Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Het failliet van de groet: de NS en haar ‘Beste Reizigers’

Of: Hoe het waanzinnige tot waanzin drijft

Om luid voor te dragen, bij voorkeur in de Stiltecoupé

De Nederlandse Spoorwegen bieden veel schitterends om over te klagen. Stiltecoupés waar mensen je klappen willen verkopen als je ze vriendelijk vraagt hun domme klep te houden voor 5 minuten. Een spoorbeheerder die niet klaar is voor de winter en er één schaamteloze bende van maakt. Treinmachinisten die bij het verkeerde spoor staan te wachten en je weer een aansluiting mist. Eindeloze vertragingen, altijd onverwacht, altijd onbegrijpelijk en altijd ongelegen. Vervelend, heus!

Voor mij is dat echter om te lachen. Haha! Kinderspel, kan gebeuren!

Maar nu hebben ze me toch te pakken lijkt het. In hun zoektocht me tot krankzinnigheid te brengen, moet ik bekennen dat ik begin te kraken. Maanden heb ik getracht me te vermannen, maar het gaat niet. Zoals Grote Broer in Orwells 1984 Winston Smith op de knieën kreeg, begin ik mezelf te verliezen. Laat ik ter zake komen en beloof me dat u het ernstig neemt. Het is oprecht.

Ik verdraag de weerzinwekkende computerstem van de NS niet. En dan vooral niet die afgrijselijke groet die ze aanhoudend uitkotst. De belegen stem die iedere mededeling begint met “Beste reizigers” en dan vervolgt met “Dit is een bericht voor reizigers naar (…)”. Als het toontje klinkt voor het moment dat ze gaat spreken, breekt mij het zweet al uit en ontwaar ik in mijzelf agressieve neigingen, eenzaamheid en wanhoop. Heb medelijden en stel de volgende situatie voor:

Het is met grote regelmaat een chaos op Utrecht Centraal. Uitvallende treinen, kapotte wissels, onduidelijke storingen, het bekende werk. Onlangs en niet voor het eerst moest ik een half uur wachten op Utrecht vanwege zo’n onduidelijke storing waar het hele land last van had. Dat betekende dat ik in 30 minuten tijd een aaneenschakeling van wel vijftig maal hoorde “Beste reizigers”. “Beste reizigers!”. “Beste reizigers!!”. “Beste reizigers!!!”

Er kwam geen einde aan. Wee de ongelukkige die zijn werk heeft op een station! De ene na de andere zinledige mededeling werd aan elkaar geregen en allen vingen ze aan met deze zelfde idiote groet die mij telkens harder in de oren klonk. Ik waande me in A Clockwork Orange waarin ik op een gruwelijke manier geconditioneerd diende te worden door het Systeem, behalve dat ik toch een brave jongen ben. Wat heb ik verkeerd gedaan? Zeg het me dan! Zeg het me dan toch! Hoe stop ik deze waanzin!

In de duizenden malen dat voor mij het “Beste reizigers” klonk, heb ik schichtig en vlot om me heen gekeken naar al die andere ongelukkigen die overspoeld worden met de opperste lelijkheid van de vreselijkste herhaling. Maar ik zie niets. Ik zie geen vertwijfeling, ik zie geen wanhoop. Ik krijg geen oogcontact, geen hoofdschuddend knikje wat alles goed maakt.

Hoe is het mogelijk dat mensen hier zo gelaten over lijken? Is dat het gevolg van lang geoefende totale afzondering in de openbare ruimte? Is dat waar die lege blik vandaan komt van al die mensen die naar een scherm turen en hun oren bedekt hebben met grote koptelefoons? Is dat de enige manier om de lelijkheid te ontsnappen, middels een gruwelijk masker? Ik begrijp niet wat de mensen doen. Hoe vullen ze hun leven? Kun je eigenlijk wel het leven vullen?

In een dieper moment heeft het me nog even gebracht tot het wezen van de groet. Maar naarmate ik daar langer over nadacht, werd ik meer ontredderd. Dit “Beste reizigers” heeft niets van doen met een groet. Het is het failliet van de groet. Het is belaste opdringerigheid. Het is de absolute anti-groet. Het is niet oprecht, het is niet hartelijk, het is niet functioneel, het is niet zinvol en het is al helemaal niet gedragen door het personeel.

Want in al die lucht en leegte, hoor ik telkens met scherpe en niet aflatende belangstelling de conducteur aan in zijn omroepberichten in de trein. Het warme “Dames en heren, goedendag!” klinkt daar nog vrijwel consequent als een klok door de luidsprekers. En dan vooral omdat het een stil protest is tegen de dwingende en drammerige elite.

Ik sprak er pas een conducteur over aan bij het uitstappen. “Ja, erg he?” zei hij. “Alsof ze allemaal gek zijn geworden!”
Hij klonk als een verzetsstrijder. “Nou, ik laat me niet gek maken!” riep hij, en beende vastberaden verder.

Ik hoop dat ik zo sterk ben als deze man en dat ze me er niet onder krijgen. Ik wil niet gek worden! Ik ben echter bang dat de enige manier is me volledig af te zonderen in de openbare ruimte. Blik op oneindig. Oren dicht.

Maar dan hebben ze misschien al gewonnen. Dan hebben ze gewonnen…

__________________________

Lees ook: Nadere bedenkingen bij genderneutrale begroeting

Filosofische kruimels XXIV

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2017 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XXIV van XXIV.

En toch kan het niet

‘Morele oordelen zijn over het algemeen het resultaat van snelle, automatische evaluaties, ook wel intuïtie genoemd.’
Jonathan Haidt in The Emotional Dog and Its Rational Tail: A Social Intuitionist Approach to Moral Judgment (2001)

Veel theorieën over ethiek gaan ervan uit dat morele oordelen stoelen op redenen. Moraliteit leunt dan op ons vermogen om een weloverwogen, rationele keuze te maken. In de sociale psychologie wijst verschillend onderzoek er echter op dat redenen helemaal geen grondslag vormen voor ons morele oordeel, maar dat iets als intuïtie dat doet.

Neem het volgende voorbeeld uit een artikel van Jonathan Haidt (1963-). Julie en Mark zijn broer en zus en reizen samen door Frankrijk. Tijdens een nacht bij het strand besluiten ze dat het interessant en leuk zou zijn als ze met elkaar naar bed gaan. Julie slikt al de pil, maar Mark gebruikt voor de zekerheid een condoom. Het blijkt voor beiden een erg fijne ervaring, maar ze besluiten het nooit meer te doen. Ze beschouwen die nacht als hun gezamenlijke geheim, waardoor hun band nog sterker is geworden. Is het in orde dat ze met elkaar naar bed zijn geweest? Veel mensen vinden van niet, maar redenen blijken ze er niet voor te kunnen geven. Immers, zwangerschap en emotionele schade zijn uitgesloten. Wat rest is morele intuïtie: ‘Ik kan het niet uitleggen. Ik weet gewoon zeker dat dit verkeerd is.’ Weet u het ook zeker?

___________________

Algemeen denken is Katholiek begraven

‘Waarom is er überhaupt iets en niet eerder niets? Deze vraag heeft Leibniz gesteld, en Schelling heeft ze gesteld en Heidegger heeft ze opnieuw gesteld. Maar ook deze vraag moet men niet stellen. Maar men kan ze stellen.’
Bernhard Welte (1979). Die Frage nach dem Warum –die Frage nach Gott? In: Der Atheismus: Rätsel, Schmerz, Ärgernis; Antwort des Glaubens.

Bernhard Welte (1906-1983) was hoogleraar christelijke religiefilosofie aan de Universiteit van Freiburg. In het Engels is zijn werk nauwelijks vertaald en in het Nederlands vindt men hooguit enkele vertaalde katholieke meditaties. Volgens Welte-kenner Bernhard Casper (1931-) echter is het werk van Welte één van de belangrijkste ingangen om de religieuze betekenis van de wereldwijd vertaalde filosofie van Martin Heidegger (1889-1976) te begrijpen. Welte interpreteert Heidegger als een religieus zoekend denker, waar de hedendaagse interpretatie van Heidegger vooral zijn humanistische en seculiere filosofie lijkt te benadrukken. Heidegger, hoewel ooit voorbestemd om katholiek priester te worden, had eind jaren 20 afstand genomen van het christendom. Toch, Heidegger werd op eigen verzoek op katholieke wijze begraven in 1976. En het was Bernhard Welte die op uitdrukkelijke wens van Heidegger de grafrede uitsprak.

___________________

Kerstgedachte

‘Luister, trotse rijkaard die landgoed aan landgoed rijgt, die overal huizen, landhuizen en paleizen bouwt. (…) Als je je Vorst erkent, bij wie je in dienst bent getreden, dan moet je ook zijn voorbeeld durven volgen en je voor je eigen instelling schamen.’
Desiderius Erasmus. Uit de Parafrase van Lucas. In: Theologie (2015)

Wat we weten over de geboorte van Christus, is voornamelijk gestoeld op wat Lucas ons vertelt in zijn evangelie. De historische geloofwaardigheid van het verhaal wordt tegenwoordig tot in detail betwist. Was er een keizerlijk bevel van Augustus? Is Jezus in Bethlehem geboren? Volgens de theologische traditie is Lucas echter juist de betrouwbaarste evangelist. Volgens Ambrosius volgde Lucas meer de feiten dan de doctrine. Theophylactus van Bulgarije komt tot eenzelfde conclusie en Thomas van Aquino en Nicolaas van Lyra stellen dat Lucas kritisch historisch te werk ging. Een gelijkwaardige maar vrijere opvatting van Lucas vinden we bij Desiderius Erasmus (1466-1536). In de zogenaamde Parafrasen vertelt Erasmus het Lucasevangelie in eigen woorden. Erasmus laat het wonder van de geboorte zeker niet ongenoemd, maar maakt in zijn uitgebreide vertelling wat veel weg heeft van een commentaar, gebruik van de gelegenheid om erop te wijzen dat het kerstfeest vooral een feest van nederigheid is. Overdenk de Christus, geboren uit armoedzaaiers, verscholen in een donkere hoek van een stal!

Los van de historische betrouwbaarheid van het kerstverhaal, een tijdloze boodschap.

©Veenmedia.nl

______________________

Zie ook:

Filosofische kruimels XXIII
Filosofische kruimels XXII
Filosofische kruimels XXI
Filosofische kruimels XX
Filosofische kruimels XIX
Filosofische kruimels XVIII
Filosofische kruimels XVII
Filosofische kruimels XVI

Filosofische kruimels XV
Filosofische kruimels XIV
Filosofische kruimels XIII
Filosofische kruimels XII
Filosofische kruimels XI
Filosofische kruimels X
Filosofische kruimels IX
Filosofische kruimels VIII
Filosofische kruimels VII
Filosofische kruimels VI
Filosofische kruimels V
Filosofische kruimels IV
Filosofische kruimels III
Filosofische kruimels II
Filosofische kruimels I

Filosofische kruimels XXIII

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2017 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XXIII van XXIV.

Beschaving op het rechte pad

‘Er kan geen redelijk vermoeden van schuld zijn aan een strafbaar feit wanneer een kleurling hard komt aanlopen uit de richting van een als drugscafé bekendstaande horecagelegenheid.’
Arrest Hof Amsterdam. 3 juni 1977, nj 1978, 601.

Veel ethische problemen binnen het recht hangen samen met het zogenaamde demarcatiecriterium: waar leggen we de grens? Zo is het voor velen duidelijk dat je iemand niet mag martelen om hem tot een bekentenis te dwingen. Maar mag je wel alleen dreigen met martelen? Niet volgens het Europese hof voor de rechten van de mens dat een politiecommissaris terechtwees die hierdoor achter de verblijfplaats van een (al vermoord) jongetje was gekomen. Wellicht minder ernstig, maar wat ook niet mag volgens de Hoge Raad der Nederlanden is een verdachte de steen op zijn schoot leggen waarmee hij het lijk zou hebben verzwaard. Ook mogen rechercheurs geen foto’s van vrouw en kinderen van de verdachte ophangen rond foto’s van een slachtoffer. Het doen van valse beloftes is ook omstreden (Zaanse verhoormethode) en wanneer een donker gekleurde man uit een verdacht café wegrent, dan heeft de politie geen enkele grond om hem staande te houden (arrest hollende kleurling). In het hedendaagse recht heiligt het doel niet altijd de middelen.

En misschien is dat juist wat we beschaving noemen…

___________________

Gadegeslagen door Kierkegaard

‘Op een avond zat ik na te denken over de oorsprong van het kwaad, toen ik ineens inzag dat het bij alles niet op de gedachte maar op de geest aankomt, en dat er een kwade geest bestond.’
Adolph Peter Adler (1843). Enkele preken.

Sommige mensen danken hun eeuwige roem voor wat het waard is, voornamelijk aan anderen. Zo ook de Deense theoloog Adolph Peter Adler (1812-1869). Adler was aanvankelijk een gedreven verkondiger van het gedachtegoed van G.W.F. Hegel. Na een promotie en wat colleges over objectieve logica besloot hij predikant te worden. In 1843 verscheen van zijn hand de bundel Enkele preken. Adler beweert in zijn voorwoord dat hij tijdens het schrijven een bezoek van Christus kreeg die hem inzicht gaf in de oorsprong van het kwaad. Christus gebood hem alle hegeliaanse onzin af te zweren en zich alleen nog aan de bijbel te houden. De geestelijke elite die de preken meer de uitdrukking van een krankzinnige vond dan geleid door Christus, kon het allemaal niet zo waarderen en dwongen hem tot ontslag.

Dit alles zou een curiositeit zijn geweest als het niet met veel interesse gadegeslagen was door Søren Kierkegaard (1813-1855). Kierkegaard begint in 1846 aan een studie over het fenomeen Adler en de mogelijkheid van religieuze waanzin, waar hij de rest van zijn leven aan blijft sleutelen. Pas in 1872 wordt het werk postuum uitgegeven. Het is niet uitgesloten dat Kierkegaards jarenlange fascinatie erin ligt dat hij Adler zag als zijn mislukte zelf.

___________________

Mijmeren over verdwijnen

Spion. Ik loop voortdurend te loeren of ze mijn andere ik al in de gaten hebben.’
J.A. Emmens (1980). Verzameld werk, deel I: Gedichten en aforismen.

Jan Ameling Emmens (1924-1971) was hoogleraar kunstgeschiedenis in Utrecht en is vooral bekend van zijn poëzie en kunstfilosofie. In het Verzameld werk (1979-1981) is een bundel aforismen opgenomen waar we de overpeinzer Emmens leren kennen: scherpzinnig, cynisch, zwaarmoedig,  teleurgesteld over het leven en angstig voor alles. Zo is hij bang dat anderen hardop zullen zeggen wat hij al over zichzelf weet, namelijk dat hij niets weet. Hij durft niet naar buiten. Hij voelt zich een ongewenst en emotioneel verwaarloost kind en schrijft: ‘Mijn vader was geen man, mijn moeder geen vrouw en ik geen kind.’ Het leven is bij Emmens ‘de vakantie van de dood’. Hij mijmert over een verdwijnmachine en alles wat hij vreselijk vindt, betrekt hij onmiddellijk op zichzelf.

Wie zoekt naar een lichtpuntje in de existentiële vertwijfeling van Emmens, zal verder moeten zoeken dan wat hij in zijn aforismen heeft nagelaten. ‘Ik denk dat zij denken dat ik niet besta’, schrijft Emmens, ‘maar dat wil ik ook niet, denk ik.’ Op 12 december 1971 houdt het bestaan daadwerkelijk op. Emmens stapt uit het leven door zich te verhangen aan een trapleuning.

_________________________

©Veenmedia.nl

 

Filosofische kruimels XXII

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2017 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XXII van XXIV.

Pasen

‘In die tijd leefde Jezus, een wijs man, voor zover het geoorloofd is hem een man te noemen. Hij verrichtte namelijk daden die onmogelijk geacht werden, en hij was leermeester van mensen die met vreugde de waarheid tot zich namen. (…) Hij was de Christus.’
Flavius Josephus in De oude geschiedenis van de Joden (vert. 1996)

De Romeins-Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus (37-100) publiceerde met zijn Oude geschiedenis van de Joden (94) een lijvig historisch overzicht waarin het naar eigen zeggen onontkoombaar was een substantiële hoeveelheid filosofie over het ontstaan van de wereld op te nemen. De beroemdste passage uit het werk is een fragment waar hij over Jezus van Nazareth schrijft, bekend als het Testimonium Flavianum. Sinds de 17e eeuw worden heftige debatten gevoerd over de authenticiteit van deze passage. Eén veel aangehangen hypothese komt van Louis Feldman (1926) die meent dat de passage gedeeltelijk authentiek is, maar door een christelijk kopiist met metafysische toevoegingen is bewerkt. Josephus, zelf geen christen, eindigt zijn passage door vast te stellen dat Jezus na zijn dood opnieuw levend verschenen was aan zijn leerlingen ‘die men tot op de dag van vandaag Christenen noemt’. Dat is in ieder geval een vaststelling waar ook ruim 1900 jaren na Josephus geen twijfel over mogelijk is.

____________________

Denken en brabbelen

‘De filosofen…ze beweren maar; of het waar is of niet, doet er niet toe.’
Jan Hanlo. Theologen. Psychologen. Filosofen. In: Verzameld proza. Een erwt zo groot als een voetbal is geen erwt. (2012)

De Nederlandse schrijver Jan Hanlo (1912-1969) is vooral bekend vanwege zijn poëzie en het brabbelgedicht Oote (1952). Volgens Hanlo is ‘poëzie de vakantie van de filosofie’. Desondanks mocht hij ook graag zelf filosoferen. Alsof hij dan op actieve vakantie was. Veel schreef hij over het probleem van de vrije wil, waar hij als overtuigd katholiek het moeizaam zonder God kon. Zo kwam hij ook tot de stelling dat onze ontvankelijkheid voor goed en kwaad juist een gebrekkigheid van de vrije wil toont in plaats van een wezenskenmerk. De ontvankelijkheid voor goed en kwaad is juist onvrijheid die overwonnen moet worden met de wil. Want, zo redeneert Hanlo, als vrijheid goed is, en kwaad per definitie geen goed doet, dan is een goede wil beter dan een voor het kwaad ontvankelijke vrije wil.

Of deze redenering steekhoudt en waar ze precies toe leidt, is misschien niet het belangrijkste van filosoferen. Of zoals Hanlo het zelf zei: ‘Ieders recht op expliceren en beweren is even groot. Filosofen beweren zo graag en zoveel in de hoop door een scherpere geest weerlegd te worden en dit wil ik ook laten gelden voor mijzelf.’

____________________

Wie is H. Newman?

‘Daarover een komische opmerking van H. Newman.’
Ludwig Wittgenstein. Over zekerheid (vert. 1988).

Zowel kardinaal John Henry Newman (1801-1890) als Ludwig Wittgenstein (1889-1951) hebben intensief geschreven over het begrip zekerheid. Newman een half leven lang, Wittgenstein vooral tegen het eind van zijn leven. Wanneer men echter geïnteresseerd is in studies die de twee denkers met elkaar verbinden, is het zoeken naar een kever in een doosje. Er zijn desondanks genoeg memoires (o.a. van Yorick Smythies, Norman Malcolm en O.K. Bouwsma) die prijsgeven dat Wittgenstein goed bekend is geweest met Newmans werk, waaronder A Grammar of Assent (1870). Hierin rechtvaardigt Newman hoe men zeker kan zijn van zaken zonder dat er logisch bewijs voor is. Wat Wittgenstein precies in de Grammar gevonden heeft, is gissen, net als waar nu precies de zin ‘Daarover een komische opmerking van H. Newman’ naar verwijst, die Wittgenstein noteert in een allereerste fragment van Over zekerheid. Wittgenstein becommentarieert daar G.E. Moores verdediging van het gezonde verstand. Het is ook een raadsel waarom Wittgenstein ‘H. Newman’ en niet ‘J.H. Newman’ noteert. Voor iemand die zo intensief over zekerheid heeft geschreven, laat Wittgenstein ook in dit geval de lezer voldoende verward achter.

©Veenmedia.nl

Filosofische kruimels XXI

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2017 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XXI van XXIV.

Het goede mag wat kosten

‘Heinz is een boef. Maar wel een goeie boef.’
Antwoord van een 11-jarige jongen op het Heinz-dilemma, te vinden in: Lawrence Kohlberg (1981). Essays on Moral Development, Vol. I: The Philosophy of Moral Development.

Het Heinz-Dilemma is een van de meest bekende dilemma’s binnen ethische en morele discussies, en in een variant bedacht door de Amerikaanse psycholoog Lawrence Kohlberg om zijn zogeheten ‘stadiumtheorie van de morele ontwikkeling’ te illustreren. In dit dilemma is er geen eenvoudig ‘goed’ of ‘fout’ antwoord. Kohlberg had het dan ook bedacht om te zien hoe kinderen en volwassenen door middel van redeneringen tot een standpunt kwamen. Het gaat als volgt:

Er is een vrouw die vrijwel zeker zal sterven aan kanker. Er is maar één medicijn waarvan gedacht wordt dat het de ziekte kan genezen. De arts die dit medicijn heeft ontdekt rekent 10 maal de prijs die het eigenlijk zou moeten kosten. Heinz, de man van de zieke vrouw, kan dit bedrag niet opbrengen – hij heeft met alle moeite maar de helft bijeen gekregen. De arts weigert echter het medicijn voor die prijs te verkopen: ‘Ik heb het ontdekt, en ik ga er geld aan verdienen.’ Heinz is radeloos, besluit ’s nachts in te breken in het huis van de arts en steelt het medicijn.

Zou Heinz dit hebben mogen doen?

De keuze van Heinz is actueler dan Kohlberg zou vermoeden. Zo kost het borstkankermedicijn pertuzumab ongeveer € 150.000 en levert het één jaar extra leven op. Volgens zorgbureaucraten mag een jaar extra leven echter maar € 80.000 kosten…

_________________________

Worstelen met jezelf

‘Bezinnen, dat moet je weten, kun je veel beter na dan voor de daad doen.’
Heinrich von Kleist. Over het bezinnen: een paradox. Geschriften over filosofie en kunst. In: Verzameld proza. Alle verhalen en essays. (2009).

De Duitse dichter en schrijver Heinrich von Kleist (1777-1811) is vooral bekend van zijn roman Michael Kohlhaas (1810), volgens een inleiding op zijn vertaalde verzameld proza ‘een van de spannendste verhalen ooit geschreven’ (2009). In die vertaling is ook een bundeltje geschriften over filosofie en kunst opgenomen. Von Kleist had al vroeg aanleg getoond voor de wijsbegeerte. Aan de universiteit van Frankfurt had hij kort filosofie gestudeerd en in 1801 kwam hij nog in een identiteitscrisis terecht nadat hij de geschriften van Kant had bestudeerd.

In een kort opstel over de bezinning formuleert Von Kleist een aanval op het oude gezegde ‘bezint eer ge begint.’ Immers, iemand die bezint voordat hij handelt is onmogelijk in staat het leven aan te kunnen. Een worstelaar die in een houdgreep ligt en bezint hoe hij daar toch uit zou kunnen geraken, komt er achter dat wanneer hij klaar is met die bezinning de wedstrijd allang is verloren. ‘Handel op gevoel en leer ervan’ is een beter levensadvies. Von Kleist heeft zijn eigen raad tot in het absolute opgevolgd: In 1811 pleegt hij tamelijk onverwacht samen met een vriendin zelfmoord, nadat hij zich lange tijd ziek en miskend heeft gevoeld. Zijn paradoxale onbezonnenheid heeft hem onsterfelijk gemaakt in de Duitse literaire Canon.

_________________________

De filosofie van Kierkegaard? Lachwekkend!

‘Dit werpt een meer serieuze vraag op: Wie kan redelijkerwijs genomineerd worden als de grappigste filosoof allertijden?’
Thomas C. Oden (2004) in: The humor of Kierkegaard: an anthology.

In een bloemlezing waar 300 pagina’s lang geput wordt uit teksten van de Deense filosoof Søren Kierkegaard (1813-1855) begint Thomas C. Oden (1931) zijn inleiding door de lezer uit te dagen één invloedrijke filosoof te noemen die geestiger schrijft dan Kierkegaard. Oden gelooft niet dat die er is. Zelfs als je de meest geestige overwegingen van tien invloedrijke filosofen zou bundelen, evenaart dat Kierkegaards schrijven niet. Kierkegaard staat dus waar het gaat om humor volgens Oden op eenzame hoogte. Dat is op zich merkwaardig. Hoe kan een zwaarmoedige Deen die schreef over liefdesverdriet, zonde, dood, vrees en angst zo gevat uit de hoek komen? Omdat Kierkegaard als geen ander zich kon verbergen achter de meest absurde personages. De ironie die zijn pseudoniemen hanteren fungeren tegelijk als wapen en als schild. Voor Kierkegaard wedijvert humor niet met de ernst maar met de werkelijkheid. Vandaar dat zijn vele boeken, die de werkelijkheid proberen te duiden zo rijk zijn van ironie en komedie.

 

_________________________

©Veenmedia.nl

Camiel Eurlings mag blijven: aanzet tot een ander perspectief

Een oefening in het tegenovergestelde

Al dagenlang, zo niet weken beukt de media op me in dat ik Camiel Eurlings een klootzak moet vinden en zeurt ze aan mijn hoofd dat hij onder geen enkele voorwaarde meer mag aanblijven als lid van het IOC. Daar moet ik het mee eens zijn, anders dan behoor ik tot iets afschuwelijks.

Een kleine greep uit datgene wat me onder ogen kwam, geeft de ‘eensgezindheid’ mooi weer. In een commentaar van het NRC dat kennelijk alleen anoniem kan worden geschreven, spreekt de kop al boekdelen: ‘De man die zijn vrouw sloeg kan geen lid meer zijn van het IOC’. Camiel is een egoïstische opportunistische bestuurder die moet wegwezen.

Willem Vissers in de Volkskrant doet er niet voor onder: ‘Camiel, doe ons een lol en vertrek!’ roept de man die met een valse vergelijking ook even klassenjustitie bewijst. Camiel moet een baantje in de grotten van Valkenburg zoeken, want hij heeft iets gedaan wat het licht niet kan verdragen. Vissers geeft de lezer verder nog een bedenkelijke quote mee: ‘Lang niet alle verwijten aan mannen, vooral mannen, in politiek getinte functies zijn terecht, maar heel veel zijn dat wel.’ Hoe hij dat weet? Wie zal het zeggen…

Ten slotte, want mijn punt is wel helder, is er nog het Algemeen Dagblad met een schitterend exemplarisch artikel. Een anonieme insider wordt opgevoerd om Eurlings de les te lezen. Daarbij doet schrijfster Carla van der Wal er alles aan om maar zo vaak mogelijk te noemen dat toch bijna, vrijwel iedereen (de woorden ‘bijna’ en ‘vrijwel’ maken het hier journalistiek) eensgezind is in de veroordeling: “(…) hoewel bijna niemand in Nederland hem die baan nog gunt vanwege de mishandeling van zijn ex-vriendin”. “Velen, tot Kamerleden aan toe, riepen daarna om zijn aftreden.” “Vrijwel iedereen is het erover eens: dat is extreem pijnlijk, in een sportwereld waar het draait om fair play (…).”

De meest interessante quote zit echter aan het einde van het artikel in het Algemeen Dagblad: “Of, zoals op sociale media werd opgemerkt: ‘Ik heb het Twitter nog nooit ergens zó eens over zien zijn.’”

Tja, als zelfs iemand opmerkt op Twitter dat hij heeft opgemerkt dat Twitter het nog nooit ergens zo over eens was, dan moet je het er ook wel mee eens zijn…

Hans, Klaas en Willem aan het woord.

Alles wat vreselijk eensgezind is, is vreselijk
Wat een armoede. Want dat staat me echt tegen, eigenlijk per definitie in een zaak van complexe perspectieven en structureel gebrek aan inhoudelijk ongekleurde informatie: De vreselijke eensgezinde media en nog vreselijker de vreselijk eensgezinde sociale media.

Het conformisme op Twitter waar het Algemeen Dagblad over rept is natuurlijk voor de hand liggend te verklaren: Er heeft daadwerkelijk een verschrikkelijke handeling plaatsgevonden waar consequenties aan vast zitten. De consequentie is dan niet louter de strafrechtelijke afhandeling, waarbij iemand een boete doet die de daad vergeldt, maar tevens een door Het Publiek gevorderde bijkomende straf, in dit geval het ontnemen van iemands functie. Deze bijkomende straf wordt dan gelegitimeerd omdat de functie in kwestie publiekelijk is en het publiek zich niet kan vereenzelvigen met iemand die een taakstraf heeft gekregen van 40 uur voor een strafbare handeling.

Maar wie of wat is dan dit zogenaamde Publiek? Zijn het de heftig ja-knikkende met het vingertje omhoog gestoken lezers van de column van Willem Vissers? Zijn het de volgers van het NRC of het AD? Is Het Publiek dat ontembare monster van de sociale media, gevormd door talloze domoren die badend in hun eigen drek nablaffen wat ze elders hebben opgepikt? Zijn dat de zelfbenoemde moraalhoeders van Twitter die in enkele tekens hun veilige oordeel uitschrijven en zich vervolgens prijzen om hun schitterende ethische houding? Is dat dan Het Publiek? Nu ja, daarmee kan ik mij dan weer niet vereenzelvigen.

Toch nog een ander perspectief

Voordat iemand op het idiote idee komt dat hier iets wordt goedgepraat of wordt gebagatelliseerd, wil ik benadrukken dat ik enkel poog een ander perspectief weer te geven. Dat zijn twee verschillende dingen. Want een andere verklaring voor het conformisme dat alom tegenwoordig is, bestaat er namelijk ook nog. Die kan worden gevonden in het denken van Elisabeth Noelle-Neumann (1916-2010). In The Spiral of Silence: Public Opinion-Our Social Skin (mijn uitgave uit 1993) spreekt zij van de beroemde zwijgspiraal: Hoe dominanter de ‘consensusopinie’ is verspreid door de massamedia, des te meer zullen de geluiden met een genuanceerd of ander perspectief verstommen.

Daarbij werkt het zo dat traditionele media omwille van de reactiesnelheid, kant-en-klare perspectieven die het meest populair of minst complex lijken het meest eenvoudig overnemen. “Man slaat vrouw en moet hangen” is daarin een nobrainer: eenvoudiger krijg je het niet. De volgers van die traditionele media zijn vervolgens weer geneigd om die kant-en-klare nobrainer-perspectieven te verwerken in hun veelal oppervlakkige reacties op sociale media, wat uiteindelijk een sneeuwbaleffect geeft, wat weer wordt opgepikt door traditionele media. Enzovoorts.

En ook het proza van Jan, Robert en Menno

Zo blijft ieder tegengeluid uit en is er een makkelijke prooi gevonden waarbij Das Man zich gesteund weet door Das Man. Bang om in een sociaal isolement te raken of de kop van Jut te worden, wordt iedere nuance of kritisch tegengeluid achterwege gelaten en anders wel ondergesneeuwd door het niet aflatende gekwaak van Het Publiek. Ziedaar het conformisme en waarom iedereen het toch zo vreselijk met elkaar eens is.

Dit vormt alles een complexe paradox die niet eenvoudig is op te lossen. Of misschien wel helemaal niet is op te lossen. Dat betekent echter niet dat een stuk als dit niet moet worden geschreven, omdat ik anders juist aan het mechanisme van de zwijgspiraal zou toegeven. Een tegengeluid is wat mij betreft hier niet iets goedpraten, maar wel nader overwegen of bijvoorbeeld vergeving mogelijk is. Dat is echt een andere insteek. Het onttrekken aan de stortvloed van eenvoudige terechtstelling, is wat mij betreft een veel interessanter en intelligenter perspectief dan de eenvoudige terechtstelling. Dat vanuit een ander perspectief mogelijk dezelfde conclusie volgt, is overigens weer voor ieders eigen rekening.

Is vergeving mogelijk?

Er wordt geregeld gesproken in deze discussie dat in de sportwereld er een zekere vlekkeloosheid behoort te zijn. Onbesproken voorbeeldgedrag, daar gaat het om. Maar juist in de sportwereld is niets menselijks iemand vreemd. Daarom houden we zo van sporters met menselijke trekken. Het is een interessante hypocrisie dat deze menselijke trekken alleen van absolute voorbeeldige aard zouden mogen zijn. ‘Velen’ willen klaarblijkelijk niet in de nationale spiegel kijken en zien dat talloze vertegenwoordigers precies zijn zoals zij: feilbaar. Volkomen feilbaar.

Willem Vissers kraamt in zijn column onzin uit over klassenjustitie (Arme Ringenturner Van Gelder moest weg, maar Eurlings mag blijven), maar hij hoeft niet ver te zoeken om te zien hoe talloze sporters een tweede, derde of zelfs vierde kans hebben gekregen nadat ze op de een of andere manier in de mist zijn gegaan. Dat dat mogelijk is, juich ik toe. Een sporter die het bijltje erbij neergooit bij nare tegenslag, dat is iemand waar je niet tegenop kunt kijken en die je niet in de sport wil hebben. Weekdieren die door hoon opgeven. Eurlings vecht -in dit geval figuurlijk- voor wat hij waard is: onhandig, ongelukkig en onnozel. Niets menselijks is hem vreemd. Maar van mij mag hij zijn best doen om te proberen zijn baan te behouden waar hij plezier in heeft en hem een aardig levensinkomen verschaft. Dat we op het laatste jaloers zijn doet niet ter zake. De Wonderboy is een hoge boom die makkelijk te snoeien is, maar van mij mag hij ook weer groeien in hetgeen hij goed kan. Nederig, maar zelfverzekerd. Schuldbewust, maar volhardend. Kwetsbaar, maar met het vizier op de goede zaak.

Is vergeving dus mogelijk? Ik geloof er wel in. Ik geloof niet in schijnheiligheid en ideale schoonzonen aan de top. Ik geloof ook niet in publiekelijke terechtstellingen, meelopers en conformisten. Ik geloof niet in het leedvermaak, het opportunisme, de hypocrisie en alle Pavlov-reacties. Mensen die maar balken blijven werpen. En ik geloof al helemaal niet in Jan en Klaas die op sociale media hun erbarmelijke ethiek tentoonstellen.

Misschien heeft de dame in kwestie hem al lang vergeven? Dat zou een bijzonder gebaar zijn; haar verhaal lijkt echter nergens te bestaan. Maar boven alles, Camiel Eurlings doet er ook goed aan om aanhoudend vergeving te vragen, zelfs of wellicht vooral aan Jan en Klaas. Al moet het tegen beter weten in. Op het nationaal en internationaal podium rest hem dan niets anders te laten zien dat hem die vraag ernst is.

_______________________

Noot: 36 uur na het publiceren van deze overweging is Eurlings opgestapt in het belang van de sporters naar eigen zeggen. Ik mag hopen dat de ethiek van Jan en Henk daarbij niet stiekem een belangrijke doorslag hebben gegeven. Ik geloof er echter helemaal niets van ‘dat sporters hebben gekozen’. Sporters hebben altijd de mond vol dat politiek en sport moet worden gescheiden. Sporten in China is geen enkel probleem. Voetballen in Rusland hadden we wat graag gewild. Van Marwijk als bondscoach in Saoedi-Arabie. De hand schudden van Poetin moet kunnen en de Giro verrijden in Israël: dat ontzeggen we Tom Dumoulin toch zeker niet? Landen met misdaden waar waarschijnlijk niet eens 40 uur taakstraf tegenover staat. Het zijn zeker niet de sporters geweest, maar het ontembare beest wat we sociale media noemen. Henk en Jan. De moraalridders op de IKEA-bank.

 

Een geïmproviseerde toespraak: tegen Wouter B. & voor het Studentenleven

Uitgesproken voor zij die het al wisten

~En een waarschuwing voor de eeuwigheid~

Toehoorders! Van de vele zaken waar ik misselijk van zou kunnen worden -u weet wel, vanuit die stekende buikpijn die niet toe te schrijven is aan een of andere bacterie, maar aan een maatschappelijk virus- heeft Corpsbeul Woutertje B. mij tot braken toe gebracht. Dit bleke weekdier, deze schaamteloze schandvlek van het verenigingsleven, heeft de schoonheid van ons studentenbestaan gruwelijk bedoezeld en bepoeteld! Corpsboertje B.: de arme gekwetste ego die verblind door datgene wat een beetje macht met een stumpert doen kan, zo nodig een eerstejaars een lesje moest leren. En zo vernederde, intimideerde en mishandelde hij er op los.

U allen hier aanwezig weet toch als geen ander: Ils doivent envisager qu’une grande responsabilité est la suite inséparable d’un grand pouvoir! Wij studenten, wij genieten een bijzondere vrijheid. En die vrijheid verlangt een bijzondere verantwoordelijkheid. Een excellente verantwoordelijkheid. Aan ons worden generatie op generatie weer jonge mensen toevertrouwd, die – net zoals wijzelf niet zo heel lang geleden – vol verwachting en vol verwondering een nieuwe wereld binnenwandelen. Met grote open ogen het sublieme studentenleven tegemoet! Een wereld van ontwikkeling, verdieping, vriendschap en schoonheid. Het is onze plicht en zoals ook is gebleken een ware kunst, om deze nieuwe wereld niet te besmeuren en besmetten met de domste, arrogantste en lelijkste clichés die men maar over ons verzinnen kan. Precies die afzichtelijke lelijkheid die Woutertje B. tentoonspreidde toen hij zijn narcistische voet op het hoofd drukte van onze beginnende broeder. Ik zeg onze, want wij studenten zijn altijd en overal op elkaar betrokken.

En ik hoor u allen wel denken: ‘Veel te mild dit! Veel te mild! Harder afstand nemen van die wereld van ego’s, valse tradities, ongebreideld narcisme, schimmigheid en schande! Helemaal niets heeft dit van doen met waar wij voor willen staan!’ Nu ja -meer noten heb ik niet op mijn zang, een groot spreker ben ik niet- maar gun mij toch nog even wat tijd en laat mij mijn misselijkheid nog tenminste even toelichten!

Want vrienden, wat mij tot braken toe heeft gebracht, is wel dit. Juist waar hier van iemand als exponent van het Hoogste onderwijs, het Wetenschappelijke en Wereldwijze het voortreffelijke mag worden verlangd, troffen wij slechts het leegste en het laagste aan! Het zijn de oorverdovend domme woorden van Woutertje zelf: ‘Vernedering hoort bij het verenigingsleven. Fysieke dreiging en geestelijke intimidatie smeden een band voor het leven.’ Herhaalt u dat eens voor uzelf! Hoe abominabel, hoe banaal, hoe vuil kunnen woorden klinken!

Dat deze corpsboef zichzelf hiermee nota bene heeft gemeend te kunnen verdedigen! Het doet vrezen dat we hem geestelijk voorgoed moeten afschrijven. Het is niet anders…. O wat vallen mij dat totale gebrek aan zelfkennis en reflectieve vermogen zwaar juist waar ik dat zo verwachten mocht! Ik zou hier met wat gevoel voor ironie kunnen zeggen dat ze in het gevang er ook zo over denken: ‘Vernedering hoort bij het gevangenisleven. Fysieke dreiging en geestelijke intimidatie smeden een band voor het leven.’ Dat hem toe mag komen waar hij zo vrijmoedig in gelooft!

Dat wij vrienden tenslotte, de kunst mogen verstaan een band voor het leven te smeden zonder duistere geheimhouding, achterbakse dwaasheid, zware mishandeling en verstikkende hiërarchie. Dat wij de kunst mogen uitdragen Eerstejaars zich onmiddellijk thuis te doen voelen zonder de noodzaak van seksistische vernedering en dronken dwazenmansgebral. Dat eenheid en plezier hand in hand gaan, zonder vrees en zonder beven. Dat het eerste mag leren van het laatste en het laatste mag leren van het eerste. En toch ook – in alle nederigheid – dat men het ons niet al te lang aanrekenen zal dat één van ons zich zo misselijkmakend misdragen heeft…

En nu verlang ik innig naar een fust gerstenat, zodat ik die bittere smaak kan wegspoelen en mijn maag weer wat tot rust mag komen. En voor de donder – een goede sigaar gun ik ook eenieder hier! Laten we dan, wanneer het ochtendgloren zich aandient en onze professoren ons weer met blije verwachting tegemoet zien, vol trots uitdragen wat het waarlijk betekent Student te zijn: Non scholae, sed vitae discimus!  

Ik heb gezegd.

 

______________________________________

Uitspraak rechtbank 23/11/2017

Geloven zonder opoffering: Vrijblijvend rechten claimen onder de vlag van het Vliegend Spaghettimonster

Een polemiek

Op de een of andere manier vinden media het heerlijk om aandacht te schenken aan aanhangers van het Vliegend Spaghettimonster (VSM). De laatste in een lange serie Pastafari’s voor wie de rode medialoper is uitgerold luistert naar de naam Michael Afanasyev. De 38-jarige man promoveert aan de Technische Universiteit Delft en is ‘priester’ van het kerkgenootschap van het Vliegend Spaghettimonster.

Waarin Afanasyev precies promoveert is helemaal ondergesneeuwd en interesseert eigenlijk niemand meer. Want de aandacht gaat niet uit naar zijn onderzoek waar hij jaren aan heeft gewerkt, maar naar het feit dat hij zijn promotieplechtigheid graag in een piratenpak uit de 17de eeuw wil doen. Volgens zijn geloof hebben piraten namelijk een goddelijke status en draagt zijn religie hem op zich hiernaar te gedragen. De TU heeft daar terecht een stokje voor gestoken, maar nu stapt Afanasyev naar het College voor de Rechten van de Mens: hij wil namelijk het recht hebben om zijn clownsact uit te kunnen dragen. Dat hij daarmee paradoxaal op dezelfde manier de wetenschap kwaad doet als hij het Christendom verwijt, is hem blijkbaar ontgaan. Zijn geloof is dus niet alleen ongeloofwaardig, maar ook nog eens contraproductief.

Ik zou hier veel tijd kunnen besteden aan de metafysische grondslagen van het VSM, maar dat zou koren op de molen zijn van Pastafari’s en bovendien even onnozel. Het gaat ook om iets anders, namelijk om het idee dat aanhanger zijn van het VSM impliceert dat men vanzelfsprekend een aantal maatschappelijke rechten en verworvenheden toekomt, zoals met een vergiet op het hoofd op een pasfoto mogen of zoals in het geval van Afanasyev in een piratenpak zijn verdediging mogen doen. Maar dan moet een overtuiging -de ontologische idee van iets hogers, van transcendentie en heiligheid- kunnen worden verdedigd in oprechtheid, en precies daar ontbreekt het aan.

Analoge trol?
Primair heeft het er alle schijn van dat VSM-aanhangers als Afanasyev niets meer zijn dan analoge trollen. Het lijkt niet meer om een vruchtbare discussie tussen geloven en weten te gaan, maar om het genereren van zoveel mogelijk vruchteloze aandacht. Het is natuurlijk ook helemaal geen religie of geloof, maar een zeer beperkte maatschappij- of godsdienstkritiek die uitwassen van religieuze nonsense aan de kaak stelt met religieuze nonsense. Het ontbreekt aan oprechtheid, ernst en samenhang om ook maar enigszins serieus te nemen als religie zoals dit begrepen wordt in het maatschappelijk debat. Er is geen compelling voice of conscience. Er is geen instemming met wat men verkondigt. Daarom alleen al moet niet de voor de hand liggende fout worden gemaakt het VSM op één lijn te plaatsen met bijvoorbeeld het christendom en zijn rijke traditie van kerkvaders, filosofen en wetenschappers. De vergelijking gaat daar helemaal mank. Verschillende rechtbanken hebben dit reeds vastgesteld, des te merkwaardig is het dat het aandacht blijft genereren en dat verschillende autoriteiten en juristen telkens opnieuw in de weer zijn met deze onnozelheid. Nu dus ook het College voor de Rechten van de Mens, waarvan iedereen moet hopen -of bidden- dat het niet in de lijn met de uitspraak van 20 november oordeelt, want dan zitten we straks met agenten die een vergiet op hun hoofd dragen.

Geloof
Ik ben ervan overtuigd dat Afanasyev dit allemaal diep van binnen weet en dat er geen innerlijke stem in hem is, geen roep van het geweten of een beweging van het hart die oprecht en existentieel VSM verbindt met zijn curriculum vitae. Maar stel, stel dat hij werkelijk gelooft. Wat is dan geloof? En wat is hier religieus geloof? In een interview met het AD (21/11/2017) beroept Afanasyev zich op het feit dat hij gelooft en hij hiernaar wil handelen. Hij gaat zover dat hij dit recht wil claimen via een instantie, waarmee hij het belang waar hij voor staat tenminste kracht heeft bijgezet. Maar dat is vrijblijvend en zonder consequentie. Dat is nog geen beproeving.

Stelling
Mijn stelling is dat indien hij daadwerkelijk van mening is dat hij wordt geschaad in zijn fundamentele rechten op vrijheid van religie, hieruit een andere belangrijke consequentie volgt. Indien het Afanasyev namelijk onmogelijk wordt gemaakt te verschijnen in piratenpak en/of vergiet op zijn hoofd (immers een heilig object), dan moet hij weigeren zijn promotie te aanvaarden. Handelen naar deze consequentie zou een eerste indicatie zijn voor de oprechtheid waar hij voor staat. Het maakt hem geloofwaardig. Het zou zijn overtuiging vorm en inhoud geven, en een eerste blijk geven van ernst waar het volgens rechters aan ontbreekt. Geloof dat van waarde is, moet geloofwaardig worden verdedigd en dan kost het soms iets.

Hoe kan hij immers zo gekrenkt worden in zijn fundamentele overtuiging door een organisatie die zijn levensbeschouwing niet serieus wil nemen? Hoe kan hij immers aanvaarden dat het heilige waar hij voor staat hem onmogelijk wordt gemaakt uiting aan te geven? Hoe kan hij in discussie gaan met vooringenomen mensen die hem niet serieus nemen? Het zou een farce zijn en hem en het VSM voorgoed ongeloofwaardig maken voor zover het dat niet al is. Het is nota bene een ‘liever niet’ (analoog aan een gebod) gebod van VSM zelf. Hij moet een martelaar worden, want daar ontbreekt het aan. Dit is de kans om een stap te maken die werkelijk telt. Hij moet bereid zijn te laten zien dat geloof altijd verstrengeld is met het leven en niet te pas en te onpas aan de kant kan worden geschoven als het even niet uitkomt. Zoals een Katholiek zijn religieuze identiteit werkelijk vorm geeft door afstand te nemen van een protestantse school die geen ruimte laat voor zijn overtuiging, geeft Afanasyev zijn religieuze overtuiging vorm door afstand te nemen van een organisatie die hem wil verbieden zichzelf te zijn.

Maar dat gaat Afanasyev niet doen, wat dat is het hem helemaal niet waard. Hij is namelijk niet echt religieus. Hij gelooft namelijk helemaal niet echt. Hij wil helemaal niets opofferen voor zijn transcendente beweringen. Hij wil slechts zover gaan in zijn geloof dat het hem niets kost.  Maar dat is niet geloven! Geloven is, zoals Kierkegaard het zegt en zoals ik het hier heb gehanteerd offeren met de vaste zekerheid dat ondanks het offer alles ten goede zal keren-hoe dan ook. Afanasyev -daar ben ik van overtuigd- heeft die zekerheid absoluut niet, omdat zijn offer naar niets verwijst en uiteindelijk slechts lucht en leegte is. Dat mag hij gerust andere geloven en gelovigen verwijten, maar die zijn tenminste aantoonbaar en in ontelbare gevallen wel bereid consequenties te verbinden aan waar ze voor staan. En daar mogen in sommige gevallen rechten tegen overstaan. Rechten die Afanasyev op nog geen enkel wijze heeft verdiend.

Fietsen in de regen is zuivere onschuld: Denken aan Anne Faber

Fietsen in de regen is zuivere onschuld

Wie deze overweging leest, weet vast wat er speelt. Anne Faber is vermist. Ze is van het publiek geworden. Ik ken haar niet, maar ik denk aan haar.

Ik heb vaker gelezen dat mensen die over haar schrijven zich haasten te verontschuldigen dat ze haar niet persoonlijk kennen en er toch persoonlijke woorden aan wijden. Hoe kun je persoonlijke woorden wijden aan iemand die je niet kent? Maar ik begrijp het. Ik heb hetzelfde: het zijn persoonlijke woorden voor onszelf. Het is op een eigen manier uitdrukking geven aan de tragiek van het verhaal. Het is uitdrukking geven aan de vraag waarom raakt het me? Waarom houdt het me bezig?

Ik denk omdat het een alledaags meisje is, the girl next door. Ze symboliseert een onschuld waarmee ik dagelijks omringt ben en zodoende komt het erg dichtbij. Want gaan fietsen in de regen is zuivere onschuld.

Anne Faber. Openbare Facebook foto

Annes tragiek is een tragiek die in de media niet verstilt en toch straks zo maar geschiedenis kan zijn. Het Algemeen Dagblad publiceert aanhoudend dagelijks de laatste stand van zaken. In liveblogs, met columns, met verhalen van omwonenden en van mensen die daar dan weer omwonen. Een fiets gevonden. Waarschijnlijk van Anne. Een tas gevonden. Waarschijnlijk van Anne. Waarschijnlijk! Maar zijzelf is zonder enig spoor.

Talloze media blijven aandacht schenken aan de jonge vrouw die fietsen ging, in de regen kwam en nooit meer terug. Ze schrijven omdat mensen het lezen. Ze schrijven omdat ik het blijf lezen. Maar ik wil niets commercieels denken bij haar vermissing. Ik wil vooral blij worden van de niet aflatende hartverwarmende zoektocht naar dat ene meisje. Altruïstische vrijwilligers die nooit zullen zeggen: “Ja, ik heb toen ook mee gezocht!” Zelfs het Nederlandse leger zoekt mee. Het leger had niet veel mee afgelopen tijd, maar ergens word ik heel trots van het feit dat ze mee zoeken.

Maar het hartverwarmende biedt slechts een weerloos tegenwicht aan het drama wat erachter schuilt. Aan de lelijkheid en lafheid die vroeg of laat geopenbaard zal worden. Zojuist, tijdens het schrijven van dit stukje is er zelfs iemand aangehouden. Zou het morgen weer achterhaalt zijn of is deze man….? Haar vermissing lijkt op een feuilleton. Een naargeestig feuilleton, waarvan ik de dagelijkse lezer ben.

Maar ik wil niet zo lezen over iemands lot alsof het een vervolgverhaal betreft. Wat maakt het werkelijk voor mij uit als ik morgen weet wat met haar is gebeurd? Wat in mij maakt dat ik het wil weten? Nieuwsgier vind ik te plat. Hoop vind ik te ongeloofwaardig. Ik geloof toch zeker niet meer dat het goed afloopt? Is de onzekerheid van haar lot wat bezig houdt? Hoe diep moet dan de pijn van naasten zijn. Zo diep kan ik nooit denken. Ik wil misschien wel uitdrukken dat ik meeleef.

Dat is de enige verantwoording voor openbare woorden.

Het enige wat hoop geeft is dat ze nog niet gevonden is. Ik kan geen andere hoop bedenken. Ik denk dan zelfs dingen die ik liever niet wil denken. Dingen die normaal gesproken abstract zijn en je voorlegt in lessen ethiek of hoort in collegezalen: zou je de zekerheid wensen van haar dood of de onzekerheid van een ontvoering? Het enige juiste antwoord is: ‘Sodemieter op met je utilistische dilemma! Ik wil me daar niet in inleven!’

Als ik denk wat velen voorvoelen, dan moet er ergens iemand rondlopen die een afschuwelijk geheim met zich meedraagt. Een geheim waarvan de last zo zwaar is dat hij er de rest van zijn leven ziek van moet zijn. Maar dan veronderstel ik een redelijk iemand. Hoe kan daar nu sprake van zijn? Want het enige wat ik kan bedenken is dat alleen iemand zonder geweten de onschuld iets aan kan doen. Iemand die zo laf is en gewetenloos dat alle warmte van alle betrokkenen hem koud laat, omdat hij volkomen koud is, dom, egoïstisch en betekenisloos. Maar heeft iemand zonder geweten eigenlijk ooit schuld? Ik hoop nu al dat iemand schuldig kan zijn en het geen waanzin was. Maar dit is toch waanzinnig hoe dan ook? Ik las bij Kierkegaard dat je in eenieder de liefde als aanwezig moet denken, maar dat lukt me hier niet.

“Ik hoop dat het Anne goed gaat, waar ze ook is”. Ik hoop het echt, maar het voelt krachteloos, bodemloos en leeg. Daartegenover staat dat krachtige beeld, wat me telkens voor de geest komt bij het meisje dat ging fietsen in de regen: de onschuld waar ik zo zeker van ben. Want gaan fietsen in de regen is zuivere onschuld. Ik ken Anne Faber niet, maar zal ook lang na deze woorden nog eens in stilte aan haar denken.

_________________________________________

Ter verdediging van de racefietser op de openbare weg

Een persoonlijk perspectief

– Anticipeer op iedere medeweggebruiker zo dat je hem het meest domme verkeersgedrag toedicht wat op dat moment maar te bedenken is-

Ieder begin van de lente tot aan het hoogtepunt van de zomer is de racefietser of de wielrenner de gebeten hond. Van de politie die (symbolisch) extra gaat controleren op roekeloze wielrenners tot ongefundeerde haat op vele fora.

Dat valt al vele jaren op en wordt waarschijnlijk niet minder. Een bedroevend slecht geschreven artikel met nog meer taalfouten dan mislukte grappen van ene Marcel Harmsen geeft de tendens prima weer: ‘Wielrenners maken weinig geluid, rijden vaak knoerthard, kunnen meestal moeilijk een rechte lijn volgen, doen hun ding vaak in groepjes, vinden zichzelf King of te Road.’ (sic)
Kortom: ‘Wielrenners flikker op!’

Zo wordt er door veel mensen zonder al te veel diepte gedacht en in veel media over wielrenners gesproken. De racefietser zit in een vreemd negatief frame, waaruit maar moeilijk lijkt te ontsnappen. Toch pleit er genoeg voor een veel genuanceerder beeld. Ik geef wat voorzetten op basis van eigen ervaringen.

Ik fiets al enige jaren voor het plezier op een racefiets, om zowel de gedachten als het lichaam te bewegen. Naast het belangrijke feit dat ik ontdekt heb dat het vrijwel niets uitmaakt of ik op een fiets van € 1500 of € 5500 mij voortbeweeg, heb ik ook ontdekt hoe ongelofelijk veel verkeersovertredingen er worden gemaakt. En dan heb ik het niet over de racefietsers.

Als ik een eenvoudige middagrit van afgelopen week eens als uitgangspunt neem, waar ik ongeveer 60 km reed met een gemiddelde van 32 per uur over voornamelijk rechte en overzichtelijke wegen, dan kan ik zonder veel nadenken de volgende situaties beschrijven die ik tegenkwam:

  • wandelaars met een loslopende hond waar een hond niet los mag lopen. Die hond loopt dan natuurlijk zigzaggend over het fietspad
  • twee fietsers die al spelend met hun telefoon geheel in hun eigen wereld lijken te verkeren en geen enkel idee hebben van het overige verkeer. Op het fietspad rijdt er één meer aan de linker- dan aan de rechterkant, wat inhalen gevaarlijk maakte. Bellen had geen zin (ja ik heb een fietsbel!), want hij luisterde naar muziek
  • auto’s die geen richting aangeven of plotseling afslaan. Maar vooruit, dat wijt ik aan Kanaleneiland waar dat een gewoonterecht is geworden
  • als klap op de vuurpijl het gevaarlijkste wat ik tegenkwam, namelijk een vader met zijn kleine dochter achter zich in plaats van voor zich die zonder omkijken en zonder het uitsteken van een linkerhand volledig onverwacht links de weg oversteekt, waarna zijn dochtertje blind volgt.

Toen ik de beste man nog vriendelijk toeriep dat hij misschien zijn hand beter kan uitsteken volgende keer, viel mij een onlogische tirade ten deel.

Nu moet men weten dat ik een zeer bange en calculerende racefietser ben. Ik neem bochten met de rem vol erop, ik zit nooit dicht op een achterwiel, ik kijk altijd dubbel achterom bij inhalen en bovenal anticipeer ik op iedere medeweggebruiker zo dat ik hem het meest domme verkeersgedrag toedicht wat ik op dat moment maar kan bedenken. Dat gaat ten koste van snelheid, maar is ook precies de reden waarom ik dat meisje niet overhoop reed toen haar vader zonder omkijken dwars de weg overfietste, omdat ik er al rekening mee hield dat hij dat mogelijk zou kunnen doen. Wat echter geen enkele zin heeft, is om te proberen medeweggebruikers aan te spreken op hun gevaarlijke gedrag, domme handelingen of idiote verkeersmanoeuvres. Want het is altijd de schuld van de racefietser heb ik gemerkt.

Uit onderzoek blijkt dat er 815.000 wielersporters in Nederland zijn. Als ik er vanuit ga dat in het hoogseizoen deze wielersporters gemiddeld drie keer per week op de fiets zitten en ze daarbij even veel verkeersovertredingen waarnemen dan ik tijdens een gemiddelde training, dan levert dat een kleine 10 miljoen vastgestelde handelingen op die eigenlijk niet thuishoren in het verkeer. Als ik heel conservatief reken en 10% van die handelingen als een reëel gevaar voor de racefietser beschouw, hebben we het over bijna 100.000 situaties per week waarin een racefietser in gevaar wordt gebracht door een ander.

Het mag een wonder heten dat er dan feitelijk relatief weinig daadwerkelijke ongelukken plaatsvinden. Of wellicht is het wonder te verklaren door het feit dat juist de racefietsers sterk anticiperen op verkeersovertredingen en gevaarlijke situaties, omdat ze zich in een extreem kwetsbare situatie bevinden. Het is ook mijn ervaring met trainingsgroepen op de weg, dat er met zekere discipline wordt gefietst, bewust van de omgeving waarin met elkaar gecommuniceerd wordt over veiligheid. Racefietsers weten als geen ander dat vrachtwagens uit het niets kunnen opduiken, auto’s vaak geen richting aangeven en mensen zitten te bellen en muziek te luisteren op de fiets. Dan laat ik fietspaaltjes, smalle wegen, slechte wegen met scheuren en gaten en kuilen, 45KM auto’s op fietspaden en opgevoerde scooters buiten beschouwing.

Niemand hoeft me uiteraard te vertellen dat er ook overtredingen worden begaan door racefietsers. Maar ik plaats dat hier in een perspectief. Natuurlijk kan adrenaline de overhand nemen, is er onterechte ergernis over scootmobielen die met 10 km/h voortbewegend het fietspad blokkeren of wordt er wel eens randje rood gepakt bij een stoplicht.

Maar als ik de racefietser zou moeten beschrijven, is dat als volgt: Een verstandige beweger die meester is in het anticiperen, vanuit kwetsbaarheid zijn eigen veiligheid en dus die van anderen vooropstelt en welbeschouwd gemiddeld de nationale ziektekosten nog aardig drukt ook.  

Onthoud die beschrijving en je hoeft je nooit meer druk te maken over racefietsers, tenzij je natuurlijk van je sokken wordt gereden…

 

___________

Lees ook: Zijn racefietsers vogelvrij?

Naschrift bij ‘Nadere bedenkingen bij genderneutrale begroeting’

Voor eenieder die er nog niet moedeloos van is


In een vraag- en antwoordrelaas volgt een nadere motivatie voor argumenten eerder uiteengezet in Nadere bedenkingen bij genderneutrale begroeting. De vragen weerspiegelen hier en daar commentaren van derden, aangevuld met enkele inzichten uit langere overweging.

Q. Verbaast dat dit enige aandacht krijgt?

Ik tel mijn zegeningen! Wat me echter het meeste verbaast, is hoe ongelooflijk slecht mensen lezen of alleen op basis van een titel een heleboel eigen inzichtjes klaar hebben. Maar goed, zo werken deze zaken klaarblijkelijk en dat is natuurlijk ook het gevolg van een polemiek. Een soortgelijk lot ligt deze bijdrage waarschijnlijk te wachten, waarin ik voor de geïnteresseerde lezer alvast verklap dat ik niet veel nieuws te berde breng, hoewel ik door nadere overweging wel de kern van mijn verzuchting te pakken heb gekregen. Die heeft goed gesluimerd.

Q. Is dit eigenlijk geen uitzonderlijk marginale kwestie?

Dat is het interessante: het gaat feitelijk helemaal nergens over en tegelijkertijd over alles. Het heeft te maken met identiteit, normen en waarden. Het staat ook niet op zich; dit zit verpakt in een breder discours waar je als je helemaal tot de grond wil komen Oswald Spengler zelfs bij kunt halen. Het scheert over de oppervlakte, maar raakt mensen ergens ten diepste zonder dat ze goed weten uit te drukken waarom. Ik heb dat enigszins geprobeerd, maar ik beloof volgende keer gerust weer te schrijven over Jules Lequier of Friedrich Hebbel waar geen enkeling zich druk over hoeft te maken.

Q. In de bijdrage spreek je over “kuikentjes”. Als we normeren op basis van transpersonen, waarom dan niet op basis van personen die zich een kuikentje voelen. Is dat niet gevaarlijk, en ondermijn je daarmee niet transpersonen?

Waarom is dat in vredesnaam ‘gevaarlijk’? Het gebruiken van het woord ‘gevaarlijk’ is gevaarlijker. Er ligt bovendien een suggestie in verscholen dat mensen die de tekst lezen achterlijk zijn of infantiel, en dat geloof ik toch over het algemeen niet van mensen die mijn stukken lezen. Maar inderdaad, het valt natuurlijk niet uit te sluiten. Toch staat me veel tegen op dergelijke verwijten. Het hele artikel is doordrenkt van nuancering. En ten overvloede begin ik nog maar eens te zeggen dat ik voor emancipatie ben, respect en tegen discriminatie.

Volkomen overbodig natuurlijk, maar pas je niet op, zit je voor je het weet in een obscure rechtse hoek en ben je je alleen nog maar aan het verdedigen tegen zaken die nooit beweerd zijn. Feitelijk is dit alweer een verdediging, maar dat terzijde.

Er is nergens te lezen dat iemand niet mag zijn wie hij is. Ook bij de vergelijking wordt al aangegeven dat ik het verwijt van mogelijk ridiculiseren wel in de gaten heb, maar dat het doel overduidelijk anders is. De vergelijking heeft naast een ironische ondertoon mijns inziens namelijk een behoorlijke argumentatieve kracht. Het gaat om het aan de kaak stellen van een gelijkheidsfundamentalisme. Het is feitelijk een gedachte-experiment wat poogt gelijkheidsextremisten -ik weet geen beter woord- hun eigen overspannen agenda te tonen. Het artikel geeft één van de vele geluiden van mensen die het compleet doorgeslagen vinden dat we ons taalgebruik moeten veralgemeniseren ten behoeve van een zeer minieme minderheid. Het gevoel wat mensen hebben bij de vergelijking van het kuikentje (namelijk ergernis, ongemak, een doorgeslagen manier om mensen gelijk te behandelen), is precies het gevoel wat mensen hebben bij de beweging van de gemeente Amsterdam, de Nederlandse Spoorwegen et al. om de aanspreekwoorden “dames en heren” te schrappen.

Wie dat niet begrijpen kan, heeft in de discussie eigenlijk niets meer te zoeken. Maar toch als er één iemand in Nederland is die zich daadwerkelijk een kuikentje voelt, en dat sluit ik echt niet uit, dan moet noodzakelijkerwijs het gevolg zijn van het gelijkheidsfundamentalisme dat er rekening mee gehouden wordt. Ik vind dat dus absurd.

Q. Absurd?

Ja absurd. En fundamenteel onuitvoerbaar, ongelegen, onwerkbaar, onlogisch, onpraktisch, onhaalbaar, onwenselijk en ongefundeerd.

Q. Maar welk kwaad kan het om ook rekening te houden met de allerkleinste minderheden?

Dat is juist de hele zaak niet! Deze aanhoudende verwarring verbaast me. Het lijkt haast alsof de verwarring met opzet wordt gezaaid. Natuurlijk moet je rekening houden met zelfs de kleinste minderheden, maar dat is iets anders dan de taal aanpassen met als uitgangspunt een kleine minderheid. Dat is de kern van het hele verhaal.

We moeten aanvaarden dat we in algemene zin nooit altijd met iedereen rekening kunnen houden. Dat is de utopie van de gelijksheidsbeweging. Dat moeten we absoluut niet willen. Sterker nog: In een wereld waarin iedereen altijd en overal rekening moet houden met de ander, verliezen mensen juist hun sociale identiteit. En kan iemand zichzelf niet zijn omdat we een algemene beleefdheidsvorm hanteren die naar mannen en vrouwen verwijst? Ik moet bekennen dat ik vaak juist meer mezelf voel wanneer ik in een groep niet wordt aangesproken op wie ik ben: ‘ha, ik ben bijzonder!’

Q. Voorstanders roepen dat het geen kwaad kan om mannen en vrouwen aan te spreken als aanwezigen, reizigers of met meer van dergelijke algemene termen en containerbegrippen. Wat is er mis mee?

Ze vergeten daarbij dat ook bij dergelijke aanspreekvormen bepaalde mensen zich onjuist of onheus bejegend blijven voelen. Het lost helemaal niets op. Je creëert alleen een nieuw probleem of misschien wel meer dan één. Het is een enorme slippery slope. Het wijdverbreide onbegrip, de weerzin en de politieke tegenstand van de afgelopen dagen heeft dat wel genoegzaam duidelijk gemaakt: het middel is erger dan de kwaal. Het wekt hilariteit bovendien, en dat wil je juist niet. Het is interessant dat de miskenning van dit onbegrip hiervan precies hetzelfde is als wat voorstanders tegenstanders verwijten. Je mag hier namelijk niet over geërgerd zijn, want het is juist goed voor alle mensen. Je mag hier niet over geïrriteerd zijn, want in de perfecte wereld die voorgestaan wordt kan immers nooit iemand meer geïrriteerd, beledigd of geërgerd zijn.

Q. Maar hoeveel moet jij daadwerkelijk toegeven? In hoeverre moet jij je ergens naar schikken of word jij lastig gevallen als de conducteur voortaan ‘beste reizigers’ zegt, of wanneer jij voortaan bij een toespraak ‘goedenavond iedereen’ zal zeggen. Je zal je in dat laatste geval inderdaad een beetje moeten schikken, maar ook daar, hoeveel lever je in? Nagenoeg niets toch?

Op zich een interessant punt. Waarom zou ik me storen aan het almaar oprekken van de euthanasiewetgeving, de toenemende sociale indicatie van abortus, aanhoudende secularisering, postmodernisering, seksualisering van media en de samenleving, individualisering en normvervaging, decriminalisering van godslastering en de acceptatie ervan in alledaags spraakgebruik, laat staan een overheid die geslachtelijke identiteit het liefst afschaft in algemene omgangsnormen?

Het betreft hier niet meer dan een tegengeluid waar het gaat om een m.i. doorgeslagen progressieve postmoderne agenda, waarvan het bovenstaande enkele voorbeelden bevat, en dit de zoveelste opdringerige (je kunt er niet aan ontsnappen) moralisering is, dus niet van onderuit zoals zou moeten, maar van bovenaf.

Maar ik kom straks nog tot de kern van mijn verzuchting

Q. Maar wat als jij je nu man noch vrouw zou voelen? Kun je je eigenlijk wel genoeg inleven in mensen die zich man noch vrouw kunnen of willen noemen?

Leef je maar eens fatsoenlijk in mij in, dan ben je het helemaal met me eens. Maar zonder gekkigheid:

Ik zou mij tot op zekere hoogte wel willen inleven, maar ik moet daarin niet overvraagd worden of geconfronteerd met een voorstelling waarbij de variabelen zo talrijk en complex worden dat het niet zinvol is om de ‘wat als-vraag’ te stellen.

Zeker kan ik mij afvragen hoe het zou zijn als ik een minderheid was, wat ik toch ook nog wel eens ben geweest. En het zal vast allemaal minder erg zijn, hoor ik velen al denken, maar leef je maar eens in! Een katholiek onder de protestanten, een Maastrichtenaar onder de Nederlanders, een verstandig iemand onder de domoren (maar dat mag je natuurlijk niet zeggen zo, want dan ben je -met een kwinkslag- de arrogant onder de nederigen).

Maar ieder individu gaat daar anders mee om, dus als ik een van die minderheden zou zijn, betekent het nog niet dat ik dan representatief zou handelen voor die hele minderheid. De suggestie wordt namelijk gewekt dat je vermoedt dat indien ik zou behoren tot de genoemde minderheid, ik mij dan wel beledigd (geraakt, gekwetst, genegeerd enzovoorts) zou voelen en blij zou zijn met het feit dat een organisatie die zich bezig moet houden met het op tijd rijden van treinen, plotseling de ethiek en de moraal aanroert, en sociaal wenselijke proefballonnen oplaadt. Ik denk dat dat niet het geval is (maar daar zie je alweer de paradox). Omgekeerd geldt het ook: Amsterdam Pride is een steen des aanstoots voor ongelofelijk veel mensen die zogenaamd tot de doelgroep van het evenement zouden behoren, maar er volkomen niet mee geassocieerd willen worden. Ik vraag me ook sterk af door hoeveel mensen binnen de doelgroep dit eigenlijk wordt gedragen, het is per slot van rekening niet eens hun eigen initiatief, maar dat van enkele ambtenaren.

Enfin, het zogenaamde inleven is niet heel erg zinvol, omdat het 1. niet het antwoord oplevert wat je verwacht nadat ik mij heb ingeleefd, maar 2. ook omdat ik denk dat het iemand overvraagt en 3. de zaak al helemaal niet minder complex maakt.

Q. Zou het niet fijn zijn om in een wereld te leven waarin er geen geslachtelijke identiteit meer is?

Zo’n wereld is absurd, die is niet voor te stellen. Althans, laat ik het bij mezelf houden: ik kan die niet voorstellen. Het heeft dan ook geen zin om mij achter een sluier van onwetendheid te plaatsen of iets dergelijks: ik moet namelijk wel axiomatisch de redelijkheid veronderstellen. Ik kan mij een genderneutrale fiets voorstellen die de stang precies schuin door het midden heeft, maar ik kan mij geen wereld voorstellen waarin het mannelijke en vrouwelijke er niet meer is of in de taal betekenisloos is geworden. Het was er, is er en zal er altijd zijn. Het publiek aanspreken met mannen en vrouwen heeft ook helemaal niet de intentie om te beledigen, dat is geen onbelangrijke notie en draagt de kern van de ergernis over deze zaak in zich.

Q. Fijn dat er geen intentie is om te beledigen, maar in hoeverre maakt de intentie uit? Stel je voor dat ik uit een dorp kom, waar iedereen bij wijze van groet heel hard ‘lelijk gezwel’ naar elkaar schreeuwt. Op een dag kom jij dat dorp binnen en iedereen schreeuwt ‘lelijk gezwel’ naar jou. Waarschijnlijk ben je beledigd ondanks dat dat niet de intentie was.

Ik moet toegeven, aan absurde vergelijkingen ontbreekt het jou ook niet. Het is bijna een belediging voor het gezonde verstand, maar ik weet dat je het niet zo meent. Je vertekent hier het standpunt en doet net alsof “geachte dames en heren” te vergelijken is met “geacht lelijk gezwel”.

Ik moet dus omwille van het argument aannemen dat iemand een dergelijke betekenis hoort, wanneer hij zo wordt aangesproken. Dan moet ik bovendien aannemen dat iemand volslagen wereldvreemd is, opgegroeid is in een samenleving waarin dit niet de norm is, nooit heeft geleerd dat het een vriendelijke en zeer beleefde bejegening is, en tenslotte dus ook niet begrijpt dat deze aanspreekvorm wereldwijd en historisch volkomen logisch is in een werkelijkheid waarin 99,99% van de mensen hiermee correct wordt aangesproken. Ik denk dus dat indien iemand zich toch beledigd voelt door een dergelijke wijze van aangesproken worden, dat geheel voor rekening is van die persoon en niet van degene die iemand zo aanspreekt. Je kunt iemand niet verwijten zich naar de meest fatsoenlijke en meest logische normen te gedragen.

En laat ik hier mijn verzuchting in de kern motiveren. Het heeft me -vreemd genoeg- vele uren van overweging gekost om tot deze kern te komen. De beweging namelijk die in gang is gezet breng als vanzelf een beweging van het in sociale zin criminaliseren van alledaags taalgebruik met zich mee. Je ziet dat –en het is vast weer onbedoeld- al terug in de discussie waar ‘geachte dames en heren’ besmet is gemaakt en op één lijn gesteld wordt met ‘neger’ en ‘zieke homo’, alsof -met ook jouw ridicule vergelijking in het achterhoofd- iets vreselijks zegt én doet. Wat hier gebeurt, is mensen een schuldgevoel opdringen die een publiek toespreken met ‘dames en heren, jongens en meisjes’. Omdat ze mogelijk daarmee iemand als ‘lelijk gezwel’ zouden hebben aangesproken, en daarmee zijn ze verwerpelijk. Alsof mensen zich moeten schamen als ze deze vriendelijke woorden spreken. Je kunt dat ontkennen, maar dat gebeurt hier en passant.

Dat is wat me tegenstaat en dat is wat ik constant zie gebeuren, dat mensen die conservatief zijn (voor zover ‘Dames en heren’ conservatief is!) in een beklaagdenbank zitten omdat ze volgens een bepaalde groep niet ‘ruimdenkend’ genoeg zouden zijn, en daarmee fout of verwerpelijk –op zijn minst als suggestie. Het adagium: hoe ruimdenkender je bent, hoe beter je bent, is een zeer hardnekkig adagium. Ik denk dat het vals is of op zijn minst van een verkeerd begrip van ruimdenkend uitgaat. Je mag dat gerust conservatief noemen.

Q. Misken je feitelijk iemands identiteit als je die identiteit in het midden laat? Als een man of vrouw heeft bevestigt dat ze een man of vrouw zijn, dan ben je inderdaad vrij gek bezig als je ze daar niet in erkent, maar doe je dat als je de identiteit in het midden laat? En ben je niet eerder de identiteit van deze hele kleine, doch ergens aanwezige groep aan het miskennen als je het hebt over ‘dames en heren’?

Jij wilt in een wereld leven waarin je a priori alle mogelijke pijnpunten hebt uitgesloten in een sociale context… Ik wil met zo’n wereld niets te maken hebben. Het is een bange wereld waarin iedere sociale interactie gestuurd wordt door angst de ander te kwetsen.

Want ‘man en vrouw’ is echt niet het enige pijnpunt als je dat soms had gedacht. En ik herhaal: waar eindigt dit voor jou? Wanneer ben je tevreden? Nu gaat het over geslachtelijke identiteit, maar er zijn talloze andere zaken die iemand met zijn persoonlijkheid meedraagt en net zo zwaar of zwaarder weegt, waar ik op voorhand geen kennis van heb en waar ik ook niet het idee heb dat ik er op voorhand rekening mee zou moeten houden. Rekening houden met ontstaat a posteriori, niet a priori. Ik misken niets, want ik weet het nog niet. Hier spreken van miskennen is weer precies dat schuldgevoel opdringen.

Q. Dank voor alle toelichting. Of we het helemaal ooit eens met elkaar kunnen worden, durf ik niet te zeggen, maar ik zie welke weg je bewandelt. En aan de andere kant: het bevalt me dat er zoveel wegen bewandeld kunnen worden. Het niet met elkaar eens zijn is een gezonde kracht, die zou ik wat dat betreft nooit willen afschaffen…

Nadere bedenkingen bij genderneutrale begroeting

Toen ik ten vierde male in korte tijd zonder dat ik daar in het bijzonder mijn best voor had gedaan geconfronteerd werd met het nieuws dat de gemeente Amsterdam heeft aangekondigd voortaan een ‘genderneutrale’ gemeente te willen zijn, bemerkte ik in mijzelf een dieperliggende ergernis, of eerder een diepere verzuchting.

Wellicht heeft het te maken met dat dergelijke nieuwsfeiten meer dan gemiddeld boven water komen, zeker in een land waar de progressieve agenda al jaren zoekt naar nieuwe wegen om urgent te blijven, en die worden steeds smaller. Of het nu gaat om een OV-kaart die ontdaan wordt van de M/V-identiteit, het voetgangersstoplicht dat genderneutraal moet zijn, een regenboogzebrapad of openbare toiletten voor mensen met androgynie: op de een of andere manier mis ik dat nieuws nooit. Tegen wil en dank. En het einde hiervan is nog lang niet in zicht, dus neem ik hier een voorschot.

In deze nadere overweging zal ik proberen al schrijvend deze verzuchting te motiveren. Daarbij is de opzet licht polemisch van aard en hier en daar voorzien van een ironische noot, die voor een gezonde afstand tot de wereld zorgt en de relatieve onbeduidendheid waar ik me hier toch op richt een enkeling opvrolijkt.

Vooraf aan dit soort overwegingen is het vandaag de dag gebruikelijk om het nodige voorbehoud te maken, zodat er geen misverstanden gevonden kunnen worden of tere zielen nodeloos gekwetst zouden raken. Ik zal mij daarom ook beroepen op het Seinfeldiaanse “Not that there is anything wrong with that” (Nttiawwt) als je iets anders denkt. Met andere woorden: ik ben tegen discriminatie, ik juich ongedwongen emancipatie toe, eenieder mag zijn wie hij (of zij…of…) wil zijn en wat mij betreft gaat iemand in een paars latexpak met een voorbinddodo op een nummer van Nana Mouskouri out op de Amsterdamse grachten door een overdosis XTC. Prima als dat iemands identiteit vorm geeft, ik heb er niets mee, maar Nttiawwt!

We moeten natuurlijk bezien hoe heet deze soep precies wordt opgediend en welke slippery slope nu weer is opgetrokken, maar in de zogenaamde regenboogtaalgids van de gemeente Amsterdam die weldra een collectorsitem zal zijn, worden warme aanbevelingen gedaan aan ambtenaren om ‘op een respectvolle manier te praten en schrijven over seksuele en genderdiversiteit’. In plaats van ‘dames en heren’ of ‘geachte heer/mevrouw’ wordt bijvoorbeeld geadviseerd te kiezen voor vormen als ‘beste mensen’, ‘geachte aanwezigen’ of ‘beste Amsterdammers’. Het zou kunnen dat een aantal ambtenaren permanent verwart raakt wat nu wanneer te zeggen of in een identiteitscrisis belandt, want een kleine moeite is het allerminst. Maar dat terzijde.

Een eerste probleem openbaart zich hier: er is natuurlijk in de verste verte geen sprake van een gebrek aan respect wanneer iemand een ander aanspreekt met ‘geachte meneer’ of ‘beste mevrouw’. Die suggestie is daar foeilelijk ingeslopen, waardoor in bepaalde kringen binnen de kortste keren het idee ontstaat dat je fout bezig bent als je genderneutraliteit nalaat. Er is geen enkele intentie om te beledigen wanneer iemand een zaal toespreekt met ‘dag dames en heren’, net zo min als Ome Willem de ongelukkige androgyn op de korrel had (0:58). Correcter was echter volgens Amsterdamse richtlijnen: “Zeg eens even allemaal, zijn er hier ook aanwezigen in de zaal?” Dat kan iemand absurd vinden, maar dat is gewoon het gevolg van een regenboogagenda.

Iemand verklapte mij het argument dat men vroeger sprak van ‘negers’ of ‘homo’s als zieke mensen’, en we ons daar nu voor zouden schamen. Ongetwijfeld, maar waarom zou ik mij ooit gaan schamen omdat ik mensen aanspreek met man of vrouw? Er zit helemaal geen intentionele negatieve connotatie of denigrerende ondertoon of nare geschiedenis in het woord ‘man’ of ‘vrouw’ net zo min als in een groen stoplichtmannetje, zoals dit uiteraard wel aanwezig is in het woord ‘neger’ en ‘zieke homo’. Het zou bovendien bijzonder vreemd zijn als uiteindelijk het gevolg is dat de woorden man en vrouw zouden verworden tot scheldwoorden. Belediging is hier exclusief in the ear of the beholder.

Niet beledigd zijn door het naakt a.u.b., het is niet aanstootgevend bedoeld!

Het gaat er dus om dat er mogelijk mensen beledigd, gekwetst of ontdaan zijn door de aanspreekvorm man of vrouw. Dan hebben we het dus over mensen die zich noch man noch vrouw voelen. Wie zoekt kan altijd wel iemand vinden, daar ben ik zeker van. Maar wie goed zoekt kan ook iemand vinden die intens bedroeft is dat het Zuid-Oostzaanse lampi-werpen nooit enige aandacht krijgt bij Studio Sport. Terwijl het zijn lust en zijn leven is, wordt hij wekelijks op de onbeduidendheid daarvan gewezen, namelijk dat niemand er rekening mee houdt. Iemand zal mij verwijten gebruik te maken van een oneigenlijke vergelijking, maar ik probeer slechts aan te geven dat rekening houden met minieme doelgroepen niet per definitie betekent dat de grote massa zich ernaar moet schikken of ermee moet worden geconfronteerd bij algemene aangelegenheid.

Maar hoe miniem is miniem? Onderzoek van kenniscentrum Rutgers (2012) stelt dat er in Nederland 48.000 transgenders zijn in de leeftijd van 15 tot 70 jaar. Als we uitgaan van 14.500.000 mensen in Nederland die ouder zijn dan 15, levert dit een percentage op van 0.0033%. Let wel, dit gaat over transgenders, niet over individuen die zichzelf geen sekse kunnen of willen toeschrijven. Ik schat met een natte vinger die groep een factor 10 kleiner. Dus dan stel ik vast dat meer dan 99,99967% in Nederland zich wel een man of een vrouw voelt, los van seksuele voorkeur. Wanneer ik met mijn aanspreekvorm in 99,999 % van de gevallen iemand niet beledig, is het de vraag waarom ik (of een ambtenaar) überhaupt gedrag zou willen wijzigen.  De grootste denkfout die voorstanders maken zit er in dat genderneutraliteit 100% beledigingsvrij is. 100% prettig voor iedereen. Een indirecte miskenning of opschorting van iemands geslachtelijke identiteit, een erkenning waar bijvoorbeeld vrouwen (een relevante 50,8% in Nederland) vele decennia voor hebben gestreden, hangt sterk samen met het vermijden van het mannelijke en vrouwelijke in mensen. Wat ik dus wil zeggen is dat het kiezen voor dergelijke politieke richtlijnen, als vanzelf met zich meebrengt dat waarschijnlijk veel meer mensen geschoffeerd zijn, geërgerd of beledigd dan de groep die een politiek correcte elite ermee probeert te plezieren of te erkennen.

Het middel is erger dan de kwaal. Je kunt je al helemaal afvragen of het in algemene zin bijdraagt tot meer begrip, in plaats van minder. In utilitaristische zin is dit mijns inziens een absolute fiasco , daar hoef je geen raketwetenschapper voor te zijn. Het is ook zeker geen zure appel waar wij even heen door moeten bijten, daarvoor is de mens tot in de eeuwigheid teveel man of vrouw. Gelukkig maar trouwens voor de mensheid…

Een argument wat doorgaans samenhangt met het bovenstaande is dat zelfs de meest marginale groeperingen ook door de overheid beschermd moeten worden. Özcan Akyol -een uitstekend schrijver- gebruikte dat argument nog in zijn column van donderdag 27 juli in het Algemeen Dagblad. Dat is uiteraard terecht: iedereen heeft recht op bescherming van de overheid. Het gaat hier echter helemaal niet om bescherming! Het aanpassen van taalgebruik heeft niets met bescherming van individuen te maken. Het is eerder de vraag in hoeverre de overheid zich sturend moet bemoeien met taalgebruik van mensen, al dan niet met zogenaamde goedbedoelde suggesties. Het is al helemaal de vraag in hoeverre een overheid haar beleid moet normeren op basis van een absolute minderheid.

Daar heb ik al elders al wat ironische opmerkingen over gemaakt, waarvan ik het niet kan laten ze hier te herhalen, omdat ze toch ook een inhoudelijke kracht bezitten. Want als bijvoorbeeld een overheid klaarblijkelijk op paternalistische gronden haar beleid aanpast op basis van een absolute minderheid, waar eindigt dit dan? Waar ligt de grens? Wanneer is het gelijkheidsfundamentalisme bevredigd?

Kijk, het percentage mensen in Nederland dat zich geen mens voelt maar een kuikentje, ligt rond de 0,00087%. In dat geval voldoet een genderneutrale opening als ‘goedemiddag beste mensen’ niet. Iemand zou kunnen zeggen dat ik de zaak daarmee ridiculiseer, maar ik zou kunnen zeggen dat deze persoon geen respect heeft voor mensen die zich geen mens voelen en beledigd zijn als ze toch aangesproken worden als mens. Gaat dat niet wat ver? Ja, maar waar iemand de grens legt bij menselijke verschijningen die zich een kuikentje wanen waar we echt geen algemene richtlijnen voor moeten suggereren, leg ik de grens een paar tienden terug.

Dat brengt mij tenslotte tot een zekere essentie, namelijk de kunst van het niet al te snel beledigd, geraakt en gekwetst te zijn in samenspraak met het opzichtig rekening houden met alle denkbare gevoeligheden. Ik stoor mij bijvoorbeeld al lange tijd aan de omroepmededeling in de trein: ‘Dames en heren, goedemorgen.’ Niet omdat er gesproken wordt over ‘dames en heren’ in plaats van ‘reizigers’, maar dat een computerstem in plaats van een menselijke stem dat doet. Een computer die mij goedemorgen wenst, dat is voor wie het begrijpen wil bijzonder aanmatigend, betekenisloos en absurd! Ik zou dat liever dagelijks anders willen, maar ik snap ook wel dat techniek nu eenmaal de norm is en daar schik ik mij in. Prima, ik kan in de trein gewoon zijn wie ik wil zijn ook al word ik niet aangesproken op de manier hoe ik dat zou willen of waardoor ik me niet erger. En misschien moet ik mij helemaal niet zo aanstellen evenmin als dat ik altijd en overal als slachtoffer moet worden beschouwd van een systeem waar ik deel van uitmaak. Zowel ik als het systeem is daar niet bij gebaat.

Ik zal vast hier en daar wat draaien om mijn oren krijgen. Het pleit is namelijk nog lang niet beslecht, noch lijkt mijn dieper liggende verzuchting helemaal opgehelderd. Zolang ik echter mag blijven verzuchten, zul jij mij niet horen. Nu ja, ons niet horen.

 

Zie verder:

Naschrift bij nadere bedenkingen bij genderneutrale begroeting

__________________________

Zie o.a.:

https://www.ad.nl/politiek/en-welke-letter-bent-u~ad34b5a8/

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/07/26/geachte-dames-en-heren-nee-liever-niet-12257592-a1568036

https://www.parool.nl/amsterdam/amsterdam-wil-genderneutrale-toiletten-in-stadhuis~a4459714/

https://www.parool.nl/amsterdam/-gemeente-amsterdam-wordt-genderneutraal~a4508148/

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/05/18/je-moet-jezelf-opnieuw-uitvinden-9166903-a1559284

Wat heet een pyrrusoverwinning? Een kritiek bij de zaak “Stichting De Haagse Scholen” vs “De minderjarigen”

Wie anders dan een rechter brengt de mensen nog bijeen?

Kabaal om een klassenfoto. Een kritiek bij de zaak “Stichting De Haagse Scholen” vs “De minderjarigen”

Toen koning Pyrrhus zich gereedmaakte tegen Italië op te trekken, vroeg zijn wijze raadsman Cyneas, teneinde zijn vorst de zinloosheid van zijn plannen te doen inzien: ‘Waarom begint u aan zo’n grote onderneming, Sire?’‘Om mij van Italië meester te maken,’ antwoordde hij zonder dralen. ‘En,’ vroeg Cyneas weer, ‘daarna?’ ‘Dan trek ik op tegen Gallië en Spanje.’ ‘En daarna?’ ‘Dan verover ik Afrika, en tenslotte, als ik de hele wereld aan mij onderworpen heb, ga ik uitrusten en kan ik een kalm en gelukkig leven leiden.’ ‘In godsnaam, Sire,’ reageerde Cyneas weer, ‘als u dat wilt, waarom doet u dat dan niet meteen? Waarom neemt u niet nu al de rust waar u, zoals u zegt, naar uitziet, en bespaart u zich niet al die moeite en gevaren die u zich intussen bereidt?’
Michel de Montaigne (2009 vert.). De Essays. P. 346.

Pyrrhus (319-272 v.Chr.), de Molossische koning van Epirus kennen we voornamelijk van de uitdrukking ‘Nog één zo’n overwinning en ik ben verloren.’ Blaise Pascal maakt er in zijn Pensées geloof ik melding van en er zijn vele oudere bronnen die de hopeloze strijd van Pyrrhus kleurrijk weten te schetsen.

Pyrrhus is de kampioen van de schijnoverwinning, de overwinning waarbij de winnaar net zoveel verliezen lijdt als of meer verliezen lijdt dan bij een absolute nederlaag. En zoals dat schitterende citaat van beroepsverteller Montaigne hierboven laat zien, is het soms vele malen verstandiger, wijzer en beter om je te bezinnen en de strijd te laten voor wat het is. Niet iedere strijd is de moeite waard van het strijden, niet alle gelijk is gelukkig.

De gedachte aan koning Pyrrhus overviel mij onherroepelijk toen bekend werd dat een kantonrechter een schadevergoeding van € 500 heeft toegekend aan een ouder die een zaak (ECLI:NL:RBDHA:2017:7416) had aangespannen tegen de school waar haar kinderen genieten van uitstekend primair onderwijs. De Maria Montessorischool in Den Haag moet € 500 schadevergoeding betalen aan de moeder, omdat haar twee kinderen vanwege het Offerfeest niet op een klassenfoto staan. Het is een inmiddels even bekende als vermoeiende aangelegenheid.

Maar het is vooral een prachtig voorbeeld van wat nu een pyrrusoverwinning heet. Dit is nu een overwinning die laat zien wat verlies betekent. Want wat is er eigenlijk precies gewonnen? Het kan nooit een overwinning zijn waar iemand, wanneer hij alleen in zijn kamer zit en zijn diepste zelf onderzoekt, ook maar enige vreugde aan kan ontlenen. Deze overwinning staat symbool voor wat het betekent als alles is mislukt. En met alles bedoel ik dat iemand niet in staat is om er zonder een rechter uit te komen. Met alles bedoel ik dat kinderen willens en wetens inzet worden van een nationale -ongelukkige- discussie. Met alles bedoel ik dat de relatie met een school wordt vernietigd, waar kinderen met hun vrienden aan het opgroeien zijn. “Ach, kijk daar lopen ze…zal ik jullie op de foto zetten?” Nog goedbedoeld ook.

De immateriële schade die is geriskeerd, zou in ironische zin inzet moeten zijn van een nieuwe rechtszaak en jeugdzorg. Een moeder heeft de taak haar kinderen te beschermen, maar daar heeft dit geen zweem van. Ik ben er van overtuigd dat de immateriële schade die is geriskeerd – of in dit geval zelfs is geëffectueerd- vele malen groter is dan de zogenaamde immateriële schade van het niet staan op een klassenfoto. Let wel: officiële klassenfoto, want iedere bijdehante onderwijzer met een redelijke camera op zijn telefoon had al 28 nieuwe klassenfoto’s paraat. Dit heet namelijk een digitaal tijdperk te zijn. Maar daar gaat het natuurlijk niet om. Het gaat hier over de officiële klassenfoto. En daarbij een gebrek aan maatschappelijk schild wat af en toe beschermd tegen iets wat niet helemaal loopt zoals je had gewild. Zo’n schild ontwikkel je in een vrije samenleving, als alles goed gaat tenminste.

Maar wat ik dus werkelijk niet begrijpen kan is hoe een moeder nu kan geloven dat ze haar kinderen een dienst bewijst door in een tijd waarin anonimiteit niet meer bestaat ze inzet te maken van een ‘principiële’ kwestie. De kinderen staan nog steeds niet op de foto. ‘What’s done is done and cannot be undone’, zei Lady Macbeth ooit tegen haar man. En dat is hier een waar gegeven. De school heeft niet moedwillig kwaad gedaan, excuses gemaakt en ach, volgens de rechter niet alles evengoed onderbouwd dat ze écht hun best hebben gedaan het écht nog beter te proberen doen. En dan wordt het formeel, vervelend en zien we jonge kinderen plots in juridische volwassentaal figureren: ‘Aldus heeft de Stichting indirect onderscheid gemaakt op grond van godsdienst, terwijl het gemaakte onderscheid geen legitiem doel diende, aldus de minderjarigen.’ Ja, er staat echt in het vonnis: aldus de minderjarigen.

Minderjarigen die zijn bedoezeld en bezoedeld door volwassenen zonder schild, door een samenleving die is gejuridiseerd en een wereld waarin men wil afdwingen in plaats van vergeven. Iedere schoolfoto die ooit nog genomen wordt is bovendien met deze aangelegenheid verbonden waarmee een zekere onschuld van deze kinderen volledig is vernietigd. Kinderen zijn ongetwijfeld flexibele wezens, die tegen een stootje kunnen, pragmatisch zijn en over het algemeen vrolijk en vergevingsgezind. Maar ze zijn ook buitengewoon gevoelig voor het gedrag van hun ouders. Ze hebben een feilloze antenne voor wat hun rolmodellen voorhouden, voelen en uitstralen. En dit is absoluut het verkeerde voorbeeld. Dit is geen open dialoog, dit is geen zand erover. Dit zijn kinderen in een rechtszaal die zich moeten verdedigen omdat moeder een zaak heeft aangespannen. En al zouden ze wat anders willen zeggen en vinden en voelen, dat gaat natuurlijk niet meer. De jeugd draait om een schoolfoto en een paar euro.

Iemand zou nog te berde kunnen brengen dat discriminatie niet moet worden gebagatelliseerd. Ik kan echter geen moedwilligheid ontdekken noch kan ik mij voorstellen dat dit in hoger beroep standhoudt. Daar is voldoende over gezegd, maar mijn punt blijft staan: zelfs als je hier een zaak denkt te hebben, en het zelfs niet uitmaakt of iets wel of niet moedwillig is, er excuses zijn gemaakt en alternatieven zijn geboden, is het nog iets anders de zaak te voeren. Want ik herhaal dan mijn vraag: wat is hier nu precies gewonnen?

Met Pyrrhus liep het slecht af. In een straatgevecht met een soldaat kreeg hij van een oude vrouw die waarschijnlijk haar zoon zag vechten met Pyrrhus een ferme steen op zijn hoofd, die hem van het paard sloeg en verlamde. Kort daarna werd hij onthoofd. Zover zal het hier toch niet geraken, al koester ik tegen beter weten een diep verlangen naar wijze woorden gevolgd door verstandige daden. Dat hoger beroep moet er komen nu die steen is gaan rollen. Waar is Cyneas als je hem nodig hebt?

______________________________

Noot uitspraak hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2018:3262

Medische ethiek in de praktijk: overwegingen voor iedereen

Usus magister est optimus

Wanneer iemand mij vraagt: ‘Wat is een filosoof nu eigenlijk?’, wil ik nog wel eens antwoorden met woorden van Biesheuvel: ‘Dat is iemand die weinig uitvoert en maar zit te piekeren over de raadselen van het leven.’ Wanneer diezelfde persoon mij dan vraagt welke raadselen het meest tot de verbeelding spreken, moet ik wat langer nadenken. Zeker, de metafysica is schitterend en de esthetica is schoon, maar in hun abstractie ook wat afstandelijk. Als ik dan moet kiezen, hebben de medische ethiek en de rechtsfilosofie mijn grootste belangstelling. De kracht van deze vakgebieden ligt erin dat iedereen met intuïtie zich er over kan buigen.

Eerder leverde ik al een bijdrage waarbij ik door een beroep te doen op morele intuïtie verschillende ethische experimenten over leven en dood onder de aandacht bracht. Die gedachte-experimenten en ethische casussen waren niet per definitie aan realiteit gebonden, dat is de onderstaande medische ethiek wel. Het idee dat hetgeen waar ze zich mee bezig houdt ook dagelijkse praktijk is, maakt dat het nadenken over medisch-ethische kwesties minder gezocht voelt en iemand zich meer op nabijheid, de dagelijkse praktijk en persoonlijke ervaringen kan beroepen.

Een zeer interessant boek wat medische ethiek en recht(sfilosofie) bij elkaar brengt, is 100 Cases in Clinical Ethics and Law (2016) van Carolyn Johnston en Penelope Bradbury (ISBN: 9781498739344). Hoewel het boek nadrukkelijk is geschreven voor studenten geneeskunde en artsen, presenteert het zeer boeiende casussen die ook zonder medische, filosofische of juridische kennis kunnen worden overwogen. Ik zal hier aan de hand van het boek verschillende casussen samengevat vertalen en waar mij dat zinvol leek voorzien van aanvullende vragen en dilemma’s, wat in bijna alle gevallen zo is.

Het zou nuttig kunnen zijn om voorafgaand aan het voorleggen van de casuïstiek een inleiding medische ethiek te presenteren. Dat lijkt mij echter overbodig. Op de eerste plaats kan men daar overal voor terecht en op de tweede plaats wil ik vooral de kracht laten zien van medisch-ethische dilemma’s die zonder het hebben van voorkennis toch tot diepe overwegingen kunnen leiden. Ik zeg daarbij niet dat filosofische of medische kennis overbodig is, integendeel: er is niets zo praktisch als een goede theorie. Wie wil kan zich altijd theoretisch verdiepen, maar voor intuïtieve opvattingen is dat niet per se nodig. In het boek wordt iedere casus uitvoerig beantwoord en waar nodig ondersteund met literatuur. Het boek raad ik dan ook iedereen aan die nadere uitwerkingen verlangt, hoewel de auteurs alles bekijken vanuit het juridische kader in Groot-Brittannie.

100 Cases in Clinical Ethics and Law gaat zoals de titel al aangeeft ook over het recht. Nu is er een uitdrukkelijk verschil tussen recht en moraal, maar in de praktijk is het ondoenlijk om die strikt van elkaar te scheiden. Natuurlijk probeert het recht zo goed mogelijk recht te doen aan de moraal. Op het gebied van de medische ethiek kunnen we de volgende interessante deelgebieden onderscheiden, waarin het recht en ons rechtsgevoel zich nadrukkelijk laat gelden:

  • Het begin van het leven
  • Kinderen en adolescenten
  • Het verlenen van toestemming inzake medische handelingen
    • Het in staat zijn tot instemming verlenen met behandelingen
    • Het weigeren van behandelingen
  • Vertrouwelijkheid en beroepsgeheim
  • Nalatigheid en medische fouten
  • Mentale gezondheid
  • Volksgezondheid
  • Orgaandonatie
  • Levensbeëindiging
  • Morele plichten van een arts
  • Religieuze normen en waarden en culturele diversiteit

Per aangehaald deelgebied volgen nu verschillende casussen ontleent aan 100 Cases in Clinical Ethics and Law. De laatste twee deelgebieden, namelijk over de morele plichten van een arts en religieuze normen en waarden en culturele diversiteit behandel ik hier niet, waarmee onderstaande casussen allemaal verwant zijn aan de klinische praktijk. De keuze is persoonlijk en gericht op het zo eenvoudig mogelijk begrijpen van de situatie, zonder af te willen doen aan de achterliggende complexiteit.

Casussen zijn verder geparafraseerd en hier en daar inhoudelijk aangepast, zonder daarbij het oorspronkelijke praktijkvoorbeeld geweld aan te doen. Namen en plaatsten zijn waar nodig ‘vernederlandst’. Bijbehorende vragen zijn gedeeltelijk ontleend aan het boek, maar zoals ik zei grotendeels aangevuld door mijzelf.

  1. Ethiek en recht in de klinische praktijk: het begin van het leven

Over ethiek en het begin van het leven heb ik eerder uitvoerig geschreven in een essay dat handelt over abortus en allerlei samenhangende ethische dilemma’s en filosofische vragen. Maar buiten abortus zijn er tal van interessante vraagstukken omtrent medisch handelen en het begin van het leven. Misschien is het wel de meest interessante tak van de medische ethiek. Neem bijvoorbeeld de volgende casussen in overweging:

1A. Vruchtbaarheidsbehandeling en ouders van hetzelfde geslacht

Als assistent gynaecologie, ben je gevraagd om een deel van de patiënten in de kliniek waar het gaat om vruchtbaarheidsbehandeling onder je hoede te nemen. Deze patiënten zijn meestal verwezen door hun huisarts voor deskundig advies en voorlichting, en hebben grote moeite om op natuurlijke wijze zwanger te worden. Op enig moment melden zich twee vrouwen die sinds zes maanden een geregistreerd partnerschap hebben en graag een gezin willen stichten. Geen van beide vrouwen heeft kinderen.

  • Komen zij in aanmerking voor een vruchtbaarheidsbehandeling?
  • Moeten vruchtbaarheidsbehandelingen vergoed worden door de verzekeraar?
    • Maakt dat uit indien ouders van hetzelfde geslacht zijn?
  • Welke ethische bezwaren zijn er tegen ouders van hetzelfde geslacht in te brengen?
  • Heeft een arts met religieuze bezwaren altijd recht behandeling te weigeren?

1B. De morele status van de foetus

Adele is een 39-jarige advocate en 8 jaar getrouwd. Haar carrière heeft altijd voorrang gehad, maar nu is ze tot haar eigen geluk dan toch zwanger. Helaas blijkt na haar eerste trimesterscan dat de foetus een hoog risico heeft dat hij lijdt aan het syndroom van Down. Verdere diagnostische tests en een vruchtwaterpunctie bevestigen het Downsyndroom. Het echtpaar is radeloos. Adele heeft niet het gevoel dat ze ooit in staat zou zijn om weer aan het werk te gaan als ze moet zorgen voor een gehandicapt kind. Ze verwacht dat het opgeven van haar carrière ten koste zal gaan van haar geestelijke gezondheid. Na veel overleg bezoekt ze haar arts om beëindiging van haar zwangerschap te bespreken.

  • Wat zijn goede redenen om een gewenste zwangerschap te beëindigen?
  • Heeft een foetus recht op leven?
  • Zou een foetus morele rechten moeten hebben?
  • Wat zijn de wettelijke gronden om ongeboren leven te mogen beëindigen?
  • Wie zou de kosten moeten betalen voor het beëindigen van ongeboren leven?
  • Waar eindigt de morele autonomie van de moeder en begint die van het kind?
  • Welke rechten heeft de vader?
    • Maakt het uit of dit zijn laatste kans is op een gezinsleven?

1C. Het prenataal toebrengen van letsel

Eerder heb ik uitvoerig aandacht besteed aan het toebrengen van schade aan het ongeboren kind in het artikel Het recht een zwangere vrouw alcohol te weigeren. Daarbij lag vooral de nadruk op de verantwoordelijkheid van de moeder ten opzichte van haar ongeboren kind en de verantwoordelijkheid van omstanders ten aanzien van de moeder. Het kan echter ook zo zijn dat een arts door onprofessioneel handelen schade toebrengt aan het ongeboren kind:

Josephine was 8 weken zwanger toen haar 3-jarige dochter onder de rode vlekken zat, wat rodehond bleek te zijn. Ze verzoekt haar huisarts de zwangerschap te beëindigen anders dan het risico van een zwaar gehandicapt kind te aanvaarden. Indien een zwangere vrouw namelijk wordt blootgesteld aan rodehond, kan dit ernstige gevolgen hebben voor de foetus. Na bloedonderzoek blijken de resultaten tegenstrijdig, maar de huisarts neemt geen contact op met het laboratorium en voert ook geen nieuwe testen uit. In plaats daarvan geeft hij aan dat de vrouw zich geen zorgen hoeft te maken. Uiteindelijk bevalt Josephine van een jongen die blind, doof en ernstig hersenletsel heeft, wat geheel kan worden toegeschreven aan het feit dat ze is blootgesteld aan rodehond.

  • Kan een arts verantwoordelijk worden gehouden voor de schade die door zijn nalatigheid aan een ongeboren kind is toegebracht?
    • Bedenk daarbij dat een ongeboren kind in juridische zin geen persoon is
  • Kan een kind aanspraak maken op het recht niet geboren te willen zijn?
  • Kan een kind schadevergoeding ontvangen omdat het door een medische fout lijdt aan het leven? Hoe ver reikt deze schadevergoeding dan precies? Tot aan de dood?
    • Kan een kind aanspraak maken op een schadevergoeding indien hij aantoonbaar schade heeft opgelopen door het onverantwoordelijke gedrag van de moeder?

Zie voor belangrijke Nederlandse jurisprudentie in deze: De zaak baby Kelly.

  1. Ethiek en recht in de klinische praktijk: kinderen en adolescenten

Kinderen, pubers en jongvolwassenen vormen een aparte categorie binnen de medische ethiek. In hoeverre zijn ze in staat om zelfstandig te kunnen oordelen? Welke rol hebben de ouders in een medisch traject ten aanzien van hun kinderen? Kunnen kinderen zelf bepalen wat het beste is of is er altijd toestemming van de ouders nodig? En moeten artsen toch behandelen wanneer de ouders de behandeling voor hun kind niet willen?

2A. Verzoek om een niet medisch noodzakelijke behandeling

Michael is 8 jaar oud. Zijn ouders hebben hem naar de huisarts gebracht omdat zijn flaporen zeer nadrukkelijk aanwezig zijn. Ze vertellen dat Michael erg teruggetrokken is, zich niet prettig op school voelt en hij bovendien lijkt te worden gepest om zijn grote oren. Dumbo en Mr. Spock zijn zijn bijnamen. Zijn ouders vragen of een verwijzing kan worden gemaakt, zodat Michaels oren naar achteren worden gezet. De huisarts legt uit dat dit een cosmetische procedure is en dat het beter kan zijn om te zien hoe Michael zich voelt over zijn oren als hij ouder is.

  • Is cosmetische chirurgie in het belang van het kind?
    • Noot: Michael kan zelf (juridisch) geen keuze maken
      • is het relevant of hij het graag wil of twijfelt?
    • Hoe verhoudt cosmetische chirurgie zich tot psychologische mentale weerbaarheid?
    • Ligt het probleem bij Michael of bij degene die hem Dombo noemen?
    • Zou deze ingreep moeten worden vergoed door de zorgverzekeraar?
    • Stel dat deze ingreep gerechtvaardigd is, zijn andere esthetische ingrepen dan ook gerechtvaardigd?
      • Hoe wordt dat vastgesteld? Wat is met andere woorden het demarcatiecriterium?
        • Wanneer is een neus te klein of te groot?
        • Wanneer zijn oren te groot?

2B. Anticonceptie en minderjarigen

Lilian heeft een gesprek met haar arts aangevraagd om anticonceptiemogelijkheden te bespreken. Ze overweegt seksueel intiem te worden met haar 19-jarige vriend. Ze heeft nog nooit seks gehad, maar ze hebben er wel over gesproken dat ze het graag willen, maar ze wil er zeker van zijn dat ze niet zwanger kan worden. Hoewel Lilian eruit ziet en zich gedraagt alsof ze veel ouder is, is ze nog net geen 15.

  • Wat zijn de belangrijkste ethische vragen die hier moeten worden gesteld?
  • Zou haar vriend door de arts erbij moeten worden betrokken?
  • Komen minderjarigen in aanmerking voor voorgeschreven anticonceptie?
  • Moeten haar ouders worden ingelicht over dit feit?
  • Is het relevant dat het ene meisje van 14 volwassener voorkomt dan het andere meisje van 14?
  • Wanneer heeft iemand het wettelijk recht in te kunnen stemmen met een seksuele relatie?
  • Is hier sprake van een strafbaar feit waarvan melding moet worden gemaakt?
    • En waar ligt de grens wanneer we ingrijpen wanneer jeugdigen ons vertellen van plan te zijn seksuele relaties aan te knopen?
    • Is er een verschil tussen een meisje van 12 en een meisje van 14?
    • Wat zijn de nadelen en de voordelen om het te verbieden?
    • Vanaf welk moment kan iemand vrijwillig instemmen met een seksuele relatie, ook als de persoon ouder is en de ander minderjarig?

2C. Het achterhouden van informatie aan een kind

Adam is een 12-jarige jongen die wordt behandeld aan een kwaadaardige bottumor in zijn arm. Hoewel hij aanvankelijk goed reageerde op de behandeling, heeft hij een terugval en zijn er nu uitzaaiingen. De kans op genezing is verwaarloosbaar. Chemotherapie is wel nog mogelijk en zal zijn leven met enkele maanden verlengen. De bijwerkingen zullen echter hoogstwaarschijnlijk groot zijn. Zijn ouders hebben de opties overwogen en besloten dat ze verder willen met chemotherapie. Ze willen echter niet dat Adam wordt geïnformeerd dat zijn kanker is uitgezaaid en dat de kans dat hij eraan sterft op korte termijn aanzienlijk is, zelfs met de aanvullende chemotherapie. Ze zeggen dat ze dit doen om hem te beschermen omdat ze denken dat deze informatie hem zeer veel stress zal opleveren. Ondanks aandringen van specialisten Adam te betrekken in de keuze blijven de ouders vasthouden aan hun standpunt en besluiten ze Adam te vertellen dat hij opnieuw chemotherapie moet ondergaan om ‘beter te worden’.

  • Moet Adam betrokken worden bij de besluitvorming omtrent het verlengen van de chemotherapie?
  • Moet de arts mee met het verhaal van de ouders of is hij verplicht aan de patiënt het eerlijke verhaal mede te delen? Ongeacht diens leeftijd?
  • Hebben ouders het recht om hun kinderen medische informatie te onthouden?
  • Welke ethische principes moeten worden overwogen wanneer medische informatie wordt achtergehouden?
  • Welke redenen zijn er om medische informatie niet te delen?
    • Maakt het uit of er sprake is van een kind onder de 12, een adolescent of een volwassene?
    • Hoe verhoudt zich hier een leugentje om bestwil tot de plicht de waarheid te vertellen?
  1. Ethiek en recht in de klinische praktijk: het instemmen met behandeling of het weigeren ervan

Je zou als uitgangspunt kunnen nemen dat iedere volwassene die gezond is van geest het recht heeft om te bepalen hoe hij wil omgaan met zijn eigen lichaam. Maar geldt dit ook als dit niet in zijn eigen belang is? Is dit recht absoluut? Kan iemand, zelfs als hij goed is van geest überhaupt inschatten welke risico’s hij neemt met een behandeling? Deze vragen vormen de rode draad waarbij het gaat over autonomie van de patiënt en de competentie om te komen tot verstandige overwegingen.

Het is mij verder bekend dat er een absurde druk heerst onder ANIOS. Deze assistenten (basisartsen die in vele gevallen graag specialist willen worden) knappen een heleboel vuil werk op en hopen in vele schaarse gevallen (denk aan gynaecologie en kindergeneeskunde) in opleiding te geraken tot specialist. Dat vereist een heleboel ellebogenwerk en het plezieren van hoogleraren die een steun in de rug kunnen zijn voor het toewijzen van opleidingsplek. Overweegt daarbij de volgende casus:

3A. Onderzoek onder narcose

Pamela is een 34-jarige vrouw die last heeft van myoma uteri, een goedaardig gezwel of knobbel in de spierwand van de baarmoeder. Pamela zal onder het mes moeten en een ANIOS gynaecologie wordt gevraagd om te helpen tijdens de operatie. De ANIOS heeft de anesthesist bijgestaan voor de operatie en heeft Pamela gerustgesteld over de geplande operatie. Zodra Pamela wordt verdoofd, vraagt de arts aan de ANIOS om aan te tonen hoe ze een inwendig onderzoek zou uitvoeren op een vrouwelijke patiënt. De ANIOS realiseert zich dat Pamela niet is gevraagd om toestemming. Maar ze denkt ook aan haar toekomstige carrière en dat deze arts daarin een belangrijke rol speelt. Bovendien is het een goed leermoment en is ze ervan overtuigd dat de patiënt er nooit iets van zal merken.  

  • Welke ethische bezwaren zijn er tegen volkomen onschadelijke medische handelingen zonder toestemming van de patiënt?
  • (Wanneer) Heiligt het doel de middelen?
  • Is er voldoende aandacht voor de druk die op jong volwassen artsen wordt gelegd ten aanzien van verantwoordelijkheid en ethisch handelen?
    • In hoeverre worden jonge artsen niet overvraagd door het systeem en door de samenleving?

3b. Amputatie van lichaamsdelen

Deze casus komt niet voor in het boek, maar komt uit mijn aantekeningen na het zien van een documentaire over de aanslag tijdens de Boston Marathon in 2013.

Jan is een 58-jarige man die zeer ernstig gewond is geraakt aan zijn ledematen tijdens een aanslag. Bewusteloos wordt hij het ziekenhuis ingereden waar de dienstdoende artsen constateren dat zowel zijn benen als armen moeten worden afgezet. Aangezien Jan niet bij bewustzijn is, is er verder geen overleg mogelijk met Jan. Er moet snel worden gehandeld. Wanneer Jan wakker wordt op de IC ontdekt hij dat hij zich nauwelijks nog kan bewegen en de rest van zijn leven afhankelijk is van hulp. Hij had gewild dat hij was gestorven in de aanslag en is boos dat de artsen hem in leven hebben gehouden.

  • Waar ligt voor de geneeskunde de grens iemands leven nog te redden?
    • Welke rol speelt leeftijd hierin?
  • Is hier in het belang van Jan geneeskunde bedreven?
  • Als Jan bij bewustzijn was geweest, had hij dan de mogelijkheid gehad om te zeggen dat hij liever zou wensen te overlijden dan dat ze zijn ledematen zouden amputeren?
  1. Ethiek en recht in de klinische praktijk: vertrouwelijkheid en beroepsgeheim

Een patiënt moet erop kunnen vertrouwen dat hij in alle vrijheid zijn gedachten en zorgen kan delen met zijn behandelaar, zonder dat hij daarbij het risico loopt dat de behandelaar iets anders met deze feiten doet dan het belang van zijn patiënt in het oog houden. Dat is een principieel uitgangspunt in de geneeskunde. Maar zoals in alle gevallen hebben ook principiële uitgangspunten hun grenzen. Is geheimhoudingsplicht absoluut? Wanneer is het gerechtvaardigd om deze plicht te verzaken? Geldt geheimhouding ook na overlijden van een patiënt? In hoeverre moet een wet artsen kunnen dwingen om het beroepsgeheim te schenden? Wanneer is iets in het algemeen belang?

4A. Beroepsgeheim en een HIV- besmetting

Joop is een 25-jarige blanke man die door zijn vriend Tom met wie hij 2 jaar samen is, is gevraagd om zich te laten onderzoeken ‘voor de zekerheid’ omdat Tom is behandeld voor syfilis een week eerder in dezelfde kliniek. Joop heeft geen enkele andere partners gehad sinds zijn laatste negatieve test 2 jaar geleden en zegt dat Tom vorig jaar negatief heeft getest op HIV. Joop stemt in met alle tests, inclusief een HIV-test. Terwijl hij wacht op zijn onderzoek, kijkt de arts in Toms dossier. Daarin staat inderdaad dat hij syfilis heeft, maar ook dat hij HIV-positief is en al vier jaar lang in behandeling is hiervoor in de kliniek. Over twee dagen heeft Tom zijn volgende afspraak.

  • Moet de arts hier het beroepsgeheim handhaven of moet ze in het belang denken van haar patiënt Joop?
  • Maakt het uit dat beide patiënten bij dezelfde kliniek onder behandeling zijn?
    • En stel dat in dit geval ook Tom bij deze arts onder behandeling is. Is dat wenselijk?
  • Op welk moment en in welk stadium moet een arts zijn beroepsgeheim schenden?
    • Is het redelijk om van artsen een toneelspel te verwachten?
    • Moet zij Tom bewegen om eerlijk te zijn?
    • Mag zij door indirecte vragen Joop zelf tot de conclusie laten komen dat er waarschijnlijk meer aan de hand is dan Tom hem heeft verteld?

4B. Het gebruikmaken van een tolk

Carola is een 40-jarige vrouw die na haar huisarts is gekomen voor een behandeling tegen overmatig bloedverlies tijdens de menstruatie (menorragie). Carola is aangeboren doof en heeft haar 14-jarige zoon meegebracht om op te treden als tolk. Carola vertelt de arts dat ze van het hevige bloedverlies af wil een hysterectomie wenst (een baarmoederverwijdering). De huisarts heeft echter het idee dat er nog wel wat meer aan de hand is en wil haar graag verder onderzoeken. Hij is zich bewust dat de zoon niet medisch is geschoold en bovendien een sterke persoonlijke band heeft met zijn moeder. Het is duidelijk dat de zoon zich ongemakkelijk voelt, wat waarschijnlijk zal verergeren indien er nog meer intieme details moeten worden vertaald. En in hoeverre zal hij niet zeer ongerust worden indien ook de mogelijkheid van kanker wordt besproken?

  • Hoe moet een arts zich verhouden tot derden die noodzakelijk betrokken zijn bij de patiënt?
  • In welke andere gevallen kan een gebrek aan communicatie problematisch zijn?
  • Heeft een tolk geheimhoudingsplicht?
  • Wat moet een arts doen indien Carola geen andere tolk wenst dan haar zoon?
  1. Ethiek en recht in de klinische praktijk: nalatigheid en zorgplicht

Een arts is verplicht om zo goed mogelijk in het belang van zijn patiënt te handelen en hem bewust te maken van immateriële en materiële gevolgen die een behandeling kan hebben. Artsen voeren echter een beroep uit, waarbij kleine fouten grote gevolgen kunnen hebben. De complexiteit van casussen kan in combinatie met de werkdruk er bovendien voor zorgen dat er snel iets over het hoofd is gezien, wat niet per definitie over het hoofd gezien had hoeven te worden. Eén moment van onoplettendheid of een verkeerde diagnose kan leiden tot de dood. De dialoog is vaak het belangrijkste wapen, maar wat als hier de tijd voor ontbreekt omdat er alweer een volgende patiënt zit te wachten? Krijgen jonge artsen niet te snel te veel verantwoordelijkheid? Hoeveel artsen worden overvraagd in de dagelijkse praktijk?

5A. Klokkenluider of het melden van bezorgdheid

Jessica is een net beginnende arts en werkzaam op de orthopedische chirurgie. Ze heeft gemerkt dat haar supervisor/afdelingsleider in de afgelopen week vaak te laat was en onverzorgd eruitziet. Op de afdeling heeft hij de reputatie vaak ‘s avonds uit te gaan en af en toe met een kater op zijn werk te verschijnen. Jessica is bang dat dit ten koste gaat van de patiënten. Tot nu toe zijn er echter nog geen incidenten geweest. Ze vraagt aan hem of alles goed gaat, maar hij zegt dat ze zich met haar eigen zaken moet bemoeien en haar werk goed moet doen.

  • Moet Jessica dit melden bij de staf? Of bij iemand anders?
    • Zijn haar twijfels gerechtvaardigd? Wanneer zijn twijfels gerechtvaardigd?
  • Geniet zij een wettelijke bescherming als zij dit aankaart?
  • Biedt een kliniek of een ziekenhuis (met een duidelijk hiërarchische structuur) een voldoende open cultuur om zaken transparant aan te kaarten?
  • Is er een professionele plicht om dit te melden?
    • Waar ligt de grens?
    • Vergelijk ook casus 3A.
  1. Ethiek en Recht in de klinische praktijk: Geestelijke Gezondheid

Er bestaat een enorm breed spectrum van klinisch erkende aandoeningen, waaronder schizofrenie, bipolaire stoornis, ernstige depressie, angst en obsessieve compulsieve stoornissen, die allemaal hun eigen nuances en ethische moeilijkheden met zich meebrengen. Wat is in het belang van een patiënt? Wanneer kiest men voor gedwongen opname? Wanneer moet iemand tegen zichzelf in bescherming worden genomen? Waar eindigt de autonomie van de patiënt en begint de mentale ziekte? Mag iemand zichzelf moedwillig verwaarlozen indien er geen gevaar is voor anderen? Hoe behandel je eetstoornissen (gedwongen voeding?) of hoe ga je om met automutilatie (moet je iemand soms vastbinden om zichzelf niet te schaden?)

6A. In het geheim geven van medicatie

In een documentaire van Louis Theroux bezoekt hij enige tijd een afdeling waar patiënten die lijden aan dementie structureel voor de gek worden gehouden. Dit zou in hun eigen belang zijn en bijdragen aan ‘geestelijke gemoedsrust’. Overweeg ook eens de volgende casus:

Doris ontvangt van personeel in een verzorgingstehuis zonder dat ze het weet medicatie in haar chocolademelk, namelijk een kleine dosis risperidon. Dit zou zijn zo wordt tegen de arts vertelt die het recept moet verlengen, vanwege haar kansen op psychoses. Zelf heeft ze altijd aangegeven niets van medicatie te willen weten. De arts die in gesprek gaat met Doris ontdekt dat zij al heel lang geen aanvallen meer heeft gehad. In een gesprek geeft Doris aan last te hebben van bepaalde zaken die toegewezen kunnen worden aan de bijwerkingen van het middel risperidon. Doris is een redelijke vrouw en zeer goed in staat om haar eigen beslissingen te maken.

  • Wanneer is het in het geheim toedienen van medicatie gerechtvaardigd?
    • Is het überhaupt gerechtvaardigd?
    • Is het te rechtvaardigen bij geestelijk gezonde personen?
  • Moet de arts Doris op de hoogte brengen van het feit dat haar in het geheim medicatie wordt toegediend?
    • In welk opzicht schaadt dit de relatie met het personeel in het verzorgingstehuis?
  • Wat moet er gebeuren indien Doris vervolgens weigert deze medicatie te nemen?
  1. Ethiek en Recht in de klinische praktijk: Volksgezondheid

Hoeveel is een mensenleven waard? In hoeverre hoort ziekte bij het leven? Welke medicijnen worden wel vergoed uit de publieke pot en welke niet? Hoe gaan we om met vergrijzing en oplopende zorgkosten? Waar begint publieke verantwoordelijkheid en eindigt individuele?

Ik herinner me Minister Schippers van Volksgezondheid die zich  liet adviseren door Zorginstituut Nederland bij de keuze om medicijnen wel of niet te vergoeden vanuit de basisverzekering. In eerste instantie kreeg zij het advies om Nivolumab (voor de behandeling van een specifieke vorm van longkanker) niet toe te laten. Het medicijn zou namelijk erg duur zijn: € 134.000 per patiënt, waar de verlengde levensduur gemiddeld drie maanden is. De grens is doorgaans € 80.000. Na onderhandelingen kon de prijs toch omlaag, waardoor het medicijn wel kon worden vergoed. Vele andere innovatieve medicijnen zijn echter nog steeds (te) duur.

Publieke gezondheid gaat dus voornamelijk over geld. Een van de meest klassieke medisch ethische gedachte-experimenten komt daar uit voort, en leunt volledig op het utilitarisme:

7A. Het redden van levens met beperkte middelen

Laten we aannemen dat er drie patiënten in een kliniek een spoedoperatie nodig hebben. Ze moeten allemaal coronaire bypass operatie ondergaan (hart), maar slechts één van hen kan als gevolg van beperkte middelen direct worden geholpen..

-Patiënt 1 is Aziz, een collega-arts met speciale vaardigheden in de neonatologie. Hij is 50 jaar oud en heeft een vrouw en drie kleine kinderen. Hij heeft zijn medicijnen afgelopen vijf jaar netjes en verstandig ingenomen. Hij is echter nog steeds een zware roker en drinkt twee biertjes per dag ‘ter ontspanning’.

-Patiënt 2 is Bert, een 80-jarige man die in de Tweede Wereldoorlog heeft gediend in het leger en werd geprezen voor zijn moed. Zijn vrouw is onlangs overleden en hij heeft geen kinderen. Ook hij heeft altijd zijn medicijnen netjes ingenomen. Hij heeft nooit gerookt en drinkt slechts af en toe een glas whisky.

-Patiënt 3 is Cindy, een 30-jarige vrouw met een genetische aandoening die een leerstoornis en het begin van hart- en vaatziekten heeft veroorzaakt. Ze woont in een verzorgingshuis en wordt vaak bezocht door haar familie. Ze is zeer geliefd bij iedereen die haar kent en wordt vaak gezien in haar dorp waar ze cake verkoopt voor het goede doel.

  • Wie zou voorrang moeten hebben met betrekking tot de operatie?
  • Welke kennis over patiënten is doorslaggevend bij het verlenen van voorrang?
  • Moet er voorrang worden gegeven aan patiënten die een ziekte niet te wijten hebben aan hun eigen gedrag?
    • Heeft een roker recht op nieuwe longen?
    • En een alcoholist op een nieuwe lever?
    • En iemand met overgewicht recht op nieuwe knieën?
    • In hoeverre moeten patiënten verantwoordelijk worden gehouden voor hun eigen gezondheid?
    • Indien ja: op welke wijze levert dit ze voor- en nadelen op ten aanzien van medische zorg?
  • Kunnen patiënten recht op zorg verspelen?
  • Moet een arts doorgaan met het behandelen van een patiënt die ziekenhuisafspraken mist en/of zijn medicatie slordig of niet gebruikt?
  • Op welke wijze moet een arts moraliserend te werk gaan en bijvoorbeeld levensstijl aankaarten of het duidelijke overgewicht (obesitas) bij een kind van 12?
    • En wijzen op (gebrek aan) de verantwoordelijkheid van de ouders?

7B. Rijksvaccinatie

Het eerste kind van Sofie is 3 maanden oud. Ze heeft van andere moeders gehoord dat ze niet van plan zijn om hun kinderen te laten inenten tegen de mazelen en bof omdat ze zich zorgen maken over de bijwerkingen. Sofie maakt zich nu ook zorgen en besluit haar kind niet te laten inenten.

  • Moeten kinderen verplicht worden ingeënt?
    • Kan er sprake zijn van landsbelang?
  • Moeten ouders zelf weten waar ze hun kinderen tegen laten inenten?
  • Wanneer een kind toch ziek wordt van bof of mazelen, zijn de ouders dan aansprakelijk?
    • Mag iemand dan wel aanspraak maken op publieke middelen om de ziekte te genezen?

7C. Zorg aan onverzekerde buitenlanders

Farida is een 32-jarige Indiase vrouw die voor vakantie naar Amsterdam is gekomen om haar zus te bezoeken. Twee dagen na haar aankomst meldt ze zich op de eerstehulppost met buikpijn. Personeel ontdekt dat ze 9 maanden zwanger is en haar baby aangeboren hartproblemen heeft. Het blijkt later dat Farida dit wist en koos om naar Nederland te reizen voor de beste zorg voor haar kind. Voor de vliegtuigmaatschappij heeft ze haar zwangerschap verborgen, zodat ze naar Amsterdam kon reizen. Verder heeft ze geen financiële mogelijkheden of middelen ter beschikking. Al haar spaargeld is in de reis gaan zitten.

  • Heeft Farida recht op Nederlandse zorg?
    • Zijn er grenzen aan verbonden?
  • Kan dit beschouwd worden als het misbruik maken van Nederlandse zorgvoorzieningen?
    • Indien ja: hoe kan dergelijk misbruik het beste worden aangepakt?
    • Moet misbruik worden gestraft? In welke zin?
    • Kan het Farida kwalijk worden genomen dat ze het beste voor haar kind wil?
  • Heeft medisch personeel een absolute zorgplicht in alle omstandigheden?
    • Vergelijk: welk recht heeft iemand op zorg die zijn zorgverzekering niet betaalt?
    • Geldt dat voor alle zorg? Of alleen voor noodsituaties?
      • Wat is een noodsituatie?
  1. Ethiek en Recht in de klinische praktijk: orgaandonatie

In Nederland is al enige tijd flinke discussie over orgaandonatie. Wie wordt donor? Waarom word je donor? Wie komt er voor in aanmerking? Moeten mensen toestemming geven voor orgaandonatie, of is juist geen actief bezwaar tegen orgaandonatie voldoende om donor te worden? Hoe vergroten we het aanbod ten opzichte van de vraag op verantwoorde wijze? Die laatste vraag is waarschijnlijk de centrale vraag waar de rest omheen draait.

8A. Orgaandonatie en een vrije markt

Dave is een 35-jarige man die pas is ontslagen in de fabriek waar hij werkte. Zijn vrouw heeft hem onlangs verlaten en tot overmaat van ramp is ook zijn zoontje onlangs overleden aan leukemie. Hij is depressief. Wanneer hij in gedachten door de straten wandelt, ziet hij plotseling een advertentie in een etalage:

GEZOCHT

Een goedwerkende nier om het leven te redden van onze 15-jarig dochter.

Potentiële donoren zullen moreel en financieel uitstekend worden beloond.

De advertentie zet Dave aan het denken. Hij heeft twee nieren en hij is kerngezond. Hij beseft dat het doneren van een van zijn nieren niet zonder risico’s is, maar hij weet ook dat het potentieel het leven van een kind kan redden, zijn financiële problemen kan oplossen en zijn schuldgevoelens ten aanzien van het overlijden van zijn zoon kan verlichten. Misschien kan hij zelfs wel zijn vrouw terug winnen en zijn eigen bedrijf opzetten. Het lijkt op een scenario waarbij er alleen maar winnaars zijn.

  • Zijn er alleen maar winnaars in dit scenario?
    • Hoe voorkomen we misbruik en uitbuiting van kwetsbare mensen?
  • Welke ethische vraagstukken zijn verbonden aan het creëren van een markt in orgaandonatie?
    • Welke ethische bezwaren zijn er tegen het verkopen van organen van levende donoren?
  • Mogen mensen adverteren voor vrijwilligers om een orgaan ter beschikking te stellen?
  • Zou de overheid niet als enige partij organen mogen opkopen? Is dat een goed idee?

    • Hoe worden vergoedingen dan vastgesteld voor organen?
    • Moeten er criteria worden vastgesteld wie in aanmerking komt voor het verkopen van zijn organen?
  1. Ethiek en Recht in de klinische praktijk: het einde van een leven

Samen met abortus is euthanasie (of breder levensbeëindiging) ongetwijfeld het meest beladen medisch-ethisch onderwerp. Beide onderwerpen hangen essentieel samen met menselijke zingeving, de waarde van het leven en wat het betekent om mens te zijn. Alle vragen die hier gesteld worden, zullen voor de meeste mensen niet vreemd zijn, maar de antwoorden zijn daarom nog niet eenvoudig. Hoe beoordelen we de kwaliteit van leven? Is het leven heilig? Moet iemand zelf kunnen bepalen wanneer hij uit het leven wil stappen? Welke criteria hangen daarmee samen? Vragen die uiteindelijk geen enkele filosofie strikt kan beantwoorden, maar waarin ze hooguit enkele belangrijke aanwijzingen kan geven. Oordeel zelf.

9A. Het vaststellen van zinloos medisch handelen

Mevrouw Jansen is een 48-jarige vrouw met uitgezaaide borstkanker tot in de hersenen, ondanks jarenlange behandeling. De situatie verslechtert snel. Ze is bedlegerig, is gebonden aan een voedingssonde en kan nauwelijks communiceren, hoewel ze nog alles begrijpt en duidelijk aan kan geven wat ze wil. Mevrouw Jansen ontvangt hoge dosis voedingssupplementen op haar eigen verzoek in haar sonde, ook al is haar lichaam niet langer in staat om deze supplementen op te nemen. Ze zal waarschijnlijk binnen enkele weken komen te overlijden.

Een enorme wil om te leven en om aan haar kinderen te laten zien dat ze het gevecht tegen kanker niet opgeeft, legt mevrouw Jansen zich daarbij niet neer. In een eerder stadium heeft ze aangegeven experimentele medische behandelingen te willen ondergaan, ondanks de bijwerkingen die deze zouden hebben. Maar ook nu nog wil ze doorgaan met chemotherapie, ondanks het feit dat de oncoloog daar geen enkel voordeel in ziet, buiten een paar uur extra leven en vele negatieve bijwerkingen, zoals misselijkheid en schade aan haar lever. Dat maakt haar echter niets uit en de familie steunt haar.

  • Wanneer is een medische behandeling zinloos?
  • Is dit een medisch zinloze behandeling?
  • Is een in medische zin zinloze behandeling toch niet zinloos indien ze psychologische voordelen geeft aan de patiënt?
  • Hoe moet een psychologische voordelen worden afgewogen?
  • Zou het geoorloofd zijn om een placebo effect te genereren in bovenstaande situatie?
  • Is er een verschil tussen het toedienen van zinloze voedingssupplementen en het verstrekken van zinloze chemotherapie, indien ze beiden tot hetzelfde psychologische voordeel leiden?
  • Indien de arts in het ziekenhuis weigert deze behandeling uit te voeren, zou een commerciële arts in een kliniek deze behandeling dan wel moeten/mogen uitvoeren?

9B. Wilsverklaring en zelfmoordpoging

Petra lijdt al 20 jaar aan multiple sclerose. Ze heeft een legitieme wilsbeschikking opgesteld waarin ze aangeeft niet te willen worden behandeld indien er sprake is van een verslechtering van haar gezondheid.

Op enig moment doet Petra een zelfmoordpoging door het nemen van een overdosis. Ze wordt bewusteloos gevonden door een verzorger die een ambulance belt die op tijd ter plaatse is. De echtgenoot van Petra wijst het medische team erop dat zijn vrouw genoeg heeft van het leven en toont ze de wilsbeschikking waarin staat dat Petra niet wil worden geholpen. Als de artsen niets doen zal Petra inderdaad sterven.

  • Is zelfmoord per definitie moreel onaanvaardbaar?
  • Is zelfmoord de ultieme uitoefening van autonomie?
    • In hoeverre is zelfmoord een vorm van een psychische stoornis?
    • Kan zelfmoord een rationele overweging zijn?
      • Kan zelfmoord in het belang zijn van een persoon?
  • Geldt een wilsbeschikking ook in het geval van een poging tot zelfmoord?
    • Moet de wens van Petra in dit geval worden ingewilligd?
  • Wat is de morele, medische en antropologische zin om iemand die niet meer wil leven in leven te houden?
    • Wat is het verschil tussen doden en laten sterven?
  • In welke gevallen is een wilsverklaring dat een patiënt niet geholpen wenst te worden bindend voor artsen?

9C. Hersendood

Mirjam is 35 jaar oud. Ze is al vijf jaar bezig om zwanger te raken en na drie keer IVF is het gelukt. Bij de 23e week van haar zwangerschap echter wordt ze bewusteloos thuis gevonden door haar man. In het ziekenhuis blijkt dat ze een fatale intracraniële bloeding heeft gehad. Zelfstandig ademhalen gaat niet meer. Twee onafhankelijke artsen stellen vast dat ze hersenstamdood is en dat er geen kans meer is op herstel of sprake is van bewustzijn. Echo’s laten zien dat de foetus in gezonde toestand is.

  • Kan een persoon die dood is verklaard belangen hebben?
    • Heeft Mirjam belang bij het ‘in leven’ blijven?
  • Mag een persoon die dood is verklaard in leven worden gehouden omwille van een ander leven?
    • Noot: herinner dat een foetus wettelijk gezien geen persoon is. Is dat relevant?
    • Welke rol speelt de wens van de vader in deze?
  • In hoeverre is het leven van een kind onlosmakelijk verbonden met het leven van een moeder?
  • Maakt het uit wat Mirjam had gewild, of ze haar kind nu wel of niet zou willen houden?
  • Zijn overlevingskansen en ontwikkelkansen voor het kind van belang?
    • Waar ligt de grens?

Zoals uit bovenstaande casussen blijkt, is de medische ethiek een zeer complex samenhangend geheel van vraagstukken. Waar ethiek aanvankelijk een vaag begrip lijkt, brengen deze praktijkvoorbeelden helderheid in morele vraagstukken en morele standpunten. Dat een arts hier daadwerkelijk dagelijks mee te maken heeft, maakt het ontzag voor dit beroep er niet minder om. Het is echter niet alleen aan artsen en filosofen voorbehouden om standpunten te ontwikkelen. Deze bijdrage nodigt uit om, indachtig de complexiteit van de werkelijkheid, na te denken over essentiële vragen die raken aan betekenisvol handelen en zinvol leven. Kortom: oordeel zoals altijd vooral weer zelf.

Verder lezen, Nederlandstalige literatuur:

A.M.J. ten Have en R.H.J. Ter Meulen (2013). Leerboek medische ethiek.

W.J. Eijk, L.J.M. Hendriks en . J.A. Raymakers (2010). Handboek katholieke medische ethiek.

Widdershoven en J. Legemaate (2016). Basisboek ethiek en recht in de gezondheidszorg.

En het sneeuwde in Rome: Een apologie bij een geweigerde recensie

Begin maart 2017 werd ik gevraagd door de redactie van LITER om een recensie te schrijven over het boek En het sneeuwde in Rome van Stefan van Dierendonck. ‘Een onontkoombare liefdesgeschiedenis, een moderne bildungsroman, een overdonderende zoektocht naar betekenis.’ De lat wordt gelukkig nooit erg hoog gelegd op achterkanten, en er worden gelukkig niet teveel verwachtingen gewekt.

Ongeveer zes weken later, 240 pagina’s verder en meer dan 14 uur schaven aan de recensie bood ik mijn stuk aan aan de redactie. Daarbij had ik al het bijzondere voorgevoel dat ze niet onverdeeld gelukkig zou zijn met de kritiek die ik in de recensie aan de dag leg. Wat niet helpt is dat de auteur, Stefan van Dierendonck, zelf lid is van de redactie van dit tijdschrift. Feitelijk een zeer merkwaardige constructie die belangenverstrengeling in de hand werkt en vragen oproept over de vrijheid die een recensent ten aanzien van het boek heeft.

Voorafgaand aan de inzending van mijn recensie heb ik een stuk of 10 mensen het verhaal kritisch laten lezen. In alle gevallen was het commentaar hetzelfde: scherp, maar goed onderbouwd.

Eigenlijk naar verwachting kreeg ik van de redactie te horen dat ze deze recensie niet willen plaatsen:

“De recensie in deze vorm kunnen we niet plaatsen. De toon is te negatief en dat past niet bij ons tijdschrift. Ook het feit dat de recensie op de persoon gericht is viel niet in goede aarde. Men vond dit niet passend bij een literaire bespreking. Een iets positievere recensie zit er niet in, begreep ik eerder al?”

Dit neigt naar mijn idee sterk naar censuur en dat is een literaire doodzonde. Het lijkt eerder dat het niet in de straat past van auteur Van Dierendonck, althans die suggestie wek je op deze manier. In hoeverre beschermt een redactie zijn redactieleden? Het doet mij persoonlijk ook de vraag stellen wat precies ‘een literaire recensie’ is. Moet de recensie zelf literair zijn of handelt de recensie over literatuur?

Recent las ik de Scheldkritieken van Lodewijk van Deyssel en ik kan niet zeggen dat ik het geen literaire recensies vond of dat ze niet handelden over literatuur. Dat hij geen spaan heel laat van de pulp -literatuur- die hij moet beoordelen, doet niet ter zake. Ik ben blij dat hij dat gedaan heeft. Het is aan mij te beoordelen of ik het dan met hem eens ben. Dus ik geloof dat recensies over literatuur best kritisch mogen zijn, zolang ze zich aan de feiten houden en het duidelijk is dat het niet meer is dan een mening van één lezer.

Nu is het alles behalve mijn bedoeling Scheldkritieken te schrijven of een bleke imitatie daarvan te presenteren, maar ik vond het boek oprecht ongelofelijk zwak in alle opzichten. Het is niet bepaald plezierig om je 240 pagina’s lang te ergeren aan vorm en inhoud. Natuurlijk mag je een schrijver er niet op afrekenen, maar een afschuwelijke zin als “We zagen elkaar en we poepten in onze broek van herkenning. Zoiets.”, achtervolgde me dagenlang, tot zelfs in mijn slaap. Dat is niet gezond. Je hoopt dan zelfs dat de auteur dat ergens schaamteloos gejat heeft en niet zelf heeft bedacht.

Ik heb aan de redactie medegedeeld dat ik ongelukkig werd van het boek en daaraan toegevoegd dat het mij interessant en zinvol leek dat de auteur in kwestie in een brief uitvoerig commentaar zou mogen leveren op de recensie. Het zou bovendien een interessante briefwisseling kunnen worden, die wellicht ook mijn perspectief op het boek zou kunnen veranderen. Dat blijft nu helaas achterwege, maar dat past ook wel weer bij de weekheid die de schrijver in zijn literaire idem ego aan de dag legt. Het personage in de roman, waarvan ik dus vermoed dat het een kopie is van de schrijver zelf, legt een ondraaglijke lichtheid aan de dag, zowel in denken als in doen. Ik heb tientallen keren tegen het boek geroepen: ‘Kom nu toch eens op voor jezelf jongen! Stop met die treurige zelfdenigratie, stap uit je rancuneuze anti-katholieke frame en wees daadwerkelijk de existentialist die je wil zijn!’ Maar ik riep het tevergeefs, het boek veranderde niet, alleen mijn gemoedstoestand.

Het is interessant om te bedenken in hoeverre kritiek op het personage in het boek, kritiek is op de schrijver. Mijn grootste bezwaar, zoals ook blijkt uit onderstaande recensie, is dat de schrijver suggereert fictie te bedrijven, terwijl het in werkelijkheid autobiografisch is. “Het boek is een roman en staat daarmee los van de werkelijkheid.” Ik sluit niet uit dat het een literaire truc is die ik niet begrijp, of een vrijheid die gepermitteerd mag worden bij het schrijven van een roman, maar het heeft mij 240 pagina’s in de weg gezeten. Ik begrijp best dat mensen soms de behoefte hebben om iets verdekt op te schrijven als het gaat over liefde of homoseksualiteit of onprettige ervaringen, maar noem het dan geen fictie. Neem verantwoordelijkheid voor wat je schrijft, of doe het dan onder een pseudoniem. Maar omgekeerd heb ik er moeite mee: je echte naam gebruiken en doen alsof je fictie schrijft. Ik moet eens nader overwegen, waarom me dat zo stoort, los van de karakterloosheid.

Tenslotte wil ik niet miskennen hoe ongelofelijk moeilijk het is om een bestaan op te bouwen als schrijver. Ik kan me goed voorstellen dat iemand vooral op zoek is naar instemmende recensenten en welgevallige lof ter zelfbevestiging. Schrijven is namelijk kwetsbaar zijn. Anderen oordelen over jouw intiemste gedachten, over het maximale wat je uit je pen krijgt. Dat is niet altijd prettig en zelfs als de inhoud van een boek niet terugslaat op de schrijver zelf, wordt nog steeds het schrijven beoordeeld, waarmee de schrijver zelf. Ik (h)erken die kwetsbaarheid ten volle, maar dat is wel het risico van het schrijven. Wie dat risico neemt, moet de consequenties durven aanvaarden. Plato zou om die reden zijn romans in het vuur hebben geworpen. Het zou goed één van de redenen kunnen zijn waarom ik misschien zelf wel nooit tot een roman zal komen of waarom ik niet bij leven hecht aan een groot publiek. Ik zou me net als Stefan van Dierendonck doodergeren aan die oppervlakkige buitenwereld die iets te klagen heeft over dat waar ik jaren aan heb gewerkt. Ik zou me doodergeren aan recensenten die mijn boek met enkele pennenstreken als te licht beoordelen, waarbij ik op de top van mijn kunnen gedachten op papier heb overgezet.

In dat opzicht voel ik oprecht medelijden met Van Dierendonck, maar kan ik enkel tegen iedereen zeggen: oordeel zelf en weerspreek vooral mijn recensie met de scherpst inhoudelijke argumenten die je kunt vinden. Het is ten slotte maar één mening.

____________________________________________________________________________

Deze recensie is verschenen op 8Weekly. Het bovenstaande niet goed gelezen en toch benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan nu een kijkje op de site aldaar!

Menselijk, al te menselijk

Boekrecensie: En het sneeuwde in Rome

En het sneeuwde in Rome is het tweede boek van Stefan van Dierendonck (1972) na En het regende brood uit 2012. Het (symbolisch?) 12-hoofdstukken tellende verhaal laat zich in enkele zinnen vertellen: een jonge priester vertrekt naar Rome voor een studie kerkgeschiedenis. In Rome lijkt hij enkel karikaturen te ontmoeten totdat zijn docente Italiaans Arianna Girasole (‘een vrije heiden met mondaine hakken’) hem doet ontwaken uit de sluimer van het katholicisme en zijn vals verstane roeping. Hij vindt de liefde en zegt de Kerk vaarwel.

Het boek is duidelijk niet geschreven vanwege het verhaal. Het gaat hier om het literair proberen te vangen van een existentiële crisis. Het gaat om een poging tot verbeelding te komen van het spanningsveld tussen het profane en het heilige. Het gaat over zoeken naar identiteit voor en na de vervreemding.

Op de eerste pagina van het boek wordt de lezer geconfronteerd met een merkwaardige mededeling: ‘dit boek is een roman en staat daarmee los van de werkelijkheid. Voor zover er al banden zijn met de werkelijkheid is die werkelijkheid door de auteur naar zijn hand gezet en tot fictie gemaakt.’

Maar Van Dierendonck moet de lezer niets wijsmaken of voor zot houden. Het boek is onmiskenbaar autobiografisch en staat helemaal niet los van de werkelijkheid, integendeel. Van Dierendonck is voormalig priester, geboren in Budel, heeft een glutentrauma, studeerde in Rome en vond de liefde. De vertellende ‘ik-figuur’ heet niet toevallig Stefan, is geboren in Budel, heeft glutenallergie, studeert als priester in Rome en vindt er de liefde. Waarom moet Van Dierendonck van zichzelf dit freudiaanse schimmenspel spelen?

Wellicht is een voorname reden dat de verteller in het boek tientallen pagina’s lang een ondraaglijke lichtheid tentoonspreidt, waar Van Dierendonck niet direct mee geassocieerd wenst te worden. Want omdat er vrijwel niets gebeurt in het boek, moet de lezer die tot het eind wil geraken mee met de memoires van de hoofdpersoon en diens sporadisch oppervlakkige ‘filosofische’ overwegingen.

In hoofdstuk 5 bijvoorbeeld, komt het tot een kleine bespiegeling waarmee expliciet kritiek wordt geleverd op de priesteropleiding. ‘Let op voor Thomas van Aquino, kijk uit voor Augustinus en consorten. (….) Verstandig leren geloven. Zo wordt een priester gevormd. Wat docenten vergeten, is dat Hij hiermee definitief in het rijk van de filosofische concepten wordt getrokken. God wordt een abstractie. Ben ik nog te volgen?’

Ja hoor, Stefan is uitstekend te volgen. Maar Stefan is vooral een ongelofelijke slappeling die in honderden pagina’s telkens als hij iets van waarde lijkt te noteren, op de proppen komt met een afleidingsmanoeuvre. Een mini-college kerkgeschiedenis over een valse Paus. Een trage reisbeschrijving. Een droom die, zoals Frederik van Eeden al wist, alleen interessant is voor degene die de droom heeft gehad. Of de wanstaltige ontboezeming van zijn eerste masturbatie (‘Ik was niet veel ouder dan 14 jaar, denk ik, toen ik voor het eerst ontdekte dat ik mezelf kon melken.’). Er wordt zelfs een ‘joker’ gespeeld wanneer het ernstig dreigt te worden en Stefan over homoseksuele gevoelens van een bevriend pastoor moet schrijven. Evert Helmes alias Pim Poldermans en het trauma wat zijn naam draagt. Het blijft in nevelen. Allemaal in fictieve nevelen uiteraard. Want dit is fictie. Een roman…

En dan mijmert Stefan weer verder. Aanhoudend verontschuldigend dweept hij met vederlichte reflecties en herinneringen, waarin alles consequent klein wordt gemaakt en waarin hij nergens trots durft te zijn op zichzelf. ‘Toon toch eens karakter, jongen! Denk toch wat meer aan Kierkegaard waarop je bent afgestudeerd!’, wil je als lezer schreeuwen. En het is dan dat je beseft dat jij niet moet opgeven het boek uit te lezen. ‘Misschien valt straks alles samen…misschien komt straks de Liefde.’

Tja, de Liefde! Het boek heet immers ‘een onontkoombare liefdesgeschiedenis’. Maar de liefde is flinterdun. Haast afwezig. Na 188 pagina’s -eindelijk- is er een kusje met de femme fatale: Arianna. Het wordt aan de fantasie van de lezer overgelaten wat Arianna precies aantrekt in Stefan. Probeert ze een chronisch gevoel van lucht en leegte te vullen? Is het de sensatie van de verovering? Schept ze er plezier in een onbeschreven blad te bekrassen? Arianna lijkt een akelige vrouw die op het moment dat haar prooi dreigt te ontglippen zelfs de absolute troef speelt dat het leven zinloos is zonder Stefan: ‘Ik weet niet wat ik mezelf had aangedaan als het wel een afscheid was geweest’. Er is geen zin verder verwijderd van liefde dan deze. Eng, griezelig: wegwezen. Maar voor Stefan is het een absurde aanmoediging. Hij mag met Arianna friemelen en ze helpt hem breken met een heilig gemaakte belofte. Ze helpt hem te ontsnappen aan iets waartoe hij zelf nooit de moed heeft gehad. Is Arianna de duivel? Is zij het enige immateriële personage in het boek? Is zij een ontluikend gedachtespinsel van Stefans geest na jaren verdrongen seksuele fantasieën? Vragen die wellicht beantwoord worden in deel III: En het hagelde in de bovenkamer.

De belangrijkste vraag tenslotte die heel het boek oproept, pagina voor pagina, is nog blijven liggen. Namelijk: Voor wie is dit boek geschreven? Voor Romegangers een onttovering. Voor filosofen veel te licht. Voor theologen te eenzijdig. Voor bij de open haard tergend te traag. Voor verliefden te laf. Wie blijft er nog over behalve familieleden en de mensen die een draai om hun oren krijgen in het boek of met hoofdletter worden aangeduid? Priesters die worstelen met zichzelf? Die konden al terecht bij John Henry Newman.

Het kan iemand niet ontzegd worden om op therapeutische basis zaken aan papier toe te vertrouwen. Het is duidelijk dat alle gedachten die we lezen in dit boek moeten helpen bij het zeer langdurig verwerkingsproces van de auteur die alle grond onder zijn voeten heeft zien wegvallen. Zodra deze gedachten echter publiekelijk worden gemaakt, kan het geen louter therapie meer heten. Dan moet men zich kunnen en durven verantwoorden. Maar daar is het nog veel te vroeg voor. Dat verklaart ook het angstige gegoochel met pseudoniemen en de verdekte weergave van werkelijke gebeurtenissen.

Komt het nog goed? Van Dierendoncks onafscheidelijke metgezel Stefan durft in ieder geval te vloeken. Hij weet bovendien aanhoudend alle schuld te verschuiven naar het katholieke systeem, waarmee zijn eigen schuldgevoelens langzaam wegsijpelen en de zoektocht naar een nieuwe identiteit los van dit verhaal eindelijk kan aanvangen. Met medelijden vervuld, is het de lezer die hem tenslotte toeroept: ‘Hou vol jongen. In godsnaam, hou vol!’

_______________________________________________________

Boek: En het Sneeuwde in Rome
ISBN: 9789400400603
Maart 2017 bij Thomas Rap

Lees meer besprekingen:

Jan Maurits Schouten voor Ugenda.nl

Rob Schouten voor Trouw

Petra van der Ploeg voor Bookiewoogie

Sebastiaan Kort voor NRC

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2019 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved