Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Filosofische overwegingen bij het kinderlied ‘Hansje Pansje kevertje’

Print Friendly, PDF & Email

Of: waarom we ons Hansje als een gelukkig kevertje moeten voorstellen

Velen zullen in hun leven het moment meemaken dat ze als volwassene luisteren naar het kinderliedje. Het gevoel wat het verleden dan aan betekenis krijgt in het heden leidt meestal tot grote bevreemding of verwondering. Die concrete ervaring probeer ik in deze bijdrage vorm te geven, en ik zal mij in het bijzonder richten tot het lied Hansje Pansje kevertje.

Voordat ik daar aan toekom, wil ik kort nog wat opmerkingen maken over het kinderlied op zich. Het lijkt me dat in veel liederen het kind wordt begrepen als een wezen dat meer oor heeft voor de melodie dan voor de inhoud, waardoor alle denkbare onzin of een lang vergane betekenis uit het verre verleden vrijelijk en schaamteloos kan worden aangeleerd. Het irrationele kind zal immers toch niet op zoek gaan naar de samenhang of betekenis van wat voorgeschoteld wordt.

Het idee is in vele gevallen ook dat het kind genoegen neemt met eindeloze herhaling en herkenning van aantrekkelijke klankcombinaties. Neem bijvoorbeeld het lied van de repeterende rekensom ‘3 × 3 is negen’, wat gevolgd wordt door het merkwaardig individualistische ‘en ieder zingt zijn eigen lied’. En wat te denken van het raadsel dat opgeworpen wordt in het lied ‘Schuitje varen, theetje drinken’ wat vervolgt met ‘Varen we naar de Overtoom – Drinken er zoete melk met room- Zoete melk met brokken- Kindje mag niet jokken.’

De overgang van ‘Zoete melk met brokken’ naar ‘een kindje wat niet mag jokken’ zal ongetwijfeld honderd jaren geleden betekenisvol zijn geweest, maar slaat in de hedendaagse context als ‘een tang op een varken’, of misschien honderd jaar geleden ook wel. Dat geldt ook voor vreemde liederen die kennelijk ooit iets met zeden te maken zouden hebben. Zo schotel je je dreumes met In de maneschijn een waarschuwingslied tegen onzedelijk gedrag van meisjes voor, althans volgens de wat speculatieve historicus, en kunnen we ‘Altijd is Kortjakje ziek’ mogelijk koppelen aan de 17de -eeuwse Rachel Valderappus, ‘een sekreetjuffrouw, een toiletjuffrouw, die wel een drankje lustte’. Enfin, op vele blogs zijn vele verschillende achtergrondverhalen bij dergelijke liederen te vinden.

Maar bij het lied Hansje Pansje kevertje vond ik die zo gauw niet, terwijl daar toch enorm veel aan de hand is. De herkomst en de auteur zijn ook onbekend, of heb ik althans niet kunnen achterhalen. Daarom onderwerp ik zelf het lied aan een korte bespreking.

Hansje Pansje kevertje

Hansje Pansje kevertje/ Die klom eens op een heg*.

Neer viel de regen/ Die spoelde alles** weg.

Op kwam de zon/ Die maakte alles** droog.

Hansje Pansje kevertje/ Die klom toen weer omhoog.
__________________________________________

(In varianten: * ook wel: hek. ** ook wel: Hansje)

De melodie van het lied wat ik in de uitvoering van ‘de 60 meest populaire kinderliedjes (2016)’ enkele honderden malen aandachtig heb beluisterd, heeft een onmiskenbare tragiek, die past bij de tekst. Of het de originele melodielijn is weet ik niet. Hier en daar zijn ook wel wat vrolijkere varianten te vinden, maar die vind ik lang niet overtuigend. Dit lied ademt het aanvankelijk eindeloos repeterende, het zinloze en het tragische. Of dat standhoudt, daar kom ik nog op terug.

Ik sta allereerst even stil bij de zeer aantrekkelijke reduplicerende naam van de hoofdrolspeler, waarbij een kevertje ooit door iemand een naam is toegedicht, namelijk Hansje Pansje. Dat ligt niet zo voor de hand, een kever Hansje te noemen, net zo min als een Olifant ‘Fikkie’ of een hond ‘Boes’. En vaak hebben dieren de achternaam van hun soort, bijvoorbeeld Bruin de Beer of Broer Konijn, maar dat is bij Hansje niet het geval. Zijn achternaam is Pansje, wellicht een verbastering op pantser. Kevers hebben immers een pantser. In het woordenboek leidt Pansje naar niets en kom je uit bij Panslavisme, oftewel het streven van alle Slavische volken naar politieke eenheid. Daar staat Hansje verre van.

Ik heb een voorliefde voor de reduplicatie en vind haar eindeloos aantrekkelijker dan bijvoorbeeld de alliteratie, die je ook vaak in kinderliedjes aantreft (denk aan Dikkertje Dap of Berend Botje). Zo is het mij overkomen dat ik de naam Fritzl nooit meer heb kunnen loskoppelen van een schnitzel, al is dit een wat ongelukkig voorbeeld in het licht van dit kinderliedje. Een andere aanwijzing dat het hier gaat om een achternaam is dat in sommige varianten in plaats van ‘spoelde alles weg’, ‘spoelde Hansje weg’ wordt gezongen. Bovendien wordt Pansje vaak met een hoofdletter geschreven. Daaruit maak ik op dat de naam niet één geheel is en moet worden begrepen als voornaam en familienaam. De Pansjes.

Als we de tekst nader verkennen, zien we dat Hansje op een heg of een hek klimt. Daartussen zit nogal een groot verschil, want een heg biedt veel meer beschutting, houvast en past toch beter bij de natuurlijke habitat van een kever, terwijl een hek behoorlijk veel extra risico’s met zich meebrengt voor Hansje. Feit is dat Hansje klimt, naar boven, omhoog. Dat Hansje moet klimmen suggereert dat hij één van de wat zeldzamere kevertjes moet zijn die het vermogen tot vliegen heeft verloren, en wellicht zijn de rugschilden van Hansje ook met elkaar vergroeid. Althans, dat is de hypothese die ik hier zal opperen: Hansje kan niet anders dan klimmen, omdat hij niet kan vliegen. Lui is hij in ieder geval ook niet.

Dan brandt de vraag wat Hansje daar in de hoogte denkt te vinden. Hij lijkt niet voor de blaadjes te gaan die hem tot voedsel kunnen dienen; daarvoor is klimmen immers geen noodzaak. Het vervolg van het lied zal dat straks ook bevestigen.

Als we de onderneming van Hansje beschouwen vanuit een existentieel perspectief, dan zouden we kunnen zeggen dat Hansje zoekende is. Wat heeft of denkt hij immers te vinden hoog in een hek of een heg? Waar is hij feitelijk naar op zoek? De meeste kevertjes komen toch het beste tot hun recht dichtbij de grond, wroetend in de aarde of de mest. Er bestaat binnen de in Europa bekende 20.000 soorten kevers ook niet zoiets specifieks als een hegkever, waar we wel de boomkever kennen.

Het klimmen van Hansje kan een ‘coming out of age’ zijn, alwaar Hansje een psychologische en morele groei doormaakt die kan worden afgeleid uit het klimmen. Is hij op zoek naar het licht, hoopt hij de waarheid te vinden? Het licht en de waarheid die alleen omhoog gevonden kunnen worden? Zoals de hemel ‘boven’ is of de zon boven ons ‘het goede’ symboliseert? Probeert Hansje een weg te vinden uit de Grot van Plato? Moet de weg naar boven, ex umbris et imaginibus in veritatem, van Hansje tot nu toe begrepen worden als een uitweg uit een existentiële crisis? Ik waag dat toch te betwijfelen. De tragiek die zich herhaalt lijkt dan eerder op een straf en zelfkwelling. Want laten we eens kijken hoe het verder gaat met Hansje en welke aanwijzingen we daaraan kunnen ontlenen.

We lezen: ‘Neer viel de regen/ Die spoelde alles weg.’

Het is cruciaal of we lezen ‘alles’ of ‘Hansje’. In verschillende varianten staat namelijk te lezen ‘Die spoelde Hansje weg’, zoals ik eerder opmerkte. Dat lijkt mij eerlijk gezegd aannemelijker. De regen die alles wegspoelt laat denken aan de zondvloed, maar ik voorvoel dat het woord ‘alles’ hier niet verwijst naar alles en dat het toch aannemelijker is om ons alleen te concentreren op Hansje en het lied niet te begrijpen als de totale dystopie die de absolute vernietiging predikt. Dat volgt ook niet logisch uit de herhaling van coupletten; de heg is immers niet weg.

Toch zou iemand kunnen opwerpen dat Hansje ten diepste de reële interpretatie is van de kwantummechanica en er eindeloos veel zwoegende Hansjes zijn, of dat we er een verwijzing in moeten lezen van de dynamica van het Heelal alwaar zich een eeuwige herhaling ontvouwt van explosie naar implosie naar explosie etc., en dat alles wijst op Nietzsches Eeuwige wederkeer en we samen met Hansje moeten uitroepen: ‘Valt er nog iets te redden uit de chaos!’

Maar ik volg hier Leibniz (de ons bekende wereld heeft een uniek bestaan te midden van andere theoretisch mogelijke, maar niet bestaande werelden) en denk dat Hansje hier in een zelfde tijdsspanne, in één en hetzelfde bewustzijnsmoment verkeert en niet de eeuwigheid tot in de eeuwigheid zonder herinnering overdoet, al geef ik toe dat ik dat niet met zekerheid weet.

Dat maakt het lot van Hansje hoe dan ook niet minder ernstig. De regen representeert hier het kwade, waar niets tegen bestand lijkt. Hansje wil om de een of andere reden omhoog, maar de regen verhindert hem dit. Zijn zoeken resulteert ogenschijnlijk in niets. Weggespoeld is Hansje terug bij af. En we lezen dan wel:

‘Op kwam de zon/ Die maakte alles droog’, maar of we nu de zon als het goede begrijpen en of ze nu alles of alleen Hansje droogmaakt -voldoende droog om weer aan te vangen- de tragiek zit in het feit dat de regen Hansje toch wel weer weg zal spoelen. Ja, wat is de zin van het goede (de zon) als telkens het kwade (de regen) zich blijft voordoen? Het theodicee dringt zich in dit stadium nadrukkelijk op. Is dit de beste van alle mogelijke werelden? Kan het kwade ooit overwonnen worden?

Hansje raakt wellicht thuis in het voor hem immer onbekende, maar meer zit er voor Hansje dan niet in. Gelet op het verloop, waarbij eindeloos hetzelfde couplet kan worden herhaald zien we een totale zinloosheid in het leven van Hansje sluipen, die hij tegen beter weten in probeert te trotseren. Nu zou iemand op dit moment kunnen opperen dat ik al te zeer Hansje de mogelijkheid van zelfstandig nadenken of een vorm van vrijheid toedicht, anders dan bijvoorbeeld de vele diertjes die enkel in staat zijn tot eindeloos repetitief handelen zonder duidelijk einddoel.

Want denk daarbij bijvoorbeeld aan de graafwespje Sphex ichneumoneus, waar Daniel Dennett (1942) uitvoerig over geschreven heeft in Elbow Room (1984). Dit diertje heeft een minimaal genetisch voorgeprogrammeerd brein, waardoor het een bepaalde handeling eindeloos kan blijven uitvoeren, zelfs als het niets oplevert. Als het bijvoorbeeld een prooi te pakken heeft, brengt hij deze naar zijn nest. Maar voordat de prooi mee naar binnen gaat, controleert Sphex eerst zijn nest, en laat het diertje voor het nest achter. Als we nu de achtergelaten prooi iets verplaatsen, en Sphex weer na buiten komt, dan zal hij snel de prooi opsporen, maar hem wederom vlak voor het nest achterlaten om dezelfde inspectie van het nest uit te voeren. Dit kan eindeloos herhaald worden; Sphex heeft geen enkel idee wat er allemaal gaande is. Het verplaatsen van de prooi zorgt er als het ware voor dat zijn genetische programma terugvalt op een eerdere noodzakelijke handeling, zonder dat hij die kan overzien (p. 10-11).

Ik geloof echter dat we de vertelling van Hansje niet moeten vergelijken met Sphex. Ik kies in deze hermeneutiek voor antropomorfisering, zoals dat denk ik inherent is aan dieren in kinderliederen. Daarin zijn ze zelden tot nooit veroordeeld tot hun wezen, maar bezitten ze allemaal een mogelijkheid tot excentrische positionaliteit. Zoals een fabelkonijn plots genoeg heeft van het konijn-zijn en met zijn rugzak de wereld intrekt, is Hansje niet zomaar tragisch, maar spiegelt zijn lot aan dat van ons. Hansje is in staat zich te verhouden tot wat er plaatsvindt.

Daarom denk ik dat we Hansje kunnen vergelijken met Sisyphus. En misschien moeten we ons Hansje wel voorstellen als het meest vrije kevertje wat er bestaat, de omgekeerde Gregor Samsa: zonder schuld, zonder boete. Hansje lijkt net als Sisyphus in eerste instantie gedoemd. Daar waar Sisyphus door de goden tot in de eeuwigheid was veroordeeld tot het voortdurend omhoogduwen van een rotsblok naar de top van een berg, waar de steen dan weer naar beneden zou rollen, is het lot van Hansje niet veel anders. Maar Hansje aanvaardt dit, zoals de laatste regel van de tekst aangeeft: Hansje Pansje kevertje/ Die klom toen weer omhoog.

Er dient zich geen noodzaak om weer omhoog te klimmen, om op enig moment door de regen weer te worden weggespoeld, om door de zon te worden opgedroogd en dan weer omhoog te klimmen. Maar ik stel mij hier Hansje voor als bewuste en als absurde, tragische held. Zoals Camus geïnteresseerd is in de terugweg van Sisyphus wanneer deze al wandelend omlaag weer de steen tegemoet loopt, ben ik geïnteresseerd in het moment dat de regen Hansje wegspoelt.

Dat is het moment waarop Hansje dartelend omlaag in een eindeloze stroom druppels tot zichzelf komt. Daar komt hij boven zijn noodlot te staan, daar lacht Hansje het noodlot recht in het gezicht uit. Een druppel water kan hem al wegspoelen, het Heelal hoeft zich niet erg in te spannen om hem terug bij af te werpen, maar Hansje beseft dat hij terug bij af is, Het Heelal weet daar niets van.

Voor Hansje ligt in dat ogenblik de krijgsschool van het leven verborgen als hij ergens een stem hoort roepen: Wat je niet dood maakt, maakt je sterker! Hij gaat niet aan zijn last ten onder, en zijn aanvankelijke tragiek verdwijnt letterlijk niet als sneeuw voor de zon, maar verdwijnt dankzij de regen. ‘Er is geen noodlot dat niet door verachting overwonnen kan worden’ (Camus, 2013, p. 156). De regen is hier zijn lot, maar het behoort Hansje toe.

En dan sluit ik niet uit dat Hansjes absurde weg omhoog toch nooit zonder hoop is. Hoop niet als uitgestelde teleurstelling, juist omdat de hoop nooit verstilt. We kunnen Hansje begrijpen als een dappere held die zijn lot aanvaardt, maar we kunnen nog een stap verder gaan en Hansje voorstellen als hij die nooit de hoop verliest. Hij die niet uitsluit dat Godot toch komt opdagen, gesteund door de zekerheid van de waarneming van een waarheid met de waarneming dat het een waarheid is en blijft. Met andere woorden: waarheid zal voor Hansje kan nooit veranderen in onwaarheid. Hansje bezit werkelijke zekerheid, en is daarom net zoals Abraham voor de buitenstaander absurde dingen van plan lijkt met Isaak en daarom moet zwijgen, zo moeilijk te begrijpen in zijn ogenschijnlijk zinloze weg naar boven. Ook Hansje zwijgt tegen ons. Maar Hansje doet het niet zomaar, niet zonder hoop, niet zonder verwachting. Is het niet nu, dan zeker later. De herhaling die wij zien, ontgaat Hansje. Hij heeft zich ervan bevrijd dankzij de hoop.

We moeten ons Hansje als een gelukkig kevertje voorstellen. Ja, zelfs gelukkiger dan Sisyphus.

Leave a comment


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.


Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2021 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"