Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Filosofische kruimels XVII

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2016 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XVII van XX.

Liefde zeg je met druiven

‘Ik werd onpasselijk bij de gedachte dat de oude Schopenhauer het trosje druiven had aangeraakt. En daarom liet ik ze heel onopvallend achter mij in het water glijden…’
Uit: Irvin D. Yalom. De Schopenhauerkuur. (2005).

De Duitse denker Arthur Schopenhauer (1788-1860), die met zijn pessimistische filosofie desondanks veel mensen wist te plezieren, was niet bijzonder goed met de dames. De Arbeiderspers koos ook niet voor niets ooit een verzamelbundeltje uit te geven onder de sprekende titel: Er is geen vrouw die deugt. Maar wellicht waren het vooral Schopenhauers versierkunsten die niet zo deugden.

Verschillende biografen, waaronder Rüdiger Safranski (1945) verhalen over Schopenhauers poging de mooie 17-jarige Flora Weiss ten huwelijk te vragen. Schopenhauer zelf al 43, kende het meisje nauwelijks, maar poogde desondanks haar voor zich te winnen. Een versierpoging kwam er tijdens een boottochtje toen hij haar een trosje druiven aanbood. Weiss moest er echter niets van weten en volgens de familieoverlevering walgde ze bij iedere geste van Schopenhauer telkens een beetje meer. Schopenhauer bleef zijn leven lang alleen.

__________

Aforismen afstoffen

‘Ik wil niets van doen hebben met politiek, zedenleer, wijsbegeerte, maatschappelijk nut. Ik ben, in laatste aanleg, uitsluitend lezer-en-schrijver.’
Greshoff (1958). Nachtschade.

De haast vergeten Nederlandse schrijver Jan Greshoff (1888-1971) erkende in zichzelf maar één wet: de volmaakte overgave aan de schone letteren. Greshoff liet in dat opzicht een stevig oeuvre na, waarin hij die kunst niet onverdienstelijk trachtte over te brengen naar papier. Hoewel hij stelt niets van filosofie te moeten hebben, toont Greshoff zich in de ruimste zin een denker, peinzer en verwonderaar.

Een prestatie van formaat is wat dat betreft het door dr. G.W. Huygens samengestelde werk Nachtschade, waarin duizenden aforismen over levenskunst, liefde, poëzie, geloof en ongeloof en individu en gemeenschap bijeen zijn gebracht. Greshoff noteerde de levenswijsheden bij voorkeur tijdens slapeloze nachten, wat de titel verklaart. De sombere existentiële inslag die in dit verzamelde werk te herkennen is, doet denken aan de stoïcijnen, Heidegger en Kierkegaard. Greshoff -bang voor het sterven, niet voor de dood- liet zo iets na dat het verdient afgestoft te worden en menig filosoof nog lang uit de slaap zal houden.

__________

Paasgedachte bij 27 maart 2016

‘Moet je je eens indenken hoe fijn het zal zijn als we samen Pasen vieren.’
Maria von Wedemeyer aan Dietrich Bonhoeffer op 4 april 1944, uit: Bruidsbrieven uit de cel (2004).

Pasen viert men het liefst samen.  Dat was in 1944 niet anders, ware het niet dat Maria von Wedemeyer (1924-1977) vlak na haar verloving gescheiden werd van de vooraanstaand religieus filosoof, theoloog en verzetsstrijder Dietrich Bonhoeffer (1906-1945). Bonhoeffer was wegens hoogverraad gearresteerd en moest zijn tijd in gevangenis doorbrengen. Daar schreef hij naast klassiek geworden overpeinzingen (zie: Verzet en overgave en Navolging (2014)) ook veelvuldig met zijn verloofde. Hij bemoedigt haar: ‘wees vrolijk, geduldig en dapper en vergeet mij niet, zoals ik jou niet vergeet’,  en zij houdt van hem: ‘ik ben verliefd op elke zin, op elk woord, op elke kronkel van je handschrift’.

Hoezeer zij ook te kennen geeft Pasen nooit meer te willen vieren zonder hem (‘helemaal echt Pasen vieren kan ik pas als jij weer bij me bent’), is dat er nooit meer van gekomen. Bonhoeffer wordt namelijk wegens samenzwering ter dood veroordeeld en geëxecuteerd op 9 april 1945, een week na Pasen. De verloofden kunnen elkaar dan allang niet meer bereiken per brief. De troost die Pasen biedt moet zelfs voor een zo gelovig iemand als Von Wedemeyer een lange tijd bitter zijn geweest.

©Veenmedia.nl

Geef je over aan Omdenken

Al geruime tijd loop ik met het idee rond me eens polemisch te uiten over het Omdenken, in brede kring ook wel bekend onder het synoniem Uitmelken. De quasi-geestige flauwekul gevoed door jatwerk, goedkoop effectbejag, mislukte ironie en gauw geld, ergert me al jaren. En ergernis komt toch het best tot bedaren op papier.

Omdenken presenteert zich als de ‘filosofie’ die van een probleem een feit maakt en daarmee een nieuwe mogelijkheid creëert. ‘Omdenken gaat om wat er is, en niet om wat er zou moeten zijn.’ Lees die zin gerust nog maar een paar keer. Deze en een diarree aan nog veel meer oppervlakkige onzin kan vrijwel niemand zijn ontgaan afgelopen jaren. Op Facebook volgen meer dan 400.000 mensen de Omdenken-pagina en inmiddels zijn er tientallen boekjes in omloop en nog veel meer troep die je niet onder je kerstboom hoopt aan te treffen, omdat de gever geen inspiratie had je iets van waarde cadeau te doen. Die one-trick pony boekjes lijken overigens niet alleen allemaal op elkaar, maar kunnen het beste gewoon illegaal worden gedownload. Bespaart een hoop centen. Of stuur me een mail, krijg je ze van mij. Omdenken doet daar niet moeilijk over, want ‘Dat kan immers, omdat het er is’.

De figuur achter de Omdenken-cultus is Berthold Gunster (zie bronvermelding).  De man moet iedere

Berthold Gunster oog in oog met God (Bron: https://ja-maar.nl/wie-zijn-wij/ontstaan)

avond van het lachen niet meer in slaap geraken hoe het toch mogelijk is geweest dat hij met een dergelijk gebrek aan originaliteit zo’n ongelofelijk groot publiek heeft weten te verleiden. Al is dat ook weer niet zo verwonderlijk als je bedenkt dat 2 miljoen mensen hun heil zoeken in een politiek programma van een A4’tje. Wat Loesje tot kunst verhief, transformeerde Berthold schaamteloos tot commercieel gedrocht.

Het is onmogelijk voor te stellen dat Berthold zelf gelooft in wat hij verkoopt. Als voormalig theaterregisseur acteert hij dan ook alles. Op de Omdenken-website acteert hij een orakel, visionair en groot denker. Berthold is het Antwoord en de Weg daar waar de kleinste beweging van zelfreflectie het laat afweten. Berthold geeft antwoord op het probleem van de vluchtelingen. Berthold geeft antwoord op het probleem van de echtscheiding. Een vrouw heeft moeite met haar lichaam, maar gelukkig biedt het Omdenken de verlichting: ‘accepteer jezelf, wees blij met wie je bent. Ook oud worden hoort erbij en dat kan ook prachtig zijn. Amen!’ Probleem opgelost. Iedereen blij.

Je ziet op de filmpjes dat Berthold af en toe moeite heeft om niet in de lach te schieten. De gauwdief die samen met zijn marketingafdeling uitgekauwde psychologische wijsheden van de bevroren grond achter elkaar plakt overgoten met een populair wetenschappelijk en esoterisch-filosofisch sausje, heeft een onverwacht grote sinaasappel gevonden. En die zal en moet tot de laatste druppel worden uitgeknepen. En zolang er nog onzekere directeuren te vinden zijn, een management van een of andere bank met teveel geld in de scholingskast of een theater wat een gat in de programmering moet opvullen, verkoopt Berthold zijn shows voor grof geld. Kun je hem boeken dan? Ja maar natuurlijk kun je hem boeken!

Ik was ooit eens in de ongelukkige omstandigheid om Berthold in een ‘sessie’, een show, een healing of hoe je het noemen moet aan het werk te zien. Niet vrijwillig overigens, maar bij gelegenheid. Het was een van de meest naargeestige voorstellingen die ik ooit in mijn leven bijwoonde. Het woord naargeestig dekt eigenlijk de lading niet eens, als ik mijn uitvoerig gedocumenteerde herinneringen erop nasla.

Advertentie. Met mislukte ironie probeert Omdenken critici de wind uit de zeilen te nemen. Leuk ook dat dyslexie-grapje. Lachen.

Berthold had zich de rol aangemeten van Ecclesiastes. Op enig moment kwam hij met een opdracht voor het aanwezige publiek die inhield dat je geen ‘nee’ mocht zeggen. Een lieve man die zich had voorgesteld als Ruud, bleek niet in staat te zijn overal ‘ja’ op te zeggen. Toen hij achteloos na een publiekelijk standje van de Prediker toch weer ‘nee’ antwoordde op een vraag, werd hij overvallen door een afkeurend rumoer vanuit de zaal. ‘Was hij soms mentaal niet in orde’? De volgende persoon wist wat haar te doen stond. Een vrouw van in de 30 gaf zonder enige tegenzin antwoord op de meest absurde vragen. Of ze zichzelf gruwelijk lelijk vond? Ja, natuurlijk! Ze mocht immers geen nee zeggen van de Prediker…

Ik observeerde nog een aantal mensen die zonder schroom op alles ja bleven antwoorden en toen overviel me het besef dat ik getuige was van een griezelig staaltje volksmennerij waarvan de ernst nauwelijks onderschat kon worden. Het maakte me intens droevig. Tenslotte kwam de Prediker weer terug bij Ruud. Ruud mocht, of eigenlijk moest het nog een keer proberen. ‘Hij had toch immers gezien hoe het ook kon?’ En wederom had hij er moeite mee, verslikte zich, ontkende half en nam het geroezemoes voor lief… Het eindigde. Zonder moraal, zonder doel. En niemand mocht ‘ja-maar’ zeggen. Dat was de doodzonde. Dat werd de publieke vernedering.

Ruud is een held, Berthold is een sukkel. Ruud laat zien dat je nooit moet zwichten voor de groepsdruk, volksmennende clowntjes, goedkope oplossingen of onelinerhulp. De troost van conformisme is de meest valse troost. Ruud toont dat je nooit je eigenheid moet opgeven. Dat je zingeving oneindig beter kunt vinden door introspectie dan je hoop te vestigen op Omdenk-esoterie. Dat je oneliners beter kunt zoeken bij Greshoff of Pascal. Ruud verdedigde Kierkegaards Hiin Enkelte op unieke wijze. Kierkegaard die overigens nooit een cent verdiende aan zijn boeken, iets waar het Omdenken een voorbeeld aan heeft als ze zichzelf werkelijk serieus zou Omdenken. Maar natuurlijk is er niets oprecht aan deze ‘filosofie’. Misschien ergert mij dat nog het meest. Zou er geen cent mee worden verdiend, dan was Berthold al lang en breed op zoek gegaan naar een ander kunstje.

Dit alles heb ik uiteraard geschreven als zuivere reclame voor het Omdenken. Want Omdenken is bedrog, lucht en leegte, volksverlakkerij en handig commercieel misbruik mogelijk geworden door een individualistisch oppervlakkig tijdperk. Een tijd waar dagelijks vermaak tot God verheven is. Omdenken is zo’n God. Ik had het dan ook niet beter de hemel in kunnen prijzen dan met deze woorden. Ga heen en Omdenk jezelf. En leg al je problemen en zorgen in de handen van het grote Niets. Omdat je het verdient, net als Berthold.

Het absolute recht van een stervende op de waarheid

Is het veinzen iemands stervenswens te eerbiedigen een daad van liefde? Een casus uit de notariële praktijk, frivool en haast achteloos geschreven (Algemeen Dagblad 3 oktober 2016, zie onderaan), werpt diepe existentiële vragen op, waar niemand achteloos over zou moeten denken. Een stellingname.

De casus

paddle-vaasEen man heeft zijn hele leven toegewijd gebouwd aan een unieke glasverzameling. Nu hij van zijn artsen heeft vernomen dat hij weldra sterven zal, heeft hij één wens: dat zijn verzameling bijeen blijft. Zijn twee zoons hebben geen interesse die wens in te willigen en lijken louter geïnteresseerd in centen.
De mogelijkheid bestaat nog dat de overheid de collectie overneemt vanwege de kunstzinnige waarde. Bij taxatie blijkt echter dat een groot deel van de collectie kitsch is en de man in veel gevallen is opgelicht. Hooguit enkele stukken zijn financieel de moeite waard. Een levenswerk spat uiteen.
Eén van zijn zoons ziet het met
medelijden aan en belooft zijn vader om zich over de collectie te ontfermen en deze bij elkaar te houden. Enkele maanden later overlijdt de man met het idee dat zijn laatste wens wordt gerespecteerd. Slechts enkele dagen na de crematie brengt deze zoon alle waardevolle stukken naar een veilinghuis en geeft de rest aan de kringloop.
Het artikel eindigt met de zinnen: ‘Keihard bedrog. Maar ook een teken van liefde.’

Een teken van liefde?
belofteWie dit als een teken van liefde beschouwt, baseert die opvatting waarschijnlijk op het idee dat het goed is iemand voor te liegen als dat bijdraagt aan de gemoedsrust van degene die wordt voorgelogen.

Ik ben het ten diepste met die opvatting oneens. Want wat is dit precies voor een liefde? Is dit een liefde die we kunnen wensen? Hoe kan bedriegen een daad van liefde zijn? Is dit een liefde die uit een zuiver hart is voortgekomen en uit een goed geweten? Want liefde is toch minstens een zaak van het goede geweten, lees ik bij Kierkegaard. Maar hoe kan een goed geweten samenvallen met het idee van een onherstelbare leugen?
Dat is iets wat ik niet begrijpen kan.

Ja, deze zoon zal zichzelf voorspiegelen iets goeds te hebben gedaan, hij zal wel moeten wil hij met zichzelf kunnen blijven leven. Maar hij heeft helemaal niets goeds gedaan. Hij heeft alleen een wens vernietigd, en vooral ook de mogelijkheid van de vader om in de laatste maanden van zijn leven zich te verzoenen met de waarheid en vorm te geven aan zijn nalatenschap, zijn levenswerk.

Het is evident dat als we een morele regel opstellen op basis van de opvatting ‘het is een teken van liefde wanneer je iemand bedriegt omwille van zijn gemoedsrust’, niemand nog zelfs op zijn sterfbed zijn bloedeigen zoon kan vertrouwen. Immanuel Kant heeft in Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785) lang geleden al gewezen op de totale absurditeit van zulke opvattingen. Hoe zou deze zoon immers kunnen willen dat hij mogelijk zelf bedrogen wordt op zijn sterfbed? Hoe zou hij gerust kunnen sterven met in het achterhoofd het idee dat zijn eigen zoon misschien naar voorbeeld van zijn vader dezelfde veinzerij aan de dag legt verpakt in een belofte, maar feitelijk niets meer zal doen dan zo snel mogelijk na zijn dood een heel levenswerk verkwanselen?

maskerDe leugen die deze man zijn vader heeft voorgespiegeld als waarheid heft feitelijk iedere gemoedsrust op. Hij heeft door zijn vader te bedriegen de gemoedsrust van iedere stervende vernietigd, omdat hij de belofte heeft vernietigd.

Maar wat dit nog intenser treurig maakt, is niet dit valse idee van liefde. Het is niet de geldzucht van de nabestaanden. Het is niet het klaarblijkelijke ontbreken van enige inspanning om een laatste wens te respecteren. Nee, het intense treurige zit hier in: Deze man die zijn hele leven blijkt te zijn bedrogen, wordt tenslotte ook nog eens bedrogen door zijn bloedeigen zoon.

Dat is een onvoorstelbare hardvochtige minachting voor de stervende en het sterven. Het is zeggen: ‘een stervende heeft geen recht op de waarheid, dat heb ik zo even beoordeeld’. Het is geworteld in dat misselijkmakende hedendaagse idee dat het lijden niet bij het leven hoort en het is zelfs minachting voor het leven, alsof de levende de waarheid niet aan kan. En minachting omdat wat bij leven is gemaakt, zonder enige vorm van spijt met één beweging kan worden vernietigd. Wie vertrouwt zo iemand bij leven nog dat hij niet de inschatting maakt dat de leugen gepast is? Ja, wie zou iemand die zo naar het leven en de dood kijkt als vriend willen hebben?

Het gaat er in deze niet om dat de laatste wens de zoon zou overvragen, want dat zou goed het geval kunnen zijn. Het gaat erom dat hij de belofte maakt terwijl hij weet dat hij deze niet zal houden. Het is iemand de liefde verklaren, waar er geen liefde is. Is dat liefde?

sterfbedNatuurlijk is de paradox duidelijk: wie in niets gelooft, hoeft niet bang te zijn dat bedrog wordt afgestraft. Dat onrechtvaardigheid wordt doorzien. Dat leugens moeten worden verantwoord. De dode is dood, en dood zal hij blijven. Maar wat is nog de waarde van menselijke nalatenschap als alles van waarde weerloos is? Weerloos tegenover de dood en zelfs weerloos tegenover je eigen familie? Zo’n houding maakt het leven zelf zinloos. Je moet haast hopen dat er geen diepere zin bestaat, voor iemand die zo denkt.

Onze laatste momenten in het leven verdienen waarheid. Je moet wanneer je dat kunt een stervende nooit het recht op de waarheid onthouden. Het is een absoluut recht. Dat de waarheid niet altijd welgevallig is, is van oneindig minder belang dan het recht van een stervende de laatste momenten van zijn leven vanuit waarheid op zijn eigen manier vorm te geven.

glazen-illusie-spat-uiteen morele ethische casus

Een verloren liefde

-Aforismen/ bekentenissen/ dialogen/ herinneringen-

‘Beter liefde verloren dan haar nooit bezeten te hebben’
C. J. Wijnaendts Francken

Op 20 oktober kocht ik bij een boekwinkeltje enkele tweedehands boeken. Op zich niets bijzonders, behalve dat ik in één ervan twaalf dubbelzijdig handgeschreven blaadjes aantrof samen met een krantenbericht uit 1989

Het boek in kwestie, Prefaces: Light Reading for Certain Classes As the Occassion May Require, by Nicolaus Notabene wilde ik sowieso hebben, en een vluchtige blik op de papieren deed mij vermoeden dat het om aantekeningen ging. Ik dacht dat ze verband hielden met het boek; ik had er dan ook niet echt oog voor in de winkel.

Ik rekende de boeken af. Eenmaal thuis besloot ik de blaadjes eens verder te bekijken en tot mijn schrik, of tot mijn verrassing zag ik dat het een persoonlijke verzameling notities en aforismen betrof, die niets met het boek van doen had. Vrijwel allemaal verwezen ze naar een gebroken hart en een verloren liefde voor, ik geloof, een bijzondere vrouw.

Ik heb na wat wikken en wegen besloten om een gedeelte ervan hier te publiceren. Het is een selectie van fragmenten die het best leesbaar was en voor mijn idee het meest samenhangend. Verschillende notities lijken verder half af. Ik heb de oorspronkelijke volgorde van de papieren aangehouden. Waar ik het niet goed lezen kon (het was alles in potlood genoteerd en hier en daar onleesbaar of vervaagd), vermeld ik dat en waar een streep onder een woord staat, heb ik ervoor gekozen om dat woord schuin te schrijven. Titels heb ik vet gemaakt. Ik heb een enkele noot toegevoegd, waar ik dat op zijn plaats vond.

Ik hoop dat de auteur mocht hij hoe onwaarschijnlijk ook ooit tegen dit stuk aanlopen, het mij niet kwalijk neemt. Ik denk dat het redelijk is dat ze rond 1989 zijn geschreven. Dat is ook de verschijningsdatum van het betreffende boek. Dat maakt de notities 25 jaren oud. Hoe oud de schrijver zelf is, is onduidelijk. Als hij nog leeft, is het in ieder geval geen jonge man meer, want de melancholie en de zwaarte van de tekst zie ik niet zo uit een jonge pen rollen. Het is daarbij een schrijven dat enkel onder een zwaar gemoed kan worden geconstrueerd en me erg nieuwsgierig heeft gemaakt naar achtergronden (ik vermoedde soms zelfs een opzet voor een toneelstuk; maar daarvoor is er teveel ‘ernst’). En ergens heeft het me ook een bedroefd en ongemakkelijk gevoel gegeven. Het stopt even abrupt als dat het begint. Misschien is er nog meer, maar dit is wat in het boek zat.

Ik hoop van ganser harte dat het hem beter is vergaan, dan dit schrijven doet vermoeden…want het is niet enkel een verloren, maar ook een met spijt en schuld beladen liefde.


-Aforismen/ bekentenissen/ dialogen/ herinneringen-

Wat kunnen herinneringen een vreselijke last zijn, wanneer ze verwijzen naar iets dat voorgoed verdwenen is.

Het verraderlijke aan een laatste kus is dat je pas achteraf werkelijk besef hebt dat de toegang tot deze kus voorgoed afgesloten is. Ze is opgehouden mogelijk te zijn. Pas dan bedenk je je hoe de laatste kus recht had moeten worden gedaan.

Het is een krankzinnig moeilijke zo niet onmogelijke oefening een vrouw te tonen dat je van haar houdt, zonder dat je daarmee het doel wil dienen haar terug te veroveren.

Dialoog. Langzamerhand doven, onmerkbaar worden, onhoorbaar zijn
-‘Als ik morgen zou sterven, zou ze dan op mijn begrafenis zijn?’
α ‘Morgen nog wel, maar volgende week misschien niet meer.’

{noot: de schrijver gebruikt een soort alfa in de dialoogjes die hij houdt om een kritisch gesprekspartner aan te duiden}

Ik begrijp nu hoe zij zich gevoeld moet hebben, vlak nadat ze met mij brak. Ze heeft weken <onleesbaar> gevoeld. Ik probeerde dat te relativeren. Ik was immers niet weg. Maar dat was juist haar pijn: ik was voor haar weg. Ze sprak met iemand die uitgespeeld was en dat deed haar ongelofelijk veel pijn.

Ik besef me hoe schitterend ze schrijven kon en dat stemt me ongelukkig. Die prachtige eigenschap is zo’n zeldzaamheid, dat ik er niet eens naar op zoek wil gaan om het ooit nog te vinden.

Het intieme kan men slechts eenmaal delen zonder herinnering
Ik hoor mijn hart kloppen en zie haar tegen mijn borst aanliggen, ze hoort me leven. Maar ook toen ik al sliep luisterde ze naar de kalme slagen van mijn hart. Welke vrouw doet nu zoiets moois?

Ik kon bij haar zozeer mezelf zijn dat ik vergat dat zij ook zichzelf wilde zijn bij mij.

Ik zou haar om vergeving willen vragen, maar dat doe ik niet, omdat ze die zonder meer verlenen zou en ik dan zelfs dat niet meer van haar te verwachten heb.

Het jaagt me angst aan te merken hoezeer ik lijd onder haar afwezigheid.
Het enige wat ik kan doen is mezelf dwingen niet aan haar te denken, maar die inspanning doet me aan haar denken. 

‘Wat mis je dan meer: haar liefde of haar vriendschap?’
‘Ik zou antwoorden dat haar vriendschap gemotiveerd was vanuit liefde. Je keuze is oneigenlijk en dus maak ik die niet.’

‘O wat gruwel ik van de gedachte dat er zich binnen de kortste keren wel een of ander lachwekkend clowntje zal aandienen dat haar ‘de ware liefde’ zal tonen. Natuurlijk! Er is geen hart zo gemakkelijk te veroveren als een gebroken hart. En hij zal er nog trots op zijn ook. Hij heeft eindelijk iemand gevonden die naar hem om wil zien! De stoethaspel die het vanaf het prille begin van de daken zal schreeuwen aan iedereen die het horen wil, omdat hij aan haar zijn eigenwaarde ontleent. Wat een vreselijke voorstelling!
Waar ik vele jaren voor heb gestreden, geleden, geschreven en gebeden, kletst dit clowntje in een mum van tijd voor elkaar.’

α ‘Zelden heb ik iemand zijn diepe jaloezie zo opzichtig zien uitdrukken…’

De innerlijke blik die me is gegund in haar vrouwelijkheid, ontroert me telkens weer wanneer ik er bij stil sta.

Ergernis. Juist toen ze haar leven een wending wilde geven en daarvoor mij de rug toekeerde, hoorde ik pas hoe lovend iedereen over haar sprak. Niemand wilde me sparen en een uitzondering maken door iets vervelends over haar te zeggen. Dit spreken is oorverdovend en ik schaam me.

Jezelf bedriegen als het gaat om liefde is het ergste, is een eeuwig verlies dat niet goed te maken is in tijd…

Ik slaap niet goed en voel bij het veel te vroeg ontwaken een drukkende pijn in het midden van mijn buik. Haar remedie tegen de ziekte was van het medicijn afblijven. En ze genas. Mijn remedie is zo snel mogelijk het medicijn innemen. Maar het probleem is, dat het medicijn niet alleen niet voor handen is, maar dat het zich ook niet laat innemen. Ik blijf ziek.

‘Jij hebt bemerkt dat iedere vorm van aandacht die je krijgt van een andere vrouw, prettig is, omdat het verdovend werkt. Jouw probleem nu is, dat je de hoop koestert dat zij er ook zo in staat wanneer ze aandacht krijgt van een man.’
α ‘Nee, je moet het anders zeggen: ‘De aandacht die je krijgt van een andere vrouw toont je telkens weer wat voor een geweldige vrouw je eigenlijk had en die werkelijk om je gaf. Het is dus alles behalve een verdoving.”
{noot: dit is geen dialoog, maar een soort alternatief van α aan α, als het ware α‘}

In alles wat ik vond, wist ik dat ik haar zocht.

Godzijdank is ze morgen niet meer jarig, zodat de vraag of ik haar laat weten dat ik aan haar denk me niet meer uit de slaap houdt.

Ik weet niet wat beroerder is… Dat mijn geest mij op willekeurige momenten overvalt met dromen over haar, dat ze daarin consequent schitterend is of dat ik haar bij het ontwaken telkens meer mis dan ooit tevoren.

(…)

Dialoog
α ‘Gaat het je om haar of gaat het je om de remedie die ze bewerkstelligt? Want je hebt geen idee hoe kortstondig die zou kunnen zijn. Zij wel. Je hebt er nogal een gewoonte van gemaakt om een eenvoudig medicijn te verheffen tot de kuur die alles geneest.’
‘Ik begrijp volkomen wat je zegt. Ik wil mezelf genezen, maar daar heb ik haar voor nodig.’
α ‘Je hebt haar <onleesbaar> gebruikt om een balans in jezelf te vinden. Je hebt haar beschouwd als een sociaal <onleesbaar> experiment, waarbij je tot het geloof bent gekomen dat ze genoeg aan je gehecht zou raken, dat ze er wel tot in de lengte van haar leven mee zou instemmen. Dat is een zo weerzinwekkende gedachte, dat je weinig rest behalve diepe schaamte. Dat ze nu haar eigen weg gaat, raakt je zo intens diep, omdat ze daarmee je experimentje ruw heeft verstoord en je als het ware weer terug moet naar de eerste tekeningen van je relationele schetsboek.’
‘Ik moet me diep schamen, dat zie ik in. Ik heb de schoonheid van haar persoonlijkheid veronachtzaamd ten koste van een abstractie. Die abstractie bestaat nog steeds, maar toont zich aan mij in volle leegte als nooit tevoren. Ik wil haar laten zien – zelfs wanneer ze dat niet verlangt – dat ik haar niet op  werkelijke waarde heb geschat, maar haar te vaak voor lief heb genomen.’
α ‘Waarom zou je haar iets willen laten zien waarvan je weet dat ze het niet verlangt? Dat draait dus weer enkel en alleen om jezelf. Zonder dat je het door hebt -en daar twijfel ik over, want je bent dan wel een dwaas, maar geen achterlijke dwaas- probeer je haar opnieuw te gebruiken voor je eigen gemoedstoestand. Het valt te prijzen dat ze dit ten lange leste niet meer heeft geaccepteerd, hoezeer je ook geprobeerd hebt haar wel recht te doen: je hield te veel afstand om dat geloofwaardig te maken. En het zou me niets verbazen als al <onleesbaar> niet meer is dan een zoveelste poging haar weer binnen je experiment te trekken, om zo de schok die je overkomen is door het inzicht dat ze zich niet meer aan je uitleent te verstillen. Je hebt het naïeve geloof dat je met <onleesbaar> een hart kunt terugwinnen dat zich reeds lang gesloten heeft. En als je het dan niet kunt terugwinnen, dan heb je voor jezelf iets poëtisch gecreëerd op papier als troost. Maar dat is dan vooral iets mistroostig.’

-Wat is een dichter? Een ongelukkige, die in zijn hart diep verdriet verbergt, maar wiens lippen zo zijn gevormd dat zuchten en jammerkreten, wanneer die over ze uitstromen, klinken als schone muziek.-

(…)

Het tragische en het droevige
De enige die mijn diepste verdriet begrijpen kan, is de enige die er niets mee te maken wil hebben.

Dialoog
‘Ik begrijp nu wat ik eerder voor krankzinnig hield: een man die uitroept bereid te zijn alles voor een vrouw over te hebben. Mijn hele gevoel spreekt mij niet tegen wanneer ik overweeg al het mogelijke te doen. Ik zou mijn huis vaarwel zeggen, ik zou mijn werkzaamheden opzeggen, ik zou zelfs tegen haar kunnen zeggen dat ik van haar hou. Maar dan voor altijd.’
α ‘Maar waarom zou je dat nu wel kunnen zeggen? Heb je enig idee hoe zwak dit klinkt? En ik wil je “houden van” niet bagatelliseren, maar hield je niet eerder van je kalme leventje wat je nu kwijt bent geraakt dan van haar? Dat kalme leventje is vervangbaar, zij niet.
‘Ik vrees dat ik nu in een staat verkeer, waarin ik het geloof niet heb dat ik er ongeschonden uitkom. Zij is inderdaad het onvervangbare: ik wil geen vervanging. De laatste keer dat ik mezelf in een sentimentele misère zag over een vrouw, duurde het jaren voordat ik daar grip op kreeg. En toen was er slechts sprake van één verdwaalde kus.’
α ‘Vooruit…in dat geval mag je best medelijden hebben met jezelf, dat is werkelijk geen lichtzinnig probleem. Zoveel geef ik je toe. Misschien moest je maar eens wat meer de handen vouwen.’

(…)

Hoewel ik het begrijp, blijft het misschien wel ten diepste krankzinnig: alles over hebben voor een vrouw, moet iets zijn wat een vrouw nooit kan willen.

We kennen elkaar zo goed, ik zou zelfs uit duizenden haar schaduw herkennen!

‘Die ander kan zijn huis enkel en alleen bouwen op de grond die ik heb bewerkt.’
‘In bewerkte grond kun je niet wonen, dat heeft deze ander toch goed opgemerkt.’
{noot: hier ontbreekt α; het betreft wel een reflectie}

‘Alles in haar gedrag scheen te zeggen: ‘Aangezien hij nooit van me gehouden heeft, kan de rest me niets meer schelen!’ Maar ik hield wel van haar, en ik had zelfs nog nooit zo van haar gehouden… Maar het haar bewijzen was onmogelijk. Dat is het afschuwelijke.’
{noot: is dit een citaat?}

Zelfs toen ik voor de vierde maal mijn brief las die ik voor haar geschreven had, begonnen mijn ogen zo hard te tranen dat ik halverwege moest stoppen met lezen: is dat een bewijs van de oprechtheid van de inhoud?

Wat ik mij nu bedenk is dat op het moment dat ze met mij brak, ik standvastig had moeten zijn en had moeten roepen: ‘Maar daar ga ik niet mee akkoord! Wij hebben niet zo <onleesbaar> gestreden, om op het moment dat we elkaar zo goed kennen te zeggen: ‘En verder mag je me niet meer leren kennen. Ik hef de toegang die je tot mij had op’. Maar ik zei niets <onleesbaar> liet iets oneindig waardevols achter.

Geen mens is dom genoeg om zijn eigen intelligentie over het hoofd te zien, maar ik was dom genoeg om de hare zo weinig op te merken.

(…)

Het is mij niet gelukt een mens voor het leven te leren kennen! Maar lijd ik niet veel meer onder het idee dat zij mij niet voor het leven wilde leren kennen?

Ze vertelde me dat ze de dood in de ogen had gekeken en ik moest lachen.
In een droom vertelde ze me het verhaal nog een keer. Ik nam toen haar hand vast en zei: ‘Ik ben zo blij dat je er nog bent!’
Was ik toch maar wat meer de man van mijn dromen…

‘Koester de mooie dingen als een goede herinnering.’
Maar hoe kan iets gekoesterd worden als het gegrond is op onherstelbare mislukking? Hoe kunnen duizenden warme herinneringen stand houden tegen die ene ijzingwekkende koude? – Ik bevries, wat ik me ook bedenk.

De taal is ontoereikend om haar te kunnen schrijven wat ik denk, omdat al mijn denken -hoe ik dat ook zou proberen- een beweging genereert die ik tegelijkertijd kan willen en niet kan willen. Zelfs dit inzicht levert zo’n beweging op (evenals dit meta-inzicht en de herkenning daar weer van (ad infinitum)): Mijn stellingen zijn verhelderend omdat hij die me begrijpt, ten slotte erkent dat ze onzinnig zijn, als hij door middel van mijn stellingen – er op – boven ze uit geklommen is. (Hij moet om zo te zeggen de ladder omvergooien na erop geklommen te zijn.)
{noot: overduidelijk Wittgenstein. De schrijver schreef het in het Duits, ik heb hier de Nederlandse vertaling gebruikt. Ik heb ook van verschillende andere teksten geprobeerd na te gaan of het citaten zouden kunnen zijn, of dat ze ergens zouden zijn gepubliceerd, maar ik heb verder niets kunnen vinden.}

De hele nacht verscheen ze af en aan in mijn dromen, maar dan zo dat ik haar enkel vanaf een onoverbrugbare afstand waarnam in haar ogenschijnlijke nieuwe leven…Ik kon roepen wat ik wilde, ze hoorde me niet. Telkens als ik haar bezig zag in haar doen en laten, hoopte ik slechts één ding: dat ze tot besef zou komen hoezeer ik geprobeerd heb haar werkelijk lief te hebben en hoeveel spijt ik heb dat ik daarin heb gefaald. Ik wenste vurig dat ze me niet liet wegglijden in haar oude herinnering, maar dat ze net als ik zou verlangen naar nieuwe herinneringen.

En de goden spraken tot mij: ‘We gunnen je drie momenten waarop zich een mogelijkheid aandient dat je haar alles wat je wenst schrijven kunt. Gebruik die wijs en verstandig, want daarna zal ze zich afsluiten en is er voor jou niets meer aan haar te zeggen. Voor die drie keer, zal ze alles wat je schrijft met aandacht en toewijding lezen. Wat haar hartsgesteldheid echter betreft, die ligt zelfs buiten onze macht – …’
Ik was verheugd met deze mogelijkheid. Het is niet iedereen gegeven tot driemaal toe het allerlaatste tegen iemand te kunnen zeggen en ermee een mogelijk nieuw begin teweeg te brengen. Zodoende schreef ik, formuleerde en las, verwijderde en herlas, schaafde en schrapte, wikte en woog. En ik ontdekte hoeveel er te zeggen was, hoeveel ik zeggen wilde en hoeveel ik nog nooit gezegd had.
Ik verstuurde mijn eerste brief, en had terstond spijt dat ik er niet veel meer in had verteld. Ik verstuurde mijn tweede brief en gelijk daarop wist ik dat ik het anders had moeten schrijven. En ik verstuurde mijn laatste brief. Ik had er zo lang over nagedacht, maar ook hier wist ik meteen dat er veel meer was dan waar ik mee op de proppen was gekomen…
En de goden spraken weer tot mij: ‘Dit is dan nu je lot én je straf! Waar je geest ingesteld zal blijven op het idee een leven lang alles met haar te kunnen delen, is dat nu voorgoed afgesloten.’
‘O, goden! Hoe kan ik haar nu toch ooit nog prijzen om wie ze is? Dat ik dat niet meer kan, waarvan ik weet dat ik het zo lang heb nagelaten, dat is onverdraaglijk. Het lot accepteer ik, maar de straf is te zwaar.’

Dialoog
‘Wat is de straf?’

‘Een vraag die voor altijd blijft.’
‘Maar wat is de vraag?’
‘Was het mogelijk geweest iets te schrijven wat haar wel van gedachten had kunnen doen veranderen?’
‘Dus wat is de straf?’
‘Dat ik geloof dat het mogelijk was, maar alleen binnen het ogenblik dat nu voorgoed voorbij is.’
{noot: dit fragment lijkt aan te sluiten bij het vorige. α ontbreekt.)

Iemand die met alles wat hij in zich heeft een unieke wedstrijd loopt, maar in het zicht van de finish in elkaar zakt, troost men niet met de woorden: ‘Koester toch de herinnering dat je zo ver nog gekomen bent!’

Zij redt levens. Ik red gedachten.

Ik ken haar diepste zorgen en ik weet wie haar beste vrienden zijn. Ik heb haar telefoonnummer, ik weet waar ze woont en waar ze werkt. Maar ik kan haar niet meer bereiken.

(…)

Ik was samen met haar uit, toen ik op enig moment vast kwam te zitten achter een deur waarvan het slot doordraaide. Ik schat dat ze mij na ongeveer 15 minuten kwam bevrijden uit mijn benarde situatie. Ze voelde als geen ander aan dat ik haar nodig had. Toen heb ik even gedacht dat ze me voorgoed ook bevrijd had van al mijn demonen.

Wanneer iemand zegt: ‘Ik heb hem in dierbare herinnering’ is dat pijnlijk als degene nog leeft. Gewoonlijk zegt men dat over de doden.

‘Geef me op. Laat me gaan. Je houdt het niet met me uit…’
‘Ik ben geduldig!’
‘Maar ik kan het niet meer… Kus me nog één laatste keer en dan herneem ik mijn vrijheid.’
‘Maar ik verdraag je liever dan dat ik je laat gaan! Dat is mijn trouw aan jou! Ik wil niet dat verliezen, waar ik diep van binnen zo trots op ben, zoveel rust aan ontleen en waar ik zo vaak naar uit heb gezien!’
‘Je moet, ik laat je geen keuze. Er is geen of/of meer.’

‘Elke scheiding is een voorsmaak van de dood’
Van de ene op de andere dag was ze voorgoed onbereikbaar, zoals dat alleen is voor te stellen bij iemand die plots sterft: ik zag haar nimmer meer.
{noot: citaat mij onbekend}

Ik zou haar enkel kunnen zien als ik haar minuten mag omhelzen.

Ik zie geen reden om het afscheid nemen te beëindigen. Ik hou haar daarom in gedachten.

α: Wie het vaste geloof heeft dat een verloren liefde is terug te winnen, miskent dat hetgeen verloren is het metafysische vermogen bezit zich onvindbaar te verstoppen.

Toegegeven, ze heeft me van een gigantisch vraagstuk verlost, maar dan wel door er zelf voor in de plaats te komen.

Treurnis om verloren liefde is in aanvang altijd aandoenlijk en kan rekenen op sympathie van eenieder. Maar o wee de man die er te lang mee rondloopt: dan wordt de treurnis onmiddellijke ergernis voor wie er bekend mee is en in aanraking komt.
α: Dat komt omdat langdurig verdriet tegen het hopeloze aan schuurt. En een mens weet zich over het algemeen geen raad met het hopeloze.

Wie iets afbreekt, bouwt sneller op dan wie is afgebroken.
{noot: het eerste deel spreekt van ‘iets’, het tweede van ‘iemand’. Toch lijkt de zin een (begrijpelijke) relatie te veronderstellen}

Ze had beloofd mij te leren wat liefde werkelijk betekent; maar juist nu ik nog maar zo weinig nodig heb om het te begrijpen, heeft ze haar belofte verbroken.

(…)

Het is plots voorbij! Het boek is gesloten, terwijl ik nog aan het lezen was. Wat ik ook probeer, ik krijg het boek niet meer open…

Aan Sanne Eschbach

 Voor Sanne Eschbach; uit de aantekeningen ‘Afstemming en Verhouding.’ Fragmenten uit de nummers 4600-5400 e.v.

Bekentenis van Donald Trump, of: De grootste stunt in de geschiedenis van de democratie

Ik heb de moeite genomen om de ongelofelijke, opzienbarende en historische speech van Donald Trump te vertalen naar het Nederlands. Ik ben geen vertaler Engels, dus men neemt het mij niet kwalijk dat het geen 100% accurate weergave betreft. De strekking is echter net als in de Engelse voordracht (die men onder mijn vertaling aantreft) onmiskenbaar intens.

Mijn dierbare landgenoten,

donald trumpin deze voordracht zal ik een bekentenis doen die velen zal schokken. Het is een bekentenis die velen nauwelijks zullen geloven. De bekentenis is echter niet schokkender dan wat ik de roerige afgelopen maanden van mijzelf heb laten zien. De bekentenis is niet minder geloofwaardig dan het ongelofelijke feit dat het zover heeft kunnen komen: ik als presidentskandidaat van de Verenigde Staten.

In mijn strijd naar het Witte Huis heb ik velen tot op het bot beledigd. Ik heb Mexicanen verkrachters genoemd, vrouwen als lustobject behandeld. Ik heb mij meerdere malen racistisch uitgelaten en zowel democraten als republikeinen tot wanhoop gedreven.

Ik heb openlijk betwijfeld of de presidentsverkiezingen wel eerlijk zouden verlopen. In debatten gedroeg ik mij als een achterlijke clown, veinzend en liegend wanneer het mij uitkwam. Het was zo kluchtig dat zelfs de satire – waar ik erg van genoten heb – nauwelijks in de buurt kwam van de realiteit. Ik was arrogant, harteloos, hardvochtig en hatelijk, en ik verkocht een opruiende populistische boodschap waarvan ik wist dat ze onmogelijk te realiseren zou zijn, op welke manier dan ook.

Maar aan dat alles komt nu een einde. Het is tijd voor de bekentenis. Het is tijd dat ik mijn verschrikkelijke masker afdoe en zeg wat ik te zeggen heb:

dit alles was slechts een sociaal-experiment. Ik zal dat herhalen: dit alles was slechts een sociaal-experiment.

Ik heb blootgelegd hoe treurig het met ons land is gesteld. Ik heb laten zien hoe maskervelen mij bleven steunen terwijl ik de grootst mogelijke onzin uitkraamde. Ik heb aangetoond hoe verdorven onze samenleving is uiteengevallen in groepen die elkaar naar het leven staan. Blanken en zwarten, republikeinen en democraten, mannen en vrouwen, moslims en christenen, jong en oud, het Noorden en het Zuiden.

Zij die teleurgesteld zijn in het feit dat ik nooit van plan ben geweest president van de Verenigde Staten te worden, kan ik slechts aanraden in de spiegel te kijken en bij zichzelf te rade te gaan hoe ze ooit mijn toneelspel serieus hebben kunnen nemen.

Ik trek mij terug, wetende dat ik misschien wel de grootste stunt heb uitgehaald in de geschiedenis van de democratie. Een stunt waarvan ik hoop dat het velen de ogen opent op weg naar eenheid. Want hoe heeft het zover kunnen komen? Denk er over na, ga met elkaar in gesprek.

God zegene jullie allen, en God zegent de Verenigde Staten van Amerika.

Donald J. Trump

____________________________________________________

My dear fellow Americans,

donald trumpin this enunciation I will make a confession which will shock many. It is a confession which many will find hard to believe. The confession however is not more shocking than the way I presented myself the turbulent past few months. The confession is no less credible than the incredible fact that it has come to this: I, as  presidential candidate of the United States.

In my fight for the White House, I have offended many people to the bone. I called Mexicans rapists, I treated women as sex objects. I expressed myself several times as a racist and driven both Democrats and Republicans into despair.

I have openly doubted whether the presidential election will be conducted fairly. In debates I behaved like a retarded clown, pretending and lying as it suited me. It was so comical that even the satire -which I dearly enjoyed- hardly came close to reality. I was arrogant, heartless, callous and hateful, and I presented a seditious populist message for which I knew was impossible to realise in any way.

But all that is now coming to an end. It’s time for confession. It’s time I take off my hideous mask and say what I have to say.

All of this was just a social experiment. And I’ll repeat: all of this was just a social experiment.

maskerI have revealed how sad the current state our country is in. I showed how many people were supporting me while I raved utmost nonsense. I have shown how despicable our society has disintegrated into groups that hate each other. Whites and blacks, republicans and democrats, men and women, Muslims and Christians, young and old, North and South.

Those who are disappointed in the fact that I never intended to be president of the United States, I can only recommend to look in the mirror and consult themselves how they ever were able to take my farce seriously.

I shall withdraw, knowing I might have pulled the biggest stunt in the history of democracy. A stunt that I hope opens the eyes of many on the road to unity. How could it have come this far? Think about it, talk to each other.

God bless you all, and God bless the United States of America.

Donald J. Trump

Leren van hoe het moest: een bespreking van ‘Zeven grondleggers van de onderwijskunde’

Deze recensie is geschreven voor 8Weekly en daar als eerste verschenen. Benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan nu een kijkje op de site aldaar! 9789035140486-cover-178In Zeven grondleggers van de onderwijskunde wordt precies uiteengezet wat de titel belooft, namelijk het leven en denken van zeven grondleggers van de onderwijskunde. Het merendeel van de ideeën die we aantreffen in het boek is volstrekt achterhaald, maar dat is een goed teken. Het geeft immers aan hoe snel de onderwijswetenschap zich ontwikkelt.
Als je niets met onderwijskunde hebt, is het logisch dat je nog nooit gehoord hebt van de grondleggers van deze wetenschap. De kans is echter aanzienlijk dat dit ook het geval is wanneer je wie wel iets met onderwijs van doen hebt. Dit boek probeert daar verandering in te brengen en ons mee te voeren in het denken en leven van onder andere Berend Brugsma, Philip Idenburg en Frans Prins. Dat is geen gemakkelijke opgave, want de kost die het probeert over te brengen is van enorme droogte. Wat ook niet helpt is dat de onderwijskunde bepaald niet zo spannend is als de psychologie, of zo concreet verweven in de dagelijkse praktijk als de pedagogiek. Het ogenschijnlijk gebrekkige succes van die onderwijskunde, waar bij menigeen het idee bestaat dat ze met theoretische noviteiten vooral de praktische docent in de weg zit, schoolbobo’s het hoofd op hol jaagt, de succesvolle mavo en MTS de nek om heeft gedraaid en bureaucratie niet bepaald schroomt, maakt dat de wetenschap nog een lange tijd nodig heeft zich te bewijzen als echte meerwaarde. Iets wat in het boek zelf ook erkend wordt.

Jonge wetenschap

De onderwijskunde is één van die laatste wetenschappen die zich heeft geëvolueerd uit de sociale wetenschappen tot zelfstandige tak. Pas sinds 1983 is het een afzonderlijke, interdisciplinaire studierichting. Onderzoek naar onderwijs bestaat echter al veel langer. Want wie gelooft dat onderwijs een eenvoudige zaak is waarbij het gaat om het overbrengen van kennis, vergist zich schromelijk. Kern-, school- en leerdoelen, didactische evaluaties, activerende werkvormen, het leren leren, probleem gestuurd denken en handelen, dynamische affectieve leerprocessen, klassenklimaat en systematische kwaliteitszorg; het maakt allemaal onderdeel uit van het complexe proces van kennisoverdracht of ligt er aan ten grondslag.

De zeven

Berend Brugsma (1797-1868), de ‘nestor van de schoolpedagogiek’ waar het boek mee opent, heeft op het belang gewezen van de vorming van verstandelijke vermogens en het begrijpend lezen. Volgens de auteurs een miskend onderwijskundig pionier, die pas heden ten dage juist op waarde wordt geschat. Philip Idenburg (1901-1995) was naast een onderwijsgeneralist ook statisticus, en pleitbezorger voor een constructieve onderwijspolitiek waarbij het onderwijs nadrukkelijk moest worden ingezet voor maatschappelijke doelen als gelijkheid en weerbaarheid. De controversiële socialist Hans Freudental (1905-1990) wordt in verband gebracht met realistisch wiskunde-onderwijs ‘waar we wat aan hebben’, en had een buitengewoon vertrouwen in de mogelijkheid om leerlingen te leren denken in het belang van een betere wereld. Frans Prins (1907-1993), wereldverbeteraar en de man die zich vanuit de lagere sociale klasse wist op te werken tot hoogleraar, stelde zijn leven in het teken van de vraag hoe kinderen het beste in staat waren om te leren. Didactiek en onderwijsverbetering vanuit de psychologie van het denken vormden daarop het antwoord. De nog levende Johan van Hulst (1911-), onderwijseclecticus en vertegenwoordiger van de geesteswetenschappelijke pedagogiek vanuit de Bijbelse openbaring staat bekend als de grootste pleitbezorger van het christelijk onderwijs in Nederland. Van Hulst laat ergens denken aan John Henry Newman wanneer hij zijn ergernis uitdrukt dat God uit de collegezalen van de hedendaagse universitaire pedagogiek is verbannen. Leon van Gelder (1913-1981) bekritiseert het Nederlands onderwijssysteem waarin veel te vroeg veel te bepalende keuzes moeten worden gemaakt door het jonge kind, met allerlei ongelijkheid als gevolg. Als pleitbezorger voor de middenschool (een schooltype zonder splitsing in studierichting gelijk al na  het basisonderwijs, met ene nadruk op creatieve en sociale vorming). En tenslotte is er nog de vriendelijke Carel van Parreren (1920-1991), de invloedrijke psycholoog die met zijn Psychologie van het leren het hele terrein vernieuwde, zich verdiepte in de grote Russische psychologen en hun denken toegankelijk maakte in Nederland en een man die bijzondere aandacht gaf aan de studie omtrent kinderen met leerproblemen. Dit boek is het vierde deel van een meerdelige reeks over pioniers van de academische psychologie, pedagogiek en onderwijskunde. Helaas treffen we geen Jan Ligthart of Kees Boeke aan, figuren die zeker tot de verbeelding spreken als het gaat om onderwijsvernieuwing. Van de genoemde vernieuwers zijn hoogstwaarschijnlijk alleen Leon van Gelder en Carel van Parreren inhoudelijk niet helemaal onder het stof verdwenen. Hoelang het duurt voordat dit boek onder het stof is verdwenen valt niet te zeggen. Het is zakelijk goed geschreven, maar alleen de echte onderwijsliefhebber met een bijzonder gevoel voor geschiedenis lijkt ermee te plezieren.

Open brief aan Marieke Dubbelman

In het Algemeen Dagblad van 26 september schrijft Marieke Dubbelman een column waarin ze zich beklaagt over de ontwikkelingen in de wijk Kanaleneiland in Utrecht (zie onder deze tekst). Op basis van een bouwbord zou de gemeente Utrecht zich schuldig maken aan ‘racistisch woningbeleid’.

De column getuigt van een dusdanige naïviteit, dat het haast bedoeld lijkt als provocatie. In dat geval laat ik mij uitlokken, maar ik heb het stoute vermoeden dat Dubbelman –die zichzelf een Vinexvrouwtje noemt en prinsheerlijk in Leidsche Rijn vertoeft- hier een serieuze noot meent te kraken.

Ze spreekt allereerst van een levendige wijk met “ja soms ook problemen”. Die “ja soms ook problemen” betreffen dan waarschijnlijk af en toe een auto die de fik in gaat, onevenredig hoge woninginbraken, autodiefstallen, drugshandel en kentekenfraude. Jongerenoverlast en de ontiegelijke hoeveelheid zwerfvuil laten we dan maar even voor wat het is.

kanaleneilandEn met levendig doelt ze misschien op de populatie in de wijk die voor 80% uit allochtonen bestaat, waarvan het merendeel de Nederlandse taal nauwelijks fatsoenlijk machtig is. Of wellicht het feit dat velen niet weten te ontsnappen uit hun benauwde sociaal-economische positie en de hele dag op straat rondhangen voor de AH. Of misschien zit de levendigheid er wel in dat er de godganse dag allerlei dure wagens door de straat racen zonder zich ook maar in de minste zin te bekommeren om verkeersregels.

Dat de gemeente Utrecht na jarenlang aanrommelen met deze wijk eindelijk de flagrante homogene segregatie die Kanaleneiland kenmerkt aanpakt met een stedenbouwkundige vernieuwing, is niet meer dan een bittere noodzaak. Die had feitelijk 10 jaar eerder al moeten worden ingezet. De overbrugging naar deze vernieuwing is dankzij het huisvesten in afgeschreven panden van studenten, kunstenaars en creatieve jonge ondernemers nog acceptabel geweest. Als er al leven in de wijk is gebracht, dan komt het door het Eiland 8 project.

Nu echter alle ondernemers, creatievelingen en studenten plaats hebben moeten maken voor ‘Your Urban Space en de grootschalige aanpak van dyour urban spacee totaal verpauperde flats en gedateerde jaren 60 laagbouw, moet er serieus worden doorgepakt om een vergelijkbare groep jonge middelbaar en hoger opgeleiden mensen aan te trekken in een wijk die wat betreft woongenot tot het laagste van heel Utrecht e.o. behoort.

In dat opzicht is het niet vreemd dat ‘hip’ particulier initiatief wordt toegejuicht waarbij er energieneutraal wordt gepionierd en waarbij men zich richt op ‘knappe blanke jonge mensen’ om de wijk te versterken waar Dubbelman aanstoot aan neemt. Het is natuurlijk deels gladde marketing, maar daarachter schuilt de ernst van een wijk waarin deze doelgroep in de verste verte niet dood gevonden zou willen worden, terwijl ze juist voor de zo gewenste levendigheid en de (sociale) diversiteit broodnodig is.

Het tenslotte zwakke verhaal van krakers die –mind you- al voor meer dan € 80.000 gemeenschapsgeld aan beveiligingskosten hebben gemaakt door zich te beroepen op een achterhaald links standpunt dat segregatie vooral in stand moet worden gehouden door een wijk in zijn sociale armoede en monotone bouwcultuur te laten verloederen, is echt niet meer wat deze samenleving nodig heeft. De wens om permanent eenzijdig sociale huur aan te bieden aan de laagste inkomens heeft de wijk juist tot aan de rand van de afgrond gebracht en tot een van de minst begeerlijke wijken van Nederland gemaakt. Een stigma waar de wijk niet snel meer vanaf komt.

Als het dan nodig is om het structurele gebrek aan diversiteit in de wijk aan te wakkeren door jonge hoogopgeleide mensen aan te moedigen er een huis te kopen, dan moeten we daar blij mee zijn en niet wederom vervallen in de denkfout dat daar tegelijkertijd die arme allochtoon niet mee geholpen zou zijn. Integendeel.

your-urban-space

 

Een meelijwekkende schreeuw: vloggers, buurthuisactivisme en de smeekbede om erkenning

250px-pauw-1Toen bij Jeroen Pauw op een verdwaalde donderdagavond enkele jongeren in disguise een podium kregen zich te presenteren (kijk hier of hier) aan laat-opblijvend Nederland, hadden weinigen kunnen vermoeden dat het symbolische televisie zou worden waar heel Nederland lang over zou steggelen.

Honderden nieuwsfeiten verder en honderdduizenden reacties later voegt deze bijdrage er nog één ongebruikelijk perspectief aan toe.

Na het terugzien van de 15 minuten televisie, overheerste aanvankelijk ergernis, maar na het herhaaldelijk terugzien werd het vooral medelijden. Diepe ergernis kon ik in mijzelf niet meer bespeuren. Zeker, er is ongelofelijk veel om te ergeren en er is ongelofelijk veel meer dan alleen die 15 minuten film, maar Ismail Ilgun en zijn trawanten verdienen toch medelijden. Het optreden is namelijk één lange smeekbede om erkenning. Die blijft uit. Het optreden is één grote schreeuw om er toe te mogen doen in een samenleving, waar je zonder baan, opleiding en met schulden je trots en identiteit probeert staande te houden. Onbeholpen desnoods. Het is een diep-existentiële tragedie, waar deze ongelukkigen iedere dag in ontwaken en waar jarenlange collectieve verdwaling aan ten grondslag ligt. Wie kan nog een weg wijzen?

Ismail Ilgun

Ismail Ilgun

Je ziet Ilguns pantser verzwakken wanneer gemeenteraadslid voor de lokale partij Democratisch Zaanstad Juliëtte Rot hem enkele complimenten maakt. Het doet hem ongelofelijk veel goed, want hij is een onbegrepene die buiten zijn veilige subcultuur door niemand ernstig genomen wordt, verwenst en zwak wordt aangevallen op zijn uiterlijk.

Hij straalt wanneer hij mag zeggen dat kleine kinderen tegen hem opkijken en hem dankbaar toeroepen dat hij geen tuig van de richel is. Want kleine kinderen, dat zijn zijn fans. ‘Vraag het de kleine kinderen maar!’ roept hij in vele vlogs. ‘Vraag het de kleine kinderen maar!’ Voor hen speelt hij het onconventionele vregge clowntje via de moderne media.

Maar we kijken hier vooral naar iemand die zelf in alles een kind is. Een kind met bijzonder weinig reflectief vermogen, zelfinzicht en relativeringszin. Tot overmaat van ramp gecombineerd met een abominabele woordenschat. En op een kind moet je niet te snel boos worden. Aan een kind moet je je niet teveel ergeren. Het mist ieder verstandig vermogen om zichzelf te redden uit de benarde situatie waarin het zich heeft gebracht. Je moet blijven proberen het volwassen te maken.

Haki

Haki-zonder-zonnebril

Ja, Ilguns broeder Haki-zonder-zonnebril (HBO en onderneming) probeert het oprecht. Hij probeert er wat van te maken. Hij is volwassen. Daar kun je niets kwaads van zeggen. Haki ergert zich zichtbaar aan alle onzin die zijn vrienden uitkramen. Afkeurende handgebaren, meewarige blikken; hij lijkt te zijn beland in een samenzwering van idioten. Haki dwingt er naast medelijden zelfs sympathie mee af.

Je gunt hem toch dat buurthuis wat ze zelf gesloopt hebben. Maak Haki opzichter van dat buurthuis! Geef hem een titel en een functie en verantwoordelijkheid. Laat de ouders van deze buurthuisactivisten garant staan. Eén papa schijnt een peperdure Audi Q7 te bezitten. Gebruik dat als onderpand, samen met de eer van de gemeenschap waarbinnen ze zich thuisvoelen. En de ironie moet hier zelfs zover gaan dat de Vomar blikjes Redbull sponsort. Dat is de andere wang die nodig is. Want zolang de overheid actieve segregatie niet bij de kern aanpakt is een buurthuis weldegelijk de minst slechte oplossing. En is medelijden over alles wat zich binnen de grenzen van de rechtsstaat voltrekt echt de meest passende emotie.

________
Lees ook het sterke artikel van Arjen van Veelen:
Keen keld wel een cameraatje en een kutleven

Indrukken bij de eerste druk VI: Jules Léquyers La Recherche d’une Première Vérité uit 1865

Indrukken bij de eerste druk VI
Jules Léquyers La Recherche d’une Première Vérité uit 1865
~En de ontdekking van een brief~

~Voor die ene die ontdekken wil~

Het essay wat ik eerder publiceerdeStatue Lequier, met daarin een bescheiden uiteenzetting van enkele gedachten van Jules Lequier (noot 1), bracht me tot een zoektocht naar de beschikbaarheid van de eerste druk van zijn postuum verschenen filosofische fragmenten, die zijn vriend Charles Renouvier in 1865 heeft uitgegeven bij Imprimerie de Mme Ve Belin, Saint-Cloud.

Het is aantrekkelijk en ook enigszins voor de hand liggend om het werk van Lequier te vergelijken met dat van Kierkegaard. Er is geen enkele aanwijzing dat ze elkaar gekend hebben of hebben beïnvloed, maar Lequiers existentiële grondslagen, de keuze voor verantwoordelijkheid en vrijheid en het pleidooi voor bestaansrecht van corsaren3het individu (anti-Hegeliaans in die zin) vertonen grote overeenkomsten met het filosofische project van Kierkegaard. Hier en daar wordt zelfs de vergelijking gemaakt tussen Kierkegaards verhouding tot Regine Olsen en Lequiers verhouding tot Anne Deszille (vgl. Clair, A. (2008). Kierkegaard et Lequier: Lectures croisées). Dat lijkt me echter ver gezocht. Jammer genoeg is er over Anne Deszille niets te vinden, zodat haar mysterie in tegenstelling tot dat van Olsen voorgoed bewaard blijft.

Prof. dr. Donald Viney, de Engelse autoriteit op het gebied van het denken van Lequier, merkt op dat Kierkegaard en Lequier eenzelfde soort literaire filosofische stijl hanteren (het lezen van Het Heggenblad doet dat bevestigen) waarbij wijsgerige en religieuze thema’s met elkaar vervlochten zijn en het christendom op een nieuwe filosofische manier wordt opgevat. Het spreekt voor zich dat Kierkegaard hierin veel ‘systematischer’, consequenter en uiteindelijk ook succesvoller is geweest, maar in thematiek zijn er inderdaad naast talrijke verschillen interessante gelijkenissen op te merken.

Lequier was een toegewijd rooms-katholiek. Het verhaal gaat dat hij op 15 augustus 1846 een mystieke ervaring heeft gehad, die doet denken aan Pascals Memorial, helemaal omdat hij de ervaring neerschreef gecombineerd met Franse en Latijnse teksten. Die ervaring is niet opgenomen in het boek, maar verder staan alle belangrijke teksten erin, die Renouvier na verschillende correspondenties heeft gebundeld.

Eerste druk LequierDe uitgave was nadrukkelijk niet bedoeld voor de verkoop zoals ook staat vermeld in het boek zelf, maar voor vrienden en kennissen ter nagedachtenis aan de filosofische nalatenschap van Lequier. De oplage bedroeg dan ook slechts 120 exemplaren. Het geluk was met mij, dat ik na wat zoekwerk een aangeboden exemplaar bij een Frans antiquariaat (J. Vrin) tegenkwam, zo niet het laatste exemplaar op de wereld in de verkoop. Nadat ik hem een eerste bod had gedaan per e-mail, wat zonder reactie bleef, kon ik op een avond de slaap niet vatten door de gedachte ernaast te grijpen, dat ik zodoende de ochtend erna het boek direct aanschafte. Het gevoel een stuk geschiedenis in zijn meest oorspronkelijke vorm te bezitten, had me toch weer gegrepen.

Enkele dagen later ontving ik het boek, en tot mijn grote verrassing bevond zich in het boek een handgeschreven brief van twee kantjes van Jules Lequier zelf. Ik besloot daarop contact te zoeken met de Amerikaanse hoogleraar Donald W. Viney. Ik stuurde hem een fotokopie van de brief, waarmee de speurtocht geopend was niet zozeer naar het boek, maar naar de achtergrond van de brief.

Ik ontving vrijwel per omgaande een informatieve en zeer vriendelijke reactie van Viney:

I very much appreciate the copy of the Lequyer letter that you sent. It is clearly not in Jean Grenier’s edition of Lequyer’s complete works and so is of great interest to me and to anyone else with more than a passing interest in Jules Lequyer. The letter is very difficult to decipher and there are words I can’t make out. I have sent the letter (and forwarded your email) to Goulven Le Brech in Paris. His native French “eye” will help to understand this. It is clearly written during Lequyer’s time in Paris at the École Polytechnique, but I’m still not sure who the recipient was. I wonder if there is any clue in your edition of La Recherche d’une Première Vérité of who owned it. As you know, Charles Renouvier gave copies of this book freely to those who were interested, and presumably some copies went to Lequyer’s friends. I once owned an original copy (like the one you have) and on the inside cover of my copy was a handwritten dedication that reads “Offert à M- Beaurrier par l’éditeur C. Renouvier”. Is there anything comparable in your copy? Perhaps not.

Ik schreef naar aanleiding hiervan oud-collega Georgette Molenaar aan die de Franse taal meester is om te achterhalen wat precies in de brief stond en aan wie hij was gericht. Ik vroeg haar om op de eerste plaats het handschrift om te zetten naar de Franse tekst om vervolgens een Nederlandse vertaling toe te voegen. Het onderstaande is het verdienstelijke resultaat hiervan.Brief Jules Lequier

Klik hier voor de afbeelding op hoge resolutie

Frans Origineel (Zoals gezien door G. Molenaar)

1844

  1. Viens, mon ami, mon frère. Viens passer quelque temps avec nous. Nul de ceux que tu aimes et qui seront heureux de te revoir, n’éprouveront en t’embrassant de plaisir comparable au mien.
  2. J’avais prié Michelot de joindre au lettre que je t’envoie une lettre de lui et voilà qu’aprés quelques jours de chercher amèrement, perdue enfouie dans cet épouvantable masse de papiers qui encombre ma chambre et où ma maladresse l’a engloutie, J’aime mieux t’envoyer ceci et ne pas attendre que j’ai retrouvé sa lettre. A ton arrivée je la remettrai ainsi qu’une vieille lettre de Guerin l’asmeilleur Guerin, qui me tombe quelquefois sous la main quand je fais la grande inspection de mes papiers et qui m’a ému toujours.
  3. De dire que je pensais toute cette (période)) a toi, que je me proposais de mois en mois de t’écrire des volumes ce serait ne rien t’apprendre. Mais ma vie a été si agitée, si travers à, à bientôt, cher ami; tu trouveras ici tous tes fidèles amis, moi en tête.
  4. Si je ne te connaissais pas si parfaitement (moi qui te connais si bien, mieux qu’un frère) tes lettres m’auraient un peu inquiété. Mais tu n’as pu prendre la doctrine de Fourrier que par le grand côté et peut-être meme par ce qui la dépasse, lui prêtant la grandeur de ton propre cœur. Si tu es Fourrieriste c’est en maître et non en disciple de Fourrier je trouve .. dans tes travaux tes préoccupations, tes aspirations vers le bien et la vérité, ton âme si noble, objet pour moi d’une si tendre affection. Oh que je serai heureux t’embrasser mon cher Fréderic.
  5. Puisses-tu hâter cet heureux moment ne m’en voulez pas, ami, de mon silence. Si tu savais comment j’ai été malheureux après ton départ mais l’horizon s’éclaircit et les temps meilleurs s’annoncent. Mets moi à part dans ton cœur, oui j’ai droit à une place à part.
  6. A bientôt, noble ami.

Jules Lequyer
Rue Vaugirard 52 bis

Nederlandse vertaling (Vertaling door G. Molenaar)

1844

  1. Kom, mijn vriend (A), mijn broer. Kom wat tijd doorbrengen met ons. Niemand van degenen waarvan jij houdt en die blij zullen zijn je terug te zien, zullen bij het omhelzen, hetzelfde plezier voelen als ik.
  2. Ik had Michelot (B) verzocht om een brief van hem te voegen bij de brieven die ik je stuur en ziedaar na enkele dagen bitter zoeken, verloren geraakt weggezakt  in die afschuwelijke massa papier die mijn kamer hinderlijk vult en waar mijn onhandigheid hem in heeft verzwolgen. Ik stuur liever deze brief nu en ga niet wachten tot dat ik zijn brief terug vind. Bij je aankomst zal ik je hem geven evenals een oude brief van Guerin (C) de allerbeste Guerin waar ik soms de hand op leg als ik een grote inspectie houdt van mijn papieren en die mij altijd heeft geraakt.
  3. Om te zeggen dat ik de hele tijd aan je dacht, dat ik me van maand tot maand voornam om je hele boekwerken te schrijven daarmee zou ik je niets nieuws vertellen. Maar mijn leven is zo veelbewogen geweest zo vol tegenslag. Tot gauw beste vriend je zult hier op tijd je trouwe vrienden vinden, mij voorop.
  4. Als ik je niet zo perfect zou kennen ( ik die je zo goed kent, beter dan een broer) zouden jouw brieven me een beetje ongerust hebben gemaakt. Maar jij hebt slechts de doctrine van De Fourrier (D) groots toegepast en misschien zelfs wel overstegen, hem verlenende de grootsheid van je eigen hart. Als je al Fourrieriste bent dan is het als meester en niet als volgeling. Ik vind jouw ziel in jouw werken terug, in je zorgen en in je aspiraties naar het goede en de waarheid, jouw ziel zo edel, voor mij voorwerp van een zo tedere genegenheid. Oh wat zal ik gelukkig zijn om je te omhelzen mijn lieve Frederik.
  5. Kon je dit gelukkige moment maar versnellen. Vriend, neem me mijn zwijgzaamheid niet kwalijk als je wist hoezeer ik ongelukkig ben geweest na je vertrek maar de horizon wordt lichter en betere tijden kondigen zich aan. Zet mij apart in je hart, ja ik heb recht op een aparte plek.
  6. Tot gauw edele vriend.

Jules Lequyer
Rue Vaugirard 52 bis

Aantekeningen bij de Nederlandse tekst
A. Frédéric Zurcher (1816-1890): vriend van Jules Lequier (en Charles Renouvier), Polytechnique (klas van 1834).
B. Paul Michelot (1817-1885): vriend van Jules Lequier, Polytechnique (klas van 1834)
C. Waarschijnlijk Léon Guérin (1807-1885), schrijver, journalist, historicus en Frans dichter.
D. Charles Fourier (1772-1837): Franse filosoof.

Engelse vertaling
Prof. Viney, die ook de Franse taal meester is, heeft hier een Engelse vertaling aan toegevoegd.

Ik heb deze, samen met mijn eigen oorspronkelijke Engelse vertaling (die van mindere kwaliteit is dan die van Viney rechtstreeks uit het Frans) in een overzichtelijk pdf-document geplaatst, wat hier te vinden is.

In de verdere briefwisseling die ik had met Viney, gaf hij de informatie dat er aanwijzingen zijn dat naar alle waarschijnlijkheid de helft van het aantal gedrukte exemplaren is vernietigd.

There is some reason to believe that half of the 120 copies that Renouvier published may have been destroyed, or so Jean Grenier speculates in his little article “La première publication de La Recherche d’une première vérité” in Revue Philosophique de la France et de l’Étranger, LXXIX, 7-9 (1954): pp. 412-415. (zie voor dit artikel hier)

Dat betekent dus dat er nog maar ongeveer 60 exemplaren op de wereld van deze eerste uitgave beschikbaar zouden zijn. Aangezien zoals reeds opgemerkt, Charles Renouvier de exemplaren vooral als cadeau gaf aan liefhebbers en nabestaanden (onder wie William James), bevatten ze niet zelden een persoonlijke opdracht van Renouvier. Dat is ook het geval in mijn exemplaar. We lezen daar:

Opdracht groot LequierOffert en mémoire de leur vieux camarade à son ami F.Zurcher par l’éditeur C. Renouvier.

(Aangeboden ter herinnering aan hun oude kameraad aan zijn vriend F. Zurcher door de uitgever C. Renouvier).

De brief die is aangetroffen in mijn boek, blijkt na onderzoek inderdaad te zijn gericht aan Frédéric Zurcher (1816-1890). Deze studievriend van Lequier zwaaide in hetzelfde jaar af (1834) en klaarblijkelijk hadden ze in 1844 (het jaartal wat in potlood geschreven op de brief is geplaatst, waarschijnlijk door Zurcher) nog innig contact. Volgens gegevens van de Ecole Polytechnique was hij blond, met een onbedekt gezicht, grote neus, blauwe ogen, gemiddelde mond, ronde kin en 1,78 m lang. Na zijn studie werd hij succesvol marine-officier. Zurcher publiceerde bovendien veel populair wetenschappelijke boeken en artikelen (waaronder vijftien boeken over vulkanen, stormen, meteoren, gletsjers en de onderwaterwereld). In maart 1852 trad hij met Justine Camille Margolle in het huwelijk, waaruit twee jongens werden geboren die net als hun vader een militaire loopbaan hadden. Nadat hij het leger verlaat stort Zurcher zich tot het einde van zijn leven op het denken van Charles Fourier, wat hij met verve propageert.

Viney heeft de brief zoals opgemerkt ook aan de Franstalige autoriteit Goulven Le Brech laten zien en schrijft:

Goulven thinks that this letter is important in showing that, during his days in Paris, which may have been the most important of his life, Lequyer was at the center of a circle of friends with vast intellectual interests. Zurcher was, as the letter indicates, a follower of Fourierisme. François Marie Charles Fourier (1772-1837) was a social philosopher who advocated socialist ideas and is credited with first using the word “feminism.”

Dat het boek dus in bezit is geweest van Frédéric Zurcher, maken zowel de persoonlijke opdracht van Renouvier, als de aanwezige brief in het boek duidelijk.

De vondst is inmiddels ook internationaal opgemerkt, en gepubliceerd op het Jules Lequyer Archief: https://juleslequier.wordpress.com/2016/07/13/decouverte-dune-lettre-inedite-de-jules-lequier/.

Daarin wordt, naast mijn verkeerd geschreven naam, overigens ten onrecht een verbondenheid aan de universiteit Utrecht gesuggereerd; mij is verzekerd dat dit wordt gecorrigeerd.

Opdracht en voorblad LequierWat verder opvalt is dat dit boek opnieuw moet zijn gebonden. De reden daarvoor is dat zich in het boek tussen de pagina waarin het aantal gedrukte exemplaren wordt vermeld en de aanvang van het voorwoord van Renouvier, eeRichebourg Phot de la Couronnen pagina is toegevoegd met daarop de afbeelding van het gemaakte standbeeld van Lequier. Het standbeeld is pas in 1868 bij het graf van Lequier gebouwd, terwijl de uitgave stamt uit 1865. Op de ingevoegde pagina die duidelijk van zwaardere kwaliteit is dan de rest van de pagina’s, treffen we ook een stempel aan van ‘Richebourg Phot. de la Couronne. De onderste regel is niet goed zichtbaar, maar de zaak moet zijn gevestigd in Parijs aan de Quai de l’horloge 29. Een blik op Google Maps toont ons nu een theehuis. Speurwerk brengt me tot de waarschijnlijke fotograaf Pierre-Ambroise Richebourg (1810-1875).Stempel fotograaf

De stempels van Richebourg zijn zeldzaam (te vinden) en bevinden zich voornamelijk rond de jaren 1840-1870, als je zoekt in Google books. Het is zeer waarschijnlijk dat de foto rond deze tijd is gemaakt. Wat wel opvalt zijn de gelijkenissen met beschikbare foto’s op internet, wat vragen doet naar de originaliteit van de afbeelding.

Foto en oplageblad


Zo is deze indruk van de eerste druk niet het verhaal geworden van al te veel achtergronden wat betreft het boek en haar inhoud, maar meer van een verloren brief die weer gevonden is, en waar ik toch minstens 3 wereldburgers zeer mee heb verblijd. De brief is inmiddels ingelijst en een blik erop laat afdwalen naar de gelukkigere tijden van Lequier, waar hij zijn vriend schreef, zoals wij dat tegenwoordig nog maar zo zelden doen.

Noot
(1) Zoals waarschijnlijk is opgevallen, is de schrijfwijze van zijn achternaam op verschillende manieren mogelijk. Ik hanteer hier consequent ‘ Lequier’, omdat dit het meest gangbaar lijkt, maar juister is feitelijk ‘Léquyer’. Zijn geboortecertificaat vermeldt ‘Lequier’, maar dat is door zijn vader later gecorrigeerd tot ‘Lequyer’. Daarbij is het bekend dat Lequier zelf geregeld zijn naam op een verschillende wijze schreef. In de mij beschikbare brief heeft hij zich bedient van ‘Jules Léquyer’. Op zijn grafsteen in Plérin staat Lequyer.

Verder lezen?
Bronnen over Lequier. Gedeeltelijk overgenomen uit: Vincelette, A. (2009). Recent catholic philosophy. The 19th century.  Milwaukee, Wisconsin: Marquette University Press:

Lequiers vertaalde werk in het Engels: Translation of Works of Jules Lequyer: The Hornbeam Leaf, The Dialogue of the Predestinate and the Reprobate, Eugene and Theophilus, vert. Donald Wayne Viney (Lewiston: The Edwin Mellen Press, 1998); Jules Lequyer’s ‘Abel and Abel’ Followed by ‘Incidents in the Life and Death of Jules Lequyer’, vert. Mark West (Lewiston: The Edwin Mellen Press, 1999). Delen uit The Problem of Knowledge zijn vertaald in Philosophers Speak of God, Charles Hartshorne en William Reese, eds. (Chicago: University of Chicago Press, 1953), pp. 227- 230; The Hornbeam Leaf ook vertaald in 1974 door Harvey Brimmer en Jacqueline Delobel in “Jules Lequier’s The Hornbeam Leaf,” Philosophy in Context 3 (1974), pp. 94-100; en in The Dialogue of the Predestinate and the Reprobate door Donald Viney in Questions of Value Readings for Basic Philosophy (Needham Neights: Ginn Press, 1989).

Secundaire bronnen:
Russell, Leonard, “Review of La recherche d’une premiere vérité,” Mind 36 (1927), pp. 512-514; Grenier, Jean, La philosophie de Jules Lequier (Paris: Belles Lettres, 1936); Lazareff, Adolophe, “L’enterprise philosophique de Jules Lequier,” in Vie et Connaissance, Boris de Schloezer, ed. (Paris: Félix Alcan, 1948), pp. 21-40; Wahl, Jean, Jules Lequier: Introduction et choix (Paris: Trois Collines, 1948); Charlton, Donald, Positivist Thought in France during the Second Empire, 1852-1870 (Oxford: Clarendon Press, 1959), pp. 18-19, 232; Callot, Emile, Propos sur Lules Lequier: philosophe de la liberté (Paris: Marcel Riviere, 1962); Pasquali, Antonio, Fundamentos gnoseológicos para una ciencia de la moral ; ensayo sobre la formación de una theor’a especial del concimiento moral en las filosof’as de Kant, Lequier, Renouvier y Bergson (Caracas: Universidad Central de Venezuela, 1963); Tilliette, Xavier, Jules Lequier ou le tourment de la liberté (Paris: Desclée de Brouwer, 1964); Roggerone, Giuseppe, La via nuova di Lequier (Milan: Marzorati, 1968); Sipfle, David, “A Wager on Freedom,” International Philosophical Quarterly 8 (1968), pp. 200-211; Petterlini, Arnaldo, Jules Lequier e il problema della libertà (Milan: Vita e pensiero, 1969); Brimmer, Harvey, “Jules Lequier’s ‘The Hornbeam Leaf ’,” Philosophy in Context 3 (1974), pp. 94-100; Prontera, Angelo, ed., Libertà e Ontologia (Lecce: Milella, 1984); Viney, Donald, “Faith as a Creative Act: Kierkegaard and Lequier on the Relation of Faith and Reason,” in Faith and Creativity: Essays in Honor of Eugene H. Peters, George Nordgulen and George Shields, eds. (St. Louis: CBP Press, 1987); Shields, George, “Some Recent Philosophers and the Problem of Future Contingents,” The Midwest Quarterly 34 :3 (1993), pp. 294-309; Viney, Donald, “Review of La recherche d’une premiere vérité et autres textes,” Process Studies 23:4 (1994), pp. 290-291; Viney, Donald, “On the Trail of a French Philosopher of Genius: Jules Lequyer,” Pittsburgh State University Magazine 6:1 (1995), pp. 12-14; Tilliette, Xavier, “Lequier Lecture de Fichte,” in Fichte et la France, ed. Ives Radrizzani (Paris: Beauchesne, 1997), v. I, pp. 183-199; Viney, Donald, “Jules Lequyer and the Openness of God,” Faith and Philosophy 14:2 (1997), pp. 212-235; Viney, Donald, “William James on Free Will: The French Connection,” History of Philosophy Quarterly 14:1 (1997), pp. 29-52; Armellini Paolo, Lequier: La solitudine di Dio (Rome: Ed. studium, 1998); Viney, Donald, “The Nightmare of Necessity: Jules Lequyer’s Dialogue of the Predestinate and the Reprobate,” Journal of the Association for the Interdisciplinary Study of the Arts 5:1 (1999), pp. 19-32; Clair, André, Métaphysique et Existence: Essai sur la philosophie de Jules Lequier (Paris: Vrin, 2000); Pagani, Paolo, Libertà e non-contraddizione in Jules Lequier (Milan: F. Angeli, 2000); Josse, Jacques, Jules Lequier et la Bretagne (Moëlan-sur-mer: Blanc Silex, 2001); Le Brech, Goulven, Jules Lequier (Rennes: La Part Commune, 2007).

Lees ook:

  1. Indrukken bij de eerste druk V: Martin Heideggers Sein und Zeit uit 1927
  2. Indrukken bij de eerste druk IV: Derek Parfits Reasons and Persons uit 1984 in de hand (met een korte inleiding tot het boek)
  3. Indrukken bij de eerste druk III: H.L.A. Harts The Concept of Law uit 1961 in de hand (met een kleine rechtsfilosofische bijdrage)
  4. Indrukken bij de eerste druk II: John Henry Newmans Grammar of Assent uit 1870 in de hand
  5. Indrukken bij de eerste druk: Søren Kierkegaards Frygt og Bæven uit 1843 in de hand

 

 

Jules Lequier. Existentialisme van een vergeten ongelukkige

 Jules Lequier
Existentialisme van een vergeten ongelukkige

~Bold traveler in the worlds of thought, I have explored more than one route, I have sounded more than one abyss.~

Per toeval stuitte ik op een triest verhaal, wat mij viLequier-marchea wat omwegen bracht tot een fragmentarische studie naar het leven en denken van de Franse filosoof Jules Lequier (1814-1862. Ook: Lécuyer en Lecuyer; uitgesproken als: ‘Lekiejeh’).

Jules Lequier is zo onbekend dat je er je verdere leven nooit meer iets over horen of lezen zult, maar precies zo bekend dat met weinig inspanning er overal sporen te vinden zijn. Verschillende van die sporen ben ik nagelopen, met als resultaat onderstaande studie. Omdat ik het Frans nauwelijks machtig ben, rust het merendeel op secundaire bronnen.

Het waarschijnlijk belangrijkste spoor is zijn zelfmoord. In een uit het Frans vertaald Duits boek genaamd Frühstück bei Sokrates. Philosophen ganz privat (1998) van Frédéric Pagès lezen we op p. 14 hoe Lequier tot zijn laatste adem kwam. Op 11 februari 1862 begeeft hij zich naar het strand bij Plérin aan de Côtes-du-Nord (tegenwoordig genaamd Côtes-d’Armor). Het bleek een van zijn gewoonten te zijn om in de winterse kou zichzelf met zeewater te wassen, om zo wat hij noemde ‘de brandende pijn in de borst’ te verlichten. Zijn miskende leven bracht hem deze keer echter niet tot een therapeutische handeling met koud water, maar tot een duik in de zee gevolgd door een zwemtocht tot hij niet meer kon. Later in de avond vonden ze zijn lichaam.

Lequier had toen een ongelukkig leven achter zich. Op een enkel stuk na publiceerde hij zijn geschreven teksten niet; zijn perfectionisme verbood hem zijn gedachten de wereld in te sturen, zolang ze dus niet perfect waren. Op zijn 23e verloor hij zijn vader die hem bovendien met grote schulden opzadelde (1), en een jaar later slaagde hij niet voor het toelatingsexamen tot legerofficier. Hij probeerde een politieke loopbaan op te bouwen, maar dat mislukte jammerlijk. Voortdurend in financiële moeilijkheden is hij gedwongen zijn ouderlijk huis te verkopen en de erfenis van zijn tante gaat geheel naar de schuld die hij dan bij zijn neef had uitstaan. In 1851 krijgt hij een zenuwinzinking waarbij hij zijn arm probeert af te hakken met een bijl. Enkele vrienden brengen hem daaropvolgend tegen zijn zin in een maand lang onder in een gesticht. Verschillende zelfmoordpogingen die hij daar onderneemt mislukken nog.

Enkele maanden na zijn ontslag uit de kliniek doet hij jeugdliefde Anne Deszille (1818-1909) een huwelijksaanzoek. Als kinderen schreven ze elkaar liefdesbrieven en lieten ze boodschappen voor elkaar achter bij een boom, meldt Donald W. Viney in Jules Lequyer: Prophet of Open Theism (2014). Deszille weigert zijn aanzoek echter onder het voorwendsel dat haar ouders het huwelijk zouden afkeuren. Gelet op zijn mentale staat niet helemaal onbegrijpelijk. Na wat omzwervingen waarin hij verschillende posten bekleedt als docent en zelfs als hoogleraar in de wiskunde, doet hij nadat Deszilles vader is overleden (28 december 1861) haar opnieuw een aanzoek ergens in de eerste week van februari 1862. Ze wijst zijn genegenheid nu definitief af. Vlak na deze afwijzing, op 11 februari, begeeft Lequier zich voor een laatste keer naar de kust.

Alan Vincelette geeft in het overzichtswerk Recent catholic philosophy (2009) aan dat de officiële doodsoorzaak was vastgesteld op ‘accidental drowning of an individual with a “disturbed Spirit’’’(p. 80), maar dat er voldoende bewijs is dat Lequier zich met opzet heeft verdronken. Een week voordat hij stierf had hij een vriend toevertrouwd dat hij in zo’n grote geestelijke nood verkeerde dat hij hem binnenkort niet meer zou zien. Zijn secretaris, Jean-Louis Le Hesnan heeft verklaard dat op de dag van zijn dood Lequiers laatste woorden toen hij de baai uitzwom een afscheidskreet betrof aan de vrouw die hem tot twee keer toe had afgewezen. “Adieu, Nanine”, zou hij hebben geroepen, de koosnaam van Anne Deszille. Anderen hebben nog gespeculeerd dat hij na zijn afscheidsgroet om hulp geroepen zou hebben (p. 276; originele bron naar mijn inschatting Derniers Moments de Jules Lequyer (1862) Krantenartikel van Charles le Maout, Le Publicateur des Côtes-du-Nord 1 maart).

Volgens zijn vriend Louis Prat zou Lequier een ultieme weddenschap met God zijn aangegaan waarin hij vroeg om zijn genie te redden (zie Viney, D. (2010). The Hornbeam Leaf). God heeft daarin in zekere zin woord gehouden.

Charles Renouvier

Charles Renouvier

In een artikel van Jean Grenier in Rencontre (november 1951) getiteld Un grand philosophe inconnu et méconnu: Jules Lequier (Een groot filosoof onbekend en niet herkend) komt een psychiater tot de conclusie dat op basis van het beschikbare bronnenmateriaal sprake zou zijn van ‘een cyclothyme stoornis’, dat wil zeggen, een manisch-depressieve persoonlijkheid.

Zijn levensvriend -de niet onfortuinlijke filosoof- Charles Renouvier (1815-1903) verzorgde een grafsteen met daarop de inscriptie: ‘Ter nagedachtenis aan een ongelukkige vriend en een man van groot genie’.

Het heggenblad
Volgens hoogleraar filosofie aan de universiteit van Pittsburg Donald W. Viney, die geldt als (enige) serieuze hedendaagse Engelstalige kenner van Lequiers werk, staat de invloed die Lequier heeft gehad niet in verhouding tot zijn bekendheid van naam en werk. Zoals ik al opmerkte, is die bekendheid (buiten Frankrijk sowieso) marginaal en vereist het grondig onderzoek om tot de filosofie te kunnen doordringen. Op de eerste plaats is er in het Nederlandse taalgebied nauwelijks relevante informatie beschikbaar. Daar kom ik zo nog op terug. Op de tweede plaats zijn er enkele in het Engels vertaalde werken (door Viney), maar die zijn zeer schaars, moeilijk verkrijgbaar en duur. Via secundaire bronnen is de denkwereld van Lequier echter wel enigszins te ontrafelen.
Heggenblad

Wat betreft het Nederlandse taalgebied blijkt schrijfster Charlotte Mutsaers (zowat als enige) enkele bespiegelingen aan Lequier te hebben geweid. In een artikel uit het literaire tijdschrift De Revisor (25, 1998) bespreekt ze de filosofisch poëtische indrukken die Lequiers La feuille de Charmille (Het Heggenblad) op haar heeft gemaakt; het enige wat Lequier bij leven heeft gepubliceerd. Ook Mutsaers liep per toeval tegen Lequier aan, toen ze er over las in de door André Breton zelf herziene roman Nadja (1962), waar hij melding maakt van ‘Het Heggenblad’. Klaarblijkelijk goed het Frans machtig heeft Mutsaers een vertaling geschreven van het volgens haar meest aansprekende deel van La feuille de Charmille. Ik heb dat hier overgenomen en aan de linkerkant de originele Franse tekst geplaatst. De letters (A, B, ) heb ik erbij gezet zodat de vergelijking met de alinea’s wat eenvoudiger is. Navraag bij een kenner van de Franse taal leert dat Mutsaers een vertaling heeft gepubliceerd van zeer hoog niveau, hoewel het juister is om Charmille te vertalen als Haagbeuk. (klik hier voor de tekstversie voor mobiele apparaten)

Het Heggenblad

De filosofie van Lequier
Lequier first printHet door Mutsaers vertaalde fragment geeft in sterke mate weer in welke richting we de filosofie van Lequier kunnen begrijpen. In 1865 verschijnt postuum een verzameling belangrijke filosofische essays bijeengebracht door zijn vriend Charles Renouvier, met de mooie titel La recherche d’une première vérité (De zoektocht naar een eerste waarheid). Renouvier geeft in het boek aan dat het niet bestemd is voor de verkoop, daar hij het waarschijnlijk heeft bedoeld als cadeau voor vrienden en nabestaanden. In de oplage van 120 exemplaren treffen we aan naast Het Heggenblad (La feuille de charmille) ook Het probleem van de kennis (Le probleme de la science), De nalatenschap (Le legs), Geheimen (Confidences), Advies en appel aan een kind (Conseils et appels a un enfant), Dinan, Dialoog over het voorbestemde en de verworpenen (Le dialogue du prédestiné et du réprouvé), Probus, Abel en Abel (Abel et Abel), Afscheidsgroet aan een kind (Adieux a l’enfant) en Lofzang op het bewustzijn (Cantique a la conscience) (2)

Stuk voor stuk interessewekkende titels, die gelet op het feit dat ik het Frans vrijwel niet machtig ben, vooralsnog grotendeels een mysterie blijven. Vincelette (2009) geeft echter een goed geïnformeerde en uitvoerige weergave in zijn boek van de essays die ik hier gebruik om in hoofdlijnen enkele filosofische ideeën van Lequier uiteen te zetten,  aangevuld met enkele eigen illustraties.

 

Want wat betekent een zoektocht naar de eerste waarheid?

De eerste waarheid

Op zichzelf een vraag die we ons allemaal kunnen stellen. Wat is voor ons de eerste waarheid? Op welke vaste grond bouwen we ons leven? Als Fransman ontkomt Lequier niet aan de nalatenschap van Descartes. Deze filosoof had in de lijn van Augustinus door middel van zijn beroemde twijfelexperiment als eerste waarheid gevonden het bestaan van het ‘ik’. Kort gezegd: Als ik aan alles twijfel, dan moet er tenminste iemand zijn die twijfelt, daaraan valt niet te twijfelen. En dat is het ‘Ik’, of wat daar ook van over is. Lequier vindt echter een andere eerste waarheid wanneer hij in navolging van Descartes eenzelfde twijfelexperiment opzet, in zijn zoektocht naar een eerste waarheid, een grondzaak waaraan onmogelijk getwijfeld kan worden omdat twijfel ten opzichte van deze grondzaak tot een paradox zou leiden. De waarheid die de twijfel van Lequier tot rust brengt is deze, namelijk die van de menselijke vrijheid. In het essay Het probleem van de kennis schrijft hij hoe zeker hij is van deze waarheid en dat deze waarheid de eerste waarheid is, namelijk dat hij vrij is buiten alles. Hij verstaat deze vrijheid als de mogelijkheid om onafhankelijk van ons karakter, omstandigheden en de wetten van de natuur te kunnen handelen (p. 82). Het idee van de eerste waarheid moet dus begrepen worden als vrijheid, aangezien het begrip waarheid pas betekenis heeft wanneer we vrij zijn. Een twijfel die leidt tot iets noodzakelijks, kan geen twijfel zijn. Dus ook Descartes moet het idee van vrijheid aanvaarden, wil hij beginnen met zijn twijfel die leidt tot zijn eerste waarheid

Lequier toont zich een voorloper van wat we nu noemen het Libertarisme: er is geen determinisme, maar er is wel een vrije wil. We zijn zelf de ultieme oorzaak van ons eigen handelen. Onze vrije handelingen zijn niet terug te voeren op een eindeloze keten van gebeurtenissen, van oorzaken en gevolgen, zoals de vallende steen die viel door de wind, die veroorzaakt werd door (ad infinitum).

Het overweldigende idee van deze absolute vrijheid, met op ieder moment een StatueLequieroneindig aantal alternatieve mogelijkheden totdat er is gekozen, is ook wat we lezen in het (vertaalde) fragment van Het Heggenblad. Het sluit in die zin aan bij onze alledaagse ervaring, of in ieder geval bij onze meest positieve opvatting over wat het betekent om mens te zijn: namelijk in vrijheid te kunnen kiezen en als enige wezen in dit universum daartoe de mogelijkheid te bezitten.

Stilstaand bij het fragment van Het Heggenblad is niet per se gezegd dat onze handelingen niet vooraf zijn bepaald. Het gevoel dat wanneer men gekozen heeft, men het ook anders had kunnen doen is echter wezenlijk, ondanks het feit dat de gekozen handeling een onvermijdelijke keten van nieuwe bewegingen op gang brengt. Maar voor die onvermijdelijkheid is men vrij en in die zin ook verantwoordelijk voor hoe de wereld eruit ziet. Zoals God de wereld creëerde en daarmee een keten van min of meer gedetermineerde bewegingen op gang bracht, zo creëren wij telkens nieuwe werelden met onze keuzes (die net als de keuze van God op zich staan).

We zien in Het Heggenblad ook een sterke verwijzing naar wat we nu kennen als het Butterfly-effect. De vleugels van een vlinder in Amsterdam veroorzaken een orkaan in het zuiden van China. Het verschil ten opzichte van de vlinder is dit, dat onze keuze iets veroorzaakt in plaats van een spontane fysieke beweging. Dat we ons bewust zijn van het starten van een oneindige keten, op basis van een keuze – zoals het kind (onbedoeld) de dood van de vogel veroorzaakt door zijn afwegingen-, daarin ligt vrijheid. Zelfs als we volledig gedetermineerd zouden zijn, dan nog zien we hoe wij de wereld creëren door het idee van de keuzes die we maken. Mijn keuze maakt de wereld mede zoals ze is.

Dat is een overweldigend idee dat wellicht in een gedachte-experiment beter begrepen kan worden. Sta bijvoorbeeld eens stil bij de mogelijkheid om in een volle trein op te staan en te roepen: ‘ik ben een klein lief kuikentje. Hoera!’ Het is een mogelijkheid die enkel in gedachten komt doordat u dit leest, maar daarmee nog steeds een mogelijkheid. Die handeling van het roepen zal voor een groot deel bepalen hoe de wereld er op dat moment verder uit zal zien. De gedachten van anderen (en wellicht hun handelingen, afwegingen et cetera) worden er direct door beïnvloed. Ze vertellen in de avond aan een vriend de anekdote, die deze herinnering vervolgens weer jaren later ophaalt. Het eerstvolgende treinbezoek zal anders zijn dan wanneer het voorval niet plaats zou hebben gevonden enzovoorts enzovoorts. De gedachte om op deze manier de wereld te kunnen creëren, is wat Lequiers opvatting van vrijheid veronderstelt. Daarin vertoont hij sterke grondslagen van existentialisme en het principe van excentrische positionaliteit. Of in de woorden van Lequier: Durf te denken. Durf om mens te zijn. Imiteer niet de lelijke soldaat. Jean-Paul Sartre zal een kleine tachtig jaar later (1943) deze uitgangspunten als grondslag van zijn filosofie gebruiken in L’être et le néant: Essai d’ontologie phénoménologique (Het Zijn en het Niet: een proeve van een fenomenologische ontologie). 

De keuzes die we maken vormen niet enkel verder de wereld, maar vormen ook ons zelf. Lequier stelt dat de keuze geen noodzakelijke consequentie is van wetmatigheid, zonder er volledig van los te hoeven staan. Binnen de afhankelijkheid die wij hebben van een fysiek gedetermineerde realiteit, is er die onafhankelijke menselijke beweging. We zijn zoals hij dat zegt een Afhankelijke onafhankelijkheid. Onze keuze is niet alleen afhankelijk van ons karakter, ons karakter is ook een uitdrukking van onze gemaakte keuzes, waarbij de keuze dus de ultieme oorzaak is, die geen gedetermineerde grond kent. Het verleden is dus noodzakelijk verantwoordelijk voor de mogelijkheid van de keuze, maar de keuze is niet noodzakelijk.

Dat de veronderstelling van de vrije keuze als ultieme oorzaak nog steeds een axioma schijnt, blijkt uit het feit dat ook Lequier zijn toevlucht moet zoeken in de opvatting dat vrijheid wortelt in ons idee van moraliteit. Zonder vrijheid is de mens een machine zonder waardigheid, waarbij het verschil tussen goed en kwaad (en morele verantwoordelijkheid) geen betekenis heeft. Wanneer we bovendien een keuze moeten maken tussen goed en fout, veronderstelt dit vrijheid. Zonder vrijheid zou juist en onjuist geen betekenis hebben. In een gedetermineerde realiteit zou immers alles zijn zoals het is, waarmee je niet kunt stellen dat het onjuist of juist zou zijn.

We houden een vogel die tegen ons aanvliegt niet verantwoordelijk voor de pijn die hij veroorzaakt (omdat hij niet anders kon), waarom zouden we een mens verantwoordelijk houden voor de pijn die hij veroorzaakt als hij niets meer is dan die gedetermineerde vliegende vogel, hooguit wat complexer in zijn determinisme? Een strikt determinisme is volgens Lequier niet verenigbaar met de vrije wil. De vrije wil veronderstelt zowel bewuste aansturing, verantwoordelijkheid en van daaruit voortvloeiend de zelfverwerkelijking. En die veronderstelling berust op een sterk intrinsiek gevoel: het idee dat men kan zoeken naar een eerste waarheid, het idee dat men een moreel handelend wezen is met bijvoorbeeld een geweten en het idee dat men de eerste auteur is van een weloverwogen keuze. Hoewel het mogelijk is dat wanneer we op basis van langdurige introspectie tot de conclusie komen dat keuzes die we gemaakt hebben gebaseerd zijn op gebeurtenissen uit het verleden, hebben we ook het gevoel dat sommige keuzes niet aan voorafgaande zaken zijn te relateren. Sterk uitgedrukt: hoezeer we ook ons beroepen op reflectie, er is geen voorafgaande oorzakelijkheid te vinden voor de keuze die we aanstaande zijn te maken, ongeacht dat de keuze een gevolg is van hetgene aan ons vooraf is gegaan. Dat gevoel, of dat idee kent ieder mens.

Blaise Pascal

Lequier komt uiteindelijk (hoezeer hij ook met argumenten tracht de vrijheid te bewijzen) zoals Kant dat ook verantwoord en noodzakelijk achtte tot het postuleren van onze vrijheid. Op basis van de vaststelling dat de kleine inspanning die het kost de vrijheid te aanvaarden, te voelen en te begrijpen er de grootst mogelijke schoonheid, zingeving en waardigheid uit voortvloeit. Daarin lijkt de keuze voor vrijheid op het gevolg die gelijk is aan de weddenschap van Blaise Pascal: wanneer men niet aan een optie ontkomt die op zichzelf niet te bewijzen valt, kiest men altijd voor de meest gunstige mogelijkheid. De keuze immers tussen een volledig gedetermineerde wereld, die de menselijkheid opheft, gevoelens overbodig of op zijn minst betekenisloos maakt, die werkzaamheden van grote geesten onbeduidend maakt (er is zelfs in de inspanningen namelijk geen verantwoordelijkheid te ontdekken) etc., staat dan tegenover de keuze van de vrije wereld, met zijn moraliteit en zingeving. Aangezien zowel de vrijheid als het determinisme niet onomstotelijk zijn vast te stellen, wat let iemand te kiezen voor de optie van de vrijheid?

De tragiek van de dood van Lequier is in het licht van zijn filosofie een absolute keuze geweest. En evenzeer een keuze die de wereld op een andere manier heeft gevormd en een keten van nieuwe bewegingen in gang heeft gezet. Van de publicatie van zijn nagelaten werk in 1865 tot aan enkele romans van Charlotte Mutsaers tot aan het verschijnen van dit stuk. En wat ik er nog meer over ga zeggen, lezen en schrijven.

________________

Bronnen:
– Vincelette, A. (2009). Recent catholic philosophy. The 19th century.  Milwaukee, Wisconsin: Marquette University Press.

– Pagès. F. (1997). Frühstück bei Sokrates. Philosophen ganz privat. Aus dem Französischen von Christel Kauder. Munchen: Deutscher Taschenbuch Verlag.

– Charlotte Mutsaers. Heggenblad van Lequier, je woord gaat nog altijd op! In: De Revisor. Jaargang 25 (1998).

– Donald W. Viney Jules Lequyer: Prophet of Open Theism (2014). PDF. Zie: https://digitalcommons.pittstate.edu/phil_faculty/15/ Geraadpleegd tussen 5 juni en 20 juli 2016.

-Donald W. Viney Jules Lequyer. Bron https://www.iep.utm.edu/lequyer/ geraadpleegd tussen 5 juni en 20 juli 2016

– Voor een chronologie van het leven van Lequier zie: https://godisopen.com/2015/07/18/chronology-of-jules-lequyer-and-his-influence-on-subsequent-philosophy/.
Deze is klaarblijkelijk met permissie overgenomen van Donald W. Viney (2010), die deze tijdslijn publiceerde in zijn vertaling van Lequyer’s “The Hornbeam Leaf” (Pittsburg, Kansas: Logos-Sophia Press, 2010).

________________

1 Dit zou blijken uit een voorwoord van Charles Renouvier bij zijn postuum verschenen werk (1865), opgemerkt door Charlotte Mutsaers. In een biografische uiteenzetting van Donald Viney zou er echter sprake zijn van een acceptabele erfenis van zijn vader: ‘Upon leaving the École Polytechnique, Lequyer used the inheritance from his father to retire to Plermont where he lived with his mother and the family servant (…)’. Zie hier.
Noot: na een onderhoud met prof. Viney, is duidelijk dat er waarschijnlijk meer te zeggen valt voor het feit dat zijn vader hem een erfenis in plaats van een schuld naliet, en Lequier zelf de oorzaak was van zijn financiële malaise:

“There is indeed some question about the state of Lequyer’s finances when his father died. Here is what I wrote in “Incidents in the Life and Death of Jules Lequyer”:
Differing accounts exist of Lequyer’s financial situation after his father’s death. It is known that, after the death of Lequyer’s maternal grandfather (December 2, 1834) at the age of 71, the supplements to the Lequyer income from the Digaultrays ran dry. On the other hand, in 1837 Lequyer and his mother owned four houses and 82 acres of land (Huerre, 115). However, Renouvier claims that Lequyer’s father left a number of debts, which his son felt honor bound to pay, and which depleted his inheritance (Dugas 1924, 63).
Without doubting Renouvier’s sincerity, [Proper] Hémon questions his facts. He notes that, after Dr. Lequyer’s death, in an eleven year period from 1840 to 1851, the family property was sold and mortgaged (Huerre lists the sales, 115-116). In the end, only Plermont remained, and it too was mortgaged. In addition, Lequyer borrowed so much money from his friends that he could not pay them back. Finally, in 1844, Lequyer donated an important piece of land to the town of Saint-Brieuc on the sole condition that the new street would be named after Dr. Lequyer (which was done).
The conclusion of Hémon and [Baptiste-Marie] Jacob is that Lequyer was not the victim of his father’s debts, but rather the author of his own financial decline and ruin. Jacob goes further and claims that Lequyer was the dupe of his own theory of free will, which led him to misunderstand the rigorous conditions of actions (Hémon, 150-151).”

2 Vertalingen van mijn hand uit het Engels met behulp van Frans-Nederlandse vertalingen

De tragiek van het nooit kunnen winnen: hoe kleding een absolute topprestatie verhindert

De tragiek van het nooit kunnen winnen: hoe kleding een absolute topprestatie verhindert
Lichtvoetige overdenking bij een topzwaar onderwerp

Beach Volleyball Boerkini

(c) Reuters, 2016

In de stortregen van afbeeldingen die iedere dag over ons heen valt, verdient nog zo zelden een foto wat langere overweging. Zo’n zeldzaamheid trof me toch toen ik op sociale media deze zag:

Het betreft hier een olympische seriewedstrijd beachvolleybal in Rio tussen de vrouwenkoppels van Duitsland en Egypte, die kansloos werd verloren door het Egyptische team (21-15 en 21-12).

De foto laat onmiddellijk denken aan de beroemde cartoon van Malcom Evans uit 2011.

Malcom Evans cartoon

(c) Malcom Evans 2011

 

Het argument van de culturele mannelijke dominantie parkeer ik hier echter, evenals de vraag waarom een volmaakt Opperwezen al dan niet via een heilige tekst zou verlangen dat de vrouw in het bijzonder haar lichaam zoveel mogelijk bedekt en verhult, zelfs in het brandende zand van de Copacabana.

Wat mij fascineert is de tragiek van de kleding, in relatie tot de topsport. Als ik uitga van een oprechte en vrij gekozen overtuiging om op grond van religie deze kledingstijl te kiezen, dan legt men zich neer bij het feit dat er op het hoogste niveau nooit gewonnen kan worden. Want voor het hoogste topsportniveau gelden de uitgangspunten:

  1. fysieke gesteldheid
  2. mentale weerbaarheid
  3. ideale omstandigheden

Als sporters elkaar op de eerste twee uitgangspunten nauwelijks ontlopen, komt het aan op optimale omstandigheden: de beste training, de juiste voeding en de optimale uitrusting. Ik denk bijvoorbeeld aan dat prachtige filmpje waar Tom Dumoulin in samenwerking met de Technische Universiteit Delft een 3D-scan van zichzelf laat maken om op basis van de laatste techniek een paar seconden te kunnen winnen over tientallen kilometers tijdritfietsen.

Polstok (c) Getty image

Aan de top gaat het namelijk om de allerkleinste details. Je kunt niet, en dat schrijf ik niet cynisch, als je Dafne Schippers heet in een lang gewaad of op blote voeten de 100 meter winnen. Je kunt niet in een boerkini olympisch kampioen in het zwemmen worden en je kunt geen wedstrijd winnen in het beachvolleybal in een legging, shirt met lange mouwen en een hijab bij 30 graden. Het is een even eenvoudig inzicht als dat de ramadan het winnen van de marathon in de weg staat of dat het talent van Max Verstappen futiel is in een raceauto met tweederangs motor.

Dat is de tragiek: dat je religieuze overtuiging je behoedt een absolute topprestatie te leveren, dat je religieuze overtuiging je hindert om met de beste sporters ter wereld mee te kunnen, omdat zij niet belemmerd worden en zich in het licht van die prestatie wel zo optimaal mogelijk uitrusten. En dat er niets ter wereld is wat daar verandering in kan brengen dan het dispenseren van je overtuiging. Een offer wat dus niet gemaakt kan worden zonder iets heiligs te verloochenen. Het

Ook in Rio: Kariman Abuljadayel loopt de 100m in 14.61. Karikatuur of emancipatie? (c) Reuters 2016

is vrijwillig begrensde emancipatie.

‘Citius, Altius, Fortius’
Het lang door het olympisch motto (sneller, hoger, sterker) overschaduwde adagium van De Coubertin ‘meedoen is belangrijker dan winnen’ geldt misschien nog wel voor deze vrouwen. Het sneller, hoger, sterker stopt nu eenmaal wanneer metafysica je fysieke limieten oplegt. Zo bezien is er een hogere wedstrijd te winnen dan eeuwige olympische roem. Want er is nog iets eeuwigers, iets belangrijkers, iets waardevollers dan de smaak van de overwinning; en dat moet de enige troost zijn wanneer men weer strandt tegen de wereldtop.

Wat me nog opvalt tenslotte is dat er op de kleding van de Egyptische vrouwen het logo van het Duitse Adidas prijkt. Ironisch genoeg was het Adolf Dassler (1900-1978) die zich ooit ten doel stelde de beste sportkleding te maken voor de beste prestaties, en de legendarische Jesse Owens in 1936 op zijn sportschoenen 4 maal goud zag winnen.

Maar het idee meer uit jezelf te kunnen halen met de beste spullen verliest het van het idee daar iets schadelijks mee teweeg te brengen. Misschien vereist dat precies de mentale weerbaarheid van een échte topsporter.

De dief en de steen: Een beroep op de intuïtie naar de vraag van rechtvaardigheid

-De dief en de steen: Een beroep op de intuïtie naar de vraag van rechtvaardigheid-
Een parabel

Er was eens een arme dief die een groot stuk steen stal en er vervolgens met veel zorg een beeltenis uit beitelde. Hij stelde deze ten toon in zijn tuin en al spoedig vergaapten talloze voorbijgangers zich aan de beeltenis.  De prachtige creatie werd alom geprezen en van bijzonder grote waarde geacht, totdat plotseling in het voorbijgaan een man riep: ‘he, dat is mijn steen!’

En inderdaad, aan de onderkant van de beeltenis was dankzij een merkteken vast te stellen dat dit het restant was van de gestolen steen en toebehoorde aan de man die zijn steen had herkend. De beeltenis was echter het tigvoudige waard geworden omdat het werd gezien als iets oorspronkelijks -iets wat in deze vorm nooit meer tot stand zou komen, althans zo dachten kenners.

De dief zei: ‘ik heb spijt van wat ik heb gedaan, ik geef u een vrijwel gelijke steen terug.’ Daar nam de man echter geen genoegen mee en hij zei dat hij heel erg gehecht was aan juist deze steen. ‘Deze steen heeft een zeer emotionele waarde voor mij; ik heb deze steen ooit gekregen van mijn overgrootvader tijdens mijn huwelijk. Deze steen symboliseert niet enkel de standvastigheid die in het huwelijk van mij wordt verlangd, maar ook de gedachtenis aan mijn overgrootvader- mag hij rusten in vrede! Ik wil dus mijn eigen steen terug en geen andere.’

‘Maar uw steen is geen steen meer, ik kan u die dus niet teruggeven.’

‘Weet u wat. Ik accepteer het restant en zal geen aangifte tegen u doen -dat ik weet dat dit mijn steen was die mijn overgrootvader aan mij heeft overgedragen is voldoende.’

De dief -bevreesd als hij was voor de aangifte- ging overstag en hij gaf de man de steen terug, of wat er nog van over was. Hij kon immers altijd nog een nieuwe beeltenis maken.

Hoe de arme dief het echter ook probeerde, het lukte hem niet meer de zuivere inspanning van die eerste keer ook maar te benaderen- mensen liepen zijn tuin voorbij en vroegen hem telkens naar die ene beeltenis en stelden nauwelijks prijs op zijn nieuwe creaties.

Enige tijd later ontdekte de dief dat zijn beeltenis in het bezit was gekomen van een vermogend particulier. Woedend ging hij verhaal halen bij de man. ‘Waarom heeft u die zo gekoesterde steen van u verkocht!’

‘Nou’, zei de man, ‘hoe langer ik er naar keek, hoe minder ik er mijn steen nog in terug zag. Dat ging mij steeds meer verdriet doen. Toen er op een dag een vermogende man naar mij toe kwam en mij 1 miljoen bood voor deze steen, ben ik daar na overweging op ingegaan. Met een honderdste van het geld heb ik een monument voor mijn overgrootvader laten maken en de rest investeer ik in een goed huwelijk. En ik moet zeggen dat het mij tot op de dag van vandaag voldoende troost geeft. Ik begrijp ook niet waarom u zich zo opwindt…uw situatie is nog steeds dezelfde, terwijl de mijne wezenlijk is veranderd.’

‘Mijn situatie dezelfde? U heeft niet uw steen verkocht, u heeft mijn beeltenis verkocht! Heeft u dan op zijn minst geen mededogen voor een arme man? Ik heb toch ook recht op wat van dat geld?’

Zonder deugd meer geluk. Een bespreking van De Lamettries geluksopvatting

Deze recensie is geschreven voor 8Weekly en daar als eerste verschenen. Benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan nu een kijkje op de site aldaar!

De Wereldbibliotheek is een uitgever die grossiert in literaire pareltjes waar je als lezer eerder toevallig tegen aanloopt, dan dat je er daadwerkelijk naar op zoek was. Het kan goed zijn dat Het geluk van  de Franse arts en filosoofLa-Mettrie,Julian-Offray (1709-1751) daar ook onder valt.

De 18e -eeuwse Franse filosofen hebben een onmiskenbare stempel gedrukt op de wijze waarop wij tegenwoordig naar de wereld kijken. Denkers als Diderot, d’Alembert en Voltaire hebben de Westerse weg geplaveid tot de mogelijkheid van het vrije denken over een staat zonder kerk, leven zonder onsterfelijke ziel en zin zonder God. Julien Offray de Lamettrie (feitelijk De la Metrie) past uitstekend binnen dit progressieve denken, waarbij hij het mechanische materialistische wereldbeeld dat door Thomas Hobbes reeds was voorbereid radicaliseert.

In zijn beroemdste filosofische werk uit 1747, L’Homme machine (vert. De mens een machine (Boom, 1994)), verdedigt hij dan ook de stelling dat er een naturalistische grond moet zijn voor zowel fysieke als psychische processen.  De Lamettrie keert zich daarmee af van de traditie van het metafysisch dualisme van Descartes, Malebranche en Leibniz. De mens is niets anders dan een enkelvoudig zelfvoorzienend systeem, bestaande uit dynamisch met elkaar verbonden organische delen. De mens is een levende machine.

Het veel minder invloedrijke en bekende, en nu door Jabik Veenbaas in het Nederlands vertaalde Discours sur le Bonheur (1748/1751) kan worden beschouwd als De Lamettries praktische filosofie volgend uit zijn deterministisch, ethisch-relativistisch, materialistische wereldbeeld.

Gelukkig zonder schuld

De Lamettries atheïsme en bijkomend zijn satirische sneren naar de in zijn ogen fröbelende collega-artsen hadden hem niet bepaald geliefd gemaakt. Vrij publiceren was dus geen sinecure. Het geluk verscheen daarom aanvankelijk als een inleiding op Seneca’s De beata vita, maar was feitelijk een op zichzelf luckstaande verhandeling tegen dat stoïcisme, die De Lamettrie meerdere keren intensief heeft bewerkt. De centrale gedachte in Het geluk rust op het idee dat geluk is voorbestemd door de natuur aan eenieder die zich er naar richt. Met andere woorden, geluk is niet afhankelijk van zaken als deugd en ondeugd, religieuze opvatting, sociale status en verantwoordelijkheid, terwijl die wel de kans op schuldgevoelens maximaliseren. Schuldgevoelens, en daarin acht De Lamettrie zich uiterst origineel, vormen de kern van ieder ongeluk; het is in alles een vruchteloze remedie. Gelukkig hij die in staat is door middel van reflectie zijn schuldgevoelens te onderdrukken!

Een gevolg is dat ook bijvoorbeeld de misdadiger volmaakt gelukkig kan zijn. Ook al bestaat volgens De Lamettrie de misdaad op zichzelf niet (p.86), een booswicht zonder schuldgevoelens zal gelukkiger zijn dan wie na een goede daad spijt krijgt dat hij die heeft verricht (p. 119). Het is niet vreemd dat De Lamettrie hierin vaak verkeerd is geciteerd of begrepen. Het feit dat een misdadiger naar zijn aard gelukkig kan zijn, is echter nog geen uitnodiging tot misdaad. De Lamettrie wil als filosoof begrepen worden, waarin hij een feitelijk systeem presenteert hoe ‘de geluksmachine’ werkt, zonder er een ethisch of moreel oordeel aan te hangen. Geluk is een vrucht die iedereen kan plukken. Arm, rijk, misdadiger, losbol, geleerde of onwetende; de natuur biedt de mogelijkheid gelukkig te zijn, zolang sociale structuren er geen roet in gooien.

Tijdsdocument

Jabik Veenbaas -filosoof, poëet en publicist- heeft zijn vertaling voorzien van een vlotte inleiding en verklarende noten, waarop (op wat schoonheidsfoutjes na) weinig is aan te merken. De Lamettries persoonlijke stijl is toegankelijk, maar is toch niet echt geestig te noemen zoals wordt gesuggereerd. Het is ook de vraag in hoeverre De Lamettries gedachten de hedendaagse lezer nog voldoende aan zullen spreken. Het boek is zeker een interessant tijdsdocument dat, vanuit de gedachte dat De Lamettries teksten zelfs de Nederlandse liberalen van die tijd schokten, lezenswaardig is. Maar filosofisch kraakt het inmiddels (logischerwijs) in de voegen. Hedendaagse denkers als Derk Peereboom of Daniel Dennett, hebben thematiek omtrent bewustzijn, determinisme en straf veel verder uitgewerkt en zelfs radicaler dan De Lamettrie zich kon voorstellen. De Lamettries organische verklaringen voor het geluk lijden onder achterhaald medisch gebabbel van aderlating tot modificatie van zenuwen. Het is ook geen verhaal om vrolijk van te worden, iets wat sowieso niet is toevertrouwd aan deterministische psychologie, en relativisme waarbij minachting geen kwaad heet of een lofprijzing iets goeds zou zijn.

Dat neemt niet weg dat dit geschrift een uitstekend inkijkje geeft in een vrije geest van weleer, die zonder angst schreef en bovendien de geneugten van het leven proefde met alle zintuigen die hij rijk was. Dat De Lamettrie niet lang na dit geschrift stierf aan een overdadige maaltijd, waarschijnlijk door een bedorven taart, is het vleugje ironie wat het leven dan weer heeft, maar dit boek wat meer had kunnen gebruiken.

Kan men toeval dankbaar zijn? Een filosofische overweging

Kun je (het) toeval dankbaar zijn? Aangezien deze vraag bij verschillende gelegenheden tot mijn verrassing door velen overtuigend met “ja” wordt beantwoord, zal ik in deze overweging uiteenzetten waarom dit een verkeerd antwoord is.

GK ChestertonDe oorsprong van de vraag – Kun je (het) toeval dankbaar zijn – kan worden gevonden in het citaat dat: “The worst moment for the atheist is when he is really thankful and has nobody to thank.” De bron is niet te achterhalen, maar wordt voor het eerst door G.K. Chesterton in 1923 in zijn werk St. Francis of Assisi toegeschreven aan de Engelse dichter Dante Gabriel Rossetti (1828-1882). Chesterton noemt het zelf ‘een bittere vaststelling, maar met een grote waarheid.’ (p. 88). Ik ben het eens met Chesterton. Maar waarin schuilt dan nu die grote -haast evidente- waarheid?

Als we aannemen dat ‘toeval’ betrekking heeft op gebeurtenissen en omstandigheden die onmogelijk vooraf te zijn voorzien, dan is het de vraag hoe we ons daartoe kunnen of moeten verhouden. Cornelis Verhoeven (2002, p. 390) merkt op dat we het woord toeval vooral begrijpen als grond van waar al onze pogingen om dat wat gebeurt te verklaren vanuit bekende regels of vanuit onze eigen inspanning, tekortschieten.

Toeval is dus de verzonnen grond daar waar de grond volledig ontbreekt. Toeval is wat voorafgaat aan iets dat is. Maar het toeval zelf is dus niets. Het is geen zaak. Het is geen kracht of ding dat ‘werkt’ op andere dingen. Het is slechts een theoretisch concept dat verwijst naar het op zichzelf onverklaarbare, maar het toeval heeft zelf geen bestaan. Het heeft geen wezen, geen ontologische status waartoe je kunt doordringen. Het is niet iets wat je kunt ontrafelen. Want zou dat kunnen, dan zou het toeval als theoretisch construct ter plekke worden opgeheven.

toevalAls we nu toeval beschouwen in het licht van dankbaarheid, moeten we nog nader vaststellen hoe we dankbaarheid opvatten. Ik stel voor dankbaarheid te zien als een innerlijke beweging waarbij iemand een vrijwillige plicht voelt om datgene wat hem is gegeven te beantwoorden met een uiterlijke waardering. Dankbaarheid is, opgevat als betekenisvolle deugd, een vorm van erkentelijkheid, waarbij er erkend wordt dat ‘iets’ positieve waardering verdient. Omdat erkenning een antwoord is, vat ik het op als ‘uiterlijk’, ‘iets wat geuit moet worden’. Dat kan goed een onuitgesproken vaststelling zijn, die voor onszelf is uitgesproken, waarmee we iets erkend hebben. Nu is erkenning een manier om het bestaan van iets in te zien en toe te geven. Daarmee kan dankbaarheid niet bestaan zonder relatie tot iets. Dankbaarheid heeft een reële grond nodig. Toeval kan dat nooit zijn.

maastricht sterIk begrijp dat in de dagelijkse praktijk mensen dankbaarheid ervaren voor iets wat ze niet kunnen verklaren. Om de dankbaarheid dan toe te schrijven aan toeval is even onzinnig als trots te zijn op contingente feiten. Want er zijn vele contingente (dat wil zeggen niet noodzakelijke) feiten die ons leven kenmerken. Feiten die evengoed niet het geval hadden hoeven zijn, maar waar ik toch een gevoel of verhouding toe lijk te hebben.

Neem bijvoorbeeld het feit dat ik geboren ben in Maastricht. Ik kan niet zeggen dat ik op dit feit enige invloed heb kunnen uitoefenen, of dat het een gevolg is van een bepaalde inspanning die ik heb geleverd. Toch merk ik in mijzelf een gevoel van trots. Als ik echter even verder nadenk, dan ontdek ik dat het niet zinvol is, of ronduit irrationeel, om trots te zijn op iets waar ik geen enkele inspanning voor heb geleverd. Ik kan mijn trots uiteraard wel verklaren op basis van het feit dat ik in het geval van Maastrichtenaar te zijn een onderdeel uitmaak van een geschiedenis, een levenswijze en een sociale groep waar ik mijn eigenwaarde aan ontleen omdat ik er met instemming onderdeel van uitmaak, maar dat is iets anders dan dat ik trots ben op het toevallige feit.

Een soortgelijke fout maken nu mensen die het toeval dankbaar (menen te) zijn. Ze zijn verheugd dat hun iets overkomt, waarbij in het geval ze het niet kunnen verklaren de wederkerigheid die ten grondslag ligt aan de dankbaarheid toch in stand willen houden door het toeval een ontologische status toe te kennen.

Het is waarschijnlijk dat in het dagelijkse gevoel dankbaarheid verward wordt met blijdschap, vreugde, opluchting of het tevreden of verheugd-zijn. Dat zijn allemaal gevoelens die op zichzelf kunnen bestaan en geen noodzakelijke wederkerigheid vereisen, zoals dankbaarheid dat wel doet.

Iemand zou tenslotte nog kunnen opwerpen dat dit alles een apologetisch karakter heeft en toeval gewoon vervangen is door ‘God’. Dat is echter een misvatting. Op de eerste plaatst draag ik een bewijs aan waarom dankbaarheid en toeval zich onmogelijk tot elkaar kunnen verhouden en op de tweede plaats zijn toeval en God geen synoniemen omdat ze ‘toevallig’ op het oorspronkelijke betrekking hebben. Iemand kan zich namelijk wel relationeel verhouden tot God, maar niet tot het toeval. Het al dan niet bestaan van God doet hierin niet ter zake: het is nu eenmaal een kenmerk van het begrip God dat er een relatie mee mogelijk is voor wie er in gelooft. Een kenmerk dat de gelovigen in het toeval helaas echt nooit zullen vinden.

De sprookjeswereld van Aboutaleb

De sprookjeswereld van Aboutaleb

Door A.A. Baumgarten
Politiek polemicus
-met permissie overgenomen-

Ahmed Aboutaleb is naar alle waarschijnlijkheid de meest ijdele en overschatte politicus van het land. Het is niet duidelijk of zijn ijdelheid een gevolg is van de collectieve overschatting, of dat de ijdelheid er altijd al was en de manifestatie ervan gerechtvaardigd wordt door de overschatting. Het voordeel van populair zijn is namelijk dat je er eeAhmed Aboutalebn ongebreidelde ijdelheid goed mee kunt camoufleren; je komt er anders gezegd heel eenvoudig mee weg. Alsof populariteit meer recht geeft op ijdel-zijn en het volk het juist charmant vindt en ja, karakteristiek.

Maar groot geworden door keihardwerkende ambtenaren in Rotterdam, groter geworden door een volslagen gebrek aan beter en groots geworden door de ellende van anderen, is Aboutaleb op zichzelf niets bijzonders.

Een kwestie van ‘door toeval van betekenis geworden’. Toegegeven, je moet toevallige omstandigheden wel weten uit te buiten en daarbij een schitterend timing bezitten.

Daarin schuilt de voornaamste kracht van Aboutaleb. Hij steekt zelfs de huilende talenfee Frans Timmermans naar de kroon, en dat is een hele prestatie op zich. Want je kunt er donder op zeggen, dat hij ‘oprecht’ iets ‘heroïsch’ klaar heeft staan als een verloren idioot namens de Islam verderf over de wereld uitstort.

‘Oprotten!’ zegt Aboutaleb dan. ‘Weg met jullie! Dat hoort hier niet!’ Of: ‘’Wij laten ons de mond niet snoeren!’ Of: ‘Kwaad begint met vooroordelen, en dat is heel erg fout!’

Als je dit een middelmatige brugklasser laat uitspreken, merkt niemand het op, maar onze tijden vragen klaarblijkelijk om sprookjeshelden, om een willekeurig succesverhaal van iemand met een allochtone achtergrond. De underdog als held verheft het onbeduidend open deuren intrappen tot een fabelachtige Kunst. Holle retoriek wordt dialectische lyriek. Plat populisme wordt filosofische poëzie. En dan ben je binnen de kortste keren een hoop in donkere tijden, een symbolisch lichtpunt, een verlosser. De verlosser!

Het sprookjesbosZo ook de verlosser van het failliete koninkrijk PvdA. Het fabelachtige wonder van de rijzende Aboutaleb is minstens zo groot als het feit dat prins Diederik I er nog zit. De ooit zo bewierookte partijleider die noodgedwongen zijn arme ziel verkocht aan rechtse tovenaars, en passant DENK faciliteerde (over angstaanjagende sprookjes gesproken…) en op een historisch zetelverlies afstevent. Hij heeft zich als doel gesteld de laagste peiling als uitgangspunt te nemen en iedere verkiezingszetel die daarbij komt als winst te beschouwen. Met 14 zeteltjes heeft Diederik I het straks dus goed gedaan. Tenzij…….tenzij de grote Aboutaleb uit de kast komt met een toverstaf en de PvdA redt van de definitieve olifant met de grote snuit.

Calling AbutalebEn daar ontstaat wat in de literatuur heet ‘de Aboutaleb-paradox’, ook bekend als ‘het Aboutaleb-risico’. De kans nemen op onsterfelijkheid of de zekerheid van huidig heldendom behouden? Zijn ijdelheid verlangt zo naar onsterfelijkheid, maar daarvoor moet hij het risico nemen dat hij zichzelf voorgoed vernietigt. Net zoals Samsom nu al voorgoed vernietigd is. Het machtige Binnenhof is namelijk geen sprookjeswereld, waar men met holle frasen de wereldpers haalt en onnozele kinderen zoet doet dromen. De geheimzinnige vaagheid omtrent zijn lijsttrekkers-kandidatuur (trots: ‘Diederik Samsom moet zich terugtrekken voor ik mij kandidaat stel’) en het feit dat hij niet onmiddellijk zijn partij helpt nu het werkelijk nodig is (onvervangbaar roepend: ‘Rotterdam heeft mij ook nodig!’), verraden zijn dilemma. De worsteling die zijn ego nu doormaakt, gun je zelfs zo’n groot ego niet.

Wat moet hij nu doen? Een bescheiden advies.

Blijf een sprookjesfiguurMensen hebben behoefte aan sprookjesfiguren. Aboutaleb is zo’n sprookjesfiguur, omdat wij dat van hem gemaakt hebben en omdat hij er zelf in is gaan geloven. En nu is hij een sprookjesfiguur dat voor het eerst in zijn leven voor de keuze staat om uit het boek te treden en op eigen kracht in de kwetsbare realiteit te laten zien wat het werkelijk kan.

Het is een existentieel dilemma: zichzelf ten volle tonen of de onvolprezen belofte blijven. Hij moet voor dat laatste kiezen. Want daarmee overwint hij zijn eigen ijdelheid tot najagen van roem en eer. Hij zet eigenhandig de rem op de collectieve overschatting door absolute zelfreflectie. Hij overwint het schitterende dilemma door zijn ijdelheid de baas te worden en voor het eerst op eigen kracht groots te zijn door bewust een sprookjesfiguur te blijven.

De werkelijkheid is niet gebaat bij Aboutaleb, en Aboutaleb niet bij de werkelijkheid. De illusie in stand houden is grootser, moeilijker en uitdagender dan haar na te jagen. Als hij dat beseft, is dat uiteindelijk de grootst mogelijke verdienste voor links-Nederland en zichzelf die hij kan bijdragen. Zij houden hun held, hij behoudt zijn sprookje.

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2019 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved