafte. Het gevoel een stuk geschiedenis in zijn meest oorspronkelijke vorm te bezitten, had me toch weer gegrepen.

Enkele dagen later ontving ik het boek, en tot mijn grote verrassing bevond zich in het boek een handgeschreven brief van twee kantjes van Jules Lequier zelf. Ik besloot daarop contact te zoeken met de Amerikaanse hoogleraar Donald W. Viney. Ik stuurde hem een fotokopie van de brief, waarmee de speurtocht geopend was niet zozeer naar het boek, maar naar de achtergrond van de brief.

Ik ontving vrijwel per omgaande een informatieve en zeer vriendelijke reactie van Viney:

I very much appreciate the copy of the Lequyer letter that you sent. It is clearly not in Jean Grenier’s edition of Lequyer’s complete works and so is of great interest to me and to anyone else with more than a passing interest in Jules Lequyer. The letter is very difficult to decipher and there are words I can’t make out. I have sent the letter (and forwarded your email) to Goulven Le Brech in Paris. His native French “eye” will help to understand this. It is clearly written during Lequyer’s time in Paris at the École Polytechnique, but I’m still not sure who the recipient was. I wonder if there is any clue in your edition of La Recherche d’une Première Vérité of who owned it. As you know, Charles Renouvier gave copies of this book freely to those who were interested, and presumably some copies went to Lequyer’s friends. I once owned an original copy (like the one you have) and on the inside cover of my copy was a handwritten dedication that reads “Offert à M- Beaurrier par l’éditeur C. Renouvier”. Is there anything comparable in your copy? Perhaps not.

Ik schreef naar aanleiding hiervan oud-collega Georgette Molenaar aan die de Franse taal meester is om te achterhalen wat precies in de brief stond en aan wie hij was gericht. Ik vroeg haar om op de eerste plaats het handschrift om te zetten naar de Franse tekst om vervolgens een Nederlandse vertaling toe te voegen. Het onderstaande is het verdienstelijke resultaat hiervan.Brief Jules Lequier

Klik hier voor de afbeelding op hoge resolutie

Frans Origineel (Zoals gezien door G. Molenaar)

1844

  1. Viens, mon ami, mon frère. Viens passer quelque temps avec nous. Nul de ceux que tu aimes et qui seront heureux de te revoir, n’éprouveront en t’embrassant de plaisir comparable au mien.
  2. J’avais prié Michelot de joindre au lettre que je t’envoie une lettre de lui et voilà qu’aprés quelques jours de chercher amèrement, perdue enfouie dans cet épouvantable masse de papiers qui encombre ma chambre et où ma maladresse l’a engloutie, J’aime mieux t’envoyer ceci et ne pas attendre que j’ai retrouvé sa lettre. A ton arrivée je la remettrai ainsi qu’une vieille lettre de Guerin l’asmeilleur Guerin, qui me tombe quelquefois sous la main quand je fais la grande inspection de mes papiers et qui m’a ému toujours.
  3. De dire que je pensais toute cette (période)) a toi, que je me proposais de mois en mois de t’écrire des volumes ce serait ne rien t’apprendre. Mais ma vie a été si agitée, si travers à, à bientôt, cher ami; tu trouveras ici tous tes fidèles amis, moi en tête.
  4. Si je ne te connaissais pas si parfaitement (moi qui te connais si bien, mieux qu’un frère) tes lettres m’auraient un peu inquiété. Mais tu n’as pu prendre la doctrine de Fourrier que par le grand côté et peut-être meme par ce qui la dépasse, lui prêtant la grandeur de ton propre cœur. Si tu es Fourrieriste c’est en maître et non en disciple de Fourrier je trouve .. dans tes travaux tes préoccupations, tes aspirations vers le bien et la vérité, ton âme si noble, objet pour moi d’une si tendre affection. Oh que je serai heureux t’embrasser mon cher Fréderic.
  5. Puisses-tu hâter cet heureux moment ne m’en voulez pas, ami, de mon silence. Si tu savais comment j’ai été malheureux après ton départ mais l’horizon s’éclaircit et les temps meilleurs s’annoncent. Mets moi à part dans ton cœur, oui j’ai droit à une place à part.
  6. A bientôt, noble ami.

Jules Lequyer
Rue Vaugirard 52 bis

Nederlandse vertaling (Vertaling door G. Molenaar)

1844

  1. Kom, mijn vriend (A), mijn broer. Kom wat tijd doorbrengen met ons. Niemand van degenen waarvan jij houdt en die blij zullen zijn je terug te zien, zullen bij het omhelzen, hetzelfde plezier voelen als ik.
  2. Ik had Michelot (B) verzocht om een brief van hem te voegen bij de brieven die ik je stuur en ziedaar na enkele dagen bitter zoeken, verloren geraakt weggezakt  in die afschuwelijke massa papier die mijn kamer hinderlijk vult en waar mijn onhandigheid hem in heeft verzwolgen. Ik stuur liever deze brief nu en ga niet wachten tot dat ik zijn brief terug vind. Bij je aankomst zal ik je hem geven evenals een oude brief van Guerin (C) de allerbeste Guerin waar ik soms de hand op leg als ik een grote inspectie houdt van mijn papieren en die mij altijd heeft geraakt.
  3. Om te zeggen dat ik de hele tijd aan je dacht, dat ik me van maand tot maand voornam om je hele boekwerken te schrijven daarmee zou ik je niets nieuws vertellen. Maar mijn leven is zo veelbewogen geweest zo vol tegenslag. Tot gauw beste vriend je zult hier op tijd je trouwe vrienden vinden, mij voorop.
  4. Als ik je niet zo perfect zou kennen ( ik die je zo goed kent, beter dan een broer) zouden jouw brieven me een beetje ongerust hebben gemaakt. Maar jij hebt slechts de doctrine van De Fourrier (D) groots toegepast en misschien zelfs wel overstegen, hem verlenende de grootsheid van je eigen hart. Als je al Fourrieriste bent dan is het als meester en niet als volgeling. Ik vind jouw ziel in jouw werken terug, in je zorgen en in je aspiraties naar het goede en de waarheid, jouw ziel zo edel, voor mij voorwerp van een zo tedere genegenheid. Oh wat zal ik gelukkig zijn om je te omhelzen mijn lieve Frederik.
  5. Kon je dit gelukkige moment maar versnellen. Vriend, neem me mijn zwijgzaamheid niet kwalijk als je wist hoezeer ik ongelukkig ben geweest na je vertrek maar de horizon wordt lichter en betere tijden kondigen zich aan. Zet mij apart in je hart, ja ik heb recht op een aparte plek.
  6. Tot gauw edele vriend.

Jules Lequyer
Rue Vaugirard 52 bis

Aantekeningen bij de Nederlandse tekst
A. Frédéric Zurcher (1816-1890): vriend van Jules Lequier (en Charles Renouvier), Polytechnique (klas van 1834).
B. Paul Michelot (1817-1885): vriend van Jules Lequier, Polytechnique (klas van 1834)
C. Waarschijnlijk Léon Guérin (1807-1885), schrijver, journalist, historicus en Frans dichter.
D. Charles Fourier (1772-1837): Franse filosoof.

Engelse vertaling
Prof. Viney, die ook de Franse taal meester is, heeft hier een Engelse vertaling aan toegevoegd.

Ik heb deze, samen met mijn eigen oorspronkelijke Engelse vertaling (die van mindere kwaliteit is dan die van Viney rechtstreeks uit het Frans) in een overzichtelijk pdf-document geplaatst, wat hier te vinden is.

In de verdere briefwisseling die ik had met Viney, gaf hij de informatie dat er aanwijzingen zijn dat naar alle waarschijnlijkheid de helft van het aantal gedrukte exemplaren is vernietigd.

There is some reason to believe that half of the 120 copies that Renouvier published may have been destroyed, or so Jean Grenier speculates in his little article “La première publication de La Recherche d’une première vérité” in Revue Philosophique de la France et de l’Étranger, LXXIX, 7-9 (1954): pp. 412-415. (zie voor dit artikel hier)

Dat betekent dus dat er nog maar ongeveer 60 exemplaren op de wereld van deze eerste uitgave beschikbaar zouden zijn. Aangezien zoals reeds opgemerkt, Charles Renouvier de exemplaren vooral als cadeau gaf aan liefhebbers en nabestaanden (onder wie William James), bevatten ze niet zelden een persoonlijke opdracht van Renouvier. Dat is ook het geval in mijn exemplaar. We lezen daar:

Opdracht groot LequierOffert en mémoire de leur vieux camarade à son ami F.Zurcher par l’éditeur C. Renouvier.

(Aangeboden ter herinnering aan hun oude kameraad aan zijn vriend F. Zurcher door de uitgever C. Renouvier).

De brief die is aangetroffen in mijn boek, blijkt na onderzoek inderdaad te zijn gericht aan Frédéric Zurcher (1816-1890). Deze studievriend van Lequier zwaaide in hetzelfde jaar af (1834) en klaarblijkelijk hadden ze in 1844 (het jaartal wat in potlood geschreven op de brief is geplaatst, waarschijnlijk door Zurcher) nog innig contact. Volgens gegevens van de Ecole Polytechnique was hij blond, met een onbedekt gezicht, grote neus, blauwe ogen, gemiddelde mond, ronde kin en 1,78 m lang. Na zijn studie werd hij succesvol marine-officier. Zurcher publiceerde bovendien veel populair wetenschappelijke boeken en artikelen (waaronder vijftien boeken over vulkanen, stormen, meteoren, gletsjers en de onderwaterwereld). In maart 1852 trad hij met Justine Camille Margolle in het huwelijk, waaruit twee jongens werden geboren die net als hun vader een militaire loopbaan hadden. Nadat hij het leger verlaat stort Zurcher zich tot het einde van zijn leven op het denken van Charles Fourier, wat hij met verve propageert.

Viney heeft de brief zoals opgemerkt ook aan de Franstalige autoriteit Goulven Le Brech laten zien en schrijft:

Goulven thinks that this letter is important in showing that, during his days in Paris, which may have been the most important of his life, Lequyer was at the center of a circle of friends with vast intellectual interests. Zurcher was, as the letter indicates, a follower of Fourierisme. François Marie Charles Fourier (1772-1837) was a social philosopher who advocated socialist ideas and is credited with first using the word “feminism.”

Dat het boek dus in bezit is geweest van Frédéric Zurcher, maken zowel de persoonlijke opdracht van Renouvier, als de aanwezige brief in het boek duidelijk.

De vondst is inmiddels ook internationaal opgemerkt, en gepubliceerd op het Jules Lequyer Archief: https://juleslequier.wordpress.com/2016/07/13/decouverte-dune-lettre-inedite-de-jules-lequier/.

Daarin wordt, naast mijn verkeerd geschreven naam, overigens ten onrecht een verbondenheid aan de universiteit Utrecht gesuggereerd; mij is verzekerd dat dit wordt gecorrigeerd.

Opdracht en voorblad LequierWat verder opvalt is dat dit boek opnieuw moet zijn gebonden. De reden daarvoor is dat zich in het boek tussen de pagina waarin het aantal gedrukte exemplaren wordt vermeld en de aanvang van het voorwoord van Renouvier, eeRichebourg Phot de la Couronnen pagina is toegevoegd met daarop de afbeelding van het gemaakte standbeeld van Lequier. Het standbeeld is pas in 1868 bij het graf van Lequier gebouwd, terwijl de uitgave stamt uit 1865. Op de ingevoegde pagina die duidelijk van zwaardere kwaliteit is dan de rest van de pagina’s, treffen we ook een stempel aan van ‘Richebourg Phot. de la Couronne. De onderste regel is niet goed zichtbaar, maar de zaak moet zijn gevestigd in Parijs aan de Quai de l’horloge 29. Een blik op Google Maps toont ons nu een theehuis. Speurwerk brengt me tot de waarschijnlijke fotograaf Pierre-Ambroise Richebourg (1810-1875).Stempel fotograaf

De stempels van Richebourg zijn zeldzaam (te vinden) en bevinden zich voornamelijk rond de jaren 1840-1870, als je zoekt in Google books. Het is zeer waarschijnlijk dat de foto rond deze tijd is gemaakt. Wat wel opvalt zijn de gelijkenissen met beschikbare foto’s op internet, wat vragen doet naar de originaliteit van de afbeelding.

Foto en oplageblad


Zo is deze indruk van de eerste druk niet het verhaal geworden van al te veel achtergronden wat betreft het boek en haar inhoud, maar meer van een verloren brief die weer gevonden is, en waar ik toch minstens 3 wereldburgers zeer mee heb verblijd. De brief is inmiddels ingelijst en een blik erop laat afdwalen naar de gelukkigere tijden van Lequier, waar hij zijn vriend schreef, zoals wij dat tegenwoordig nog maar zo zelden doen.

Noot
(1) Zoals waarschijnlijk is opgevallen, is de schrijfwijze van zijn achternaam op verschillende manieren mogelijk. Ik hanteer hier consequent ‘ Lequier’, omdat dit het meest gangbaar lijkt, maar juister is feitelijk ‘Léquyer’. Zijn geboortecertificaat vermeldt ‘Lequier’, maar dat is door zijn vader later gecorrigeerd tot ‘Lequyer’. Daarbij is het bekend dat Lequier zelf geregeld zijn naam op een verschillende wijze schreef. In de mij beschikbare brief heeft hij zich bedient van ‘Jules Léquyer’. Op zijn grafsteen in Plérin staat Lequyer.

Verder lezen?
Bronnen over Lequier. Gedeeltelijk overgenomen uit: Vincelette, A. (2009). Recent catholic philosophy. The 19th century.  Milwaukee, Wisconsin: Marquette University Press:

Lequiers vertaalde werk in het Engels: Translation of Works of Jules Lequyer: The Hornbeam Leaf, The Dialogue of the Predestinate and the Reprobate, Eugene and Theophilus, vert. Donald Wayne Viney (Lewiston: The Edwin Mellen Press, 1998); Jules Lequyer’s ‘Abel and Abel’ Followed by ‘Incidents in the Life and Death of Jules Lequyer’, vert. Mark West (Lewiston: The Edwin Mellen Press, 1999). Delen uit The Problem of Knowledge zijn vertaald in Philosophers Speak of God, Charles Hartshorne en William Reese, eds. (Chicago: University of Chicago Press, 1953), pp. 227- 230; The Hornbeam Leaf ook vertaald in 1974 door Harvey Brimmer en Jacqueline Delobel in “Jules Lequier’s The Hornbeam Leaf,” Philosophy in Context 3 (1974), pp. 94-100; en in The Dialogue of the Predestinate and the Reprobate door Donald Viney in Questions of Value Readings for Basic Philosophy (Needham Neights: Ginn Press, 1989).

Secundaire bronnen:
Russell, Leonard, “Review of La recherche d’une premiere vérité,” Mind 36 (1927), pp. 512-514; Grenier, Jean, La philosophie de Jules Lequier (Paris: Belles Lettres, 1936); Lazareff, Adolophe, “L’enterprise philosophique de Jules Lequier,” in Vie et Connaissance, Boris de Schloezer, ed. (Paris: Félix Alcan, 1948), pp. 21-40; Wahl, Jean, Jules Lequier: Introduction et choix (Paris: Trois Collines, 1948); Charlton, Donald, Positivist Thought in France during the Second Empire, 1852-1870 (Oxford: Clarendon Press, 1959), pp. 18-19, 232; Callot, Emile, Propos sur Lules Lequier: philosophe de la liberté (Paris: Marcel Riviere, 1962); Pasquali, Antonio, Fundamentos gnoseológicos para una ciencia de la moral ; ensayo sobre la formación de una theor’a especial del concimiento moral en las filosof’as de Kant, Lequier, Renouvier y Bergson (Caracas: Universidad Central de Venezuela, 1963); Tilliette, Xavier, Jules Lequier ou le tourment de la liberté (Paris: Desclée de Brouwer, 1964); Roggerone, Giuseppe, La via nuova di Lequier (Milan: Marzorati, 1968); Sipfle, David, “A Wager on Freedom,” International Philosophical Quarterly 8 (1968), pp. 200-211; Petterlini, Arnaldo, Jules Lequier e il problema della libertà (Milan: Vita e pensiero, 1969); Brimmer, Harvey, “Jules Lequier’s ‘The Hornbeam Leaf ’,” Philosophy in Context 3 (1974), pp. 94-100; Prontera, Angelo, ed., Libertà e Ontologia (Lecce: Milella, 1984); Viney, Donald, “Faith as a Creative Act: Kierkegaard and Lequier on the Relation of Faith and Reason,” in Faith and Creativity: Essays in Honor of Eugene H. Peters, George Nordgulen and George Shields, eds. (St. Louis: CBP Press, 1987); Shields, George, “Some Recent Philosophers and the Problem of Future Contingents,” The Midwest Quarterly 34 :3 (1993), pp. 294-309; Viney, Donald, “Review of La recherche d’une premiere vérité et autres textes,” Process Studies 23:4 (1994), pp. 290-291; Viney, Donald, “On the Trail of a French Philosopher of Genius: Jules Lequyer,” Pittsburgh State University Magazine 6:1 (1995), pp. 12-14; Tilliette, Xavier, “Lequier Lecture de Fichte,” in Fichte et la France, ed. Ives Radrizzani (Paris: Beauchesne, 1997), v. I, pp. 183-199; Viney, Donald, “Jules Lequyer and the Openness of God,” Faith and Philosophy 14:2 (1997), pp. 212-235; Viney, Donald, “William James on Free Will: The French Connection,” History of Philosophy Quarterly 14:1 (1997), pp. 29-52; Armellini Paolo, Lequier: La solitudine di Dio (Rome: Ed. studium, 1998); Viney, Donald, “The Nightmare of Necessity: Jules Lequyer’s Dialogue of the Predestinate and the Reprobate,” Journal of the Association for the Interdisciplinary Study of the Arts 5:1 (1999), pp. 19-32; Clair, André, Métaphysique et Existence: Essai sur la philosophie de Jules Lequier (Paris: Vrin, 2000); Pagani, Paolo, Libertà e non-contraddizione in Jules Lequier (Milan: F. Angeli, 2000); Josse, Jacques, Jules Lequier et la Bretagne (Moëlan-sur-mer: Blanc Silex, 2001); Le Brech, Goulven, Jules Lequier (Rennes: La Part Commune, 2007).

Lees ook:

  1. Indrukken bij de eerste druk V: Martin Heideggers Sein und Zeit uit 1927
  2. Indrukken bij de eerste druk IV: Derek Parfits Reasons and Persons uit 1984 in de hand (met een korte inleiding tot het boek)
  3. Indrukken bij de eerste druk III: H.L.A. Harts The Concept of Law uit 1961 in de hand (met een kleine rechtsfilosofische bijdrage)
  4. Indrukken bij de eerste druk II: John Henry Newmans Grammar of Assent uit 1870 in de hand
  5. Indrukken bij de eerste druk: Søren Kierkegaards Frygt og Bæven uit 1843 in de hand

 

 

En hier komt het geheim. Een bespreking van Garffs Kierkegaardbiografie

Deze recensie is geschreven voor 8Weekly en daar als eerste verschenen. Benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan nu een kijkje op de site aldaar!

Hier komt het geheim
Joakim Garff- Kierkegaard. Een biografie.

Joakim Garffs 800 pagina’s tellende biografie over de Deense filosoof Søren Kierkegaard (1813-1855) is 16 jaar na verschijning vertaald in het Nederlands door Edith Koenders en Jan Millekamp. De vermaarde, maar niet onomstreden biografie voegt een belangrijk hoofdstuk toe aan de groeiende Nederlandse Kierkegaard-bibliotheek.

kierkegaard biografieIn een inleidend werk uit 1952 noteert Gregor Malantschuk dat ‘De toekomst zal bewijzen of de belangstelling voor Søren Kierkegaard en zijn geschriften meer is dan een modeverschijnsel’ (p.11). Kierkegaard zelf heeft altijd volgehouden dat niet alleen zijn filosofie, maar juist ook zijn leven, ‘dat intrigerende geheim van de hele machinerie’, keer op keer bestudeerd zou worden en dat hij pas na zijn dood werkelijk goed begrepen kon worden. Inmiddels is duidelijk dat de internationale Kierkegaard-studie een van de meest veelomvattende hedendaagse filosofieprojecten vormt. Sinds het eerste nog uit het Duits vertaalde boek van Kierkegaard in 1886 verscheen, zijn willekeurig talloze artikelen en vertalingen verschenen, totdat Uitgeverij Damon vanaf 2006 begon met het systematisch uitgeven van Kierkegaards werk. Het einde daarvan is nog lang niet in zicht, waarbij een enkeling zelfs de hoop koestert dat Kierkegaards dagboeken ooit nog volledig in vertaling verschijnen. Dat nu bij Uitgeverij Ten Have de vertaling van Garffs geprezen Kierkegaard biografie verschenen is, bevestigt dat Kierkegaard ook in Nederland al lang geen modeverschijnsel meer is. Deze biografie maakt Kierkegaards leven en denken voor een nog breder publiek toegankelijk, zonder concessies te doen aan de complexiteit van diens karakter, denken en levenswandel.

Vertalen
corsaren3De Nederlandse vertaling is gebaseerd op de Deense jubileumuitgave die verscheen in 2013 ter gelegenheid van Kierkegaards 200ste geboortedag. Opvallend is dat een aantal hoofdstukken ontbreekt die in de oorspronkelijke uitgave uit 2000 en de daaropvolgende Duitse (2004) en Engelse vertaling (2005) wel zijn opgenomen. Volgens de uitgever omdat het voor de Nederlandse lezer om Deense, al te Deense uiteenzettingen zou gaan. Weggelaten is onder meer een beschouwing van het ondergrondse Kopenhagen destijds evenals een vermakelijke uiteenzetting van een nooit door Kierkegaard gepubliceerd werk over literaire snoeverij bij monde van A.B.C.D.E.F. Godthaab. Toch de moeite van het lezen waard, en voor wie Kierkegaard nog beter binnen zijn Deense context verstaan wil, zeker niet overbodig. Wie het Deens niet machtig is, maar wel die achtergronden wil lezen, kan altijd nog terecht bij de Engelse vertaling van Bruce Kirmmse.

De Nederlandse vertaling is al met al een 70 pagina’s ingekort, waar de lezer voor zolang hij het niet doorheeft niets van merkt. De vertalers hebben daarbij een complex werk dat aaneenhangt van nooit eerder vertaalde brieven, dagboekpassages, rapporten, krantenknipsels en de nodige filosofische fragmenten, om weten te zetten naar een vlot lezende tekst.

Vermaard controversieel
corsaren2De oorspronkelijke uitgave, die de belangrijke Deense ‘George Brandes literatuurprijs’ won, is desalniettemin sinds verschijnen onderwerp van stevig academisch debat. Hoewel internationaal vrijwel alle recensies lovend zijn, heeft met name Peter Tudvad in uiteenlopende commentaren gewezen op de vele fouten die te vinden zouden zijn in de biografie. Garff zou fouten en valse speculaties uit secundaire literaire bronnen hebben overgenomen en bovendien gedreven door sensatiezucht Kierkegaard een nauwelijks onderbouwde duw hebben gegeven richting het beeld van een dweperige dandy. Garff zou ook geregeld met een Freudiaanse bril op geneigd zijn tot absurde insinuaties, en toegegeven: ‘Met ambivalente gevoelens en misplaatste loyaliteit, die haast te vergelijken is met de paradoxale toewijding van een incestslachtoffer, laat Kierkegaard ons meestal tussen haakjes weten dat zijn vader de beste van alle vaders is’ (p. 39-40), is op zijn minst een ongelukkige woordkeuze.

In het in 2004 verschenen artikel En uvidenskabelig biografi om Kierkegaard stelt Tudvad vast dat Garff bovendien schuldig is aan plagiaat, vanwege het geregeld zonder (juiste) bronvermelding overnemen van teksten uit eerdere Kierkegaardstudies, met name Jørgen Bukdahls Søren Kierkegaard og den menige mand uit 1961. Ondanks zijn faam zou het boek zonder twijfel ‘afgewezen worden als masterscriptie’ maar desondanks ‘wordt het als de meest gezaghebbende biografie beschouwd van wellicht de grootste Deense denker allertijden’.

Naast deze scherpe kritiek wijst ook de Amerikaanse filosofe Marilyn Piety al geruime tijd op de onterechte waardering die Garff ontvangt. Haar felle aanvaringen met de vertaler van de Engelse uitgave Bruce Kirmmse zouden zelfs op vriendjespolitiek duiden en het moedwillig verbloemen van frauduleuze passages. Een nader te verschijnen studie van haar hand getiteld Fear and Dissembling: The Copenhagen Kierkegaard Controversy zou een definitief overzicht moeten geven van de lacunes in Garffs biografie, en het probleem van het onderscheiden van biografische feiten en fictie.

Het is echter de vraag of deze studie ooit het daglicht zal zien, nu deze al enige jaren is vertraagd en Garff met de jubileumeditie een aantal kritiekpunten lijkt te hebben ontmanteld. Althans, in zijn nieuwe voorwoord noteert Garff dat ‘voor zover de omstandigheden dat toelieten’ hij de aantekeningen die Tudvad heeft geplaatst bij zijn academische aanpak in de oorspronkelijke uitgave in deze editie ten goede heeft laten komen. Dat is een vriendelijke manier van zeggen dat hij zich de kritiek enigszins heeft aangetrokken. De psychoanalytische kijk en het beeld van de jonge Kierkegaard als ijdele dandy zijn echter niet verdwenen. Overigens ironisch genoeg liet Kierkegaard zich in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten nooit fotograferen, waardoor we zo weinig idee hebben van hoe ‘deze scheve kabouter met zijn te hoge schouders en dunne benen’ (p. 296) er werkelijk uitzag. De bekende romantische beeltenis van de jonge Kierkegaard getekend door zijn neef Niels Christian Kierkegaard siert ook de Nederlandse cover.

‘Het heeft geen nut om te lijden zoals ik lijd en dan niets te doen als je leven toch geen enkele betekenis heeft. Maar hier komt het geheim: de betekenis van mijn leven correspondeert juist met mijn lijden.’

Hij werd geboren, werkte en stierf
corsaren1Het leven van Kierkegaard laat zich in enkele regels vertellen, noteert Frits Florin in een bloemlezing (2003). Het zou ook weinig spectaculair zijn. Dat zijn twee vergissingen: wie Kierkegaards levensverhaal bestudeert, komt onvermijdelijk tot de conclusie dat Kierkegaard meer overhoop heeft gehaald in 43 levensjaren dan menigeen voor zich zou wensen. Ook het eenvoudige leven kan spectaculair zijn. Kierkegaards ambivalente jeugd, dramatische liefdesverhouding met Regine Olsen, voortdurende opstand tegen de massa en de verwoestende aanvallen op de Deense Staatskerk: dat is opzienbarend. Daarbij, iemands leven in enkele regels uit de doeken doen is juist bij Kierkegaard de valkuil die men moet vermijden, omdat geen levenswandel zo verbonden is met de filosofische ontwikkeling als bij Kierkegaard.

Garff verweeft wat dat betreft nadrukkelijk leven en denken met elkaar, en erkent in zijn inleiding dat hij kritischer, historischer en minder eerbiedig te werk is gegaan dan voorgangers. Niet alleen de grote gebeurtenissen, maar ook de kleine voorvallen en bijkomstigheden moeten verteld worden. De biografie is een zoektocht geweest naar ‘de scheuren in het graniet van zijn genie, naar de gekte die vlak onder de oppervlakte school, naar zijn intensiteit en de prijs die hij (…) heeft moeten betalen voor zijn maniakale geschrijf, en naar de onpeilbare ondoorgrondelijkheid van deze man, met wie je nooit helemaal klaar bent’ (p. 17). Met dit boek heeft Garff beoogt ‘zo uitgebreid mogelijk een complexe Kierkegaard te beschrijven’ (idem).

Garff heeft ervoor gekozen het verhaal van geboorte tot na de dood onder te kierkegaardverdelen in vijf kenmerkende perioden waarbij de belangrijkste bronnen Kierkegaards correspondentie en dagboekfragmenten zijn. Opmerkelijk is dat Kierkegaards roemruchte notitie IV A 85 ontbreekt in een herschreven hoofdstuk ‘Oefening achter de coulissen’ waarin hij schreef: ‘Na mijn dood, en dat is mij een troost, zal niemand in mijn papieren één verklaring vinden over datgene wat eigenlijk mijn leven vervuld heeft; niemand zal in mijn innerlijk de sleutel vinden die alles verklaart (….)’. Wellicht heeft Garff gemeend dat hoe hij dit ook uitlegt of nuanceert het een te grote schaduw werpt op de biografische poging.

Een ander belangrijke bron die Garff benut is Kierkegaards Gezichtspunt voor mijn schrijverswerkzaamheid (vert. 2015) waarin Kierkegaard een verantwoording geeft over de totstandkoming en duiding van zijn (pseudonieme) geschriften. Hier toont zich de moeilijkheid van ‘objectieve levensbeschrijving’. Garff geeft niet louter een presentatie van levensfeiten, maar kiest bewust voor een interpretatie waarin hij in dit geval veronderstelt dat Kierkegaards autobiografische verantwoording een product is van de fantasie met hier en daar een passage die ‘het midden houdt tussen een vervalsing en een parodie’ van de realiteit (p. 542). C. Stephen Evans (2009) betwist dit punt echter stellig en wijst op de gevolgen voor de Kierkegaard-studie wanneer men uitgaat van zulke ‘postmoderne verwijten’. Volgens Evans moeten we Kierkegaard meer geloofwaardigheid toekennen in zijn bekentenissen, dan Garff veronderstelt.

Veelkleurige vertelling
Garff laat er geen misverstand over bestaan dat zijn studie een poging is om de afstand tussen het vertellen van een goed verhaal en het presenteren van een ware geschiedenis zo klein mogelijk te houden. In dat opzicht leest zijn biografie als een sterk gedocumenteerde roman, en is ze veel uitgebreider en beter dan Peter Thielsts Het verhaal van Søren Kierkegaard. Roman over het leven van een filosoof (vert. 1999). Uit de lucht gegrepen beweringen dat Kierkegaard een trouw bezoeker zou zijn van het bordeel en wijnhuis (p. 144), treft men in Garff niet aan zonder het nodige voorbehoud (p. 112-118). Garff is ook toegankelijker dan de bijna 500 pagina’s tellende ‘intellectuele biografie’ Kierkegaard A Biography van Alastair Hannay (2001) die als eerste alternatief van recente Kierkegaard-biografieën moet worden genoemd. Ook Hannay is overigens breed bekritiseerd, wat eens temeer duidelijk maakt dat er niet zoiets kan bestaan als de ‘definitieve biografie’ waarmee uitgever Ten Have schermt of een ‘waarschijnlijk definitieve presentatie van feiten’ zoals de Frankfurter Algemeine Zeitung meende. Daarvoor heeft Kierkegaard teveel raadsels en geheimen achtergelaten.

Garffs biografie is een veelkleurige vertelling die op eigen wijze deze geheimen en raadsels tegemoet treedt en dat indrukwekkend doet. Zolang er geen gelijkwaardige biografische inspanningen het daglicht zien, is dit boek nu ook voor de Nederlandse Kierkegaardlezers een eerste en onmisbare toegang tot het leven en denken van de Deense spion in dienst van het Hogere.

Jezelf anders zien: een bespreking van Jan Keijs alternatieve Kierkegaardstudie

Deze recensie is geschreven voor 8Weekly en daar als eerste verschenen. Benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan nu een kijkje op de site aldaar!

De Deense filosoof Kierkegaard (1813-1855) interpreteren vanuit een seculier of atheïstisch oogpunt; is dat revolutionair of eerder provocerend? Jan Keij excuseert zich er overmatig voor en presenteert een alternatieve inleiding voor gevorderden.

soren kierkegaardTerwijl Kierkegaard-minnend Nederland uitziet naar de lang verwachte vertaling van het Afsluitend onwetenschappelijk naschrift of het te verschijnen biografische standaardwerk van Joakim Garff voor ons taalgebied, is er Jan Keij met een nieuwe Kierkegaard-studie. Keij, gepromoveerd op de Frans-joodse filosoof Levinas, belooft in Kierkegaard anders gezien ‘een geheel eigen en nieuwe kijk op Kierkegaard’. Dat zou revolutionair zijn, want de (internationale) Kierkegaard-studie is een van de meest veelzijdige en becommentarieerde gebieden in de hedendaagse wijsbegeerte. Er is werkelijk niet veel onontgonnen terrein over om nog met ‘een geheel nieuwe kijk’ op Kierkegaard te komen.

Keij lijkt dan ook niet zozeer met iets nieuws te komen, maar eerder met een ongebruikelijke invalshoek. Vanuit zijn kennis van Nietzsche en Levinas en met behulp van het deconstructivisme van Derrida komt hij met een postmoderne interpretatie van Kierkegaard, waarbij Kierkegaard ruimte lijkt te verschaffen voor een seculiere levensbeschouwing. De kritiek op postmoderne interpretaties van Kierkegaard is al vaak benadrukt (vgl. Walsh 1991, Rudd 1998), wat niet betekent dat er niets goeds van kan komen (Dooley, 2001).

Gevorderden
Keijs hele boek leest als een inleiding op Kierkegaard voor gevorderden waarbij belangrijke inzichten van Kierkegaard zoals angst, vrijheid, geest, zelf en paradox uiteen worden gezet op een manier die voor de hand lijkt te liggen. Rode draad van het boek is een schema dat grotendeels ontleent is aan de opening geschreven door Kierkegaards pseudoniem Anti-Climacus in De ziekte tot de dood:

    ‘De mens is geest. Maar wat is geest?  Geest is het zelf. Maar wat is het zelf? Het zelf is een verhouding die zich tot zichzelf verhoudt. Het zelf is niet de verhouding, maar dat de verhouding zich tot zichzelf verhoudt (…).’

Kierkegaards knipoog naar de Duitse filosoof G.W.F. Hegel (1770-1831) in deze tekst, die bekend stond om zijn ondoorgrondelijke taalgebruik, wordt door Keij verder opgepakt, uitgelegd en uitgewerkt.

Keij plaatst Kierkegaards verhouding tot Hegel, die met zijn dialectisch Systeem het individu leek te vernietigen, in perspectief waarbij Kierkegaard als differentiedenker of verschildenker wordt opgevat: iemand die fundamentele kritiek levert op eenheids- of systeemdenken. Het individu, de enkeling, die ene mens, kan nooit opgeheven worden in een krachtenspel van ideologieën. Kierkegaards excentrische positionaliteit, de mens beschouwend als ‘dat dubbelzinnige, dialectische wezen van het tijdelijke en het eeuwige, van lichaam en ziel, van vrijheid en noodzaak, van eindigheid en oneindigheid’ (p. 72) toont de mens die ten diepste appèlgevoelig, zich tot zichzelf en de ander verhoudt zonder er mee samen te vallen.

De Franse denker Gilles Deleuze zag Kierkegaard in 1968 in Différence et répétition al als voorloper van het differentiedenken. Keij borduurt daar op voort en combineert existentiële thema’s zoals verveling, wanhoop en het huwelijk met de opvatting dat Kierkegaards filosofie net als die van Levinas het absolute verschil van het menselijke individu benadrukt. Ieder mens is uitzonderlijk verschillend van anderen, wat hem juist deelgenoot maakt van de mens. Dit kader tenslotte reikt allerlei mogelijkheden aan om Kierkegaards filosofie op onszelf te betrekken en na te gaan welke betekenis deze heeft voor mij. Hoe kan ik handelen? Hoe zou ik leven? Wie ben ik?

Aanstoot
Zoals opgemerkt leest het boek als een inleiding voor gevorderden. Er zijn zelfs een bibliografie en register aanwezig. Juist daarom is het storend dat Keij zijn hele verhaal opbouwt met het knippen en plakken van fragmentjes uit Kierkegaards oeuvre zonder context. Citaten met paginaverwijzingen naar de seculieroriginele bron zijn bij uitstek in filosofische werken een must. Daarnaast dient het de lezer duidelijker te zijn dat alle citaten nadrukkelijk worden verdedigd door een pseudoniem van Kierkegaard en niet door Kierkegaard zelf. Keij schenkt aan dat laatste wel minieme aandacht (p. 25), maar lijkt het zo uit te leggen dat daarmee zijn eigen interpretaties dus gelegitimeerd zijn: hij reageert niet op Kierkegaard, maar op ‘een derde’. Is dat Kierkegaard anders zien?

Een ander opvallend kenmerk van het boek, is Keijs nadrukkelijk aanwezige angst -of beter vrees- om zijn seculiere lezer te verliezen of voor het hoofd te stoten. De door het boek verweven bewegingen van anti-metafysering, waarmee Keij met veel moeite zijn seculiere lezers tracht te behouden, zijn de zwakste schakels in het lopende verhaal. ‘We moeten zelf de Messias zijn’, schrijft Keij (p.253). Dat Kierkegaard zijn hele schrijverswerkzaamheid heeft verklaard vanuit maar één doel, namelijk om christen te worden, vindt Keij niet zo relevant: uit de teksten kan men ook op een creatieve manier een humanisme abstraheren. De Liefde is een universeel menselijke waarde, waarvoor het christendom niet nodig is om dat te begrijpen. God kan worden afgeschaft, zijn bestaan doet er niet toe. Kierkegaard veegt bij monde van eveneens Anti-Climacus de vloer aan met dergelijke opvattingen in Oefening in Christendom (vgl. Taels, 1991, p. 158), maar Keij lijkt zich te verschuilen achter een hermeneutiek die synoniem lijkt voor anything goes. En gek genoeg is dat ook weer de kracht van het boek: het levert een vrije filosofische oefening op.

‘Hier ben ik’
Het bezwaarde gemoed en de onschuldWant Keij toont zich wel een echte denker die de lezer nadrukkelijk bij de hand neemt en hardop diepzinnig speculeert over grote thema’s van het leven op basis van handreikingen die hij bij Kierkegaard aantreft. Leunend op het adagium dat de subjectiviteit, de innerlijkheid de waarheid is, mondt het hoogtepunt van het boek uit in een onvermijdelijke interpretatie van Kierkegaards klassieker Vrees en beven. Met  inzichten van Levinas en Derrida zet Keij het Offer van Abraham zo uiteen, dat de lezer telkens gedwongen wordt zich reflexief te verhouden tot de tekst. Keijs demystificatie en ontreligisering pakken hier goed uit, al rust een en ander erg zwaar op Derrida’s interpretatie van Vrees en beven in De gave van de dood. Het appèl dat Keij uiteindelijk op de lezer doet kan worden samengevat als: ‘Hier ben ik!’ En gelijk Abraham het zei tegen God, zouden wij het vaker moeten zeggen tegen onszelf.

Keij heeft een werk afgeleverd waarin de lezer aan het werk wordt gezet. Het is geen eenvoudig boek, maar binnen het perspectievencircus die de filosofie kan zijn, heeft Keij voor het Nederlandse taalgebied een aparte inleiding op Kierkegaard geschreven, waarin vele lezers veel verschillende dingen zullen ontdekken. Enerzijds 2 sterren vanwege genoemde bezwaren, maar anderzijds 4 sterren  vanwege de diepte die Keij in de interpretatie  weet te leggen. Kierkegaard zou dan uitkomen op 3 1/2 ster.

 
Verder lezen:

Kierkegaard anders gezien. Over de denker die het verschil maakt
Schrijver: Jan Keij
Uitgever: Boekencentrum B.V.
Prijs: €19,95
Bladzijden: 268
ISBN: 9789086871681

– Walsh, S. (1991). Kierkegaard and postmodernism. International Journal for Philosophy of Religion 29 (2):113-122.
– Rudd, A. (1998). Kierkegaard’s Critique of Pure Irony in: Pattison, G. & Shakespeare, S., Kierkegaard on Self and Society, p. 82-96.
– Dooley, M. (2001). The Politics of Exodus. Soren Kierkegaard’s Ethics of Responsibility.
– Taels, J. (1991). Soren Kierkegaard als filosoof. De weg terug naar het subject.
– Derrida, J. (2006). De gave van de dood.

Filosofische kruimels XI

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2014 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XI van XII.

De Korsaar-affaire

‘Ik zou alleen willen dat ik spoedig in de Korsaar kwam. Het is toch werkelijk hard voor een arme schrijver zo apart te staan in de Deense literatuur, om de enige te zijn die daarin nog niet is uitgescholden.’
Søren Kierkegaard in Het Vaderland (1845). Vertaling uit: Kierkegaard’s Writings, XIII: The Corsair Affair and Articles Related to the Writings, onder redactie van Howard en Edna Hong (1982).

Een van de meest fenomenale, complexe en tragische polemieken die de filosofische geschiedenis rijk is, is de zogenaamde Korsaar-affaire waar Søren Kierkegaard (1813-1855) in verzeild raakte. De Korsaar was een Deense satirische krant opgericht door Meir Goldschmidt, die spoedig de grootste oplage had van het land. Veel mensen spraken er ondertussen wel schande van. Toch schreven er grote namen voor het blad die de vloer aanveegden met bekende Denen, alleen deden ze dat altijd onder pseudoniem of verdekt door een gekochte naam te gebruiken. Kierkegaard, met zijn ongekende scherpe pen en polemische stijl, werd door vele welgestelden in Kopenhagen beschouwd als de ideale opponent om dat ‘vuige roddelblad’ eens goed aan te pakken. In 1845 zag hij een kans om de strijd aan te gaan. In een messcherpe satire geschreven onder pseudoniem Frater Taciturnus in de krant Het Vaderland, daagde hij de Korsaar uit om eens met hem de spot te drijven. Goldschmidt, die altijd erg op had gekeken tegen Kierkegaard, hoopte dat Kierkegaard zijn woorden terug zou nemen. Maar dat gebeurde niet en de Korsaar gaf waarom werd gevraagd. Kierkegaard werd jarenlang bespot en kon zich al gauw nauwelijks nog vertonen in openbare gelegenheden. Alle vooraanstaanden lieden die hem hadden aangespoord, waren nu plotseling naïef geworden en ‘wisten werkelijk nergens van’…

©Veenmedia.nl
________________________

Wat blijft…

‘Tussen ‘iets’ en ‘niets’ ligt- net als tussen ‘iets’ en ‘iets anders’- namelijk een soort ruimte, die weliswaar niet door iets (en dus door niets) wordt ingenomen, maar die wel degelijk bestaat (en dus is).’
Patricia De Martelaere in Wat blijft (2002).

In een buitengewoon aardig essay dat verscheen in 2002 ter gelegenheid van de maand van de filosofie, buigt de Belgische filosofe Patricia De Martelaere zich over de vraag “wat blijft?”. Vanuit een aanstekelijke verwondering toont ze de mens als een gevangen wezen tussen betoverde en onttoverde werkelijkheid, zoekend welke kant hij moet kiezen. De religie als meest triomfantelijke overwinning op het idee van de vergankelijkheid, lijkt onder aanvallen van Hume, Nietzsche, Sartre en niet in de laatste plaats het darwinisme te zijn bezweken. De onsterfelijke ziel is gestorven en daarmee misschien ook een beetje de mens zelf. Het enige wat werkelijk nog blijft, is een worden, een radicaal uitzichtloos worden. Want als het worden tot niets leidt, wat is het dan? Gisteren een aap, vandaag een mens, morgen van de aardbodem verdwenen. Net zoals de aarde zelf zal verdwijnen. Wat blijft er dan nog? Wat geeft zin?

De Martelaere zelf was bij leven een mysterie en als denker vooral geïnteresseerd in verhoudingen tot het leven en de dood. In 2009 stierf ze op 51-jarige leeftijd aan een hersentumor, waarbij ze, misschien wel volgens haar eigen idee weer terugkeerde naar dat wat is tussen niets en iets.

©Veenmedia.nl
________________________

‘Het recht bestaat namelijk niet alleen uit regels, maar ook uit beginselen.’
Ronald Dworkin in Taking Rights Seriously (1977).

Ronald Dworkin (1931-2013) die de leerstoel een Oxford van de eveneens wereldberoemde rechtsfilosoof H.L.A. Hart (1907-1992) overnam, maakte in Taking Rights Seriously korte metten met zijn voorganger. Het boek is vooral een kritiek op diens rechtspositivisme (heel kort gezegd: wet is wet). Om zijn bezwaren tegen het rechtspositivisme duidelijk te maken put Dworkin uit de zaak Riggs tegen Palmer uit 1889. In deze zaak moest een Amerikaans gerechtshof oordelen of een moordenaar (kleinzoon) kon erven van zijn slachtoffer (grootvader). Er was geen geschreven wet of jurisprudentie voorhanden waaruit was af te leiden dat een moordenaar niet zou mogen erven van zijn slachtoffer. Desondanks besloot het hof de moordenaar de nalatenschap te ontzeggen. Volgens Dworkin terecht: het morele beginsel ‘niemand mag van zijn misdaad profiteren’ moet als recht gelden wanneer het bijdraagt aan de beste morele rechtvaardiging van de rechtspraktijk in een samenleving als geheel.

©Veenmedia.nl
________________________

In gesprek met Kierkegaard: een inleiding voor de niet ingeleiden

Op 5 mei 2013 vierde schrijver en denker Søren Kierkegaard wereldwijd zijn 200e geboortejaar. Reden voor een kort onderhoud met de Deen. Het werd een leerzame ontmoeting.

sw: Goedendag Magister, hoe maakt u het?
SK: Uitstekend. Ik mag wel zeggen dat ik springlevend ben.
sw: Dat kunt u wel stellen. In Brussel komt er een conferentie over u, in Kopenhagen is nu een tentoonstelling over u en de Liefde, nog steeds verschijnen er jaarlijks wereldwijd tientallen proefschriften over uw gedachtengoed en in ons eigen land wordt al jaren gewerkt aan een systematische uitgave van al uw schrijven.
SK: In alle gevallen kan ik zeggen: het verbaast mij niets. Ik had namelijk zelf al voorspeld dat alleen al mijn in 1843 gepubliceerde Vrees en beven voldoende zou zijn om mijn naam als schrijver onsterfelijk te maken. Dat het gelezen en herlezen zou worden en vertaald in vele talen.
sw: Zoiets las ik in uw dagboeken. Toch is het eigenlijk verbazingwekkend. Ik bedoel, gelet op de bescheiden verkoop van 321 exemplaren van dat boek, ook nog eens geschreven in een hele kleine taal.
SK: Een kleine taal? Het Deens is een van de grootste talen die ik ken. Het biedt een ontzettende variëteit aan subtiliteiten en is ongekend in zijn mogelijkheden tot ironie. Ik stond er zelfs op dat ik mijn proefschrift over het begrip ironie in het Deens mocht aanleveren in plaats van in het Latijn. Maar u bedoelt natuurlijk dat ik schreef voor aanvankelijk een klein taalgebied. Ik heb echter altijd ieder individu voor ogen gehad.
sw: Neemt u mij niet kwalijk. U heeft gelijk. Maar nu u toch spreekt over het individu – u wordt vaak als de vader van het existentialisme beschouwd. Doet deze titel u deugd?
SK: Geenszins – het benauwt me eerder! Natuurlijk, ik schreef over keuze, wanhoop, authenticiteit, verantwoordelijkheid, angst, het absurde en bovenal schreef ik over vrijheid. Thema’s die men later als centrale thema’s van ‘het existentialisme’ is gaan beschouwen. Als ik echter één ding in mijn leven heb geprobeerd te vermijden, dan is het wel om te worden geplaatst binnen een of andere stroming of in een hokje. Maar akkoord, ik begrijp heel goed hoe geschiedschrijvers van de wijsbegeerte te werk gaan.
sw: O, hoe dan?
SK: Nu ja, het is uiteindelijk onvermijdelijk om iemand te duiden en hem zijn plaats toe te kennen in de geschiedenis. Zo kan ik bijvoorbeeld ook nooit helemaal begrepen worden zonder te verwijzen naar de Duitse filosoof G.W.F Hegel.
sw: Dat was geloof ik niet uw beste vriend.
SK: Ik heb hem natuurlijk nooit ontmoet – hij stierf toen ik 18 was –, maar wat betreft zijn denkbeelden kan hij rekenen op mijn tegenstand. Daar kon nooit iets goeds van komen.
sw: U heeft hem zelfs ooit verweten het intellectuele leven van een hele generatie te hebben ontmenselijkt.
SK: Ja, dat was wat hard aangezet, maar mijn grootste verwijt is inderdaad dat ik vind dat deze complexe systeemdenker in een soort wereldhistorische verstrooidheid totaal vergat wat het betekent mens te zijn.
sw: Iets wat u in een van de grootste werken Of/Of ook uit 1843 wel heeft geprobeerd te ontdekken, met als belangrijke les: mens zijn is keuzes maken.
SK: Absoluut. En niet alleen in Of/Of werk ik dat uit. In al mijn werken ben ik op zoek naar die enkeling die zich voor een keuze gesteld ziet. Denk bijvoorbeeld ook aan mijn grootse aanval op Hegel in het Afsluitend Onwetenschappelijke Naschrift uit 1846. Mensen herinneren zich dat boek vooral vanwege het beroemde adagium: de subjectiviteit is de waarheid. Omdat een objectieve waarheid niet kan worden geleefd, moest ik op zoek gaan naar een waarheid voor mij. Ik moest dat idee vinden waarvoor ik wilde leven en sterven. En dat is wat ik heb geprobeerd uit te drukken aan een ieder, zodat ook hij voor zichzelf op zoek kan gaan.
sw: Toch voelde u zich erg onbegrepen. U heeft wel eens gezegd: de mensen begrijpen mij zo slecht dat ze mijn geklaag dat ik niet begrepen wordt, niet eens begrijpen.
SK: Tja, u mag mij gerust beschouwen als de Horzel van Kopenhagen. Mensen vonden mij een vreemde, soms vervelende snuiter. Ik heb altijd gevoeld dat ik mijn tijd eeuwen vooruit was en daar heeft men over het algemeen moeite mee.
sw: Akkoord, maar waar men ook moeite mee had, was het ogenschijnlijk hardvochtig verbreken van uw verloving met Regine Olsen in 1841. Dat vond men bepaald niet chique.
SK: We hadden vooraf afgesproken dat we niet over mevrouw Olsen zouden spreken. En als u er toch meer over wilt weten, verwijs ik u graag naar de duizenden commentaren die over mevrouw Olsen en mij zijn geschreven.
sw: Heeft u er geen spijt van?
SK: Ze heeft haar eigen pad gekozen, ze heeft een gelukkig leven geleid en ze is mij nooit vergeten. Ik verbrak de verloving inderdaad, maar ik heb me voor eeuwig met haar verbonden in mijn denken en schrijven. Daar laat ik het bij.
sw: Zijn er dingen waar u spijt van heeft?
SK: Ik heb altijd geleefd voor dat ene idee. Ik vond dat idee in het Christendom. En dan bedoel ik niet het christendom wat geclaimd is door een of andere kerk of systeem. Nee, ik bedoel mijn verhouding tot de God van Abraham, Isaak en Jacob die ik niet kan bewijzen. Daar ben ik altijd mee bezig geweest. Dat heeft me veel gekost, en het is de reden waarom mannen als Sartre en Heidegger mij zo weinig durfden te noemen in hun werk.
sw: Omdat het u uiteindelijk om het religieuze te doen was? Om die beroemde ‘sprong van geloof’?
SK: Wie zijn leven geeft voor het religieuze, weet dat hij veel op het spel zet. Maar ik had niet anders gewild. Wel zijn er vele momenten waarop ik nog wel eens terugkijk en denk: Søren, dat had je anders moeten inschatten.
sw: Kunt u een voorbeeld geven?
SK: Nou, voor de hand ligt de Korsaar-affaire. De Korsaar was een soort roddelblad waarover iedereen schande sprak, maar ondertussen werd het gretig gelezen. Met allerlei bekende Denen werd op een laffe manier de spot gedreven. Ik heb dat belangstellend aangezien, maar werd door vele mensen aangespoord er iets tegen te doen.
sw: En u liet zich verleiden?
SK: Nu ja, ik moet zeggen, ik hou wel van een goede polemiek. Eind 1845 schreef ik daarom onder een van mijn vele bekende pseudoniemen een messcherpe satire in de krant Het Vaderland. Als Frater Taciturnus daagde ik daarin de Korsaar uit om eens met mij de spot te drijven. Want ik had toch het idee dat ik als enige bekende Deen nog niet aan de beurt geweest was!
sw: En u kwam aan de beurt…
SK: En niet te zuinig. Jarenlang werd ik bespot in die krant. Het werd zelfs zo erg dat ik op een gegeven moment niet meer normaal over straat kon.
sw: Kreeg u geen steun van de mensen die u hadden aangespoord iets te ondernemen?
SK: Ach nee, die wisten allemaal plotseling nergens meer van. Maar dat had ik verwacht. Mensen zijn nu eenmaal niet geneigd de waarheid hardop te spreken als ze er gedonder mee kunnen krijgen.
sw: Dus deed u het voor hen.
SK: Zo kun je dat zien. Denk bijvoorbeeld ook maar eens aan een van mijn laatste en tevens felste projecten: die tegen de Deense staatskerk. Een kerk die het volk in slaap had weten te sukkelen, in plaats van in vuur en vlam te zetten voor zo iets wezenlijks als het geloof.
sw: U vroeg er letterlijk een ogenblik de aandacht voor.
SK: Juist. Zoals ik permanent de aandacht zal blijven vragen te denken voor jezelf. Ontstijg de anonieme massa, onderzoek de mogelijkheden van de vrijheid, ontdek de schone waarheid en leef bovenal voorwaarts.
sw: Ik denk dat we ons geen betere boodschap kunnen wensen voor deze hedendaagse tijd. Ik dank u hartelijk voor uw tijd en iets zegt me dat uw denken ook de komende jaren niet verstilt.
SK: Geen dank. Ik ben blij dat ik mij telkens weer voor een nieuwe generatie mag herhalen. En wellicht ontmoeten we elkaar weer in 2055. Wie weet, wie weet…

Geraadpleegde bronnen:
Lowrie, Walter (1959). Het leven van Kierkegaard.
Thulstrup, Niels (1980). Kierkegaard’s relation to Hegel.
Polet, Cora (1991). Søren Kierkegaard: Dagboeken.
Garff, Joakim (2005). Søren Kierkegaard: A Biography.
Cox, Gary (2008). The Sartre dictionary.
Hong, Howard and Edna (2009). Kierkegaard’s Writings, XIII: The “Corsair Affair” and Articles Related to the Writings.

Dit artikel werd gepubliceerd voor 8Weekly. Zie voor speciale versie inclusief informatieve links:
200 jaar Kierkegaard: een kennismaking met een enkeling

 

Filosofische kruimels III

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2012 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel III van IV.

Kiezen

‘Ik moet hem wel martelen, anders zullen vele mensen sterven.’

Jack Bauer in gesprek met president David Palmerin de Amerikaanse tv-serie 24

In de bekroonde Amerikaanse televisieserie 24 neemt geheimagent Jack Bauer (Kiefer Sutherland) van de anti-terreur eenheid CTU het acht seizoenen lang op tegen allerlei geboefte. Bauer krijgt te maken met dreigingen die 11 september geregeld overtreffen. De kijker volgt realtime alle verrichtingen van Bauer en zijn kompanen. Iedere aflevering representeert dan ook een echt uur. Hoewel de serie constant balanceert op de rand van geloofwaardigheid en daar geregeld van afkukelt, slagen de makers er uitstekend in uiterst ingewikkelde ethische dilemma’s voor te schotelen. Het constante spanningsveld tussen het utilitarisme en de deontologie vormt daarbij het uitgangspunt.

Hoezeer we ook hechten aan mensenrechten en hoezeer we ook geloven dat martelen nooit een oplossing kan zijn, in 24 wordt zelfs de meest verstokte Kantiaan aan het twijfelen gebracht. Niet in de laatste plaats door de gekwelde doch sympathieke geheimagent, die alles doet wat de wet verboden heeft, maar desondanks integer lijkt en maar één doel voor ogen heeft: het redden van zoveel mogelijk levens. Of zoals Bauer het zou zeggen: ‘Millions of lives are at stake. So you’re gonna tell me were the nuclear device is or you’re going to start losing your fingers one by one.’

© Veenmedia.nl
________________________

Geheime code

 ‘Rosabelle – answer – tell – pray, answer – look – tell – answer, answer – tell.’

Uiterst sceptisch over spiritualiteit en het bovennatuurlijke besloot boeienkoning Harry Houdini (1874-1926) tot de ultieme test. Voordat hij stierf gaf hij zijn vrouw een code, die alleen zij wist. Als hij contact zou kunnen maken vanuit het hiernamaals, zou deze code het bewijs zijn dat het daadwerkelijk hij was die sprak. Na tientallen seances was er echter nog geen medium geweest die de code had gehoord. Zijn vrouw heeft uiteindelijk de geheime code onthuld: Rosabelle, geloof! Sindsdien en tot op de dag van vandaag krijgen mediums de boodschap van Harry door.

© Veenmedia.nl
________________________

Nietigheid

‘Daarna werd ik wakker en schaamde me voor mijn ijdelheid en laagheid, en in een soort berouw sloeg ik een kruis.’

Nachtelijke droomervaring van Ludwig Wittgenstein in Licht en schaduw. Een droom en een brief over religie (2004)

Een aantekening in zijn dagboek van 13 januari 1922 laat ons een bijzondere droomervaring zien van Wittgenstein (1889-1951). Nadat hij in een droom nogal zelfingenomen geweest was met zijn grote geest, schrikt hij wakker en schaamt hij zich daarover. Na een geslagen kruisje, merkt hij dat God meer van hem eist. Plotseling ervaart hij een volkomen nietigheid en beseft hij dat hij volledig is overgeleverd aan het Hogere. Zijn filosofische verstand probeert hem tevergeefs te redden. Hij loopt naar de spiegel en weet dat God op dat moment alles van hem kan vragen. Tot zijn schrik ontdekt hij dat hij een bevel van God terplekke niet aan zou kunnen. Is hij bereid om afstand te doen van al zijn vrienden en zijn grote verstand? Neen!

Gekweld zoekt hij zijn bed weer op en probeert in slaap te komen. Dat lukt, maar als hij zijn droom neerschrijft is hij uitgeput. ‘Ik besefte de voorbije nacht mijn volkomen nietigheid. Het heeft God behaagd mij die nietigheid te tonen. Ik heb daarbij steeds aan Kierkegaard moeten denken en geloofde dat mijn toestand “vrees en beven” was.’

Zijn gehele leven heeft Wittgenstein in religieus opzicht gebalanceerd tussen licht en schaduw. Zijn ware overtuiging bleek onzegbaar en bleef daarom tot zijn dood ten diepste in hem verborgen.

© Veenmedia.nl

Liefde en reden: een bewerkelijke overweging

I don’t know why I love you but I do
I don’t know why I cry so but I do
I only know I’m lonely and that I want you only
I don’t know why I love you but I do

I can’t sleep nights because I feel so restless
I don’t know what to do, I feel so helpless
And since you’ve been away, I cry both night and day
I don’t know why I love you but I do

My days have been so lonely
My nights have been so blue
I don’t know how I manage, but I do

Each night I sit alone and tell myself
That I will fall in love with someone else
I guess I’m wastin’ time but I’ve got to clear my mind
I don’t know why I love you but I do

Clarence ‘Frogman’ Henry

Naar aanleiding van Harry Frankfurts artikel ‘Autonomy, necessity and love’ (in: Frankfurt, H.G. (1999) Necessity, Volition, and Love. Cambridge: University Press), schrijf ik deze eenvoudige overweging.

Ik zal hier de stelling onderzoeken in hoeverre ware (romantische) liefde samenhangt met reden. Op verschillende wijzen zal ik dit bekijken. Sluiten ze elkaar uit? Gaan ze ergens samen met elkaar? Wat is hun onderlinge verhouding? Als uitgangspunt hanteer ik de opvatting van Frankfurt die grofweg stelt ‘love is not grounded in reason’. (Edyvane, 1993, p. 69). Het is uitdrukkelijk niet mijn bedoeling om hier Frankfurt te bekritiseren of expliciet stil te staan bij zijn opvattingen, ik wil al denkend gaandeweg zoeken naar antwoorden en nieuwe vragen.

Een citaat dat mij iedere keer weer verbaast omdat het in haar eenvoud zo krachtig iets uitdrukt, wat nauwelijks te beschrijven valt (en dan beheerst men de kunst van het schrijven!) is een citaat van Kierkegaard:

‘Think of someone in love. Yes, he can talk day in day out about the bliss of being in love. But if someone were to demand that he speak and set forth three reasons that proved his love – or indeed, even that he defend his love-wouldn’t he regard that as a crazy suggestion? Or, if he were a little shrewder, wouldn’t he say to the person who suggested this to him, ‘Aha! You certainly don’t know what it is to be in love! And you’re probably a bit convinced that I’m not!’

Het is zeker waar dat er geen redenen te geven zijn die overtuigend genoeg zouden zijn voor een ander die ons zou vragen onze liefde te verdedigen. Als het immers gaat om het uiten van liefde naar de ander, of het overtuigen dat men liefde heeft voor de ander, dan zijn wij volledig overgeleverd aan vertrouwen. De woorden ‘ik hou van haar’, hebben precies die betekenis die ik er intrinsiek aan toe ken. Verschillende woorden in onze taal zijn er weliswaar om ons te helpen onze uitdrukking kracht bij te zetten, maar dat maakt ons niet minder afhankelijk van de ander, soms werken die woorden zelfs in ons nadeel.

Het is opmerkelijk hoe kwetsbaar we in wezen zijn als we woorden van liefde uitspreken naar de ander en hoe kwetsbaar degene is tegen wie de woorden worden gesproken, zonder dat we er al te vaak bij stil staan. Ik kan het werkelijk menen, welke redenen ik er ook voor zou hebben, als ik ze al zou moeten hebben, ik kan het ook veinzen. De woorden worden echter zelf niet anders, terwijl ze toch iets anders betekenen en wezenlijk naar iets anders verwijzen. Degene tegen wie ik deze woorden spreek, is uiteindelijk bepalend voor de ‘praktische’ betekenis van de woorden.

Stel dat ik het niet meen, maar de ander beschouwt mijn woorden als oprecht, dan is de praktische waarde van de woorden dat de ander echt er van overtuigd is en gelooft dat ik van haar houd. Haar hele gedrag wordt zelfs beïnvloed door de gedachte dat ik echt en oprecht van haar houd. Ik zou morgen kunnen sterven, maar de gedachte dat ik van haar houd, zal in haar als werkelijkheid blijven voortleven. Ze zou er misschien zelfs allerlei redenen voor kunnen bedenken, waarom ik tegen haar zei dat ik van haar hield, als de vraag naar het geven van redenen, wederom, al relevant zou zijn. Immers, als ze redenen zou geven, dan is het waarschijnlijk dat die noodzaak is voortgekomen uit een bepaalde twijfel of aanval van buiten haar om (ingegeven door een ander die bijvoorbeeld de vraag opperde ‘waarom hield hij eigenlijk van je?’, of door allerlei omstandigheden en inzichten waarvan ze eerder nog niet op de hoogte was, zoals bijvoorbeeld de waarschijnlijkheid dat ik een minnares had) eerder dan dat de liefde dit op zichzelf van haar zou verlangen. Haar redenen zullen dan zo worden gevormd naar dat waarin ze geloofde dat het werkelijk het geval was, wat dus niet noodzakelijk betekent dat dit overeenkomt met hoe het werkelijk zat. Het is een altijd voortdurende menselijke tragedie die ons omringt zonder dat we haar kennen…

Overigens is inderdaad waar dat haar oordeel, in eerste instantie en achteraf, afhangt van haar ‘kennis’ van mijn geschiedenis -in zoverre ze dus daar betrouwbare kennis over kan hebben-, maar tegelijkertijd, en dat is mijn overtuiging, moet ze de woorden ‘ik hou van je’ ook op zichzelf wegen, als heb ik ze aan haar verkondigd ondanks alles. Dit betekent niet dat ik hier naïviteit aanprijs, maar wel de deugd vertrouwen in samenspraak met redelijkheid.

Nu, het is belangrijk om bij dit alles op te merken, dat ikzelf wel in staat moet zijn om intrinsiek te kunnen beoordelen of mijn woorden oprecht zijn of niet. Het lijkt mij een wezenlijk filosofische vraag in hoeverre we in staat zijn te kunnen toetsen of onze woorden die wij uitspreken naar een ander ook daadwerkelijk oprecht gemeend zijn. Het enige wat ik denk dat ik zou kunnen doen is het zoeken naar voldoende reden om te bewijzen dat de woorden die ik heb uitgesproken daadwerkelijk verwijzen naar dat wat ik echt voel, meen en bedoel. Een en ander verwijst dan uiteraard naar dat wat ik op dat moment voel, meen en bedoel (terwijl ik op dat moment niet de intentie heb om de woorden een tijdelijk karakter te geven). Als het om liefde gaat, zouden we immers vanzelfsprekend niet willen dat het een tijdelijke bevlieging is, desalniettemin zijn we wat betreft onze gevoelens afhankelijk van het moment dat wij het uitdrukken.

Onze gedachten en onze gevoelens lopen niet synchroon en stemmen niet altijd overeen met elkaar. Dit betekent dat het vinden van een goede reden naar dat wat wij voor de ander voelen, op zichzelf een goede reden zal blijven ook al voelen wij op een gegeven niet meer dat wat wij met de reden hebben proberen uit te drukken. Bovendien heeft de reden in eerste instantie alleen een redelijke waarde voor degene die de rede oppert; we zijn daardoor nog niet minder afhankelijk geworden van hoe de ander onze liefdesverklaring opvat, maar we zouden er wel zeker van kunnen zijn, of althans voor een bepaald gedeelte zeker, dat dat wat wij hebben verklaard, een oprechte verklaring is en dat de woorden verwijzen naar dat waarnaar ze op zichzelf moeten verwijzen. En stel dat de vrouw tegen wie ik de woorden in oprechtheid uitspreekt, dat ik van haar houd met heel mijn hart, aan mij zou vragen om dat eens te bewijzen door het redelijk te onderbouwen, waar zou ik moeten beginnen? Welke woorden zouden meer toevoegen, zouden haar meer overtuigen dan de woorden die ik reeds heb gesproken? Het lijkt alsof ze mij de vraag stelt, hoe God er kon komen. Welk antwoord of welke reden ik haar echter ook geef (hoezeer de vraag ook niet deugt), ze blijft met eenzelfde vraag zitten, als waar ze mee begon…. Als de woorden ‘Ik hou van jou’, op zichzelf niet genoeg zijn voor haar te begrijpen dat ik van haar houd, dan heeft iedere reden die hierop volgt geen enkele zin meer, omdat iedere reden simpelweg ondergeschikt blijft aan die eerste woorden.

Maar als we nu eens terugkeren naar de liefde die ik heb voor een ander, en aangenomen dat ik op zoek wil gaan naar de eerlijkheid en oprechtheid van mijn liefde, is het dan niet redelijk te veronderstellen dat ik goede redenen wil, ja moet hebben om te kunnen zeggen tegen die ander: ‘ik hou van je’? Is dit niet precies wat diegene verdient, een oprechte verklaring, woorden, redenen die dat wat ik tegen haar met overgave zei, ondersteunen? Ik kan het van mezelf eisen om goede redenen aan te dragen waarom ik haar mijn liefde verklaar. Net zoals, wanneer ik een bepaald huis wil kopen in een bepaalde buurt, ik dat redelijk zou moeten kunnen verantwoorden. Zeker, iemand zou kunnen zeggen, ‘een liefdesverklaring aan een vrouw is niet als het kopen van een huis! En als ze echt van je houdt dan verlangt ze geen enkele reden.’ Ze zou wellicht aandragen, ‘ik weet toch dat je van me houdt!’. ‘Ja, ze houdt van je omdat ze je vertrouwt in je woorden dat jij van haar houdt’.

Dit ontslaat mij echter nog niet van de verantwoordelijkheid redenen aan te dragen. Wat is immers de betekenis van de woorden van Clarence ‘Frogman’ Henry ‘I don’t know why I love you but I do’? Gewoon zonder enig idee van iemand houden. ‘A giant leap of love…’. Misschien is dit een bepaalde vorm van romantische liefde, waar we in eerste instantie allemaal van houden. Onbevangen. Want wat is het mooi om te zeggen, ‘ik hou gewoon van haar, ik weet ook niet waarom, maar ik hou gewoon van haar!’ Ons gevoel, onze intuïtie, onze hartsgesteldheid is voldoende….. wat zou ons dringen om te gaan onderzoeken waarom we van iemand houden? Is het niet zoiets als de kus met die prachtige vrouw, waar ik al zo lang van droomde, waar ik al die tijd zo intens naar verlangde, die zijn waarde ter plekke verliest op het moment dat ik haar kus en me dan bedenk welke biologische aspecten eraan ten grondslag liggen?

Het kan goed zijn dat mijn liefde in eerste instantie iets vanzelfsprekends is, waarover ik verder geen gekke vragen zou moeten stellen, evenmin als de ouder, die de vraag waarom hij van zijn kinderen houdt terecht als een belachelijke opwerping bestempelt. ‘Ik houd van mijn kinderen omdat het mijn kinderen zijn.’ Iemand die zich desondanks sterk genoeg voelt en een dappere poging zou wagen aan te geven waarom hij van zijn vrouw houdt, zou snel merken aan welke hachelijke onderneming hij is begonnen. Hij zou hooguit enkele gewaardeerde eigenschappen van haar kunnen noemen, en daarmee ontdekken dat hij in werkelijkheid niet van de eigenschappen, maar van de persoon op zichzelf houdt (wat dit verder ook betekent, ik laat dat voor nu even in het midden) -zijn liefde is immers niet voorwaardelijk-. En hiermee zou hij weer ontdekken dat de vraag waarom hij van iemand houdt alsnog een onzinnige is. Hij zou ook tot de ontdekking kunnen komen dat hij inderdaad slechts van eigenschappen houdt, daardoor ontdekken dat zijn liefde iets oppervlakkigs heeft, feitelijk voorwaardelijk is en af lijkt te hangen van allerlei zaken die iemand zonder meer kan verliezen. ‘And if one loves me for my judgement, memory, he does not love me, for I can lose these qualities without losing myself….’ zei Pascal. Wat is hij dan voor iemand, die houdt van zijn vrouw omdat ze zo mooi is, door anderen geprezen wordt om haar kennis? Kenmerkt het ware houden van zich in wezen niet in de man die naast het bed van zijn vrouw die in coma ligt, dag in dag uit doorbrengt, in de professor die zijn ooit zo om haar filosofisch literaire talent gewaardeerde vrouw, waar hij verliefd op werd, tijdens haar ziekte Alzheimer dag en nacht met liefde bijstaat, tegen haar blijft herhalen dat hij van haar houdt, in de vrouw die haar man ziet zoals ze hem kent ondanks zijn verlies van zijn langetermijngeheugen door een virusinfectie? Is dit niet de betekenis van kiezen van iemand te houden ‘in voor- en tegenspoed’, of zou iemand durven aandragen dat het hier zou gaan om een morele verplichting die iemand zichzelf heeft opgelegd? Zou iemand durven vragen, ‘ja, wat zijn eigenlijk je redenen om van iemand te houden, die zichzelf niet meer is?’

Ik keer terug naar ‘in voor- en tegenspoed’. Dan is er wederom de vraag, zou ik in staat zijn om voldoende redenen aan te dragen om deze belofte daadwerkelijk in oprechtheid uit te spreken…. is het niet mijn plicht om vooraf redenen te bedenken alvorens ik aan die vrouw de woorden geef, dat ik echt van haar houd, dat ik mijn tijd wil doorbrengen met haar de rest van mijn leven, in voor- en tegenspoed? Is het inderdaad niet mijn plicht, om goede redenen voor mijn liefde aan te dragen, ook omdat ik achteraf geen spijt wil hebben, dat ik achteraf niet wil zeggen, had ik maar beter nagedacht! Liefde kan eindigen. Maar wat betekent dan mijn onvoorwaardelijke belofte (en wat is eigenlijk de waarde van een voorwaardelijke belofte)- totdat de dood me van haar scheidt-? Mijn verklaring dat ik van haar hield? Wat was de waarde van die liefde? Is het eigenlijk wel liefde die eindigt of is het iets anders? En hoezeer ik mij niet meer kan bedenken hoe ik ooit van haar hield, zo houd ik nu weer van een ander -ik zou me ervoor moeten schamen-…. of heb ik inderdaad nooit begrepen wat werkelijke liefde betekent? En hoe valt dit ooit te begrijpen, omdat de ‘ware’ liefde die ik kan ervaren slechts die liefde is die ik als hoogste ervaren heb, als zat ik in de grot van Plato. En daarmee kan het dus nooit ware John Henry Newmanliefde betekenen… Waar moet ik het immers tegen afzetten? Zit ik onvermijdelijk ook wat liefde aangaat gevangen in een relativisme of bestaat er zoiets als onvergankelijke zekerheid, vergelijkbaar met wat Paulus bezat na zijn Damascus-avontuur of zoals J.H. Newman dat zo mooi beschrijft in zijn ‘Essay in Aid of a Grammer of Assent’? Zou Clarence ‘Frogman’ Henry wel redenen kunnen geven als er ‘plots’ iets zou zijn waardoor hij niet meer van haar houdt…..of zouden zijn woorden dan klinken: ‘I don’t know why I stopped loving you, it’s just so…’

Redenen gaan in ieder geval niet vooraf aan liefde (of verliefdheid) tussen twee mensen. Het kan niet zo zijn dat mensen op basis van redelijke argumenten van elkaar gaan houden, hoe teleurstellend dit ook voor velen is. Wie kan zich immers niet die talloze prachtige redenen voor de geest halen die de ander nauwelijks overtuigend genoeg vond om verliefd te worden, of die amper bijdroegen aan haar motivatie dezelfde liefde die hij met redenen kracht probeerde bij te zetten, terug te geven. Eenvoudige, onverklaarbare ontmoetingen kunnen aanleiding zijn voor een liefdesverklaring (wat de waarde van een prille verklaring ook mag zijn), terwijl krachtige redenen (we hebben het altijd leuk samen, we vinden elkaar aantrekkelijk, je moet zo vaak om me lachen, ik vertrouw je volledig, de tijd vliegt met elkaar voorbij…-redenen die overigens verwijzen naar eigenschappen-) niet het minste teweegbrengen. Of zou ze dan moeten zeggen: ‘Inderdaad, ik ben overtuigd… Ik hou van je!’

Er zijn eerder allerlei vage redenen die iemand heeft om niet van de ander te gaan houden (of zijn ze wellicht vaag, omdat er ook geen goede redenen te geven zijn, als iemand heeft ingestemd met of niet ontkennend tegenover staat ten opzichte van de aangedragen redenen van de ander) of slechts te ‘houden’ van iemand als vriend, wat er feitelijk op neer komt dat iemand om je geeft, maar geen romantische liefde kan (of wil) geven (of bestaat er in dit geval ook: ik wil het wel –je redenen overtuigen me zeer!-, maar ik kan het niet? De waaromvraag van het niet kunnen zou ons opnieuw in de problemen brengen, dus die laat ik achterwege). Ik wil er nog een laatste bedenking aan toevoegen. Ik sluit niet uit dat op het moment dat iemand het opgeeft om (vage) redenen te geven (en tegelijkertijd instemt met iedere ‘goede’ reden van de ander) er plots ruimte ontstaan voor romantische liefde. Niet omdat alsnog de redenen de doorslag hebben gegeven, maar dat de door haarzelf opgeworpen blokkade van rationaliteit is weggevallen (in de ogen-openende zin van: ‘ik heb inderdaad geen goede redenen om hem af te wijzen’). Cor ad mens loquitur wordt cor ad cor loquitur.

‘Love constrains the will rather than the understanding…’ zegt Frankfurt (p. 141). Wellicht, maar op het einde gekomen van deze overweging, moet ik concluderen dat ik de samenhang tussen liefde en reden, als een zeer twijfelachtige beschouw. Ik heb weliswaar allerlei nieuwe vragen gesteld, en deze zijn nog lang niet beantwoordt, maar ik ben ervan overtuigd dat liefde inderdaad vrijwel losstaat van de reden. Dat wat achter de liefde zit, gaat voorbij aan de reden. Het lijkt ook alsof het geven van een reden als het gaat om liefde altijd verwijst naar iemand die er van buitenaf tegen aankijkt. Met opzet heb ik nergens woorden gewijd aan allerlei chemische en biologische processen die eventueel ten grondslag zouden kunnen liggen aan liefde of verliefdheid. Dit om de simpele reden dat ik als filosoof heb willen spreken en niet als bioloog. Bovendien denk ik dat liefde eerder samenhangt met metafysica dan met fysica of specifieker biologie. En als er een chemisch middel zou zijn dat iemand verliefd kan maken, of iemand in staat zou stellen de liefde te verklaren, aan wie zou ze dat dan moeten doen? Nee, liefde is een persoonlijke belofte, en dat is wellicht een romantische voorstelling in onze tijd, die geen reden nodig heeft en zelfs geen reden nodig zou moeten hebben, want daar waar de reden verschijnt, verdwijnt de liefde als het ware.

Of echte liefde onvoorwaardelijk is en dus werkelijk ‘redenbestendig’, is waarschijnlijk nooit met zekerheid vast te stellen. We kunnen er over filosoferen, maar beter is nog misschien er op te blijven hopen, want als we niet meer hopen op het onverhoopte, dan zal het onvindbaar en zonder meer onbereikbaar blijven.

Zo is deze overweging bewerkelijk, maar misschien vooral ook betrekkelijk.

__________

Lees ook: Een-verloren-liefde

-Kierkegaard- Verkruimeld op herhaling

In 2013 is het 200 jaar geleden dat de Deense filosoof geboren werd in Kopenhagen, en sinds zijn dood in 1855 heeft hij nog niets aan intellectuele kracht verloren. Met Kierkegaard in discussie neemt Onno Zijlstra een voorschot op verschillende publicaties die op stapel staan. Een verrassende amuse?

Wie als hedendaagse lezer Kierkegaard in het Nederlands wil leren kennen, is redelijk verwend. Na de eerste vertaling uit het Deens in 1880 is er een enorme hoeveelheid publicaties beschikbaar gekomen die vele verschillende facetten van Kierkegaards denken, leven en invloed belichten. Sinds december 2006 verschijnen bij Uitgeverij DAMON zelfs Kierkegaards geschriften in een nieuwe, uitstekende vertaling. Een van de leden van de redactieraad, betrokken bij publicatie van de Nederlandstalige werken, is docent filosofie Onno Zijlstra. Met Kierkegaard in discussie voegt hij een persoonlijk project toe aan de ruime bestaande bibliotheek. Het is ‘zijn boek over Kierkegaard’, met als voornaamste doel de Deen in gesprek te brengen met hedendaagse denkers over onder andere kunst, wetenschap en cultuur.

Het persoonlijke
Zijlstra’s persoonlijke project, dat iets weg heeft van een informele scriptie, voert de lezer langs enkele hoofdwerken van Kierkegaard. Verreweg de meeste aandacht gaat uit naar Vrees en beven en Of/Of, beiden uit 1843. Kierkegaards meest filosofische werk, het helaas nog steeds onvolledig in het Nederlands vertaalde Afsluitend onwetenschappelijke naschrift (1846), komt er wat bekaaid vanaf, evenals het meer religieuze werk De ziekte tot de dood (1849). Andere werken worden enkel sporadisch of ter ondersteuning genoemd. Het is zeer de vraag of zo’n complexe filosoof als Kierkegaard, als je dan toch een ambitieus persoonlijk project mag uitgeven, met 140 pagina’s kan worden afgedaan. Zijlstra doet zichzelf en Kierkegaard in ieder geval te kort door vier van zulke wijsgerige pareltjes zo compact te bespreken. Niet alleen is dat al eerder gedaan, Zijlstra lijkt bovendien niet echt veel nieuws toe te voegen.

Kruimeltjes filosofie
Zijlstra blinkt uit in het opvoeren van kruimels. Al die kruimels leiden echter nog niet tot een snee brood. Met soms een verwijzing naar een actualiteit of een film, dan weer een citaat, dan weer een naam van een denker of een schrijver, lijkt het meer op een uitgeklopte broodrooster. Dat is niet alleen ongemakkelijk voor de lezer, maar het ontbloot ook oppervlakkigheid. Op een enkele pagina passeren soms zomaar drie of meer grotere namen (Sontag, Pattison, Grunberg of Lash, Doorman, C.B. Macpherson, Marx, Verbrugge), wat een onbehaaglijk gevoel geeft. Het lijkt alsof Zijlstra wil laten zien hoe belezen hij is, in plaats van dat hij de lezer meevoert naar de werkelijke diepten van iemands inzichten. Een geweldig denker als Blaise Pascal bijvoorbeeld, behoort men niet in enkele losse zinnen (‘sinds Pascal kan oneindigheid benauwen’) als een bange man weg te zetten. Dan is het veel verstandiger om hem geheel achterwege te laten.

Stijloefening
Waar Kierkegaard een uitzonderlijk stilist was, een taalkunstenaar en een virtuoos, kan dat van Zijlstra niet gezegd worden. Sterker nog, zijn manier van schrijven is op zijn zachtst gezegd ergerniswekkend. Zijlstra heeft de neiging Kierkegaard op alle mogelijke manieren aan te spreken in zijn betoog. Willekeurig gebruikt hij daarom Søren, SAK, Kierkegaard, Søren Aabye en Søren Kierkegaard door elkaar, waar gewoon Kierkegaard had volstaan. En zelfs het pseudoniem Anti-Climacus wordt hier en daar met ‘Anti’ afgedaan, alsof het een koosnaam is. Daarnaast weet Zijlstra een hoop onzalige zinnen uit zijn pen te krijgen. Wat te denken van: ‘Expressie is de Velpon die innerlijk en uiterlijk als twee kanten van een medaille aan elkaar hecht,’ of erger: ‘Taal is helemaal Kierkegaards ding.’ En dat nog los van de vele, vele storende barbarismen, waar Zijlstra liefhebber van is (‘In the inner circles van cultureel Kopenhagen is de filosoof G.W.F. Hegel hot’). Het blijft een raadsel waartoe deze taalverarming dient. Om jonge lezers aan te spreken? Get real! Om met de woorden van Zijlstra zelf te spreken…

Voor de enkeling
Want voor wie, buiten hemzelf, schrijft Zijlstra dit boek eigenlijk? In ieder geval niet voor degenen die bekend zijn met Kierkegaard en zijn hoofdwerken, daarvoor is de analyse iets te simpel en de uitwerking van bijvoorbeeld Vrees en beven en Of/Of te bekend. Echter ook niet voor de beginners, want daarvoor vereisen alle kruimels veel te veel voorkennis om te begrijpen waarom ze worden opgevoerd en waarom ze relevant zijn. Enige kennis van filosofische stromingen, hoofdlijnen en taalgebruik lijkt onontbeerlijk. Zonder twijfel is Zijlstra een echte Kierkegaardliefhebber en weet hij hier en daar de lezer te bereiken met een leuke anekdote of scherpe vondst, maar het is allemaal te weinig origineel en vooral te vluchtig.

Misschien is het opgevallen dat nog niets concreet is gezegd over de inhoud van het boek. Dat komt waarschijnlijk omdat de inhoud uit zoveel verschillende aanrakingen bestaat, dat een rode draad nauwelijks te ontwarren valt. Individualiteit? Stilte? Moderniteit? Kunst? Literatuur? Het komt allemaal voorbij. Maar dat is de Kierkegaard van Zijlstra. Is het misschien ook uw Kierkegaard? ‘Alles wat indruk op ons maakt, bevindt zich in onszelf.’ U zou de sprong kunnen wagen…

Deze recensie verscheen voor 8weekly magazine

Een kleine wandeling door Vrees en beven

-Søren Kierkegaard/ Johannes de silentio-
Vrees en Beven

-Voor altijd actueel-

Het in 1843 door Johannes de silentio geschreven dichterlijke werk Vrees en beven heeft precies zoals Kierkegaard verwachtte[1] talloze studies, interpretaties en commentaren opgeleverd. Dat Paul Cliteur het boek dat handelt over geloven tot gevaarlijkste in de geschiedenis van de wijsbegeerte verklaarde, heeft binnen het Nederlandse taalgebied op zijn minst bijgedragen aan de hernieuwde belangstelling ervan. De spannende religieuze zoektocht die Kierkegaard erin onderneemt verdient die aandacht ook ten volle.

Je loopt alleen door het park met je kinderwagen. Met veel trots kijk je in de grote glimmende ogen van het kindje en je bedenkt hoe lang je niet hebt gedacht dat het er nooit meer van zou komen. Maar daar is ze: een kerngezond en prachtig kind! Terwijl je al wandelend verder mijmert over de gelukzaligheid van het nieuwe leven dat je voortduwt, klinkt er plotseling een heldere stem. Uit het niets. Je kijkt verschrikt om je heen en gelooft dat je je vergiste. Maar daar klinkt weer die stem, en ze richt zich duidelijk tot jou:

‘Ik ben het, de God die je dient. Ga met je enige dochter, die je innig liefhebt, morgen naar de grote boom aan het einde van het park en draag haar daar als brandoffer op.’

Wat moet je doen? Je bent er absoluut zeker van dat God tot je heeft gesproken. Zo zeker als van je eigen bestaan. Hoe kun je nu een oproep van God weigeren? Je zult alle ethisch geldende normen en waarden opzij moeten zetten om er gehoor aan te kunnen geven. Zou je het met iemand nog kunnen overleggen of bespreken? Dat heeft geen zin. Niemand zal je begrijpen. Nooit. Aan geen enkel mens op geen enkel moment in de gehele geschiedenis is dat wat je wil gaan doen uit te leggen, juist omdat je de ethiek moet loslaten. En wie het ethische verlaat is per definitie krankzinnig, omdat de wereld alleen maar kan oordelen op grond van de ethiek.

En toch, het is een keer eerder gebeurd. Je herinnert je Abraham, die werd opgedragen zijn eerste zoon Isaak te offeren[2]. Abraham verliet zijn innerlijk roepende normen, omdat hij wilde gehoorzamen aan God en sprak er met niemand over. Hij deed wat God hem verzocht en hief het mes naar de keel van zijn zoon.

Het moment is aangebroken. De grote boom aan het einde van het park is in zicht.

Ethisch onverantwoord

Beproeving. ‘Je vergeet dat Abraham maar op een ezel reed die langzaam voortgaat op de weg, dat zijn reis drie dagen duurde en dat hij ook nog enige tijd nodig had om het brandhout te kloven, Isaak vast te binden en zijn mes te slijpen.’

Vrees en beven handelt in zijn geheel over het bovenstaande, met Gods beproeving van  Abraham als uitgangspunt. De vragen die Kierkegaard opwerpt zijn even talrijk als ingewikkeld. Niet alleen verdraagt ons moderne denken maar moeizaam de voorstelling van een werkelijke oproep van God, bovendien is Gods appel dusdanig weerzinwekkend en in strijd met de moraal, dat velen het als onmogelijk en onvoorstelbaar zullen beschouwen. Het werk is dan ook niet bepaald ethisch verantwoord te noemen. Dit lijkt de voornaamste reden om het als gevaarlijk te kwalificeren: is dat wat ethisch onverantwoord is namelijk niet per definitie gevaarlijk?

Bij herhaalde lezing is het echter moeilijk uit te maken of het de silentio gaat om het legitimeren van religieus fanatisme of dat hij zonder meer een vrijbrief afgeeft voor religieus geweld. Een vrijbrief is wat dat betreft eenvoudiger te verkrijgen.

‘Hij gelooft dat God die zaak niet van hem zou eisen, terwijl hij toch bereid was om hem te offeren als dat verlangd zou worden. Hij geloofde krachtens het absurde, want van menselijke berekening kon geen sprake zijn. En het absurde was immers juist dat God, die dit van hem eiste, die eis het volgende ogenblik zou herroepen.’

De eerste paradox toont zich hier: er gebeurt niets kwaads, omdat Abraham werkelijke geloofszekerheid bezat! Het gaat hier om een zekerheid als waarneming van een waarheid met de waarneming dat het een waarheid is en blijft. Met andere woorden: het gaat om een waarheid die niet kan veranderen in onwaarheid. Abraham is hier overtuigd, dat, ondanks alles wat hem overkomen kan, die zaak zal blijven zoals ze is: God zal het goede doen. Zoals de Engelse denker John Henry Newman zei: ‘tienduizend moeilijkheden, maken nog niet één twijfel’. En de paradox is dat het voor Abraham vooraf duidelijk is, maar voor ons slechts achteraf. Daarom kan Abraham ook slechts zwijgen.

Is hij dus wel ethisch onverantwoord bezig?

‘Een paradoxale en nederige moed is er vereist om vervolgens heel de tijdelijkheid krachtens het absurde te grijpen, en dat is de moed van het geloof. Door het geloof deed Abraham geen afstand van Isaak, maar door het geloof verkreeg hij Isaak.’

Onrust

Zou ik zo’n beweging kunnen maken? Waar haal ik mijn zekerheid vandaan? Of is geloven nu juist een totaal gebrek aan zekerheid, maar het hartstochtelijke vertrouwen dat het desondanks toch goed komt?

‘Er is een jongen die nog geen vier schilling heeft, maar op een verkoop belandt en daar toch 40.000 daalders durft te bieden voor een landgoed en die, wanneer de voorwaarden worden voorgelezen, dat hij onmiddellijk gearresteerd zal worden als hij niet kan betalen, vervolgens 70.000 daalders biedt.

Dat is toch krankzinnig! Zeker. Maar het geheim schuilt hierin, dat er- wat anderen niet zien- achter hem een onzichtbaar wezen staat, dat hem steeds aanspoort: ‘Bied door, bied door!’

Dit is nu een voorbeeld van geloven.

Vervolgens is er slechts dit ene verschil, dat alles hier alleen berust op het geloof dat dat wezen nog met het geld over de brug zal komen ook. Komt het daarentegen echt op geloven aan, dan zal dat betekenen dat men net zo durft bieden, en dat zonder er rekening mee te houden dat het gevolg moet zijn, dat men wordt gearresteerd.[3]

De silentio ontbeert in ieder geval zowel dat vertrouwen als de durf. Het gaat hem er om de ontstellende paradox van het geloof te ontdekken. Hij tracht voortduren dat wat niet in woorden gevat kan worden in woorden te vatten. Het gaat hem er bovendien om de hegeliaanse en kantiaanse beperkingen van het religieuze op te heffen. Zozeer zij de religie binnen de grenzen van de rede hebben getrokken, zozeer trekt Kierkegaard haar daar weer uit. Want hoe is Abraham binnen de grenzen van de rede te begrijpen?

Zijn we stoutmoedig genoeg dat we het handelen van Abraham toch proberen te (be)grijpen, dan wordt het zwart voor de ogen. Het is de onbewogen beweger van het handelen. We kunnen hooguit trachten zelf de beweging te maken voorbij het ethische systeem en voorbij wat Kierkegaard noemt de ‘oneindige resignatie[4]’, voorbij ‘het laatste stadium dat aan het geloof voorafgaat, en wel zo dat iedereen die deze beweging niet heeft gemaakt het geloof niet bezit. Want pas in de oneindige resignatie krijg ik een helder zicht op mijzelf in mijn eeuwige geldigheid, en pas dan kan er sprake van zijn krachtens het geloof het bestaan te grijpen.

Dit is echter precies de paradox waarin de poging tot begrijpen tot stilstand komt. Beschouw ik Abrahams handelen namelijk redelijk, kan ik hem niet begrijpen, maar maak ik de beweging krachtens het absurde -het redelijk onmogelijke wat toch mogelijk wordt-, dan begrijp ik Abraham. Maak ik de beweging krachtens het absurde, dan gaat het me niet om het geloof in dat wat  onwaarschijnlijk is of ik niet meer verwacht, maar, zoals Anti-Climacus zal zeggen[5], dan overwin ik (van) de wanhoop.

Abraham overwint en transcendeert ‘volkomen het ethische’ en ‘wendde zich naar een heil aan gene zijde van het ethische, waardoor het werd opgeheven’[6]. Abraham toont het verschil tussen een held en een heilige. Hij is niet groot door de deugd zoals tragische helden als Regulus[7], Agamemnon of Jefta die begrepen kunnen worden binnen het geldende ethische, maar groot door een subjectieve deugd, die niemand begrijpen kan, mits we zelf die mens zijn die de subjectieve beweging weet te maken.

Daarvoor is bijzonder veel moed nodig, omdat het een volledig eenzame, zuiver hartstochtelijke beweging is, gebaseerd op vertrouwen, of eerder een intrinsiek wonder. Daarmee gaat Vrees en beven over totale onrust binnen de verhouding van de enkeling tot het algemene. Of, zoals Wittgenstein het verwoordde toen hij in het schemerlicht van de beweging kwam: ‘Zoals gezegd besefte ik de voorbije nacht mijn volkomen nietigheid. Het heeft God behaagd mij die nietigheid te tonen. Ik heb daarbij steeds aan Kierkegaard moeten denken en geloofde dat mijn toestand angst en beven was…’ [8]

Filosofische oefening

De hoogste hartstocht in een mens is het geloof, en geen enkele generatie begint hier op een ander punt dan de voorgaande. Elke generatie begint van voren af aan. Volgende generaties komen niet verder dan de voorgaande, voor zover die althans haar opgave trouw bleef en deze niet in de steek liet.

De klassieke waarde ligt niet alleen in de uiterst scherpzinnige uiteenzetting van de existentiële gruwel die wordt opgetrokken, maar ook in de permanente drang tot reflectie die het werk veroorzaakt. Door het pagina’s lange dialectische geweld van de silentio lijken de problemen die hij wil bespreken zich tergend langzaam te ontvouwen, maar ondertussen kruipt hij zo wel diep in je ziel en ontspringen talloze vragen en wordt de fantasie voortdurend geprikkeld.

Bestaat er een verschil tussen wereldse en goddelijke autoriteit? Is hier geen sprake van mauvaise fois? Zou Sartre Abraham niet toeroepen: ‘ja, ja, God vroeg het, dus je had zeker geen keus? Wat is jouw verantwoordelijkheid in dit geheel?’

Dat is echter louter ethisch beschouwd. Maar toch, de gulden ethische code Gij zult niet doden overwint uiteindelijk wel. Want er wordt niet gedood. Is God nu of Abraham in wezen ethisch te noemen? Als dat eerste het geval is, dan is daarmee alle religieus geweld ongegrond, als het tweede het geval is, waar kwam die absurde neiging te moorden dan vandaan?

En wat betekent liefde voor een zoon? Is dat ethisch gezien het hoogste wanneer een vader bereid is zijn zoon te beschermen met zijn eigen leven? Dan zou Abraham moeten zeggen: ‘God, neem mij, want mijn zoon is onschuldig’. Maar religieus gezien is er misschien een liefde die de hoogste vorm van liefde binnen het ethische overstijgt, namelijk het gehoor geven aan God omwille van je zoon. Dit zou betekenen dat voor de ridder van het geloof die door God wordt opgedragen zijn zoon te offeren, het offer de hoogste manier is van zijn zoon liefhebben. Kan dat echte liefde zijn, of begrijpen we liefde enkel binnen het ethische? Hoe verhouden egoïsme en altruïsme zich hier eigenlijk?

Maar in hoeverre is het ethische werkelijk opgeschort, als men toch het ethische doet? Kan de  tijdelijke, als voornemen bestaande opschorting ook als ethisch gevaarlijk worden beschouwd? En is er wel sprake van dat het religieuze werkelijk het ethische suspendeert, wanneer dat ten koste van anderen gaat? Wordt in existentieel opzicht het perspectief van Isaak binnen de teleologische suspensie van het ethische niet noodzakelijk opgeheven? En wat zou een werkelijke voltrekking van het voornemen betekenen?

En wie beproeft wie eigenlijk? De ridder van het geloof weet, of vertrouwt, dat God toch niet van hem zal vragen zijn zoon te vermoorden. Hij weet, of vertrouwt erop dat hij hoe dan ook zijn zoon terugkrijgt. De ridder van het geloof weet dat zijn vrije wil het voor God onmogelijk maakt zijn keuze te doorzien. In hoeverre is er sprake van een werkelijk en oprecht voornemen in het licht van zulk vertrouwen, van zulk geloof? Het lijkt beangstigend dat de mens door dat geloof God test, eerder dan God het geloof van de mens. ‘Ik doe het hoor, ik doe het zeg ik U!’

En wat zegt dit alles over God? Naast het bewijs dat Hij de uitkomsten van een vrije handeling werkelijk niet kan kennen, maar binnen een oneindig aantal mogelijkheden die Hij voor zich ziet moet ‘afwachten’ welke zich zal voltrekken, is het me zelfs onduidelijk of het hier wel om God gaat. Misschien moet ik ‘God’ vervangen door ‘een intrinsiek hogere eis dan het ethisch begrijpelijke’. Misschien voert de silentio God op als synoniem voor de absolute verplichting die zich in een mens kan voltrekken gelijk aan iemand die zijn leven en dat van zijn kinderen riskeert door gedurende de oorlog joden in huis op te nemen.

En dan nog Sara. Hoe zou het voor haar zijn geweest als ze was beproefd? Onbegrijpelijk anders? Omdat moeders nu eenmaal anders zijn? Of…of…

Oordeel zelf!

‘Hoe meer woorden, hoe meer onzin. En wat heb je daaraan? Niemand weet immers wat goed is voor de mens in dit ijdele, kortstondige bestaan, dat als een schaduw voorbijgaat. En niemand kan hem vertellen wat er na hem komt onder de zon.’

Wie enige tijd grasduint in analyses die er van Vrees en beven bestaan, komt tot de conclusie dat Kierkegaard altijd de lachende derde blijft. De haast talloze (tegenstrijdige) interpretaties, waaronder die van niet de minste denkers als Levinas, Derrida, Heidegger, en vooruit, Cliteur, tonen in ieder geval één ding aan: men moet dit boek zelf lezen en zelf ontdekken wat het boek doet. De subjectiviteit is de waarheid. De interpretatie is de waarheid. Kierkegaard goed lezen dwingt tot reflectie, niet tot fanatisme.

Bovendien, en dat maakt Kierkegaard lezen zo boeiend, je krijgt het werk nooit uit. Vrees en beven is geen opzichzelfstaand boek; wie het zo leest, maakt een ernstige fout. Alleen al in zijn dagboeken toont Kierkegaard ons vele aanwijzingen over hoe we de zoektocht die hij voor ons heeft uitgezet beter kunnen volbrengen. De honderden aldaar beschikbare gedachten over de aard van liefde, geloven, denken en zijn maken het lezen van Vrees en beven tot een telkens andere ervaring. En dan spreek ik nog niet over de vele ‘ethisch verantwoorde’ en ‘stichtelijk opbouwende’ geschriften die hij na Vrees en beven publiceerde, waaronder het grootse Wat de liefde doet (1847).

De toekomst is permanent onzeker, maar zolang er geloof bestaat, blijft dit een uiterst belangrijk en hoopvol boek.


[1] Vgl. fragment van X2 A15 uit Kierkegaards dagboeken.

[2] Genesis 22:1-12.

[3] Fragment van XI 11 A122 uit Kierkegaards dagboeken.

[4] Een uitvoerige analyse van dit stadium vinden we in Kangas, D.J. (2007). Kierkegaard’s Instand. On beginnings. Indiana: Indiana University Press. P. 151-155. 

[5] Zie Florin, F. (2002). Geloven als noodweer. Het begrip ‘het religieuze’ bij Kierkegaard. Kampen: Agora.

[6] Fetter, J.C.A. (1954). Inleiding tot het denken van Kierkegaard. Amsterdam: Uitgeverij Born NV. P. 21. 

[7] Vgl Horatio Ode III of Montaigne (2004). De essays. Amsterdam: Polak en van Gennep. P. 1183.

[8] Somavilla, I. (2007). Ludwig Wittgenstein: Licht en schaduw. Een droom en een brief over religie. Kok Ten Have. P. 13. 

Of/Of: Kierkegaards tijdloze balans tussen het esthetische en het ethische

Of/Of*

Tijdloze balans tussen het esthetische en het ethische

-lees het of lees het niet, van allebei krijg je spijt-

Kierkegaard schreef in zijn leven geen enkel filosofisch hoofdwerk, om de eenvoudige reden dat zijn hele oeuvre tezamen moet worden beschouwd als hoofdwerk. Toch bevindt zich onder al zijn schrijven een parel die op een bijzondere manier schittert: Enten/Eller. In het Nederlands lang vertaald met Het een of het ander, maar sinds de mooie vertaling van Jan Marquart Scholtz bekent als Of/Of.

Of/Of-een levensfragment kwam voor het Deense publiek in 1843 beschikbaar in een oplage van 525 exemplaren en was binnen twee jaar uitverkocht, wat naar de maatstaven van die dagen een literair succes was. Een herdruk van 750 exemplaren volgde in 1849 en al duurde het enige tijd voordat zijn filosofie werkelijk begrepen en gewaardeerd werd (de diepte, samenhang en significantie van zijn oeuvre werd pas werkelijk gezien na de ontluisteringen van WO I), na zijn dood bleef het een van zijn meest bediscussieerde werken. Opmerkelijk, want het complexe boek met talloze verborgen raadsels erin verweven, nodigt ook met zijn 864 pagina’s niet direct uit tot doorlezen. Iets wat enkele recensenten na publicatie van het boek moesten toegeven. Tot op de dag van vandaag wordt het werk bediscussieerd en becommentarieerd, zodanig dat er al tientallen verschillende en aan elkaar tegengestelde (soms zeer kritische) invalshoeken over het werk bestaan (vergelijk bijvoorbeeld Lowry vs. Swenson en Swenson vs. Hong en Hong vs. MacIntyre). En daarmee is misschien wel precies het doel van Kierkegaard bereikt.

In tegenstelling echter tot wat vaak gedacht wordt, werd Of/Of verrassend goed ontvangen. Dat heeft grotendeels te maken met het feit dat Kierkegaard het werk onder een pseudoniem uitgaf en dan nog aan de vooravond staat van directe confrontaties met kerk en society. Een tweede belangrijke reden voor het succes van het boek is ongetwijfeld het omvangrijke en uiterst pikante onderdeel Dagboek van de Verleider, waar in Kopenhagen druk over werd geroddeld. Zo goed geschreven dat het nog steeds door derden los wordt uitgegeven (waarvan Kierkegaard schande zou spreken) als zou het een opzichzelfstaand boek zijn.

In zijn dagboeken heeft Kierkegaard aangegeven slechts elf maanden te hebben gewerkt aan het boek in de periode tussen 11 oktober 1841 en het einde van november 1842, al zijn de ideeën veel langer gerijpt. In een brief zegt hij er zelf nog over dat het allemaal ‘niet zo snel is gegaan, maar dat komt doordat het geen uiteenzetting, maar een dichterlijke schepping is, waarvoor ik in de juiste stemming moet zijn’.

Het mysterieuze karakter van de geschriften, de dubbelzinnige verwijzingen, de poëtische soms dromerige stijl, de blijk van bijzondere literaire en historische kennis van zaken en het feit dat Kierkegaard dit boek volgens sommigen voor een deel tactisch schreef aan Regine Olsen (met wie hij zijn veelbesproken verloving verbroken had), maken het met recht een bijzondere leeservaring. Al is het boek ook wereldberoemd om het feit dat bijna niemand het heeft uitgelezen.

Aanvang

Of/Of getuigt van een buitengewoon creatieve inspanning. Kierkegaard zal later zeggen dat hij bij het schrijven van Of/Of de inhoud zelf reeds ontstegen was. Toch is het werk een duidelijke oefening voor de volgende pseudonieme werken, waarin zijn collaterale stijl (die staat voor het behoud van een zelfstandige waarde van individuele begrippen als tijd/eeuwigheid, eindig/oneindig en toeval /noodzaak in tegenstelling tot de methodiek van G.W.F. Hegel) steeds verfijnder wordt.

In een voorwoord wordt de lezer duidelijk gemaakt wat hij precies in handen heeft. De uitgever van Of/Of, Victor Eremita (Kierkegaards eerste grote pseudoniem wat zoveel betekent als “de zegevierende kluizenaar” of “hij die zegeviert in of door eenzaamheid” ), is per toeval gestuit op een aantal uitgebreide teksten die verborgen lagen in een kast. Het blijkt iets weg te hebben van een correspondentie tussen twee heren. Uit de geschriften komen weinig persoonlijke details over de auteurs naar voren en Eremita besluit ze daarom “A” en “B” te noemen. Vertrouwd geraakt met hun schrijven overwint hij zijn bezwaren de teksten niet te publiceren, ordent ze enigszins en maakt hier en daar nog een enkele annotatie. Het voorwoord van de uitgever blijft verder vaag en biedt niet al te veel aanwijzingen over de bedoeling van het een en het ander, behalve dan dat de twee auteurs twee verschillende perspectieven representeren, namelijk het esthetische (A) en het ethische (B). Dat de uitgever vaag blijft en zich niet waagt aan een algemene beschouwing, is natuurlijk geënsceneerd. Het typeert de indirecte methode die Kierkegaard als schrijver hanteerde: de gedachten die geformuleerd zijn op papier kunnen alleen door de individuele lezer eigen woorden gemaakt. De lezer wordt zo bewogen actief deel te nemen aan dat wat hij leest, iets wat bij een abstract (hegeliaans) filosofisch systeem nogal te wensen overlaat. Daarmee is dit boek ook een duidelijke aanklacht tegen de grote onpersoonlijke filosofische systemen van zijn dagen, waarvan Kierkegaard reeds op 24-jarige leeftijd in een dagboekfragment van 1 augustus 1835 liet zien hoe hij zich daartoe verhield:

Wat zou het mij baten als ik een zogenaamde objectieve waarheid zou ontdekken; als ik mij door alle filosofische systemen heen werkte en er, desgevraagd, kritieken over kon schrijven; dat ik in elk systeem de inconsequenties zou kunnen aanwijzen; – wat zou het mij baten als ik een staatsvorm zou kunnen ontwerpen en de her en der vandaan gehaalde onderdelen tot een eenheid kon samensmelten, een wereld construeren, waarin ik niet leefde, maar die ik alleen aan anderen voorhield; – wat zou het mij baten als ik de betekenis van het christendom uiteen zou kunnen zetten, de talloos geïsoleerde fenomenen zou kunnen verklaren, als die voor mijzelf en voor mijn leven niet van diepere betekenis zouden zijn?

We moeten zelf onze weg vinden in dit leven, als zelfverantwoordelijke zelfbepalers (natuurlijk door alle latere existentialisten van Sartre tot Heidegger herhaalt). Het komt er op neer, dat we weten wat onze bestemming is, dat we weten wie we willen zijn en wat me moeten doen. We zien hier dus al een concrete uitwerking van wat een centrale stelling bij Kierkegaard lijkt, namelijk dat ‘de hoogste objectiviteit zich pas laat zien in de hoogste subjectiviteit’.

Wie Of/Of leest (en opvallend genoeg geldt dit voor vrijwel ieder werk van Kierkegaard), zal ontdekken dat hij de indruk heeft het eens te zijn met Kierkegaard (of wat de pseudonieme schrijver mededeelt), maar even later het evenzeer eens is met het tegenovergestelde wat wordt beweerd. En daar ontvouwt zich nu precies nu de keuze. Het kiezen wordt de lezer zo gegeven en vormt de kern, de opdracht van Of/Of. Want vergeten we rekening te houden met de keuze, ‘dan komt er uiteindelijk een moment waarop er van een keuze geen sprake meer is, niet omdat er gekozen is, maar omdat het kiezen achterwege is gelaten’.

Het een

De papieren van “A” beslaan acht verschillende teksten (of hoofdstukken) met allen eenzelfde inzet: op een bepaalde manier de luchtigheid van het bestaan weer te geven (waarbij constant gebalanceerd wordt tussen passie en ironische reflectie). Ook worden we regelmatig geconfronteerd met een bepaalde vermoeienis, nonchalance en zwaarmoedigheid die de schrijver tentoonspreidt ten aanzien van het leven.

Als eerste worden we verrast met de zogenaamde Diapsalmata, die bijna 100 korte observaties, bedenkingen en aforismen beslaat. De titel is door Eremita bedacht, waar hij nogal dubbelzinnig het onderschrift “Aan mezelf” heeft toegevoegd (is er een verwantschap tussen Eremita en “A”?). “A” schetst in prikkelende, poëtische passages de waarde van de onmiddellijkheid, als essentieel voor de esthetische levensstijl. De beste tijd van het leven is de directe ervaring, bijvoorbeeld het eerste moment van werkelijk verliefd zijn, waarin de rede nog niet het gevoel van de passie bederft. De kunst is dus om dat kwetsbare moment van de onmiddellijkheid vast te houden, anders ligt er een leven van ongeluk in het verschiet.

In het essay De onmiddellijke erotische stadia of het muzikaal-erotische, beschrijft “A” dankbaar zijn liefde voor Mozart, en in het bijzonder diens ‘Don Giovanni’ (Don Juan). In tegenstelling tot de Diapsalmata volgt hier een ‘objectieve’ analyse over de relatie tussen taal en muziek, over de onmiddellijke sensualiteit van de tijdelijkheid van het muzikale en over de betekenis van een tijdloos meesterwerk.

Met De weerspiegeling van het antieke tragische in het moderne tragische, Schaduwbeelden en De ongelukkigste schrijft “A” drie essays die zouden zijn voorgelezen voor de Symparanekromenoi. Een uiterst mysterieus pessimistisch genootschap, waar “A” lid van is en waarvan diverse commentaren er niet uit zijn wat dit door Kierkegaard (niet helemaal juist) geconstrueerde Griekse woord precies betekent, naast een letterlijke vertaling “gemeenschap van de doden” of “de vereniging van de begraven levenden”. Maar de Symparanekromenoi kan wellicht het best begrepen worden als een genootschap voor verveelde mensen; mensen die vieren dat de nacht eindelijk weer de dag heeft overwonnen. De samenhang tussen de drie essays kan worden gezocht in het gereflecteerde gevoel van ongelukkig zijn; in tegenstelling tot de onmiddellijkheid van de opwinding, het genieten of de verliefdheid. Na het wat technisch geschreven De weerspiegeling en het filosofisch bespiegelende Schaduwbeelden is De ongelukkigste voor de hedendaagse lezer weer iets aangenamer en vriendelijker. Wie heeft namelijk recht op de eretitel ‘de ongelukkigste’?

Laat ons dus een open competitie instellen, waarvan niemand op grond van stand of leeftijd uitgesloten zal zijn. Uitgesloten is niemand behalve de gelukkige en hij die de dood vreest- welkom is elk waardig lid van de gemeente der ongelukkigen, de ereplaats bestemd voor elke werkelijk ongelukkige, het graf van de ongelukkigste.

Aan de lezer om te ontdekken tot welk verrassend oordeel de jury komt.

Na de drie essays volgen nog twee teksten (De eerste liefde en De wisselbouw), voordat Het dagboek eindelijk mag worden opengeslagen, al zijn haastige lezers daar natuurlijk al lang aan begonnen. In De eerste liefde worden we getrakteerd op een literaire kritiek (of eerder lofzang) van “A” op Eugène Scribe’s toneelspel Les premieres amours. Dit komische liefdesverhaal, waarin geleund wordt op allerlei amoureuze verwarring omtrent een jong meisje en twee geliefden, had met maar liefst 131 voorstellingen verspreid over 50 jaar de 19e eeuwse Deen definitief gewonnen voor de esthetische Franse romantiek. Aardig detail is dat Kierkegaard in 1841 aan zijn vriend Emil Boesen schrijft:

Stuur me zo snel je kunt De eerste liefde in de vertaling van Heiberg, die op het schouwburgrepertoire staat en bij boekhandel Schubothe te koop is, maar verklap aan niemand dat die voor mij is.

 “A”’s analyse van het plot heeft commentatoren verleidt Freud en Lacan eraan te verbinden, maar als lezer zou je toch vooral de voorstelling zelf willen zien om te ontdekken wat het betekent als iemand zegt dat ‘de eerste liefde de ware liefde is, en men maar eenmaal werkelijk liefheeft’ of dat de vergissing van een (eerste) liefde moet liggen in het feit dat ‘men het verleden met de toekomst heeft verward’. De gedetailleerde, gelaagde beschrijving van een ogenschijnlijk simpel toneelspel laat ons in ieder geval meekijken door de ogen van “A” alsof we er toch een beetje bij zijn.

Het voorlaatste schrijven van “A”, De wisselbouw, blinkt uit in een uitdagend pessimisme wat laat denken aan Schopenhauer en Nietzsche (en zelf een beetje aan Pascal). Het stuk is een cynische aaneenrijging van stellingen en opvattingen over relaties, vriendschap en het huwelijk die bijna allemaal wel iets losmaken. Hoe houdt men een leven interessant en hoe is dat gerelateerd aan het vermijden van vervelende verantwoordelijkheden die gepaard gaan met een ethisch leven? Heb moed, durf te variëren en ken je stemmingen, aldus “A”.

Wanneer twee mensen verliefd op elkaar worden en het gevoel hebben dat ze voor elkaar bestemd zijn, dan is het zaak de moed te hebben om het af te breken; want met doorgaan is alleen maar alles te verliezen, niets te winnen.

 Want

 (……) als men maar tot één mens in een relatie wilde leven zou er van de wisselbouw weinig terechtkomen, net zoals wanneer een boer maar een halve bunder land had, met als gevolg dat hij nooit kon braken, iets wat zo bovenmate belangrijk is-, zo moet men ook voortdurend zichzelf variëren, en dat is in wezen het geheim.

Iedereen die zijn zinnen gezet heeft op het huwelijk, zou er verstandig aan doen ter voorbereiding in gesprek te gaan met “A” in de Wisselbouw. Waarom heeft hij eigenlijk ongelijk?

Het toegankelijke en dramatische slotstuk van de papieren van “A”, is zonder twijfel het meest bediscussieerd. Het dagboek van de verleider is gecensureerd, apart uitgegeven, sterk autobiografisch beschouwd, en in vele opzichten becommentarieerd en vergeleken. Alles wat er hier over geschreven wordt zou daaraan niets toevoegen. Het dagboek doet denken aan vrouwenversierder Don Juan. De hoofdpersoon Johannes, is literair gezien echter verwant aan Faust. Want terwijl de vrouwen door Don Juan bij tientallen worden verleid (waarbij reflectie ontbreekt, dus is hij geen echte verleider), gaat het Faust maar een enkel meisje, ‘maar dat ene meisje is dan ook, in intensieve zin, heel anders verleid en vernietigd dan al die vrouwen die Don Juan heeft bedrogen.’ Bovendien is Johannes een echte verleider aangezien hij het volledig reflexief doet. Eén vrouw zal hij langzaam, gedegen, met ongelofelijke precisie en met zorg ten volle veroveren, om haar zo te brengen tot aan het uiterste van de hartstocht waarbij ze komt tot een volledige overgave- om haar daarna in de diepste diepte te laten vallen.

Autobiografisch gezien heeft Kierkegaard hier drie gelaagde pseudoniemen voor zich staan: Johannes, “A” (want “A” heeft zelf weer het dagboek gevonden) en Eremita. Toch is het onmiskenbaar dat Cordelia, het meisje dat slachtoffer wordt van Johannes, sterk verwijst naar zijn voormalige verloofde Regina (die een zus had die Cornelia heette). Hij wilde haar met dit schrijven laten zien, dat het juist was dat ze niet met elkaar gingen trouwen. Paradoxaal en uiterst indirect, want in hoeverre veronderstelde Kierkegaard dat Regine dit wel zou begrijpen? Later zal hij in Stadia op de levensweg zelfs nog een persoonlijke afscheidsbrief van haar letterlijk opnemen. De volgende passage uit een brief, ook aan Emil Boesen geschreven, geeft in het licht van het twee jaren later gepubliceerde Of/Of een belangrijk inzicht:

Wat ik je over dat jonge meisje heb geschreven, blijft overigens tussen ons; en je mag op geen enkele manier met geen woord mijn tactiek verstoren. Wat maakt het uit of de mensen denken dat ik een bedrieger ben? (……) Ik heb de mensen tenslotte altijd al voor de gek gehouden, waarom zou ik dat niet tot het uiterste doorvoeren? Natuurlijk ken ik momenten van smart waarop ik het betreur dat ik ooit verloofd ben geweest, maar niet dat ik die verloving heb verbroken; want alleen door het feit dat ik me met haar verloofd hebt, heeft ze enige macht over me gekregen.

Kierkegaard-kenner Joakim Garff merkt terecht op dat in heel zijn publiceerde schrijfwerk Kierkegaard Regine geen enkele keer noemt, maar dat het volstrekt onwaarschijnlijk is dat zijn werk, en in dit geval het dagboek, dezelfde filosofische psychologische gelaagdheid zou hebben gehad, zonder de verbroken verloving (hoewel met de esthetische geldigheid van het huwelijk door “B” wel een paradox wordt gecreëerd), zelfs al kon Kierkegaard in pseudoniem volledig afstand nemen van zijn eigen schrijven. En ergens voelen we dat Kierkegaard het existentiële ongeluk van “A” heeft geproefd, en balanceerde op de rand van Spidsborgerlighed, waarbij de climax van zijn leven samen te vatten is in het aforisme dat ‘de bron van het ongelukkig zijn niet is dat geliefden elkaar niet kunnen hebben, maar dat ze elkaar niet kunnen begrijpen.’ En dat onbegrip heeft geleid tot unieke filosofie. Later zal Kierkegaard in Over mijn werkzaamheid als schrijver uit 1851 zeggen dat hij deze filosofie geheel aan haar opdraagt, al blijft ze ook hier ‘een ongenoemde, wiens naam eenmaal genoemd zal worden’.

Het ander

Het tweede deel van het boek is getiteld Inhoudende de papieren van “B”, brieven aan “A”. In tegenstelling tot “A”, leren we “B” wel bij naam kennen in de persoon van Assessor, of Rechter Wilhelm, getrouwd en vader van kinderen. Deze rechter antwoordt zijn vriend “A” in twee lange brieven (waarvan het ons haast ongeloofwaardig voorkomt dat men zulke lange brieven schreef) getiteld De esthetische geldigheid van het huwelijk en Het evenwicht tussen het esthetische en het ethische in de ontwikkeling van de persoonlijkheid, en een preek van een Jutlandse dominee getiteld Ultimatum.

Het wordt al snel duidelijk dat de bedoeling van Wilhelm is “A” op een ander pad te krijgen, waarbij hij kiest voor een verantwoordelijk leven zodat hij zichzelf meer dan nu het geval is als mens ontwikkelt en komt tot een verantwoordelijke relatie tot zijn omgeving. Wilhelm schrijft bij aanvang van zijn eerste brief:

Boos kan men eigenlijk niet op je worden, het kwade heeft bij jou net als in de middeleeuwse opvatting een zeker bijmengsel van goedmoedigheid en kinderlijkheid. Ten aanzien van het huwelijk heb je je altijd alleen maar als waarnemer opgesteld. Er zit iets verraderlijks in, alleen maar waarnemer te willen zijn. Hoe vaak heb je me niet geamuseerd, maar hoe vaak ook heb je me niet geplaagd met je verhalen over hoe je listig het vertrouwen nu eens van deze, dan weer van die getrouwde man had weten te winnen, om te zien hoe diep hij in de zomp van het echtelijke leven stak. Je bij mensen in te dringen, daartoe bezit je werkelijk grote gaven (….), maar eerlijk gezegd ontbeert die psychologische belangstelling ernst en is ze meer hypochondrische nieuwsgierigheid.

Wilhelm doet gelijk al denken aan een vaderfiguur. En hoewel vaak opgemerkt is dat Kierkegaard in Of/Of met enige neutraliteit de perspectieven heeft willen schetsen, is het als lezer moeilijk je te onttrekken aan het idee dat het perspectief van Wilhelm niet te verkiezen is boven “A”, noch dat Kierkegaard zelf niet net als Eremita een voorkeur zou hebben voor Wilhelm (los van het religieuze perspectief dat in later werk ontwikkeld zal worden en met Ultimatum als deus ex machina Of/Of binnentreedt). Bovendien suggereert ook de volgorde van presenteren van de papieren een opeenvolging, evenals het feit dat “A” jonger is dan “B”. Maar hoezeer had ook niet de scepticus kunnen antwoorden op de ethicus? Eremita merkt overigens op dat het zou kunnen zijn dat enkele geschriften van “A” een antwoord zouden vormen op de brieven van “B”; de volgorde is hem echter onduidelijk.

Kern van de brieven is het verwijt aan “A” dat hij niet komt tot een werkelijke keuze en als observator misschien wel interessante ideeën opdoet, maar zelf geen deel uitmaakt van die ideeën. “A” is zogezegd verdwaald in het rijk der mogelijkheden, waarbij hij geen moeite neemt het existentiële kompas te vinden. In Het evenwicht tussen het esthetische en het ethische staat dan ook de betekenis en het belang van de keuze centraal. Hoewel bij Wilhelm soms wat twijfel doorklinkt, is hij uiteindelijk toch overtuigd van het ware subjectieve pad dat hij heeft gekozen, al merkt Ger Groot in een essay op dat

Anders dan de Verleider Wilhelm kiest voor de verbintenis die hij aangaat en daarmee wil hij uitdrukkelijk een ethisch wezen zijn. Maar daarin schiet ook hij tenslotte aan de liefde voorbij. Hij kiest omdat dat een ethisch principe is: hij kiest voor het kiezen (‘Of/of’, zegt rechter Wilhelm opnieuw) en voor de plicht lief te hebben. Dat is – suggereert Kierkegaard daarmee ironisch – iets heel anders dan de liefde zelf, die altijd om iemand ondernomen wordt en niet omwille van een algemene heilige plicht die iedereen geldt. Omdat Wilhelm zich op dat algemene vlak baseert, schiet hij tenslotte net zo ver over de liefde heen als de Verleider ertegenover tekortschoot.

Daarmee is het perspectief van “A” zeker niet overwonnen door “B”, en mag er toch met recht gezegd worden dat de perspectieven voor zichzelf spreken. Maar zou het niet kunnen dat deze papieren feitelijk van één en dezelfde persoon afkomstig zijn? Moet, wie A zegt ook niet B zeggen? En zou er dan sprake zijn geweest van ontwikkeling in deze mens? Volgens Eremita zou een dergelijke zienswijze met het gezonde verstand in strijd zijn, maar ook hij kan zich niet van die gedachte losmaken. Met Of/Of kan de lezer echter alle kanten uit. Of “A” overtuigde “B”, of “B” “A”, of “B” was “A”. En wie is Eremita eigenlijk?

Hoe je deze vragen ook beantwoordt, duidelijk is wel dat de in beginsel kleine rol van Eremita, bij herlezing een sleutelpositie blijkt te zijn. Dat hij de mogelijkheid heeft gehad een analyse te geven over de teksten, maar dat nalaat en desondanks toch een opdracht ziet voor zichzelf ‘iets’ met de papieren te moeten is even nietszeggend als alles zeggend.

Rest nog het Ultimatum. Een afsluitend woord van Wilhelm aan “A”. De korte brief bevat een bijgevoegde preek van een bevriende dominee met als titel Het opbouwende in de gedachte dat wij tegenover God altijd ongelijk hebben. Een ‘voor iedere boer te begrijpen’ preek, maar daarom niet onbeduidend, ‘want het schone van het algemene is nu juist dat allen het kunnen begrijpen’. Wilhelm voegt deze preek toe omdat zij op een betere manier iets uitdrukt dan hij het kan. Met Ultimatum geeft Kierkegaard feitelijk de lezer een voorbode van wat gaat komen en verder uitgewerkt wordt in Stadia op de levensweg. Naast het esthetische (onmiddellijke) en ethische perspectief, is er namelijk ook het religieuze perspectief en is de keuze in werkelijkheid niet die tussen het esthetische en ethische, maar die tussen het ethische en het religieuze. Wie namelijk kiest voor het religieuze verlost zichzelf daarmee definitief van de vertwijfeling. Zoals de dominee schrijft:

Alleen in een oneindige relatie tot God kan de twijfel tot rust worden gebracht; alleen in een oneindig vrije relatie tot God kan zijn bekommernis veranderen in vreugde. In een oneindige relatie tot God verkeert hij wanneer hij erkent dat God altijd gelijk heeft; in een oneindig vrije relatie wanneer hij erkent dat hij zelf altijd ongelijk heeft. Zo is dus de twijfel tot staan gebracht; want de beweging van de twijfel was nu juist daarin gelegen dat hij het ene moment gelijk had en het volgende ongelijk (…)

Kierkegaard stierf in 1855, Of/Of zelf ver ontstegen. Regine Olsen overleefde Kierkegaard met bijna een halve eeuw. Nadat Fredrich Schlegel met wie ze getrouwd was stierf in 1896, kreeg een aantal mensen de kans met haar te spreken over de ooit zo spraakmakende verloving, die nu een onderdeel was geworden van belangrijke geschiedenis. In de memoires van Robert Neiiendam, die als jongeman in die dagen met haar wandelde lezen we:

Ze was verheugd over het feit dat allerlei jonge mensen geïnteresseerd waren in Kierkegaard. Ze sprak alleen maar in fraaie bewoordingen over hem en de jaren hadden zijn relatie tot haar duidelijk gemaakt. Het was een missie van God geworden,  die haar gebruikt had als een instrument om Kierkegaard te leiden tot het schrijven van een grote religieuze werken, die zo belangrijk zouden worden.

Maar ook Of/Of hebben we grotendeels aan haar te danken. En hoe men het boek ook leest of waardeert, hoe men ook denkt over de schrijver Kierkegaard of de pseudoniemen, hoe men ook aankijkt tegen de verloving of de verleider, met Of/Of heeft men een klassieker in handen die dankzij de thematiek nooit meer zijn actualiteit zal verliezen, omdat het in zekere zin ook een ode is aan de mens. Ongeacht of je het nu in stukjes leest of helemaal uit.

 

* Na enige tijd jaar op de plank te hebben gelegen, nu hier de publicatie. Hoewel Of/Of voor Kierkegaard-kenners overbekend is, probeert deze compacte, onvolledige beschrijving de nieuwsgierige en de nieuwe lezer te bereiken. De prachtige Nederlandse vertaling is nog gewoon verkrijgbaar.

De kracht van naïviteit

De kracht van naïviteit
Onbevangenheid als levensinstelling

Een kleine uiteenzetting naar aanleiding van een filosofische ontmoeting, met als doel het begrip naïviteit nader te overwegen en eigen te maken (zo ook -zo niet juist- voor de lezer hier)


 1.      Het begrip naïviteit

A) Als we naïviteit opvatten als een zekere van nature aanwezige zuivere openhartigheid die gekenmerkt wordt door een ongekunstelde eenvoud, waarbij men zich zonder voorbehoud (in eigenheid) verhoudt als subject tot subject en object, dan gaan we daarmee in tegen een meer gangbare en intuïtieve opvatting dat het naïeve een negatieve houding weerspiegelt.

B) Evenals het onnozele oorspronkelijk het onschuldige aanduidt, is het naïeve van oorsprong niet zozeer een primair gebrek aan begrip en inzicht, als wel een bepaalde (bedoelde) houding ten opzichte van het leven. Het gaat dan om reflexieve argeloosheid. Het spanningsveld dat leidt tot het negatieve begrip van naïviteit zit in het gegeven dat wie als doel heeft het onschuldige te behouden, in een schuldige wereld, die wereld ergert en tot ergernis is.

C) We zouden het naïeve, positief beschouwd, kunnen opvatten als het ‘met de dag leven zonder plan’. Maar dan wel zo, dat men zich reflexief verhoudt ten opzichte van het leven zonder plan, waarbij men permanent een oordeel opschort. Daarmee wordt het een filosofische houding (waarbij men dus de paradox ervaart dat het reflexieve noodzakelijk het naïeve lijkt op te heffen).

D) Het gaat er om te kiezen (op voorhand) niet te willen weten en het gaat erom te kiezen onbevangen te zijn. Kan dus onbevangenheid en keuze zijn? Zeker, mits men de balans weet te vinden tussen praktijk en onbevangenheid. Zodra het onbevangene onpraktisch blijkt, zal ze worden opgeheven.

2.      Naïviteit als moment

A) Wie het naïeve –het bewust naïeve wat daarmee onbevangenheid wordt- ontmoet, wordt daardoor in eerste instantie ontwapend. Ontwapend van (voor)oordelen, omdat een oordeel over ‘hij die niet weet’ een vals oordeel is.

B) Maar juist de aanvankelijke ontwapening leidt tot reservering: men wapent zich weer. Een reflexieve naïviteit, leidt namelijk tot reflectie bij degene die deze ontmoet, juist omdat het naïeve onvanzelfsprekend is, waardoor het subject op zichzelf wordt gewezen. En deze onvanzelfsprekendheid leidt tot een fluwelen herbewapening: we willen het vriendelijk ontmaskeren, alvorens het ons ergert.

C) Ontmaskeren in Het naïeve verbeeldt door Anne Siemsde zin van (het kinderachtige): ‘deze naïviteit kan wel eens gespeeld zijn’. Ontmaskeren in de zin van: ‘de onnozele heeft als doel mij onnozel te doen lijken’. Dat is de ergernis ten opzichte van de idee van (doel)bewuste naïviteit (waarbij deze naïviteit dus negatief wordt opgevat, terwijl juist de bewuste naïviteit als onbevangenheid hierboven gedefinieerd is als positief).

D) Merk op: Er is een duidelijk verschil tussen bewuste en doelbewuste naïviteit. Bewuste naïviteit is een open houding zonder verwachting, terwijl doelbewuste naïviteit een verwachting in zich draagt (waarbij het naïeve dus wordt ingezet als houding, waarbij het dus negatieve naïviteit wordt; anders gezegd: het betreft een dubbele beweging waar het niet meer om het naïeve omwille van het naïeve gaat).

E) Anderzijds leidt ook de idee of herkenning van onbewuste naïviteit tot ergernis. Want ten opzichte van het oprechte ‘niet weten’ (het kinderlijke) verhouden wij ons vanuit de idee dat dit onbewust is weliswaar gereserveerd, maar willen we het oprechte niet weten ontdoen van het niet weten. Dat is de opvoeding: het spontane in het kind waarderen, maar de gehele opvoeding erop richten het spontane uit te bannen.

3.      Oprecht veinzen

A) Gespeelde naïviteit, die sterk neigt naar de houding die de verwondering kenmerkt, is ook wel te kenschetsen als het oprechte veinzen. Het suggereren dat men een spontane inval heeft, of dat men zich onwetend verhoudt ten opzichte van een bepaald dilemma, kan juist de verwondering van de andere wekken. Daarmee wordt het veinzen vanuit oprechtheid ook positief, evenzeer als een naïeve welbewuste houding met als doel te ontwapenen positieve naïviteit is.

B) Daarmee is zowel het oprechte veinzen als het welbewuste naïeve een kunst: zolang men niet ontmaskerd wordt dient het een positief doel. De ergernis zit in het vermoeden en de voorkennis: wie iemand bij herhaling een verhaal hoort vertellen alsof hij dit voor het eerst vertelt, is geërgerd (als een spontane inval wordt geveinsd).

4.       Tweede naïviteit als overweging

A) Is bewuste naïviteit als positieve houding praktisch mogelijk? Ja, juist omdat het bewust is mag het ten volle naïef worden genoemd. Vanuit het bewuste weten en het diepe inzicht kiezen zich anders te verhouden, of kiezen zich toch anders te verhouden ondanks de kennis. Men kan geen prediker zijn indien men zich niet bewust is van zijn boodschap, en men kan zich niet anders verhouden ten opzichte van kennis indien men niet bewust naïef is. Dat is misschien de ‘seconde naivité’ (vrij naar Ricoeur), de tweede naïviteit: een herwonnen inzicht op basis van verworven kennis, waarbij kritiek op het oorspronkelijke inzicht is overwonnen en zelfs is overstegen, zodat de oorspronkelijke houding hersteld wordt. Ja, een naïviteit die de kritische integriteit niet opgegeven heeft, maar kiest voor een nieuwe onbevangenheid die ook de eerste naïviteit kenmerkte.

B) Het onttoverde herkennen (vrij naar Chesterton), maar het weer betoveren. Een boom is niet zomaar een boom die appels geeft, maar het is een boom die betoverd is en daarom appels geeft.

C) Het geobjectiveerde herkennen, maar het weer tot het subject doen verhouden (vrij naar Kierkegaard). De objectieve denker richt zich op een objectieve zaak en vergeet dat hij zelf existeert. De tweede naïviteit is een reflectie op die houding waarbij het abstracte ontdaan wordt van zijn abstractheid en waarmee men het overstijgt. In wezen dus de grond van de filosofische houding.

D) Laat haar maar ergernis wekken.

Indrukken bij de eerste druk: Søren Kierkegaards Frygt og Bæven uit 1843 in de hand

Indrukken bij de eerste druk
Søren Kierkegaards Frygt og Bæven uit 1843 in de hand

Sinds enige tijd ben ik in het bezit van een eerste druk van Kierkegaards Frygt og Bæven (Vrees en Beven). In deze korte studie bespreek ik dit exemplaar en vergelijk ik het voorblad met de tweede druk van Frygt og Bæven uit 1857. Ik begin echter met enkele overwegingen bij het verschijnsel “eerste druk”.

Het verschijnsel “eerste druk”

Voor wie niet het gevoel heeft bij een eerste druk, of wat het betekent een eerste druk van een (zeldzaam) boek te bezitten, is het een vreemd idee dat de waarde van een dergelijk specifiek exemplaar in de duizenden euro’s kan lopen. Ter illustratie, een tweede druk van waarschijnlijk het meest besproken werk van Kierkegaard (Enten/Eller) uit 1849, is in 2007 geveild voor ongeveer € 23.000. Het was in dat geval de handgeschreven opdracht aan Hans Christian Andersen in het boek dat het zo kostbaar maakte.

Maar zelfs deze € 23.000 is nog niets vergeleken bij de € 134.000 die in 2003 werd betaald voor een eerste druk van hetzelfde werk. In dit geval werd de waarde voornamelijk bepaald doordat het hier om het exemplaar ging dat Kierkegaard had opgedragen aan zijn toen inmiddels ex-verloofde Regine Olsen. Daarmee is het waarschijnlijk ook in het gehele oeuvre het meest waardevolle en unieke exemplaar te noemen.

Eerste edities van Of/Of zijn tegenwoordig moeilijk te vinden (link 24/4/12 beschikbaar). Exemplaren die beschikbaar zijn, zijn voornamelijk te vinden bij de Deense antiquairs. Overige exemplaren zijn in handen van verzamelaars, bibliotheken en musea. De paar exemplaren in redelijke tot goede staat worden ongeveer vanaf € 2000 aangeboden. Dat betekent dus dat een door Kierkegaard toegevoegde handgeschreven tekst in een exemplaar, het boek voor de liefhebber tussen de € 20.000 en € 130.000 waardevoller maakt.

De waarde van een eerste druk hangt dus samen met een idee. Een eerste druk op zichzelf is niets waard. Een eerste druk ziet niet anders uit dan een tweede druk. De inhoud is exact hetzelfde, evenals de kostprijs van de binding en het papier. Zoals ik straks ook zal laten zien zijn de verschillen tussen de tweede druk en de eerste druk van Frygt og Bæven miniem. Het is de schoonheid van het idee waarvoor men bereid is te betalen.

De waarde van een idee
Anders dan bij een visueel kunstwerk zoals een schilderij, wordt iemand niet direct getroffen door de schoonheid van het boek. Het betreft ook geen handgeschreven werk, zoals een schilderij als uniek exemplaar hand-vervaardigd is door de artiest. Het begrijpen van de waarde van een schilderij is daarom eenvoudiger, dan de waarde van een boek, omdat het schilderij een directe indruk nalaat en een boek slechts een indirecte. Uiteraard is daarmee een schilderij per definitie een uniek exemplaar, maar dat kan een boek ook zijn zoals we hebben gezien. Daar komt nog eens bij dat in dit specifieke geval de inhoud van het werk van Kierkegaard vrijwel onleesbaar is, tenzij men het Deens en het gotische schrift machtig is. De waarde in samenhang met de idee komt daarmee des te meer voor het voetlicht. Een andere gedachte valt overigens ook niet te onderdrukken: het namaken van een eerste druk lijkt mij relatief eenvoudig. Wie kan onderscheiden of hij een vervalsing in handen heeft of een origineel exemplaar?

De waarde van een eerste druk hangt dus samen met de idee. En om die idee te bezitten, moet je bereid zijn er financieel iets tegenover te stellen.  Zo is de idee een boek in het bezit te hebben dat door Kierkegaard zelf is vastgehouden en is gesigneerd met een opdracht, zo waardevol, dat iemand bereid kan zijn daartoe tienduizenden euro’s tegenover te stellen.

De idee wordt echter door meerdere dingen bepaald; de oplage van het werk, de fysieke staat, de invloed van het werk en de historie die er mee samenhangt.

Het lijkt voor de hand te liggen dat de oplage een belangrijke rol speelt. De meeste boeken die Kierkegaard uitgaf, hadden een standaard oplage van 525 exemplaren (zie noot aan het eind). Van het proefschrift van Kierkegaard (Om begrebet ironi med stadigt hensyn til socrates) is de oplage onbekend. Zover ik het heb kunnen overzien is een originele uitgave inclusief een vel met de Latijnse stellingen niet op de particuliere markt verkrijgbaar, maar enkel de commerciële editie bedoeld voor de verkoop zonder de Latijnse stellingen. Vermoed wordt echter dat deze commerciële uitgave ook 525 exemplaren groot was. Slechts ‘Begrebet Angest’ (Het begrip angst) verscheen in de aanmerkelijk kleinere oplage van 250 exemplaren, mij onbekend op dit moment wat daar de beweegreden van was. Dit werk staat dan ook als zeer zeldzaam bekend, en is nauwelijks beschikbaar voor de particuliere markt (zie hier een aangeboden exemplaar -link 23/4/12 beschikbaar-). Deze exemplaren, vaak niet in bijster goede staat, gaan bijna allemaal voor meer dan € 2500 van de hand.

Het is sowieso moeilijk om een originele uitgave te vinden in goede staat. Met origineel bedoel ik de uitgave zoals hij de drukker verliet. Frygt og Bæven was bij eerste druk een eenvoudige paperback met donkerblauwe kaft. Deze kaft werd echter vaak vervangen als het boek opnieuw werd gebonden, bijvoorbeeld in kalfsleer. Dit gebeurde als men er het geld voor had om het boek stevigheid mee te geven en iets meer cachet. Dus, een editie met paperback blauwe kaft komt dichter bij de oorspronkelijke uitgave dan een leren hergebonden exemplaar, en is daardoor ook zeldzamer.

Natuurlijk wordt de idee bij een boek versterkt door de invloed ervan. Kierkegaard heeft bij leven geen herdruk meer meegemaakt van Frygt og Bæven. Deze verscheen pas in 1857 toen hij reeds twee jaar was gestorven. De beroemde dagboekaantekening van Kierkegaard waarin hij stelt dat alleen al Frygt og Bæven wanneer hij dood is voldoende is om onsterfelijk te worden als schrijver, is opmerkelijk, daar hij slechts 321 exemplaren verkocht zag gedurende zijn leven. “Men zal het blijven lezen en het zal vertaald worden in andere talen”, zo lezen we de woorden van Kierkegaard in de Nederlandse editie van 2006.

Ik denk dat van de door Kierkegaard gepubliceerde werken onder pseudoniem Frygt og Bæven na Of/Of het meest besproken en invloedrijke boek is (al zouden zowel het ‘Afsluitend onwetenschappelijke naschrift’ als ‘Het begrip angst’ ook voor die titel in aanmerking kunnen komen). Het is overigens gissen of Kierkegaard zelf de oplage heeft gezien of het merendeel van de boeken in handen heeft gehad, aangezien hij als pseudoniem een indirecte relatie onderhield met de uitgever en de belangrijkste onderhandelingen en taken overliet aan zijn goede vriend Jens Finsen Giødwad, die overigens ook veel van zijn manuscripten las, waaronder dat van Vrees en Beven.

Mijn idee bij Frygt og Bæven
Voor wie er dus geen idee van heeft, kan er ook geen idee bij hebben. Wat dan voorligt, is een centimeter dik gebonden hoopje oud papier, met daarin onleesbare inhoud. Ik zal hier schrijven voor de liefhebber als de liefhebber.

Het exemplaar wat ik zal bespreken, staat naar mijn opvatting zo dicht als mogelijk bij het origineel-een van mijn eigen voorwaarden bij aanschaf. De uitgave is in zeer goede staat en heeft de originele donkerblauwe buitenkaft. Deze uitgave met de blauwe kaft is bij mijn weten nergens te verkrijgen, en zeldzaam omdat de meeste boeken tijdens de nieuwe binding deze originele kaft verloren. In de edities die nog te koop zijn, zou overigens de blauwe kaft nog wel degelijk aanwezig kunnen zijn. Hier is hij duidelijk afgescheurd.

De eerste editie bestaat uit een totaal 8 voorpagina’s en 135 pagina’s inhoud.

De kopie die 16 oktober 1843 het licht zag is in het bezit geweest van de Deense familie Hartmann en is overgenomen uit de nalatenschap van de auteur en uitgever Godfred Hartmann (Kopenhagen, 24/7/1913- 7/2/2001), familie –ik meen achterkleinzoon- van de beroemde componist Johan Peter Emilius Hartmann (Kopenhagen, 14/5/ 1805 – 10/3/ 1900). De bescheiden kans is aanwezig dat Godfred het exemplaar via via heeft gekregen van Johan Peter Emilius, aangezien het werk met potlood is gesigneerd door ‘J.P. Hartmann’ (hoogstwaarschijnlijk zijn vader). Begin 20e eeuw is het boek hergebonden door de Deense boekbinder Anker Kyster, om in 2012 vanuit Kopenhagen naar Nijmegen te worden verscheept. Ik vermoed dat deze boekbinder ook het label op de rug heeft toegevoegd waarop staat te lezen ‘Frygt og Bæven’ Het is vrijwel onmogelijk te achterhalen of het hier om een exemplaar gaat dat in eerste instantie is verkocht, of dat het een van de 204 exemplaren betreft die later op de een of andere manier van de hand zijn gegaan. Ik acht dat laatste iets waarschijnlijker, gelet op de conditie van het exemplaar, dat nog de oorspronkelijke ongesneden staat verraad, die later ietwat onzorgvuldig is gesneden.

Een vergelijking tussen de eerste en de tweede druk

Deze foto’s zijn van de betreffende exemplaren, door mij gemaakt:

Foto Vrees en beven 1e en 2e druk voorblad

Foto Vrees en beven 1e en 2e druk eerste pagina

Foto 1843 onderkant

Foto 1857 onderkant

In tegenstelling tot de tweede editie valt bij het voorblad op dat de gotische letters iets sierlijker zijn vormgegeven. De eerste streep is nagenoeg gelijk, terwijl de tweede streep die we bij de tweede editie zien (waaronder vanzelfsprekend te lezen valt ‘Anden Udgave’) bij de eerste uitgave ontbreekt. Daarentegen is de dikke streep van de eerste editie vervangen met een kleinere streep bij de tweede editie. In beide gevallen is het opmerkelijk dat het jaartal wordt afgesloten met een punt.

Onder de laatste streep lezen we bij de eerste editie:

Kjøbenhavn.
Faaes hos C.A. Reitzel.
Trykt i Bianco Lunos Bogtrykkeri.
1843.

(Kopenhagen.
Beschikbaar (Fås ) bij C.A. Reitzel.
Gedrukt in de Bianco Lunos Boekdrukkerij.
1843.)

Terwijl de tweede editie eindigt met:

Kjøbenhavn.
Forlagt af C.A. Reitzels Bo og Arvinger.
Bianco Lunos Bogtrykkeri ved F.S. Muhle.
1857.

(Kopenhagen.
Uitgegeven door C.A. Reitzel Bo* (?) en erfgenamen.
Bianco Lunos Boekdrukkerij door F.S. Muhle.
1857.)

(*Noot: op 4/1/’15, was hoogleraar Scandinavische taal- en letterkunde, prof. dr. Henk van der Liet zo vriendelijk mij te wijzen op het volgende: “De toevoeging “Bo” is hier de afkorting van het woord “Dødsbo”, dat in het Nederlands vertaald “nalatenschap” betekent. Daarmee wordt de aanduiding ook logisch, omdat er eveneens gewag wordt gemaakt van erfgenamen. Immers, Carl Andreas Reitzel was in 1853 overleden. De boekhandel van Reitzel bestaat overigens sinds een aantal jaren (helaas) niet meer, de naam is nog wel in gebruik, maar heeft zeer zeker niet meer de glans van weleer.”

Ander opvallend kenmerk is dat de pagina indeling gewijzigd is ten opzichte van de eerste editie. De tweede uitgave bevat in plaats van de 135 pagina’s (21 cm lengte) 127 pagina’s, terwijl juist het geheel iets handzamer oogt (20 cm lengte).

Overduidelijk een editie om nooit van de hand te doen, om als Kunst te waarderen en om ‘in de familie te laten’. Het is eigenlijk jammer dat de familie Hartmann niet in staat is geweest het boek binnen de familie te houden, gezien het daar een aardige historie heeft gehad en van de bron zelf is afgekomen, wat het mijns inziens in persoonlijke zin een waardevol exemplaar maakt. Maar zoals het gaat met alle dingen van mensen die sterven, ze komen in handen van mensen die de idee missen en slechts een betekenisloos object zien. Het is een nachtmerriescenario te bedenken dat dit boek ooit in handen komt van een onverlaat, die de nettowaarde van de kaft en het papier alles bij elkaar nog geen 10 eurocent toedicht en het werk of bij het oud-papier legt, dan wel met een stapel andere boeken aflevert bij De Slegte. Laat dit verhaal bijdragen aan het behoud van een lange geschiedenis, al is het boek voorlopig nog niet van mij af.

 

Noot:
Kierkegaard heeft bij leven alleen Of/Of uitverkocht zien raken. Alle publicaties die bij leven daarna verschenen bij de drukker Carl Andreas Reitzel raakten (naar mijn weten) niet uitverkocht. Een overzicht van enkele werken geeft een indruk over de oplage en verkochte aantallen:

Uitgave van:GedruktVerkochtRestant
Of/of5255250
Vrees en beven525321204
Herhaling525272253
Filosofische kruimels525229296
Het begrip angst25016585
Stadia op de levensweg525245280
Afsluitend onwetenschappelijk naschrift500119381
Een literaire recensie525131394

(Bron: Garff, J. (2004). Sören Kierkegaard.- Vertaling van mijn hand)

In principe had Kierkegaard weinig moeite met het niet uitverkocht raken van zijn boeken. Sterker nog, zijn bezwaren tegen de tweede druk van Of/Of waren groot, omdat hij een strakke consistentie wilde handhaven ten aanzien van het verschijnen van de pseudonieme en niet-pseudonieme werken. Met een herdruk zou het schrijven wel eens louter als “esthetisch” kunnen worden begrepen.  Het boek dat op 20 februari 1843 was verschenen was in 1846 uitverkocht en zowel Reitzel als een andere drukker (P.G. Philipsen) waren geïnteresseerd in een herdruk. Het kwam er in 1849 alsnog van (met een oplage van 750 stuks), omdat Kierkegaard de rode lijn had weten vlot te trekken met verschillende (voorbereide) publicaties, waaronder het belangrijke “Het gezichtspunt voor mijn werkzaamheid als schrijver”, “Over mijn werk als een schrijver” en “Gewapende neutraliteit”.

De reden overigens waarom dit boek als enige hoogstwaarschijnlijk uitverkocht is geraakt, hangt samen met de mystiek omtrent het boek. Het mysterieuze pseudoniem (Victor Eremita) en de al even mysterieuze inhoud en verborgen boodschappen van het boek, maakte dat de Kopenhagers, gretig benieuwd waren geraakt naar wat er allemaal achter zat. Toen gaandeweg duidelijk werd dat Kierkegaard de auteur was van de boeken, was het mysterie ontrafeld, en liep de interesse voor zijn boeken (zowel pseudoniem als onder eigen naam gepubliceerd) terug.

Eerste editie (te koop)

Eerste editie II (te koop)

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2018 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved