Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Filosofische kruimels VII

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2013 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel VII van VIII.

Ode aan het boek

‘Boeken bezitten zonder ze te lezen is als vruchten bezitten op een schilderij.’
Diogenes van Sinope (404-323 V.Chr.)

Een beetje filosoof heeft een eigen bibliotheek. Zorgvuldig opgebouwd in de loop der jaren. Samengesteld op basis van wikken en wegen. Al struinend op de markt dat lang gezochte exemplaar meenemend om het toe te voegen aan de reeks die reeds in het bezit was….

Jacques Bonnet schrijft in Een boekenkast vol geesten (2009) gepassioneerd over de liefde voor het boek, en gaat uiteraard in op die onvermijdelijke vraag die de trotse boekenbezitter moet overwinnen: ‘heeft u ze allemaal gelezen?’ Het antwoord is duidelijk: ‘nee, natuurlijk niet!’ Sommige boeken blader je alleen door, andere heb je omdat ze iets waard zijn, er speciale herinneringen mee samenhangen of omdat het een eerste druk betreft. Andere boeken zijn weer bedoeld als naslagwerk, of als cadeau. Dat is dus ook het plezierige van een bibliotheek, je hoeft niet alles te hebben gelezen om er toch blij mee te zijn en het waardevol te vinden. Net zoals de vruchten op het schilderij: je bezit de vruchten niet werkelijk, maar het blijft een prachtig gezicht.

©Veenmedia.nl
________________________

Een beetje feminisme

‘Ik geloof dat een vrouw zich moeten hoeden voor de valkuil van moederschap en huwelijk’
Simone de Beauvoir in: Alice Schwarzer. Gesprekken met Simone de Beauvoir. (1983)

(Radicaal) Feminisme lijkt een curiositeit te zijn geworden. Welke jonge vrouw zou op dit moment nog lid willen worden van bijvoorbeeld de Liga voor de rechten van de vrouw, zoals deze is opgericht in 1974 door De Beauvoir? Demonstreren voor vrije abortus hoeft niet meer, de beroemde feministenbijbel “de tweede sekse” wordt nauwelijks nog gelezen en moederschap en huwelijk zijn over het algemeen toch geen valkuil meer te noemen. Het beeld van de vrouw als object, dienstbaar voor de man, lijkt in onze vrije westerse samenleving definitief achtergelaten. Wie daarom de interviews leest van De Beauvoir uit de jaren 60 en 70, stapt haast letterlijk in een andere wereld. Slechts 7% van de vrouwen neemt de pil, ze moeten genoegen nemen met baantjes als secretaresse en zijn vrijwel nooit directeur.

‘Moederschap komt in de huidige samenleving neer op slavernij en is een lelijke valstrik.’ stelt De Beauvoir. ‘Vaders en de maatschappij laten vrouwen praktisch alleen voor de kinderen opdraaien, terwijl niemand zich daar om bekommerd, omdat we leven in een mannenmaatschappij. De huisvrouw van 35 is min of meer verloren!’ Toch is het dankzij Simone, dat ook vrouwen hier nu om zouden moeten kunnen gniffelen. Of is dat een typische mannenopmerking?

©Veenmedia.nl
________________________

Het idee van een Universiteit

‘De opvatting van een universiteit waarvan ik hierna uitga is deze: dat het een plaats is om universele wetenschap te doceren.’
John Henry Newman in The idea of a University (1852)

In de buitengewoon invloedrijke lezingen die Newman (1801-1890) hield toen hij een universiteit stichtte, en later bundelde tot één werk, maakt hij een strikte scheiding tussen onderwijs en onderzoek. Volgens hem bestaan er andere instellingen die veel beter dan de universiteit geschikt zijn om wetenschappelijk onderzoek te stimuleren. Vrijwel alle grote ontdekkingen zijn volgens Newman buiten de universiteit gedaan. Het doel van een universiteit is niet talent, aanleg en wetenschap als zodanig te bevorderen, maar eerder toe te zien op het geestelijk welzijn, de invloed en de bruikbaarheid van diegenen die de universiteit bevolken en haar het bestaan verlenen: de studenten. Vandaar dat de universiteit volledig voor hen in dienst moet staan.

Als we kijken naar de hedendaagse universiteiten lijkt Newmans visie het te hebben verloren van die van Von Humboldt. Toch is zijn fundamentele kritiek actueel. De universiteit is een markt geworden waar het gaat om presteren, zoveel mogelijk artikelen publiceren, het nieuws halen en fondsen werven. Verschillende takken van wetenschap staan onder druk en verdwijnen omdat ze niet ‘rendabel’ zijn. Faculteiten zijn onafhankelijke eilandjes, alwaar de bewoners vooral bezig zijn hun eigen zaakjes te beschermen. De universiteit lijkt zich zo definitief van het universitaire te willen ontdoen.

©Veenmedia.nl
________________________

Filosofische kruimels VI

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2013 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel VI van VIII.

Een Paasgedachte

‘Wie niet op de ene of andere manier gelooft, hoopt en liefheeft, is duister, inert en koud.’

B.A.M. Barendse. Pasen bij nader inzien. In: Zich door het leven heendenken.

Het leven van Bernard Barendse (1906-1977) is er een van opperste intellectualiteit. Als bijzonder hoogleraar in de thomistische wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam, had hij zich tot een vermaard docent ontwikkeld van wie de wekelijkse colleges grote getale studenten uit alle faculteiten trok. Barendse was naast filosoof ook priester, maar heeft altijd verkondigd de filosofie niet te willen gebruiken als apologetisch instrument. Wel kunnen wetenschap en filosofie belangrijke bijdragen leveren tot de redelijke beantwoording van echte levensvragen.

In veel van zijn geschriften kruisen filosofie, metafysica en religie zich. De bijdrage Pasen bij nader inzien in een verzamelbundel van schaars werk van Barendse is typisch zo’n filosofisch religieuze overweging. Wat is Pasen? ‘Daar gaan zij: de drie Deugden, geloof en liefde, de volwassenen, en tussen haar beiden in, kinderlijk onbevangen en enthousiast voorthuppelend, het zusje hoop. Zij is de kleinste en teerste, maar toch trekt zij de beide groten met zich mee, de prille Paasochtend in. En dan: een ontmoeting. Iemand.’

©Veenmedia.nl
________________________

Bij de Dodenherdenking

 ‘En ik zag het paradoxale verschijnsel, dat bepaalde minder geharde gevangenen beter tegen het kampleven bestand bleken te zijn dan hun robuuste medegevangenen.’

Parafrase uit De zin van het bestaan van Victor E. Frankl (1978).

Het zijn soms duistere redenen die een uitgever bij een vertaling bewegen te kiezen voor een eigen titel in plaats van de originele titel van het boek. Een van de merkwaardigste voorbeelden hiervan, treffen we aan bij Frankls boek over zijn indringende ervaringen in het concentratiekamp. In 1946 publiceert hij Ein Psychologe erlebt das Konzentrationslager. De Nederlandse vertaling heeft daar echter geen zweem van. Met de titel De zin van het bestaan kan niemand vermoeden een bijzonder autobiografisch document in handen te hebben van een Holocaust-overlevende. Frankl zat respectievelijk in Theresienstadt, Auschwitz en Türkheim toen hij op 27 april door de Amerikanen werd bevrijd. In zijn verslag lezen we tal van absurde anekdotes, zoals dat je iemand beter kon laten woelen in zijn nachtmerrie, dan hem te wekken: de realiteit kon nooit aangenamer zijn. Maar Frankl graaft ook dieper in de geest. Anders dan de eenvoudige geharde jongens, hadden de gevoelige en intellectuele kampbewoners meer kans te overleven, had hij bemerkt. Zij waren namelijk in staat zich uit de afschuwelijke realiteit van hun bestaan terug te trekken in een rijk en vrij innerlijk leven. Frankls boek is een ode aan de innerlijke mens, dat tot op de dag van vandaag zin heeft, en vooruit, ook geeft.

©Veenmedia.nl
________________________

Laatste woorden van Hegel

 ‘Er is slechts één man geweest die mij begreep… En die heeft mij ook niet begrepen.’

Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831) op zijn sterfbed.

Er zijn maar weinig moderne filosofen die naast een keur aan intellectuele fans zo’n gigantische inspanning tegen hun filosofie (en persoonlijkheid) hebben weten te bewerkstelligen dan G.W.F. Hegel. Kierkegaard verweet hem het intellectuele leven van een hele generatie te hebben ontmenselijkt en presenteerde een groots existentialistisch alternatief in Of/Of (1843) en Stadia op de levensweg (1845). Schopenhauer noemde Hegel ‘een filosofische kruiper die met ongeëvenaarde brutaliteit bijgeloof en onzin bij elkaar zocht.’ Dat het vervolgens enige betekenis kreeg, was ‘volledig te danken aan zijn omgekochte aanhangers die met het duistere gezwam alle kanten op konden’. Ook in de 20e eeuw is Hegel nog niet verlost van filosofisch tegengeweld. Karl Popper, wereldberoemd om zijn falsificatieprincipe, scherpt zijn pen in hoofdstuk 12 van The Open Society and Its Enemies (1945). Volgens Popper was Hegel niets meer dan een stroman van Friedrich Wilhelm van Pruisen, die zijn filosofische vrijheid offerde om de open samenleving te bestrijden. Met zijn historische dialectiek plaveide hij bovendien de weg voor het moderne absolutisme, aldus Popper. Zou Hegel zijn grote critici hebben kunnen antwoorden, dan was hij ongetwijfeld zo begonnen: ‘Heren! Wat een drukte! Jullie hebben me bepaald niet begrepen…’.

©Veenmedia.nl
________________________

Filosofische kruimels V

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2013 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel V van VIII.

Ironie, het leven en dood

‘Het leven van de mens is eenzaam, armzalig, ellendig, barbaars en kort.’

Thomas Hobbes in Leviathan (1651)

Van het aantal beroemde filosofen dat ongelukkig aan zijn einde is gekomen, kan inmiddels een aardige lijst worden gemaakt. Drinken van gifbekers (Socrates), gedwongen zelfmoorden (Seneca) en onthoofdingen (Thomas More) lagen nog buiten de macht van de denkers, maar in vele gevallen lag het aan het leven zelf.

Rousseau stierf paranoïde, aan een hartkwaal. Pascal werd slechts 39, waarschijnlijk door een tumor in zijn hoofd. Kierkegaard bezweek op 42-jarige leeftijd op straat en stierf een maand later. Datzelfde overkwam Nietzsche, maar hij moest nog vele jaren in krankzinnigheid doorbrengen. Walter Benjamin koos met een overdosis morfine voor de dood op 48-jarige leeftijd in het zicht van het concentratiekamp. Albert Camus kwam jong om het leven bij een auto ongeluk, net als Roland Barthes. John Rawls werd nooit meer de oude na een aantal zware beroertes, Jean-François Lyotard overleed aan leukemie, Richard Rorthy aan kanker en Michiel Foucault stierf aan aids.

Thomas Hobbes, reisde door heel Europa, werd gesteund door de steenrijke familie Cavendisch, schreef waar hij zin in had en bleef lichamelijk en geestelijk gezond en actief tot aan zijn dood op 91-jarige leeftijd. Dat heeft inderdaad iets barbaars…

 ©Veenmedia.nl
________________________

Een geweldige stelling

‘Ik heb een geweldig bewijs voor mijn stelling, maar de kantlijn waarin ik dit wil schrijven is te smal.’

Pierre de Fermat in zijn exemplaar van Diophantus’ Arithmetica (1637).

In de dagen dat de grote filosofen bovenal grote wiskundigen waren, waren ze niet beroerd en passant stellingen te bedenken die amper op te lossen leken. De beroemdste daarvan is ongetwijfeld de grote of laatste stelling van Fermat (1601-1665), ook wel ‘’s werelds meest verbijsterende wiskundige mysterie’ genoemd. Ze stelt dat xn +yn =zn geen oplossingen met gehele getallen heeft voor x, y en z als n > 2.

Haast even wonderlijk als de stelling zelf is Fermats opmerking dat hij een bewijs had voor zijn stelling, maar helaas niet de ruimte dit te noteren. Daarna is het er nooit meer van gekomen.

Daarmee is er een nieuwe wiskundige stelling gecreëerd: hoe groot is de kans dat Fermat werkelijk een juiste oplossing had voor zijn stelling?

Pas in 1995 werd na een periode van zeer lange afzondering door de Brit Andrew Wiles (1953-) een definitief bewijs gepubliceerd van meer dan 100 pagina’s. Dat pleit voor Fermat: de kantlijn was inderdaad ontoereikend.

 ©Veenmedia.nl
________________________

Een gruwelijk dilemma

 ‘Tien mannen staan tegen de muur. Je moet er één doodschieten. De andere negen mogen dan vrij gaan. Wat moet je doen?’

Bernard Williams. A critique of Utilitarianism. In: Utilitarianism: For and Against. (1973).

Je wandelt op je gemak ergens in Zuid-Amerika, als je plotseling in een dorp komt, waar een grote enigszins bezwete kerel met “Pedro” op zijn shirt je tegemoet komt lopen. Hij verwelkomt je vriendelijk en spreekt van een bijzonder speciale gelegenheid. Hij was namelijk van plan om tien indianen overhoop te schieten. Als bijzondere geste echter aan de blanke broeder van een ander continent, aan jou de eer om er één te doden en dan mogen de andere negen vrijuit gaan. Erewoord. Als je weigert, is er uiteraard geen speciale gelegenheid en zal Pedro doen wat hij van plan was. Pedro overhandigt je het geweer. Even bekijk je of het mogelijk is om Pedro zelf neer te schieten, maar dat zit er helaas niet in met alle soldaten om je heen. Wat moet je nu doen?

Volgens de Engelse filosoof Bernard Williams (1929-2003) mag je nooit toegeven aan het verzoek. We zijn verantwoordelijk voor wat wij doen, en niet voor wat anderen doen. Want wat als de vraag was geweest er negen te doden, zodat er eentje vrij mocht gaan? Een vraag blijft dringen: hebben we dan volgens Williams geen enkele verantwoordelijkheid voor de dood van de Indianen?

©Veenmedia.nl
________________________

Reflectie, openheid en zelfkritiek als papieren wapen: medisch specialisten nemen verantwoordelijkheid?

Reflectie, openheid en zelfkritiek als papieren wapen: medisch specialisten nemen verantwoordelijkheid?
Een polemikon

Medisch specialisten in ziekenhuizen moeten elkaar jaarlijks binnen hun maatschap beoordelen over hun functioneren, staat er te lezen in de Volkskrant. “Artsen moeten met elkaar in gesprek en er moet een cultuur van openheid komen.”

Dat lijkt een geval van ‘wij van WC-eend controleren telkens de kwaliteit van WC-eend’, maar gelukkig ligt er ook nog een plan aan ten grondslag opgesteld door de Orde van Medisch Specialisten dat een bredere vorm van controle op de kwaliteit van artsen voorstelt.

Wie echter een blik werpt op het 30 pagina’s tellend rapport getiteld Optimaal functioneren van Medisch Specialisten ontdekt al spoedig dat het veel mooie woorden bevat en vol staat met prachtige aanbevelingen, maar dat het werkelijke probleem eigenlijk niet wordt benoemd: de absurde druk en prestatiedrang die het medische beroep met zich meedraagt. Niet alleen heeft de samenleving bij monde van politiek, burger en media de medische wereld constant onder een vergrootglas en bestaat er binnen de medische orde een stevig gefundeerde cultuur van top-down denken, daarnaast is er ook nog eens de medisch ethische belasting, het structurele tijd- en middelengebrek en de gigantische bureaucratie waarmee artsen te kampen hebben.

Er wordt eenvoudig gepleit in het rapport voor een ‘open cultuur’. Maar een cultuur die noodzakelijk hiërarchisch is, waarbij bijvoorbeeld in een ziekenhuis een professor aan het roer staat, gepromoveerde medisch specialisten verschillende artsen onder zich hebben, waar ANIOS hopen op een schaarse AIOS-plek en zich met veel ellebogenwerk staande moeten houden tussen constante interne en externe competitiedrang die er heerst, is het niet eenvoudig om daar even een open cultuur van te maken. Sterker nog, de overlevingscultuur de buitengewone werkdruk en de cultuur van elkaar beschermen om jezelf staande te houden, begint juist al op de onderste treden van het medisch specialisme, en wordt om het zo te zeggen met de paplepel ingegoten.

De constante roep op de noodzaak van reflectie in het rapport is vanzelfsprekend verantwoord te noemen, evenals het levenslang leren opendeuren-devies. Medisch specialisten moeten deelnemen aan methoden van reflectie en ze moeten elkaar gaan aanspreken wanneer er sprake is van’ minder optimaal functioneren’. De werkgroep stelt dat ze zich realiseert dat ‘het tot wasdom komen van deze betrekkelijk nieuwe vormen van gestructureerde zelfreflectie tijd kost, maar wijst er op dat alleen een actieve opstelling van artsen en een stimulerende omgeving in deze de introductie van de diverse instrumenten kan bespoedigen.’

Ook dit lijkt weer een miskenning van het werkelijke probleem, niet zozeer dat zelfreflectie en reflectie tijd kosten, maar dat er simpelweg geen tijd en ruimte is, zolang de werkdruk en de overlevingscultuur een noodzakelijk onderdeel vormen van de medische realiteit. Want wat verstaat men onder reflectie wanneer men bijvoorbeeld als huisarts 10 minuten de tijd heeft voor een patiënt? Want wat verstaat men onder reflectie als men als gynaecoloog nog geen twintig minuten heeft voor een slechtnieuwsgesprek, omdat het volgende slechtnieuwsgesprek zich in de wachtkamer al aandient?

Want hoeveel tijd voor bezinning en reflectie moet je uittrekken wanneer je dag in dag uit als longarts te maken hebt met patiënten die je moet mededelen dat ze niet meer zo lang te leven hebben? Of is het dan zo dat je een schild ontwikkelt, dat je je noodzakelijkerwijs moet afschermen, indekken en moet omringen met collega’s die je steunen en ondersteunen – niet alleen in specifieke gevallen, maar kost wat kost? Als dat het geval is, dan is het moeilijk om daar doorheen te breken en kan men ook niet verwachten dat er zomaar doorheen gebroken kan worden.

Het gevaar bestaat nu dat artsen de nieuwe roep tot verbetering van hun kwaliteit als het zoveelste bureaucratische speeltje zien in antwoord op de berichten in de media van medische missers. Een veilige omgeving waarin men elkaar aanspreekt op minder optimaal functioneren en elkaar ondersteunt, is ongetwijfeld een betere waarborg voor de kwaliteit van zorg dan een omgeving waarin angst bestaat voor juridische gevolgen van meldingen door medische missers. Maar ik geloof niet dat het de juridische gevolgen alleen zijn die een gevaar zijn voor de veilige omgeving, maar het risico van uitsluiting of buitensluiting door collega’s wanneer men kritisch is en lastige vragen stelt. Ook hier wordt in het rapport weer heel eenvoudig opgemerkt dat ‘een verdere cultuurverandering in de zorginstelling en bij medisch specialisten kan bijdragen aan het scheppen van die veilige leeromgeving’. Het lijkt welhaast of cultuurverandering een zaak is van enkele maanden, in plaats van enkele decennia, nog los van de al eerder door mij genoemde noodzakelijke cultuuraspecten die inherent verbonden zijn met het beroep.

Het bijhouden van reflectiedossiers, het ontwerpen van persoonlijke ontwikkelingsplannen en het voeren van ‘open gesprekken’ in een ‘open cultuur’, zijn verder niet meer dan een logisch instrumentarium dat in iedere organisatie niet zou misstaan als papieren grondslag voor kwaliteit. In de praktijk brengt dit soort bureaucratie echter nog meer druk en tijdsinvestering met zich mee, want de prangende ogen van de collega’s die gaan meekijken (en wie al niet meer) naar je functioneren is de zoveelste stressverhogende factor binnen het beroep, nog los van de hoeveelheid administratie die dit met zich gaat meebrengen. “Heb je al voldaan aan je reflectierapportagedossier? Mocht er iemand namelijk straks een uitglijder maken, dan kunnen we op zijn minst verwijzen naar het feit dat iedereen zo een dossier heeft bijgehouden”. En tenslotte, hoe kan men voorkomen dat juist binnen een gesloten groep instrumenten van reflectie niet tegen een vervelende collega in plaats van een niet functionerende collega worden ingezet?

Het is niet gezegd dat leren en reflecteren geen nuttige bezigheden zijn, integendeel, maar het vergaand formaliseren daarvan, draagt naar mijn idee niet bij aan een algeheel beter klimaat binnen de medische orde. De incidenten en de medische missers zoals ze nu tot ons komen, die zullen er absoluut niet mee verdwijnen, evenals de druk niet minder zal worden –  eerder meer.

Niemand kan tegen de inhoud van het rapport zijn, want dat bevat louter mooie opvattingen, maar zolang medici te maken hebben met leven en dood, noodzakelijke hiërarchie en ellebogenwerk, structureel tijdsgebrek voor persoonlijke verhalen van patiënten, uren aan administratie, noodzakelijke promotie om überhaupt in opleiding te komen en de media die te allen tijde in de nek blijven hijgen, moet niet de illusie worden gewekt dat met een vrolijk en quasi zelfkritisch rapport de cultuur wezenlijk kan en zal veranderen.

Een commentaar op de ‘wraakposts’ van Anouk

Wat staan wij Nederlanders voor lul!! En niet 1 gemeente in Nederland die het eens anders wil gaan aanpakken. Ga je schamen!
Anouk, Facebook, 26 oktober 2013

De naïviteit die zangeres Anouk aan de dag heeft gelegd met haar inhoudsloze bijdrage aan de meest vervelende discussie van de afgelopen tien jaren is zo grotesk in haar wereldvreemdheid, dat je haast een grap vermoed. Maar de grap is juist dat het haar bittere ernst is. Ik moest denken aan wat Kierkegaard ooit schreef in zijn dagboeken over Hegels filosofische systeem: “Hegel zou de grootste denker zijn geweest die ooit heeft geleefd, als hij aan zijn filosofie had toegevoegd – dit alles is slechts een gedachte-experiment.

Had Anouk nadat ze bestook werd met reacties uit de krochten van de sociale modderpoel gezegd: “dit alles was slechts een sociaal experiment”, dan had ze een briljant ironisch statement gemaakt. Natuurlijk had ze dan enkel aangetoond wat de meesten van ons al lang weten, namelijk dat er een stuitend gebrek is aan reflectie, respect, fatsoen, nuance en beschaving bij een deel van onze tijdgenoten, maar dat was nog altijd oneindig veel beter geweest dan de naïeve geschoktheid die ze nu aan de dag heeft gelegd.

Klaarblijkelijk is zelfs iemand die toch door de wol geverfd zou moeten zijn wat betreft valse kritieken en onredelijke onzin, niet in staat afstand te nemen en boven de partijen te gaan staan. Oftewel, ze lijkt de verantwoordelijkheid niet helemaal aan te kunnen die samengaat met een publiek figuur zijn. Daarmee is niet bedoeld dat zij zich niet zou mogen mengen in een willekeurige discussie, integendeel, maar wel dat we enigszins mogen verwachten dat ze weet waar ze dan aan begint en hoe ze daarmee vervolgens verstandig om kan gaan.

Ze toont echter ironisch genoeg eenzelfde soort naïeve geschoktheid die we aantreffen bij zelfbenoemde sterren die auditie doen voor een jury, vervolgens de wind van voren krijgen en uiteindelijk zwelgen in zelfmedelijden en wraakgevoelens: daar kan natuurlijk helemaal niets goeds van komen. En de buitenwereld maar met het hoofd schudden: hoezeer kan iemand een slaaf zijn van zijn eigen gevoelens!

De abominabele commentaren die Anouk heeft gekregen zijn natuurlijk geenszins te vergelijken met de doorgaans verstandige opmerkingen van juryleden, maar haar reactie is wel identiek aan die van de afgewezen popstar-wannabees. Vanuit haar gekwetste emoties heeft ze gezind op wraak en wonderwel gemeend zich te moeten opwerpen als hoeder van de moraal, maar dan wel eentje met middeleeuwse maatstaven.

Haar oog-om-oog, tand-om-tand methode, waarbij ze allerlei kleine domme visjes te kijk zet in haar grote aquarium, is even zinloos als onverantwoord. Zinloos omdat het tot werkelijk niets positiefs leidt. De discussie wordt er alleen maar nog slechter van en het lokt alleen nog meer negativiteit, verontwaardiging, haat, herhaling van zetten en onbegrip uit. Daarnaast is het onverantwoord omdat ze allerlei mensen onoverzienbare schade toebrengt en zich geen moment vanuit een redelijke bezinning lijkt te hebben gerealiseerd welke sneeuwbaleffecten ze veroorzaakt (evenmin als haar “belagers”, waarmee ze exact dezelfde fout begaat die ze hen juist verwijt). Laat ik het nog anders zeggen: welk doel heeft ze nu eigenlijk gehad met haar handelen -als we haar dat op een rustig moment in alle redelijkheid voorleggen?

Dit is natuurlijk geen commentaar om het onbeschaafde onbesproken te laten, integendeel! Maar de manier waarop je schaamteloosheid bespreekbaar maakt is in ieder geval niet door domheid te kijk te zetten. De problematiek die schuilgaat achter een gebrek aan reflectie, beschaving en alles wat daarmee samenhangt, is diepgeworteld en niet zelden volstrekt ondoordacht, maar moet daarom juist worden beantwoord vanuit beschaving, vanuit reflectie en vanuit bedachtzaamheid. Het klakkeloos aan de schandpaal nagelen, gesteund door de zekerheid dat vele tere zieltjes en fans van het eerste uur met je zullen instemmen (“O! De barbaarsheid! Wat erg voor je!”) is daar helaas geen toonbeeld van.

 

De Big Brother Bonus van Albert Heijn

Albert Heijn is begonnen met het uitrollen van de nieuwe bonuskaart. Ik kan niet anders zeggen dan dat dit precies zo gaat zoals je verwacht van Grote Grutter Broer. De kassameisjes zijn waarschijnlijk stevig geïnstrueerd door een afdelingsleider, die weer van zijn filiaalmanager een briefing heeft gehad, die weer van zijn regiomanager precies te horen heeft gekregen hoe het moest verlopen. Dan vergeet ik nog heel wat verschillende lagen, maar het moet ongeveer als volgt zijn gegaan toen de uitvoerende macht werd bijgepraat:

Oktober 2013. AH aan de kassameisjes*.

  1. Je neemt de kaart van de klant in, zodra deze op de toonbank ligt
  2. Doe dit onopvallend, bij voorkeur als hij aan het inpakken is
  3. Je werpt de kaart onmiddellijk in een deponeerunit, een soort bonuskaartengraf
  4. Je presenteert vervolgens direct de folder met daarin de nieuwe bonuskaart
  5. Indien de klant verbaasd vraagt of hij zijn oude bonuskaart toch terug mag hebben, antwoord je dat dit helaas niet gebruikelijk is
     
  6. Als de klant er toch op staat de kaart terug te ontvangen, antwoord dan dat je de kaart reeds in een unit hebt gedeponeerd, en je niet meer weet welke kaart van de klant is
  7. Indien de klant daarop blijk geeft van teleurstelling en dit uit in verbale of non-verbale gedragingen, verwijs hem dan vriendelijk verder naar de servicebalie

Ik ging aldus naar de servicebalie. Nadat er aan velen de service was verleend van een pakje sigaretten of zware shag, werd ik te woord gestaan door een dame. Dat gesprek ging ongeveer als volgt:

“Goedendag, ik zou graag een soort klacht aan u willen voorleggen…”

“O, meneer! Gaat zeker over het feit dat negen van de tien keer de kassabon niet klopt omdat de caissière de 35% kortingssticker over het hoofd heeft gezien? Tijdje terug was dat trouwens nog een 50% kortingssticker bedenk ik me… Of wacht- is het dat u een product heeft gekocht dat niet meer in de aanbieding is, maar wel nog steeds als aanbieding vermeld staat op het rek? Of heeft u misschien de volle mep betaald voor een six-pack Hertog Jan dat per abuis in het actieschap Grolsch is geplaatst?  

-“Eh. Nee dat niet…”

“O… stoort u zich dan wellicht over het luide geklets van vakkenvullers over en weer? Alsof de klant een soort “passerend spook” is? Of misschien is het een ergernis dat er veelvuldig in allerlei vreemde talen gecommuniceerd wordt aan de kassa’s?”

-“Nou…eh…dat is het ook niet.”

“Dat we sinds de overname van BOL.com met onze afhaalpunten een soort super anonieme gezichtsloze massatoko hebben gecreëerd die allerlei boekhandels en speciaalzaken vakkundig uit de markt drukt? Maar dat is de markt he meneer, dat is de markt! Jaja!”

-“Zelfs dat niet…”

“Hmmm. Vertel het dan maar. Ik ben door mijn top vijf van Randstad-standaardklachten heen…”

-“Wel, die nieuwe bonuskaart van jullie wordt me zojuist nog net niet door de strot geduwd. En dan lees ik dat jullie ‘uiterst zorgvuldig’ omgaan met mijn gegevens, als ik mijn privacy aan jullie verkoop in ruil voor wat extra korting. Maar die zorgvuldigheid en anonimiteit kunt u natuurlijk helemaal niet garanderen. Het is wachten dat er weer lijken uit de kast komen. Bovendien, ik stoor me aan de suggesties die worden gewekt.”

“Eh…Wat bedoelt u?”

-“Dat er een soort oprechte en eerlijke vorm van marketing bestaat, waarbij u handelt in dienst van de klant. Met louter nobele doelen bovendien. U krijgt cadeautjes van ons. U krijgt persoonlijke aanbiedingen. U kunt sneller en makkelijker airmiles sparen. Activeer de kaart nu nog online! Gatsie. Allemaal als zoete koek verkocht door de AH-tv pastoor. Terwijl iedereen weet dat het te doen is om koopgedrag te monitoren, zodat u de logistiek kunt perfectioneren en nog meer kunt beknibbelen op de kosten ten faveure van de aandeelhouders.

“Ach meneer. Dat is de tijd, dat is de tijd! U bent toch zeker geen fossiel? Wij houden de klant net als de prijzen scherp in de gaten en bieden af en toe een bonus op spullen die toch wel dik over de kop gaan. Iedereen blij toch? En als u niet mee wil doen…”

-“Ik word er ongelukkig van…maar misschien kan ik dat ook opgeven bij mijn persoonlijke gegevens?”

 

* Waar ‘meisjes’ gelezen wordt, kan ook jongens staan en waar ‘vullers’ staat, kan ook ‘vulsters’ worden gelezen.

Gezwartepiet over Zwarte Piet: steun voor tegenstanders van het feest

Het gezwartepiet over Zwarte Piet heeft zijn zoveelste episode bereikt. Het ontbreekt de tegenstanders van donkere Piet ogenschijnlijk aan sterke argumenten om overtuigend het racistische karakter van deze folklore voor het voetlicht te brengen. Overal worden ze bespot met argumenten als: “als we Zwarte Piet afschaffen dan voelen mensen die Zwarte Piet willen spelen zich gediscrimineerd!”. Of “als je lef hebt, ga dan lekker als Zwarte Sinterklaas je gelijk halen bij de commissie gelijke behandeling!”. Nee, hun geluid wordt nauwelijks serieus genomen…

Dat motiveerde mij om het voor die zaak op te nemen. Want zonder dat we het doorhebben worden we geïndoctrineerd en vergiftigd met naargeestige denkbeelden. Aan de hand van een analyse van het bekende lied ‘Zwarte Piet ging eens fietsen’ zal ik laten zien hoezeer het systeem de collectieve leugen en het verraderlijke racistische beeld onderhuids injecteert bij ons en onze jeugd.

Laten we dus dat ogenschijnlijke onschuldige lied eens nader bekijken.

Zwarte Piet ging eens fietsen, toen knalde zijn band
Het woord “zwart” heeft een negatieve connotatie. “Zwart werken”, “zwarte magie” en “zwart zaad” zijn daar voorbeelden van. Zwart is slecht en kwaad. Slechte kwaaie Piet is hier met een aftandse fiets weggestuurd, want een fatsoenlijke fiets komt hem niet toe als slaaf. Zijn minderwaardige sociaal-economische status wordt dus eventjes fijn bevestigd.

Hij moest toen gaan lopen met de fiets aan zijn hand
Hier wordt zowel zijn armoede als domheid geniepig benadrukt. Natuurlijk heeft de “zwarte sloeber” geen geld om zich op te laten halen. Denken we soms dat de Heilige blanke had moeten lopen? Natuurlijk niet! In tegenstelling tot zijn Meester, die altijd comfortabel op een paard zit en op handen wordt gedragen, moet hij maar zien waar hij uitkomt, lopend of fietsend. Bovendien zullen we zien dat hij klaarblijkelijk de basale kennis ontbeert om zelfs maar een band te kunnen plakken. Want:

Hij kwam bij een dorpje en zei tegen de smid
Wie zoekt naar afbeeldingen van “smid” komt louter stoere blanke mannen tegen. Hier tekent zich alweer een duidelijke hiërarchische verhouding af, met Piet in de afhankelijke rol.

Ik denk dat er in mijn achterband een pepernootje zit
Dit is een ronduit stigmatiserende zin. Wederom wordt de zwarte man als een druiloor weggezet. Want iedereen weet dat het onmogelijk is om een pepernoot in een achterband te krijgen, laat staan dat het een oorzaak kan zijn van een platte band.

De smid moest hard lachen maar plakte zijn band
Natuurlijk lacht de grote sterke blanke man deze ‘onnozele’ Zwarte Piet uit. Maar ach heden- de Goede Heer plakt vanuit medelijden dan maar de band. Genadebrood!

Toen ging Piet weer fietsen door heel Nederland
Nederland heeft een oppervlakte van meer dan 37.000 km². Hij is hier dus veroordeeld tot een levenslange fietsstraf. We zien dat deze slaaf klaarblijkelijk tot op het bot moet worden vernederd en afgebeuld. Schande!

Hij kwam bij een stoplicht, en reed toen door rood
Zwarte Piet wordt niet alleen gestigmatiseerd en weggezet als een domoor en een slaaf, maar ook nog eens als een levensgevaarlijke gek die met zijn criminele activiteiten op geen enkele manier respect toont voor wet of zeden.

Hij moest toen betalen, wel 1 pepernoot
Waarom weer die donkere, bruine pepernoot die terugkeert! De waarde van een pepernoot is minder dan een cent. Hij wordt hier dus klaarblijkelijk naar draagkracht aangeslagen. Een Zwarte Piet is minder waard dan een cent …

Ik hoop dat mijn scherpe inzichten een zinvolle bijdrage zullen leveren aan deze belangrijke jaarlijks terugkerende discussie. Mocht iemand aanstoot nemen aan het feit dat ik het lied ‘Zwarte Piet ging eens fietsen’ heb gefileerd en ontmaskert als racistische indoctrinatie, dan spijt me dat -maar ik zou dan bovenal willen zeggen: zie het toch wat minder zwart in!

Utrecht Centraal: impressie van de chaos compleet

-Utrecht Centraal: impressie van de chaos compleet-
Of: hoe een tevreden Maastrichtenaar, via het gemoedelijke Nijmegen de chaos van de grote stad trotseert.

‘Bureaucraten geven niets om levensgevaarlijke situaties, zoveel heb ik geleerd’, zei iemand. ‘Die zijn enkel bezig met een beeld van een toekomst wat ze zelf hebben gecreëerd. Het heden moet daar voor wijken’.

Al enige weken ben ik een dagelijkse getuige van een heden dat moet wijken. Aan wat nog het meest laat denken aan een post-apocalyptische woestenij zoals we dat uit films kennen, (ver)dwaal ik rondom het Centraal Station van Utrecht. Het is er werkelijk  zo’n ongelofelijke chaos dat je er ter plekke ongelukkig van wordt.  Ik heb in een week tijd zeker vier mensen gezien die in een levensgevaarlijke situatie terecht kwamen en op de rand van de dood balanceerden.  Bus vs. fietser. Voetganger vs. taxi. Een oorlog van allen tegen allen.

Het is me daarom een raadsel waarom er desondanks zo’n relatieve rust heerst om dat Centraal Station. Het aanschouwen van de gelatenheid van de in zichzelf gekeerde mensen die altijd haast lijken te hebben, is misschien nog wel akeliger dan het aangezicht van de honderden meters stof en puin en de gammele stellages. De met graffiti bespoten muren en de volstrekt willekeurig geplaatste ijzeren hekken. De elkaar tegensprekende verkeersborden en dat eindeloze fietsenkerkhof.

Ja, dat afzichtelijke fietsenkerkhof! Want hoeveel fietsen hebben niet rondom het CS Utrecht hun laatste rustoord gevonden? De vervallen roestbak tegen de naar urine stinkende boom… De uit elkaar gevallen omafiets hangende aan gene zijde van een rek… Alleen al het prangende beeld van deze dump zo ver men zien kan, heeft me in menig droom achtervolgd. Je vindt het pas echt in Utrecht. Droomstad.

Terwijl ik me als een beschonken acrobaat langs talloze in tegengestelde richting lopende mensen moet manoeuvreren, omdat er maar één looprichting mogelijk is naar de bussen, sta ik even later te wachten op een bus. Vaak staat de bus zo ver weg klaar, dat je al van een kilometer kunt zien aankomen dat hij ieder moment kan wegrijden. Ik gaf me nog wel eens over aan een wanhopige sprint, maar ik weiger nu nog te rennen voor de gunst van een chauffeur.

De bus die ik moet hebben komt maar niet. Ik sta er al zeker een half uur. Er schijnt weer wat gebeurd te zijn zo roezemoest het. Het mooie is wel dat zelfs immer drukke mensen rustig worden van eeuwig wachten. En vanuit een gezamenlijk wachten ontstaat er altijd wel een ontmoeting, een gesprek. Gedeelde smart is halve smart. Utrecht brengt mensen samen! Wel op een heel wonderbaarlijke manier…

Welke ambtenaar deze gekte ook op zijn geweten heeft, je moet er medelijden mee hebben, zoveel is me helder. Veel anders komt hem niet toe vermoed ik. MedelijdenCalimero heb ik ook met de ongelukkige die ze een geel hesje hebben gegeven, al dan niet bedrukt met ‘prorail’ of ‘veiligheid en service’. Ik zie een jongeman die druk staat te gebaren in zijn veel te grote reflectiehemd. Hij lijkt een willekeurig van de straat geplukte student, en ik heb het bange vermoede dat ze hem wijs hebben gemaakt dat hij een belangrijke taak heeft. Namelijk: alles in goede banen leiden. Maar hoe hij ook druk doende is, in goede banen gaat het natuurlijk nooit. Het gaat niet eens in banen. Sterker nog, hij lijkt zijn eigen leven te wagen voor een hopeloze zaak. Ternauwernood zie ik hem net voor een bus weg springen. En wonderwel, dan vangen de drukke gebaartjes weer aan…alsof er niets gebeurd is.

Moet ik ook gelaten worden?  Zien ze me nog in 2030, zoals de posters hopen? 2030! Waar is het ontzag voor de tijd gebleven! Moet ik onkunde, bureaucratie en emotieloze ambtenaren voor lief nemen? Moet ik me troosten met de woorden van de Utrechtenaar die zo graag wijst op die mooie binnenstad? Ik heb het gevoel dat de gelaten mens misschien wel verder is dan ik, in plaatst van oneindig achter geraakt. Misschien is het zelfs geen gelatenheid, maar een soort superkracht die ik nog moet ontdekken. Misschien moet ik gewoon nog wennen aan de Grote Stad…

De titel is het hele boek: een recensie van Couperus’ nagelaten Correspondentie

Couperus correspndentieTer gelegenheid van het 150e geboortejaar van Louis Couperus (1863-1923) verscheen bij Uitgeverij Athenaeum een wetenschappelijke editie van de correspondentie van de Nederlandse schrijver. Meer dan 1400 thans bekende documenten werden gebundeld en door Couperus-kenner H.T.M. van Vliet van commentaar voorzien in een aparte, bijbehorende uitgave. Een buitengewone inspanning die voor de liefhebber niets te wensen over laat.

Toen in 2007 door het NRC Handelsblad in samenwerking met de NPS een grote verkiezing werd gehouden voor het beste Nederlandstalige boek aller tijden, haalde Couperus de top tien niet eens. Dat een Kader Abdolah achter Harry Mulisch op de tweede plek eindigde, zegt natuurlijk genoeg over zo’n verkiezing, maar met de aanwezigheid van Reve, Nescio, Multatuli en W.F. Hermans in de top tien, had Couperus er niet in misstaan. Zelfs als men de boeken niet gelezen heeft, dan nog zal iedere beschaafde lezer opveren bij titels als Van Oude Mensen De Dingen Die Voorbijgaan of natuurlijk Couperus vermaarde debuutroman Eline Vere.

Aan het Couperus-elan ligt het in ieder geval niet, dat is er volop. Van het Couperus Museum tot aan een heuse Couperus kookworkshop voor fijnproevers; het is er allemaal. En wie er werkelijk geen genoeg van kan krijgen, kan altijd terecht bij het Couperus-genootschap. Een rijk en levendig gezelschap dat op talloze manieren het erfgoed van Couperus in het daglicht brengt.

De correspondentie
Louis Couperus had bepaald niet veel op met het schrijven van brieven. ‘Ik antwoordde niet, omdat ik niet veel te antwoorden had en brieven schrijven is toch al mijn ‘fort’ niet’, laat hij zijn voornaamste uitgever L.G. Veen (1863-1919) weten in een brief van 4 januari 1904. Als Europeaan in de dop was hij vrijwel altijd onderweg en had hij ook geen gelegenheid om een degelijk archief aan te leggen. Bovendien kon hij maar moeilijk begrijpen waarom mensen überhaupt zijn brieven zouden willen lezen en was hij van mening dat een persoonlijke correspondentie sowieso vooral toch persoonlijk was.

We staan er zelden bij stil, maar het heeft wel degelijk iets merkwaardigs om te snuffelen in post van een ander, aan een ander, voor een ander. Die is per definitie niet bestemd voor de wereld. Bij leven ongehoord, na de dood een geaccepteerd fenomeen. Couperus zou hoogstwaarschijnlijk niet al te gelukkig zijn geweest met deze publicatie, waarin vooral zakelijke brieven de overhand hebben. Zo vinden we er honderden brieven in terug aan zijn uitgever waarin druk onderhandeld wordt over geldzaken en proefdrukken. Soms bits, zakelijk of somber, maar altijd in een chique Nederlands zoals we dat nu niet meer gewoon zijn. Wie enkele uren bladert door de brieven wordt vanzelf meegezogen in een andere tijd en verlangt wellicht naar die typische stijl van eind negentiende, begin twintigste eeuw, waarin met zoveel hoffelijkheid tegen elkaar wordt gesproken. ‘Ik betuig U mijn zeer hartelijken dank voor Uw zoo gracieus cadeau, dat ik volgaarne aanneem en op hoogen prijs stel.’ schrijft Couperus aan Veen, wanneer deze hem een portret cadeau heeft gedaan.

Het is overigens haast onmogelijk om niet gaandeweg het lezen een sympathie te ontwikkelen voor L.G. Veen, die zo liefelijk en aanhoudend genegen blijft doorklinken in zijn brieven aan Couperus. Als hij Couperus op 26 juni 1911 bijvoorbeeld schrijft waarom hij hem nog niet geantwoord heeft (wat vaker voorkwam), vraagt hij zich het volgende af:

‘Gaarne zou ik toch willen weten waar aan mij te houden. Tot nu toe heb ik steeds het honorarium betaald zooals ik meende te kunnen doen en is mijn nu gedaan aanbod weder van dezelfde kracht. Is het je te laag, zeg het gerust amice. Wij blijven even goede vrienden, nietwaar?LJ Veen

Maar hoe goed was die vriendschap eigenlijk? Op 22 februari 1919 schrijft Veen zijn laatste briefje aan Couperus, met als afsluitende zin ”t Spijt mij, maar voor deze manier voel ik niet veel en zal dus de zaak maar als afgedaan beschouwen.’ Veen sterft op 20 september 1919 aan nierfalen, maar de lezer zoekt vervolgens tevergeefs in de brieven verder naar enkele warme woorden of herinneringen van Couperus aan Veen, die ruim 20 jaar onafgebroken zijn uitgever was geweest. Dat zijn de momenten waarop het gemis van waarschijnlijk verloren gegane brieven de lezer pas werkelijk voor ogen komt.

De Commentaar
En zo is dit maar een enkele van de talloze verhaallijnen en mysteries die zich ontvouwen in de correspondentie. Ondanks haar noodlottig onvolledige karakter geven de brieven een rijk en interessant beeld van de mensen en de tijd. Het oorspronkelijke taalgebruik is gehandhaafd en we lezen alles zoals het toen geschreven werd. Dat went overigens vlot en staat het lezen verrassend genoeg nauwelijks in de weg. En ja, Frederik van Eeden komt voorbij, Frans Netscher en Frans Coenen, en Israël Querido en Willem Kloos. Zelfs Oscar Wilde is even in beeld, wanneer Couperus’ vrouw zijn grote roman The Picture of Dorian Gray mag vertalen.

Oud bijzonder hoogleraar editiewetenschap H.T.W. van Vliet, die eerder al verantwoordelijk was voor de uitgave van Couperus’ Volledige Werken, maakte een indeling van de brieven in negen periodes. We volgen zo Couperus vanaf zijn debuut en het schrijverssucces via zijn reizen door Europa en voor de Haagse Post tot aan zijn laatste levensjaar in 1923. Iedere periode is voorzien van een korte inleiding die samen met een uitstekend geschreven algemene inleiding een vlotte en goede indruk geven van Couperus als schrijver en persoon.

Voor wie zich werkelijk wil verdiepen in de achtergronden die bij de brieven horen, is er een apart geschreven commentaar. Voorbijkomende personen, historische gebeurtenissen en allerlei relevante wetenswaardigheden worden hierin per brief toegelicht. Aangevuld met een wetenschappelijke verantwoording en een uitvoerig register waarin personen en werken van elkaar zijn gescheiden, mag dit met recht een zeer verzorgde uitgave worden genoemd die daadwerkelijk weinig te wensen overlaat, behalve dan dat uiteindelijk ook deze uitgave slechts weer de honger aanwakkert naar nieuw onderzoek, bijvoorbeeld waar het een nieuwe biografie betreft.

Deze uitgave is echter niet enkel geschikt voor studie, maar ook om in te bladeren – en zelfs te snuffelen, om zo gaandeweg ondergedompeld te geraken in de leefwereld van zo velen die toen leefden, dachten en schreven. En dan soms treft men een pareltje aan tussen al die zakelijke brieven, waarin Couperus zich even poëtisch laat zien als meester van de taal. Een meester die gewoon tot de absolute top van de Nederlandse literatuur behoort. Misschien dat het eens tijd wordt dat Kader Abdolah zijn plekje ter beschikking stelt.

Deze recensie is geschreven voor 8Weekly. Benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan een kijkje op de site aldaar.

Morele woede uit balans: begrijpen wij voldoende wat de rechtsstaat onder rechtvaardigheid verstaat?

Begrijpen wij voldoende wat de rechtsstaat onder rechtvaardigheid verstaat?
-Diverse overwegingen van verschillende aard bij twee zaken

Familieleden van de verongelukte Donnie Rog gingen in de rechtszaal de man te lijf die de dood van de 13-jarige Hagenaar op zijn geweten heeft. De 21-jarige Bulgaarse verdachte Milen Y. moest in de rechtszaal rake klappen incasseren van de woedende familie, die buiten zinnen raakte toen de strafeis werd uitgesproken door het OM van vier maanden voorwaardelijk, drie jaar rijontzegging en een maximale werkstraf van 240 uur. De politie kon de verdachte uiteindelijk ontzetten. ‘Als jullie hem niet pakken, dan doen we dat zelf wel’. (parafrase bron: AD).

Al eerder schreef ik bespiegelend over een ontluikend gevoel van morele woede dat samenhangt met een fundamentele verontwaardiging. Beide emoties zijn herkenbaar in ieders leven en ook van belang in een moreel leven. We hebben ook recht op die emoties. Het is echter zo dat het recht op emotionele boosheid en verontwaardiging op het dunne randje balanceren met dat van de behoefte aan fysieke wraak of eigenrichting, waarmee er een potentieel spanningsveld bestaat dat ieder moment uit zijn evenwicht kan geraken.

Het is nu onze rechtsstaat die een belangrijke bijdrage aan dit evenwicht Woedebehoort te leveren. Zij kan  immers door middel van vergelding er voor zorgen dat de disbalans van onze morele woede stabiliseert, zodat we niet de neiging krijgen zelf te corrigeren door over te hellen naar eigenrichting. Vertrouwen in de overheid is daarbij essentieel, waarbij we stoelen op de wetenschap dat eigenrichting de toets van de moderne en hedendaagse ethiek niet doorstaat: “oog om oog, tand om tand” is een middeleeuws principe.

Maar soms is dat vertrouwen geleidelijk afgebrokkeld of ineens weg, en verdwijnt daarmee ook de ondersteuning van die disbalans tussen emotionele woede en fysieke vergelding. Dan wint de emotie het van de rede. Als het idee ontstaat dat de rechtsstaat geen recht doet aan de emotie, maakt dat dat een persoon zelf recht wil doen aan zijn emotie, dat hij zelf op zoek gaat naar de balans. Het emotionele gevoel van rechtvaardigheid is dan sterker dan het rationele idee van rechtvaardigheid van de rechtstaat, waardoor in een geval als het bovenstaande de vader van het slachtoffer zijn oververhitte woede “koelt” op de dader -misschien in de hoop zo wel weer in balans te geraken, of in ieder geval iets in balans te brengen, wat naar zijn idee niet door de rechtsstaat in balans wordt gebracht.

-Vragen-
Maar hoe staat het met onze balans? Kunnen wij zelf ook uit balans raken?

Zijn wij in staat om ons altijd over te geven aan het idee van rechtvaardigheid zoals de rechtsstaat ons dat voorspiegelt? En vereist dat dan een buitengewone rationele overtuiging en/of standvastig geloof in de rechtsstaat?

Kan er een moment zijn dat we zeggen: en nu schort ik mijn vertrouwen in de rechtstaat op?

Hoe verhouden wij ons tot de woedende vader? Kunnen we begrip opbrengen voor zijn situatie en van daaruit zijn handelen begrijpen, of moeten we eigenrichting altijd veroordelen? Of kunnen we zowel begrip opbrengen als dat we het desondanks veroordelen?

“Ik begrijp uw reactie volkomen, maar desondanks moet ik u straffen-” zo spreekt de rechtsstaat.

De belangrijkste vraag die mijns inziens echter moet worden gesteld, en die samenhangt met alle overige problemen die in dit schrijven worden aangeraakt is de volgende:

Zijn we voldoende in staat het recht zoals de rechtsstaat ons dit toont te begrijpen?

Ik denk dat in die laatste vraag het grootste probleem schuilt waar het gaat om oververhitte morele woede: we begrijpen niet altijd wat de rechtsstaat onder gerechtigheid verstaat. Bovendien wordt iedere  rationalisatie van een vonnis ondergesneeuwd door overweldigend onbegrip op de bekende  sociale media.  Maar wat is dan eigenlijk recht doen aan de situatie, wanneer een 13-jarige jongen zijn leven verliest door roekeloos rijgedrag? Dat de betreffende verdachte volgens eigen zeggen in blinde paniek doorreed, is misschien begrijpelijk, maar dat hij volgens het OM voor tientallen verkeersovertredingen voor en vooral na het fatale ongeluk is beboet, is minder begrijpelijk en laat zich bovendien voor leken moeilijk verenigen met zijn spijtbetuigingen in de rechtbank, die zo eerder onoprecht praktisch lijken in het licht van strafminimalisatie.

Wat betekent het als het Openbaar Ministerie namens de samenleving zegt: “deze man heeft iemand doodgereden door roekeloos gedrag, heeft zich vervolgens niet aan de plicht gehouden hulp te verlenen en is doorgereden. Maar een gevangenisstraf gaat ons echt te ver; we vinden wel dat hij 240 uur gedwongen aan het werk moet en er bovendien een gevangenisstraf boven zijn hoofd moet hangen indien hij wederom de fout in gaat.”

Roekeloos

Het lijkt mij persoonlijk niet een straf die in ieder geval het roekeloos rijden tegengaat. Er gaat geen afschrikwekkende werking van uit. Aan de andere kant kunnen we ons afvragen indien er een zeer zware straf was geëist (waarbij we kunnen discussiëren wat dan in dit geval een zware straf is), dit roekeloze rijders wel afschrikt. Misschien is roekeloos rijden te vergelijken met zinloos geweld: de hoogte van de strafmaat heeft nauwelijks effect op toekomstige gedragingen. Het gaat hier dus vooral om vergelding en niet om generale preventie.

Ik vermoed overigens dat een eis van een stevige gevangenisstraf vereist zou zijn geweest om in dit geval eigenrichting in de rechtszaal te voorkomen. Toevallig wordt dat bevestigt in een follow-up: Geen spijt bij ouders na vechtpartij in rechtszaal. Overigens dacht ik zelf aan 2 jaren gevangenisstraf…

Want wat kan de maximale straf zijn in deze? En wanneer is de maximale straf daadwerkelijk ooit opgelegd? Een blik op artikel 307 Sr. (veroorzaken van de dood of van lichamelijk letsel door schuld) leert:

1. Hij aan wiens schuld de dood van een ander te wijten is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Indien de schuld bestaat in roekeloosheid, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

De maximaal te eisen straf lijkt dus vier jaren cel als ik me niet vergis (noot: al zijn de grenzen die in de WVW (art.6/art.175) worden bepaald nog zwaarder; te weten 3 en 6 jaar), dus hoe verhoudt zich dan de gevraagde straf in deze door het Openbaar Ministerie? Het Openbaar Ministerie heeft klaarblijkelijk de ruimte om meer te eisen, maar doet dit niet. En daar openbaart tegelijkertijd zich het grootste probleem: ons gebrekkige inzicht in het juridische systeem, onze gebrekkige kennis van jurisprudentie waarbij ook nog eens de media geregeld al te summier en zijdelings rapporteren, waarbij we nuance en omstandigheid uit het oog verliezen en enkel zicht hebben op daad-slachtoffer-straf. Waarom komt het OM met deze eis? Daar moet veel aandacht naar uitgaan, mijns inziens.

Een andere zaak
Maar toch. Ik moet denken aan een recente veroordeling, waarbij ik mij ook weer geconfronteerd zag met een sterke opleving van morele woede, gebaseerd op onbegrip. Ik kon het vonnis goed volgen, maar niet zo goed begrijpen. Er wordt gesproken van “onbeschrijfelijk leed” dat is aangericht. Het OM eist 12 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de man die beschonken (5x toegestane hoeveelheid alcohol)  en al spelend met zijn mobiele telefoon een vrouw doodreed. Hij geeft dit alles toe en heeft spijt. Het uiteindelijke vonnis: 200 uren taakstraf.

Er wordt mij dan niet genoeg duidelijk waarom 12 maanden teruggebracht wordt tot 200 uren werk. Het lijken alle omstandigheden van de dader te zijn (spijt, eerlijk geweest, niet eerder veroordeeld, jong kind). Ook heeft de rechtbank gelet op de richtlijnen die in den lande voor soortgelijke feiten gehanteerd worden: oftewel-het al beschonken spelen met een telefoon doodrijden van iemand wordt nu eenmaal niet zo heel zwaar bestraft. Zou dat zijn omdat er vrijwel nooit sprake is van opzet en dat er bij de dader ook een zwaarwegende vorm van leed gedurende de rest van zijn leven te bespeuren zal zijn? Dat zou een rechtbank kunnen vinden en dat mag ze wat mij betreft ook expliciet benoemen, maar het lijkt me een vreemd criterium. Het leed is immers aan zichzelf te wijten, terwijl dat voor de nabestaanden niet geldt. Het is moeilijk om medelijden te hebben met iemand die zich willens en wetens in een risicovolle situatie begeeft, waarbij het misgaat.

Maar opmerkelijk is: “De officier van justitie heeft voorts gelet op de richtlijnen die bij dergelijke zaken worden gehanteerd”. En daarbij kwam ze tot een eis van 12 maanden onvoorwaardelijk. Het spanningsveld voor mij als toeschouwer blijft dus zitten in de eis en het vonnis. Waarom zit er zo’n gat tussen OM en rechtbank? En het is ook moeilijk te vatten dat een rechtbank 200 uren taakstraf (en bijkomende straffen) als vergelding ziet voor “onbeschrijfelijk leed”. Zo beschouwt ze dat vast ook niet-maar wat is dan het werkelijke nut en doel van deze straf anders dan vergelding? Herhaling lijkt uitgesloten, berouw is er al.

Ik bedacht mij bovendien dat ik feitelijk nu alleen nog maar een buitenstaander was, en toch al de opleving van morele woede gewaar werd. In hoeverre zou ik mijn balans verliezen als ik geen buitenstaander was geweest, maar een familielid? Had ik dan nog rationeel begrip kunnen opbrengen, of ontdek ik dan iets anders-namelijk dat ik 2 jaren straf voor dood door schuld erg weinig vind? En herinner ik me niet een krantenbericht waar het stelen van dertien bronzen beelden een gevangenisstraf opleverde van 2,5 jaren? Zodra je dat tegen elkaar gaat afzetten, waarbij de omstandigheden verdwijnen en het vonnis niet goed bestudeerd wordt, dan wordt begrip heel erg lastig.

Vertrouwen in de rechtsstaat hang samen met het begrip ervoor
Het is dat ik mij sterk bewust ben van mijn gebrek aan diepgaande kennis omtrent de totstandkoming van vonnissen. Het ontbreekt mij aan achterliggende redenen en zicht op persoonlijke omstandigheden, dat ik wel vertrouwen moet hebben in de mensen die dat wel hebben. Het is ook een zekere mate van overgave. En binnen de mogelijkheden die ze hebben komen zij tot een afgewogen inzicht en oordeel. Maar als ik een vonnis dan goed bestudeer, dan moet en wil ik het ook wel volledig kunnen volgen. De wetgever heeft ruimte gemaakt om te kunnen straffen; hoe en waarom is daar op deze manier gebruik van gemaakt? Ik zou het dan nog steeds oneens kunnen zijn met de uitkomst, maar ik moet op zijn minst kunnen begrijpen waarom een rechtbank tot het oordeel is gekomen zoals dat het geval is.

Tot slot
Heeft het zin dat het OM 4 jaren eist en de rechtbank er vervolgens 200 uren werkstraf er van maakt? Misschien niet, maar misschien is het niet verkeerd dat het OM toch wat meer spierballen laat zien, juist omdat ze namens de samenleving opereert. Dat de onafhankelijke rechter zijn eigen oordeel heeft is geheel goed, maar daar mag best een scherp geluid tegenover worden geplaatst, waarbij het onbegrip dat vaak heerst doorklinkt in een juridisch afgedekt kader. “Wie door roekeloosheid op de weg het leven van een ander beneemt, mevrouw de rechter, zou wat ons betreft zijn zonden altijd in het gevang mogen overwegen, ongeacht de omstandigheden. Dat doet volgens ons recht aan ‘onbeschrijfelijk leed’. Iedere burger zet namelijk met roekeloos gedrag -al bellend en/of dronken achter het stuur- zijn eigen omstandigheden en die van een ander willens en wetens op het spel.”

Dat kan een rechter van tafel vegen -omstandigheden doen er altijd wel toe-, maar de nabestaanden hebben dan in ieder geval, zoals in de casus van de dertienjarige Donnie Rog tenminste de steun van het OM. Of was het dan bij het vonnis wel uit de hand gelopen?

Wordt ongetwijfeld vervolgt…

Naschrift 1 aug  ’13: 1. een uitzonderlijke, doch zeer summiere verklaring van het OM:
https://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1358455

2. Anders dan in verschillende media is geuit, stelt het OM dat er in de zaak Donnie Rog, geen roekeloos rijden kan worden aangetoond (waarmee niet is gezegd dat er van roekeloos rijden geen sprake was). Dat geeft een iets ander licht op de zaak; was dit een zuiver ongeluk-zonder schuld?

3. Doodslag?
De Bulgaarse verdachte schepte Donnie vorig jaar op 9 juli toen die de straat overstak met zijn fiets. Hij reed door, om zich een paar uur later te melden bij de politie. Uit onderzoek bleek dat hij te hard heeft gereden. Hoe hard en of hij mogelijk onder invloed van alcohol of drugs verkeerde was niet meer vast te stellen. Zowel voor als na de aanrijding blijkt Milen Y. meerdere verkeersovertredingen begaan te hebben. De nabestaanden voeren dat gegeven ook aan. Toch wil het OM hem niet vervolgen voor doodslag, hoewel dat juridisch wel mogelijk geweest was. Nooy: ‘Het staat de officier vrij om af te wijken van de richtlijnen die er zijn. Maar dan moeten daar wel de omstandigheden voor zijn, je moet het de maatschappij wel kunnen uitleggen’. Volgens Nooy is de aanrijding niet het gevolg van roekeloos rijgedrag, maar gaat het om een tragisch ongeval.  (bron vk.nl)

Dus te hard rijden betekent nog geen roekeloos rijgedrag? En iets aan de samenleving uitleggen geldt ook voor de huidige eis: die acht ze juist onbegrijpelijk. En hoe kan er worden gesproken van een tragisch ongeval, als alle mogelijke bewijzen daarvoor niet zijn te verifiëren? Het lijkt me onlogisch om te spreken van een ongeluk (waar er te hard is gereden), waar je niet kunt bewijzen dat er geen sprake was van een ongeluk; dat iets niet te achterhalen is, maakt niet dat het niet het geval was, maar dat we het niet kunnen weten-ergo: dan is dus niet vanzelfsprekend het tegendeel het geval.

4. Waar gaan rechters van uit? Er blijkt zoiets te bestaan als “Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken”, waar LOVS staat voor Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Hieronder plaats ik de tabel die samenhangt met richtlijnen omtrent overtreding artikel zes van de wvw (geldig mei 2013).

https://www.stephanwetzels.nl/wordpress/docs/Straffen%20overtreden%20wegen%20verkeerswet.jpg

Het hele document met alle richtlijnen is HIER te vinden.

De geschiedenis zal het ons leren: een recensie van de Nederlandse vertaling van Phenomenologie des Geistes

Deze recensie is geschreven voor het internetcultuurmagazine 8Weekly.nl, en aldaar eerder deze week verschenen.

Met Phenomenologie des Geistes (1807) schreef Georg Wilhelm Friedrich Hegel een van de moeilijkste boeken ooit binnen de wijsbegeerte. Misschien is dat de reden waarom het meer dan 200 jaar heeft geduurd voordat er een integrale Nederlandse vertaling beschikbaar kwam. Het is echter sterk de vraag of Hegels denken daarmee werkelijk toegankelijker is geworden.

Er zijn weinig moderne filosofen die zo’n gigantische inspanning tegen hun enken hebben weten te bewerkstelligen dan de Duitse filosoof G.W.F. Hegel (1770-1831). De wat jaloerse generatiegenoot Arthur Schopenhauer noemde Hegel ‘een filosofische kruiper die met ongeëvenaarde brutaliteit bijgeloof en onzin bij elkaar zocht’. Dat het nog enige betekenis kreeg, was volgens Schopenhauer ‘volledig te danken aan zijn omgekochte aanhangers die met het duistere gezwam alle kanten op konden’. Søren Kierkegaard verweet Hegel met zijn systeemdenken het individu volledig verpletterd te hebben en antwoordde met existentialistische alternatieven in onder meer Of/Of (1843) en Stadia op de levensweg (1845). Ook in de 20e eeuw was de weerstand tegen Hegels ideeën nog niet verstild. Zo schreef Karl Popper in The Open Society and Its Enemies (1945) dat Hegel niets meer was dan een stroman van Friedrich Wilhelm van Pruisen en dat hij zijn filosofische vrijheid offerde om de open samenleving te bestrijden. Met zijn ‘historische dialectiek’ plaveide hij bovendien de weg voor het moderne absolutisme, aldus Popper.

Al die kritiek is echter het sterkste bewijs dat we hier te maken hebben met een bijzonder invloedrijk filosoof. Want hoeveel kritiek Hegel ook te verduren heeft gehad, feit is dat hij met zijn filosofie een onmiskenbare invloed heeft gehad in de moderne geschiedenis van het denken. Nog steeds zijn er vele liefhebbers van zijn filosofie die zich hartstochtelijke wijden aan studie en interpretatie. Deze Nederlandse vertaling is daar een uiting van.

Hegel lezen
Een beroemde anekdote vertelt dat Hegels laatste woorden op zijn sterfbed luidden: ‘Er is slechts één man geweest die mij begreep… En die heeft mij ook niet begrepen.’ Of deze woorden van Hegel nu wel of niet authentiek zijn, het is ontegenzeggelijk waar dat zijn denken erg moeilijk te begrijpen is. De grote verdeeldheid onder zijn navolgers over hoe Hegel nu precies opgevat moest worden evenals de vele commentaren op zijn werk die tot op de dag van vandaag verschijnen, zijn daar in ieder geval een uiting van.

Toen de Duitse filosoof Theodor W. Adorno in Drei Studien zu Hegel (1963) het derde essay Skoteinos wijdde aan de moeilijkheid van het lezen van Hegel, kwam hij onder andere tot de conclusie dat er verschillende passages bestaan die simpelweg door niemand begrepen kunnen worden. Hetzij door Hegels eigenzinnige gebruik van het Duits hetzij door filosofische constructies die enkel door Hegel zelf toegelicht zouden kunnen worden en daarbuiten open staan voor wat men er zelf van maakt. Commentatoren als Ivan Soll (An Introduction to Hegel’s Metaphysics, 1969) en Richard Norman (Hegel’s Phenomenology: A Philosophical Introduction, 1976) bevestigen deze verschillende extreem ondoorzichtige redeneringen die Hegel af en toe opwerpt.

En wie de Fenomenologie van de Geest (vrij opgevat als ‘Studie van de Geest, in de zin van ontwikkeling van het bewustzijn, zoals die ons voorkomt’) voor het eerst ter hand neemt, verdwaalt inderdaad al spoedig in de lange, abstracte alinea’s vol met schuingedrukte woorden en uitdrukkingen. Wat het ook niet eenvoudiger maakt, is dat Hegel in zijn schrijven veronderstelt dat zijn lezers op de hoogte zijn van alle relevante filosofische bewegingen die ertoe doen. Goede verstaanders lezen bijvoorbeeld een scherpe kritiek op verschillende kentheoretische opvattingen van Kant. Wie iets van het boek wil volgen, zal er dan ook een fikse studie aan moeten wijden, bij voorkeur in een leesgroep waarbij er volop gediscussieerd kan worden over diverse passages.

Hegel begrijpen
Het unieke aan Hegels denkwijze is zijn uitzonderlijke historische gevoel dat erin vervat ligt. Hegels voornaamste axioma van zijn filosofie is dan ook: de geschiedenis heeft concrete betekenis. Ze ontvouwt zich niet willekeurig, maar er zit een te vatten lijn in die ons ten diepste onthult wat Waarheid is. Hegel kent daarom het doorgronden van de geschiedenis een uitzonderlijke plaats toe in zijn denken. In dit doorgronden merkt hij een voortdurend ‘ontstaan’ (these) op van bewegingen in de geschiedenis die uiteindelijk omslaan in het tegendeel (antithese), waarna er zich een nieuwe hogere waarheid ontvouwt (synthese). Via dit teleologisch dialectisch systeemdenken, wat betekent dat er weliswaar een doelmatige maar geen rechtlijnige voortgang is te ontdekken in de geschiedenis, tracht Hegel te komen tot de laatste fase van dit proces: het Absolute Weten. Dit Absolute Weten heeft alle vorige fasen in zich opgenomen en is als volledig eindpunt de uiteindelijke waarheid. En met onze geest vatten wij zo het proces van de zelfbewustwording van de zichzelf begrijpende absolute (bovenmenselijke) abstracte ‘Geist’, zodat we ermee samenvallen.

Hegel-kenner Larry Krasnoff stelt dat wie de Fenomenologie goed volgt, tot inzicht komt dat hier een grootse narratief op de menselijke vrijheid is geschreven. De Franse Revolutie (1789) is niet voor niets de grootste inspiratiebron geweest voor dit boek. De moderne mens is een mens die in het licht van de geschiedenis begrijpt hoe hij zijn vrijheid op waarde moet schatten. De geschiedenis van de wereld is niets anders dan de ontwikkeling van het vrijheidsbewustzijn.

In a sense, what Hegel tried to do was to identify the rational core of nearly every area of human thought (logic, science, morality, politics, aesthetics, religion, and history) by describing them as part of Spirit’s self-expression in history, as part of a sprawling story that describes a path toward the realization of human freedom in the modern world. (Krasnoff, 2008, p.8)

Samengevat is de Fenomenologie dus een verslag hoe dit proces begrepen kan worden, waarmee ze dus zelf ook weer een onderdeel uitmaakt van de weg naar dat Absolute Weten.

Uitgeverij Boom en het bos
Het valt te prijzen dat uitgeverij Boom dit soort vertalingen op de markt brengt. Niet alleen is het een gigantische klus om het complexe Hegeliaanse Duits op een goede manier te vertalen, het boek is uiteindelijk ook maar voor een relatief klein publiek interessant. Niet in de laatste plaats omdat slechts iets van het boek begrepen kan worden wanneer men bereid is flink wat tijd erin te investeren. Daarmee is deze uitgave ongeschikt voor enkel nieuwsgierigen, hoewel er ook een wetmatigheid bestaat die stelt dat hoe moeilijker iets te begrijpen valt, hoe meer aandacht het krijgt, en hoe beter het verkoopt. Dat was in ieder geval in Hegels tijd zelf al zo, tot ergernis van Schopenhauer bijvoorbeeld die met lede ogen aanzag hoe de collegezalen uitpuilden bij Hegel, terwijl er bij hem geen hond zat.

Gelukkig is de uitgever zo verstandig (of handig) geweest om voorafgaand aan deze uitgave een toegankelijke inleiding te publiceren over Hegels denken onder de titel Hegel (2013). Toch is het gewenst dat deze uitgave wordt aangevuld met een aparte leeswijzer, zoals dat bij dezelfde uitgever voor Kants Kritiek van de zuivere rede broodnodig was, of zoals door uitgeverij Damon terecht een leeswijzer werd verzorgd voor de SUN-uitgave van Martin Heideggers Sein und Zeit. Twee boeken die zich qua moeilijkheid kunnen meten met Hegels Fenomenologie. Tussen vertaling en het verschijnen van de leeswijzer zat weliswaar behoorlijk wat tijd, maar wil men dit soort werken systematisch bestuderen dan is een leeswijzer of uitvoerige annotatie echt onontbeerlijk. Dat maakt dat de uitgave nu op zich zelf staand ‘slechts’ een indrukwekkende vertaaloefening blijft van Willem Visser. Dat er juist in het beknopte nawoord wordt verwezen naar een uitvoerig geannoteerde Duitse uitgave is ironisch en doet de vraag rijzen welk publiek de vertalers zelf in gedachten hebben gehad met louter een vertaling. Het is namelijk niet waarschijnlijk dat de vertaling het werk in dit geval toegankelijker of veel eenvoudiger te begrijpen maakt. Met voldoende Nederlandstalige inleidingen voorhanden over het denken van Hegel is de overstap naar dit vertaalde hoofdwerk in ieder geval mogelijk. En met deze vertaling is bovendien dapper een weg bereid voor allerlei nieuwe Hegel-initiatieven. Een geannoteerde uitgave van de Fenomenologie? Een vertaling van Grundlinien der Philosophie des Rechts misschien? De toekomst zal het ons leren.

Overwegingen bij een absurde daad: de verdwijning van de broertjes Ruben en Julian

Het kan niemand zijn ontgaan dat in heel Nederland afgelopen dagen met ongelooflijk veel inzet en passie is gezocht naar de verdwenen broertjes Ruben en Julian. Tot nog toe zonder resultaat. En wie diep in zijn hart kijkt, zal waarschijnlijk tot de conclusie komen dat de hoop die wordt gekoesterd dat de broertjes levend teruggevonden worden niet zo heel groot is. Het idee van de mogelijke vondst van twee levenloze lichamen zal ons een rilling bezorgen gevolgd door berusting, om vervolgens tot het uiterste te komen tot die ene huiveringwekkende gedachte: de vader heeft dit voorbereid.

Vooropgesteld. Deze bijdrage is gestoeld op speculatie (in filosofische zin). Zolang de broertjes nog niet zijn gevonden en zolang het onderzoek loopt, zijn vele scenario’s mogelijk. Dat ene feit echter, namelijk de mededeling van politie en recherche dat de vader zich goed heeft voorbereid en de verdwijning opzettelijk heeft gepland, neem ik als uitgangspunt voor nadere overwegingen. Welke ideeën kunnen we iemand die zoiets doet toeschrijven? Ik kom tot verschillende vragen en antwoorden op grond van de volgende twee scenario’s.

1-De broertjes leven nog
Ze zijn dan niet in staat (geweest) zichzelf te bevrijden, zitten opgesloten bijvoorbeeld in de grond, waar een zuurstofvoorziening is aangelegd en voldoende proviand aanwezig is om gedurende zeer lange tijd te kunnen overleven. Misschien veronderstelt dit idee dat de vader (de 38-jarige Jeroen Denis)  voor zijn zelfmoord bij het Doornse Gat niet de intentie heeft gehad zijn zoons te vermoorden, maar in ieder geval de bedoeling heeft gehad te verontrusten of wellicht een ander nog onduidelijk duister doel heeft nagestreefd. Echter niet ten koste van zijn kinderen, althans niet direct ten koste van hun leven. Kunnen we ons voorstellen dat de vader de intentie heeft gehad dat de kinderen gevonden zouden worden? Dat zou voor een later moment ontzettend veel analyse vergen waarbij we ons waarschijnlijk moeten begeven naar gene zijde van goed en kwaad…

Ik denk dat dit scenario het meest ver gezocht is, maar feitelijk het enige dat plausibel is, als we de hoop koesteren dat ze nog gevonden worden en er buiten de vader niemand anders betrokken is. De dagenlange zoektocht door duizenden mensen en honderden deskundigen maken het echter helaas niet bijzonder waarschijnlijk.

2-De broertjes leven niet meer
In dit geval komen we nadrukkelijker bij de intentie van de vader. Veelal wordt zelfmoord geassocieerd met wanhoop, eerder dan met wraak. Het ligt namelijk niet voor de hand dat iemand vanuit een weloverwogen keuze primair zijn eigen leven neemt, om daarmee een ander te straffen. Het is meer voorstelbaar dat wanneer iemand wraak wil nemen op een ander (op een oneindig gruwelijke manier), deze het leven neemt van een dierbare. Dat zou hier gebeurd kunnen zijn. Het is in ieder geval zeer lastig voor te stellen dat de vader geen rekening gehouden heeft met de moeder (zijn ex-vrouw).

Gelet op alle voorbereidingen, moet er sprake zijn geweest van een zeer berekenende handeling. Het probleem van een berekenende handeling is dat we daarbij als vanzelfsprekend de actor rationaliteit toekennen. Een berekening vereist rationaliteit. We veronderstellen bovendien dat wanneer iemand zijn handelingen zorgvuldig plant, berekent, voorbereidt en vervolgens uitvoert daarbij constant voor ogen heeft wat de gevolgen van zijn handelingen zijn. Iemand die voorbereidingen treft om een blad papier met vuur aan te steken, weet dat zijn handelingen er uiteindelijk toe zullen leiden dat het papier zal verbranden. Iemand die willens en wetens zijn kinderen spoorloos maakt, weet dat

  1. er aandacht voor komt (bijzaak?)
  2. mensen zullen gaan zoeken (bijzaak?)
  3. mensen verdriet hebben vanwege het gemis (hoofdzaak?), en daarbij
  4. lijden bij nabestaanden wordt gemaximaliseerd, vanuit de gedachte dat het verwerken van leed een grond moet hebben, en juist die is hier ontnomen

Is dit op een andere manier te begrijpen dan vanuit een absolute vorm van egocentrisme? Waarbij de zelfmoord het egocentrische sluitstuk vormt omdat men enkel de ander en niet zichzelf achterlaat met het verdriet, de radeloosheid en de onbestemdheid? Maar toch doet zich er dan een andere moeilijkheid voor: Wat betekent “wraak” wanneer men zelf de sensatie van de wraak nooit beleeft? Bij wraak gaat het er prima facie om dat iemand ondervonden leed of onrecht aan de veroorzaker vergolden ziet. Maar met de zelfmoord ‘ontneemt’ men zich dit. Dan blijft er enkel en alleen nog het idee over. Maar zelfs dit idee is toch betekenisloos, omdat een idee zelf nog geen ervaring is en bovendien het idee ook sterft met het sterven. Hoe kunnen we de paradox rijmen dat we iemand rationaliteit toeschrijven, terwijl de gehele rationele handeling lijkt te leiden tot iets wat we als irrationeel opvatten?

Kunnen we ons verheugen in het weten dat een ander een ervaring krijgt waar we zelf geen weet van hebben? Misschien toch wel. In positieve zin kan ik mij voorstellen dat iemand op zijn sterfbed gelukzalig sterft in de wetenschap dat zijn dochter in blijde verwachting is. Hij maakt de geboorte van zijn kleinzoon niet meer mee, maar toch stemt hem het idee gelukzalig. Maar ik kan het niet omdraaien; ik kan mij niet iemand voorstellen die gelukzalig sterft in de wetenschap dat hij een ander in totale ellende stort. Tenzij ik hem als een waanzinnige voorstel; waanzinnig in de zin van dat hij voor zichzelf de moraal heeft opgeheven, de moraal heeft getranscendeerd niet in religieus opzicht, maar vanuit een zinsbegoocheling, gevoed door een blinde haat- waarbij het redelijke niet is gedoofd, maar het redelijke enkel het doel heeft gehad kwaad te doen, waarbij het redelijke vanuit het idee van het sterven zelf niet meer geraakt werd door zichzelf.

Iemand die bovendien in staat is tot de zelfmoord moet wel gevoed zijn door het idee dat het leven geen betekenis meer heeft of geen bedoeling. Maar kunnen we ons daarbij voorstellen dat de stap gemaakt wordt dat daarmee ook het leven van een ander geen bedoeling meer heeft? Oftewel, dat het leven op zich geen bedoeling heeft? Dat is moeilijk voor te stellen, omdat daarmee ook de hele zin van de wraak opgeheven wordt. Wraak heeft alleen maar zin als er een geloof is dat ze zin heeft, waarbij er op zijn minst wordt gehandeld vanuit de veronderstelling dat een ander wel gelooft dat zijn of haar leven zin heeft.

En aansluitend, heeft hij het leven zo gehaat en heeft hij zich zo intens verdrietig gevoeld, dat dit een manier is geweest om een gevoel over te brengen zoals hij zichzelf gevoeld heeft? In de zin van: ‘ik zal je laten voelen zoals jij mij hebt laten voelen’.

Het gaat wat ver om het volgende eraan toe te voegen, maar dat doe ik toch omwille van de gedachte, namelijk dat iemand door middel van een handeling de zin van het leven bij een ander wil ontnemen, op grond waarvan dan de eigen ervaren zinloosheid wordt verkondigd aan die ander. Daarmee krijgt de zinloosheid een soort religieuze bedoeling; dat zou in ieder geval de redelijkheid van het handelen kunnen verklaren. De relatie overigens tussen zinloosheid, nihilisme en het in zichzelf opschorten van de moraal zouden langere technische overwegingen rechtvaardigen.

Tot nog toe heb ik alleen een negatief perspectief bevraagd. Het perspectief waarbij vanuit een voorbereiding een absurde vorm van kwaad wordt verondersteld. Maar er is nog een andere mogelijkheid: dat ik deze handelingen probeer te begrijpen vanuit een goede intentie. Ben ik in staat om zelfs bij een daad als deze mij een goede bedoeling in te denken? Eerder heb ik gesproken over het doden van anderen om hen daarmee de ellende te besparen die men aan het leven toeschrijft. ‘Het leven is lijden, ik verlos jullie van dat lijden. Als ik mij zelf ombreng, moeten jullie leven met mijn dood-dat wil ik jullie niet aandoen, dus dood ik jullie ook’. Daarmee is echter het verdwijnen van de kinderen niet gemotiveerd, op grond waarvan het erg moeilijk wordt om deze ingewikkelde maar mogelijke hypothese te aanvaarden.

Hoe dit trieste verhaal ook eindigt, wezenlijk begrijpen zullen we het nooit. Maar hoe donker de redenen van de vader ook zijn geweest, dat duizenden zich met volle overgave storten op de zoektocht naar de jongens, toont aan dan het leven en de hoop niet zo snel verslagen worden.

In gesprek met Kierkegaard: een inleiding voor de niet ingeleiden

Op 5 mei 2013 vierde schrijver en denker Søren Kierkegaard wereldwijd zijn 200e geboortejaar. Reden voor een kort onderhoud met de Deen. Het werd een leerzame ontmoeting.

sw: Goedendag Magister, hoe maakt u het?
SK: Uitstekend. Ik mag wel zeggen dat ik springlevend ben.
sw: Dat kunt u wel stellen. In Brussel komt er een conferentie over u, in Kopenhagen is nu een tentoonstelling over u en de Liefde, nog steeds verschijnen er jaarlijks wereldwijd tientallen proefschriften over uw gedachtengoed en in ons eigen land wordt al jaren gewerkt aan een systematische uitgave van al uw schrijven.
SK: In alle gevallen kan ik zeggen: het verbaast mij niets. Ik had namelijk zelf al voorspeld dat alleen al mijn in 1843 gepubliceerde Vrees en beven voldoende zou zijn om mijn naam als schrijver onsterfelijk te maken. Dat het gelezen en herlezen zou worden en vertaald in vele talen.
sw: Zoiets las ik in uw dagboeken. Toch is het eigenlijk verbazingwekkend. Ik bedoel, gelet op de bescheiden verkoop van 321 exemplaren van dat boek, ook nog eens geschreven in een hele kleine taal.
SK: Een kleine taal? Het Deens is een van de grootste talen die ik ken. Het biedt een ontzettende variëteit aan subtiliteiten en is ongekend in zijn mogelijkheden tot ironie. Ik stond er zelfs op dat ik mijn proefschrift over het begrip ironie in het Deens mocht aanleveren in plaats van in het Latijn. Maar u bedoelt natuurlijk dat ik schreef voor aanvankelijk een klein taalgebied. Ik heb echter altijd ieder individu voor ogen gehad.
sw: Neemt u mij niet kwalijk. U heeft gelijk. Maar nu u toch spreekt over het individu – u wordt vaak als de vader van het existentialisme beschouwd. Doet deze titel u deugd?
SK: Geenszins – het benauwt me eerder! Natuurlijk, ik schreef over keuze, wanhoop, authenticiteit, verantwoordelijkheid, angst, het absurde en bovenal schreef ik over vrijheid. Thema’s die men later als centrale thema’s van ‘het existentialisme’ is gaan beschouwen. Als ik echter één ding in mijn leven heb geprobeerd te vermijden, dan is het wel om te worden geplaatst binnen een of andere stroming of in een hokje. Maar akkoord, ik begrijp heel goed hoe geschiedschrijvers van de wijsbegeerte te werk gaan.
sw: O, hoe dan?
SK: Nu ja, het is uiteindelijk onvermijdelijk om iemand te duiden en hem zijn plaats toe te kennen in de geschiedenis. Zo kan ik bijvoorbeeld ook nooit helemaal begrepen worden zonder te verwijzen naar de Duitse filosoof G.W.F Hegel.
sw: Dat was geloof ik niet uw beste vriend.
SK: Ik heb hem natuurlijk nooit ontmoet – hij stierf toen ik 18 was –, maar wat betreft zijn denkbeelden kan hij rekenen op mijn tegenstand. Daar kon nooit iets goeds van komen.
sw: U heeft hem zelfs ooit verweten het intellectuele leven van een hele generatie te hebben ontmenselijkt.
SK: Ja, dat was wat hard aangezet, maar mijn grootste verwijt is inderdaad dat ik vind dat deze complexe systeemdenker in een soort wereldhistorische verstrooidheid totaal vergat wat het betekent mens te zijn.
sw: Iets wat u in een van de grootste werken Of/Of ook uit 1843 wel heeft geprobeerd te ontdekken, met als belangrijke les: mens zijn is keuzes maken.
SK: Absoluut. En niet alleen in Of/Of werk ik dat uit. In al mijn werken ben ik op zoek naar die enkeling die zich voor een keuze gesteld ziet. Denk bijvoorbeeld ook aan mijn grootse aanval op Hegel in het Afsluitend Onwetenschappelijke Naschrift uit 1846. Mensen herinneren zich dat boek vooral vanwege het beroemde adagium: de subjectiviteit is de waarheid. Omdat een objectieve waarheid niet kan worden geleefd, moest ik op zoek gaan naar een waarheid voor mij. Ik moest dat idee vinden waarvoor ik wilde leven en sterven. En dat is wat ik heb geprobeerd uit te drukken aan een ieder, zodat ook hij voor zichzelf op zoek kan gaan.
sw: Toch voelde u zich erg onbegrepen. U heeft wel eens gezegd: de mensen begrijpen mij zo slecht dat ze mijn geklaag dat ik niet begrepen wordt, niet eens begrijpen.
SK: Tja, u mag mij gerust beschouwen als de Horzel van Kopenhagen. Mensen vonden mij een vreemde, soms vervelende snuiter. Ik heb altijd gevoeld dat ik mijn tijd eeuwen vooruit was en daar heeft men over het algemeen moeite mee.
sw: Akkoord, maar waar men ook moeite mee had, was het ogenschijnlijk hardvochtig verbreken van uw verloving met Regine Olsen in 1841. Dat vond men bepaald niet chique.
SK: We hadden vooraf afgesproken dat we niet over mevrouw Olsen zouden spreken. En als u er toch meer over wilt weten, verwijs ik u graag naar de duizenden commentaren die over mevrouw Olsen en mij zijn geschreven.
sw: Heeft u er geen spijt van?
SK: Ze heeft haar eigen pad gekozen, ze heeft een gelukkig leven geleid en ze is mij nooit vergeten. Ik verbrak de verloving inderdaad, maar ik heb me voor eeuwig met haar verbonden in mijn denken en schrijven. Daar laat ik het bij.
sw: Zijn er dingen waar u spijt van heeft?
SK: Ik heb altijd geleefd voor dat ene idee. Ik vond dat idee in het Christendom. En dan bedoel ik niet het christendom wat geclaimd is door een of andere kerk of systeem. Nee, ik bedoel mijn verhouding tot de God van Abraham, Isaak en Jacob die ik niet kan bewijzen. Daar ben ik altijd mee bezig geweest. Dat heeft me veel gekost, en het is de reden waarom mannen als Sartre en Heidegger mij zo weinig durfden te noemen in hun werk.
sw: Omdat het u uiteindelijk om het religieuze te doen was? Om die beroemde ‘sprong van geloof’?
SK: Wie zijn leven geeft voor het religieuze, weet dat hij veel op het spel zet. Maar ik had niet anders gewild. Wel zijn er vele momenten waarop ik nog wel eens terugkijk en denk: Søren, dat had je anders moeten inschatten.
sw: Kunt u een voorbeeld geven?
SK: Nou, voor de hand ligt de Korsaar-affaire. De Korsaar was een soort roddelblad waarover iedereen schande sprak, maar ondertussen werd het gretig gelezen. Met allerlei bekende Denen werd op een laffe manier de spot gedreven. Ik heb dat belangstellend aangezien, maar werd door vele mensen aangespoord er iets tegen te doen.
sw: En u liet zich verleiden?
SK: Nu ja, ik moet zeggen, ik hou wel van een goede polemiek. Eind 1845 schreef ik daarom onder een van mijn vele bekende pseudoniemen een messcherpe satire in de krant Het Vaderland. Als Frater Taciturnus daagde ik daarin de Korsaar uit om eens met mij de spot te drijven. Want ik had toch het idee dat ik als enige bekende Deen nog niet aan de beurt geweest was!
sw: En u kwam aan de beurt…
SK: En niet te zuinig. Jarenlang werd ik bespot in die krant. Het werd zelfs zo erg dat ik op een gegeven moment niet meer normaal over straat kon.
sw: Kreeg u geen steun van de mensen die u hadden aangespoord iets te ondernemen?
SK: Ach nee, die wisten allemaal plotseling nergens meer van. Maar dat had ik verwacht. Mensen zijn nu eenmaal niet geneigd de waarheid hardop te spreken als ze er gedonder mee kunnen krijgen.
sw: Dus deed u het voor hen.
SK: Zo kun je dat zien. Denk bijvoorbeeld ook maar eens aan een van mijn laatste en tevens felste projecten: die tegen de Deense staatskerk. Een kerk die het volk in slaap had weten te sukkelen, in plaats van in vuur en vlam te zetten voor zo iets wezenlijks als het geloof.
sw: U vroeg er letterlijk een ogenblik de aandacht voor.
SK: Juist. Zoals ik permanent de aandacht zal blijven vragen te denken voor jezelf. Ontstijg de anonieme massa, onderzoek de mogelijkheden van de vrijheid, ontdek de schone waarheid en leef bovenal voorwaarts.
sw: Ik denk dat we ons geen betere boodschap kunnen wensen voor deze hedendaagse tijd. Ik dank u hartelijk voor uw tijd en iets zegt me dat uw denken ook de komende jaren niet verstilt.
SK: Geen dank. Ik ben blij dat ik mij telkens weer voor een nieuwe generatie mag herhalen. En wellicht ontmoeten we elkaar weer in 2055. Wie weet, wie weet…

Geraadpleegde bronnen:
Lowrie, Walter (1959). Het leven van Kierkegaard.
Thulstrup, Niels (1980). Kierkegaard’s relation to Hegel.
Polet, Cora (1991). Søren Kierkegaard: Dagboeken.
Garff, Joakim (2005). Søren Kierkegaard: A Biography.
Cox, Gary (2008). The Sartre dictionary.
Hong, Howard and Edna (2009). Kierkegaard’s Writings, XIII: The “Corsair Affair” and Articles Related to the Writings.

Dit artikel werd gepubliceerd voor 8Weekly. Zie voor speciale versie inclusief informatieve links:
200 jaar Kierkegaard: een kennismaking met een enkeling

 

Waarom het koningslied een fiasco werd: Vier misvattingen en vier lessen in kaart

‘You have created a Monster and he will destroy you.’
‘Patience, patience. I believe in this Monster, as you call it. And if you don’t, well, you must leave me alone. So far, he’s been kept in complete darkness. Wait till I bring him into the light.’

Met het terugtrekken van het Koningslied door componist John Ewbank als gevolg van een ewbankrun, is er een apotheose bereikt in iets wat een feestelijke samenzang had moeten worden op 30 april tijdens de abdicatie. In plaats van een collectief meezingen kwam er een collectieve klaagzang.

In deze bijdrage een analyse over de belangrijkste bijzaak van het moment. Waar ging het fout en wat zijn de lessen voor een volgende keer?

1.      We laten het volk meedenken, dan is het een lied voor het volk

Het hele volk was uitgenodigd om mee te schrijven aan de tekst van het Koningslied. Dit is ook wel bekend onder de foeilelijke term crowdsourcing. Talloze spinsels werden aldus aangeleverd, op grond waarvan een uiteindelijke tekst werd opgesteld. Zo kwam het woord “stamppot” bijvoorbeeld merkwaardig vaak voor in de 3300 inzendingen en dus werd daar maar een zin omheen gebouwd.

Had Ewbank even aan Mary Shelley’s roman Frankenstein gedacht dan had hij een klassieke les herinnerd. Victor Frankensteins droom om levenloos materiaal tot leven te brengen door onderdelen van diverse lijken te combineren tot één nieuw wezen eindigde namelijk in grote ontzetting. In plaats van een vriend van grote schoonheid, schiep Victor een monster. Met het Koningslied heeft Ewbank zichzelf gekroond als de Victor Frankenstein van de 21e eeuw: met grote geestdrift gewerkt aan een creatie van esthetische diepte, maar met het ontwaken van het lied tot eigen schrik ontdekt een gedrocht te hebben gecreëerd. Maar toen was het kwaad al geschied…

Les 1: probeer uit levenloze samenraapsels nooit een nieuwe entiteit te scheppen.

2.      Sociale media? Het zal wel meevallen!

Zoals ik al eerder aangegeven heb is een sociaal medium een potentieel monster. Oncontroleerbaar, onbeheersbaar en tot alles in staat. Het lag in de lijn der verwachting dat er een ontzettende storm zou gaan waaien omtrent het lanceren van dit lied op internet. Enerzijds omdat het lied zelf natuurlijk groots werd gepresenteerd, maar belangrijker anderzijds omdat het daadwerkelijk ook als iets ‘nationaals’ werd opgedrongen: dit is het lied dat wij Nederlanders presenteren. Het gevolg was dat werkelijk iedereen zich aangesproken voelde. En de beste hedendaagse manier om een gevoel te uiten is juist: gebruik te maken van een sociaal medium.

De tendens die vervolgens ontstond was in beginsel vaak positief verontwaardigd en geestig van opzet. Vanuit deze spottende insteek breidde het commentaar zich toen razendsnel uit en werd het steeds negatiever. Dat effect kennen we uit de communicatiewetenschappen en staat bekend als het zwijgspiraaleffect. Omdat mensen vooral afgaan op hun gevoelens en voortdurend bezig zijn met de status van hun digitale reputatie, zijn ze geneigd zich te conformeren aan populaire heersende opvattingen met als gevolg dat andere (tegen)opvattingen verstillen.

De sociale media moedigen afwijkende meningen niet aan, met als gevolg dat ook de traditionele media het heersende geluid overnamen, zodat uiteindelijk in alle media een zelfde beeld naar voren kwam: dit lied lijkt nergens op en is een grote schande!

Les 2: Begrijp hoe sociale media werken en presenteer nooit iets namens ‘De Nederlander’! Dat die overigens helemaal niet bestaat, weten we al van Máxima en van Wittgenstein, maar dat terzijde.

3.      Als alle schakels zwak zijn, valt de zwakste schakel niet op

Op zich een interessante gedachte, en ook juist in zijn redenering. Wat men echter vergeet is dat weliswaar de zwakste schakel niet opvalt, maar daardoor het geheel des te meer.

Want ondanks de theorie van de zwijgspiraal, zijn er wel degelijk goede argumenten te geven waarom dit niet zo’n geweldige productie is, waardoor de kritiek in beginsel is gerechtvaardigd. Alom bekend, toch even samengevat:

1. Voortekenen negeren
– Wel of geen plagiaat? Wel of geen christelijke praisesong? De voedingsbodem van het negatieve sentiment was daar al gelegd.
2. De toon van het lied infantiliseren
– Alsof een klein kind voor het eerst naar school mag.
3. Een melodie schrijven die laat denken aan een scène uit Walt Disney’s Belle en het Beest
– Niet leuk voor de koning hem te vergelijken met een beest.
4. De koning aanspreken met “je”
– Dat hoort natuurlijk niet in tijden van “respect”.
5. Taalkundig niet je best doen
– Met als gevolg alle docenten Nederlands boos.
6. Een “rap” erin stoppen om het 2013-proof te maken
– Daar trappen jongeren niet in.
7. Iedereen tevreden willen houden
– Daar trapt niemand in.

Les 3: Polderen is leuk voor politici, maar als er een topprestatie moet worden geleverd, laat men het beter achterwege.

4. Ik word beledigd, dus ik trek het lied terug

Het is de vraag of het daadwerkelijk fout is het lied ‘van het volk’ terug te trekken, of het kan en wat het eigenlijk precies betekent. De overige drie lessen zijn duidelijk, maar deze les moet nog worden geleerd. Wat wel ondeugdelijk is, is de reden voor het terugtrekken van het lied. Het terugtrekken is namelijk ingegeven door de aanhoudende beledigende opmerkingen aan het persoonlijke adres van Ewbank en niet op basis van kritiek die inhoudelijk is geleverd op zijn compositie. Dat is natuurlijk de verkeerde reden om iets terug te trekken. Immers, wie eenmaal zwicht voor datgene wat hij veracht, maakt datgene wat hij veracht sterker.

Het levert wel een bepaalde mate van sympathie op, omdat mensen begrijpen dat iemand bezweken is onder grove beledigingen. Zo wordt de angel uit het negatief sentiment gehaald en de zwijgspiraal enigszins doorbroken dankzij een beroep op medelijden. Het is goed ruim een week voor een feest tot besef te komen dat er nog altijd mensen achter een lied zitten. Toch was het misschien verstandiger geweest om niet aan te geven dat de macht van de pester, de populist of de opruier heeft gezegevierd, maar de macht van de verstandige criticus. Al doet Ewbank het met ironie, een lied terugtrekken omdat er goede redenen zijn aangedragen waarom het misschien niet zo goed is, was een volwassen gebaar geweest. Nu lijkt het meer op een gebaar van een verwend kind dat weer snel terug wil naar zijn geroemde leven. Maar helaas, Ewbank heeft auditie gedaan voor de volksjury en werd, gelijk aan hoe het volk het heeft geleerd uit Idols en X-Factor, afgeserveerd.

Les 4: Ik denk tenslotte weemoedig aan de woorden van Nietzsche, enigszins buiten context, maar toch: Was mich nicht umbringt, macht mich stärker…. We zullen zien hoe sterk precies op 30 april.

Hoe iemand herinnerd wordt om het stelen van een brood: Een overweging naar aanleiding van het overlijden van oud-bisschop Tiny Muskens

Hoe iemand herinnerd wordt om het stelen van een brood: Een overweging naar aanleiding van het overlijden van oud-bisschop Tiny Muskens

Met het overlijden van oud-bisschop Tiny Muskens op woensdag 17 april 2013 is Nederland een uiterst sociaal bewogen denker en doener kwijtgeraakt. In zijn actieve periode als bisschop wist hij meerdere malen het nieuws te halen, vaak met ogenschijnlijk provocerende maar wezenlijk zeer eenvoudige filosofische redeneringen. Hoe eenvoudig ook, het gewicht van een functie maken de meest eenvoudige stellingen topzwaar.

Een van zijn redeneringen die ik met eigen inzichten heb overgenomen, en waarvan ik mij weer bewust werd, was dat het gebruik van anticonceptie onder een religieus katholieke vlag geen principieel bezwaar hoeft te zijn, mits men de liefde niet vergeet en er “erger” door wordt voorkomen (ziektes, ongewenste kinderen, kinderen die men niet kan onderhouden, etc.). Het is in ieder geval een argumentatie die ik sinds ik er kennis van nam, altijd achter de hand heb in discussie met mensen die oprecht geïnteresseerd zijn in klassieke katholieke dogma’s en vraagstukken omtrent in dit geval seksualiteit. In het verlengde van deze utilitaristische “een klein kwaad is toegestaan indien een groot kwaad wordt voorkomen”-stelling kunnen we ook zijn meest beruchte ‘opvatting’ plaatsen. In het VPRO-programma Veldpost (1990-1999), waarin de makers schetsten hoe sociaal zwakkeren trachtten te overleven in een afbrokkelende welvaartsstaat, liet hij zich in oktober 1996 ontvallen dat iemand die zo arm is dat hij geen eten meer kan kopen, of zelfs zijn kinderen niet meer te eten kan geven, gerechtvaardigd is een brood te stelen bij de bakker. Hij vervolgt letterlijk: ‘Er zijn hogere waarden dan alleen wat in de wet staat. Het leven is sterker dan de wet.’ Daarmee is uiteraard niet gezegd dat de wet niet geldt (denk aan Paulus in Romeinen 13:1-7), maar wel dat het stelen van een brood onder die extreme omstandigheden van armoede in ieder geval geen zonde is in de ogen van God.

Aanleiding voor aanhoudende overweging
Wat kunnen we hierbij opmerken? De eerste plaats de vraag, of de Nederlandse wetgeving het leven (of het moreel goed leven) in bepaalde gevallen in de weg staat. Veronderstellen wij niet intuïtief dat de wet juist voor het (morele) leven bedoeld is? Anders gezegd, dat de wet dus in dienst behoort te staan voor het leven? De opmerking over het stelen van het brood is dus ook geen aanklacht tegen de wet op zich, maar een constatering dat de wet op het punt van armoedebestrijding te kort schiet. Het gaat er wezenlijk niet om dat iemand een brood steelt, maar dat hij een brood moet stelen. De uitspraak is dus ook niet primair een appel voor stelen, maar een constatering dat de wet klaarblijkelijk onvoldoende de sociale grondrechten waarborgt, of dat de overheid zich onvoldoende inspant in sociale rechten te voorzien. Gelet op de toenemende ‘verarmoeding’ een actuele discussie en een blijvend terugkerend thema dat onze overweging waard is.

Men kan opperen dat de wet nooit 100% kan voorzien. Dan komt de vraag op: hoe moet ik handelen wanneer ik geen beroep kan doen op de wet? Ook hier dringt zich intuïtief het idee aan ons op dat in onze samenleving ‘niemand in armoede hoeft te leven’. Anders gezegd, bestaat in onze samenleving daadwerkelijk de mogelijkheid dat we geen beroep kunnen doen op de wet, wanneer wij in nood zijn? Is armoede dan een keuze? Indien ja: dan is het stelen niet te verantwoorden omdat er klaarblijkelijk alternatieven voorhanden zijn. Of is het zo dat de mogelijkheden die de wet biedt niet worden gezien (een vaak gehoord liberaal argument)?

Er is echter nog iets anders: los van de wet, zegt het stelen ook iets over de samenleving. Iemand die iets steelt en dat niet doet vanuit boze opzet, maar klaarblijkelijk vanuit noodzaak (vanuit het idee dat het de laatste mogelijkheid is -terecht of niet), is ook door allerlei sociale vangnetten gevallen. Er is dan geen medemens in staat geweest te zeggen: ‘ik zie dat je zo armoedig bent dat je zelfs geen eten meer kunt kopen, ik ga je helpen!’ In dat opzicht kunnen we de opmerking van Muskens ook als een sociale kritiek zien: ‘zie beter naar je medemens om!’

Maar dan ontstaat het volgende probleem. Blijft het dan niet heel moeilijk voor te stellen dat aan het einde van een bepaalde keten, stelen de allerlaatste oplossing is? Het lijkt er eerder op dat, zoals ik juist zei, indien het de laatste oplossing voor iemand blijkt, hij mogelijke oplossingen over het hoofd heeft gezien. Is het daarom niet beter te zeggen: ‘als je zo arm bent dat je zelfs je kinderen niet meer te eten kunt geven, ga dan naar de kerk-wij zullen je helpen’. Heeft Muskens hier die mogelijkheid miskend, door het stelen te opperen? Of veronderstelt deze ultieme mogelijkheid juist dat Muskens begreep dat iemand die de uitgestoken hand van de kerk heeft gemist, zich dan gesteld ziet voor de laatste oplossing: stelen (en dat vanuit religieus oogpunt met een schoon geweten kan doen). Maar: Kunnen we willen dat iemand die vanuit ‘nood’ een brood steelt gestraft wordt? Wellicht straffen we hem dan niet omdat hij gestolen heeft, maar omdat hij niet naar andere mogelijkheden heeft gezocht. Maar als hij dit echt oprecht als laatste mogelijkheid zag?

Toch, ik geloof dat Muskens zeker in zou stemmen met het volgende appel bij wijze van paradigma-verschuiving: niet stelen is de ultieme oplossing in geval van absolute armoede, maar het opzoeken van de barmhartigheid van de kerk. Met dat paradigma had hij echter nooit het probleem van de armoede daadwerkelijk groots op de politieke kaart gekregen, zoals dit nu wel het geval was. We moeten dan ook zeker begrijpen dat soms alleen politiek incorrecte uitspraken de politiek in beweging kunnen brengen.

Wat we tenslotte niet moet vergeten is dat hoewel er wordt gesproken van ‘stelen’, er vanuit religieus oogpunt nog geen sprake is van diefstal. Dat lijkt paradoxaal, maar is te volgen. Zo leert de Katholieke Kerk namelijk  wanneer iemand zich bevindt in ‘een dwingende en klaarblijkelijke noodtoestand, waarbij het enige middel om te voorzien in onmiddellijke en essentiële behoeften (voedsel, kleding, huisvesting) erin bestaat te beschikken over en gebruik te maken van de goederen van derden’ het dus (religieus) is gerechtvaardigd toe te eigenen wat hem niet toebehoort. Deze opvatting doorstaat niet bepaald de proef van de categorische imperatief (of wel?), waarmee het dan de vraag is of het ons daadwerkelijk onredelijk voorkomt. De spanning zit in ieder geval in de discrepantie tussen de religieuze morele stelling en de maatschappelijke aanvaarding van de wet. Stelen uit nood is geen zonde, maar nog wel strafbaar.

Aan het einde van deze korte overdenking, is het duidelijk dat de eenvoudige stelling van Muskens niets aan kracht heeft ingeboet. En het is aan ons om er de goede vruchten van te plukken. Want dat Muskens uiteindelijk zaaide opdat er goede vruchten konden worden geplukt, is iets wat in ieder geval wel een zekerheid is.

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2020 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"