Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Tragedie en catastrofe. Filosofische overwegingen bij het verlies van de Notre-Dame

Tragedie en catastrofe. Filosofische overwegingen bij het verlies van de Notre-Dame

Zowel het woord ‘tragedie’ als het woord ‘catastrofe’ vinden hun oorsprong in de antieke taal, waarbij de woorden betrekking hebben op droevig toneelspel en de noodlottige ontknoping ervan. De catastrofe volgt op de tragedie zogezegd, en de bittere ironie wil dat beide woorden via het Frans in ons taalgebruik terecht zijn gekomen.

De vuurzee die de Notre-Dame in Parijs grotendeels in de as heeft gelegd mag met recht een tragedie worden genoemd, waarbij de catastrofe groots maar niet fataal -ook een typisch Frans woord- lijkt. En zoals de oude Grieken uit hun tragedies vele lessen en ideeën haalden, ontspringen ook talloze gedachten uit deze hedendaagse tragedie.

Ik zal er in deze aforistische, filosofische bijdrage een aantal uiteenzetten, voor de ene die het lezen wil.

  1. Wat maakt verdrietig?

Een gebeurtenis als deze maakt iedere wereldburger onmiddellijke toeschouwer. De elkaar opeenvolgende dramatische verhaallijnen, de duidingen die voor ons gedaan worden, gecombineerd met de indringende beelden van het aanhoudende vuur, geven het idee dat je je wel verdrietig moet voelen, zonder dat het ons onmiddellijk duidelijk is waarom. ‘De meeste mensen zijn gedwongen om blij te zijn met de kleine dingen, maar verdrietig over de grote’, schrijft Chesterton in Orthodoxie, alsof hij honderd jaar vooruit kon kijken.

Maar wat maakt hier het verdriet, als we dat in onszelf oprecht en ongedwongen kunnen ontdekken? Dat vereist zelfonderzoek. Het moet hoe dan ook gaan over een verlies en het indringende besef daarvan. Het is verdriet over het verlies van schepping, historie en bovenal identiteit. Het besef dat het concrete schone herinnering is geworden en een herinnering die we niet zouden willen ons is opgedrongen. De onschuld van het vanzelfsprekende heeft plaatsgemaakt voor de schuld van het plotse. Een schuld die ons misschien overlaadt met spijt en genadeloos onze kwetsbaarheid toont als mensheid. De hedendaagse mens die zich waant op de schouders van giganten, is niet in staat gebleken de erfenis van zijn voorvaderen door te geven zoals zij die voor zich zagen.

  1. Herinnering

Ik ontdek ook dat verdriet, weemoed en melancholie hier samenspelen. Ik denk aan al die historische ogen die de Notre-Dame zagen, zoals die nooit meer te zien is. Miljoenen vergeten gebeurtenissen die vluchtig in hereniging komen en levendig worden door een tragedie. Ik grasduin voor even naar een paar van zulke lang vergeten herinneringen.

Friedrich Hebbel die de Notre-Dame aanziet en schrijft in zijn dagboek: ‘Een in alle opzichten middeleeuws gebouw: grauw, duister, veel tierelantijnen. Het heeft wel iets van een kraai die de trek gemist heeft en nu met verblinde ogen de om haar heen ontluikende meimaand in staart.’

Jean Lerond d’Alembert die samen met Denis Diderot de wereldberoemde Encyclopedie samenstelde: ooit te vondeling gelegd door zijn vader en moeder in de Notre-Dame.

Montaigne die in de Essays fantaseert hoe makkelijk het is om over een plank te lopen als deze op de grond ligt, maar hoe onmogelijk dat wordt wanneer men dezelfde plank tussen de twee torens van de Notre-Dame legt.

Edmond De Goncourt die samen met Victor Hugo toen die zijn Feuilles d’Automne schreef bijna dagelijks de torens van de Notre-Dame beklom om de zonsondergang te zien. Waarover De Goncourt nog noteert: ‘waar ik overigens niet zoveel aan vond’.

Hoeveel mensen zouden op dit moment nog wat graag zo’n zonsondergang zien.

De nieuwe herinneringen die aan de Notre-Dame zullen worden verbonden gaan over het heroïsche. In een tragedie zijn helden nodig, en die zullen ons de komende maanden verschijnen.

  1. Verbondenheid

De moderne mens aangespoord door de erfenis van Descartes zichzelf als centrale instantie beschouwend en de medemens voornamelijk als een hinderlijk obstakel of als middel om zijn eigen ontwikkeling te stimuleren, gooit bij de tragedie dat aangemeten egologische masker even af. Het is bijzonder hoe tragische gebeurtenissen verbinden. Alsof de mens in zichzelf door de tragedie heel even met zijn oorspronkelijke natuur in aanraking komt en als het ware een goddelijke inkijk krijgt in zijn betekenisloze nietigheid.

Het indrukwekkendste moment van verbintenis zien we in het collectief dat het Ave Maria zingt en onbevangen aan de wereld toont hoezeer het veerkrachtige katholicisme het in de kern om verbintenis gaat.  Die verbondenheid doet ook weer verbinden. Want het verbindende verbindt.

Seneca schrijft in zijn Romeinse tragedie Phaedra dat geringe zorgen zich uitspreken, maar zware zorgen stil zwijgen. Toch Seneca had het ook anders kunnen zeggen. Zware zorgen zingen. En dan het liefst samen, in verbondenheid.

  1. Complotten

De verbondenheid duurt altijd net zolang totdat de dag tot de orde roept en bezinning plaatsmaakt voor verklaring en samen-zijn plaatsmaakt voor eigenheid. Het is interessant om te zien dat vanuit deze eigenheid ook altijd de complotten worden gevoed. Ik beschouw het complot-denken als de meest primitieve poging om grip te krijgen op het tragische. Complotten zijn niet te falsificeren wat een schitterende schijnzekerheid biedt, die weer ruimte geeft om iedere criticus als naïeveling te bestempelen.  

Bovendien bieden complotten troost daar waar een redelijke verklaring uitblijft of daar waar de redelijke verklaring het gevoel niet kan bevredigen of niet strookt met een levensvisie. Zoals een zondebok een bepaalde haat kan koelen, zo kan de complottheorie de vertwijfeling stillen. Interessant genoeg zijn complotdenkers onderling toch sterk met elkaar verbonden want ze hebben elkaars bevestiging nodig, maar ik denk op de verkeerde manier.

Het is een kleine stap van tragedie naar complot, maar een gigantische stap van complot naar overgave aan het tragische.

  1. Ethiek

“Dit is onze 11 september. Het symbool van deze stad staat in brand”, zegt een verbijsterde toeschouwer.

Zoals ik in het begin van deze overweging al aangaf, is het moeilijk om wat we voelen uit te drukken en te begrijpen waarom we voelen wat we voelen. We roepen gekke dingen omdat ons verstand achterloopt bij ons gevoel. Gelukkig kan een filosoof in abstracte zin heel veel zeggen en loopt meestal zijn verstand voor op zijn gevoel. Een van die zaken die ik mij afvroeg toen ik las wat deze toeschouwer zei, en waarvan ik toch geloof dat velen diezelfde vraag met mij zouden stellen, was in hoeverre hij hier vergat dat bij 9/11 bijna 3000 doden zijn gevallen. Moest ik hier deze aangeslagen verbijsterde toeschouwer alleen begrijpen vanuit het idee dat hij sprak over het gebouw?

Maar dan toch is de Notre-Dame niet te vergelijken met de Twin Towers? Ik zou zeggen dat de eerste oneindig waardevoller is, vanwege haar architectuur, geschiedenis en betekenis. Ik zou denken dat het Vrijheidsbeeld zich dan beter verhoudt tot de Notre-Dame omdat de emotionele waarde veel groter lijkt dan het zonder meer indrukwekkende kantoorgebouw. 9/11 ging over de mensen. 15/4 ging over internationaal erfgoed.

Nu lenen mensen en internationaal erfgoed zich waarschijnlijk niet goed als vergelijkingsmateriaal. Ze zijn incommensurabel. Maar wat gebeurt er in ons hoofd als we die vergelijking toch maken? Is het behoud van de Notre-Dame een mensenleven waard, of meerdere? Iemand zei me vandaag minstens twee levens over te hebben als de Kathedraal niet in brand was gegaan, maar behouden.

Dan niet per definitie haar eigen leven en het liefst mensen die ze niet zou kennen. Twee levens in ruil voor het behoud van de kerk. Het is een interessante middeleeuws voorstel en in dat opzicht staat het nog niet eens zo heel erg ver af van de Notre-Dame.

Waarom we ons moeten blijven bemoeien met abortus

 

Waarom we ons moeten blijven bemoeien met abortus

Een repliek tegen de minachting voor het leven

De column van Nynke de Jong (afbeelding links) in het Algemeen Dagblad van 5 april 2019 mag met recht een absoluut dieptepunt worden genoemd in de discussie over abortus. In deze bijdrage dien ik haar van repliek, waarbij ik mij verplicht voel om niet alleen te nuanceren maar ook kritisch aan de kaak te stellen tot welke absurde uitwassen haar ondoordachte eenzijdige feministisch fundamentalisme leidt. Namelijk een wegwerpcultuur van kerngezonde kinderen en een systematische ontkenning van verantwoord leven. Ik begrijp dat een columnist bestaat bij de gratie van gezonde ergernis, maar dat betekent niet dat de lezer zich iedere grove generalisatie, ongefundeerde volksmennerij en van enige diepte gespeende opvattingen hoeft te laten welgevallen.

Deze complexe discussie over abortus beleefde zijn zoveelste episode toen nota bene CDA-minister Hugo de Jonge aangaf dat er bufferzones mogen komen voor demonstranten bij abortusklinieken omdat deze agressief zouden zijn jegens kwetsbare vrouwen die van plan zijn hun ongeboren kind weg te laten halen. Een opvatting van de minister die vooral gestoeld lijkt op een eenzijdig van horen zeggen, maar dat terzijde. Wat deze Nynke de Jong echter in haar schrijven doet is nog veel zorgwekkender.

De Jong begint met de opvatting dat volgens haar ‘weinig dingen zo ongepast en intimiderend voelen als baarmoederbemoeienis’. Baarmoederbemoeienis is het zelfverzonnen of van Kirsten van den Hul geleende containerbegrip wat op de een of andere manier gaat over het feit dat mensen opvattingen hebben over of betrokken zijn bij het ongeboren menselijke leven en daarover in gesprek raken. In het geval van De Jong lijkt dat hoe dan ook intimiderend en ongepast, of dat nu gebeurt uit interesse, naïviteit, goede bedoelingen of uit oprechte betrokkenheid.

En volgens haar is met afstand de allerergste baarmoederbemoeienis, die waarbij ‘mensen commentaar hebben op jouw abortus.’ Ik citeer:

Mensen die überhaupt voor jou beslissen dat je geen recht hebt op een abortus. Terwijl ze niks weten over jouw leven. Die jou niet kennen. Maar die dag in dag uit voor de deur van de abortuskliniek staan om zich agressief met jouw baarmoeder te bemoeien.

Hoe kan iemand in vredesnaam beslissen dat een ander ergens geen recht op heeft? Een recht is een juridisch gegeven afdwingbare feitelijkheid. Betrokken zijn bij het ongeboren leven betekent hooguit dat je dit recht liever niet zo zou zien, dat er belangrijke vragen te stellen zijn bij dat recht, of dat je van mening bent dat dit recht volkomen uit de hand is gelopen.

Wat betreft dat laatste: het recht op abortus wat eind jaren 70, begin jaren 80 vorm heeft gekregen in ons land, had zijn oorspronkelijke grond in de ernstige conflictsituatie voor de vrouw, waarbij er geen enkele mogelijkheid meer was om de conflictsituatie op een andere manier tot oplossing te brengen dan door het ongeboren menselijke leven tot stilstand te brengen (vgl. Sporken, P. (1977). Ethiek en gezondheidszorg. Amsterdam: Ambo/Anthos). Het uitvloeisel van deze grond zien we terug in de Wet Afbreking Zwangerschap (1981/1984) waarbij expliciet wordt gesproken van een onontkoombare noodsituatie van de vrouw. Nood dus; wanneer iets absoluut niet anders kan.

Ieder mens met gezond verstand zal een onontkoombare noodsituatie definiëren als waar het leven van de moeder in gevaar is of wanneer het kind is belast met zware al dan niet erfelijke ziekten. De kern van iedere betrokkenheid bij het ongeboren menselijke leven schuilt volgens mij dan ook in het feit dat deze noodsituatie op de meest uiteenlopende manieren wordt gebruikt, terwijl er wel degelijk aan te ontkomen valt. Derde meisje in plaats van een jongetje: noodsituatie. Vriend is weggelopen: noodsituatie. Ik wil nog studeren: noodsituatie. Dit is geen ridiculiseren van de situatie, maar in 91% van alle gevallen de nood (zie jaarrapportage 2017 van de Wet afbreking zwangerschap). Over de afgelopen zeven jaren die ik heb bestudeerd is er telkens in minder dan 10% van de gevallen sprake van een medische noodsituatie.

Terugkomend op De Jongs verdere argumentatie in de aangehaalde alinea. De vreselijke drogreden die toch even benoemd moet worden, dat omdat iemand een ander niet kent of niets weet over de ander, iemand daarom geen opvattingen meer mag hebben. Het zou per direct het einde betekenen van haar als columnist waarin ze de ene na de andere grove generalisatie bezigt over mensen die ze nooit gesproken heeft. Zoals klaarblijkelijk ook over ‘al die mensen’, die ze allemaal niet kent, die allemaal maar agressief zijn en daar als idioten tekeergaan bij de abortuskliniek. Schep een lelijk beeld en projecteer dat op een hele groep: het is een van de meest valse manieren binnen de retoriek.

Hoewel de hele column een dieptepunt is voor iedereen die deze discussie wel serieus neemt, bereikt De Jong de absolute bodem wanneer ze op basis van een verhaal van een Volkskrant-journalist een illustratie probeert te geven over hoe het er bij een abortuskliniek aan toegaat. Ik citeer:

Volkskrant-journalist Marjon Bolwijn stond deze week bij een abortuskliniek in Rotterdam en zag daar hoe demonstranten zich wierpen op de zwangere Fatima, een moeder van vijf die nu al de eindjes aan elkaar moet knopen, en dus zeker het geld niet heeft voor een zesde kind. De demonstranten spraken met haar, gaven haar 30 euro en beloofden dat ze het eerste jaar van het kind zijn of haar luiers zouden betalen. Fatima liet zich ompraten, en kwam niet op de afspraak met de abortusarts.

Het woord “wierpen” staat helemaal niet in het verslag van Bolwijn, maar past bij de vooringenomenheid van deze columnist. Als we even kritisch kijken naar wat we kunnen afleiden uit het verhaal van deze Fatima, dan kunnen we op zijn minst vaststellen dat Artikel 5 lid 2d van de Wet afbreking zwangerschap spectaculair faalt:

dat na afbreking van de zwangerschap een genoegzame nazorg voor de vrouw en de haren beschikbaar is, mede in de vorm van voorlichting over methoden ter voorkoming van ongewenste zwangerschap

Ten overvloede noem ik enkele cijfers uit de jaarrapportage 2017. Verreweg de meeste zwangerschapsafbrekingen vindt plaats bij vrouwen met kinderen. Bijna 25% had voor de tweede keer een abortus. Meer dan twaalf procent (!) had eerder twee of meer zwangerschapsafbrekingen. Ik vind dit de meest schrijnende conclusie die het feminisme van De Jong volkomen ontkent. Het feminisme wat ik voorsta is het feminisme wat zich bekommert om deze absurde cijfers, waarbij het er alle schijn van weg heeft dat de vrouwen in kwestie of volkomen weerloos zijn om zichzelf te beschermen of op geen enkele manier in staat zijn om verantwoordelijkheid te dragen.

Iedere vorm van bemoeienis is hier welkom! Want het beeld van het zielige jonge meisje dat in een absolute noodsituatie verkeert is het beeld waarop graag wordt gebouwd in dit soort columns. Maar het is een belachelijk eenzijdig beeld van de werkelijkheid waarbij vele vrouwen vooral slachtoffer zijn van een gebrek aan feminisme. En je kunt waar de wet faalt je er niet genoeg mee bemoeien.

Terug naar Fatima. We lezen in het verslag van Bolwijn de reden van dit zesde kind: ‘Voor anticonceptie is geen geld en periodieke onthouding blijkt zo veilig niet.’ Ik moest deze zin twee keer lezen. Nee zes keer. Geen geld voor anticonceptie. Dat is de reden voor dit zesde kind. Dat is de reden op grond waarvan er een beroep gedaan wordt op een recht, wat in eerste instantie nooit van kracht had moeten worden.

Goede condooms zijn voor een habbekrats verkrijgbaar, als ze al niet gratis ter beschikking worden gesteld. Ik herhaal: een habbekrats of gratis via verzekeringen of talloze instanties. En ik verwijs weer naar Artikel 5 lid 2d WAZ als we de verantwoordelijkheid van de vrouw (en haar man) geheel of gedeeltelijk willen ontkennen en we klaarblijkelijk een tragedie willen voorkomen in plaats van maskeren.

Wat De Jong tenslotte doet, is het inluiden van haar eigen morele failliet. Dat zijn grote woorden, maar ik daag iedereen uit hetgeen ze schrijft zelf te overwegen en dan tot een andere conclusie te komen. Wanneer namelijk blijkt dat – omdat op zijn minst die nazorg spectaculair heeft gefaald- mensen Fatima aanbieden om haar te helpen zodat haar kind in ieder geval een toekomst voor zich ziet, noemt De Jong dat potentiële menselijke leven ‘een levenslange tragedie’, waarbij klaarblijkelijk 17 jaren lang (levenslang?) het leven wat komen gaat zichzelf moet vervloeken en had moeten wensen er niet te zijn. De Jong weet niets van dit leven, maar speelt schaamteloos voor God en miskent in één pennenstreek de menselijke liefde en veerkracht die ook en juist in (relatieve) armoede een ongelofelijke kracht is, waarbij een zinvol en liefdevol leven absoluut niet is uitgesloten. Maar voor De Jong is een gezond kind hier een wegwerpproduct.

Het is echt te gek voor woorden hoe iemand zo minachtend kan doen over het menselijke leven, in een gezegende samenleving nota bene waarbij er allerlei kansen en mogelijkheden zijn met een schier onuitputtelijke medemenselijkheid en solidariteit. Laat De Jong als ze deze ‘levenslange’ tragedie voor zich ziet, zich anders opwerpen als financieel ondersteuner. Dat is pas feminisme. Ik berichtte haar dat we samen dit kind financieel zouden kunnen ondersteunen, het tragische samen aanvallen, maar niet heel verrassend blijft het stil. De columnist met de reikwijdte van één dag…

Natuurlijk eindigt het verhaaltje clichématig met een veeg uit de pan naar de gelovige medemens:

Ze intimideren vrouwen op het kwetsbaarste moment in hun leven, en ze voelen dat ze dat recht hebben, enkel en alleen omdat ze denken dat hun god abortus afkeurt. Hoe kan het toch dat er mensen zijn die denken dat hún geloof ook van toepassing is op andermans baarmoeder?

Het grappige is dat juist omwille van het geloof  in 99% van alle gevallen mensen in die kwetsbare positie zeer respectvol benaderd worden. Het is een van de fundamenten van het christendom. Maar nee, zij mogen hun geloof niet omzetten in handelen, doch Nynke mag haar geloof wel uitkramen in de krant. Het is de vraag of ze überhaupt voor rede vatbaar is als je de column een aantal malen hebt gelezen, want je bent dus al snel een radicaal in haar ogen als je het niet met haar eens bent.

Maar gesteld dat ze haar tunnelvisie zou kunnen ontstijgen, dan zou De Jong al heel snel ontdekken dat het op sociale gronden vernietigen van een toekomst zoals zij die zelf gelukkig wel voor zich ziet, niet alleen maar gelovige mensen aangaat. Het is een complexe discussie, waarbij letterlijk een mensenleven op het spel staat. De verantwoordelijkheid van de vrouw, de kansen van een mensenleven, de pogingen tot nazorg en begeleiding waar overheid en kliniek faalt, de zogenoemde vrije keuze die gekoppeld is aan technologische voortgang, de voorlichting over alternatieven voor abortus, de vraag naar persoonlijkheid van een kind.

Dat ieder verstandig mens zich daar nog heel lang tegenaan mag bemoeien.

 

Nynke de Jongs triomfantelijke pleidooi om kinderen die in relatieve armoede geboden dreigen te worden, beter maar dood te maken.

Nynke de Jongs schaamteloos triomfantelijke pleidooi om kinderen die in relatieve armoede geboden dreigen te worden, beter maar dood te maken.

– Lees ook mijn langere filosofische verhandeling over de moraliteit van abortus: Judith Jarvis Thomsons-A defense of abortion

– Mijn lezersbrief werd helaas niet geplaatst, wel twee jubelende briefjes van mensen die de column waarschijnlijk niet heel goed hebben gelezen.

Ik weet niet hoe goed mensen de column van Nynke de Jong over abortus hebben gelezen (5/4/2019), maar er staat gewoon dat wanneer je als kind in relatieve armoede dreigt te worden geboren, je beter doodgemaakt kunt worden. Wat een weerzinwekkend verhaal, gepredikt onder de vlag van het absolute gelijk van het feminisme. Ik denk dat ik in het AD nog nooit zoiets afschuwelijks gelezen heb.
Stephan Wetzels
Utrecht

Of/Of: Kierkegaards tijdloze balans tussen het esthetische en het ethische

Of/Of*

Tijdloze balans tussen het esthetische en het ethische

-lees het of lees het niet, van allebei krijg je spijt-

Kierkegaard schreef in zijn leven geen enkel filosofisch hoofdwerk, om de eenvoudige reden dat zijn hele oeuvre tezamen moet worden beschouwd als hoofdwerk. Toch bevindt zich onder al zijn schrijven een parel die op een bijzondere manier schittert: Enten/Eller. In het Nederlands lang vertaald met Het een of het ander, maar sinds de mooie vertaling van Jan Marquart Scholtz bekend als Of/Of.

Of/Of-een levensfragment kwam voor het Deense publiek in 1843 beschikbaar in een oplage van 525 exemplaren en was binnen twee jaar uitverkocht, wat naar de maatstaven van die dagen een literair succes was. Een herdruk van 750 exemplaren volgde in 1849 en al duurde het enige tijd voordat zijn filosofie werkelijk begrepen en gewaardeerd werd (de diepte, samenhang en significantie van zijn oeuvre werd pas werkelijk gezien na de ontluisteringen van WO I), na zijn dood bleef het een van zijn meest bediscussieerde werken. Opmerkelijk, want het complexe boek met talloze verborgen raadsels erin verweven, nodigt ook met zijn 864 pagina’s niet direct uit tot doorlezen. Iets wat enkele recensenten na publicatie van het boek moesten toegeven. Tot op de dag van vandaag wordt het werk bediscussieerd en becommentarieerd, zodanig dat er al tientallen verschillende en aan elkaar tegengestelde (soms zeer kritische) invalshoeken over het werk bestaan (vergelijk bijvoorbeeld Lowry vs. Swenson en Swenson vs. Hong en Hong vs. MacIntyre). En daarmee is misschien wel precies het doel van Kierkegaard bereikt.

In tegenstelling echter tot wat vaak gedacht wordt, werd Of/Of verrassend goed ontvangen. Dat heeft grotendeels te maken met het feit dat Kierkegaard het werk onder een pseudoniem uitgaf en dan nog aan de vooravond staat van directe confrontaties met kerk en society. Een tweede belangrijke reden voor het succes van het boek is ongetwijfeld het omvangrijke en uiterst pikante onderdeel Dagboek van de Verleider, waar in Kopenhagen druk over werd geroddeld. Zo goed geschreven dat het nog steeds door derden los wordt uitgegeven (waarvan Kierkegaard schande zou spreken) als zou het een opzichzelfstaand boek zijn.

In zijn dagboeken heeft Kierkegaard aangegeven slechts elf maanden te hebben gewerkt aan het boek in de periode tussen 11 oktober 1841 en het einde van november 1842, al zijn de ideeën veel langer gerijpt. In een brief zegt hij er zelf nog over dat het allemaal ‘niet zo snel is gegaan, maar dat komt doordat het geen uiteenzetting, maar een dichterlijke schepping is, waarvoor ik in de juiste stemming moet zijn’.

Het mysterieuze karakter van de geschriften, de dubbelzinnige verwijzingen, de poëtische soms dromerige stijl, de blijk van bijzondere literaire en historische kennis van zaken en het feit dat Kierkegaard dit boek volgens sommigen voor een deel tactisch schreef aan Regine Olsen (met wie hij zijn veelbesproken verloving verbroken had), maken het met recht een bijzondere leeservaring. Al is het boek ook wereldberoemd om het feit dat bijna niemand het heeft uitgelezen.

Aanvang

Of/Of getuigt van een buitengewoon creatieve inspanning. Kierkegaard zal later zeggen dat hij bij het schrijven van Of/Of de inhoud zelf reeds ontstegen was. Toch is het werk een duidelijke oefening voor de volgende pseudonieme werken, waarin zijn collaterale stijl (die staat voor het behoud van een zelfstandige waarde van individuele begrippen als tijd/eeuwigheid, eindig/oneindig en toeval /noodzaak in tegenstelling tot de methodiek van G.W.F. Hegel) steeds verfijnder wordt.

In een voorwoord wordt de lezer duidelijk gemaakt wat hij precies in handen heeft. De uitgever van Of/Of, Victor Eremita (Kierkegaards eerste grote pseudoniem wat zoveel betekent als “de zegevierende kluizenaar” of “hij die zegeviert in of door eenzaamheid” ), is per toeval gestuit op een aantal uitgebreide teksten die verborgen lagen in een kast. Het blijkt iets weg te hebben van een correspondentie tussen twee heren. Uit de geschriften komen weinig persoonlijke details over de auteurs naar voren en Eremita besluit ze daarom “A” en “B” te noemen. Vertrouwd geraakt met hun schrijven overwint hij zijn bezwaren de teksten niet te publiceren, ordent ze enigszins en maakt hier en daar nog een enkele annotatie. Het voorwoord van de uitgever blijft verder vaag en biedt niet al te veel aanwijzingen over de bedoeling van het een en het ander, behalve dan dat de twee auteurs twee verschillende perspectieven representeren, namelijk het esthetische (A) en het ethische (B). Dat de uitgever vaag blijft en zich niet waagt aan een algemene beschouwing, is natuurlijk geënsceneerd. Het typeert de indirecte methode die Kierkegaard als schrijver hanteerde: de gedachten die geformuleerd zijn op papier kunnen alleen door de individuele lezer eigen woorden gemaakt. De lezer wordt zo bewogen actief deel te nemen aan dat wat hij leest, iets wat bij een abstract (hegeliaans) filosofisch systeem nogal te wensen overlaat. Daarmee is dit boek ook een duidelijke aanklacht tegen de grote onpersoonlijke filosofische systemen van zijn dagen, waarvan Kierkegaard reeds op 24-jarige leeftijd in een dagboekfragment van 1 augustus 1835 liet zien hoe hij zich daartoe verhield:

Wat zou het mij baten als ik een zogenaamde objectieve waarheid zou ontdekken; als ik mij door alle filosofische systemen heen werkte en er, desgevraagd, kritieken over kon schrijven; dat ik in elk systeem de inconsequenties zou kunnen aanwijzen; – wat zou het mij baten als ik een staatsvorm zou kunnen ontwerpen en de her en der vandaan gehaalde onderdelen tot een eenheid kon samensmelten, een wereld construeren, waarin ik niet leefde, maar die ik alleen aan anderen voorhield; – wat zou het mij baten als ik de betekenis van het christendom uiteen zou kunnen zetten, de talloos geïsoleerde fenomenen zou kunnen verklaren, als die voor mijzelf en voor mijn leven niet van diepere betekenis zouden zijn?

We moeten zelf onze weg vinden in dit leven, als zelfverantwoordelijke zelfbepalers (natuurlijk door alle latere existentialisten van Sartre tot Heidegger herhaalt). Het komt er op neer, dat we weten wat onze bestemming is, dat we weten wie we willen zijn en wat me moeten doen. We zien hier dus al een concrete uitwerking van wat een centrale stelling bij Kierkegaard lijkt, namelijk dat ‘de hoogste objectiviteit zich pas laat zien in de hoogste subjectiviteit’.

Wie Of/Of leest (en opvallend genoeg geldt dit voor vrijwel ieder werk van Kierkegaard), zal ontdekken dat hij de indruk heeft het eens te zijn met Kierkegaard (of wat de pseudonieme schrijver mededeelt), maar even later het evenzeer eens is met het tegenovergestelde wat wordt beweerd. En daar ontvouwt zich nu precies nu de keuze. Het kiezen wordt de lezer zo gegeven en vormt de kern, de opdracht van Of/Of. Want vergeten we rekening te houden met de keuze, ‘dan komt er uiteindelijk een moment waarop er van een keuze geen sprake meer is, niet omdat er gekozen is, maar omdat het kiezen achterwege is gelaten’.

Het een

De papieren van “A” beslaan acht verschillende teksten (of hoofdstukken) met allen eenzelfde inzet: op een bepaalde manier de luchtigheid van het bestaan weer te geven (waarbij constant gebalanceerd wordt tussen passie en ironische reflectie). Ook worden we regelmatig geconfronteerd met een bepaalde vermoeienis, nonchalance en zwaarmoedigheid die de schrijver tentoonspreidt ten aanzien van het leven.

Als eerste worden we verrast met de zogenaamde Diapsalmata, die bijna 100 korte observaties, bedenkingen en aforismen beslaat. De titel is door Eremita bedacht, waar hij nogal dubbelzinnig het onderschrift “Aan mezelf” heeft toegevoegd (is er een verwantschap tussen Eremita en “A”?). “A” schetst in prikkelende, poëtische passages de waarde van de onmiddellijkheid, als essentieel voor de esthetische levensstijl. De beste tijd van het leven is de directe ervaring, bijvoorbeeld het eerste moment van werkelijk verliefd zijn, waarin de rede nog niet het gevoel van de passie bederft. De kunst is dus om dat kwetsbare moment van de onmiddellijkheid vast te houden, anders ligt er een leven van ongeluk in het verschiet.

In het essay De onmiddellijke erotische stadia of het muzikaal-erotische, beschrijft “A” dankbaar zijn liefde voor Mozart, en in het bijzonder diens ‘Don Giovanni’ (Don Juan). In tegenstelling tot de Diapsalmata volgt hier een ‘objectieve’ analyse over de relatie tussen taal en muziek, over de onmiddellijke sensualiteit van de tijdelijkheid van het muzikale en over de betekenis van een tijdloos meesterwerk.

Met De weerspiegeling van het antieke tragische in het moderne tragische, Schaduwbeelden en De ongelukkigste schrijft “A” drie essays die zouden zijn voorgelezen voor de Symparanekromenoi. Een uiterst mysterieus pessimistisch genootschap, waar “A” lid van is en waarvan diverse commentaren er niet uit zijn wat dit door Kierkegaard (niet helemaal juist) geconstrueerde Griekse woord precies betekent, naast een letterlijke vertaling “gemeenschap van de doden” of “de vereniging van de begraven levenden”. Maar de Symparanekromenoi kan wellicht het best begrepen worden als een genootschap voor verveelde mensen; mensen die vieren dat de nacht eindelijk weer de dag heeft overwonnen. De samenhang tussen de drie essays kan worden gezocht in het gereflecteerde gevoel van ongelukkig zijn; in tegenstelling tot de onmiddellijkheid van de opwinding, het genieten of de verliefdheid. Na het wat technisch geschreven De weerspiegeling en het filosofisch bespiegelende Schaduwbeelden is De ongelukkigste voor de hedendaagse lezer weer iets aangenamer en vriendelijker. Wie heeft namelijk recht op de eretitel ‘de ongelukkigste’?

Laat ons dus een open competitie instellen, waarvan niemand op grond van stand of leeftijd uitgesloten zal zijn. Uitgesloten is niemand behalve de gelukkige en hij die de dood vreest- welkom is elk waardig lid van de gemeente der ongelukkigen, de ereplaats bestemd voor elke werkelijk ongelukkige, het graf van de ongelukkigste.

Aan de lezer om te ontdekken tot welk verrassend oordeel de jury komt.

Na de drie essays volgen nog twee teksten (De eerste liefde en De wisselbouw), voordat Het dagboek eindelijk mag worden opengeslagen, al zijn haastige lezers daar natuurlijk al lang aan begonnen. In De eerste liefde worden we getrakteerd op een literaire kritiek (of eerder lofzang) van “A” op Eugène Scribe’s toneelspel Les premieres amours. Dit komische liefdesverhaal, waarin geleund wordt op allerlei amoureuze verwarring omtrent een jong meisje en twee geliefden, had met maar liefst 131 voorstellingen verspreid over 50 jaar de 19e eeuwse Deen definitief gewonnen voor de esthetische Franse romantiek. Aardig detail is dat Kierkegaard in 1841 aan zijn vriend Emil Boesen schrijft:

Stuur me zo snel je kunt De eerste liefde in de vertaling van Heiberg, die op het schouwburgrepertoire staat en bij boekhandel Schubothe te koop is, maar verklap aan niemand dat die voor mij is.

 “A”’s analyse van het plot heeft commentatoren verleidt Freud en Lacan eraan te verbinden, maar als lezer zou je toch vooral de voorstelling zelf willen zien om te ontdekken wat het betekent als iemand zegt dat ‘de eerste liefde de ware liefde is, en men maar eenmaal werkelijk liefheeft’ of dat de vergissing van een (eerste) liefde moet liggen in het feit dat ‘men het verleden met de toekomst heeft verward’. De gedetailleerde, gelaagde beschrijving van een ogenschijnlijk simpel toneelspel laat ons in ieder geval meekijken door de ogen van “A” alsof we er toch een beetje bij zijn.

Het voorlaatste schrijven van “A”, De wisselbouw, blinkt uit in een uitdagend pessimisme wat laat denken aan Schopenhauer en Nietzsche (en zelf een beetje aan Pascal). Het stuk is een cynische aaneenrijging van stellingen en opvattingen over relaties, vriendschap en het huwelijk die bijna allemaal wel iets losmaken. Hoe houdt men een leven interessant en hoe is dat gerelateerd aan het vermijden van vervelende verantwoordelijkheden die gepaard gaan met een ethisch leven? Heb moed, durf te variëren en ken je stemmingen, aldus “A”.

Wanneer twee mensen verliefd op elkaar worden en het gevoel hebben dat ze voor elkaar bestemd zijn, dan is het zaak de moed te hebben om het af te breken; want met doorgaan is alleen maar alles te verliezen, niets te winnen.

 Want

 (……) als men maar tot één mens in een relatie wilde leven zou er van de wisselbouw weinig terechtkomen, net zoals wanneer een boer maar een halve bunder land had, met als gevolg dat hij nooit kon braken, iets wat zo bovenmate belangrijk is-, zo moet men ook voortdurend zichzelf variëren, en dat is in wezen het geheim.

Iedereen die zijn zinnen gezet heeft op het huwelijk, zou er verstandig aan doen ter voorbereiding in gesprek te gaan met “A” in de Wisselbouw. Waarom heeft hij eigenlijk ongelijk?

Het toegankelijke en dramatische slotstuk van de papieren van “A”, is zonder twijfel het meest bediscussieerd. Het dagboek van de verleider is gecensureerd, apart uitgegeven, sterk autobiografisch beschouwd, en in vele opzichten becommentarieerd en vergeleken. Alles wat er hier over geschreven wordt zou daaraan niets toevoegen. Het dagboek doet denken aan vrouwenversierder Don Juan. De hoofdpersoon Johannes, is literair gezien echter verwant aan Faust. Want terwijl de vrouwen door Don Juan bij tientallen worden verleid (waarbij reflectie ontbreekt, dus is hij geen echte verleider), gaat het Faust maar een enkel meisje, ‘maar dat ene meisje is dan ook, in intensieve zin, heel anders verleid en vernietigd dan al die vrouwen die Don Juan heeft bedrogen.’ Bovendien is Johannes een echte verleider aangezien hij het volledig reflexief doet. Eén vrouw zal hij langzaam, gedegen, met ongelofelijke precisie en met zorg ten volle veroveren, om haar zo te brengen tot aan het uiterste van de hartstocht waarbij ze komt tot een volledige overgave- om haar daarna in de diepste diepte te laten vallen.

Autobiografisch gezien heeft Kierkegaard hier drie gelaagde pseudoniemen voor zich staan: Johannes, “A” (want “A” heeft zelf weer het dagboek gevonden) en Eremita. Toch is het onmiskenbaar dat Cordelia, het meisje dat slachtoffer wordt van Johannes, sterk verwijst naar zijn voormalige verloofde Regina (die een zus had die Cornelia heette). Hij wilde haar met dit schrijven laten zien, dat het juist was dat ze niet met elkaar gingen trouwen. Paradoxaal en uiterst indirect, want in hoeverre veronderstelde Kierkegaard dat Regine dit wel zou begrijpen? Later zal hij in Stadia op de levensweg zelfs nog een persoonlijke afscheidsbrief van haar letterlijk opnemen. De volgende passage uit een brief, ook aan Emil Boesen geschreven, geeft in het licht van het twee jaren later gepubliceerde Of/Of een belangrijk inzicht:

Wat ik je over dat jonge meisje heb geschreven, blijft overigens tussen ons; en je mag op geen enkele manier met geen woord mijn tactiek verstoren. Wat maakt het uit of de mensen denken dat ik een bedrieger ben? (……) Ik heb de mensen tenslotte altijd al voor de gek gehouden, waarom zou ik dat niet tot het uiterste doorvoeren? Natuurlijk ken ik momenten van smart waarop ik het betreur dat ik ooit verloofd ben geweest, maar niet dat ik die verloving heb verbroken; want alleen door het feit dat ik me met haar verloofd hebt, heeft ze enige macht over me gekregen.

Kierkegaard-kenner Joakim Garff merkt terecht op dat in heel zijn publiceerde schrijfwerk Kierkegaard Regine geen enkele keer noemt, maar dat het volstrekt onwaarschijnlijk is dat zijn werk, en in dit geval het dagboek, dezelfde filosofische psychologische gelaagdheid zou hebben gehad, zonder de verbroken verloving (hoewel met de esthetische geldigheid van het huwelijk door “B” wel een paradox wordt gecreëerd), zelfs al kon Kierkegaard in pseudoniem volledig afstand nemen van zijn eigen schrijven. En ergens voelen we dat Kierkegaard het existentiële ongeluk van “A” heeft geproefd, en balanceerde op de rand van Spidsborgerlighed, waarbij de climax van zijn leven samen te vatten is in het aforisme dat ‘de bron van het ongelukkig zijn niet is dat geliefden elkaar niet kunnen hebben, maar dat ze elkaar niet kunnen begrijpen.’ En dat onbegrip heeft geleid tot unieke filosofie. Later zal Kierkegaard in Over mijn werkzaamheid als schrijver uit 1851 zeggen dat hij deze filosofie geheel aan haar opdraagt, al blijft ze ook hier ‘een ongenoemde, wiens naam eenmaal genoemd zal worden’.

Het ander

Het tweede deel van het boek is getiteld Inhoudende de papieren van “B”, brieven aan “A”. In tegenstelling tot “A”, leren we “B” wel bij naam kennen in de persoon van Assessor, of Rechter Wilhelm, getrouwd en vader van kinderen. Deze rechter antwoordt zijn vriend “A” in twee lange brieven (waarvan het ons haast ongeloofwaardig voorkomt dat men zulke lange brieven schreef) getiteld De esthetische geldigheid van het huwelijk en Het evenwicht tussen het esthetische en het ethische in de ontwikkeling van de persoonlijkheid, en een preek van een Jutlandse dominee getiteld Ultimatum.

Het wordt al snel duidelijk dat de bedoeling van Wilhelm is “A” op een ander pad te krijgen, waarbij hij kiest voor een verantwoordelijk leven zodat hij zichzelf meer dan nu het geval is als mens ontwikkelt en komt tot een verantwoordelijke relatie tot zijn omgeving. Wilhelm schrijft bij aanvang van zijn eerste brief:

Boos kan men eigenlijk niet op je worden, het kwade heeft bij jou net als in de middeleeuwse opvatting een zeker bijmengsel van goedmoedigheid en kinderlijkheid. Ten aanzien van het huwelijk heb je je altijd alleen maar als waarnemer opgesteld. Er zit iets verraderlijks in, alleen maar waarnemer te willen zijn. Hoe vaak heb je me niet geamuseerd, maar hoe vaak ook heb je me niet geplaagd met je verhalen over hoe je listig het vertrouwen nu eens van deze, dan weer van die getrouwde man had weten te winnen, om te zien hoe diep hij in de zomp van het echtelijke leven stak. Je bij mensen in te dringen, daartoe bezit je werkelijk grote gaven (….), maar eerlijk gezegd ontbeert die psychologische belangstelling ernst en is ze meer hypochondrische nieuwsgierigheid.

Wilhelm doet gelijk al denken aan een vaderfiguur. En hoewel vaak opgemerkt is dat Kierkegaard in Of/Of met enige neutraliteit de perspectieven heeft willen schetsen, is het als lezer moeilijk je te onttrekken aan het idee dat het perspectief van Wilhelm niet te verkiezen is boven “A”, noch dat Kierkegaard zelf niet net als Eremita een voorkeur zou hebben voor Wilhelm (los van het religieuze perspectief dat in later werk ontwikkeld zal worden en met Ultimatum als deus ex machina Of/Of binnentreedt). Bovendien suggereert ook de volgorde van presenteren van de papieren een opeenvolging, evenals het feit dat “A” jonger is dan “B”. Maar hoezeer had ook niet de scepticus kunnen antwoorden op de ethicus? Eremita merkt overigens op dat het zou kunnen zijn dat enkele geschriften van “A” een antwoord zouden vormen op de brieven van “B”; de volgorde is hem echter onduidelijk.

Kern van de brieven is het verwijt aan “A” dat hij niet komt tot een werkelijke keuze en als observator misschien wel interessante ideeën opdoet, maar zelf geen deel uitmaakt van die ideeën. “A” is zogezegd verdwaald in het rijk der mogelijkheden, waarbij hij geen moeite neemt het existentiële kompas te vinden. In Het evenwicht tussen het esthetische en het ethische staat dan ook de betekenis en het belang van de keuze centraal. Hoewel bij Wilhelm soms wat twijfel doorklinkt, is hij uiteindelijk toch overtuigd van het ware subjectieve pad dat hij heeft gekozen, al merkt Ger Groot in een essay op dat

Anders dan de Verleider Wilhelm kiest voor de verbintenis die hij aangaat en daarmee wil hij uitdrukkelijk een ethisch wezen zijn. Maar daarin schiet ook hij tenslotte aan de liefde voorbij. Hij kiest omdat dat een ethisch principe is: hij kiest voor het kiezen (‘Of/of’, zegt rechter Wilhelm opnieuw) en voor de plicht lief te hebben. Dat is – suggereert Kierkegaard daarmee ironisch – iets heel anders dan de liefde zelf, die altijd om iemand ondernomen wordt en niet omwille van een algemene heilige plicht die iedereen geldt. Omdat Wilhelm zich op dat algemene vlak baseert, schiet hij tenslotte net zo ver over de liefde heen als de Verleider ertegenover tekortschoot.

Daarmee is het perspectief van “A” zeker niet overwonnen door “B”, en mag er toch met recht gezegd worden dat de perspectieven voor zichzelf spreken. Maar zou het niet kunnen dat deze papieren feitelijk van één en dezelfde persoon afkomstig zijn? Moet, wie A zegt ook niet B zeggen? En zou er dan sprake zijn geweest van ontwikkeling in deze mens? Volgens Eremita zou een dergelijke zienswijze met het gezonde verstand in strijd zijn, maar ook hij kan zich niet van die gedachte losmaken. Met Of/Of kan de lezer echter alle kanten uit. Of “A” overtuigde “B”, of “B” “A”, of “B” was “A”. En wie is Eremita eigenlijk?

Hoe je deze vragen ook beantwoordt, duidelijk is wel dat de in beginsel kleine rol van Eremita, bij herlezing een sleutelpositie blijkt te zijn. Dat hij de mogelijkheid heeft gehad een analyse te geven over de teksten, maar dat nalaat en desondanks toch een opdracht ziet voor zichzelf ‘iets’ met de papieren te moeten is even nietszeggend als alles zeggend.

Rest nog het Ultimatum. Een afsluitend woord van Wilhelm aan “A”. De korte brief bevat een bijgevoegde preek van een bevriende dominee met als titel Het opbouwende in de gedachte dat wij tegenover God altijd ongelijk hebben. Een ‘voor iedere boer te begrijpen’ preek, maar daarom niet onbeduidend, ‘want het schone van het algemene is nu juist dat allen het kunnen begrijpen’. Wilhelm voegt deze preek toe omdat zij op een betere manier iets uitdrukt dan hij het kan. Met Ultimatum geeft Kierkegaard feitelijk de lezer een voorbode van wat gaat komen en verder uitgewerkt wordt in Stadia op de levensweg. Naast het esthetische (onmiddellijke) en ethische perspectief, is er namelijk ook het religieuze perspectief en is de keuze in werkelijkheid niet die tussen het esthetische en ethische, maar die tussen het ethische en het religieuze. Wie namelijk kiest voor het religieuze verlost zichzelf daarmee definitief van de vertwijfeling. Zoals de dominee schrijft:

Alleen in een oneindige relatie tot God kan de twijfel tot rust worden gebracht; alleen in een oneindig vrije relatie tot God kan zijn bekommernis veranderen in vreugde. In een oneindige relatie tot God verkeert hij wanneer hij erkent dat God altijd gelijk heeft; in een oneindig vrije relatie wanneer hij erkent dat hij zelf altijd ongelijk heeft. Zo is dus de twijfel tot staan gebracht; want de beweging van de twijfel was nu juist daarin gelegen dat hij het ene moment gelijk had en het volgende ongelijk (…)

Kierkegaard stierf in 1855, Of/Of zelf ver ontstegen. Regine Olsen overleefde Kierkegaard met bijna een halve eeuw. Nadat Fredrich Schlegel met wie ze getrouwd was stierf in 1896, kreeg een aantal mensen de kans met haar te spreken over de ooit zo spraakmakende verloving, die nu een onderdeel was geworden van belangrijke geschiedenis. In de memoires van Robert Neiiendam, die als jongeman in die dagen met haar wandelde lezen we:

Ze was verheugd over het feit dat allerlei jonge mensen geïnteresseerd waren in Kierkegaard. Ze sprak alleen maar in fraaie bewoordingen over hem en de jaren hadden zijn relatie tot haar duidelijk gemaakt. Het was een missie van God geworden,  die haar gebruikt had als een instrument om Kierkegaard te leiden tot het schrijven van een grote religieuze werken, die zo belangrijk zouden worden.

Maar ook Of/Of hebben we grotendeels aan haar te danken. En hoe men het boek ook leest of waardeert, hoe men ook denkt over de schrijver Kierkegaard of de pseudoniemen, hoe men ook aankijkt tegen de verloving of de verleider, met Of/Of heeft men een klassieker in handen die dankzij de thematiek nooit meer zijn actualiteit zal verliezen, omdat het in zekere zin ook een ode is aan de mens. Ongeacht of je het nu in stukjes leest of helemaal uit.

 

* Na enige tijd jaar op de plank te hebben gelegen, nu hier de publicatie. Hoewel Of/Of voor Kierkegaard-kenners overbekend is, probeert deze compacte, onvolledige beschrijving de nieuwsgierige en de nieuwe lezer te bereiken. De prachtige Nederlandse vertaling is nog gewoon verkrijgbaar. Of hier in nieuwe uitvoering. Zelf vind ik dit de mooiste editie.

IS-vrouwen. Of: het onderscheid tussen dom en kwaadaardig

‘Je moet er principieel op tegen zijn om domme mensen aan hun lot over te laten’

De meest uitdagende morele dilemma’s worden vaak zo door de werkelijkheid aangereikt. De tragiek dat, anders dan in een gedachte-experiment er daadwerkelijk meer op het spel staat dan alleen overwegen, doet niets af aan het feit dat het bijzonder het overwegen waard is.

Hetgeen ik hier wil overwegen is afgelopen dagen door de Amerikaanse president aangewakkerd: Trump riep zijn Europese bondgenoten op, waaronder dus ook Nederland, zijn IS-strijders terug te nemen en te berechten. Deze Europese IS’ers zijn in Irak en Syrië gevangengenomen en worden momenteel vastgehouden met de hulp van de Koerdische strijdkrachten die leunen op de hulp van het Amerikaanse leger. Het lijdt geen twijfel dat niemand zit te wachten op een dergelijke complexe en langdurige rechtsgang. Het is interessant te overwegen of de moderne nationale rechtsstaat hier zijn eigen grenzen heeft gevonden. Een hooguit internationale berechting met daarbij de mogelijkheid van de doodstraf, het niet actief inspannen voor Nederlandse staatsburgers waarbij een schuldvraag formeel niet is vastgesteld en de expliciete wens dat Syriëgangers in de strijd beter daar kunnen omkomen dan ooit nog hun heil zoeken in Nederland, zijn wel erg sterke aanwijzingen dat het leven van iemand in de ogen van de Staat is gedevalueerd en waardeloos geworden.

De meegereisde vrouwen en kinderen
Misschien dat de werkelijke morele dilemma’s hier nog niet beginnen, maar pas bij de laag eronder: de meegereisde vrouwen en kinderen. Naar aanleiding van het bovenstaande werden ook zij weer actueel, waar ze eerder al zonder slag of stoot waren verdwenen in de media omdat vrijwel niemand serieus mededogen kon opbrengen. Want gaat het hier om mededogen? Gaat het hier om barmhartigheid?

De complexiteit van het morele probleem ligt erin dat we niet goed kunnen vaststellen op welke gronden we de vrouwen moeten beoordelen. Die beoordeling wordt bovendien ernstig vertroebeld door het feit dat naast ons gezonde verstand ook nog eens de geschiedenis het ongelijk van de vrouwen heeft bewezen.

Verreweg de meeste vrouwen beroepen zich op het feit dat ze zich hebben vergist, dom waren en naïef. Ze zijn nu tot inkeer gekomen, hebben het licht gezien, begrijpen dat ze een foute en ondoordachte keuze hebben gemaakt. En dat is de paradox: we weten nooit of ze dat hadden kunnen inzien indien IS niet zo dramatisch was gevallen. Ondanks dat het hen dan misschien goed was gegaan, hadden ze nog steeds een verkeerde keuze gemaakt. Zoals een nazi verkeerd is, ondanks zijn overwinning.

Maar hoe kunnen wij nu het onderscheid maken tussen dom-zijn en kwaadaardig?
Hoe kunnen wij bepalen of iemand naïef was, makkelijk te beïnvloeden en goedgelovig in plaats van vilein, boosaardig en fundamentalistisch? Dat kunnen we niet. We kunnen nooit doordringen tot de diepste binnenwereld waarin de geheimen van de beweegredenen zich schuilhouden. En dus is daar het onoplosbare morele dilemma. Of zou iemand zeggen: ‘Of ze nu dom waren of boosaardig, in beide gevallen heb ik ze afgeschreven.’ Dan is er inderdaad geen dilemma meer.

Voor mij is dat er echter wel. Ik denk dat ik principieel tegen het zwaar bestraffen van domheid ben. Of misschien moet ik de stelling opperen dat we er principieel op tegen moeten zijn om domme mensen aan hun lot over te laten. Natuurlijk, als je in de strijd hebt gestreden aan de verkeerde kant met de lelijkste motieven, meest primitieve opvattingen en de valste beloften, dan is het helder wat je lot moet zijn. Dan heb je een grote kans gewaagd op een heel groot speelveld, en je hebt groots verloren.

Maar wat nu als je alleen hebt geloofd dat je op de goede weg was, en daar verder niets voor hebt gedaan? Zou iemand, als we dat zuiver zouden kunnen vaststellen, een nieuwe kans verdienen in onze open samenleving? Ik voel de weerzin om dat bevestigend te beantwoorden, maar welke redenen heb ik in dat geval om iemand dan aan zijn lot over te laten? Zou het kunnen zijn dat omdat we niet in iemands binnenste kunnen kijken we voor het gemak ervan uitgaan dat de mogelijkheid van kwaadaardigheid ons probleem snel oplost? Omdat die mogelijkheid er is, kunnen we ieder risico daarop willen uitsluiten. Maar ook dan gaan we voorbij aan het dilemma en de mogelijkheid dat iemand simpelweg onnozel is. Hoe moet een rechtsstaat omgaan met onnozelaars? Hoe moeten wij ons verhouden tegenover domme mensen die domme dingen doen?

Het antwoord dat ze beter hadden moeten weten strookt natuurlijk niet met het feit dat ze dom zijn. Waren ze dat immers niet, dan hadden ze wel beter geweten. Hebben ze met hun domheid dan niet iets ongelofelijk verschrikkelijks gefaciliteerd? Dat is waarschijnlijk waar. Dan blijft nog steeds de vraag open staan in hoeverre je ze dat moet aanrekenen en in welke mate. Een combinatie van goedgelovigheid, domheid en pech kunnen in vele omstandigheden leiden tot radicaal verkeerde keuzes. Je wil dan graag verantwoordelijkheid toekennen aan iemand die zo’n keuze gemaakt heeft, maar als het zo tegenzit, in hoeverre mag je, moet je, dan die verantwoordelijkheid enigszins relativeren? Je kunt niet ieder mens een even zware verantwoordelijkheid toekennen.

Maar ook hier is het de vraag in hoeverre de rechtsstaat zich moet en wil inspannen om deze nuancering toe te passen op het lot van tot inkeer gekomen islamitische vrouwen in veroverd oorlogsgebied. Kan de rechtsstaat zichzelf daarboven uittillen? Want wie zou deze nuancering graag in het debat willen betrekken, daar waar waarschijnlijk 95% of meer van de bevolking vindt dat deze vrouwen hun kansen hebben verspeeld om een toekomst op te bouwen in ons land? Een toekomst klaarblijkelijk die ze niet zagen of zo makkelijk kon worden vertroebeld om welke redenen dan ook. Is dat iets wat we ons nog als zelfverklaarde meritocratie moeten aantrekken?

De conclusie is niet eenvoudig. Het probleem verdwijnt niet vanzelf -hoe graag ook ik zou willen- en welke keuze er uiteindelijk ook gemaakt wordt, deze zal gepaard gaan met nieuwe problemen. Ook het uitstellen van het maken van keuzes, leidt tot nieuwe problemen. En het helemaal niet kiezen al helemaal. Barmhartigheid mag niet naïef zijn en hoop moet niet gepaard gaan met vrees, maar willen we ruimte geven voor barmhartigheid en hoop, dan zullen we eerst het waagstuk aan moeten gaan of we bereid zijn te accepteren dat deze vrouwen dom zijn geweest en daarom een nieuwe kans verdienen. Een nieuwe kans die inhoud dat zij zich nooit meer aan zo’n lelijke steen zullen stoten, en dat de rest van hun leven aan anderen zullen vertellen. Hoe goedgelovig en onnozel ze waren, en dat ze een tweede kans hebben gekregen van de samenleving die ze de rug hadden toegekeerd. Een dankbaarheid die in IS nooit had kunnen bestaan en een levensles die in het beloofde land nooit was geleerd.

De geloofwaardigheid van Angela de Jong. Of: de ondergang van een tv-recensent

De geloofwaardigheid van Angela de Jong
Of: de ondergang van een tv-recensent

Recensenten zijn er op alle denkbare terreinen. De literair recensent, de culinaire recensent, de techniek recensent, de theater recensent; je struikelt erover in onze mediacratie waarin alles altijd beoordeeld moet worden en zovelen op zoek zijn naar een bevestiging van hun mening, of juist een steuntje in de rug nodig hebben om een ‘eigen’ mening te kunnen vormen.

Maar hoeveel verschillende recensenten er ook zijn, één ding hebben ze gemeenschappelijk: recenseren vereist geen enkel bijzonder talent. Natuurlijk is enige kennis van zaken prettig en een redelijke pen noodzakelijk, maar bijzondere talenten zijn dat niet. Kritiek leveren is geen kunst, het is veelal de uitweg wanneer iemand tot de conclusie is gekomen dat het beheersen van een echte kunst er gewoon niet inzit.

Toch is er zelfs een gradatie binnen de recensenten, zoals dat binnen iedere beroepsgroep het geval is. Zo zijn de maatschappijleraar en de gymnastiekdocent de lachertjes van het onderwijs en de bedrijfsarts en consultatiearts mislukt in de geneeskunde om wat voorbeelden te noemen. Nuttig, maar niet met een bijzonder talent.

Wat betreft de recensent, is televisierecensent het laagste wat je kunt zijn
Er bestaat waarschijnlijk geen enkele andere bezigheid die minder talent, inspanning, intellect en inzicht verlangt dan televisiekijken en er een kritische mening over vormen. Natuurlijk weet de televisierecensent ook wel dat hij een clowntje is voor de bühne, dankbaar dat hij er geld mee mag verdienen. Hij schrijft ter vermaak voor het ja-knikkende gepeupel en is zich bewust van die rol. En een van de opvallendste clowntjes is Angela de Jong. Sinds jaar en dag schrijft zij in het Algemeen Dagblad stukjes in haar rubriek Angela kijkt tv. Ja zo eenvoudig als het klinkt, zo eenvoudig is het ook.

Angela kijkt tv en schrijft haar mening op
Angela kijkt naar boeren en vindt er iets van. Angela kijkt naar bakkers en vindt er iets van. Angela kijkt naar entertainers en vindt er iets van. Angela kijkt altijd naar goed bekeken, heel slecht bekeken of op zijn minst programma’s met veel publiciteit, waar gegarandeerd vele anderen ook iets van vinden en zichzelf teruglezen bij Angela. Geen diepzinnige analyses of literaire recensies, maar gewoon doorsnee populisme en volksvermaak. Een beetje stoken, lekker kritisch, af en toe de vinger op de zere plek leggen en dat is het. Tv-kijken en er iets van vinden.

En dan is het hoogst haalbare op enig moment gezag hebben in hetgeen je schrijft. En dat is Angela overkomen. De juiste rubriek met de juiste toon in het juiste tijdperk, en daarom belangrijk worden. En toen ging het mis. In plaats van dat gezag te verdiepen, ging Angela in zichzelf geloven en verruilde ze haar clownspakje voor een mantelpak. Ze werd de Sainte-Beuve die ook een A la recherche du temps perdu wil schrijven.

Want in plaats van afstand te bewaren, zakelijk en professioneel te blijven, hield Angela het niet meer bij alleen televisiekijken, maar is Angela zelf een onderdeel geworden van de televisie. Ze is zichzelf belangrijker gaan vinden dan het televisiewerk wat ze moet toelichten. En dat is voor een recensent een doodzonde. Angela bij De Wereld Draait Door, VI, De Slimste Mens, WNL, De Wereld Draait Door, Beau, VI, Jinek of als opvulling in het zoveelste Linda de Mol-vehikel Weet ik veel.

Angela zou als tv-criticus moeten walgen hier te figureren in een compleet uitgemolken formule met de belegen schijndiepte van ‘de weetjes’, het clichématige publiek wat er omheen is geflanst in het uitwisselbaar decor, en het allerergste, die vreselijk pijnlijke en geforceerde humor. Ja er is altijd wel wat ruimte voor een seksgrapje. Van de balzak van Johnny tot aan de vraag ‘waarom kreunt een Nederlander als hij klaarkomt’. Let er eens op. Of beter, vermijd het programma als de pest en lees een boek van Nietzsche als je wil ontdekken hoe slim je bent.

Een recensent die zijn vak serieus neemt, moet heel ver wegblijven bij deze formule televisie, al krijg je er geen stuiver voor. Ik wil stukken lezen van een onafhankelijke geest. Ik wil degene die voor mij als abonnee schrijft, niet zelf zien geilen en paraderen in dit soort en vele andere programma’s. In plaats van het beest te temmen, laat Angela zich er al te graag door likken. Het is moeilijk te begrijpen waarom zij haar gehele geloofwaardigheid op het spel zet en waarom dat überhaupt wordt toegestaan door haar werkgever. Je moet nooit iemand laten likken, daar waar schoongeveegd moet worden.

Het is alleen maar te verklaren vanuit het feit dat ze haar lezers als nog dommer beschouwt dan de vele programma’s die ze moet recenseren. ‘De lezers zullen het wel begrijpen, de lezers vinden mij geweldig slim, de lezers zien mij graag op televisie en houden van mijn kritiek en de lezers begrijpen vast wel dat mijn onafhankelijkheid niet in het geding is wanneer ik mijzelf uitleen aan commerciële pulp of meelach met Eva.’

Maar het is natuurlijk niet alleen minachting voor de kijker, het is ook Angela die kritisch moet zijn, maar geen enkele zelfkritiek meer heeft of nog erger, is bezweken onder commerciële of narcistische belangen.

Toch is ze nog niet verloren en is er nog redding mogelijk. Ze kan zich op één manier onwaarschijnlijk verheffen en de hoogste onder de recensenten worden. En dat is de onthulling dat dit alles slechts een sociaal-experiment was. Angela deed dit niet voor zichzelf nee, het oprechte geveins was voor een hoger doel. Het valse lachen bij Linda voor de hogere zaak. Het pregnante narcisme ironie.

Alleen door zelf onderdeel van het wereldje te worden, is er werkelijk kritisch over te schrijven. Ja, Angela onthult ons straks dat ze geproefd heeft van het valse theater en de platte bijbehorende roem! Om zich er vervolgens voorgoed van terug te trekken, er van te kotsen en dit allemaal als geloofwaardiger dan ooit aan het papier en de lezers toe te vertrouwen.

De recensent was dood, leve de recensent! 

Nog iets te willen hebben: Overwegingen bij het hoger beroep van Michael P.

Een niet juridisch verantwoorde verhandeling per se

Post Scriptum 5/7/2019. Uitspraak hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:5542

Michael P. gaat in hoger beroep tegen de 28 jaar cel en TBS die hij opgelegd heeft gekregen voor het verkrachten en doden van Anne Faber. In deze overweging sta ik stil bij de mogelijke zin van dit beroep, waarbij ik hier en daar wat stellingen opper die dienen als aanzet tot verder nadenken.

Hoewel de nabestaanden terecht teleurgesteld zijn in het hoger beroep, was het niet meer dan vanzelfsprekend dat het zou worden ingesteld. Michael P. heeft niets meer te verliezen, omdat hij niets meer is. Alles wat aan niets wordt toegevoegd, is oneindig veel en dat is wat het hoger beroep is: alles wat hij nog heeft.

Het is een menselijke al te menselijke gedachte dat een veroordeelde omwille van de nabestaanden afziet van hoger beroep. En het strookt ook niet met de conclusie van de rechtbank dat P. een gewetenloze en niets ontziende man is die zijn eigen perverse wensen laat voorgaan boven het leven en welzijn van zijn medemensen. Afzien van hoger beroep is diametraal in strijd met deze vaststelling en zou P. de onwerkelijke blijk van empathisch vermogen geven.

Wat als hij had afgezien van beroep en advocaat Niels Dorrestein namens P. had gezegd: ‘Dit is een eerste act van oprechte spijt – dit boek moet dicht voor de nabestaanden. Ze hebben nog zoveel boeken te dichten, daar hoort P. niet bij. Hij beseft dat en ziet af van zijn recht op beroep.’ Geeft dat ruimte voor sympathie? De wereld van daders en advocaten lijkt echter te vreemd om zo’n verklaring redelijk te denken. Mij lukt het niet.

Dit gezegd hebbende is het hoger beroep nu eenmaal een fundamenteel recht van een veroordeelde, met als enige risico de kans op een hogere straf. Die kans lijkt hier afwezig. Gelet op het feit dat 30 jaar en TBS onder deze omstandigheden de maximaal te eisen straf is, riskeert Michael P. feitelijk haast niets meer. Eens te meer aangezien TBS in zijn geval een zeer langdurig traject zal worden met een redelijke kans dat hij nooit meer uit zijn behandeling komt. De enige logische redenering is dat een lagere gevangenisstraf leidt tot een eerdere behandeling, wat kan leiden tot een eerdere terugkeer in de samenleving.

Wat wel opmerkelijk is, is dat de Hoge Raad in jurisprudentie heeft aangegeven dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging alleen samen kan worden opgelegd met een tijdelijke gevangenisstraf en dus niet samen met een levenslange gevangenisstraf. Dat is ook de reden waarom de rechtbank geen levenslang heeft overwogen: P. zou onbehandeld vrij kunnen komen. Nu echter levenslang in Nederland als levenslang onder druk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in strijd wordt geacht met de mensenrechten, kan het niet worden volgehouden dat levenslang geen tijdelijke straf is. Of anders: de mogelijkheid is zeer reëel dat levenslang tijdelijk is (immers de vrees van de rechtbank dat hij onbehandeld vrij kan komen bevestigd dit reeds). In dat geval vraag ik me af in hoeverre een vonnis levenslang en TBS wel stand zal houden bij de Hoge Raad; is het niet nu (om formele, wettelijke redenen) dan wel op termijn. Levenslang voor Michael P. komt dan neer op 25 effectieve jaren vastzitten waarna de vraag of het een legitiem doel dient om hem nog langer vast te houden eenvoudig beantwoord kan worden met: ‘Nee, hij moet in behandeling’. De veroordeelde moet sowieso volgens het nieuwe beleid eerst naar het Pieter Baan Centrum voor persoonlijkheidsonderzoek en risicoanalyse. Wat als dan behandeling noodzakelijk blijkt? Met deze interpretatie wordt meer recht gedaan aan de opvatting van de rechtbank dat de samenleving zo lang mogelijk tegen P. moet worden beschermd. Dat deze overweging echter een slippery slope is, behoeft geen toelichting.

Als het hoger beroep dan geen zaak is van medemenselijkheid of van tomeloze aandacht voor het advocatenkantoor, maar in alle ernst een principiële aangelegenheid, dan heeft P. één troefkaart. Kort gezegd is dat een beroep op artikel 3 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), welk het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing omvat. Het fundamentele kenmerk van een rechtsstaat is dat de overheid zich aan de wet moet houden en een verdachte zonder uitzondering met respect dient te behandelen. De rechtbank heeft vastgesteld dat dit recht van P. is geschaad en stelt vast dat door schending van artikel 3 EVRM (en daarbij ook het artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, namelijk dat P. niet is medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden) sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek. Dit vormverzuim leidt echter tot niets, aangezien in het oordeel van de rechtbank dit verzuim niet heeft geleid tot een oneerlijk proces: het heeft niet geleid tot het afleggen van een voor zijn strafzaak relevante belastende verklaring.

Dit alles deed onmiddellijk denken aan de Duitse zaak Magnus Gäfgen, die ik hier kort in herinnering breng. De rechtbank zelf verwijst overigens ook naar de zaak, wat aangeeft hoezeer het voor de hand ligt. Gäfgen, tegenwoordig vroom geheten Thomas David Lukas Olsen, bracht in 2002 de elfjarige bankierszoon Jacob von Metzler om het leven en verstopte zijn lijk. Ondertussen had hij de ouders om losgeld gevraagd onder het voorwendsel dat Jacob nog in leven was. Toen Gäfgen het losgeld kwam ophalen, werd hij gevolgd en later gearresteerd door de politie. Het was voor de politie niet duidelijk dat Jacob inmiddels was overleden, dus het was ze er veel aan gelegen deze jongen te redden. Omdat de tijd begon te dringen beval een hoofdofficier de verdachte met lichamelijke pijn te bedreigen en desnoods te onderwerpen aan die pijn om ervoor te zorgen dat hij de plek waar Jacob zich bevond zou onthullen. Het bevel werd ten uitvoer gebracht en onder druk van de angst dat ze hem zouden kunnen folteren onthulde Gäfgen waar hij het lijk had verstopt.

Dit is een klassiek voorbeeld waarin het menselijke geweten -als morele overtuiging- in conflict raakt met de wet –als juridisch kader- en het oordeel van zijn geweten zelfs boven de wet plaatst. In de klassieke opvatting is het recht er niet om een gelukkige samenleving tot stand te brengen, maar om rechtvaardigheid te realiseren. Het recht gebiedt om die reden een verdachte respectvol te behandelen, terwijl het geweten alleen het welzijn van het slachtoffer in ogenschouw neemt en kost wat kost in diens belang wil handelen. Intuïtief zullen velen het dreigen met fysiek geweld ten einde daarmee het leven van een slachtoffer te redden als een geoorloofd middel zien, omdat utilitaristisch geredeneerd de prijs van het schenden van rechten niet opweegt tegen de baten van het redden van een menselijk leven. Het vergt vele pagina’s om alle nuances hierbij te overwegen. Bijvoorbeeld over het verschil tussen een overheid die niet mag dreigen met geweld om een mens te redden en een overheid die iemand jarenlang gevangen mag houden om de mensen tegen hem te beschermen. In beide gevallen is het een gevolg van een handeling die onrechtmatig is. De eerste is onrechtmatig en onrechtvaardig, de tweede niet. Het recht heeft zichzelf de taak toebedeeld het beter te doen dan de misdadiger en het dreigen met geweld valt daar niet onder, laat staan het toepassen ervan, maar het gevangenzetten wel. Daarbij is het belang van het slachtoffer dus ondergeschikt gemaakt aan een volgens het recht noodzakelijk onpersoonlijk principe.

Dat er in de praktijk echter geen juridische robots bestaan, maar eerder mensen die niets menselijks vreemd is en terdege handelen vanuit persoonlijke morele principes eerder dan vanuit rechtsfilosofische uitgangspunten, is de enige verklaring waarom de rechten van P. zijn geschonden. De paradox hier moet zijn dat het schenden van zijn rechten juist door het systeem hersteld worden, wat maakt dat rechtmatigheid tot een nog groter onrechtvaardigheidsgevoel leidt in morele zin. Het is in mijn ogen dan ook zo dat er met veel juridische taal uiteindelijk toch vaak gekozen wordt voor het morele geweten en niet voor het juridische recht. Ja, in de zaak Gäfgen is er uiteindelijk een schadevergoeding toegewezen van € 3000 en zijn de agenten die hebben gedreigd met marteling geschorst, maar dat heeft een levenslange straf niet in de weg gezeten, omdat tegen die dreiging toch niet de bekentenis van moord kon worden weggestreept – om allerlei redenen, maar toch zeker omwille van een morele.

In de zaak van P. is er echter niet gedreigd, maar is hij daadwerkelijk blootgesteld aan fysieke grensoverschrijdende handelingen, i.c. de inzet van een politiehond ter dreiging en het toepassen van pijnprikkels met de handboeien door het arrestatieteam. Een en ander resulteerde erin dat hij zwaar gewond is geraakt aan zijn schouder.

Van evident belang is dat de rechtbank oordeelt dat er geen sprake is geweest van een oneerlijk proces:

Uit het dossier blijkt dat de behandeling die verdachte heeft ondergaan, niet heeft geleid tot het afleggen van een voor zijn strafzaak relevante belastende verklaring. Verdachte heeft op vragen van het arrestatieteam waar [slachtoffer] was, immers geantwoord dat hij dat niet wist. Ook in het eerste verhoor bij de politie heeft hij zijn betrokkenheid bij de verdwijning van [slachtoffer] ontkend. Pas twee dagen na zijn aanhouding, op 11 oktober 2017, heeft verdachte, in het bijzijn van raadsman, een bekennende verklaring afgelegd. De door verdachte afgelegde bekennende verklaring is dus niet het gevolg geweest van de schending van artikel 3 EVRM.

Het is per definitie de vraag wat de betekenis is van een oneerlijk proces indien een bekentenis onder (druk van) fysiek geweld precies leidt tot feiten die evident strafbaar zijn. De bekentenis klopt, moord of gekwalificeerde doodslag wordt wettig en overtuigend bewezen en het zwijgvoordeel is zelfs een klein kind bekend wanneer het een snoepje heeft gestolen. Wat is het oneerlijke? Het oneerlijke zit hem erin dat de verdachte op voorhand een voordeel heeft, wat hem klaarblijkelijk toekomt ondanks het feit dat hij een gruwelijke misdaad heeft begaan. Hij mag dit voordeel behouden omdat een verdachte niet hoeft bij te dragen aan een rechtvaardige samenleving, ten koste van zichzelf. Hier is op de een of andere manier de enkeling wel bovengeschikt gemaakt aan het systeem, daar waar de levensbelangen van een slachtoffer ondergeschikt zijn aan het systeem. Rechtvaardigheid is hier een heel flexibel begrip lijkt het. Hier schuilt mijns inziens de kern van het probleem wat de samenleving heeft met het recht en de rechten van een verdachte in dergelijke zaken, omdat dit contra-intuïtief is.

Dit alles brengt mij tot een intuïtieve conclusie, zonder het recht schade te doen. Hoewel ik de uitleg van de rechtbank zonneklaar vind, is het niet ondenkbaar dat het hof de feiten principiëler interpreteert en de schending van de rechten van P. meeweegt in het arrest. Via onvermoede omwegen is immers te beredeneren dat hij terdege is geschaad in zijn proces; zijn advocaten zien klaarblijkelijk -laten we dat aannemen oprecht- die mogelijkheid. In hoger beroep zou het OM daarom 29 jaren en TBS moeten eisen. Geen 30, aangezien er rekening wordt gehouden met licht verminderde toerekeningsvatbaarheid. Het hof gaat daarin mee, maar houdt rekening met het feit dat de verdachte is geschaad in zijn rechten. Dientengevolge kent het hof één heel jaar strafvermindering toe, wat leidt tot een veroordeling van 28 jaren en TBS.

In verschillende civiele procedures kan P. zijn recht op schadevergoedingen halen. Deze schadevergoedingen -die worden toegewezen aangezien er al is vastgesteld dat er sprake was van een onherstelbaar vormverzuim- kunnen vervolgens worden aangewend om de toegewezen schadevergoeding aan slachtoffers te kunnen voldoen. Het is immers niet aannemelijk dat P. in staat is om de toegewezen tienduizenden euro’s schadevergoeding op dit moment te voldoen. Het feit dat zijn rechten zijn geschonden en hier een passende vergoeding tegenover moet staan, maakt dat er een situatie ontstaat waarbij zowel recht gedaan wordt aan het principe dat een verdachte onvervreemdbare rechten heeft, als wel dat de veroordeelde daadwerkelijk opdraait voor de (materiële) schade die hij heeft veroorzaakt. Zo handhaaft het recht zich zonder de moraal geweld aan te doen.

Anne Faber heeft niets aan al dit juridische gewoel, maar het recht heeft zo voor Michel P. ook niets over. Zo blijft hij ook na zijn hoger beroep en mogelijk civiele procedures met niets in handen. En dat voelt moreel juist.

__________________________________

Lees ook:
Anne Faber: fietsen in de regen is zuivere onschuld

Nagekomen, 4 maanden strafvermindering, betekent 4 maanden langer TBS voor de goede verstaander: https://www.ad.nl/binnenland/vier-maanden-strafvermindering-voor-moordenaar-anne-faber~a85fc0ee/

Wijsbegeerte als straf. Een overweging bij een zware mishandeling.

Wijsbegeerte als straf. Een overweging bij een zware mishandeling.

De mensen weten niet meer wat liefde is. Het is iets dat verloren is gegaan (…) Onmogelijk de werkelijkheid terug te vinden, die toch eenvoudig en helder moet zijn.
Jules Renard. 1901. 22 maart.

Alleen een kluizenaarsbestaan beschermt tegen het schuim der aarde. Voor mij en al die anderen is het onvermijdelijk om op ongevraagde tijden ongewild getuige te worden van de laagste uitingen binnen de grenzen van de menselijke natuur.

In dit geval kon ik niet ontkomen aan de beelden waarop de 15-jarige Tommy op een speelplaats aan het Kikkerveen in Spijkenisse zwaar wordt mishandeld door een groep jongeren. Het laat onmiddellijk denken aan wat er destijds in Eindhoven gebeurde.

Ik had in ieder geval nog nergens van gehoord of ik werd via sociale media om een reactie gevraagd. En vanochtend tijdens een les politieke besluitvorming deed zich het interessante verschijnsel voor dat ik in een uiteenzetting over coalitiespanningen omtrent het kinderpardon geconfronteerd werd met enorm ‘linkse’ opvattingen. Of dan toch niet de opvattingen van FvD, VVD of PVV in deze. Vrijwel eenduidig klonk de mening dat kinderen van uitgeprocedeerde ouders hier zonder meer zouden mogen blijven. Korte tijd later kwam iemand echter met het filmpje op de proppen -iedereen wist er al van-, en voordat ik er erg in had weerklonk als één stem de meest rechtse spierballentaal. Voorbeelden overbodig.

Dat alles heeft mij aan het denken gezet om kort een en ander te overwegen. De belangrijkste vragen, die al in de zaak van Eindhoven ter sprake kwamen, zijn ook nu weer: welke straf is passend? Is er een straf mogelijk binnen de grenzen van de rechtsstaat die recht kan doen? Heeft ons systeem voldoende kracht om wat hier overduidelijk krom is, recht te maken? En achterliggend: hoe is een dergelijke gedraging die ons doet walgen überhaupt mogelijk?

Om met die laatste vraag te beginnen. Je ziet -en ik kan echt iedereen afraden het te kijken want het helpt je niet er een evenwichtig, misschien eerlijker wereldbeeld op na te houden- compleet verdwaalde jongeren. Verdwaald en zonder enige zelfreflectie, onmachtig weerstand te bieden aan groepsdruk, gevangen in een surrogaatgangsterwereld, onder de indruk van banale waarden en arm in uitdrukkingsvermogen. Nu ja, dat zie ik. Dat alles ligt dan ten grondslag aan het gegeven dat iemand zich zo gedragen kan.

Ik stel dus vast dat er sprake is van een ernstige verstoring van sociale en geestelijke ontwikkeling in algemene zin. De oorzaken van deze ernstige beperking voor zover ze niet natuurlijk van aard zijn laat ik hier even liggen, die zijn al zo uitvoerig beschreven. Het voorstel wat ik zal doen, hangt echter wel samen met de concrete gedraging. Want als ik kom op de belangrijkste vraag, namelijk welke straf recht doet, dan heeft het jeugdstrafrecht gewoonweg te weinig te bieden.

Stel dat poging tot doodslag hier bewezen kan worden. Voor een jongere die nog geen 16 jaar is, bedraagt de maximale jeugddetentie dan 12 maanden. Voor een jongere die 16 of 17 jaar is, bedraagt de maximale jeugddetentie 24 maanden. Gevangenisstraf op zich is hier echter absoluut geen probaat middel. Domheid, een gebrek aan reflectie en een beperkt uitdrukkingsvermogen genezen niet van gevangenzitten. In het ergste geval levert het zelfs status op.

Dan is er nog de reële mogelijkheid tot de volgens justitie zwaarste strafrechtelijke maatregel voor jeugdigen, namelijk de Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ-Maatregel). Dat lijkt hier de enige uitweg te zijn, maar ik heb er mijn twijfels over. Niet alleen toont onderzoek aan dat de effecten van gedragsverandering nauwelijks zijn vast te stellen, bovendien laten jongeren met een PIJ-maatregel hoge recidive zien (al is die van minder ernstige aard dan waarvoor ze zijn veroordeeld).(Zie WODC 2012).

Ik zou daarom het volgende willen voorstellen. Op zijn minst als harde eis ter toevoeging aan de PIJ-maatregel.

Deze jongeren moeten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur totdat zij succesvol slagen in de wijsbegeerte. Omdat hun gedragingen symptomatisch zijn voor de verschrompeling van het bewustzijn, en de kracht is verloren het onvoorwaardelijke te denken en het voorwaardelijke te verdragen, moeten zij juist daarin geschoold raken.

De proef die moet worden afgelegd behelst op zijn minst een algemene kennis van de Westerse filosofie en al haar deelgebieden. Van de stellingen van Thales van Milete tot De civitas Dei van Augustinus. Van het cogito van Descartes tot de bibliotheek van Gilbert Ryle. Van de praktische ethiek van Kant tot aan de zorgethiek van Martha Nussbaum. Ze leren van de vogel en de lelie, van Emile en van Candide. Het finale-examen bestaat uit een lange dialoog van een pagina of 50 waarin gereflecteerd wordt op Plato’s opvattingen over wijsheid, schoonheid en de liefde. Aangevuld met hedendaagse en moderne bronnen. Voorgedragen tegenover medegedetineerden.

De gedetineerde krijgt zo vaak als hij wenst les en het programma wordt zo opgezet dat zelfstudie en maandelijkse toetsing een onderdeel zijn van de complete maatregel. Zo weinig hij studeert, zolang hij blijft vastzitten. Dus het onderwijssucces is rechtstreeks gerelateerd aan de kans op vrijlating. Wat mij betreft is er ook nog wel ruimte voor wat andere educatie; men haalt voor mijn part een zinvol beroepsdiploma. Maar het slagen in de filosofie is de keiharde eis om terug te mogen keren in de samenleving. Mijn stelling is namelijk dat hij die geschoold is in verwonderen en twijfelen over denken en zijn, het nalaat om iemand tegen zijn hoofd aan te schoppen.

Dit is misschien voor sommigen een wat vlot en al te druistig voorstel, ik zou dat natuurlijk helemaal kunnen verfijnen, maar het is naar mijn idee nu al oneindig veel beter dan alle andere ideeën van straf en boete die ik voorbij heb zien komen. Het is bovendien een interessante toevoeging aan het systeem zoals het ons nu ter beschikking staat, en ook nog eens gemotiveerd vanuit een positief mensbeeld. Een ieder die dit voorstel lacherig afwijst, daag ik uit met een betere strafmaatregel te komen. Die recht doet.

Tot die tijd verwacht ik louter sympathie.

De Nashville-verklaring als volkomen mislukte cultuurkritiek

De Nashville-verklaring als volkomen mislukte cultuurkritiek


Voor wie aangeslagen is op de Nashville-verklaring, ter geruststelling: de opwinding zal even snel luwen als dat ze gekomen is. En voor wie nog verbaasd kan zijn dat een dergelijke verklaring überhaupt enige opwinding biedt, die ontgaat de aloude zekerheid dat de combinatie van “christen” en “homo” garant staat voor massale hyperventilatie en misinterpretatie.

Maar voor wie er nog iets over wil zeggen, is er ook de teleurstelling: nog voor de gedachten weloverwogen zijn gevormd, zijn deze al bedolven onder de allesverzengende onpersoonlijke anonieme collectiviteit van de middelmatigheid, die Heidegger zo mooi Das Man noemde. En nog voordat er een uitleg gegeven is aan bepaalde opvattingen, is er al het Grote Gelijk van de regenboog overheen getrokken.

En nog voordat de gedachten op papier een weg hebben kunnen vinden, is het nadenken al een onderwerp van mogelijke criminalisering geworden. Zoals alles waarover Das Man schreeuwt voor de vorm serieus moet worden genomen.

De dictatuur van de nietszeggende mening van een ieder overschreeuwt de alleszeggende mening van de enkeling. Dat is de paradox, en dat is de tijd…

Maar al die zo vermoeiend voorspelbare mechanismen buiten beschouwing gelaten, geef ik hier een even korte als eenvoudige invulling van hoe we zouden moeten kijken naar de Nashville-verklaring.

De Nashville-verklaring is namelijk een terechte, maar volkomen mislukte cultuurkritiek.
Ze is mislukt omdat ze op de eerste plaats de elementaire wetten van de hedendaagse tijd niet begrijpt. Dat betekent in de kern dat een conservatief standpunt niet op een conservatieve manier moet worden gepredikt. Zoals ik boven al heb aangegeven zijn de mechanismen van de medialogica onverbiddelijk en mag je verwachten dat de verklaring zoals ze is opgesteld vrijwel niets van waarde voortbrengt. Immers wie een dergelijke opvatting is toegedaan, heeft deze verklaring niet nodig en wie deze opvatting niet is toegedaan zal door deze verklaring deze mening nooit overnemen. Want niet alleen de vorm deugt niet, de inhoud mist de noodzakelijke filosofische grondslag die deze tijdsgeest zo hard nodig heeft. Een louter beroep op Bijbelteksten is krachteloos, zinloos en vermoeit zichzelf bovendien met de eindeloze speculatie over de interpretatie en de context die al zo oud is sinds Philo van Alexandrië er opvattingen over schreef.

In de verklaring ontbreekt het aan wat ik noem een filosofisch christendom, zoals John Henry Newman, Søren Kierkegaard en G.K. Chesterton in hun tijd met de juiste intellectuele kracht de vloer aanveegden met alle ziekten van de secularisering en het richting de totale vertwijfeling leidende postmodernisme, dat zo vilein is dat het de vertwijfeling zelf weet te maskeren door de maakbaarheid van de mens te idealiseren en de consumptiezucht te maximaliseren.

Ik heb stellig de indruk dat de Nashville-verklaring een ongelukkige, ondoordachte en onbeholpen poging is om als antwoord te dienen tegen een hele reële diagnose. De cultuurkritische diagnose namelijk dat er een drammerige en nietsontziende progressieve beweging gaande is waarbij alles van vroeger als waardeloos of als kwaad wordt bestempeld, en waarbij ieder tegengeluid door schier onbeheersbare krachten onmiddellijk wordt vernietigd.

De cultuurkritische diagnose dat de gebrokenheid van het gezin, de tomeloze seksualisering en eindeloze perversiteiten die als gewoon en voor iedereen toegankelijk moeten worden gezien, beschaving en gezondheid bedreigen.

De cultuurkritische diagnose die erop wijst dat zingeving synoniem is geworden aan individualistisch genieten, en er een cultuur is gecreëerd van hersenloze eenvormigheid en verstikkend conformisme zoals dat al door Theodor W. Adorno en Karl Jaspers is vastgesteld toen de emancipatiebeweging in de jaren 70 van de vorige eeuw alle kinderen met het badwater nog moest weggooien.

Dat sekse en seksualiteit als rode draad door de verklaring lopen en dat door de stelligheid over homoseksualiteit de stelligheid tegen ook de heteroseksuele zondigheid volledig ondersneeuwt, kan niet verhullen dat de bovenstaande diagnose een reëel, concreet, helder en zorgwekkend beeld geeft. Dat identiteit niet ligt in onze seksualiteit zoals deze postmoderne tijd doet voorkomen, is een waarheid die een krachtige verdediging verdient. Dat zingeving en identiteit eerder ligt in onze verhouding tot Christus, is een zaak die aan de orde komt wanneer er allereerst voldoende rust is gecreëerd voor een gelijkwaardige discussie. De Nashville-verklaring slaat op dat vlak de plank kinderlijk naïef mis zoals ik heb vastgesteld.

Wat christenen dus moeten doen, is niet aangeslagen zijn over de ogenschijnlijk eenzijdige benadering waarop het enkelvoudig goed is om intimiteit te beleven, maar eerder een weg zoeken naar de wijze waarop conservatieve grondbeginselen wel op een krachtige en zinvolle manier kunnen worden uitgedragen.

Christenen moeten hun tijd niet verdoen door de strijd aan te gaan met hun dominee of zich afvragen of ze de kerk moeten verlaten om nog verder van de Eenheid af te dwalen. Nee christenen moeten op zoek naar wat het persoonlijk werkelijk betekent om onderscheidend christen te zijn en welke conservatieve uitgangspunten daarbij een plaats hebben als ideaal en niet als dwangmiddel, zonder dat ze daarbij ook wel terecht kunnen bij Plato, Aristoteles, Seneca, Cicero, Montaigne enzovoorts.

Want het christendom heeft in essentie een aantal bijzondere fundamentele conservatieve grondslagen die het waard zijn om verdedigd te worden als ideaal -van gezin tot gemeenschap-, zonder dat dit betekent dat het een verboden onderscheid maakt tussen mensen, juist om de reden die ik net gaf: het ideaal moet verdedigd worden, maar het moet niet als dwangmiddel gehanteerd. Dat geeft de hele zijdelingse discussie over transgenders, homoseksuelen en wat meer is (merk op dat ‘en wat meer is’ al als een oordeel gelezen kan worden!) een veel sterker daglicht.

Hoezeer deze met lucht en leegte omgeven discussie ook spoedig weer zal verdwijnen en zal ontsnappen aan de massale aandacht, kun je er gerust op zijn dat ze vroeger of later als een duveltje uit een doosje weer de kop opsteekt. En laat ik dan hopen dat er wel gestreden wordt met verstand, redelijkheid en lef. En misschien zelfs nog wel met een vleugje ironie, wat zo erg wordt gemist! Want als ik met vrij naar Chesterton mag eindigen, het lijkt wel dat omdat seksualiteit van nature zo gezond is, we er allemaal krankzinnig van kunnen worden…

Filosofische kruimels XXVIII

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2018 weer 12 originele kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XXVIII van XXVIII.

Ervaring ervaren

‘En als ik ongelijk heb, moet ik erkennen wel een heel achterlijke geleerde te zijn; want ik kan nu geen bewijs vinden voor iets dat mij volmaakt bekend was lang voor ik aan kinderschoenen ontgroeid was.’
David Hume in Het menselijke inzicht (1978)

De Schotse filosoof David Hume (1711–1776) schreef met An Enquiry concerning Human Understanding (1748) een belangwekkend werk waarin hij vanuit een radicaal sceptische en empirische invalshoek onderwerpen als ruimte, tijd, vrijheid, noodzakelijkheid, kennis en werkelijkheid bespreekt. Een van zijn speerpunten is dat ‘causaliteit’ niet bestaat. We hebben geen ervaring van de causaliteit zelf, er is slechts de associatie van twee gebeurtenissen die ogenschijnlijk bij herhaling na elkaar plaats lijken te vinden. Causaliteit kan geen eigenschap van de dingen zijn. Zo vond Hume dat we dus niets over de toekomst zouden kunnen zeggen met enige zekerheid, wat ook wetenschap problematisch maakte. Daarin ongelijk te hebben, zou hem wel ‘een heel achterlijke geleerde’ maken.

Toch heeft de Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) met redelijk succes een theorie ontworpen die het scepticisme van Hume weerlegt. Want het probleem waar Hume mee worstelt, werd een probleem, omdat hij causaliteit op de verkeerde plaats zocht: namelijk in de werkelijkheid buiten hem. Causaliteit is echter, net als tijd en ruimte, a priori in het verstand gelegen. En juist dankzij dat verstand met zijn causaliteitsfunctie kunnen we begrijpelijke ervaringen hebben, de ervaringen die Hume zo hoog acht.  

__________

Het wezen van de grond

‘Nu is het voor ons mensen inderdaad lastig, ik zou haast zeggen onmogelijk, om ons een wereld zonder ultieme grond voor te stellen.’
G.J.E. Rutten. Openingstoespraak ‘Debat Godsargument’, 11 April 2012. Faculteit der Wijsbegeerte van de VU.

Is het mogelijk ons een begin voor te stellen zonder oorzaak? Volgens wiskundige en filosoof Emanuel Rutten (1973) niet. Rutten stelt dat het gerechtvaardigd is om te denken dat er een oorsprong van de wereld is en dat er rationele argumenten zijn voor het bestaan van een eerste oorzaak, die hij met God identificeert. Sinds het ontstaan van de filosofie wordt er al naar argumenten gezocht om die ‘eerste oorzaak’ te grijpen. Van het kosmologisch godsbewijs van Aristoteles tot aan het ontologisch godsbewijs van Anselmus. Rutten beweert in zijn proefschrift Toward a Renewed Case for Theism (2012) een nieuw argument (geen bewijs!) voor het bestaan van een eerste oorzaak van de werkelijkheid te hebben gevonden. Als eerste stelt hij dat ‘alles wat mogelijk waar is, mogelijk kenbaar is’. Vervolgens stelt hij dat ‘het onmogelijk is te weten dat God niet bestaat’. Uit deze twee premissen volgt dan ‘deductief de conclusie dat God in alle mogelijke werelden bestaat’.

Wat deze God, begrepen als persoonlijke eerste oorzaak, precies is en hoe we ons ertoe zouden moeten verhouden is niet wat Rutten hier bezig houdt.

Sinds het verschijnen van zijn argumentatie zijn er wereldwijd talloze bezwaren en mogelijke falsificaties geopperd. De zoektocht naar de eerste grond blijft waarschijnlijk tot het einde boeien.

__________

Kerstgedachte

‘De dominee sprak ons gloedvol van de genade van de Almachtige, over het Kindeke, over de heerser van het heelal zo eenvoudig in zijn stal of Nietzsche en Sartre eenvoudigweg niet bestonden. Het was de aangrijpendste kerstpreek die ik ooit gehoord heb.’
 J.M.A. Biesheuvel  (1977). Mijn grootste schrik. In: De Weg naar het Licht en andere verhalen.

Maarten Biesheuvel (1939) is de Nederlandse grootmeester van het korte verhaal. In ‘mijn grootste schrik’, verhaalt Biesheuvel over een muziekavond thuis waar hij als 16-jarige knaap aanwezig is en samen met het gezin kerstliederen zingt. De dominee was ook op bezoek. Na wat anekdotes en borrels, mag de jonge hoofdpersoon met de dominee naar de avondmis wandelen. Dan ontvouwt zich de existentiële crisis. De dominee bekent aan de jongen dat hij niet meer gelooft. De filosofie van de twijfel is hem te machtig geworden. Met weemoed denkt hij aan zijn toehoorders in de kerk: “ach gelukkige sukkels, wat is het toch vreemd dat jullie naar mij geluisterd hebben en alles geloven.” Het zijn de verschrikkelijkste woorden die ooit van iemand tot mijn oren zijn gekomen, schrijft Biesheuvel. Geestelijk helemaal van zijn voetstuk gevallen, hoopt hij dat de dominee een absurde grap heeft gemaakt. De dominee ziet hoezeer hij de jongen aan het wankelen heeft gebracht en probeert zijn ontboezeming af te doen als borrelpraat. Maar dat mag niet meer baten: het ‘kwade zaad van de twijfel was in de ziel gelegd’. In de kerk preekt de dominee als nooit tevoren en aan het eind van de mis laat hij de kerk ‘Op U mijn Heiland blijf ik hopen, verlos mij van mijn bange pijn’ zingen.

Hoewel Biesheuvel zich in het verhaal voordoet als de 16-jarige wiens vrome geloof aan diggelen is geslagen, is hij tegelijkertijd ook de dominee die wil blijven hopen op Gods genade en zo graag verlost wil worden van zijn bange pijn.

©Veenmedia.nl

_________________________________________________

Filosofische kruimels XXVII

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2018 weer 12 originele kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XXVII van XXVIII.

Een levenswerk spat uiteen

‘De zoon heeft zijn stervende vader een valse belofte gedaan. Hij is nooit van plan geweest de collectie in stand te houden. Keihard bedrog. Maar ook een teken van liefde.’
Uit de rubriek Waarvan akte. Johan Nebbeling. Algemeen Dagblad 3 oktober 2016.

Een man heeft zijn hele leven gebouwd aan een unieke glasverzameling. Nu hij van zijn artsen heeft vernomen dat hij weldra sterven zal, heeft hij één wens: dat zijn verzameling bijeen blijft. Zijn twee zoons hebben daar geen interesse in en lijken vooral geïnteresseerd in de waarde. Bij taxatie blijkt echter dat een groot deel van de collectie kitsch is en de man in veel gevallen is opgelicht. Hooguit enkele stukken zijn financieel de moeite waard. Een levenswerk spat uiteen.

Eén van zijn zoons heeft medelijden en belooft zijn vader om de collectie bijeen te houden. De vader sterft korte tijd later met het idee dat zijn laatste wens wordt gerespecteerd. Enkele dagen na de crematie brengt deze zoon alle waardevolle stukken naar een veilinghuis en geeft de rest aan de kringloop. ‘Keihard bedrog. Maar ook een teken van liefde.’

De Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) zou het daarmee sterk oneens zijn. In zijn Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785) verheldert hij het plichtbegrip en fundeert de moraal op de categorische imperatief: handel volgens een maxime die als algemene wet kan gelden. Het is volgens Kant niet alleen een plicht om een gedane belofte te standen, iemand mag ook niet met zich zelf in tegenspraak raken door zijn handelen. Hoe zou deze zoon immers kunnen willen dat hij zelf bedrogen wordt op zijn sterfbed door zijn eigen familie? Dat kan hij niet. Een werkelijk teken van liefde was de waarheid zeggen geweest volgens Kant, hoeveel moeilijker dat ook is voor te stellen.

 

Lees ook: Het absolute recht van een stervende op de waarheid

___________

Zelfverantwoordelijke zelfbepaler? Dat bepaal ik zelf wel!

‘Langeveld heeft door de inauguratie van de fenomenologische methode in de pedagogiek, Nederland verlost van de gedachte, dat een goede theologie en goede filosofie automatisch garant waren voor een goede theoretische pedagogiek.’
J.W. van Hulst, Levensbericht M.J. Langeveld. In: KNAW Jaarboek, 1991, Amsterdam, pp. 154-162.

Met meer dan 500 publicaties op zijn naam is Martinus Jan Langeveld (1905-1989) een eminente rode draad binnen de Nederlandse pedagogiek. Zijn voornaamste kracht was dat hij de pedagogiek definitief wist te ontmantelen van de filosofie. Pedagogische Wetenschappen zoals wij dat kennen bestond na de Tweede Wereldoorlog nog niet. Maar Langeveld (die zelf o.a. filosofie had gestudeerd in Amsterdam) gaf de pedagogiek als jonge tak van wetenschap een volwaardig karakter. Om daar te komen heeft hij echter wel een lange weg binnen de filosofie moeten bewandelen.

Via het existentialisme en de fenomenologie waar hij op eigen wijze gebruik maakte van het denken van Heidegger en Husserl, kwam hij tot de grondslag van zijn pedagogische vraagstuk: Wat maakt een kind tot kind? Wat moet een kind leren om een zelfverantwoordelijke zelfbepaler te worden? En hoe kunnen we doodringen tot het zuivere zijn van het kind zodat we het de kans kunnen geven zichzelf te ontwikkelen? De kern van Langevelds pedagogiek ligt in ‘kijken wat zich individueel toont’. Hij zou gruwelen van de hedendaagse tendens in de academische pedagogiek van ‘meten is weten’.

Voor die ‘mensloze wetenschappers’ (Tijdschrift voor Opvoedkunde 6, ’71-’72) is Langeveld ironisch genoeg verworden tot een stoffig opvoedingsfilosoof.

__________

Waag een gokje: lees Pascal

“Hij is erg intelligent, maar hij is geen wiskundige: dat is zoals je weet een groot gemis.”
Blaise Pascal in een brief aan Pierre de Fermat over beroepsgokker Antoine Gombaud (Chevalier de Méré) (1654)

Filosofie en wiskunde gaan al eeuwen hand in hand. Er zijn vele filosofen te noemen die tevens in de wiskunde bedreven waren, van Pythagoras tot Bertrand Russell. Ook de Franse denker Blaise Pascal (1623-1662) vond in beide disciplines uitstekend zijn weg. Naast zijn onvoltooide verzameling gedachten over het innerlijk leven (Pensées, 1670) bouwde hij ook de eerste mechanische rekenmachine (1642, de Pascaline) om zijn vader te helpen met de belastingen.

Rond 1654 vraagt de Franse edelman Antoine Gombaud Pascals hulp bij een probleem wat hij heeft met gokken. De weddenschap dat hij met twee dobbelstenen binnen 24 beurten tenminste éénmaal dubbel zes zou gooien, had Gombaud namelijk berekend op 66%. Toch bleef hij op termijn geld verliezen. Zou de kans soms lager liggen? In een beroemde briefwisseling met Pierre de Fermat lost Pascal het probleem op en legt en passant de grondslag voor de theorie van kansberekening. Pascal zal later in zijn filosofische aantekeningen ook een weddenschap voorstellen, bekend als de Gok van Pascal. Volgens Pascal heb je niets te verliezen als je erop gokt dat God bestaat, alleen maar te winnen. Blind aanvaarden dus die weddenschap. Of is er net als bij Gombaud toch sprake van een denkfout?

©Veenmedia.nl

Filosofische kruimels XXVI

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2018 weer 12 originele kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XXVI van XXVIII.

Pasen

‘En als een mens gestorven is, wat blijft er dan nog van hem over dan waardeloosheid? Wie bekreunt zich om een stinkend lijk?’
Thomas a Kempis (+/- 1438). Alleenspraak der ziel.

Thomas a Kempis (1380-1471) is wereldberoemd om zijn aforistische mystiek in De imitatione Christi (De navolging van Christus); volgens kenners na de Bijbel het meest gelezen boek van het Christendom. Thomas a Kempis schreef echter vele wijsgerige verhandelingen, preken, meditaties en biografieën gedurende de 70 jaren dat hij verbleef in het Sint-Agnietenklooster nabij Zwolle. Traditioneel heeft A Kempis veel aandacht voor het lijden van Christus, de armzalige staat van de mensheid en het idee dat slechts navolging van Christus zin geeft aan het troosteloze bestaan. In de lijn met de somberheid van Ecclesiastes overpeinst A Kempis in de toestand van de mens en zichzelf. Het blijkt een aanhoudend gevecht met een zinloos en uitzichtloos einde. In het leven is er van niets wat goed is voldoende. Het leven kreunt van verdriet, afgezonderd als het is van de zin van het zijn.

‘Waar leef ik dus voor? Mezelf ben ik tot last, voor anderen ben ik vervelend’, schrijft A Kempis. De enige troost vindt hij in het idee dat Christus de dood en de zinloosheid overwonnen heeft. In de hoop ook spoedig opgenomen te worden in de hemel, beseft A Kempis echter dat hij die genade niet verdiend heeft. Maar Pasen is de jaarlijkse troostrijke herinnering dat het in ieder geval tot de mogelijkheden behoort. Zelfs voor een monnik die 70 jaar contemplatief heeft geleefd in een kloostercel.

__________

Geniaal krankzinnig

‘Filosofie kan ongemerkt in waanzin overgaan. En omgekeerd: uit momenten van waanzin ontstaat de mooiste filosofie.’
Wouter Kusters (2015). Filosofie van de waanzin. Fundamentele en grensoverschrijdende inzichten.

In Greatness: Who Makes History and Why (1994) presenteert D.K. Simonton een overzicht van grote denkers die waarschijnlijk hebben geleden aan geestesziekte. Kant zou schizofrenie hebben gehad, evenals Nietzsche en Swedenborg. John Stuart Mill, Rousseau en Schopenhauer zouden last gehad hebben van depressiviteit en bipolaire stoornis. Die lijst zou overigens nog eenvoudig kunnen worden aangevuld als we de geschiedenis van de filosofie doorlopen.

Iemand die Simonton niet noemt, maar daarom niet minder tragisch, betreft de Oostenrijks-Amerikaans wiskundige, logicus en filosoof Kurt Gödel (1906-1978). Op zijn vijfentwintigste bewees hij dat er altijd beweringen zullen bestaan die bewezen noch weerlegd kunnen worden, bekend als de onvolledigheidsstelling. Deze stelling had enorme consequenties die het wetenschappelijke en filosofische denken van de 20e eeuw op zijn kop zette.

Geplaagd door geestelijke instabiliteit en ziekte werd Gödel geregeld in psychiatrische klinieken opgenomen. Op het eind van zijn leven verergerde dit tot de ontwikkeling van waanbeelden. Zo was hij ervan overtuigd dat duistere krachten werken van Leibniz wilden ontvreemden. Uiteindelijk was het zijn obsessieve angst om vergiftigd te worden die zijn overlijden bespoedigde. Toen zijn vrouw zes maanden werd opgenomen in een ziekenhuis, kon zij zijn eten niet meer voorproeven. Gödel stopte met eten en woog nog maar 30 kg toen hij stierf.

__________

Taal, taler taalst

‘Er kan ons nog zoveel filosofie, logica of denktucht bijgebracht worden, indien tegelijkertijd de taal verwaarloosd wordt, helpen die lessen niets.’
J.L. Heldring. Als je maar begrijpt wat ik bedoel. In: De taal op zichzelf is niets (1993).

Jérôme Louis Heldring (1917-2013) was bij leven schrijver en denker. Toen hij een jaar voor zijn overlijden stopte met schrijven omdat hem ‘elke inspiratie tot schrijven’ ontbrak, was hij 52 jaar lang columnist voor de NRC geweest. In de rubriek Dezer Dagen ontpopte Heldring zich als een taalrechercheur die slordig en foutief taalgebruik opspoorde en aan de kaak stelde. Het slordig gebruiken van taal is één ding, dat het vaak zijn grondslag heeft in slordig en onlogisch denken een ander.

Onze taal is het onmisbare vehikel voor uitdrukking en ontwikkeling van gedachten. ‘Alles draait om correct taalgebruik, in die zin dat de gebruiker van de taal zijn gedachten zo weet te formuleren dat de toehoorder of lezer zijn betoog kan volgen.’ We moeten niet de fout maken spontaan en creatief taalgebruik te verwarren met begrijpelijk taalgebruik. Iemand die groots is in praatvaardigheid, is nog geen goede spreker. Willen we dus een toekomstige generatie leren denken, dan is filosofieles niet voldoende schrijft Heldring in 1978. Denken begint niet met filosoferen, maar met taalbeheersing. Zonder taaltucht, geen denktucht.

©Veenmedia.nl

Filosofische kruimels XXV

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2018 weer 12 originele kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XXV van XXVIII.

With great power…

‘Is een vrouw moreel of wettelijk verantwoordelijk voor de schade die ze toebrengt aan haar ongeboren kind?’
Case 15: pre-natal injury. In: C. Johnston en P. Bradbury (2016). 100 cases in clinical ethics and law.

De ‘100 cases’-serie is een boekenreeks waarin voor allerlei medische vakgebieden 100  praktische problemen worden besproken. 100 cases in Clinical Ethics and Law is één zo’n boek. De auteurs schetsen relatief laagdrempelig uiteenlopende medisch-ethische problemen, van de vraag ‘Is er bezwaar tegen het vrijwillig verhandelen van organen?’ tot ‘Moet je cosmetische chirurgie bij jonge kinderen willen?’.

In casus 15 wordt het verhaal verteld van de 19-jarige Angela. Angela is zwanger van haar eerste kind, maar blijft ondanks waarschuwingen van professionals stevig alcohol drinken. Haar kind wordt geboren met FAS (Foetaal Alcohol Syndroom), wat gekenmerkt wordt door fysieke en mentale beperking.

Intuïtief voelen we dat een moeder een zwaarwegende morele verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van haar ongeboren kind. Wettelijk gezien heeft een ongeboren kind echter nauwelijks rechten, wat het ingewikkeld maakt een roekeloze moeder juridisch verantwoordelijk te houden. In de rechtszaak CP versus First-tier Tribunal uit 2014 stond een moeder terecht vanwege het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan haar ongeboren kind. De moeder werd niet veroordeeld omdat de rechtbank vaststelde dat het ongeboren kind ten tijde van het alcoholmisbruik niet aangemerkt kon worden als een persoon, en er dus ook geen sprake kon zijn van het ‘toebrengen van lichamelijk letsel aan een persoon’, zoals dat juridisch strafbaar is. In ethische zin echter kan er dan nog steeds verwerpelijk zijn gehandeld.

__________

21 februari. Sterfdag Spinoza

De eeuwigheid en het Grafschrift

“Op B.D.S.
Spouw op dit graf. Hier ligt Spinoza. Was zyn leer, Daar ook bedolven! Wrocht die stank geen zielpest meer.”
Carolus Tuinman (1729). Rymlust.

Carolus Tuinman (1659-1728) was een ‘onverdraagzame’ gereformeerde Middelburgse predikant. Opgegroeid in Maastricht, een hekel ontwikkeld tegen rooms-katholieken en met een bijzondere voorliefde voor Nederlandse taal en vlotte rijmelarij, was hij populair onder het gewone volk. Als aanhanger van de leer van Gisbertus Voetius (1589-1676) trok Tuinman in vele werken fel van leer tegen zogenaamde vrijgeesten die het waagden te rommelen met het godsbegrip. Geschriften als De heillooze Gruwelleere der Vrygeesten (1714) of De Liegende en Bedriegende Vrygeest (1715) laten weinig te raden over. Ook Spinoza (1632-1677) moest het als vrijdenker geregeld ontgelden. In Rymlust, wat vlak na het overlijden van Tuinman verscheen in 1729, treffen we het beruchte grafschrift aan wat Tuinman aan Spinoza weidde, nadat hij eerder in het boek nog schrijft dat de hel met Spinoza nooit eerder een snoder monster voor de dag heeft doen komen.

Het heeft niet gebaat de ontwikkeling van het vrije, tolerante denken tegen te houden. De filosofie van Spinoza is tot de dag van vandaag wereldwijd springlevend, waar Carolus Tuinman hooguit per toeval opduikt. Postume wraak; al zou Spinoza een grafschrift voor Tuinman hebben geschreven, dan was het vast een stuk minder veroordelend en heel wat verdraagzamer geweest.

__________

Allemaal in hetzelfde schuitje

“Figuurlijk gesproken, kan elke rijke natie worden gezien als een reddingsboot vol relatief rijke mensen. In de oceaan buiten elke reddingsboot zwemmen de armen van de wereld, die graag in de boot willen, of op zijn minst een deel van de rijkdom. Wat moeten de passagiers in de reddingsboot doen?”
Garrett Hardin (1968). The Tragedy of the Commons. In: Science 162 (3859): 1243–1248.

Filosofen zijn dol op metaforen. Plato vond het gebruik van metaforen zelfs noodzakelijk om ingewikkelde filosofische uiteenzettingen toegankelijk te maken voor het volk. Zijn beroemdste metafoor is ongetwijfeld die van de Grot, waar geketende mensen naar schaduwen zitten te kijken. Maar welke metafoor is eigenlijk de beste om de wereld te beschrijven? Volgens ecoloog en ethicus Garrett Hardin (1915-2003) is het in ieder geval onjuist om de wereld voor te stellen als een ‘global village’ of nog erger als een ‘ruimteschip’, zoals A.E. Stevenson II (1900-1965) had gedaan tijdens een speech voor de Economische en Sociale Raad van de VN (9 juli 1965). Volgens Stevenson II reizen we allemaal samen als passagiers op een klein ruimteschip door een oneindige ruimte, afhankelijk van kwetsbare voorraden lucht en grond. We zijn allemaal afhankelijk voor onze veiligheid van zijn veiligheid en vrede; enkel beschermd tegen vernietiging door de zorg, de aandacht en zelfs de liefde die we ons kwetsbare ruimtevaartuig geven. Hardin bestrijdt dat. Metaforen die de aarde als ‘gemeenschap’ voorstellen houden geen rekening met het feit dat er privaat eigendom bestaat. Rijke landen zijn bovendien nooit rijk genoeg om alle armen binnenboord te halen.  Zouden ze dat wel proberen, is iedereen slechter af: de boot zou zinken. Blijft de vraag van Hardin: hoe verhouden we ons tot de drenkelingen?

©Veenmedia.nl

Een polemiek tegen progressieve potsierlijkheid

Een polemiek tegen progressieve potsierlijkheid

-Voor een vrolijke open strijd die het daglicht verdragen kan-

Actievoerders hebben het onderkomen van de katholieke stichting Civitas Christiana in Heilig Landstichting besmuikt. Ze plakten stickers op muren en ramen. Op de voordeur was een affiche met een ‘progressieve stellingname’ gespijkerd, waarvan het onduidelijk is wat dat te betekenen heeft.

In deze polemiek richt ik mij volledig buiten de comfortabele schaduw van het nachtelijke duister tegen deze batteraven die het ‘vooruitstrevende’ verwarren met ‘stickers plakken’.

Moet je ten strijde trekken tegen lafheid? Moet je opstaan tegen de dommige? Nogal makkelijk het schuwe zwakzinnige terecht te wijzen, is het niet! Maar het is niet de luie, domme lafheid die hier terecht staat, maar de schimmige schaamteloosheid. De potsierlijke schaamteloosheid ook, die de ruimte van andere mensen tracht te beperken ten gunste van zichzelf. En dan hoor ik ze roepen: ‘Ja, maar zij zijn begonnen! Zij zijn begonnen!’ Is hier soms een kleuter aan het woord?

Nu, zo’n kleuter geef ik het liefst een conservatief pak op de broek en een draai om zijn oren bovendien. Maar je moet er natuurlijk ook medelijden mee hebben: Het zijn namelijk volwassen mannen, en geen kleuters.

Want stel je voor hoe dat gegaan moet zijn! Een paar mannen komen in het geniep bijeen en na enig keuvelen over lucht en leegte bereiken ze het inzicht dat zoals de legende over Maarten Luther verhaalt, ook zij heuse stellingen aan de deur moeten spijkeren. En wel bij Civitas Christiana, de stichting die binnen de grenzen van de rechtsstaat opkomt voor christelijke idealen. En zo klad iemand wat op een stuk papier (arme boom!), incluis storende taal- en spelfouten, maar niets menselijks is ze tot dat moment nog vreemd.

Het wordt pas ernstig als ze op enig moment, en dat moet ik ter verdediging van de mannen zeggen, straalbezopen en katjelam op de omafiets stappen en als een verzameling gauwdieven in de nacht de rit naar de Heilig Landstichting wagen. Daar aangekomen roept iemand amicaal en met dubbele tong: ‘Kommm wie spijkren en kladde drop loos pikkebazen, ze zullen ens zien waar wij vor *burp* staan!’

Het mooie zit er echter in dat wie werkelijk iets te zeggen heeft dit altijd in het volle licht doet. De waarheid is gebaat bij het licht. Maar het licht verdraagt klaarblijkelijk niet hetgeen wat hier gezegd moet worden. Alleen het koude geniepige duister is een plaats voor deze handeling. Wie hiervoor sympathie heeft, heeft sympathie voor het duistere, dat te laf is om zich met open vizier te verantwoorden. En wie sympathie heeft voor het laffe wordt daarmee even schaamteloos als deze progressieve clowntjes.

Want ja, de progressieveling! Is dat niet iemand die zijn eigen grootvader nog een pak slaag zou geven omdat deze een kerstboom opzet? Is dat niet iemand die zijn eigen moeder terechtwijst omdat ze nog naar de kerk gaat? Is dat niet iemand die zijn kinderen opsluit zonder eten omdat ze een kleurplaat hebben gemaakt over Sinterklaas? Is dat niet iemand die zonder zich te durven verantwoorden stellingen op andermans deur timmert?

Want wat is hier dan progressief? Wat is hier datgene wat in het donker anoniem moest worden uitgespuugd? Laten we eens kijken naar deze ‘progressieve stellingname’. Ik zal hier zo infantiel en kort als mogelijk op antwoorden, zodat niemand zich meer dan nodig hoeft in te spannen.

  1. Het huwelijk is voorbehouden aan alle mensen die met elkaar willen trouwen

Is dat progressief? Dat hoorde ik 50 jaren geleden al. Dat mag je heus vinden – geen enkel probleem! Maar er zijn ook mensen die daar anders over denken, daar moet je niet boos op zijn. Niet nodig.

  1. Veilige toegang tot abortus is een mensenrecht

Dat vereist wat toelichting! Want iemand mag toch gerust vinden dat een kind in de buik ook een mens is? En in dat geval bestrijd je mensen met mensenrechten. Of veronderstelt deze stelling een soort nattevingerdefinitie van ‘mens’? Dan ben je eerder een nattevingerling dan een progressieveling, als je het mij vraagt.

  1. Religieus staat niet gelijk aan conservatief

Inderdaad! Zoals 6+2 iets anders is dan 4+4. Maar ook weer niet.

  1. Transrechten zijn mensenrechten

Ik moest even opzoeken wat er wordt bedoeld met ‘transrechten’. Het enige wat ik kon vinden is dat je een petje kunt kopen met deze tekst erop. € 19,85 exclusief € 6 verzendkosten! Absurde kapitalistische uitbuiting tot en met. Ik voorzie een aantal stellingen op de deur van deze petjesverkoper.

  1. Racisme en seksisme zijn vormen van ongelijkheid die moeten verdwijnen

Racisme en seksisme bestrijd je toch in ieder geval niet met vandalisme. Wel het speelveld eerlijk houden!

  1. De welvaart van de katholieke kerk komt voort uit koloniale rooftochten en het uitbuiten van de arbeidersklasse

Bij gebrek aan originaliteit is er nog altijd deze ouderwetse reactionaire socialistische troef achter de hand. Niet heel progressief, maar als je het echt niet meer weet, deze gewoon inbrengen! ‘Jij katholieke boef en anders je voorouders van 400 jaar geleden, bent er schuldig aan dat ik een kansarme sodemieter ben zonder vrije wil om zelf wat van het leven te maken! Ik eis mijn deel!’
Verder zou ik nog willen opmerken dat men een erg beperkt begrip heeft van het woord katholiek. Verdiep je eens in de Kartuizers, Cisterciënzers, Norbertijnen en Franciscanen. Wellicht behoeft de stelling daarna wat aanscherping.

  1. Een herverdeling van deze welvaart moet plaatsvinden

Maar dan ter nuancering niet zoals het herverdelen ging in de voormalige Sovjet-Unie, Zuid-Amerika, Noord-Korea en China. Ik heb daar retrospectief (dat betekent ‘al terugblikkend’) wat bedenkingen en kanttekeningen bij.

  1. Het patriarchaat moet vernietigd worden

Patriarchaat: ‘Samenlevingsvorm, waarbij de kinderen behoren tot de stam van hun vader, en waarbij het gezag over de kinderen wordt uitgeoefend door de vader.’

Als je dat vernietigt, is er geen enkel gezag meer over de kinderen. Dat is niet verstandig. Ik neem aan dat het echter progressief is om de moeder ook te betrekken in het gezag over de kinderen. Maar dan moet het patriarchaat niet worden vernietigd, dan moet er iets aan worden toegevoegd. Ik zou dus als stelling willen adviseren: Het patriarchaat mag worden genuanceerd!

  1. Zwarte Piet is een racistische karikatuur en moet afgeschaft worden

Mij moet van het hart dat ik de afgelopen 12 jaar geen grotere karikatuur van ‘actievoeren’ ben tegengekomen dan deze potsierlijke stellingname die in het holst van de nacht aan een deur moest worden gespijkerd.

Tenslotte
Als het nu allemaal niet zo ernstig was, zou het ontzettend vermakelijk zijn. Maar jullie nemen jezelf waarschijnlijk erg serieus. Mijn advies is om een volgende keer geen stellingen op een deur te timmeren, maar op een mooie middag eens aan te kloppen en een biertje te drinken. Cor ad cor loquitur. Maar dan niet zoveel bier, dat daarna weer de zin komt om stickers op ramen en deuren te plakken als niemand kijkt! Neem dat advies ter harte en de echte progressieve wereld zal jullie een stuk serieuzer nemen.

Stephen Hawkings laatste goocheldoos: Zijn antwoord op de vraag of God bestaat

Een paar weken geleden verscheen het laatste boek van de vermaarde cultfiguur en natuurkundige Stephen Hawking (1942-2018). In de Nederlandse vertaling kreeg het de titel mee De antwoorden op de grote vragen. Pretentieuzer kan het eigenlijk niet: De antwoorden. Gelukkig is de oorspronkelijke titel  Brief Answers to the Big Questions minder aanmatigend en doet deze meer recht aan de bescheidenheid van Hawking. De Duitsers vertaalden het dan ook gewoon als Kurze Antworten auf große Fragen, maar dat terzijde.

In deze verhandeling zal ik het antwoord op de eerste grote vraag die Hawking in zijn boek stelt, namelijk: Bestaat er een God? kritisch bespreken.

Het kritische is hier bewust kritisch, niet per se sceptisch, en heeft als doel mijn belangrijkste bezwaar eenvoudig te verduidelijken tegen antwoorden op dergelijke vragen. De kern van mijn bezwaar is niet bijzonder of uniek, en zelfs al erg vaak herhaald, namelijk de hachelijke onderneming om vanuit een natuurkundige stellingname metafysische uitspraken te doen. Er is geen god, geen hemel, geen hiernamaals. Zeker kan de natuurkunde op grond van bevindingen metafysische beweringen ontkrachten, maar ik ben van mening dat ze daarin zichzelf inmiddels schromelijk overschat en totalitaire neigingen vertoont. Hawkings pretentie bovendien kort te antwoorden doet geen recht aan de vraag.

Daarnaast wil deze verhandeling hoe beperkt ook, een gezonde waarschuwing afgeven tegen het geloof wat is ontstaan dat de natuurkunde op het gebied van zingeving veel belangrijks te zeggen heeft. Ze heeft vrijwel niets te zeggen over zingeving. De zogenaamde pastorale macht van de wetenschap is echter dusdanig invloedrijk, dat talloze mensen klakkeloos overnemen wat deze wetenschap hen voorkauwt om vervolgens hun zin erop af te stemmen, of erger het zoeken naar zin te staken. Begrijpen doen ze het niet, overigens net zomin als ik nauwelijks iets begrijp van theoretische natuurkunde, maar dat leidt vaak tot een totale overgave en een kritiekloze acceptatie van gevolgen die niet noodzakelijk volgen uit de natuurkundige of wiskundige conclusies. En dat kan niet vaak genoeg worden geschreven, zoals ik ook al eerder deed in de bijdrage Waarom is er eerder niets dan iets?

Aan de hand van passages uit het hoofdstuk die ik chronologisch presenteer, wil ik uiteindelijk het antwoord toetsen wat Hawking geeft op de vraag Bestaat er een God?
Iedere lezer kan vervolgens een eigen oordeel vormen.

Bestaat er een God?
Het grootste probleem met dit hoofdstuk is dat hij feitelijk (waarschijnlijk
bewust) geen goede definitie geeft van God. Maar wat is dan de inhoud van de vraag? Naar welk bestaan wordt er precies gevraagd? Het lijkt erop dat de vraag die Hawking hier stelt betrekking heeft op een bewuste scheppende kracht. Hij spreekt in ieder geval over God in onpersoonlijke zin of mogelijk als de belichaming van natuurwetten, maar de gehele richting van het hoofdstuk wijst naar de vraag of God te begrijpen is als eerste bewuste oorzaak.

God op deze manier opvatten, moeten we omwille van de eenvoud wat Hawking ons vertellen wil maar even accepteren. De vraag is dus eigenlijk beter te begrijpen als: heeft een bewuste scheppende kracht het heelal zoals wij dit kennen gecreëerd, gemaakt, geschapen?

Hawking is klaarblijkelijk door de wol geverfd en excuseert zich in het hele hoofdstuk op allerlei manieren dat hij het echt niet kwaad meent en niemand boos wil maken of wil kwetsen. Hij begint er ook mee zich allereerst te excuseren dat hij niets tegen God heeft:

Ik wil niet de indruk wekken dat ik met mijn werk het bestaan van God wil bewijzen of ontkrachten. Mijn werk gaat om het vinden van een rationeel kader om het heelal te begrijpen. (p.54).

Waarom stelt Hawking zich dan toch deze vraag? Wanneer hij een rationeel kader wil vinden om het heelal te begrijpen, dan is deze vraag overbodig. Tenzij het rationele kader als gevolg heeft dat God wordt bewezen of ontkracht. Maar dat is nu precies wat hij niet wil. Verwarring alom.

Hawking gaat verder te stellen dat hij gelooft in de wetenschap:

Als je in wetenschap gelooft, zoals ik, dan geloof je dat er bepaalde wetten zijn waar alles zich altijd aan houdt. (p. 54). (…) Het heelal is een machine die wordt bestuurd door principes of wetten, wetten die door het menselijk verstand begrepen kunnen worden. Volgens mij is de ontdekking van deze wetten de grootste prestatie van de mensheid, want het zijn deze wetenschappelijke of natuurwetten, zoals we ze meestal noemen, die ons zullen vertellen of we een god nodig hebben om het heelal te verklaren. (p.55)

Dat laatste is een stevige uitspraak. Hier wordt feitelijk de conclusie getrokken dat het ontstaan van het heelal begrepen kan worden strikt en alleen vanuit natuurwetten. En wij zouden dat met ons menselijke verstand dus ook moeten kunnen begrijpen. Hier zitten we mijns inziens al op een immense slippery slope. Ik moet bij Hawking ook de hele tijd denken aan iemand die de liefde heeft verklaart in een biochemische verhandeling en dan tot zijn eigen ongeluk gelooft dat hij begrepen heeft wat liefde is.

Verder moeten we ter goede trouw aannemen dat natuurwetten daadwerkelijk universeel en onveranderlijk zijn. Of eigenlijk is dat een geloof zoals Hawking aangeeft, want hij beseft zich waarschijnlijk terdege dat er nogal wat wetenschapsfilosofische bezwaren tegen zijn in te brengen. Maar laten we aannemen dat dit zo is: dan leidt dit namelijk volgens Hawking tot de conclusie dat:

Het enige terrein waar godsdienst nog iets over te zeggen kan hebben, is dat van de oorsprong van het heelal, maar zelfs hier maakt de wetenschap vorderingen en zou binnenkort al een definitief antwoord moeten kunnen geven op de vraag hoe het heelal is begonnen. (p.57)

We stuiten hier eindelijk op de centrale kwestie, die in de metafysica bekendstaat onder de stelling die Parmenides voor het eerst formuleerde: Ex nihilo nihil fit. Oftewel: Niets kan niets voortbrengen. Uit niets kan niets ontstaan. Iets kan niet uit het niets komen. Als het menselijke verstand één logische stelling al kan begrijpen, dan lijkt het deze te zijn.

Het is duidelijk volgens Hawking dat het heelal niet eeuwig bestaat, dat kan natuurwetenschappelijk ook niet. Dan heeft het derhalve een begin gehad, wat iets wat daaraan voorafgaat als een eeuwig-zijn moet vooronderstellen (wat je God kunt noemen). Hawking lijkt echter te suggereren dat de stelling ex nihilo nihil fit overbodig is geworden met de huidige kennis van de natuurwetten: We kunnen namelijk de natuurwetten gebruiken om op zoek te gaan naar de oorsprong van het heelal, waarna we zullen ontdekken dat God niet nodig is om het te verklaren. (zie p. 60 en verder).

Akkoord, doch opgemerkt: Niet nodig is iets anders dan niet bestaand. Maar het is interessanter om te bekijken met welk inzicht hij de metafysische wet ex nihilo nihil fit aan de kant schuift.

Hawking doet eerst een expliciet beroep op zijn pastorale macht, waarin we hem gedwee moeten volgen:

 Ik geef toe dat dit, als wiskunde niet jouw ding is, moeilijk te bevatten is, maar zo zit het wel. (p. 61).

Er volgt in een notendop iets onnavolgbaars over positieve en negatieve energie met als conclusie dat:

Het betekent dat, als de som van het heelal nul is, God niet nodig is geweest om het te scheppen. Het heelal hebben we helemaal gratis gekregen.’ (p. 61)

Voor niets gaat de zon dus toch op. Nu komt het erop neer om aan ons duidelijk te maken hoe vanuit een toestand van ‘nul’ (let op: feitelijk iets anders dan het filosofische niets) er toch de werkelijkheid zoals deze aan ons verschijnt heeft kunnen komen.

Het valt mij op dat natuurkundigen dan handig gebruikmaken van het begrip ‘spontaan’. Consequent natuurkundig kan er volgens mij geen spontaan spontaan bestaan, dus wat dat betreft hebben ze een nieuw begrip nodig, maar bedoeld wordt hier dat klaarblijkelijk vanuit een toestand van ‘nul’ niet uitgelokt of door een ander of iets teweeggebracht, toch een werkelijkheid kan zijn. Op enig ‘ogenblik’ dus:

Wat kan het spontaan ontstaan van een heelal hebben veroorzaakt? Op het eerste gezicht is dit een ongelooflijk probleem; per slot van rekening ontstaat in ons dagelijks leven niets uit niets. (p. 62)

Ik vraag me af of je kunt spreken dat het spontane veroorzaakt kan worden? Is het nu juist dat het spontane geen oorzaak kent? Maar goed, we proberen te begrijpen wat hij hier wil zeggen, al zegt hij het slordig.

Het blijkt dat als we een onderzoek doen naar de allerkleinste deeltjes, dat er dan uit het niets deeltjes kunnen verschijnen:

Dat komt doordat op deze schaal deeltjes als protonen zich gedragen volgens natuurwetten die we de kwantummechanica noemen. En ze kunnen echt willekeurig ontstaan, een tijdje rondhangen en dan weer verdwijnen, om ergens anders weer te verschijnen. (p.62)

Hier moeten we aannemen dat er geen oorzaak of verklaring is dat een deeltje willekeurig ontstaat, behalve dan dat er klaarblijkelijk wetmatigheden zijn die kwantummechanisch worden genoemd en hiervoor ‘verantwoordelijk zijn’. Ik weet niet of ik dat goed uitdruk, maar ik heb al eerder aangegeven dat natuurkundigen hier de schildpad louter hebben ingeruild voor iets anders.

Gelukkig stelt Hawking zichzelf nog wel de uiterst relevante vraag:

…heeft God de kwantummechanica geschapen waardoor de oerknal heeft kunnen plaatsvinden? Anders gesteld: hebben we een god nodig die de theorie van de kwantummechanica opstelde zodat de oerknal kon knallen? (p.63)

Om zich weer te verontschuldigen:

Ik wil niemand die gelovig is kwetsen, maar naar mijn mening heeft de wetenschap een overtuigender verklaring dan een goddelijke schepper. (p. 63).

Wat is dan die overtuigende troef? Naarmate je verder komt in het hoofdstuk, verwacht je toch echt dat een keer het konijn uit de hoed wordt getoverd en dat is nu ook het geval. En het is niet eens zo heel moeilijk te vatten. Het primaire ontstaanspunt van het heelal namelijk, had een dermate hoge dichtheid, dat volgens het begrip van de moderne natuurkunde daar geen tijd kon zijn. Tijd is namelijk een relatief fenomeen wat tot stilstand komt naarmate de kracht van een oneindig dicht zwart gat hoog genoeg is. En dat was de toestand van het beginnende begin:

Terwijl we terugreizen in de tijd naar het moment van de oerknal, wordt het heelal kleiner en kleiner en kleiner, totdat we ten slotte op een punt komen waarin het hele heelal een zo kleine ruimte is dat het feitelijk een enkel oneindig klein, oneindig dicht zwart gat is. En net als met de zwarte gaten die in het heelal zweven, schrijven de natuurwetten iets buitengewoons voor. Ze zeggen ons dat ook hier de tijd zelf tot stilstand moet komen. Je kunt niet in een tijd voor de oerknal komen omdat er voor de oerknal geen tijd bestond. Eindelijk hebben we iets ontdekt dat geen oorzaak heeft, omdat er geen tijd was waarin een oorzaak kon bestaan. Voor mij betekent dit dat een schepper niet mogelijk is omdat er geen tijd bestond waarin die schepper zou hebben kunnen bestaan. (p. 66)

Hoe echter tijd kan beginnen, zonder dat er tijd aan voorafgegaan is, is waarschijnlijk een sprong die te groot is voor de fantasie van Hawking. Of ik begrijp het niet goed en moet aannemen dat tijd ook weer spontaan moet zijn ontstaan samen met het spontane ontstaan van de deeltjes. Die dankzij de aanwezige wetten spontaan konden ontstaan. Het is wellicht flauw te zeggen dat deze wetten ook spontaan zijn ontstaan, maar als dat er nog aan wordt toegevoegd is de cirkel wel rond en zowel de kip als het ei opgeheven. Ik laat even in het midden welke voorstelling ik mij moet maken bij oneindig klein, is dat niets?

Hawking doet tenslotte nog een uitspraak die ik hier in het bijzonder wil aanhalen, het is zijn troef:

Voor de oerknal bestond geen tijd en er was dus geen tijd voor God om het heelal in te maken. (p. 66-67)

Waar hij enerzijds de grondstelling dat niets niets kan voortbrengen aanvalt en natuurkundig goochelt met het begrip niets om er filosofische consequenties aan te verbinden, introduceert hij feitelijk een nieuwe grondstelling ter vervanging: namelijk dat schepping buiten tijd onmogelijk is. Dus waar het mogelijk is dat iets uit niets kan ontstaan of spontaan kan verschijnen of er wetten zijn op grond van wat dan ook, is het klaarblijkelijk wel onmogelijk dat schepping buiten tijd kan plaatsvinden.

Ik zou dan bijdehand willen opmerken dat indien het mogelijk is dat er uit niets iets kan ontstaan, het ook mogelijk zou kunnen zijn dat schepping welgemeend kan worden veroorzaakt buiten tijd (en ruimte) om. Ik zou dat zelfs met wat ingewikkelde redeneringen kunnen staven, die zolang men mij daarin volgt ongetwijfeld overtuigend zijn. Maar mijn punt is: Je kunt niet zomaar een volkomen logische stelling manipuleren en  vervangen om met een nieuwe stelling te komen en gewoon te zeggen dat deze deugt. Dat is wellicht wat menselijk, al te menselijk!

Tenslotte
Dat de natuurkunde zich helemaal niet leent om uitspraken te doen over mogelijkheden van geloof, hemel en schepping moet een intelligent denker als Hawking zeker begrepen hebben. Ik vermoed daarom ook dat hij stiekem de aantrekkelijkheid van deze vraag in combinatie met zijn wetenschappelijke gezag als een bijzondere mogelijkheid zag om een groot publiek te bereiken, aangetrokken door de metafysische beloften, en dit tegelijkertijd wat basale natuurkunde mee te geven.

Het is verder ook al te naïef te geloven dat de natuurkundige wetenschap vroeger of later een definitief antwoord formuleert over het ontstaan van het heelal zoals Hawking meent, zonder een beroep te doen op een causaal principe of een uitleg zonder causaliteit. Op enig moment houdt het gewoon op en moet je een sprong wagen door iets te veronderstellen. Dat kan na een leven van onderzoek de schitterende onduidelijkheid van het bestaan van kwantummechanische wetgeving zijn, maar net zo goed een intelligente eeuwig zijnde schepper. We kennen de keuze van Hawking nu en de lange weg die hij daarvoor bewandeld heeft, maar ik geloof dat de natuurkunde niet de juiste weg is om een sprong als deze te wagen. Als men het mij zou vragen, ken ik veel mooiere wegen naar Rome.

‘Lief dagboek’. Of het exploiteren van wat kwetsbaar is

Een zorgelijke uiting over het failliet van het geheim

Had jij een dagboek in je tienerjaren? Vertrouwde je je meest gênante ervaringen en gevoelens
toe aan het papier? Dan zoeken wij jou!
goyaproductions.nl (2017)
~~~~~~~~~~~~~~~~~~
“Het droevigste misschien dat van een mens gezegd kan worden is: hij kan niet verheven worden, zijn eigen weten kan hem niet verheffen. Zoals een kind een vlieger oplaat, zo laat hij zijn weten opstijgen; (…) maar zelf stijgt hij niet omhoog, hij blijft in het moeras, steeds meer verlangend naar het opstijgende. Daarom, wie je ook bent, als het op de een of andere manier zo met je gesteld is: schaam je, schaam je, schaam je!”
Søren Kierkegaard, Het ogenblik, 1855

Er valt wat voor te zeggen je niet al te druk te maken over wanstaltige en aanmatigende ideeën in de marge. Soms echter wordt de geest dusdanig getergd en op de proef gesteld, dat niets anders rest dan de pen op te pakken in de hoop zo tot enige verlichting te komen. Vandaar deze kritiek in de marge, zelfs alvorens het daadwerkelijke kwaad is geschied.

Sinds enige weken word ik namelijk geregeld geconfronteerd met een promo op publieke zenders en sociale media voor een nieuw televisieprogramma, genaamd ‘Lief Dagboek’, wat me telkens meer stoorde, totdat het niet meer te verdragen was:


Volwassen mensen worden opgeroepen om hun persoonlijke ervaringen die ze ooit in hun puberteit aan papier hebben toevertrouwd te delen voor een ‘enthousiast’ publiek, en aan iedereen die veilig achter de (sociale) media zit mee te gluren. Daarbij wordt de valse suggestie gewekt dat de schaamte er toen al per definitie zou zijn. De bedoeling is dat er een zesdelig programma ontstaat, gebaseerd op een Amerikaanse theatertour genaamd Get Mortified. We zien Marc Marie Huijbregts eindigen met een zorgwekkende oneliner: #Share the shame#.

Voorproefje
In deze promo is een verontrustend fragment te zien van wat te wachten staat. Een ‘voorproefje’. We zien een kale veertiger, waarschijnlijk genaamd Frank Stojansek (aangezien dat groot is geprojecteerd op een scherm achter hem), die een onleuk clichématig stuk voorleest dat handelt over seksualiteit (want daar zijn pubers natuurlijk alleen maar mee bezig en dat typeert hun niveau), waarna er wordt geschakeld naar een publiek dat er om moet lachen en klappen en vrolijk van wordt. Ik maak me er sterk voor dat dit vermaakte publiek er zorgvuldig achter is gemonteerd, want mensen die hier om moeten huilen, zuchtend wegkijken, de handen ten hemel heffen of de mensheid als verloren beschouwen levert natuurlijk geen goede promo op, al zou het oneindig meer op zijn plaats zijn.

Medelijden
Zelfs slechts een paar seconden te zien, levert mij een diep medelijden op met deze Frank, die er waar het om schaamte gaat bijzonder glunderend bij staat.
Zijn oude zelf wordt publiekelijk te kakken gezet, wordt uitgelachen en in absolute zin geminacht zonder dat hij het zelf doorheeft -dat hoop je toch-, anders was hij er nooit gaan staan. Dat maakt het ‘komische’ inherent tragisch.

Daarbij en dat is nog ernstiger, wat dit hele concept van plan is te doen, is de puberteit te minachten. Te lachen om de ernst van die levensfase en feitelijk iedereen die zich daarin nu begeeft. Het is niet minder dan het pure denigreren van de puberteit en van het jongere zelf waarbij de schaamte wordt gebagatelliseerd, terloops belachelijk wordt gemaakt en bespot. Want er is feitelijk helemaal geen sprake van schaamte, of wel?

Stel dat deze mensen op dat podium zich daadwerkelijk schamen, past het dan te lachen? Men moet bij wijze van onethisch pedagogisch experiment eens een kind of puber consequent uitlachen wanneer er sprake is van schaamte. Bovendien, mensen die zich daadwerkelijk schamen buiten dat nooit uit op een podium laat staan dat ze er triomfantelijk genoegen in scheppen. Genoegen scheppen in schaamte is een contradictio in terminis.

Schaamte en ernst
Als we schaamte wel recht doen, dan beschouwen we deze als een kwetsbare en pijnlijke emotie die ontstaat vanuit het idee dat wie men is niet past bij wie men denkt te moeten of willen zijn*. Schaamte duidt op een sociaal-menselijk tekort (vgl. Dearing, R.L & Tangney, J.P. (2011) Putting shame in context. In: Shame in the therapy hour) waarbij er een constante verhouding is tot de ontwikkeling, identificatie en positionering van het zelf. Schaamte is niet een handeling waar mensen bewust voor kiezen, het is een toestand waarin ze terecht komen, die hen in de passieve zone van hun bestaan overvalt en waardoor zij zich in hun kwetsbaarheid blootgeven, zodanig dat ze dat willen opheffen (Verhoeven, C. (2002). Dierbare woorden. p. 350).

Dus als er dan toch sprake is van schaamte, hoe absurd is het dan om deze kwetsbaarheid te exploiteren voor een paar lachers op de hand? Hoe goedkoop doet men zijn innerlijkheid van de hand, dat ooit van waarde was, door zich als een van reflectie gespeend clowntje ter beschikking te stellen aan een kudde uit- en toe-lachers? Want denk je eens in: wat bezielt mensen om te gaan kijken naar hoe iemand uit de school klapt over ‘zijn meest gênante pubermomenten’?

Moet hier wellicht iets overwonnen worden? Is er sprake van een therapeutische, psychoanalytische bedoeling? In beide gevallen legt dit juist de pijnlijke minachting bloot: Pubers moeten zich schamen voor wat ze op dit moment schrijven, voelen, denken, zingen en dichten. Ze moeten zich schamen voor hun leefwereld. Ze moeten zich schamen voor hun zorgen, die door de volwassenen a postriori niet serieus worden genomen, maar worden weggelachen: ‘Want let maar op, de schaamte komt vanzelf’, zegt de volwassene. En het lachen is hier weer het denigreren. En als de tiener zich al werkelijk a priori schaamt, dan is er straks iemand op een podium die ervoor zorgt dat dit hoe dan ook totaal niet serieus genomen wordt: ‘We maken er gewoon een circus van, haha!’

Vragen…
Het doet diepere vragen stellen over de bedoelingen van dit alles en de ontische oorsprong van reflectieloos exhibitionisme. Waarom kan het kwetsbare niet privaat zijn, maar moet het publiek worden? Al langer is er de pathologische tendens waarneembaar dat kwetsbaarheid tentoonstellen loont. Enkele historische dieptepunten – waarbij het kijken je inderdaad doet schamen- betreffen de “losers” van Idols die in een Arena werden misbruikt voor de commercie, of het eveneens tragische lot van Ceri Rees in X-Factor. Met het indirect tentoonstellen en exploiteren van kwetsbaarheid zou je kunnen zeggen dat er een nieuwe quasi-intellectuele dimensie is aangeboord van juist schaamteloosheid.

Tenslotte
Iemand zal ongetwijfeld te berde brengen dat we eerst maar eens rustig moeten afwachten wat er daadwerkelijk van komt. Maar de grond van dit wanstaltige idee is m.i. zo vervuild, dat alles wat erop wordt gebouwd misselijk maakt. Een promo is de kern van wat men verkopen wil. Niemand zou überhaupt als doel op zichzelf moeten willen lachen over wat iemand in alle ernst in zijn tienerjaren heeft beleefd, en als dat dan toch op de een of andere manier een behoefte is, hoe onbegrijpelijk ook, doe dat dan samen in een stille kamer en wijd er eens wat diepere reflectie aan en laat het een aanzet zijn tot zelfonderzoek. Kijk vooral met eerlijke en respectvolle blik naar de betekenis van wat je toen opgeschreven hebt, in plaats vanuit een commercieel perspectief van valse schaamte of ridiculisering van een levensfase die voor een groot gedeelte ten grondslag ligt aan wie je nu bent. En ik hoop van ganser harte dat het niet dat clowntje is op dat podium.

________________

* Shame is a prevalent and painful emotion that arises frequently in everyday life and that can contribute to the psychological difficulties that cause people to seek treatment. Feelings of shame arise in situations in which an individual recognizes that he or she has committed an offense or violated a standard that is held to be important. Experiences of shame tend to be intense and overpowering because they evoke a sense of being bad, worthless, or contemptible. Shame is frequently associated with a sense of powerlessness, as well as sensations of shrinking, feeling small, being exposed, and wanting to disappear. (p. 4)

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2022 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"