Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Een eerste en laatste blik op Voetbal International

Het zal niet meevallen om een artikel te schrijven over een televisieprogramma dat in de loop der jaren honderdduizenden reacties, opmerkingen en discussies heeft gegenereerd. Het is alsof ik iets ga schrijven over Zwarte Piet en Negerzoenen. Maar als liefhebber van het eerste uur met zeker zo’n 1250 geïnvesteerde kijkuren, wat overeenkomt met 52 dagen achter elkaar kijken, is het minstens de hoogste tijd er iets over te zeggen. Het gaat hier over niets minder dan Voetbal International. Dat programma begint overigens voor mij al bij Sport aan tafel uit 1999, dat opgevolgd werd door Voetbal Insite, waar het huidige VI uit is voortgekomen. Ik moet als eerste denken aan de oude Hugo Camps, onderdeel van de nostalgie uit de vorige eeuw. Hij schijnt zijn dichterlijke wijsheden over voetbal nog steeds rond te strooien, maar ik heb hem op de Nederlandse televisie al lang niet meer gesignaleerd. Nee, het programma zoals de meesten het kennen is Wilfred Genee, René Van der Gijp en Johan Derksen, met een vleugje Hans Kraaij Jr. en Jan Boskamp.

Zwakte: Herhaling I
Het voornaamste wat opvalt aan het programma dat voor televisiebegrippen een lange geschiedenis kent, is de ‘herhaling’. Er lijkt geen rem te zitten op het aantal malen dat bijvoorbeeld een fragment wordt getoond van een vallende Sepp Blatter, een juichende Louis van Gaal of een vloekende Huub Stevens. Zelfs wanneer het aanwezige publiek al lang niet meer glimlacht of gniffelt om het fragment, wordt het gerust nog een keer getoond. En nog een keer. En nog een keer. Het gênante zit er in voor de kijker die zichzelf al schuddend in zijn Dronken oomhoofd hoort zeggen ‘oh jongens, niet weer!’, dat de hoofdrolspelers het zelf niet in de gaten lijken te hebben, of dat er niemand is die achteraf een keer zegt: ‘Zullen we eens stoppen met die verwijzingen naar (…), het slaat echt helemaal dood. De mensen weten het nu wel, het is niet grappig meer- het is een zwaktebod, wat willen we er eigenlijk mee?’.

Het is inderdaad even ongelukkig als een oom die op een bruiloft weer eenzelfde schuine grap vertelt, en iedereen het maar aanhoort, omdat niemand de moeite wil of durft te nemen hem er op aan te spreken dat het niet zo geslaagd is: te pijnlijk. Een duidelijk geval van een pijnlijke scene laten uitsterven in plaats van het te benoemen en daarmee het pijnlijke uit te vergroten.

Zwakte: Herhaling II
Naast de herhaling van fragmenten zijn er de permanente verwijzingen naar een met een jasje gooiende Hans Kraaij, een paaldansclub bezoekende René Van der Gijp, een vretende Jan Boskamp of een geföhnde Wilfred Genee. Die dragen niet alleen sterk bij aan de karikaturisering van het programma, maar zorgt er ook voor dat kijker meer en meer afstand neemt van de personages. Want een kijker houdt van uitgesproken mensen, maar niet van karikaturen. Want wie een programma vaak kijkt, moet wel voor zichzelf kunnen uitleggen waarom hij dat dan doet. Meestal is dat omdat men zich kan identificeren met opvattingen en meningen. Of dat men de discussies interessant vindt over voetbal. Juist wanneer men het er niet altijd mee eens is.

Als er dan telkens een karikatuur van bijvoorbeeld ‘de vrouw’ wordt gemaakt, gemotiveerd vanuit het feit ‘dat mannen in voetbalkantines nu eenmaal zo spreken’ zonder dat dit ook voldoende wordt gerelativeerd, dan is dat ongemakkelijk, maar bij herhaling ook een bron van ergernis. Ongecontroleerde herhaling zorgt dat een vooroordeel ontdaan wordt van ironie en het meer ernst wordt. En ik kan me niet voorstellen dat iemand die in een voetbalkantine iedere keer weer spreekt over ‘wijven’ en ‘paaldansclubs’ niet eens tot de orde geroepen wordt, of niet met een diepe zucht aangehoord wordt. Om met Pascal te spreken: ‘wie zou zo iemand uiteindelijk als vriend willen hebben?’ Ja, misschien iemand die zelf zo oppervlakkig uit de hoek komt waarschijnlijk.

Zwakte: Herhaling III
Het is nu juist de fuik van de herhaling die het programma in het zware weer herhaling...heeft gebracht waar het zich nu in bevindt. Los van de herhaling van fragmenten en telkens uitvergroten van bepaalde eigenschappen, zijn met name de opvattingen rondom het voetbal zelf de bron van grotere kritiek dan het programma ooit heeft gehad. Je ziet het in de tendens van reacties op fora en in de media: wat ooit als sarcastisch en scherp werd gewaardeerd, wordt nu als negatief en zuur aangemerkt.

Waar er geen rem is op het uitvergroten van eigenschappen of het tonen van fragmentjes, is er ook geen rem meer op de kritiek op de persoon Van Gaal. Johan Derksen heeft zo vaak hetzelfde gezegd, dat het ook hier weer verbazingwekkend is dat het hem zelf niet meer opvalt hoezeer hij in herhaling valt. Ik wacht telkens op het moment dat het publiek in de zaal zich ook gaat roeren, maar dat blijft tot nu toe uit. De strekking ‘op de coach Van Gaal heb ik niets aan te merken’ wordt dan altijd gevolgd door iets als ‘maar als mens vind ik het een vreselijke vent’. En dat dag in dag uit. Het woord ‘stemverheffing’ kwam op enig moment in mijn dromen terug, zo vaak had ik het gehoord. Een keer heb ik Genee horen zeggen ‘we kennen je mening inmiddels wel Johan’, wat Derksen zag als een verkapte censuur van de RTL-directie. Desondanks was het voor Genee geen reden het onderwerp Van Gaal in andere uitzendingen gewoon weer aan te halen, waar Derksen wederom kon stellen “als coach heb ik…”

Ik heb mezelf wel eens afgevraagd of ik het met Derksen eens zou kunnen zijn wat betreft Van Gaal. Maar hoe vaak ik hem ook heb horen uitleggen hoezeer hij walgt van de stemverheffing van Van Gaal, de shows na een behaald kampioenschap op een of ander plein (met name dit fragment; maar denk het Duits in het Engels en je kunt er ook Martin Luther King in zien!) of de betutteling van een of andere speler: het laat me vrij koud. En waarom? Omdat het volstrekt ongevaarlijk is. Het is gek, karakteristiek, uit de toon en zeker soms gênant en over de top, maar ongevaarlijk en onschuldig. En vooral: het werkt op de een of andere manier. Net als VI zelf. En dat maakt het zo vreemd. Het programma bestaat juist dankzij kleurrijke figuren.

En bovendien, een programma dat zo vaak een fragment herhaalt van een huilende Toine van Peperstraten, waarmee de man tot in lengte van dagen zal worden geassocieerd, is minstens zo kwalijk als iemand wegzetten als een imitatie-Mussolini. Maar het stelselmatig belachelijk maken van karakters is klaarblijkelijk iets dat wel goed door de beugel kan als gedraging. Waarschijnlijk wordt dat dan verkocht als ‘ik mag mijn mening hebben’, waarmee het cliché-argument uit de kast is getrokken om nog kritiek te hebben over die herhaalde mening. Of het ‘wij maken satire’-argument wordt van stal gehaald wanneer men aanvoelt dat er grenzen van goed fatsoen zijn overschreden. Met vervolgens een klein beetje zelfspot wordt dan de scheve schaats bedekt: het is eigenlijk al jaren dezelfde formule.

Maar ook Derksen kent heus wel de destructieve kracht van TV. In dat opzicht is de stelselmatige negatieve benadering van het karakter van de mens Van Gaal evenzeer een vorm van volksmennerij als dat Derksen Van Gaal verwijt, behalve dan dat er een miljoen mensen achter de buis zit in plaats van op een plein staat. En gelukkig kunnen we ook hier zelfstandig denken en dringt uiteindelijk niemand ons een mening of een gedraging op.

Vergis je niet. Ik schrijf dit allemaal neer, juist omdat ik een fan ben van het eerste uur. Ik wil graag dat het zo goed vergaat. Maar de vraag is hoe lang de zelfspot nog werkt, voordat het programma definitief niet meer door het grotere publiek wordt omarmd.  De laatste spanningen die rondom het programma heersen zijn niet de eerste en waarschijnlijk niet de laatste, maar het zegt genoeg dat mannen die elkaar wekelijks moeten aanzien en aanhoren, via de media een polemiek uitvechten (zie de column van Johan Derksen). Daarbij is het niet relevant dat dit de kijkcijfers goed zou doen, want voor de geoefende kijkers is het overduidelijk dat de lol er echt wel even af is. En dan werkt ironie niet meer goed: dat is dan eerder ongemakkelijk dan verfrissend.

Kracht: authenticiteit
Maar uiteindelijk is dat de absolute uniek kracht van het programma: je denkt te kijken naar karikaturen, maar daaronder zit een bijzondere laag authentieke menselijkheid. En die wordt ontbloot wanneer het masker van de karikatuur door onderlinge spanningen of ergernis niet meer kan worden gedragen. Dat geeft het programma een unieke herkenbaarheid en brengt televisie echt heel dichtbij. Dat is niet zomaar een geoefend kunstje.

Dan zit je met het zweet in de handen als de grappenmaker Hans Kraaij eens echt even laat zien wat hij voelt of de brave Hans van Breukelen in een steeds scherper wordende woordenwisseling komt met Johan Derksen. Ook de werkelijke ergernissen tussen Genee en Derksen zijn inmiddels een bekend terugkerend onderdeel van het programma. En vrijwel altijd waren de ruzies gerelateerd aan voetbal. Tot nu. Want natuurlijk zit het programma niet voor het eerst in zwaar weer, maar met de naar buiten gebrachte verhalen van afgelopen dagen is het volgens mij wel de eerste keer dat we zien dat de spanningen tussen Van der Gijp en Derksen dieper liggen dan een verschil van mening over voetbal, tactiek, een te grote voorliefde voor Ajax of een suggestief aangehaalde bron binnen het wereldje. Dit is écht persoonlijk en tussen die twee had ik dit ook niet aanzien komen. En ga dan met goed fatsoen iedere week bij iemand aan tafel zitten. Dat neigt heel erg naar hypocrisie – en daar is geen masker tegen bestand, zonder dat het publiek het merkt.

Of de mannen hier uiteindelijk over heen kunnen stappen, en weer de weg vinden naar gezonde ironie, gedoseerde zelfspot en zeker niet te vergeten aanstekelijke opmerkingen over de voetbalsport, is uiteindelijk helemaal niet relevant. Ieder programma kent zijn einde. En misschien aanschouwen we hier het begin van het einde, en zullen we dat achteraf allemaal zeggen: ‘ja, toen doofde het licht van dat concept een beetje.’ Het absolute succes houdt een keer op. Iedere dag wekenlang op de buis is ook wat teveel. Dat kan eens tegen gaan zitten. Wanneer het anderen slecht gaat, vergaat het analisten en columnisten goed. Dat is nu dus even wennen, omdat het Nederlands elftal tegen de verwachtingen zo goed presteert. Maar ik haak absoluut niet af: ze laten nog steeds iets bijzonders zien. Nog steeds kijk ik met veel plezier, al is dat met het verstand op nul en doof voor de herhaling. Gelukkig zal er zolang er voetbal is, over gesproken worden. Het is te hopen dat we nog een paar laatste mooie kunsten zien van deze mannen, zoals een voetballer op leeftijd toch net nog dat ene passje  uit zijn tenen weet te halen. Maar hoe het ook verder gaat, VI heeft het voetbalpraatprogramma nu al een ereplek in de geschiedenis meegegeven.

D66 – Of het onkruid van het elitepopulisme

Door A.A. Baumgarten
Politiek polemicus
-met permissie overgenomen-

D66 – Of het onkruid van het elitepopulisme
Een handreiking voor alle verkiezingen

Dat de naam D66 tegenwoordig verwijst naar het percentage mensen dat niets geeft om Europa of politiek in zijn algemeenheid geeft te denken. Het is sowieso de hoogste tijd om alle euforie rondom D66 wat te temperen. Want nu de partij hier en daar wat gewonnen heeft, begint ze meer praatjes en aandacht te krijgen dan goed voor haar is.

Ik ben individualismeDe radicaal vrijzinnige ideeën die meegenomen zijn uit antieke jaren 60 van de vorige eeuw en tegenwoordig verkocht worden als links-liberalisme zijn in feite niks meer dan elitepopulisme. Sommigen noemen het ook wel pragmatisme, maar dat is alleen maar een sjiek woord voor elitepopulisme. Buiten geld verdienen, het verheerlijken van het ikke-ikke-individualisme en het opdringerig verder seculariseren van de samenleving is er echter weinig meer wat de partij te bieden heeft.

Het is dan ook van wezenlijk belang te beseffen dat D66 niet als een ster aan de politieke hemel straalt omdat ze dankzij geweldige inzichten een serieus maatschappelijk draagveld heeft gecreëerd, nee, ze straalt omdat het politieke besef failliet is. Ze straalt omdat bij de provincie- en gemeenteraadsverkiezingen overwegend hoogopgeleide mensen gaan stemmen die nog enig benul hebben van de lokale en regionale belangen. Ze straalt omdat geen hond geïnteresseerd is in Europa buiten een aantal technocraten en bedrijfsbonzen waar D66 goed in de lobby zit. En landelijk beschouwd straalt ze vooral omdat ze nodig is als vaseline om die krakkemikkige coalitie tussen VVD en PvdA te helpen waar dat nodig is. Tel daarbij op de afwezigheid van een echte volkspartij en je hebt D66 met flink wat zeteltjes in peilingen en plaats.

En vanuit winst, ontstaat winst. Dat heet ook wel het feesteffect. Mensen vertellen liever op feestjes en partijtjes dat ze op een winnende partij gaan stemmen dan op een partij die er van langs krijgt overal – ergo de PvdA. En de groep die het meest gevoelig is voor het feesteffect, dat zijn nu de studenten. Dus die studentenbonus pakt D66 ook nog mee. Die ongelukkige studenten die maar wat graag onder de indruk zijn van het intellectuele gebabbel van Pechthold en iedereen die daar weer bij in de schaduw staat, om enkele dagen na de Europese verkiezingen -o toeval- wakker te worden en tot inzicht te komen dat met behulp van D66 de studiefinanciering de nek om is gedraaid. Maar dat heet dan moderne solidariteit. Mensen die studeren en daardoor uiteindelijk niet alleen navenant meer verantwoordelijkheid hebben en belasting betalen, mogen ook nog eens gaan betalen om meer belasting te mogen gaan betalen. Driewerf hoera voor D66 als de onderwijspartij! En als er ook maar één iemand is die gelooft dat de bezuinigingen op de studiefinanciering leidt tot meetbaar beter onderwijs, dan moeten we die als verloren beschouwen. Net als GroenLinks overigens, maar dat terzijde.

Omdat het politieke geheugen nog korter is dan dat van een goudvis, lijkt het alweer een eeuwigheid geleden dat D66 op sterven na dood was. Wie herinnert zich nog het fiasco Boris Dittrich? Of Lousewies “Ik wil zitten waar de macht zit” van der Laan die niet wist hoe snel ze het zinkende schip moest verlaten? Wie denkt nog aan al die lachwekkende democratische probeersels, zoals het correctief referendum nu het goed gaat met de partij? Of een Thom de Graaf die sneuvelde in de Kamer omwille van het mislukken van het gekozen burgemeesterschap om even later ongekozen op het burgemeesterspluche in Nijmegen te gaan plakken? Fuck principles! Natuurlijk heeft beroepspoliticus Alexander Pechthold D66 uit de modder getrokken van definitieve eliminatie, maar dan wel met een flinke helpende hand van collega Wilders die hem zowel de schep als de schoffel aanreikte. Pechthold hoefde toen nog slechts wat te harken en het tuintje bloeide als vanzelf.

Maar het is een kwestie van tijd voordat de kiezer opnieuw zal opmerken dat ook het onkruid welig tiert in de machtstuin van D66. Het is weer een kwestie van tijd voordat de man op straat zich begint af te vragen welk politiek pareltje hij aan D66 te danken heeft. Toen in 2006 op een partijcongres de vraag gesteld werd of D66 überhaupt nog bestaansrecht had, werd die tegen beter weten in met ‘ja’ beantwoord. Ik geloof dat men in 2019 dat niet meer tegen beter weten in zal doen.

Mag je je stervende partner verlaten?

Mag je je stervende partner verlaten?
Tussen moreel heldendom en realistisch falen

Enkele beschouwingen bij een ethisch handelen

Mag je je stervende partner verlaten

Fragment uit het AD

Vrijdag 30 mei verschijnt het boek Naupaka van Lideweij Bosman waarin ze probeert uit te leggen waarom ze haar stervende man Sander met wie ze dertien jaren samen was in de steek liet. Buiten een beperkt aantal nuanceringen wordt op sociale media geen spaan van deze vrouw heel gelaten. Veel reacties concentreren zich op de promotie van het boek (moet je op deze manier een boek willen verkopen) en natuurlijk op het verlaten van haar man zelf. Twee weken voor zijn dood vertrok ze namelijk naar Hawaï en kwam ze ondanks zijn verzoek toen hij wist dat hij ging sterven niet terug.

Hoewel we wat betreft de inhoudelijke verantwoording het boek zelf moeten afwachten, staat ons niets in de weg om de titelvraag nader te bespreken in het licht van haar opmerkingen en verantwoording in diverse media. Toegegeven: op basis van het relaas dat ze geeft in onder andere het Algemeen Dagblad, komt ze niet onder een stringent egoïsme uit. Het is dan ook de vraag of daar überhaupt aan te ontsnappen is en of we een manier kunnen vinden om dit toch te begrijpen.

‘Heeft u een wegwijzer wel eens de weg zien gaan die hij wijst’?
Alvorens we nader ingaan op de moeilijkheden die samenhangen met de vraag, is het van belang te begrijpen dat een theoretische beschouwing ten aanzien van een praktische moraal twee wezenlijk verschillende zaken zijn. Veel (vluchtige sociale media-) kritiek die wordt geleverd op een praktisch handelen, veronderstelt dat we in een soortgelijke situatie zelf naar onze kritiek zouden handelen (‘practice what you preach’). Maar het probleem is echter dat we de soortgelijke situatie alleen maar theoretisch kunnen beantwoorden. Met andere woorden, weten we ook daadwerkelijk of wij wanneer onze geliefde jarenlang aftakelt door kanker in staat zijn om hem of haar niet te verlaten?

We zijn waarschijnlijk terecht geneigd om te denken dat we moeten handelen naar onze ethische opvattingen, maar dat is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Ik geloof namelijk dat het wezenlijk onmogelijk is ons voor te stellen hoe wij precies zullen handelen in zeer complexe sociaal-emotionele situaties.

Desondanks betekent dit niet dat we niet beschouwend of kritisch mogen zijn op iemand die er volgens ons een bedenkelijke praktische moraal op na houdt. Daarbij is echter een voorbehoud op zijn plaats waarbij we ons in ieder geval ervan moeten overtuigen dat iemand daadwerkelijk kan bezwijken onder een ethische eis (in dit geval: “een stervende geliefde laat je nooit achter”). Dit zal ook een kern blijken van mijn stellingname ten aanzien van de vraag:

Mag je je stervende partner verlaten?
Het betreft hier een normatief ethische vraagstelling, die anders gezegd vraagt of het goed is om een stervend iemand achter te laten. Ik ga ervan uit dat we geneigd zijn om op voorhand in te stemmen met de stelling ‘het is beter om een geliefde nabij te zijn wanneer hij sterft, dan om hem te verlaten’. Over waarom deze stelling (mij) vanzelfsprekend lijkt, ga ik hier niet nader in. Mocht de stelling voor de lezer niet als vanzelfsprekend worden opgevat op voorhand, dan verneem ik daarover graag een uiteenzetting.

Wanneer iemand er nu voor kiest om een stervende geliefde achter te laten, ontstaan er op basis van bovenstaande stelling relevante vragen. Is het denkbaar dat zo iets ook goed kan zijn? Is zo iets mogelijk te verantwoorden? Wanneer bijvoorbeeld iemand zegt ‘ik heb mijn stervende moeder achtergelaten terwijl ze naar me vroeg’, dan eisen wij intuïtief een zeer sterke verklaring. Het probleem is echter dat iedere mogelijk denkbare verklaring strandt in egoïsme, en we op grond van dat egoïsme nooit geneigd zullen zijn om die verantwoording te accepteren.

Wanneer er immers sprake is van een liefdevolle situatie en het de wens is van de stervende om hem of haar nabij te zijn (zoals in het geval van Lideweij Bosman) is het paradoxaal om geen gehoor te geven aan die wens en te kiezen voor jezelf. Een geliefde laat je juist in een beslissend ogenblik nooit in de steek is dan de redenering.

Bosman stelt in het AD: ‘Sander vond het ook niet leuk dat ik niet terugkwam, maar hij respecteerde mijn besluit. Hij wilde dat ik een nieuwe start maakte.’ Ongetwijfeld respecteerde hij haar besluit. Maar hij zou ook vredig willen sterven en juist vanuit altruïsme haar niet in zijn laatste uren willen confronteren met haar egoïsme. Niemand wil bovendien gekrenkt en verbitterd sterven. En wat betreft ‘een nieuwe start maken’, het is moeilijk voor te stellen dat het maken van een nieuwe start onverenigbaar is met het gehoor geven aan een wens van een stervende om nabij te zijn.

Dat Bosman gewag maakt van de immens grote (psychologische) druk die op haar lag en dat aanvoert als voornaamste reden van haar handelen, is voorstelbaar, maar niet per se begrijpelijk of acceptabel. Het gaat namelijk om één laatste moment. Er is misschien afscheid genomen van de relatie, maar dat is nog geen duidelijke reden om daarmee het laatste levende moment aan je voorbij te laten gaan. Het is inderdaad verschrikkelijk als door een ziekte je wordt meegesleurd door je grote liefde, en daar kun je en moet je op momenten afstand van nemen – maar in het laatste moment doet iemand afstand van het leven zelf. Dat zijn twee verschillende dingen die hier door elkaar lopen en het handelen van Bosman onbegrijpelijker maken.

Kunnen we accepteren dat iemand egoïstisch handelt?
Het lijkt mij onmogelijk dat Bosmans relaas ethisch verantwoord overeind kan blijven; dat moet ze ook niet proberen. Ik kan me ook niet voorstellen dat dat haar doel is, al heeft ze de schijn tegen. Als ze dat al doet lijkt me dat een vorm van cognitieve dissonantie.

Ze moet juist erkennen dat ze ethisch heeft gefaald. Want dat is uiteindelijk helemaal niet erg. Als we namelijk de volgende stelregel accepteren, wordt het duidelijk dat een persoon niet per se als moreel persoon moet worden afgeschreven. Want:

Iemand die egoïstisch handelt, doet dit niet per definitie omdat hij egoïstisch wil zijn.

Dat klinkt dan als volgt, als we een denkbeeldige Lideweij horen spreken: ‘Ik kon zijn wanhoop niet meer aanzien. Ik heb voor mezelf gekozen omdat ik die strenge ethische eis niet langer kon dragen. Ik zou hem hebben willen dragen, maar ik bleek er simpelweg niet toe in staat te zijn. Ik ben daar eerlijk over. Ik ben bezweken onder de verwachting die iemand van mij als mens zou mogen hebben. Ik had dat nooit gedacht en ik heb dat nooit voorzien. Toen iemand mij jaren geleden vroeg: ‘Zou jij je stervende geliefde ooit verlaten?’, antwoordde ik in alle oprechtheid: ‘natuurlijk niet!’ Maar ik was toen volkomen in balans. Ik kreeg  echter een enorme duw, en het bleek onmogelijk om mijn evenwicht te bewaren: ik moest vallen om weer terug te komen in evenwicht.’

Het is dus naar mijn opvatting mogelijk dat iemand ondanks de beste bedoelingen op voorhand, waarbij hij instemt met een ethische eis, in de praktijk ontdekt dat hij niet in staat is om deze te houden. Het is daarbij nog steeds de wens om uiteindelijk te voldoen aan de ethische eis, maar praktisch gezien is hij gewoon bezweken onder de verwachtingen die men van hem zou mogen hebben. In het geval van Bosman ben ik ervan overtuigd dat ze uiteindelijk haar gedrag niet wil willen of kan willen, en dat ze door de praktische ervaring nu beter opgewassen is tegen de ethische eisen die worden gesteld in de situatie waarin ze terecht is gekomen. Met andere woorden, wanneer zich dit in haar leven nog een keer voor zou doen (wat we haar niet gunnen), is ze inhoudelijk wel in staat praktisch te doen wat de theoretische eis verlangt (namelijk: een stervende geliefde niet te verlaten).

Ethisch heldendom is in onze maatschappij een uitgangspunt van de twitterende massa en begrippen als ‘onvoorwaardelijke liefde’ en ‘standvastige belofte’ worden daarin gebezigd alsof het eenvoudige zaken zijn. Daarmee is niet gezegd dat we niet ethisch moeten zijn, niet onze beloften in stand moeten houden of dat er geen morele plichten zijn. Integendeel. Een ethisch leven blijft op voorhand altijd een uitgangspunt en een streven. Wanneer iemand echter redelijkerwijs er alles aan gedaan heeft om ethisch te handelen, en dan toch is bezweken kan er weinig ruimte zijn voor verwijten. Wat dat aangaat moeten we er vertrouwen in koesteren dat wanneer het op leven en dood aankomt, geen mens werkelijk voor zichzelf wil kiezen.

Lees hier het artikel in het AD

Lees hier de blog van Sanders broer

Europa. Best onbelangrijk.

Een kleine handreiking voor verdere discussie

Wie kritisch wil zijn op Europa hoeft zich niet heel erg in te spannen om met steekhoudende argumenten te komen. De idioterie van het eenmaal per maand vergaderen in Straatsburg a € 200.000.000 per jaar. Het salaris van Europarlementariërs dat fijntjes wordt aangevuld met iets vaags als kantoorkosten. Onbekwame bestuurders in Brussel die Volendam de stront in trekken. Het rondpompen van landbouwsubsidies. Polen, Hongaren en Roemenen die al dan niet vrijwillig voor een paar euro via dubieuze constructies op de vrachtwagen zitten voor een Nederlands bedrijf. 28 landen (and counting) die zonder heldere dominante culturele verwantschap (het christendom?) het eens moeten worden over de gekste regels, nog los van de bureaucratische verhoudingen die werkelijk niet aan iemand zonder vwo 6-niveau goed zijn uit te leggen.

Daartegenover staat het eeuwige geroep van de eurofiel vermomd in een studentikoze D’66 outfit, dat we veel te danken hebben aan Europa. Dat we Europa economisch nodig hebben en dat we alleen met Europa internationaal een vuist kunnen maken tegen de grote boze buitenwereld.

Maar het is de kiezer om het even. Als het goed gaat, is hij niet geïnteresseerd in Europa en als het slecht gaat is het de schuld van Europa. In beide gevallen is er geen draagvlak voor Europese gedachten. Het gevolg is een structurele en wijdverbreide desinteresse, die tot uiting komt in een erbarmelijk opkomstpercentage van hooguit 37%. Een groot gedeelte van die 37% gaat overigens niet stemmen vanwege doordachte Europese opvattingen, maar vanwege respect voor ‘het democratische idee’. Maar wat heeft een opkomst van 37% te maken met democratie? Het is een wonder dat een dergelijk opkomstpercentage überhaupt legitieme gelding kan hebben, nog los van wat Sammy van Tuyll in de Volkskrant terecht opmerkte dat ‘er in feite geen Europees Parlement wordt gekozen, maar een verzameling nationale delegaties. Die groeperen zich dan weer in ‘Europese fracties’, die onderling zeer heterogeen zijn (…)”.

Het legitimiteitvraagstuk zal echter spoedig in de onderste laden belanden wanneer onze Europarlementariërs dadelijk zijn ‘gekozen’.  De chaos is namelijk inmiddels zo groot dat wil men iets aan legitimiteit gaan doen, het hele kaartenhuis in elkaar zal storten. En dan redeneert men ‘liever een kaartenhuis, dan een in elkaar gestort kaartenhuis.’

Maar als Europa echt het democratische Europa wil zijn, zoals het zich presenteert, dan is het onacceptabel dat gekozen mensen in heel Europa steunen op amper 40% van die Europese bevolking. Europa moet het quasi-democratische kaartenhuis in elkaar laten storten en het legitimiteitsvraagstuk permanent op de agenda plaatsten. Of men kiest voor een bestuurbare aristocratie (wat het nu ook is, maar dan onbestuurbaar, onoverzichtelijk en vermomd als democratie) of men kiest om de Unie in zijn werking eens een jaar op te schorten. Een wetenschappelijke verantwoorde European shut-down, waarbij bij alle meta-Europese regel- en bestuursorganen een jaar lang de stekker eruit gaat, om vervolgens via de landelijke politiek te evalueren wat er nu daadwerkelijk is gemist en waar we godzijdank van af zijn. Dat betekent niet dat landen geen overleg meer met elkaar voeren, maar dat betekent wel dat het hele bureaucratische systeem (van Commissie tot parlement) een pas op de plaats maakt. Weten we ook gelijk of de anti-Europese bromvliegen daadwerkelijk een punt hebben.

Tenslotte moet het bespreekbaar worden dat een gebrekkig functioneren van democratie gesanctioneerd kan worden. Er is over het algemeen een hardnekkige weerstand tegen een sanctionaire democratie: democratie mag namelijk niet worden afgedwongen. Maar waarom eigenlijk niet? Waarom liever een systeem in stand houden dat op steeds minder steun kan rekenen en geen duidelijk draagvlak heeft, dan voorwaarden koppelen aan de democratische grondslag? Stel bijvoorbeeld dat het opkomstpercentage van invloed is op de invloed van een land in Europa. Hoe meer mensen gaan stemmen, hoe meer voordelen dat in Europa oplevert. Zoals het aantal inwoners in een land op dit moment bepaalt hoeveel zetels er te verdelen zijn in het parlement, zo kan ook het opkomstpercentage een rol spelen in de machtsverhoudingen. Daarmee wordt nationale trots en democratisch besef een onderdeel van Europese verkiezingen. Geen interesse? Geen invloed. Welterusten. Democratie is niet vrijblijvend!

Iemand zal nu wel roepen dat dit allerlei realiteitsloze ideeën zijn die maar wat snel zijn neergeklad (dat valt overigens best mee, zelfs voor een column zit er toch nog wat tijd in), maar zoals het er nu aan toe gaat, is Europa alleen nog maar te redden met een radicaal en krankzinnig idee. Anders hebben we over vijf jaar weer precies dezelfde poppenkast en hetzelfde lage opkomstpercentage als nu het geval is, inclusief alle problemen van de eerste alinea. Daar schiet u niks mee op, en Europa zeker niet.

Willen wat ik niet wil: de filosofie vs Boko Harams bekeringsfundamentalisme

De islamitische groep Boko Haram beheerst al enige tijd het wereldnieuws met de ontvoering van 276 christelijke meisjes. Gisteren verscheen een video waarin we de meisjes in islamitische gewaden Arabische gebeden zien prevelen. Volgens ene Abubakar Shekau zouden alle christelijke meisjes zich bekeerd hebben tot de islam, waaraan hij nog toevoegde:

“Meisjes die zich niet bekeren, zullen we behandelen zoals de profeet dat doet, namelijk als ongelovigen die het niet verdienen om te worden vrijgelaten.”

Oftewel, we ontvoeren je, dreigen je te verkopen als seksslaaf op de markt, ontnemen je alle vrijheid – en dat onder dreiging van wapens. En warempel, een paar weken later zijn honderden meisjes bekeert tot een vorm van de islam.

Dan is het de vraag wat ons meer ergert: de onzin die zo iemand uitkraamt in volle overtuiging, of het feit dat dit 400 jaar na verlost te zijn van de middeleeuwen überhaupt nog voorkomt. Want gek genoeg werden soortgelijke argumenten geregeld in de middeleeuwen gebruikt om ketters te dwingen zich te bekeren tot het christendom. Dat dit zinloos is geweest en tot niets heeft geleid, is misschien wel het best gedocumenteerde verhaal van die tijd.

Iemand die een zeer belangrijk fundament heeft gelegd voor religieuze tolerantie is John Locke (1632 – 1704) met zijn in 1689 anoniem gepubliceerde Letters Concerning Toleration (Een brief over tolerantie, 2004, Damon). Hoewel voor Locke al door diverse filosofen aangetoond was dat geloven zich niet met dwang laat verenigen, liet Locke zien dat gewetensvrijheid ook godsdienstvrijheid veronderstelt. Zijn brief was een voorbode voor de moderne scheiding van kerk en staat, maar past in de kern in iedere hedendaagse discussie over vrijheid en geloof.

Locke in gesprek met de voorman van Boko Haram
Als we Locke nu denkbeeldig in gesprek laten gaan met Abubakar Shekau, dan spreekt Locke als volgt:

John Locke: ‘Mij wordt nergens duidelijk dat God aan mensen een autoriteit heeft toegekend waarmee ze hun medemensen kunnen dwingen om tot een vreemde religie over te gaan. Ieder mens is zelf verantwoordelijk voor zijn zielenheil. Het is volstrekt nutteloos om een geloofsovertuiging af te dwingen. Dwang brengt namelijk hypocrisie voort, geen geloof. Faith is no faith without sincere believing.’

‘Het heeft niet zoveel zin om een vrouw onder dreiging van een geweer te laten uitschreeuwen dat ze van u houdt (zelfs niet als ze dit in het Arabisch doet), terwijl ze toen dat geweer afwezig was u keer op keer vriendelijk heeft afgewezen. Het verbaast me dan nog meer dat u er vervolgens toch verheugd over bent dat ze heeft geroepen dat ze van u houdt. Het vereist toch zeer minimale intelligentie om in te zien dat men zichzelf dan op een clowneske manier voor de gek houdt!’

‘Denkt u verder niet dat een God er sowieso doorheen prikt als iemand zegt oprecht te geloven terwijl dat enkel beleden wordt om zo lichamelijke en geestelijke straffen te ontlopen? Lichamelijke en geestelijke straffen die u ze zojuist in het vooruitzicht heeft gesteld?’

‘Nee, wanneer iemand zich wil overgeven aan een bepaald dogma of een bepaalde eredienst, dan moet hij in het diepst van zijn ziel geloven dat dit dogma waar is en dat deze eredienst voor God aanvaard wordt als oprecht. Geen straf ter wereld kan de ziel ook maar in het minst van zo’n overtuiging doordrenken. Om een gezindheid van de ziel te veranderen is een licht nodig dat door geen enkele wereldse bedreiging bewerkstelligd kan worden!’

‘En daarbij: als het u niet om macht op aarde zou gaan -waar ik overigens niet van overtuigd ben-, waarom toont u dan geen enkel vertrouwen in de toorn of wijsheid van uw God? Als ik uw religie goed begrijp, dan straft uw God de ongelovigen uiteindelijk toch wel – dus vanwaar die drukte tegen ongevaarlijke meisjes?’

Abubakar Shekau: ‘Naïeve man! Zie je dit geweer? Ik eis dat je bekent dat bovenstaande argumenten van de duivel komen en het duivelse onderwijs dat je hebt genoten! En ik eis daarbij ook dat je dat oprecht meent. Anders schiet ik je overhoop, want ik geloof niet dat we als slaaf heel veel aan jou hebben.’

Locke: (…)

Iemand dwingen oprecht te zijn/ jezelf bewegen oprecht te zijn
John Locke doet er maar beter het zwijgen toe, maar gelukkig buigen ook hedendaagse filosofen zich nog steeds over het probleem hoe er een relatie kan zijn tussen dwang en oprechtheid. Misschien zit daar nog wat overredingskracht. In 1983 ontwikkelde Gregory S. Kavka een gedachte-experiment wat bekent staat als ‘The Toxin Puzzle’ (Analysis, 43 (1): 33–36). Het gaat ongeveer als volgt:

Een wat gekke miljardair geeft je een flesje met vergif. Wanneer je het drinkt, wordt je voor een dag erg ziek, maar het heeft geen blijvende gevolgen. De miljardair betaalt je een miljoen euro morgenochtend als je deze nacht van plan bent om het gif morgenmiddag te drinken.

Hij benadrukt dat je het gif niet hoeft te drinken om het geld te ontvangen; in feite zal het geld al op je bankrekening staan voor het tijdstip dat het op drinken aankomt, als het je lukt het gif te willen drinken. Het enige wat je hoeft te doen is van plan te zijn om middernacht het spul morgenmiddag te drinken. Je bent dus volkomen vrij om je gedachten te veranderen na het ontvangen van het geld en het gif te laten staan.

Dit lijkt op de puzzel die de arme meisjes in Nigeria voor zich zien. Kun je van plan zijn om het gif te drinken als je ook van plan bent om je geestesgesteldheid op een later tijdstip te wijzigen? Kun je van plan zijn om je te bekeren tot de islam, wanneer je weet dat zodra de dreiging weg is je weer overgaat tot het christendom of iets anders? Stel dat iemand van Boko zou zeggen: ‘als je vandaag van plan bent om je morgenavond te bekeren, dan laten we je morgen vroeg gaan.’ Zou dat dan werken?

Kavka stelt dat het onmogelijk is iets van plan te zijn wat men uiteindelijk niet zal doen. Een rationeel persoon zou immers weten dat het drinken van het gif niet in zijn voordeel is, dus hij weet al dat hij het daarom niet zal doen; hoe is het dan mogelijk het op dat moment te willen (voor het geld) en tegelijkertijd weten dat je het toch niet gaat doen (want het geld is er dan al)?

Het lijkt dus pech voor de meiden, dat ze in een dergelijke paradox belanden. Bovendien, en dat is een verschil: Boko verwacht dat je nooit je gedachten zult veranderen, en de bekering niet alleen uitspreekt, maar ook in vrijheid volhoud. Ze hebben immers voorgesteld je vrijheid terug te geven, zodra je oprecht bent in je bekering.

In Assure and Threaten (Ethics, Vol. 104, No. 4 (Jul., 1994), pp. 690-721) bespreekt de Canadese filosoof David Gauthier intensief de problematiek zoals hier opgeworpen, waarbij hij probeert Kavka’s puzzel te kraken (voor zover ik het begrijp) door te stellen dat je in plaats van één, twee intenties moet ontwikkelen: de eerste intentie die verwijst naar in ons geval het bekeren tot de islam, en de tweede intentie om niet op een later tijdstip je gedachten te veranderen. Dat zou op het moment zelf moeten werken.

Natuurlijk is oprechtheid niet goed te meten (en dat maakt de hele praktische zaak natuurlijk ridicuul), maar laten we aannemen dat dit mogelijk is, dan zouden volgens Gauthier als de meiden op deze manier beantwoorden aan het bekeringsprobleem de Boko’s moeten zien dat er sprake is van oprechtheid.

Maar stel dat de Boko’s niet voor één gat te vangen zijn en toevallig Gauthier hebben bestudeerd, en ze doorhebben wat er gebeurt: ‘wat jullie namelijk werkelijk gaan doen’, zo zeggen ze tegen de meisjes, ‘is van gedachten veranderen over je tweede intentie. De eerste intentie namelijk, dat je van plan bent om bekeerd te blijven tot de islam, die wordt gevolgd door de intentie daarover je gedachten niet te veranderen, wordt namelijk gevolgd door de opvatting dat je op een later tijdstip je gedachte kunt veranderen over je tweede intentie.’

‘Wat wij dus van je verlangen is een derde intentie: namelijk de intentie dat je niet je gedachten verandert over je tweede intentie en daarmee oprecht tot de islam bekeert blijft, anders komen we je weer halen. Dat laatste kun je als verstandig meisje nooit willen, dus het is in je eigen belang dat je je houdt aan je bekering.’

Dat laatste is een uiteindelijke oplossing die Gauthier ook lijkt aan te reiken, maar de goede verstaander zal ontdekken dat dit uiteindelijk een oneindig aantal intenties zou vergen. Met andere woorden: er is geen enkele mogelijkheid oprecht te geloven of te willen, wat je op enig later moment zonder dreiging of beloning nooit kunt willen. Er zit voor de meisjes dus niets anders op dan zich daadwerkelijk te bekeren, maar zoals we juist hebben gezien bij Locke is dat onder dwang schier onmogelijk – en komen ze bij hun vrijlating hoe dan ook in de verleiding de bekering op te heffen.

Want veronderstel tenslotte dat iemand een geweer tegen je hoofd houdt en zegt: ‘geloof dat de aarde plat is, anders verhandel ik je als slaaf!’, dan kunnen we dat wel voorwenden, maar we zouden dat toch niet werkelijk kunnen geloven, zelfs als ons leven ervan af zou hangen? Misschien kunnen we het ons niet voorstellen, omdat de concrete dreiging ontbreekt, maar als gedachte-experiment is er geen werkelijkheid waarin ik mij kan voorstellen dat ik onder dreiging zou kunnen geloven dat de aarde daadwerkelijk plat is. We lijken niet het vermogen te bezitten om met opzet iets te geloven, als dat van ons geëist wordt en we op goede gronden van het tegendeel overtuigd zijn.

Dat de hele bekeringsactie  van Boko Haram en alle dwaasheid eromheen dus vooral is gebaseerd op idiote opvattingen is wellicht voor eenieder met gezond verstand allang duidelijk, maar de filosofie wrijft het ze ook nog eens goed in. Daar hebben de meiden helaas niet zoveel aan – voor hun lot kunnen we slechts gedreven door oprechtheid hopen of bidden dat het ze goed mag gaan.

Vier Verwonderingen over Volkerts Vrijheid

Vier Verwonderingen over Volkerts Vrijheid
-Reflectie op een ogenblik-

Dat de moordenaar van Pim zijn gevangenis in Zwolle voor de ketenen van de samenleving heeft verruild, kan niemand zijn ontgaan. Ik kom naar aanleiding van deze ‘vrijlating van de eeuw’ tot vier verwonderingen.

Verwondering I: hoe is het om Volkert te zijn?
Dat lijkt een gedachte-nachtmerrie voor iemand die zich dat probeert voor te Leviathanstellen. Maar het lijkt me ook een nachtmerrie voor Volkert zelf. Volkert die iedere ochtend wakker wordt en ontdekt: ik ben Volkert. En dan is de grootste nachtmerrie de realiteit zelf. Dan wil je zelfs niet ontwaken uit je nachtmerrie.

Er wordt vaak opgemerkt dat hij hoogbegaafd is, zeer intelligent. Atheneum, Landbouwuniversiteit, Meester in de rechten – dat soort zaken. Het is mij dan ook een raadsel waarom hij nog niet definitief is bezweken onder zijn eigen zwakzinnige daad die hij pleegde bij zijn volle verstand. Eén van de zwaarste mentale straffen voor een werkelijk intelligent iemand is namelijk tot inzicht komen, dat je handelen gebaseerd was op volstrekte dwaasheid.

Volkert stapt onze samenleving binnen en ziet dat zijn handelen helemaal niets bewerkstelligd heeft. Hij beseft dat hij niets heeft begrepen van politiek en democratie. Hij moet erkennen dat Fortuyn niet eens bazelde over de multiculturele luchtballon, maar gewoon iets heeft benoemd via het vrije woord. Hij ziet dat de hele politieke rechterflank volgelopen is met veel grotere demagogen en brievenbuspissers dan hij zich had kunnen voorstellen.

De armen zijn arm, de rijken zijn rijk en de dieren doen er nog even weinig toe. Kortom: De Graaf die zat vast, wij dronken een glas, deden nog een plas en alles bleef zoals het was. Arme Volkert, zijn hele leventje in het teken van een zinloze handeling – wat een gruwelijk besef!

Tragische heldHet is mij sowieso een raadsel hoe iemand bestand kan zijn tegen een dergelijke psychologische druk en daarbij gezond kan blijven. Helpen 12 jaren van bezinning daarbij, of verdwaal je dan alleen maar verder in de krochten van je geest? Kun je alleen met cognitieve dissonantie overeind blijven? Of heeft hij al die tijd gedacht aan de mogelijkheid van vergeving? Is zijn geest nu wel in staat om contact te leggen met de échte werkelijkheid, en niet die sprookjesrealiteit waarin hij zichzelf als tragische held verplicht zag tot moorden? De zelfverklaarde tragische held die toen uitkraamde: ‘ik deed het voor de zwakkeren in onze samenleving!’

Verwondering II: Volkert aan het woord
Volkert verkoopt wanneer het mag zijn levensverhaal aan de hoogste bieders. De samenleving spreekt er schande van, maar al snel onthult hij: ‘al het geld dat ik verdien met mijn verhaal, schenk ik aan nabestaanden van zinloos geweld. Ik verwacht er niets voor terug. Ik hoop dat ze het geld willen aanvaarden…’

Hij spreekt over toen: ‘Ik weet wat me bezielde, maar ik weet niet waarom me kon bezielen wat me bezielde. Het was gewoon zo. Het was een samenraapsel van alle ideeën in mijn hoofd. En ja, ook mijn zogenoemde obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis heeft daarin een rol gespeeld.’

‘U moet begrijpen, iemand die er werkelijk van overtuigd is dat hij kan vliegen, springt zo van het dak af. Dat is voor hem volkomen logisch. Voor iemand die gelooft dat hij een kuikentje is, is niets gewoner dan dat. Het zijn juist alle anderen die het niet meer helder hebben.’ ‘Nu, ik was zogezegd dat kuikentje en ik kon écht vliegen. Had men mij toen aan een leugendetector gelegd en de vraag gesteld: ‘bent u een kuikentje?’ en ik had geantwoord met ‘Nee, natuurlijk niet gek!’, dan waren de meters rood uitgeslagen…’

‘Ik was iemand die te vuur en te zwaard zou kunnen verdedigen dat de aarde vierkant was. Ik geloofde daar heilig in. Elvis leefde en we zijn nooit op de maan geweest. Plaatst u mij terug in de tijd en ik verdedig het ten koste van jarenlange gevangenschap. Dan moet het toch wel een ware overtuiging zijn?’

‘Ik geloofde wat ik geloofde, en in alle oprechtheid en in alle eerlijkheid kan ik u zeggen: het was een vals geloof. Ik ben daarmee dus echt iemand anders dan 12 jaar geleden. Ik ben niet meer dezelfde persoon. In psychologische zin ben ik radicaal anders en ik spuug op de waanzinnige van 12 jaar geleden. Hij is dood voor mij. Het enige wat hij mij uiteindelijk gebracht heeft, is het inzicht dat hij niets te brengen had. Periissem nisi periissem.

‘Ik weet dat het verder onmogelijk is voor mij om er meer over te zeggen en er ook maar één iemand zou zijn die gelooft wat ik zeg. En iemand die wel waarde hecht aan mijn woorden, die zal als een naïeveling worden versleten. Misschien is dat de reden waarom ik beter zou moeten zwijgen, zoals ik al die tijd deed: ik kan simpelweg niet spreken.’

Verwondering III: De liefde! De liefde?
De vraag hoe het is om Volkert te zijn is al lastig voor te stellen, maar hoe het is om zijn vrouw te zijn of zijn dochter, is haast onmogelijk. Hoe kan het dat een man bij zinnen tot een gruwelijke daad komt, wanneer hij de liefde thuis heeft? Hoe kan het dat een man tot een gruwelijke daad komt, wanneer hij zojuist nog in de grote ogen heeft gekeken van zijn dochtertje van een half jaar oud? De theorie dat sociale bindingen mensen afhouden van plannen die een gevaar vormen voor die sociale bindingen is hier in ieder geval niet van toepassing.

Aan de andere kant, afgaande op wat we weten vanuit de media, is zijn vriendin hem trouw gebleven. Hoe is dat te verklaren? Is dat ware liefde? Is dat wat onvoorwaardelijk kiezen betekent? Is dat wat we verstaan onder echte trouw? Wie kan zich voorstellen dat zij iets te maken wil hebben met een man die de samenleving fundamenteel heeft geschokt en voor de rest van zijn leven en de geschiedenis verbonden is aan dat ene feit? Hoe is dan een relatie mogelijk? Hangt dit feit niet telkens als een zwaard van Damocles boven je? Is dat niet iets waar je altijd aan moet denken of kan zelfs dat gewennen? Moet je er dus per definitie een schild voor ontwikkelen? En is dat eigenlijk wel gezond? Wanneer heeft woede plaatsgemaakt voor vergeving? Er was toch zeker geen begrip?

Zou Volkert zichzelf googlen en zich verbazen? Zou hij dit lezen?

Deze verwondering leent zich helaas teveel voor speculatie. Misschien zit de media wel verkeerd en heeft zijn gezin zich al jaren van hem afgekeerd. Maar als dit niet het geval is, dan is het misschien wel het meest interessante microsociale vraagstuk wat ik mij kan voorstellen.

Verwondering IV: De Toekomst
Fortuyn is niet meer. Hij heeft zich nooit kunnen bewijzen en is daarom uitgegroeid tot een mythe. Grootse Nederlander. Visionair. Belofte… Hij is echter gestorven in een tijdperk dat achter ons ligt. Maar voor sommige mensen is dat tijdperk oneindig dichtbij en wordt dit vertegenwoordigd door Volkert van der Graaf. Ze willen niet meer in dat tijdperk leven, ze willen er een einde aan maken. Voor die mensen is ‘Volkert hunting’ begonnen. Voor hoeveel mensen dat niet enkel in hun fantasie geldt en hoe serieus ze daar dan in zijn, zou ik niet durven zeggen. Ze zijn onder ons.

Maar Volkert moet natuurlijk niet dood. De argumenten daarvoor zijn overweldigend en stuk voor stuk een open deur. Je wordt namelijk geen tragische held als je Volkert dood maakt, echt niet! Je wordt een crimineel die niets meer is dan Volkert zelf. Bovendien, Pim Fortuyn zelf zou het ten stelligste afkeuren. Wie Pim wil eren, onthoudt dat hij een zeer beschaafde man was met achting voor de rechtsstaat. Daarnaast, de dreiging dat je altijd iets kan overkomen lijkt mij veel erger dan de dood zelf – tenzij je gelooft in de hel (maar dan beland je daar zelf ook in, dus dat is niet erg zinvol).

Mensen die dan toch wraakgevoelens blijven koesteren kunnen zich troosten met de gedachte dat Volkerts leven echt geen feest is de komende decennia. Het is een zeer twijfelachtige vrijheid, waarbij hij als paria zich overal moet verantwoorden en bijna nergens zichzelf kan zijn. Hij zal altijd afhankelijk zijn van anderen, hij zal nooit meer kunnen doen wat hij echt zou willen. Hij heeft niets bereikt en zal nooit iets bereiken. Hij heeft zijn leven geheel vergooid; het is niet nodig om een vergooid leven te vernietigen.

Het is beter om wraakgevoelens te overwinnen. Straks, als alle aandacht weer is weggeëbd en het nieuws over Volkert verdwijnt naar de marges – zoals dat met alle grote gebeurtenissen gebeurt- dan staat zijn leven nog steeds in het teken van die idiote daad. Maar wij hebben dat ogenblik overwonnen en zijn bezig ons leven wel zinvol vorm te geven – een kans die Volkert voor eeuwig kwijt is en waar hij zolang hij leeft met bittere jaloezie naar moet kijken.

De opmerkelijke dood van Simone: een rechtsfilosofische puzzel

De opmerkelijke dood van Simone: een rechtsfilosofische puzzel

De volgende oefening is uitermate geschikt om na te denken over basale concepten betreffende ‘schuld’, ‘intentie’, ‘verantwoordelijkheid’, ‘causaliteit’ en ‘moraal’ en leent zich goed als casus voorafgaand op diepere bestudering van de materie.

De casus: wie is de moordenaar?
Te midden van de Grote Zandwoestijn bevinden zich een vrouw en twee mannen. Simone, Herbert en Ronald. Met elk een watervoorraad van een week wachten ze op redding uit het gebied, die nog 7 dagen op zich laat wachten. Herbert heeft echter een gruwelijke hekel aan Simone, en wil niet dat zij wordt gered. Die nacht sluipt Herbert naar de tent van Simone en vergiftigt haar watertank met slangengif. Los van Herbert, heeft ook Ronald het op Simone gemunt. Ook hij sluipt die nacht naar haar tent en boort een klein gaatje in haar watertank (zonder dat hij beseft dat het water al vergiftigd is door Herbert), waardoor de tank is leeg gelopen voordat Simone wakker wordt. Als gevolg daarvan sterft Simone enkele dagen later aan uitdrogingsverschijnselen.

Beide mannen worden enkele dagen later gered, maar het reddingsteam vermoedt opzet in de dood van Simone en onderzoekt de zaak waarbij ze tot de conclusie komt dat er zowel gif zat in haar water, als dat de tank was gesaboteerd.

De vraag is echter: wie heeft de dood van Simone op zijn geweten, Herbert of Ronald? (Vrij naar: Smullyan, R.M. (1978). ‘What’s the name of this book?’)

Een eerste blik
Wanneer we intuïtief naar de casus kijken, dan ligt Ronald voor de hand, omdat Simone nooit het vergiftigde water heeft gedronken. Met andere woorden, Simone zou zelfs als Herbert het gif niet in het water had gedaan zijn overleden door het toedoen van Ronald.

Aan de andere kant echter, ligt ook Herbert voor de hand als moordenaar. Want het feit dat Ronald een gat heeft geboord in de tank, is volstrekt irrelevant: het water was immers al vergiftigd en of Ronald nu wel of geen gat zou hebben geboord, Simone was al ten dode opgeschreven op het moment dat het water vergiftigd was door Herbert.

Welke argumentatie is nu het sterkst?

Een nadere blik I
De casus laat me denken aan het probleem wat er gebeurt wanneer een niet te stoppen kracht botst tegen een onverplaatsbaar object. De oplossing is dan flauw: er kan geen werkelijkheid bestaan waarin beide krachten gelijktijdig existeren. Ook hier lijken beide argumentaties elkaar op te heffen, met dit verschil dat ze logischerwijs wel naast elkaar kunnen bestaan. We zullen dus moeten kijken naar onze eigen achterliggende opvattingen, hoe we tot een oplossing zouden kunnen komen. Het ligt niet voor de hand dat er één juiste oplossing bestaat. De oplossing is dus afhankelijk van het rechtssysteem (wat te denken van juryrechtspraak in deze), de achterliggende filosofische principes en de invulling van aanverwante relevante begrippen.

Om aan het dilemma te ontsnappen, zou er kunnen worden gekozen voor een tussenoplossing: beiden zijn schuldig aan moord op Simone. Beide mannen hadden immers dezelfde kwade intentie en wie het principe aanhangt dat iemand onafhankelijk van het causale verband (dat bijvoorbeeld door geluk of toeval tot stand komt) daarom straf verdient, heeft de oplossing gevonden. Herbert mag namelijk niet straffeloos ermee wegkomen omdat hij het geluk had dat Ronald een gat boorde, en Ronald mag niet straffeloos wegkomen omdat hij het geluk had dat Herbert het water toch al vergiftigd had (zie ook: Wil, toeval en straf: een korte studie binnen het materiële strafrecht.)

Het probleem is echter dat er geen rechtssysteem is dat primair zo functioneert. Het recht is niet primair gebaseerd op ethische grondslagen. Het is bijvoorbeeld onethisch om een kind dat bedelt voor voedsel te negeren, maar het is juridisch legaal. In ons geval zouden we namelijk een moreel oordeel (beide mannen zijn slecht) verwarren met een juridisch oordeel (wie is verantwoordelijk voor de dood op Simone). In de praktijk halen we zulke zaken (ethiek en recht) nog wel eens door elkaar, omdat ons gevoel zegt dat iemand die een bijzonder slechte bedoeling heeft, daar niet mee weg mag komen (en helemaal niet wanneer hij toevalligerwijs de mazzel had dat iets of iemand anders dan deze slechte bedoeling heeft geleid tot het door hem gewenste effect. Vgl ook.: De Zaak A. )

Intermezzo I: de ‘Nijmeegse scooterzaak’
Vergelijk dit bijvoorbeeld ook eens met de zogenaamde ‘Nijmeegse scooterzaak’. Dit gaat weliswaar over medeplegen, maar we voelen een gelijkwaardig dilemma waar het aankomt op straf in relatie tot het plegen.

Op 15 januari 2010 zijn twee mannen op de vlucht voor de politie met hun scooter. Het duo was met hoge snelheid op de vlucht voor de politie, die hun plan om een hotel te overvallen had doorzien. Tijdens deze vlucht rijden ze een Arnhemmer dood die op een zebrapad in Nijmegen loopt.

In eerste aanleg krijgen ze 8 jaar (bestuurder) en 16 maanden (man achterop) cel voor hun dollemansrit.

Het gerechtshof spreekt ze in hoger beroep (mei 2012) echter vrij: volgens het hof is het niet duidelijk geworden wie de scooter bestuurde, omdat ze naar elkaar blijven verwijzen (een op zichzelf interessante juridische verdedigingstruc, die laat denken aan het prisoner’s dilemma). Op grond daarvan kan niet een iemand een hogere straf worden toebedeeld. Dan zou in theorie immers degene die niet heeft bestuurd acht jaren kunnen krijgen en dat is juridisch onwenselijk.

In cassatie (december 2013) stelt de Hoge Raad echter dat de zaak over moet en verwijst deze terug naar het hof in ’s-Hertogenbosch. Die inhoudelijke behandeling moet op dit moment nog plaatsvinden, maar de uitkomst daarvan zal ongetwijfeld een nieuwe standaard verschaffen over hoe we moeten nadenken over schuld en straf, wanneer het onduidelijk is wie primair verantwoordelijk is voor het uiteindelijke effect (wanneer beide wel gelijktijdig hetzelfde effect wensten).

Natuurlijk hebben deze beide criminelen het effect van hun handelen (de dood van de Arnhemmer) niet gewenst, zoals Herbert en Ronald het effect van hun handelen wel hebben gewenst en in de scooterzaak gaat het hier vooral over medeplegen. Het recht worstelt echter zichtbaar met de vraag in hoeverre iemand straf verdient, als niet is komen vast te staan dat hij degene is geweest die direct verantwoordelijk is geweest voor het effect (we kunnen immers niet willen dat een onschuldig iemand gestraft wordt), en in dat perspectief is het fenomeen interessant voor onze casus. Ook hier zien we duidelijk dat een stevige dubbele veroordeling door het publiek wenselijk wordt gevonden (beide mannen verdienen flinke straf en geen vrijspraak) terwijl juristen op zoek zijn naar een objectief onderscheid en rechtvaardiging voor de mate van straf.

Het hof in Arnhem motiveerde haar vrijspraak op grond van de opvatting dat de bijrijder van de scooter niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het rijgedrag van de bestuurder en de fatale gevolgen daarvan, terwijl het misschien wel de vraag is of er sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet van beide mannen: in hoeverre heeft de een en de ander niet van tevoren kunnen voorzien dat ongeacht wie reed dit een redelijkerwijs te verwachten effect is geweest. Heeft immers de bijrijder het niet in zijn macht gehad de vluchtpoging te staken, maar deed hij dit niet omdat hij deze even graag als de rijder zelf wilde uitvoeren, omdat hij immers net zo goed aan de politie wilde ontsnappen om daarmee zijn straf te ontlopen voor de poging tot overval van het hotel? Het lijkt er in ieder geval op dat het gerechtshof straks toch tot een soort salomonsoordeel gaat komen, misschien wel door wat juridisch gegoochel (het recht moet objectief blijven) om daarmee het publiek dat hecht aan de subjectieve benadering tegemoet te komen.

Inzake medeplegen nog dit: bedenk ook eens wat de situatie zou kunnen zijn als Herbert en Ronald wel van elkaar weten dat ze allebei Simone dood willen. Om niets aan het toeval over te laten doet Herbert eerst gif in het water (voor het geval Simone wil drinken voor de tank leeg is) en boort Ronald daarna een klein gat in de tank (voor het geval het gif niet werkt). Simone wordt wakker en ziet een lege tank: als gevolg daarvan sterft ze enkele dagen later aan uitdrogingsverschijnselen.

Een nadere blik II
Als we niet aan het dilemma proberen te ontsnappen door ze allebei een straf te geven, rest ons niets anders dan te kijken naar welke verdediging zowel Herbert als Ronald zouden voeren voor de rechtbank.

Laten we ons voorstellen dat we de verdediging voeren voor Ronald, degene die een gat heeft geboord in de watertank van Simone. Het verwijderen van vergiftigd water kan onmogelijk worden beschouwd als het vermoorden van iemand. Sterker nog, doordat Ronald het vergiftigde water heeft weg laten lekken, heeft Simone nog een aantal dagen geleefd. Had ze het vergiftigde water gedronken, dan was ze vrijwel onmiddellijk gestorven. Ook al wist Ronald er niets van (maar een verdediging zal ongetwijfeld aansturen op het feit dat hij dit wel wist…en wat dan?), hij heeft feitelijk haar leven verlengd, in plaats van dat hij haar heeft vermoord.

Verdedigen we echter Herbert, degene die het gif in het water deed, dan zal het sterkste argument wat we kunnen aandragen zijn dat hij nooit veroordeeld kan worden voor moord, aangezien er geen enkel verband is tussen de dood van Simone en zijn handelen. Met andere woorden, het ontbreekt aan causaliteit om hem als moordenaar aan te merken. Hij had het gif net zo goed in haar beker kunnen doen. Zonder water had ze daar ook nooit uit gedronken. Als Herbert een dag later gemerkt had dat er geen water voorhanden was voor Simone, had hij het gif uit haar beker verwijderd. Er is dan zelfs ook maar hooguit een poging tot moord geweest…’maar Herbert kwam tijdig tot inkeer’…

Intermezzo II: poging
Een poging laat zich eenvoudig omschrijven. Het is een inspanning, een ‘trachten’. Het is een streven gericht op een doel. Poging en bedoeling zijn dan ook nadrukkelijk met elkaar verbonden. Wanneer ik iets poog, heb ik een bedoeling. En met bedoeling is het begrip ‘intentie’ verbonden, waarmee ‘verantwoordelijkheid’ een rol gaat spelen. Er is dus al met al een sterke relatie tussen denken, willen, voornemen en handelen, wanneer we over poging spreken.

Ligt de oplossing van ons probleem dan niet in het feit dat ze het allebei hebben gepoogd (weer een middenoplossing dus)? Kunnen ze derhalve wanneer we niet kunnen kiezen tussen Ronald en Herbert als moordenaar niet beide veroordeeld worden wegens poging tot moord (nou…er is wel een dode, dus dat lijkt toch onmogelijk…)?

Poging tot misdrijf is immers strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard (artikel 45 Sr, lid 1). Met andere woorden, in beide gevallen kunnen we stellen dat de mannen een begin van uitvoering hebben gemaakt. Ook wordt duidelijk hoe de subjectieve component van het pogen door de wetgever geobjectiveerd wordt door een zichtbaar begin van uitvoering te verlangen. Dit lijkt erop dat het kwade zich moet tonen en het onvoldoende is enkel het kwade te willen om tot een juridische veroordeling te komen. Zowel Herbert als Ronald hebben duidelijk een begin van uitvoering laten zien. Maar ontstaat er dan niet het probleem van de mislukte poging? In hoeverre is namelijk de poging van Herbert die het water vergiftigde uiteindelijk een mislukte poging en die van Ronald een gelukte poging?

Er is duidelijk sprake van een kwade wil bij Herbert, maar zijn poging mislukt. Of bedenk eens dat zijn poging ondeugdelijk zou zijn: vergelijk de casus indien Herbert slangengif had gebruikt wat buiten zijn weten om volstrekt onschuldig zou zijn geweest indien Simone het had gedronken. Weten we eigenlijk wel zeker dat Simone aan het gif was overleden? Hoeveel gif was het eigenlijk – was het voldoende? Ronalds poging is duidelijk: noch mislukt noch ondeugdelijk.

Hoe moeten we een poging tot moord kwalificeren die mislukt op basis van toeval? Het is immers toevallig dat buiten Herbert om Ronald de tank laat leeglopen. Het gaat dus ook om de vraag of we op de een of andere manier Herbert toch een flinke straf kunnen geven, omdat hij voor ons gevoel niet deugt. Maar een moordenaar zal hij niet zijn: wie zegt immers niet dat Simone had kunnen struikelen en haar water zo had gemorst? Een poging blijft staan, maar haar dood is niet aan zijn poging te wijten.

Of is Herbert toch de uiteindelijke moordenaar? Heeft Ronald haar niet gered per toeval? En is dit niet hetzelfde toeval dat in het voordeel spreekt van Ronald, als het eerdergenoemde toeval in het voordeel zou kunnen spreken van Herbert (dat hij door toeval niet als moordenaar kan worden aangewezen)?

Ten slotte
Simone is overduidelijk door het handelen van een van beide mannen om het leven gekomen. Als ze niets hadden gedaan, dan was ze net als zij gered geweest. Als alleen Ronald had gehandeld, was ze dood geweest. Als alleen Herbert had gehandeld was ze dood geweest. Als Ronald eerder was geweest met het laten leeglopen van de watertank, dan had Herbert ontdekt dat vergiftiging niet meer nodig was geweest. Dan zouden we in dat geval ook geen begin van uitvoering van handeling bij Herbert hebben kunnen ontdekken. Dat maakt hem moreel niet beter, maar juridisch gezien zou hij daarmee ontsnappen. Maar stel dat Simone had geweten dat het water vergiftigd was door iemand, dan was ze eveneens gestorven door uitdroging, net als feitelijk nu het geval is.

Hoe dan ook, het tragische einde van Simone verlangt stevige vergelding – of is het denkbaar dat beide heren vrijuit gaan?

___________________________________________________

Zie voor enkele Engelse commentaren en discussies:
https://www.debate.org/forums/Philosophy/topic/27255/
https://forums.civfanatics.com

 

Indrukken bij de eerste druk V: Martin Heideggers Sein und Zeit uit 1927

Indrukken bij de eerste druk (deel V): Heideggers Sein und Zeit uit 1927
-Voor die ene die het weten wil-

Wie goed en actief zoekt, wil nog wel eens tegen een bijzonder boek aanlopen voor een vriendelijke prijs. Zo liep ik tegen een eerste druk aan van misschien wel het meest invloedrijke filosofische werk van de 20e eeuw: Martin Heideggers Sein und Zeit. Volgens alle bekende inleidingen is het boek van wezenlijke invloed geweest op Arendt, Leo Strauss, Gadamer, Sartre, Levinas, Merleau-Ponty, Badiou, Marcuse, Derrida, Foucault en Stiegler. Kortom, op vrijwel iedereen die in de 20e eeuw in de filosofie iets te betekenen had (Als ik Russell, Wittgenstein en de analytische filosofen even buiten beschouwing laat).

Kort gezegd wil Heidegger de vraag naar zijn, naar de zin van zijn, beter stellen en grondiger ontleden. Daarvoor moeten we er echter eerst van overtuigd worden dat deze vraag gesteld moet worden, en moeten we vervolgens bekijken hoe zo’n vraag eigenlijk gesteld en beantwoord kan worden. Dat is Heideggers project. (klik voor een nadere inleiding)

Jahrbuch für Philosophie und phänomenologische Forschung 1927

Jahrbuch VIII 1927

De uitgever is Max Niemeyer (Halle an der Saale; in 1960 verhuist naar Tübingen, in 2005 overgenomen door De Gruyter), in 1870 opgericht door de boekverkoper Maximilian David Niemeyer, en gaf zowel Husserls Jahrbuch als de Sein und Zeit (sonderdruck) uit.

Oplage?
Zoals gebruikelijk heeft mijn zoektocht op antwoorden naar de oplage van de eerste druk niet bijzonder veel opgeleverd. Allereerst schreef ik een Duitse kenner aan, met een bibliografisch relevante Heidegger-website.

Dear sir,

do you happen to know how many copies of the first edition of Sein und Zeit (sonderdruck 1927) appeared? Seems to be hard to find information. Any further info about the first print would help me out.

Thanks in regard,

Stephan

Hij antwoordde me, enigszins wat verrassend:

Hi Stephan,

I tried to track that information down ten years ago, and didn’t have any luck. There was a silly claim at the time that Sein und Zeit had been issued to German soldiers in WWII and I thought that an easy way to refute the claim was to find the numbers of copies printed. I assume the best chance to get that information would be to contact the publishers? I did find out that Sein und Zeit was not printed during the war, because paper was requisitioned for military purposes – although in France they allocated paper to publish Sartre’s L’être et le néant.

Good luck in your search,

Pete

Ik probeerde het ook nog even bij Mark Wildschut, verantwoordelijk voor de eerste integrale Nederlandse vertaling die in 1999 verscheen bij SUN:

Geachte heer Wildschut,

Ik schrijf u aan als grote Heidegger-kenner. Vanuit filosofische interesse, maar vooral ook als liefhebber, ben ik van plan een eerste druk aan te schaffen van Zijn en Tijd. Ik hoop dat u uw deskundige licht zou willen werpen op de volgende vragen:

Wat beschouwt u als de meest begerenswaardige editie? Is dit de editie zoals deze is verschenen in 1927 in het Jahrbuch für philosophie und phänomenologische forschung (VIII), of is dit toch de daaruit voortvloeiende losse uitgave eveneens gepubliceerd in 1927?

Heeft u enig idee of het te achterhalen is, of wellicht weet u het zelf, wat de oplage -ongeveer desnoods- is geweest van het Jahrbuch für philosophie und phänomenologische forschung (1927, VIII) en wat de oplage is geweest van de losse uitgave?

Ik dank u hartelijk voor de moeite bij voorbaat,

Stephan Wetzels

Hij antwoordde:

Beste Stephan Wetzels,

Met dit soort bibliografische vragen kan ik u absoluut niet helpen. Het spijt me. En binnen mijn netwerk is zeker niemand die iets van deze bibliografische dingen afweet.

Vriendelijke groet,

Mark Wildschut

Wat is de échte eerste druk van Sein und Zeit?
Jahrbuch für Philosophie und phänomenologische Forschung 1927
Volgens de internationaal gerespecteerde antiquair Lynge & Søn uit Denemarken met wie ik ook een mailwisseling had, en die volgens mij de meest vooraanstaande collectie filosofische originele drukken in bezit heeft, worden zowel het los verschenen boekwerk (de ‘sonderdruck’) als het als ‘artikel’ verschenen werk in het Jahrbuch als eerste druk beschouwd. Volgens deze antiquair is de losse uitgave geen hele grote zeldzaamheid (zoals dat bijvoorbeeld wel geldt voor de Engelse eerste druk van Wittgensteins Tractatus met stofomslag). Vanwege de importantie echter en het feit dat het een zeer gewild boek is, wordt er gretig gezocht naar exemplaren en zijn daarom eerste uitgaven slecht te vinden. In The Genesis of Heidegger’s Being and Time (1993) merkt Theodore Kisiel op: ‘It seems as if the Jahrbuch version appeared after the separate work (Sonderdruck) of SZ began to be distributed. (p. 565)’

Lynge & Søn heeft zelf twee exemplaren in de aanbieding voor ongeveer $ 4000 (zie foto beneden).

Ze spreken in de omschrijving van een stofomslag bij de originele druk, maar daar is mij niets van bekend noch is een dergelijk exemplaar voorhanden.

Theodore Kisiels The Genesis of Heideggers Being and Time
Dit boek zou eigenlijk uitkomst moeten bieden over de oplage. Het is een gigantisch werk waar Kisiel ruim tien jaren aan schreef en de ontstaansgeschiedenis van Heideggers hoofdwerk in kaart brengt.

Het boek van Kisiel bevat een ‘appendix C’ genaamd A Documentary Chronology of the Path to the Publication of Being and Time, 1924-27. Hoewel er bijzonder interessante informatie in terug te vinden is, vinden we ook hier niets over de oplage. Voor de aardigheid vertaal ik hier enkele relevante passages uit zijn boek van de publicatie-chronologie die Heidegger aan ons overgeleverde, en door Kisiel uitvoerig is weergegeven.

22 maart 1927 – Laatste verbeteringen aan de proefdruk aangebracht.

18 april 1927- Heidegger aan Karl Jaspers: ‘Enige tijd geleden heb ik met de uitgever afgesproken dat er een exemplaar van Zijn en Tijd naar je toegezonden zal worden.’

Op 1 mei bevestigt Jaspers dat hij het boek heeft ontvangen. Sein und Zeit is daarmee voor het eerst verschenen eind april 1927, niet zoals de latere Heidegger zich zal herinneren in februari 1927.

29 mei – Heidegger aan Elisabeth Blochmann over een verlaat verjaardagscadeau: “Mijn boek is verschenen. Eén exemplaar is bedoeld voor je verjaardag van 14 april jl.”

De uitgave zelf
De uitgave die in mijn bezit is, verkeert in goede staat, vanzelfsprekend zonder stofomslag, die vele latere edities kenmerkt. Op de voorkant zijn wat vlekjes aan te treffen aan de rechterkant, wat ook geldt voor de eerste pagina’s en de laatste pagina’s aan de binnenzijde. Ook de rug is in goede staat en toont het originele plakkaat waarop te lezen valt ‘M. Heidegger Sein U. Zeit I’. De ‘I’ verwijst naar ‘eerste deel’, maar er is nooit een tweede deel verschenen, hoewel dit het oorspronkelijke plan was van Heidegger en waar hij geregeld over rept in correspondentie. Verschillende voetnoten in Sein und Zeit suggereren ook een tweede te verschijnen deel (o.a. SZ 319n, 363n, 427n).

Helaas is een redelijk aantal pagina’s van mijn exemplaar onderstreept; ik schat zo’n 10% van de in totaal 438 pagina’s. Een aantal met een lichtrood potlood en een aantal met pen.

Op de eerste pagina aan de binnenzijde, tref ik eveneens geschreven met rood potlood de initialen ‘K H M’ aan, met daaronder de datum ‘mei ‘29’. Het boek is dus twee jaar na het verschijnen aangekocht, te bedenken dat er in 1929 een tweede druk verscheen.

De antiquair bij wie ik dit boek aanschafte, wist te melden dat dit exemplaar in het bezit is geweest van de invloedrijke Nederlandse protestants theoloog Kornelis Heiko Miskotte (1894-1976). Het boek bevond zich na diens dood in het bezit van zijn zoon Hermannus Heiko Miskotte (1932), die het beheer kreeg over de uitgebreide bibliotheek die zijn vader naliet. Het verhaal is dat hij geregeld boeken verkoopt uit deze bibliotheek, waarvan mijn Sein und Zeit er één van is. Ik had het in de familie gehouden – maar daar zijn dus waarschijnlijk geen liefhebbers.

KH Miskotte in 1925

KH Miskotte in 1925

Het ligt voor de hand dat de rode onderstrepingen in de tekst van K.H. Miskottes hand zijn; of dat voor de pennestreken geldt is niet te zeggen. Misschien zijn die van zijn zoon. Het is op zichzelf wonderlijk genoeg dat tot het einde toe onderstreept is, wat zoveel betekent als dat tenminste één iemand dit boek in dat taaie Heideggeriaanse Duits helemaal gelezen heeft. Want dat valt warempel nog niet mee. Het toeval wil verder dat Miskotte in hetzelfde jaar stierf als Heidegger zelf (1889-1976).

Titelblad
Na een pagina waarop staat ‘Sein und Zeit Erste Hälfte’ (waarbij opvalt dat de Duitse ‘s’ lijkt op een ‘f’) komen we bij de titelpagina. Meestal de belangrijkste pagina van een beroemde uitgave. Helemaal omdat vele volgende drukken geen wijzigingen hebben ondergaan. We lezen daar wederom de titel Sein und Zeit, maar nu met de toevoegingen ‘von Martin Heidegger Marburg a. L. Erste Hälfte’.

Dan volgt er iets merkwaardigs:

Sonderdruck aus: “Jahrbuch für Philosophie und phänomenologische Forschung”, Band VII herausgegeben von E. Husserl – Freiburg i. B.

Waarom is dit merkwaardig? Omdat Sein und Zeit in Band VIII verscheen. Ik heb nader gezocht naar hoe Heidegger kon verwijzen naar Band VII, maar ik heb daar geen goede reden voor kunnen vinden. Zover ik weet is Sein und Zeit niet verschenen in Band VII. Het lijkt dus te kloppen dat de losse uitgave eerder op de markt was dan het jaarboek. Maar dan blijft het een merkwaardige fout. Ik zou 25,- willen geven voor degene die een verklaring kan aandragen die aantoont dat er nog een logische gedachte zit achter deze fout. Ik geloof van niet.

Tenslotte treffen we nog het logo van de uitgever aan en de uitgever zelf: Max Niemeyer, Verlag, Halle a. d. S. / 1927.

De pagina die daarop volgt tenslotte toont de toenmalige vriendschapsband tussen Heidegger en Husserl:

Edmund Husserl
In Verehrung und Freundschaft zugeeignet
Todtnauberg i. Bad. Schwarzwald
Zum 8. April 1926

Hier gaat een bekend tragisch verhaal achter schuil. In Sein und Zeit (1927) breekt Heidegger ironisch genoeg namelijk met Husserl op filosofisch vlak. Een tragische periode brak daarmee aan in het leven van Husserl. ‘Als jood en als wereldvreemde geleerde raakte hij steeds meer geïsoleerd. Op voordracht van de nazi’s werd Heidegger benoemd als rector van de universiteit van Freiburg. Wat later werd het Husserl verboden nog langer onderwijs te geven aan een Duitse instelling.’ Dat Heidegger zelf uiteindelijk niet aanwezig was op de begrafenis van Husserl noemt hijzelf ‘een menselijke fout’, waarover hij zijn spijt heeft betuigd aan de weduwe Husserl. Ook Heidegger was gewoon………een mens.

Zie voor andere indrukken bij de eerste druk:

HLA Hart The concept of law uit 1961

John Henry Newman The grammar of assent uit 1870

Derek Parfit Reasons and persons uit 1984

Soren-Kierkegaard Frygt og baeven uit 1843

Bibliografisch fragment uit Kisiels boek

Bijzondere eerste editie van Sein und Zeit in de aanbieding (april 2014)

https://www.stephanwetzels.nl/zt1.jpg

Zijn en Tijd 1e druk bij Herman Lynge

https://www.stephanwetzels.nl/zt2.jpg

Zijn en Tijd 1e druk nogmaals bij Lynge

Het Wilders-dilemma

Het Wilders-dilemma

Zelfs nu de PVV (en niet Wilders, al zijn dat tegenwoordig synoniemen) maar in twee gemeenten meedeed met de raadsverkiezingen, wist ze toch hét nieuws van de avond te genereren. De inmiddels veelbesproken bijeenkomst in Den Haag waar het aanwezige publiek werd gevraagd of ze meer of minder Marokkanen in de stad wensten (en de kudde riep: ‘minder, minder’) zal nog wel even het gesprek van de dag blijven.

De vraag is echter wat schokkender is: de vraag stellen of er meer of minder Marokkanen in een stad horen, of de vraag luidkeels beantwoorden met ‘minder, minder’. Ik denk dat dat laatste de meeste mensen meer heeft geschokt, dan de vraag zelf of de er op volgende uitleg. Een roepende massa is namelijk iets anders dan een begaafde politieke clown: massaliteit toont veel meer de ernst van wat er aan de hand is en wekt angst voor wat er nog komen kan. Bovendien is in tegenstelling tot een individuele politicus op een roepende massa nauwelijks grip te krijgen.

Ik denk overigens dat de voornaamste reden waarom Wilders dit heeft gedaan erin schuilt dat hij in beide steden geen enkele trek heeft in coalitievorming. Deze actie sluit alle raadsleden (als ware het synoniemen van Wilders) uit van het College van Burgemeester & Wethouders. Want besturen lijkt niet het doel te zijn van Wilders merkwaardig genoeg. De enige kans die hij heeft gehad, en waar hij in een landelijke gedoogzetel de politiek best denkbare uitgangspositie had, liep uiteindelijk uit in een fiasco (inclusief dierenpolitie) en een fors zetelverlies in de daaropvolgende verkiezingen.

Maar dat is de kudde alweer lang vergeten. Want voor de kudde is het politieke landschap vergelijkbaar met de Tinder-app: een minuutje keuren, en dan naar de volgende mogelijkheid. En het aardige van oppositie voeren is nu eenmaal dat je jezelf als mogelijkheid kunt presenteren. En het mogelijke is bijna altijd beter te verkopen dan het werkelijke. Want het mooie van het mogelijke is dat alles mogelijk is.

Dus als je jezelf overal weet buiten te sluiten zoals de PVV dat magistraal kan, de schuld daarvan weet te leggen bij anderen, dan ben je gegarandeerd van de oppositie, waar je jezelf weer kunt verkopen als mogelijkheid. En dat trekt de kiezer, zoals we ook hebben gezien met de grote winst van SP en D’66. Een SP die nog nooit regeringsverantwoordelijkheid heeft gedragen, en D’66 die dat wel eens deed bij tegenwind en daarna bijna opgeheven kon worden.

En dat brengt ons tot het Wilders-dilemma of misschien wel de Wilders-paradox. Om hem politiek aan te pakken, moet je hem juist mee laten doen en hem daarin geen ontsnappingsroute aanbieden. Om de kiezers van de PVV niet nog dieper in zijn handen te drijven, moet je gekke uitspraken juist niet bij het Openbaar Ministerie neerleggen, maar moet je ze in de publieke en politieke arena op een beschaafde manier bevechten. En nu precies het tegenovergestelde heeft Wilders weer voor elkaar: politiek wordt hij uitgesloten en allerlei gehaaste lui roepen om vervolging vanwege het ‘schenden van de vrijheid van meningsuiting’ en wat niet meer is.

Maar een vervolging zou weer zo ontzettend veel aandacht voor deze politicus genereren, dat hij er zelfs bij een kleine veroordeling (want wat verwacht men toch in vredesnaam van de rechter!) alleen maar garen bij spint. Bovendien wordt het geblaat dat dit dan racisme zou zijn vermoeiend zolang men niet wil begrijpen welk pijnpunt Wilders blootlegt en waar hij gek genoeg allang een belachelijk zware prijs voor betaalt. Aan dat laatste doet een eventueel strafje van de rechter niets af en doet het probleem dat zijn kiezers massaal aantrekt echt niet als sneeuw voor de zon verdwijnen. Het lost kortom he-le-maal niets op.

Want laten we tenslotte niet vergeten, dat de miljoenen (potentiële) kiezers natuurlijk niet zomaar meeschreeuwen met Wilders, maar dat daar achter wel degelijk problemen schuilgaan. En één zo’n probleem dat klaarblijkelijk concreet aansluit bij persoonlijke ervaringen van mensen, is echt niet zo moeilijk te doorzien. Laat ik dat illustreren met een voorval waar ik getuige van was en me nogal trof.

Een jongen fietst nadat hij van een trappetje is gelopen verder en wordt in het voorbijgaan bespuugt door twee Marokkaanse jongens die hem ook iets onverstaanbaars toeroepen. Een van de Marokkaanse jongens rent nog achter zijn fiets aan en trapt tegen het achterwiel aan. Ik zie de jongen verder fietsen, maar plots houdt hij op een veilige afstand halt, en roept: “Wacht maar klootzakken –  ik stem Wilders!!”

De woede waar zo’n jongen mee verder fietst, en die hij gekoeld ziet in een stem, rechtvaardigt geenszins de gebeurtenissen in Den Haag bij de PVV- bijeenkomst. Maar verwacht niet dat zo’n jongen niet ‘minder, minder’ gaat roepen, want naar alle waarschijnlijkheid kunnen deze twee Marokkaanse jongens hem gestolen worden. Dit is waar hier ‘minder’ naar verwijst, en nergens anders na.

Daarom, geef Wilders de ruimte. Wees niet bang, heb vertrouwen in onze goed gefundeerde democratie en maak geen domme vergelijkingen met 70 jaar geleden. Laat een rechter een onoplosbaar probleem niet proberen op te lossen. Sluit Geert in de armen of bestrijdt hem met scherpe ironie. Durf de redenen van zijn populariteit eens echt te doorzien en geef hem bovenal veel verantwoordelijkheid. Alleen dan is het mogelijk dat zijn stijgende populariteit een halt wordt toegeroepen. Al het andere is alleen maar koren op zijn molentje.

Het Vonnis: wat moeten we met wraakgevoelens wanneer Justitie faalt?

Het Vonnis: wat moeten we met wraakgevoelens wanneer Justitie faalt?
Een filosofische overweging naar aanleiding van de film Het Vonnis (2013) als aanzet voor verdere discussie

***Let op: onderstaande tekst bevat informatie
over de verhaallijnen van de film***

Het Vlaamse rechtbankdrama Het Vonnis (2013) is een van de meest intrigerende films die ik zag sinds het Deense Jagten (2012). Hoewel de verhaallijn relatief simpel is, weet het geschetste dilemma diep door te dringen in het voorstellingsvermogen dankzij de goede acteerprestaties en dialogen. Er zal voor puristen voldoende op aan te merken zijn, maar ik geloof dat de film oprecht een probleem aankaart dat in anderhalf uur niet beter (op het einde wellicht na) had kunnen worden weergegeven. In deze overwegingen zal ik stilstaan bij verschillende dilemma’s en problemen die deze film oproept.

1. De verhaallijn

Hoewel ik poog om de verhaallijn zo duidelijk mogelijk weer te geven waardoor de zaak als een op zichzelf staande casus te begrijpen is, kan ik niet de vele en treffende nuanceringen aanbrengen die in de film voorbijkomen.

1.1 Aanzet

Hoofdrolspeler Luc Segers heeft een prima leven. Mooie baan, gelukkig getrouwd en een prachtige dochter. Op een avond na een borrel rijden ze met zijn drieën naar huis en tijdens het tanken besluit zijn vrouw naar een onbemande avondwinkel aan de overkant te gaan om brood te kopen. In deze winkel wordt ze echter aangevallen door Kenny De Groot die haar tot bloedens toe en zonder duidelijke reden neerslaat. Luc vertrouwt het niet helemaal en besluit te gaan kijken waar zijn vrouw blijft. Terwijl hij geconfronteerd wordt met het feit, slaat de dader hem neer die vervolgens vlucht per motor. Het dochtertje dat alles gade geslagen heeft in de auto, rent in paniek de straat op en wordt daar geschept door een andere wagen. Luc ziet het gebeuren alvorens hij zijn bewustzijn verliest. Drie weken later ontwaakt hij uit zijn coma en moet hij vernemen dat zijn vrouw en dochter inmiddels zijn begraven.

1.2.1 Procedure: Het OM

De vermeende dader wordt opgepakt, op basis van fotoherkenning door Luc. De kijker weet net als Luc dat het wel de juiste man is. Er waren echter geen vingerafdrukken, geen camerabeelden, geen andere getuigen en Kenny had zelfs niets meegenomen van de vrouw. Technisch gesproken is er dan geen sprake van roofmoord. Sterker nog, het Belgische Openbaar Ministerie stelt dat ze hem kan vervolgen voor ‘slagen en verwondingen met de dood tot gevolg’, niet te verwarren met doodslag. De verwachting is dan maximaal 10 jaar celstraf, waarvan Kenny in de praktijk ongeveer zes jaar zal uitzitten. De dood van zijn dochtertje is een noodlottig ongeval, wat juridisch van geen belang is.

1.2.2 Procedure: De advocaat van de verdachte

Kenny De Groot krijgt een topadvocaat toegewezen. De raadsman van Luc legt uit dat Kenny vanwege zijn lage inkomen recht heeft op een pro-deo advocaat. Deze pro-deo advocaten werken niet op basis van een niet te stuiten idealisme aldus deze raadsman, maar hebben het recht om hun rekeningen in te dienen bij de Staat. Omdat het hier ogenschijnlijk om een zaak gaat die veel publiciteit zal genereren, is dat de reden waarom een armoedzaaier als Kenny toch de beschikking krijgt over een topjuriste.

1.2.3 Procedure: De vormfout

Alvorens de zaak echter aan kan vangen gebeurt er iets wat de rest van de film het centrale thema zal blijken. De advocate van Kenny heeft een procedurefout ontdekt. De vordering tot gerechtelijk onderzoek naar de dood van Lucs vrouw was namelijk niet ondertekend door de procureur (officier van Justitie), op grond waarvan het document ongeldig is. Alle handelingen die vervolgens op basis van dat document zijn uitgevoerd, blijken daarmee hun rechtsgeldigheid verloren te hebben. In casu is het hele opsporingsonderzoek onrechtmatig. De begane fout is dusdanig fundamenteel volgens de wetgever, dat de raadkamer niets anders rest dan de verdachte vrij te laten. Het Openbaar Ministerie kan nog wel vervolgen, maar omdat het waarschijnlijk is dat alle bewijzen die tijdens de arrestatie zijn vergaard nietig zullen worden verklaard, heeft dat weinig zin. Kortom: geen rechtsgang, geen veroordeling en geen genoegdoening voor slachtoffer en samenleving.

1.3.1 Dilemma: het slachtoffer

Nu Luc weet dat de zekere dader op vrije voeten blijft, lijkt hij te breken onder het toch al zware verdriet. Hij besluit Kenny te volgen en enkele weken observeert hij de man in een garage waar hij werkzaam is. De film laat het verloop van wat er dan allemaal gebeurt fragmentarisch met terugwerkende kracht zien. Luc vermoordt Kenny namelijk met negen min of meer gerichte schoten vanuit een illegaal aangeschafte Walter P5.

1.3.2 Dilemma: de jurist

Luc geeft zichzelf aan en bekent wat hij heeft gedaan. Zijn advocaat zegt hem dat hij zou kunnen proberen het op doodslag te houden. Maar Luc wil echter worden aangeklaagd voor moord ten overstaande voor de volksjury: “De Groot heb ik al gepakt, nu wil ik het systeem pakken.”

Zijn advocaat legt hem twee opties voor: het meest voor de hand ligt dat hij voor uitlokking zal pleiten, waarmee een maximumstraf van vijf jaar wordt geriskeerd. Iedereen wint, want de jury kan een schuldige aanwijzen, de rechtstaat verliest zijn gezicht niet en de straf zal neerkomen op twee jaar effectief zitten. Optie twee echter heeft meer risico’s in zich, maar zou indien succesvol wel een ‘overwinning’ betekenen, waarbij het Openbaar Ministerie zijn verlies zou moeten nemen. Hiertoe zou een beroep moeten worden gedaan op Artikel 71 Strafwetboek, onweerstaanbare dwang:

Er is geen misdrijf wanneer de beschuldigde of de beklaagde op het tijdstip van de feiten leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast, of wanneer hij gedwongen werd door een macht die hij niet heeft kunnen weerstaan.

Hoewel uitlokking voor de hand lijkt te liggen, wil Luc gaan voor de optie artikel 71. Als de jury dan echter “ja” antwoordt op de schuldvraag, riskeert hij daarmee levenslang.

1.3.3 Dilemma: de aanklager

De aanklager is er alles aan gelegen om de rechtstaat te doen zegevieren. De bewijzen zijn er: er is een volledige bekentenis en het lijkt in alles op een goed voorbereide, weldoordachte en geplande moord, op iemand die zich niet kon verdedigen. Er wordt besloten om op alle fronten het volkse sentiment te weerspreken met feiten en niets dan feiten: dit is een ordinaire wraakmoord die dient te worden bestraft. Wat er is gebeurd is vreselijk, en niemand ontkent dat Luc zijn leven lang de pijn zal moeten dragen voor wat hem is overkomen. Maar wat hem is overkomen in de zin van leed, is niet uniek en geeft hem niet het recht om naar eigen goeddunken te handelen.

1.3.4 Dilemma: De Volksjury

De vermoorde man heeft geen relevante familie en was iemand met een ellenlang strafblad, die als verdachte in een ernstige zaak mogelijk een veroordeling heeft ontlopen vanwege een procedurefout. Voor hen zit een man met een glansrijke carrière in het bedrijfsleven, bekend als weldoener en gezinsman die op gruwelijke wijze zijn vrouw en kind heeft verloren.

Wat moet de volksjury nu beslissen?

2. Opmerkingen, vragen en overweging

Omdat anders dan in Nederland België werkt met een volksjury, kan de film de kijker sterker meeslepen in de voorstelling zelf onderdeel te zijn van de volksjury. Gaat hij mee met het sentiment dat duidelijk voelbaar is voor de hoofdrolspeler? Of kiest hij toch voor de rechtsstaat omwille van de rechtsstaat?

De concrete vragen die we moeten bespreken zijn de volgende:

  1. Staan we onszelf uitzonderingen toe ten opzichte van afgesproken rechtsregels?
  2. Hoe verhouden procedurefouten zich tot de redelijkheid?
  3. Kunnen onweerstaanbare wraakgevoelens fungeren als strafuitsluitingsgrond?
    (Kunnen wraakgevoelens onweerstaanbaar zijn?)

Staan we onszelf uitzonderingen toe ten opzichte van afgesproken rechtsregels?

Het recht zoals wij dat kennen is grotendeels een product van de Verlichting, waar volkse emotie en potentiële willekeur los gemaakt werd van filosofische rede en rechtvaardigheid. Daarbij staat een dominante Kantiaanse notie dat het recht geen uitzonderingen verdraagt, tenzij datzelfde recht daar een geschreven redelijke grondslag voor aandraagt, centraal. In principe stemt het volk in met deze opvatting, op grond van een sociaal contract: in ruil voor verschillende rechten, aanvaarden ze daarbij wetgeving en plichten.

Het spanningsveld ontstaat nu daar waar het lijkt alsof de redelijkheid in het geding is, en we dat ‘aanvoelen’. Stel bijvoorbeeld dat je als voetganger om 2:00 uur ‘s nachts aankomt op een rechte weg, waar het stoplicht op rood staat. Er is in de verste verte geen ander verkeer waarneembaar. De wet gebiedt desondanks te wachten op groen licht op straffe van 65,- boete, terwijl de meeste mensen zullen voorvoelen dat het oversteken hier in alle redelijkheid kan plaatsvinden. Als de wetgever hier toch volhoudt dat de boete op zijn plaats is, simpelweg omdat een regel is overtreden, dan ontstaat er de discrepantie tussen burgers en staat waar we hier over spreken, omdat de staat daarmee voor de burgers zijn menselijke gezicht lijkt te hebben verloren. Vadertje Staat lijkt dan meer op een regelmachine die eerder op grond van pragmatische dan idealistische opvattingen wetten handhaaft.

Hoe verhouden procedurefouten zich tot de redelijkheid?

Dat brengt ons dan bij de volgende vraag, misschien wel de eigenlijke vraag die de film probeert op te werpen. Het is overduidelijk dat de wet ook een verdachte moet beschermen, maar in welk opzicht is er sprake van het beschermen van een verdachte wanneer uit onrechtmatig verkregen bewijs blijkt dat hij de dader is van een gruwelijk feit? Ook hier ontstaat er een discrepantie tussen de volkse opvatting van rechtvaardigheid en de strafrechtelijke opvatting van rechtvaardigheid. De discussie zit er dan in in hoeverre deze volkse opvatting van rechtvaardigheid ook redelijk kan zijn, in relatie tot in hoeverre de strafrechtelijke opvatting van rechtvaardigheid ook onredelijk kan zijn. Het idee dat een wetgever per definitie redelijke opvattingen omzet in wetten, is een diepgeworteld idee bij menig jurist, maar dat mag en moet terdege ter discussie worden gesteld, zelfs als dat zichtbaar wordt in basale emotionele uitingen van het volk. Want de uiting kan wel primitief lijken, ze is nog steeds gestoeld op een fundamenteel menselijke emotie die zelfs de meest geharde legalisten moeten herkennen in zichzelf.

Nog niet zo lang geleden had de Nederlandse rechtsstaat zijn vingers ook kunnen branden aan een vergelijkbaar dilemma zoals in de film. De inmiddels tot 19 jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging veroordeelde Robert M. had namelijk op grond van procedurefouten vrijgesproken moeten worden, aangezien het belangrijkste bewijsmateriaal onrechtmatig in beslag was genomen, aldus zijn verdediging. Dit vormverzuim werd met veel juridisch vertoon door het Hof getackeld. ‘Al met al is het verzuim naar het oordeel van het hof niet ernstig te noemen. (…) Nu niet aannemelijk is dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden van het vormverzuim, ziet het hof ook overigens geen aanleiding aan het vormverzuim enig rechtsgevolg te verbinden.’

De doos van Pandora bleef daarmee ongeopend, maar daarmee is de doos zelf echter verre van vernietigd. Toch lijkt het Hof terdege tussen de regels door rekening te houden met de ernst van het gepleegde, in relatie tot de fout:

‘Voorts moet bij de waardering van de ernst van het verzuim worden bezien of de rechter-commissaris, indien de officier daartoe een vordering zou hebben gedaan, tot (het afgeven van een machtiging tot) doorzoeking van de woning zou zijn overgegaan. Daartoe zijn de volgende feiten en omstandigheden, die de officier van justitie, naar moet worden aangenomen, aan de vordering ten grondslag zou hebben gelegd, van belang (…). Gelet op de feiten en omstandigheden bestond in de avond van 7 december 2010 een zodanige verdenking van ernstige strafbare feiten, gepleegd door M., dat naar het oordeel van het hof de rechter-commissaris zonder enige twijfel desgevorderd tot doorzoeking ter inbeslagneming zou zijn overgegaan of een machtiging daartoe zou hebben verstrekt.’

Die laatste alinea reikt ook de sleutel aan voor de oplossing van het filmdilemma. Ook hier geldt dat een mogelijke uitzondering de oplossing zou kunnen betekenen: het feit waarvan de verdachte wordt verdacht is dusdanig ernstig en heeft de rechtsorde zo fundamenteel geschokt, dat de procedurele fout van het vergeten te plaatsen van een handtekening onder een bevel tot gerechtelijk onderzoek vervolging niet kan voorkomen. De niet geplaatste handtekening is bovendien een gevolg van werkdruk en/of vergeetachtigheid, niet van gerede twijfel omtrent de aanhouding van de verdachte die positief is geïdentificeerd door slachtoffer: die handtekening zou er hoe dan ook toch wel zijn gekomen. Een dergelijk ‘proportionaliteitsbeginsel’ lijkt op zijn minst te rechtvaardigen wanneer het gaat om misdrijven die een gevangenisstraf van bijvoorbeeld twee jaren of meer in zich houden. Dat is uiteraard geen vrijbrief voor prutswerk van politie en openbaar ministerie, maar doet meer recht aan samenleving en slachtoffer. De rechter kan het openbaar ministerie terdege nog op de vingers tikken, zonder dat daarmee de rechtsgang afgebroken wordt. Tenslotte moet ook overwogen worden in hoeverre een vormfout überhaupt in het voordeel van een verdachte is, wanneer hij zich de volkswoede ermee op de hals haalt.

Kunnen onweerstaanbare wraakgevoelens fungeren als strafuitsluitingsgrond?

Dat in de film het geblunder van Justitie wel leidt tot het vrijlaten van de vermeende moordenaar, is vanzelfsprekend de aanleiding tot het dilemma van de burger die vervolgens het recht in eigen hand neemt omdat hij in de steek is gelaten door het systeem. De genoegdoening die hem had moeten worden geschonken via vergelding door de rechtsgang, hoopt hij zo te krijgen door middel van wraak. Intuïtief hebben we het idee dat iemand die gestraft wordt wanneer hij vrijwillig een ander kwaad heeft berokkend, iets goeds is – mits het maar door een onpartijdige instantie wordt voltrokken. Betekent dit dan vanzelfsprekend dat het straffen van iemand die vrijwillig een ander kwaad heeft berokkend niet goed is wanneer ondanks duidelijke feiten dit wordt gedaan door een partijdige instantie?

Stel bijvoorbeeld dat een gevangene ontsnapt, terwijl hij nog 12 jaar gevangenisstraf tegoed had. Hij wordt opgespoord door het slachtoffer die hem vervolgens 12 jaren opsluit bij hem thuis onder vergelijkbare voorwaarden als in de gevangenis. Zouden we dat immoreel vinden? Of zit het immorele er juist in dat een partijdige instantie juist onredelijk straft? In het geval van de film wordt de vermeende moordenaar namelijk vermoord. En dat is nooit een straf die in welk proces dan ook uitgesproken had kunnen worden. Misschien was de verdachte inderdaad veroordeeld wegens doodslag, en had hij tussen de vijf en 15 jaren gevangenisstraf gekregen. Hadden we het redelijk gevonden indien hij alsnog opgezocht was door het slachtoffer wanneer hij vrijgelaten werd – bijvoorbeeld omdat hij de lage straf nooit heeft kunnen verkroppen? Soortgelijke bewegingen lijken zich te ontwikkelen in onze samenleving waar het gaat om pedofielen of concreter omtrent de moordenaar van Pim Fortuyn.

De vraag of genoegdoening daadwerkelijk plaatsvindt door middel van wraak, wanneer het slachtoffer (om van willekeurige betrokkenen uit de samenleving te zwijgen) niet kan instemmen met de straf is niet eenvoudig te beantwoorden. Het lijkt in ieder geval geen grond voor redelijke discussie te hebben dat indien een verdachte is veroordeeld zonder dat daarbij noemenswaardige fouten zijn gemaakt, hij nadat hij zijn straf heeft uitgezeten alsnog met recht bedreigd wordt in zijn leven. Het standaardargument dat het recht in eigen hand nemen leidt tot middeleeuwse toestanden en chaos slaagt dan duidelijk. Duidelijker in mijn optiek dan wanneer het wordt gebruikt op het moment dat door een procedurefout er geen recht wordt gedaan.

Kunnen wij immers van een burger verwachten dat een ander hem straffeloos leed kan berokkenen? Dat lijkt niet redelijk. Hoewel vergeving evenals het toekeren van de andere wang een groot goed is, kan men niet van iemand verlangen dat hij zich neerlegt bij het feit dat iemand vrijuit gaat die zojuist zijn vrouw heeft doodgeslagen. Want het recht zegt weliswaar ‘laat dat maar aan ons over’, maar beantwoordt onvoldoende de vraag aan wie iets moet worden overgelaten wanneer door fouten iets niet meer aan het recht kan worden overgelaten. Er is dan nog steeds een fundamenteel tekort, een onafgesloten hoofdstuk, een te vullen gat bij slachtoffer en samenleving. Geen enkel strafdoel, of het nu gaat om generale of speciale preventie, vergelding of reparatie/resocialisatie, wordt namelijk bereikt.

In de film wordt de hoofdpersoon misschien onbedoeld geportretteerd als tragische held: hij lijkt immers een levenslange straf omwille van een hoger principe te aanvaarden. Misschien gesterkt door een overwegend positieve publieke opinie, maar misschien ook wel gesterkt door een diepgewortelde innerlijkheid van rechtvaardigheidsgevoel. Dat dit innerlijke rechtvaardigheidsgevoel hapert wanneer het gaat over het vermoorden van een ander mens, dat is dan wat we zouden kunnen verstaan onder onweerstaanbare dwang. Wraak is ook zoiets als ‘a kind of wild justice’ zoals Francis Bacon al betoogde in 1625.

In een onderzoek van Bies en Tripp uit 1996 (Beyond distrust; ‘Getting even’ and the need for revenge. In: R.M. Kramer en T.R. Tyler (red.) Trust in organizations: frontiers of theory and research. Thousand Oaks: Sage) werd mensen gevraagd zich een situatie in te denken wanneer ze het een ander betaald zouden willen zetten. Het meest gegeven antwoord was: ‘wanneer mijn vertrouwen ernstig is misbruikt’. Hoewel het hier niet echt ging over concrete strafbare feiten (en eenieder zich zijn eigen voorstelling mocht maken), geeft het wel een interessante richting in onze casus.

Het vertrouwen in de rechtsstaat was immers ernstig beschadigd, en dat heeft in korte tijd (in de film wordt de moord binnen een maand gepleegd na de fatale avond) geleid tot zeer heftige gevoelens die gevoed door het idee ‘recht’ te doen en/of het idee van pijn in het gemoed te willen verzachten tot moord heeft geleid.

In hoeverre het idee juist is dat iemand door wraak te nemen zijn ondraaglijke gemoedstoestand kan verlichten, staat los van het idee dat iemand dat idee redelijkerwijs kan hebben. De verwachting dat wraak nemen pijn zal verlichten neigt in ieder geval naar een verwachting die iemand ook onweerstaanbaar kan hebben. Stel bijvoorbeeld dat iemand plots geconfronteerd wordt met een schier ondraaglijke geestelijke pijn, en na een maand is dat nog verre van weg. Er bestaat een deugdelijk medicijn, maar hij heeft echter niet de middelen om dat medicijn te bekostigen. Kunnen we het zo iemand dan kwalijk nemen dat hij vervolgens een inbraak pleegt in een ziekenhuis om dit medicijn te bemachtigen waarmee hij zijn gemoed weet te verlichten? Is hij niet bezweken onder zijn pijn? Is dit geen daad met de moed der wanhoop?

Het is natuurlijk dat het hier om een moord gaat, en niet om een inbraak, waardoor we anders kijken naar de daad. Maar het lijkt mij voorstelbaar dat iemand zodanig heeft geleden onder de omstandigheden dat hij in een langdurige roes van bittere ellende tot deze daad is gekomen, gedreven door de hoop zijn pijn te verlichten. Dat wij weten dat we beter moeten weten, is daarbij ook een vorm van hoop waarop we mogen hopen dat we het weten wanneer we –God verhoedde het- te maken krijgen met de situatie waarbij het recht ons in de steek lijkt te laten.

De stuitende hypocrysie van Mobielloze Zondag

Edit: mobielloze zondag is alweer ter ziele

Als ik 15 jaar geleden al mijn aantekeningen over de verachtelijkheid van de mobiele telefoon en zijn gebruikers systematisch had uitgewerkt, dan was ik een visionair geweest. Dan had ik waarschijnlijk een soort ‘Coen Simon-beroemdheid’ bereikt, op grond waarvan ik zonder ook maar nog iets noemenswaardigs of diepzinnigs te melden, toch overal zou opduiken bij intellectuele en semi-intellectuele platformen.

Maar dat deed ik niet, dus nu vervul ik een schreeuwerige rol in de marge waarbij ik mezelf enkel nog toesta uit mijn slof te schieten over de mobiele telefonie wanneer er zo’n duidelijke minachting voor het verstand aan de dag wordt gelegd dat je er gewoon niet meer omheen kunt. En die is gevonden!

Telecompuber BEN (van de infantiele reclame ‘er zit een uitknop op je mobieltje) heeft 23 februari namelijk uitgeroepen tot ‘Mobielloze zondag. Dat is net zoiets wanneer Marlboro 18 mei zou uitroepen tot sigaretvrije avond of Heineken 20 oktober tot zuipschuitloze namiddag. En dan niet met de fantastische ironie van “Wij van Wc-eend adviseren Wc-eend”, maar met de bittere ernst van ‘Wij van Ben maken ons oprechte zorgen om jou’. Om vervolgens met een vette aanbieding te komen van een of ander apparaat, waar Flappybird, Candy Crush of een willekeurig ander verslavend onzinspel op is te spelen. En dat voor 364 dagen per jaar, want die ene dag – ja dat is mobielloze zondag!

Het is sowieso een vreemd en lachwekkend initiatief, enkel bedoeld om $aandacht$ te genereren voor het T-Mobile merk op sociale media of waar dan ook. Vreemd omdat een bedrijf dat verslaving faciliteert, zo hypocriet zijn reclame durft te verkopen en daarmee de gemiddelde kijker voor nog dommer houdt, dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. En lachwekkend omdat het van een totaal gebrek aan realiteitszin getuigt. Want ik zie het al voor me op die mobielloze zondag. Die arme Gollumpjes! Een dag zonder hun gouden Ringring!

Het is overduidelijk dat de reclamemakers nog nooit van hun leven een halve dag onderwijs hebben gegeven aan jongvolwassenen, of met hun neus eens door een gang van een willekeurige Hogeschool hebben gelopen. Ga daar de idiote afhankelijkheid van de telefoontjes die jullie ze hebben aangesmeerd eens opsnuiven en probeer dan je hoogwaardige morele initiatief eens aan de man te brengen. “Eh, dag jongeheer – ik ben van Ben en ik ben er voor Ben –eh, ik bedoel jou. Er zit een uit-knop op je foon. Sorry jongeheer, hallo, ik praat tegen je…Hallo!”

Deze hele actie is überhaupt aan dovemansoren gericht. De ongelukkige 91% die de telefoon permanent in hun zweterige handje heeft wordt hier natuurlijk nooit mee bereikt, en diegenen die zich er wel aan houden, hebben waarschijnlijk wel meer dan één mobielloze dag per jaar. En dan niet die makkelijke en laffe zondag, maar gewoon een dinsdag of een donderdag.

Mijn advies is dan ook aan de enkeling die het horen wil: hou jezelf niet voor de gek met de mobielloze zondag, maar boycot de hele mobiel nu het misschien nog kan. En aan al mijn medestrijders: Stop met het concert zodra er ook maar één gek het spannender vindt om het op te nemen in plaats van er in op te gaan. Gooi de dwaas uit je restaurant die je gerechten zit te flitsen. En hou toch op met het verkwisten van publiek geld aan overheidspotjes die enkel wijzen op gezond verstand.

In plaatst daarvan moeten er eens echte keuzes worden gemaakt. Degene die zich op een publieke plek – een school, een bioscoop, een restaurant of zelfs in de stiltecoupe (Oh, the humanity!) in de minste zin misdraagt raakt zijn SIM-recht kwijt of wordt verplicht af te kicken in een Kooi van Faraday.

Alleen zo, en niet met hypocriete reclames, is deze pregnante sociale-landschapsvervuiling vol met afgezonderde zonderlingen die zich gecommitteerd hebben aan een virtuele realiteit die ze “hun wereld” noemen nog enigszins in te dammen. Of zou het werkelijk te laat zijn?

Een kleine bloemlezing van onbeantwoordbare vragen

Dit stuk heeft een wonderlijke ontstaansgeschiedenis. Toen ik het vorige stuk over determinisme schreef, kwam ik terecht bij een artikel van Robert M. Martin, waarin verwezen wordt naar zijn boek:

There
Are Two
Errors in the
the Titel of
This Book
.

Ik bestelde dat verrassende werk bij Amazon en al lezend kwam ik uit bij een hoofdstuk dat handelt over ‘lege vragen’, oftewel vragen die op zichzelf niet te beantwoorden zijn, althans zo lijkt het.

Op pagina 28 wordt er verwezen naar een kunstenares uit New York, Janet Zweig geheten, die voor een kunstproject What is the opposite of a duck? in samenwerking met Martin filosofen heeft gevraagd om ‘onbeantwoordbare vragen’ aan te dragen. Dit resulteerde in een lange lijst, die ik voor deze gelegenheid heb vertaald, zodat de vragen ook voor het Nederlandse taalgebied integraal toegankelijk zijn. Verschillende vragen kennen we al uit de filosofie en de onbeantwoordbaarheid van de vragen mag sterk betwijfeld worden in een aantal gevallen. Haar lijst omvat 153 vragen, die ik hier ingekort heb. Vragen die ik werkelijk slecht gesteld vond of een duidelijke dubbeling in de lijst betroffen, heb ik eruit gehaald.

Naast vermaak bieden onderstaande vragen ook voldoende ruimte om er een filosofieles aan te wijden, om te bediscussiëren tijdens een gezellige maaltijd of om naar eigen inzicht te beantwoorden. Bij diverse vragen heb ik een aanzet gegeven tot beantwoording. Maak er gerust een gewoonte van om écht goede en bovenal verrassende ‘onbeantwoordbare vragen’ te bedenken! Welke twee fouten staan er overigens in de titel van dat boek van Martin?

Oorspronkelijke vraagMijn Nederlandse vertalingOpmerkingen en commentaar
What is the opposite of a duck?Wat is het tegenovergestelde van een eend?
Hierbij moet ik denken aan het probleem dat de Duitse filosoof Ludwig Wittgenstein poneert in zijn Filosofische Onderzoekingen (1953). In de tekening konijn-eend, kun je zowel een eend als een konijn zien, maar nooit tegelijkertijd (probeer het maar eens). Waarneming is dus ook een mentale activiteit, aldus Wittgenstein.
What happens when you’re not looking?Wat gebeurt er als je niet kijkt?Er gebeurt waarschijnlijk van alles, omdat of anderen kijken, of misschien zoals de Britse empirist George Berkeley (1685-1753) het oploste: als we niets waarnemen, dan is er nog altijd God die alles waarneemt, en daarom bestaan de dingen. Zijn is waargenomen worden: Esse est Percipi.
If no one sees it, is a sunset still beautiful?Als niemand het ziet, is een zonsondergang dan nog steeds mooi?Zie opmerkingen hierboven.
What is time?Wat is tijd?Hierbij denken we ogenblikkelijk aan Augustinus.‘Wat is de tijd? Wanneer maar niemand het me vraagt, weet ik het; wil ik het echter uitleggen aan iemand die het vraagt, dan weet ik het niet.’
Do fish get thirsty?Krijgen vissen wel eens dorst?Een zoutwatervis moet gewoon drinken anders droogt hij uit. Ze drinken zeewater waarbij hun nieren zo aangepast zijn dat zij deze zoutconcentraties kunnen verwerken. Bij zoetwatervissen is de zoutconcentratie in hun lichaam hoger dan dat van het water waarin ze rondzwemmen. Dus het water gaat hier door de huid naar binnen toe. Zoetwatervissen moeten dus niet veel drinken maar juist veel ontlasten om al dat water dat binnen komt kwijt te geraken.Zoetwatervissen hebben dus feitelijk nooit dorst. (Bron: Gerlinde Van Thuyne; Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek)
What is the answer to this question?Wat is het antwoord op deze vraag? 
Is an apple alive when you eat it?Is een appel levend wanneer je deze eet? 
For how long is now here?Hoe lang is het ‘nu’ hier? 
What does the back of a shadow look like?Hoe ziet de achterkant van een schaduw eruit?Dit is waarschijnlijk een vraag die met recht niet is te beantwoorden, omdat het veronderstelt dat een schaduw een achterkant heeft, wat niet het geval is.
What do dragons eat?Wat eten draken? 
How many skies are there?Hoeveel hemelen zijn er?Als het hier gaat over de niet metafysische hemel, maar de lucht die we boven ons zien, is het antwoord waarschijnlijk 1. Net zoals er maar één universum is, althans voor ieder mens met een gezond verstand.
What time is it on the moon right now?Hoe laat is het op de maan op dit moment? 
Where is last year’s snow?Waar is de sneeuw van vorig jaar gebleven? 
Can words explain everything?Kunnen woorden alles uitleggen? 
Where is sound?Waar is ‘geluid’? 
Does every question have an answer?Heeft elke vraag een antwoord? 
What makes something art?Wat maakt iets kunst?Kunst is dat wat gemaakt is met de vooropstaande bedoeling de menselijke zintuigen én de menselijke geest te prikkelen. (bron: wikipedia)
If you replace every part of a boat, is it still the same boat?Als je elk deel van een boot zou vervangen, is het nog steeds dezelfde boot?Dit is de beroemde paradox van Thesus die verwant is aan de sorites-paradox.Theseus is de kapitein van een schip dat is gebouwd uit honderd houten planken. Wanneer hij met zijn schip de haven uitvaart, geeft hij aan de scheepstimmerman de opdracht om elke dag een houten plank te vervangen door een aluminium plank.De timmerman begint al gelijk en dus vaart er op de eerste dag een schip op de Middellandse zee met één aluminium plank. Op de tweede dag vaart er een schip met twee aluminium planken, op de derde dag een schip met drie aluminium planken, enzovoorts.Na honderd dagen loopt Theseus met zijn schip de haven weer binnen. Is het schip waarmee Theseus de haven uitvoer hetzelfde schip als het schip waarmee hij nu de haven binnenloopt?Zie: Trouw 25/3/03
How high can you count?Tot hoe ver kun je tellen?Op https://howsecureismypassword.net/ kun je bekijken hoe lang het duurt voordat ‘een computer’ je paswoord zou kunnen kraken afhankelijk van zijn rekensnelheid. Het grootst aantal jaren is daar een ‘quintillion nonagintillion’ jaren, daarna volgt ‘oneindig’. Voor wie de afspraken dus leert kan een heel eind komen. Al duurt het tellen tot een quintillion nonagintillion vanaf 1 waarschijnlijk een quintillion nonagintillion jaren…Zie ook: https://en.wikipedia.org/wiki/Names_of_large_numbers
What would it be like to have 4000 eyes, like a housefly?Hoe zou het zijn om 4.000 ogen te hebben, zoals een huisvlieg? 
What is a flazdoosh?Wat is een flazdoosh?Iets anders dan een kallipogon. Of toch niet?
If you shine a red light on a white wall, is the wall white or red?Als je een rood licht laat schijnen op een witte muur, is de muur dan wit of rood?Kleur is altijd een secundaire eigenschap van objecten, afhankelijk van licht (Kleur is namelijk een eigenschap van licht) . Dus je zou kunnen zeggen dat de kleur iets is wat de waarnemer onder bepaalde omstandigheden waarneemt.
What would it be like to live backwards?Hoe zou het zijn om achteruit te leven?Zie de film: The Curious Case of Benjamin Button (2008)
Do colors look the same to every person?Zien kleuren er hetzelfde uit voor iedereen? 
If someone says, “I’m lying,” is that person lying?Als iemand zegt: “Ik lieg”, liegt die persoon dan?Dit is de beroemde leugen paradox, voor het eerst geformuleerd door waarschijnlijk Eubulides van Milete. Paulus schrijft er zelfs over (brief aan Titus, 1:12): Iemand uit hun kring, hun eigen profeet, heeft gezegd: ‘Leugenaars zijn de Kretenzers altijd, gemene beesten en luie buiken.’ Deze getuigenis is waar.
How do you know you’re not dreaming?Hoe weet je dat je nu niet droomt?Hoe weet je dat je droomt, wanneer je droomt?
How many stars are there?Hoeveel sterren zijn er?Zeventig triljard volgens wetenschappelijke schattingen. Dat is een zeven gevolgd door 22 nullen.
Are you the same person you were yesterday?Ben jij dezelfde persoon als de persoon die je gisteren was?Zie: Derek Parfit (1984). Reasons and persons.
If your feet were shaped like hands, would they leave handprints? Als je voeten als handen zouden zijn gevormd, zouden ze dan handafdrukken achterlaten? 
What is it like to be a rock?Hoe is het om een steen te zijn?Een onzin vraag. Het heeft er de schijn van dat indien iemand zou veranderen in een steen, en we zouden hem 1:00 uur later terug veranderen in zichzelf, hij waarschijnlijk niets kan vertellen over hoe het was om een steen te zijn. Waarschijnlijk omdat stenen geen ervaringen opdoen…
Why is there something instead of nothing?Waarom is er iets in plaats van niets?Waar was God mee bezig alvorens Hij de hemel en de aarde maakte? En als er een tijd was waarin God bestond maar nog geen wereld, wat bewoog Hem er hem toe die wereld überhaupt te scheppen? Had God dan soms niet genoeg aan zichzelf? Enzovoorts. De oorspronkelijke vraag wordt vaak toegeschreven aan Leibniz: “Warum ist überhaupt Seiendes und nicht vielmehr nichts?”
What is infinity plus one?Wat is oneindig plus een?Zoals Blaise Pascal opmerkt in zijn Franse Gedachten (1670): Incomprehensible. Not all that is incomprehensible ceases to exist. Infinite number. An infinite space equal to a finite.
Who was the first human?Wie was de eerste mens?Daar zijn waarschijnlijk geen biografische gegevens meer van. De laatste mens daarentegen kan wel iets nalaten en hopen dat er ooit nog een intelligentie verschijnt.
Is a chair with one leg still a chair?Is een stoel met een poot nog een stoel?Zie: iedere stoel wenst weer een boom te zijn
How many drops of water are in the ocean?Hoeveel druppels water gaan er in de oceaan?Deze vraag stelde het herdersjongentje al in een sprookje uit Kinder- und Hausmärchen van de gebroeders Grimm. Het verrassend wijze herdersjongetje is beroemd om zijn antwoorden op complexe vragen en de koning van het land laat hem voor zich verschijnen. Hij zal het herdersjongetje als zijn kind beschouwen als hij drie vragen weet te beantwoorden. De eerste vraag die de koning stelt is hoeveel druppels water er in de wereldzee is. Het herdersjongetje wil dat de koning dan eerst de rivieren laat afdammen, zodat er geen water bij zal komen als hij telt….
Where did yesterday go?Waar is gisteren gebleven?Zolang wij ons geheugen hebben, is gisteren waarschijnlijk in ons geheugen, hetzij op vele verschillende wijzen.
Could your parents never have met?Zou het mogelijk zijn dat je ouders elkaar nooit ontmoet zouden hebben?Zie: Back to the Future I, II, III.
If a bad person always pretends to be good, are they really bad?Als een slecht persoon altijd pretendeert goed te zijn, is hij dan echt slecht?Wanneer een persoon slecht handelt in de ogen van een rechtsstaat, en hij de indruk heeft dat hij goed is, is het waarschijnlijk dat hij ter beschikking wordt gesteld.Aan de andere kant, de discussie rondom de niet gekke gek Anders Breivik, die uiteindelijk door de rechters niet als krankzinnig werd beschouwd, terwijl psychiaters over elkaar heen duikelden, toont aan hoe lastig we het hebben met de subjectiviteit en de relativiteit van goed en kwaad.Zie: https://www.publiekrechtenpolitiek.nl/als-u-dit-leest-bent-u-net-zo-gek-als-breivik/
Is a crocodile longer or greener?Is een krokodil langer of groener?Een vraag die een oneigenlijke vergelijking maakt tussen lengte en kleur. De oneigenlijke vergelijking/categorische fout blijkt overigens geliefd te zijn wanneer het gaat om onbeantwoordbaarheid. (Wat is de kleur van een getal, wat is het verschil in lengte van een plaat en een voetbalveld, hoe zwaar is een gedachte etc.)
Can you walk north from the north pole?Kun je naar het noorden lopen als je op de noordpool bent?
If I make a promise to my cat do I have to keep it?Als ik een belofte maak aan mijn kat, moet ik die dan houden?Wat is de reden dat je überhaupt een belofte maakt aan een kat? Het universele idee van een belofte die gemaakt wordt, is dat deze gehouden blijft, tenzij er een omstandigheid plaatsvindt waarin het houden van belofte grotere schade oplevert dan het verbreken. Overigens staat dat laatste ter discussie in de ethiek van Kant (universalisten) vs de ethiek van Bentham et al. (Utilitaristen)
Can a question be wrong?Kan een vraag verkeerd zijn? 
Can you dig half a hole?Kun je een half gat graven?Je kunt hooguit de helft van het gat graven wat je voor ogen had.
What colour is a mirror?Welke kleur heeft een spiegel? 
Where is your mind?Waar zit je geest? 
Where were you before you were born?Waar was je voor je geboorte?Volgens David Hume op dezelfde plek waar je bent wanneer je gestorven bent.
Is it OK to lie to make someone happy?Is het goed om te liegen wanneer je daar iemand gelukkig mee maakt?Volgens de Duitse filosoof Kant mag je nooit liegen, ook niet wanneer het een ogenschijnlijk voordeeltje oplevert. Dat komt namelijk omdat je met liegen de controle verliest over de situatie en daarmee de controle verliest over je eigen verantwoordelijkheid. En wie neemt het je kwalijk wanneer je erkent dat je liever de waarheid spreekt, dan dat je liegt om daarmee iemand gelukkiger te maken?
Did time have a beginning?Had tijd een begin?Op het moment dat wetenschappers vaststellen dat het heelal op dit moment 13,72 miljard jaar oud is, moeten we op grond daarvan uitgaan dat tijd inderdaad een begin had.
Would this question still say anything if no one could read?Zou deze vraag nog iets betekenen als niemand kon lezen?Het is dan eerder de vraag, of iemand deze vraag nog kan stellen.
Is the answer to this question “no”?Is het antwoord op deze vraag “nee”? 
Time? What is the speed of time?Tijd? Wat is de snelheid van tijd?
Hierbij moet ik denken aan de anekdote van de verstrooide professor die ooit een tijdmachine bouwde. Na jaren van ingewikkelde studie had hij eindelijk zijn machine af. Met trots vroeg hij aan zijn vrouw om als eerste plaats te nemen in de cabine. Hij zei tegen haar dat de machine ongeveer een kwartier nodig had om op te starten, alvorens ze zou worden getransporteerd in de tijd. Toen de vrouw na een kwartier uitstapte, kon de professor zijn vreugde niet op. ‘Warempel, warempel! Volgens mijn berekeningen heeft de machine met een snelheid van een seconde/seconde je 15 minuten door de tijd laten reizen!’
What is outside the universe?Wat is er buiten het heelal?Als het heelal alles is, dan is daarbuiten waarschijnlijk niets. Eigenlijk een soortgelijke vraag, wanneer men benieuwd is wie God heeft gemaakt.
Would you answer this question the same way tomorrow?Zou je deze vraag morgen hetzelfde beantwoorden?
What is the difference between a rabbit?Wat is het verschil tussen een konijn? 
What is the sound of one hand clapping?Wat is het geluid van één klappende hand?Deze zogenaamde ‘koan’ is van de Japanse Zenmeester Hakuin (1686-1769). Hakuin blies de koan-traditie nieuw leven in en stond aan de wieg van het moderne Rinzai-Zen. Feitelijk betreft het hier een woordenspel waarin een foutieve vooronderstelling is geslopen, namelijk dat het klappen ook met 1 hand zou kunnen wanneer er geen andere hand of voorwerp bij betrokken is. Eén hand kan echter nog steeds op één voorwerp ‘klappen’.
Are more things smaller than you than larger then you?Zijn er meer dingen kleiner voor je dan er dingen groter dan je zijn?Ik zou eerder zeggen dat wij ons precies te midden van twee werelden bevinden: de wereld van het onbegrijpelijke grote, en de wereld van het onbevattelijke kleine.
What is the best painting ever?Wat is het beste schilderij ooit?Als kunst objectief was, zouden we deze vraag kunnen beantwoorden.
Where are numbers?Waar zijn getallen?In onze geest.
Are there things that don’t exist?Zijn er dingen die niet bestaan?Ik denk hier aan de Griekse filosoof Parmenides: Parmenides probeerde te analyseren wat “bestaan” betekent. Hierover zegt hij het volgende: “Wat is, is. Wat niet is, is niet.” Hieruit trekt hij een aantal belangrijke conclusies voor zijn filosofie: het zijnde is er altijd geweest en zal nooit vergaan. Immers, waaruit zou het zijnde ontstaan moeten zijn en waarin zou het moeten vergaan? Er is geen enkele beweging mogelijk. Het zijnde is dus niet op een plaats of in een tijd; alles wat er is, bestaat in een eeuwig heden.
Are things beautiful because we like them, or do we like things because they’re beautiful? Zijn dingen mooi omdat we van ze houden, of houden we van dingen omdat ze mooi zijn? 
Can a hotel with an infinite number of rooms have no room available? Kan een hotel met een oneindig aantal kamers geen kamers beschikbaar hebben?Zie: David Hilberts ‘Hotelparadox’. Hilberts hotel heeft een aftelbaar oneindig aantal kamers. Het paradoxale aspect van het hotel is dat, zelfs als alle kamers bezet zijn, het een oneindig aantal nieuwe gasten kan opnemen.
How many hairs do you have to lose to be bald?Hoeveel haren heb je nog te verliezen totdat je kaal bent? 
Which came first, the chicken or the egg?Wat was er eerst, de kip of het ei?Wetenschappers menen het ei.
What is music?Wat is muziek?Dat is wiskunde die goed klinkt.
Why is it good to be good?Waarom is het goed om goed te zijn? 
Can you prevent your own birth by travelling back in time?Kun je je eigen geboorte voorkomen door terug te reizen in de tijd?Vergelijk dit met de zogenaamde grootvaderparadox.
Do animals think?Denken dieren? 
Why do things have the names that they have?Waarom hebben dingen de namen die ze hebben? 
Is there one world or many worlds?Is er één wereld of vele werelden?Denk hierbij aan de term van het multiversum. Dit verwijst naar het idee of concept dat er naast het zichtbare universum waar we in leven nog veel andere universa zijn waarnaar verwezen wordt als parallelle universa. De vraag is dan overigens wel of deze ooit een begin hebben gehad, en hoeveel parallelle universa er dan eigenlijk zijn.
Can we change the past?Kunnen we het verleden veranderen?Zie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Tijdreizen 
Is it possible to tell lies all the time?Is het mogelijk om altijd leugens te vertellen?Wanneer we in een werkelijkheid geraken waarin alleen maar leugens verteld worden, betekent het dat deze leugens vanzelf leiden tot de waarheid. Pas wanneer in een leugenachtige wereld af en toe een waarheid wordt verteld, dan is deze waarheid juist de leugen. Probeer maar eens bij de slager een half ons leverworst te bestellen, door alleen maar te liegen.
Can you think about nothing?Kunt u denken over niets?De vraag is, wanneer dit gelukt zou zijn, wat dan datgene is wat het denken weer op gang brengt. 
Is there something bigger than the universe?Is er iets groters dan het universum?Misschien onze fantasie.
Is there an invisible monster behind you?Staat er een onzichtbaar monster achter je?Misschien staat het monster wel voor ons.
Do Martians like ice cream?Houden marsmannetjes van ijs?Is de President van Nederland een vrouw?
Have you stopped eating books?Ben je gestopt met het eten van boeken?Je kunt boeken wel verslinden, maar eten wordt over het algemeen afgeraden.
Is it true that cheese or not cheese?Is het waar dat kaas of geen kaas? 
What makes something funny?Wat maakt iets grappigs?Zie: H. Plessner (2011 vertaling). Lachen En Wenen.
Do monkeys need time?Hebben apen tijd nodig? 
Is a sailboat still a sailboat with the sail off?Is een zeilboot nog steeds een zeilboot wanneer het zeil eraf is? 
What is the name of your name?Wat is de naam van je naam? 
Do cats have feelings?Hebben katten gevoelens? 
Can you do something wrong in your dreams?Kan je iets verkeerd doen in je dromen?Dat hangt af van de wetten, je geldende moraal en de regelgeving in je dromen.
How much is enough?Hoeveel is genoeg? 
What happens to the characters after the end of the story?Wat gebeurt er met de personages wanneer het verhaal is afgelopen?Antwoorden kunnen gevonden worden bij de Franse filosoof Jacques Derrida. Maar misschien kan men zijn tijd beter besteden dan te zoeken naar antwoorden op deze vraag… 
In what language do animals think?In welke taal denken dieren?Dolfijns. Of soms ook wel het ‘vogels’.
What’s it like to be a bat?Hoe is het om een vleermuis te zijn?Dit is een vraag van de Amerikaanse filosoof Thomas Nagel. In 1974 schreef hij een gelijknamig artikel. Nagel stelt dat reductie van het mentale niet mogelijk is omdat men nooit de ervaring “hoe het is om een vleermuis te zijn” in de fysische beschrijving van een vleermuis kan vatten. Om te weten hoe het is om een vleermuis te zijn, moet men weten hoe het is om de wereld via echolocatie gewaar te worden. En dat is onmogelijk…
Is time real?Is tijd echt? 
How big is the biggest number?Hoe groot is het grootste getal? 
If a tree falls in the woods and no one is there, does it make a sound? Als een boom valt in het bos en er is niemand in de buurt, maakt hij dan geluid?Wederom een raadsel van de Ierse filosoof George Berkeley. Een mooi gedicht van Ronald Knox is hier op zijn plek, genaamd ‘God in the Quad’-There was a young man who said, “God
Must think it exceedingly odd
If he finds that this tree
Continues to be
When there’s no one about in the Quad.”-
 -Dear Sir:
Your astonishment’s odd:
I am always about in the Quad.
And that’s why the tree
Will continue to be,
Since observed by
Yours faithfully,
GOD.-
Can you step in the same river twice?Kun je twee keer in dezelfde rivier stappen?Volgens de tegenhanger van de eerder genoemde Parmenides, Heraclitus niet: “Men kan niet tweemaal in dezelfde rivier stappen, want het is steeds weer vers water dat u tegemoet stroomt.” Oftewel: Panta rhei
Are you thinking what I’m thinking?Denk jij wat ik denk? 
What is bigger than the biggest thing imaginable?Wat is groter dan het grootste ding denkbaar?Vgl. het ontologisch godsbewijs van Anselmus: God is het grootst denkbare. Daarboven kan niet worden gedacht. Alles wat groter is dan God, zouden we dat willen denken, is precies wat we dan God noemen.
How wet is water?Hoe nat is water? 
Exactly how tall do you have to be to be tall?Hoelang moet je precies zijn om lang te zijn?Afhankelijk van de gemiddelde lengte van mensen om je heen, misschien tenminste 5% boven dat gemiddelde.
What does purple smell like?Hoe ruikt de kleur paars? 
How long is a moment?Hoe lang is een ogenblik? 
How many times can you cut a rope in half?Hoe vaak kun je een touw doormidden snijden? 
Is this sentence true?Is deze zin waar? 
Is doing nothing doing something?Is niets doen iets doen? 
What if an unstoppable force met an immovable object?Wat als een onstuitbare kracht botst met een onbeweeglijk object?Jammer genoeg kan er geen universum bestaan waarin beide entiteiten een bestaan hebben. Of er is een universum met een onstuitbare kracht. Of er is een universum met een onbeweeglijk object. Iets anders verdraagt onze logica niet.
What happened to the past?Wat is er gebeurd met het verleden? 
How many words are not in this sentence?Hoeveel woorden zitten er niet in deze zin? 
If you do everything there is to do, what can you do next?Als je alles gedaan hebt wat er te doen is, wat kun je vervolgens dan nog doen?Je kunt dan gaan herhalen.Vgl. Highlander (1986). Of de nog veel briljantere film Groundhog Day (1993).
Are there colors we can’t see?Zijn er kleuren die we niet kunnen zien? 
Do you feel what I feel?Voel je wat ik voel?Vergelijk weer Wittgenstein in zijn filosofische onderzoekingen (1953) over dit probleem.
Have we been visited by time travellers from the future?Zijn we bezocht door tijdreizigers uit de toekomst? 
If there were no people, would murder still be wrong?Als er geen mensen zouden zijn, zou moord nog steeds verkeerd zijn? Wat is de betekenis van ‘verkeerd’ wanneer er geen rationele wezens zijn die daaraan betekenis kunnen verlenen?
What is the square root of love?Wat is de wortel van de liefde?Liefde.
Where is the point of no return?Waar ligt het ‘point of no return’? 
Is this a trick question?Is dit een strikvraag? 
Can computers think?Kunnen computers denken?Vergelijk hiertoe het beroemde artikel van Alan Turing en de bijbehorende Turingtest. Het artikel Computing Machinery and Intelligence (1950) opent als volgt: “Ik stel voor om de vraag te beschouwen: kunnen machines denken? Dit moet beginnen met definities van de begrippen machine en denken…”
When you stand on your head, which way is up?Wanneer je op je hoofd staat, welke kant is dan boven? 
If you fall asleep in a dream, where do you wake up?Als je in slaap valt in een droom, waar wordt je dan in wakker? 
Can anyone read your mind?Kan iemand je gedachten lezen?Het lijkt niet waarschijnlijk dat de wetenschap ooit in staat zal zijn om een machine uit te vinden die kan waarnemen wat iemand denkt. Wel is het mogelijk om te zien dat iemand denkt.
Why can’t we all get along?Waarom kunnen we niet allemaal met elkaar opschieten? 
Do snakes have tails?Hebben slangen een staart? 
What will you never guess?Wat zul je nooit raden? 
How do you know you’re not a computer?Hoe weet je dat je niet een computer bent?Hoe weet een computer dan hij geen mens is?
Zie verder:  Hilary Putnams ‘brein in een vat’-argument: https://nl.wikipedia.org/wiki/Hersenen_in_een_vat
How many unanswerable questions are there?Hoeveel niet te beantwoorden vragen zijn er? 

 

 

Het verhaal van een boek

Te midden van generaties die leven met het idee dat de digitale wereld de voornaamste realiteit in zich draagt, is er weinig ruimte voor de waarde van ‘het tastbare’. De teloorgang van Polare is daarom niet alleen een teken aan de wand voor het papieren boek, maar het is bovenal een uiting van de verdere culturele omslag richting een totale vervlakking.

Het papieren boek is echter wel de kroon van de beschaving van dat oude tijdperk, waarin het tastbare het werkelijke was. Maar alles van waarde is weerloos. De oude waarde van het werkelijke die laag voor laag is afgepeld door de mens die volgroeid is met zijn mobiel, is ingeruild voor het vluchtige. Het vluchtige dat een spanningsboog heeft van enkele minuten, het vluchtige dat alles binnen handbereik moet hebben.

Het echte boek is daarom de vijand van het vluchtige: het vraagt namelijk afstemming, het vraagt rust en contact. Contact dat begint met die eerste ontmoeting: schuifelend tussen  liefhebbers op het krakende hout is daar een eerste aanraking. Daar begint ook het verhaal. Het verhaal van het lezen, maar ook het verhaal van het boek.

‘Ik kocht dat boek toen het buiten stortregende. Ik struinde rond, bladerde in onbekende werken, en toen viel mijn oog op dat ene boek. Het was mijn eerste kennismaking met gedachten die ik al zo lang wenste maar zelf nooit zo denken kon.’

De harde kaft is een kunstwerk, het bladeren is onvervangbaar en het echte boek heeft de bijzondere schoonheid dat men er enkel maar in lezen kan….

Misschien klinkt dit voor iemand die dag in dag uit al slepend met zijn vinger achter een glazen schermpje doorbrengt, als romantisch gemijmer. Misschien klinkt het in die oren als een stuiptrekking van een melancholicus die niet accepteert dat het tastbare dood is. Maar ik geloof dat de liefde voor het echte boek, de liefde voor het verhaal en de verhouding die dat met zich meebrengt niet is verdwenen bij deze mens. Klikkend van de ene naar de andere kruimel, is het verlangen naar het authentieke namelijk niet vernietigd, maar enkel bedolven. Het is bedolven onder de verleidelijke gedachteloosheid die schuilt in dat schaduwbeeld wat men in zijn hand heeft.

De ironie wil dat ik dit schrijf op een vluchtig medium. Daarom eindigt hier al mijn tekst. Er moet immers verder worden gesurft op een niet bestaande golf. Er moet een gesprek worden gevoerd met iemand anders achter zijn schermpje. ‘Een flauwe cynische tekst las ik zojuist…’

Iedereen die echter tot hier is gekomen, en graag verder had willen lezen: haal die ongelukkige uit zijn sluimer en ga eens bij wijze van verrassing een middag met hem struinen in de kelders van die ene boekenzaak. Het is waarschijnlijk het begin van een nieuw verhaal.

Filosofische kruimels VIII

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2013 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel VIII van VIII.

Kierkegaards eigenheid

‘Een van de dingen die ik het meest verfrissend en stimulerend vind in het werk van Kierkegaard, is dat het vrijwel geheel is gevrijwaard van de neiging kennisleer te bevoorrechten.’
C. Stephen Evans in Why Kierkegaard matters (2010)

De moderne wijsbegeerte heeft via Descartes en Locke een bijzonder primaat toegekend aan de epistemologie. De gedachte die hieraan ten grondslag ligt is dat ongeacht welke filosofische discussie wordt gevoerd, eerst overeenstemming moet worden gevonden over basale kentheoretische grondslagen: Kunnen we er kennis van hebben en kunnen onze opvattingen worden gerechtvaardigd? Kierkegaard maakt zich in zijn hele oeuvre nauwelijks druk over dit schijnbare belang van de epistemologie. Betekenisvol leven en gepassioneerde overtuigingen hoeven niet noodzakelijk kentheoretisch te worden gefundeerd is zijn stelling.
Kierkegaard valt het primaat van de epistemologie op verschillende terreinen aan. Op de eerste plaats moet niet meer die moderne twijfel centraal staan in de filosofie, maar de antieke verwondering. Op de tweede plaats hoeft scepticisme niet te worden bestreden met argumenten, omdat het zijn grondslag heeft in de wil en niet in het verstand. Op de derde plaats is waarheid subjectiviteit en gaat het leven vooraf aan de waarheid, in plaats van dat het er op volgt. En tenslotte moeten we de grenzen van de menselijke rede aanvaarden en accepteren dat de realiteit eenvoudigweg verschillende paradoxen met zich meebrengt.

 

©Veenmedia.nl
________________________

Hitler en Wittgenstein

‘Wat ik dus voorstel is, dat het Ludwig Wittgenstein betreft naar wie verwezen wordt in Mein Kampf.’
Kimberley Cornish in The Jew of Linz (1998).

In het controversiële boek The Jew of Linz, werpt Cornish een aantal bijzondere hypothesen op. Eén daarvan betreft de stelling dat Wittgenstein een persoonlijke invloed op Hitler heeft gehad. Ze zaten beiden in Linz op de Realschule, en hoewel de zes dagen oudere Hitler twee klassen onder de veel slimmere Wittgenstein zat, staat het voor Cornish vast dat ze elkaar hebben gekend. Op basis van politieonderzoek concludeert hij dat het zeer waarschijnlijk is dat Hitler en Wittgenstein op een schoolfoto zijn te zien, amper een meter van elkaar af. Hij concludeert zelfs dat het aannemelijk is dat Hitler in Mein Kampf Wittgenstein voor ogen heeft wanneer hij schrijft: ‘Het is moeilijk, zo niet onmogelijk voor mij, om vast te stellen, wanneer het woord „Jood” mij voor de eerste keer tot nadenken bracht.(…) Op de middelbare school leerde ik wel een Joodse jongen kennen, die door ons allen met enige terughoudendheid werd behandeld, omdat wij, (…) zijn geslotenheid niet erg vertrouwden’.

Een storm van tegenwerpingen en hoon kreeg Cornish te verwerken. In Philosophy now moet recensent John Mann hem wel één ding nageven: met deze originele, vergezochte controverses wist Cornish talloze serieuze kranten te halen en een miljoenenpubliek te bereiken. En dat met een niet zelden droog en filosofisch werk.

©Veenmedia.nl
________________________

Een kerstgedachte

‘Niets is laffer dan tegenover God de held uit te hangen.’
Blaise Pascal in Gedachten (1660)

De onvoltooide christelijke apologie die Pascal naliet, heeft een grote invloed uitgeoefend. Tot op de dag van vandaag worden de meer dan 1000 fragmenten bestudeerd en bediscussieerd. Gevangen tussen de opkomende natuurwetenschappen die weinig ruimte laten voor de christelijke God, en zijn vrome geloof, zie je Pascal worstelen in zijn teksten. In een lange passage vraagt hij zich af hoe het toch mogelijk is dat mensen God niet meer zoeken en hun tijd verdoen met allerlei nutteloos vermaak. Hij komt tot de conclusie dat er uiteindelijk maar twee soorten mensen bestaan die men verstandig kan noemen: ‘zij die God met heel hun hart dienen omdat ze Hem kennen, en zij die Hem met heel hun hart zoeken omdat ze Hem niet kennen.’ Wie desondanks zijn leven in de waagschaal stelt, en roept: ‘ik dien noch zoek!’, hangt wel op een hele merkwaardige manier de held uit.

Kerst is voor Pascal dan ook de uitgelezen mogelijkheid om, zij het voor even, afstand te doen van je heldenstatus.

©Veenmedia.nl
________________________

Zie ook:

Filosofische kruimels I
Filosofische kruimels II
Filosofische kruimels III
Filosofische kruimels IV

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2020 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"