Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Hoogte- en dieptepunten van de verkiezingsavond die is geweest

Nu de nevelen van het kiesgeweld van de avond van 12 september langzaam zijn opgetrokken, wordt het tijd om terug te blikken. Ik permiteer mij hier een lichtvoetig en geheel subjectief, doch grondig doordacht overzicht van enkele dieptepunten en hoogtepunten van de avond die is geweest.

Dieptepunten in vogelvlucht

 1. Hopeloos 50PLUS

Schaamteloos eigenbelang heeft een nieuw gezicht gekregen: de 50PLUS-partij. Dat het deze door zelfgenoegzame elite op leeftijd opgerichte club is gelukt om twee zetels te veroveren in de Kamer, mag met recht een dieptepunt worden genoemd. Volstrekt overbodig en nutteloos in het parlement, maar door effectief hengelen naar de door puur egoïsme gedreven 50-plusser (die met zijn stem feitelijk zegt dat eenieder buiten de 50-plusser mag verrekken) hebben ze zich een mooie snabbel weten te verwerven. Griezelig bejaardenpopulisme van de bovenste plank, goed voor jarenlang salonfetisjisme.

2. Sapperdeflap

Zonder twijfel het meest ongelukkige en meest gênante moment van alle lijstrekker-speeches was Jolande Saps vreugdekreet over het zetelverlies van de PVV: “Mensen, het is wel fantastisch nieuws dat de PVV vanavond zo verloren heeft…”. Minstens zo opvallend was het volgzame publiek dat gretig applaudisseerde voor deze misplaatste opmerking. Alsof Louis van Gaal na een blamerende uitschakeling van het Nederlands elftal op het WK zegt: ‘het is toch een fantastische dag vandaag! De Duitsers zijn namelijk ook uitgeschakeld.’

Politiek incorrect zijn vereist een strikte en buitengewone timing. Een slechter moment had de grootste verliezer van de verkiezingen niet kunnen kiezen om de PVV te kijk te zetten. Bovendien, met 15 zetels voor de PVV is het populisme allesbehalve teruggedrongen, en zou ik persoonlijk willen spreken van een buitengewone prestatie. Dat een volstrekte enkeling, verantwoordelijk voor de val van het kabinet, met een batterij aan onuitvoerbare ideeën en een haast gegarandeerd gebrek aan politieke slagkracht bijna één miljoen mensen achter zich heeft weten te houden, is misschien wel de grootste prestatie van alle uitslagen.

3. Opinie-ijlers

Zo spoedig ze weer met een nieuwe peiling aan kwamen zetten, zo snel waren ze met allerhande ‘logische’ verklaringen waarom ze er wederom helemaal niets van hebben gebakken, behalve dan flink hun zakken gevuld. ’Met zoveel zwevende kiezers is het onmogelijk voorspellen’, luidde de algemene verdediging. Met deze op voorhand lang bekende open deur, zou iedere weldenkende opiniepeiler zich wel drie keer moeten bedenken nog een voorspelling te willen doen. Want dat blijkt dus vrijwel geen enkele zin te hebben: de peilingen zeggen immers niets over de werkelijkheid en komen daarbij niet eens in de buurt.

Het is eens te meer gebleken dat peilen slechts allerlei ongewenste ondemocratische effecten met zich meebrengt en de oproep van Roemer om op te houden met deze onzin zou een serieuze kans moeten verdienen. Met internet lijkt dat haast onmogelijk realiseerbaar, maar de media zouden op zijn minst een code kunnen afspreken niet meer zo zwaar te leunen op deze vorm van wichelarij.

 Hoogtepunten in een notendop

1.      Samsom, de omhelsing en het applaus

Niet alleen werden vrijwel alle partijbijeenkomsten opgesierd met foute muziek en overijverige beveiligers, ook allerlei ouden van dagen van enige betekenis voor de partij waren weer present. Van Jan Marijnissen tot Frits Bolkestein; aan het handenschudden met de lijsttrekker leek geen einde te komen. Eén omhelzing echter was van bijzonder niveau: die van Samson en Job Cohen. Na zijn overwinningsspeechs kregen Wim Kok en Wouter Bos een knuffel, maar toen Cohen aan de beurt kwam, werd er aanmerkelijk warmer en luider geapplaudisseerd door het publiek. Bijzonder eerherstel voor een man die pas geleden nog exact hetzelfde verhaal vertelde als de grote held van de Partij van de Arbeid nu.

 2.      Democratisch Politiek Cabaret

Een voordracht om (vanuit psychologisch perspectief minstens) je vingers bij af te likken, was die van Hero Brinkman. In iets wat leek op een uitgebouwd cafetaria hield hij zijn Grote Rede. Wat zij hadden gepresteerd was iets ongelofelijks, iets wat nog nooit eerder was gebeurd en voor onmogelijk werd gehouden! Hij doelde op het samenvoegen van twee kansloze lijsten tot één kansloze. En ze hadden aan alle eisen voldaan. En de moraal was hoog, net als die van de 50 kandidaten op de lijst. En als morgen de krant zou worden opengeslagen, dan zou daar wel eens een zetel in zijn te vinden voor de Nieuwe Beweging. En anders zouden ze over vier jaar genadeloos toeslaan en een klinkende overwinning binnenslepen.

De avond ging verder. De muziek werd stiller, het licht werd gedoofd en iedereen vergat hem.

3.      It only just begun…

Drie weken spetterende campagne, nog nauwelijks voorbij, of het andere vuurwerk gaat alweer beginnen: de (in)formatie. Een stem op Samsom bleek een stem op Rutte te zijn. Hoe strategisch zijn die stemmen geweest! Prachtig gepoker wacht ons. Onmogelijke combinaties als CDA-PvdA-D’66-SP worden overwogen, zodat er even door links van links gedroomd mag worden. Ook onze koningin zal verrassend van zich laten horen. Sap zal uiteindelijk toch het veld ruimen omdat bij GroenLinks het besef doorbreekt dat groothouderij en vastberadenheid niet de oplossing zijn om verlies te maskeren. En tenslotte draait moeder economie weer bij, zodat al het politieke gekissebis weer een bijzaak wordt. En we weer kunnen schrijven over de werkelijk interessante dingen des levens…

Onze democratie is niet meer van deze tijd

Wat is het meest fundamentele probleem waar de politiek op dit moment mee te kampen heeft? De huizenmarkt, de zorg of misschien wel de euro(crisis)? Nee, allemaal marginale en tijdelijke problemen. Het werkelijke politieke probleem is de staat van ons democratisch bestel. Helaas is in tegenstelling tot allerlei financiële dilemma’s, het democratische dilemma geen aantrekkelijk onderwerp. Geen enkele politicus is zo ongelukkig om in deze tijd veel woorden te wijden aan het failliet van de Nederlandse parlementaire democratie. Een failliet dat inmiddels diep is geaard. Sta bijvoorbeeld eens stil bij enkele van de volgende knelpunten.

De absurde invloed van de media op stemgedrag. De verstikkende partijdiscipline. De staatsrechtelijke vaagheid van de invloed van de koningin. De onbekendheid c.q. onzichtbaarheid van 95% van de volksvertegenwoordigers. Het gebrek aan invloed van het volk op coalitievorming. Geen invloed op de minister-president. Geen fatsoenlijke invloed op de samenstelling van de Eerste Kamer. De blanco-stem die gewoon als ongeldig wordt beschouwd. 20% tot 60% thuisblijvers afhankelijk waarvoor gestemd wordt. Geen kiesdrempel en daarmee veel te veel kleine partijen met als gevolg een hoop onmogelijke coalitie- avonturen. De kabinetten Balkenende I, II, III, IV en Rutte I die niet voor niets allemaal voortijdig de mest in zijn getrokken….

En wat dat laatste kabinet betreft; gaan we dadelijk in één keer een geheel andere verhouding zien in het stemgedrag van het volk? Waar komt die SP plots vandaan! Toont dat niet aan hoe willekeurig en opportunistisch het volk stemt? Zou je niet verwachten dat zoiets als ‘politieke voorkeur’ een redelijk statisch gegeven is die niet veranderd bij iedere politieke zucht? En als dat wel het geval is, dan zijn vier jaren regeren veel te lang. Dan zit er bijvoorbeeld twee of zelfs drie jaren lang een kabinet dat het volk niet echt pruimt. Maar omdat het volk zodanig verdeeld is, weet het zich niet overtuigend te organiseren in de samenleving en kabbelt het in theorie (denk aan Paars II) voort, met alle gevolgen van dien.

En wat te denken van het idee dat de 1,4 miljoen mensen die op zaterdag kijken naar een onbekende achtergrondzangeres met zwemdiploma A die kaarsrecht in een zwembad springt, dezelfde 1,4 miljoen zijn die de politieke verhoudingen in Nederland straks medebepalen? Of wat te denken van de honderdduizenden die op basis van een tiental stellingen hun fundamentele grondrecht toebedelen aan een al dan niet onvermoede politieke partij, omdat het stemwijzertje dat nu eenmaal tevoorschijn heeft getoverd? Dat is de nachtmerrie van ieder weldenkend mens en menig politicus. Dat is waarschijnlijk ook de voornaamste reden dat de laatste uiteindelijk gewoon doet waar hij zelf zin in heeft. Zolang hij maar gekozen wordt.

De vraag die al enige tijd (of misschien sinds de invoering van de democratie) hierbij van belang is, is deze: Is het algemene belang daadwerkelijk gediend bij algemeen kiesrecht? Het antwoord daarop is: ‘hoogstwaarschijnlijk niet. Maar om met Churchill te spreken: er is geen alternatief’. Plato met zijn verrassend actuele kritiek op de democratie (zie bijvoorbeeld Koolschijn, G. (2005). Plato. De aanval op de democratie.),  mag niet worden aangehaald, want dan ligt het verwijt van elitarisme en totalitarisme op de loer. Karl Popper heeft Plato niet voor niets met redelijk wat gezag in De open samenleving en haar vijanden tot volksvijand nummer 1 van de moderne tijd gekroond. Terecht? Daar zou over moeten kunnen worden gediscussieerd. De boodschap is in ieder geval duidelijk en bovendien makkelijk te verdedigen: ‘kom niet aan de democratie!’ Het is immers een verworvenheid. En van een verworvenheid doet men over het algemeen heel moeilijk afstand. Zelfs niet als blijkt dat de democratie ervoor zorgt dat een adequate rationele besluitvorming onmogelijk is geworden (en allerlei urgente politieke problemen jaren op de plank blijven liggen door eindeloos gepolder en uitstel van noodzakelijke keuzes). Zelfs niet als blijkt dat politieke partijen vooral bezig zijn met het naar de mond praten van hun eigen kiezers (denk aan de CPB-berekeningen), in plaats van op zoek te gaan naar duurzame samenwerking. Enzovoorts.

Als we dan om praktische redenen al snel tot de conclusie komen dat het (politiek) onmogelijk is te gaan rammelen aan het algemene kiesrecht (en daarbij accepteren dat we als samenleving dus ook niet meer krijgen dan we verdienen), dan moeten we dus op zoek gaan naar veranderingen binnen dat democratische systeem. Maar waarom lijkt op dat vlak ook geen enkele vernieuwing zich aan te dienen? Is men er sinds de mislukking van de gekozen burgemeester in Den Haag maar mee opgehouden over na te denken? Hoe staat het met het terugbrengen van 150 naar 100 leden van de Tweede Kamer? Waar blijft D66 in de media met democratische vernieuwing? Hebben ze ontdekt dat het niet bepaald een aantrekkelijk onderwerp was dat de kiezers trok? Wat is er gebeurd met het referendum? Komt er ooit die broodnodige kiesdrempel? Moeten we niet vaker naar de stembus?

Zolang de economische tegenwind de politieke agenda echter blijft domineren, voorzie ik geen serieuze discussie over het klaarblijkelijke democratische failliet. Jammer, want het volk verdient beter dan het huidige systeem.

Iedere stoel wenst weer een boom te zijn.

Ergens koester ik het diepe verlangen alleen nog maar te schrijven over bomen en stoelen. Waarom over bomen en stoelen? Misschien wel omdat ze uit hetzelfde hout zijn gesneden. Of misschien wel omdat ze zó eenvoudig en begrijpelijk zijn, dat niemand ze meer echt begrijpt. Een stoel bijvoorbeeld is ondefinieerbaar, net als een mens. Leg maar eens aan iemand uit die nog nooit een stoel heeft gezien wat een stoel is. Op een dak kun je ook zitten. Of in een boom. Misschien is alles waar je lekker op kunt zitten wel een soort stoel. Trouwens, er zijn mensen die soms voor één stoel evenveel betalen als voor drie daken.

Ik heb thuis veel verschillende stoelen, waaronder eentje van leer. En ondanks het feit dat velen er telkens weer dankbaar gebruik van maken, is niemand hem ooit echt opgevallen. Zet ik deze stoel echter achter glas in een museum, dan wordt hij door allerlei mensen plotseling bewonderd. In een museum is een stoel namelijk beroofd van zijn stoel zijn. Niemand mag er meer op gaan zitten. En dat valt op.

Een wereld zonder stoelen kan niet bestaan, evenals een wereld zonder bomen niet kan bestaan. Als de laatste boom al zou vallen, is de mens reeds lang geschiedenis. Ook vroeg iemand zich ooit eens af of een boom wel ruist, als er niemand in het bos is om het te horen. Ik heb eens een bandrecorder achtergelaten in het bos. Toen ik de band een dag later afluisterde, hoorde ik echter alleen maar ruis. Vallende bomen doen het alleen geruisloos als er niemand bij is.

Soms vallen de bomen niet zelf, maar valt er iets van de boom. Een appel bijvoorbeeld. Een Engelsman werd er ooit eens door getroffen op zijn neus, en ontdekte een belangrijke wet. Maar waarom groeien er eigenlijk juist appels aan een boom? Het is trouwens moeilijk om een bloeiende boom werkelijk te ervaren. Vaak zien we alleen een bron van fruit, brandhout of de mogelijkheid van papier. Zijnsvergetelheid wordt dat ook wel genoemd. Ik weet zeker, bijna iedere stoel wenst weer een boom te zijn.

Pas als zaagsel krijgt een boom applaus, wist iemand me te vertellen. In het circus. Waar mensen lekker zitten op stoelen. Gelukkig is de wereld een circus en een museum tegelijk. Althans, voor zij die er oog voor hebben.

Eenzaam pleidooi voor een beschadigd icoon

Het Amerikaanse Anti-Dopingagentschap (Usada) heeft Lance Armstrong formeel ontdaan van zijn zeven Tour de France-zeges. Vandaag werd daarmee één van de meest ongelooflijke prestaties in de sport tenietgedaan, nadat Armstrong de beslissing nam zich niet langer te verdedigen in het onderzoek naar dopinggebruik dat tegen hem loopt.

Armstrong mag sinds 24 augustus 2012 officieel geen aanspraak meer maken op één van de grootste sportprestaties aller tijden. De misschien wel meest gecontroleerde sporter ooit (>700x), is in zijn actieve loopbaan nooit betrapt, maar vele jaren na dato worden nu vrijwel al zijn prestaties uit de boeken geschrapt. En waarom? Omdat tien oud-ploeggenoten hem hebben beschuldigd. En die beschuldiging levert wat op: ze kunnen er hun eigen hachje mee redden. Anders gezegd: ‘Als jij tegen opa vertelt dat mamma stoute dingen doet, hoef je niet voor straf vroeg naar bed.’

Die idiotie dat iemand talloze malen door serieuze laboratoria kan worden onderzocht en er niets wordt gevonden, is eerder een reden om flink wat dopingbureaus op te doeken dan om iemand zijn titels af te nemen. Het is bovendien een aanklacht tegen het gezond verstand. Alsof er toen een ultrageheim product bestond dat door laboratoria speciaal voor Lance werd vervaardigd. Maar Lance ondergaat het nu. Hij levert zijn tourzeges in, om met de tour van het leven verder te gaan. Daarin is hij nog lang niet verslagen. Het leven, de échte Tour, waarin hij de grootste denkbare zege heeft gepakt die niemand hem ooit meer kan ontnemen. Al is een aantal oud ploeggenoten bereid gevonden te verklaren dat hij nooit werkelijk kanker heeft gehad…

Lance blijft een absolute topsporter die een ongelofelijke prestatie heeft verricht. Er bestaat simpelweg geen middel dat garant staat voor 7 tour-overwinningen op rij. Er bestaat geen middel dat garant staat voor een verschil van 7 min en 37 seconden in 1999 met de nummer twee in het klassement. Dan lig je dus 4000 meter voor op de eindstreep. Of ruim 6 min in 2000. Of 6 minuten en 44 seconden in 2001. Nog los van het feit dat bijna alle nummers 2 (en soms wel 3 en 4 en 5 en…) wel in competitie zijn betrapt op dopinggebruik of een bekentenis hebben afgelegd. Waardoor de afstand met de eerstvolgende ‘schone’ renner in de dik tien minuten loopt. Maar zelfs dan: als ik mijn verstand toesta te denken dat hij zijn prestaties heeft bereikt door middel van het gebruik van een verboden middel, dan voel ik geen afkeur. Dan blijft er bewondering en respect. Het laat me denken aan iemand die de wereld verbetert, maar dat alleen kan doen door een leugentje in stand te houden. Maar hier geloof ik zelfs niet in dat leugentje.

Misschien ben ik slechts een naïeve liefhebber. Misschien is de zaak vele malen complexer dan ik het voel. Dat zij dan zo. Maar Lance zien rijden, dat was gevoel. Weken achter elkaar, jaren lang. De suprematie, de controle, het overzicht, de passie voor het fietsen, de focus en de overwinningen: dat was een tijdperk. En een tijdperk help je niet zomaar om zeep door jaren later te suggereren dat al die aspecten niets waard zijn in het licht van nooit werkelijk hard gemaakte beschuldigingen. Het is interessant hoe de geschiedenis hierover zal oordelen. De Tour wacht op niemand, maar de geschiedenis heeft alle tijd. Zij komt vast en zeker wel tot een wijs oordeel.

Een hypocriete strijd tegen hypocrisie: de Dove-campagne onder de loep

Over het algemeen heeft het niet zoveel zin om intellectuele kracht in te zetten tegen commercials. Toch, de nieuwste reclame van Dove is zo een weerzinwekkende aanslag op de geest, dat deze wel in verzet moet komen.

De betreffende reclame houdt zich bezig met een soort shampoo, en voert daartoe een mooie vrouw op in de kracht van haar leven die in het Engels mijmert over de mooie dingen van het bestaan. Ze danst en ze spreekt over kleuren en gevoelens. Rood staat bijvoorbeeld voor passie, en dat zit ook in haar karakter. En bij blond voelt ze zich bruisend en meisjesachtig. Iedere kleur kent zijn eigen gemoed. En dan volgt de bekentenis, de schok, het ogenblik: ze is blind. Ze is blind, maar ze geniet van haar mooie gekleurde haren, en Dove zorgt ervoor dat haar kapsel mooi blijft stralen.

De strategie van Dove is al sinds 2004 hetzelfde. Voornamelijk omdat het werkt. Dit cosmeticamerk staat voor zuiverheid, puurheid en echte schoonheid. De strategie van de marketingafdeling is dan ook bekend. Het gaat er om dat zoveel mogelijk ‘echte’ vrouwen het idee krijgen dat ze verbonden zijn met een merk dat zich bekommert om ‘echte’ vrouwen. Naast de bekende filmpjes zit daar ook een duidelijke en niet onsuccesvolle community-strategie achter. Echte, normale, gewone en spontane vrouwen worden daar dag in dag uit bestookt met teksten als:

Dag dames! Ik ben Laura, de community manager in Nederland voor de Echte Vrouwen-community van Dove. Hoe vinden jullie het om hiervan deel uit te maken? Ik ben heel erg benieuwd naar jullie reacties, dus praat gezellig mee!

Of:

We zijn op zoek naar 10 moeders met tienerdochters! Wil jij ons actief helpen om het zelfbeeld te verbeteren van meisjes? Uit wereldwijd onderzoek blijkt dat vriendinnen en moeders de meeste invloed hebben op de gevoelens over schoonheid en het lichaamsbeeld van vrouwen. Stuur een mailtje naar dovenederland@gmail.com met je gegevens en vertel waarom je graag mee wilt doen!

De suggestie die constant als een zweem boven iedere Dove-campagne hangt is dat er zoiets bestaat als oprechte marketing. Dat er daadwerkelijk ethisch verantwoorde reclame gemaakt wordt, en dat daartoe het werkelijke doel (namelijk zoveel mogelijk mensen aan een of ander cosmeticaproduct helpen) in wezen niet zo belangrijk is. Terwijl het daar uiteindelijk alleen maar om draait. Dat is natuurlijk precies het doel van marketing en reclame, maar het is ook precies waarom deze campagnes zo weerzinwekkend zijn. Als dit niet was aangeslagen, was deze strategie zo weer ingeruild voor iets anders. Maar het is wel aangeslagen. Omdat achteloze vrouwen nu eenmaal gevoelig zijn voor een goed gespeelde eerlijke boodschap.

Echte schoonheidEn nu is er zelfs schaamteloos gebruikgemaakt van een gehandicapte vrouw die- na een ongetwijfeld lange casting-  een volstrekt op zichzelf staand verhaal vertelt, maar uiteindelijk prima past in het beeld wat de fabrikant graag naar voren wil brengen. Zij durven eerlijk te zijn en grenzen te doorbreken. Zij strijden tegen de hypocrisie van de reclamewereld. En dat verdient respect. En daarom krijg jij dadelijk dus een warm gevoel bij dat product. Want wat was het een mooi Oscar-moment in die reclame! En de community spreads the word en klikt op like en zo voelt men zich weer serieus genomen door de wereld van de commercie.

Maar die mensen zouden eens moeten weten dat de producent van Dove, namelijk Unilever, zomaar ook de producent is van bijvoorbeeld AXE. Ja, van de reclames waarbij de vrouw niet ernstiger als cliché kan worden weggezet en louter dient als lustobject voor de nerd die zich onderspuit met chemische geurstoffen. Want de kopertjes van AXE, dat is namelijk een hele andere doelgroep- en die zitten niet zo te wachten op slap geklets als ‘wij gaan voor echte schoonheid’. Nee, om daar wat voor te verkopen, moet gewoon ouderwets een blik stoeipoezen worden opengetrokken die geen moeite hebben om als domme objecten rond te rennen in bikini’s.

Het is dat de reclamecodecommissie zich waarschijnlijk niet kan uitspreken over het al dan niet oprechte karakter van een fabrikant. Maar misschien zou ze dat wel eens moeten doen om zo deze systematische misleiding van naïeve vrouwen voorgoed uit te bannen.

Verdwaald in een dierentuin: een analogie op de rechterlijke uitspraak inzake de langstudeerboete

De discussie rondom de langstudeerboete lijkt tot nader orde gesloten. Studenten die meer dan een jaar langer doen over hun studie dan is vastgesteld, zijn verplicht een boete (of zegge een extra zak geld) van ruim 3000 euro te betalen. Dat heeft de rechtbank in Den Haag op 11 juli 2012 bepaald in een kort geding over het verhoogde collegegeld voor mensen die meer dan een jaar uitlopen.

De drie centrale argumenten van de rechter luiden:

  1. Het is feitelijk niet onmogelijk om te blijven studeren; het is niet bewezen dat lagere klassen nu worden uitgesloten om te gaan studeren.
  2. Nergens in de wet staat dat tijdens het spel de spelregels niet mogen worden veranderd.
  3. Studenten hadden kunnen vermoeden dat hun collegegeld tijdens hun studie aan verandering onderhevig is.

A. Een toerist schaft een entreeticket aan voor de dierentuin. Hij mag voor tien euro naar binnen. Na een hele dag rond te hebben gewandeld, gebruikmakende van alle faciliteiten die het park te bieden heeft, begeeft hij zich richting de uitgang. Daar wordt hij echter geconfronteerd met een bebaarde hoge juridisch medewerker, die zichzelf Rechter noemt.

B. ‘Wilt u er uit, dan moet u een exit-ticket aanschaffen van € 50’, zegt Rechter.

‘Wat een dwaze onzin!’ roept de toerist. ‘Daar ben ik helemaal niet van op de hoogte gesteld. Waar staat dat ergens geschreven?’

‘Dat staat nergens geschreven, maar waarom zou dat ergens geschreven moeten staan?’

‘Ja! Als ik had geweten dat mijn verblijf geen € 10 maar € 60 zou kosten, had ik mij in zijn geheel anders voorbereid op deze tocht. Niet dat ik niet zou zijn gekomen -ik zou dat niet zonder meer kunnen zeggen-, maar wat u nu doet met mijn gevoel vind ik onethisch!’

‘Nou. Ik heb hier een handleiding met onze spelregels. Er staat echter niet in de spelregels dat de spelregels niet mogen worden veranderd! Daarom is dus nu ook met recht besloten om tijdens het spel de spelregels te veranderen.’

‘Dat is een redenering van iemand die ieder gevoel voor redelijkheid lijkt te hebben verloren. Het laat me denken aan een bandiet die vrijgelaten wordt omdat het OM alleen nog maar een kopie had van het strafdossier, in plaats van het origineel.’

C. ‘Ach kom, dat is onredelijke appels met zotte peren vergelijken. Wat is nu precies het probleem, beste toerist? U had toch zeker wel kunnen vermoeden dat voor amper € 10 u niet hier een hele dag zomaar kunt rondlopen? Bovendien, we moeten bezuinigen op onze dierentuin en zo hopen wij extra geld binnen te harken. Het is vanaf nu dan ook voor iedereen die alsnog de dierentuin bezoekt, uiterst helder dat indien zij hier een hele dag rondwandelen ze € 50 extra moeten betalen. Mochten ze echter binnen twee uur het park weer verlaten, dan brengen wij niets in rekening. Zo zijn we dan ook weer!’

‘Maar indien ik dit park binnen twee uur zou moeten verlaten om zo te voorkomen dat ik zwaar moet bijbetalen, zou ik toch nooit de schoonheid van het geheel kunnen aanschouwen? Ik zou mij moeten haasten, en ik zou constant onder psychologische druk staan van de tijd, waardoor een belangrijke esthetische waarde van dit dierentuinbezoek verloren zou gaan. Beseft u eigenlijk wel wat ik zeg met ‘psychologische druk’?’

‘Kom, kom. U overdrijft. U bent een volwassen man! Wees blij dat we u niet al na anderhalf uur parkbezoek de hoofdprijs laten betalen. U krijgt dus zelfs een halfuur van ons cadeau! Bovendien, de psychologische druk van de werkelijkheid buiten deze dierentuin is vele malen groter! Daar moet u ook mee omgaan.’

D. ‘Op deze manier zeker… Verwacht u overigens niet dat u op deze wijze vele bezoekers buiten uw dierentuin houdt? Ik vermoed dat u vele mensen die weinig te besteden hebben de schoonheid van het park ontzegt op deze manier.’

‘Luister. Het is volstrekt niet bewezen dat lagere klassen worden uitgesloten van een bezoek aan de dierentuin. Dat is ook logisch, want iets wat we op dit moment pas invoeren kan niet iets bewijzen wat pas na invoering blijkt. Kortom, we voeren het gewoon in, en dan constateren we later vanzelf wel dat allerlei mensen met weinig geld niet meer in onze dierentuin zijn geweest. Of niet natuurlijk. Het lijkt me ook iets wat we pas vele jaren later zullen gaan merken als het al fatsoenlijk is te onderzoeken. En om eerlijk te zijn vinden we dat onze populaire dieren in de dierentuin af en toe iets te druk worden bezocht….juist door de gewone mensen. Maar dat verklap ik u in vertrouwen.’

E. ‘Zoveel onzin heb ik zelden bij elkaar gehoord. En met veel bezoekers zou u eerder blij moeten zijn, evenals met de aantrekkingskracht van de populaire dieren. Niet iedereen heeft nu eenmaal de wens om een exotisch dier te bestuderen. Laat het toch aan de mensen zelf!
Het zou me overigens niets verbazen indien de werkelijke verantwoordelijke voor deze gekke maatregel, zelf op deze maatregel terug gaat komen. Is het niet zo dat het bestuur van de dierentuin binnenkort opnieuw gekozen moet worden?’

‘Juist. Na 12 september komt er een nieuwe Raad voor de Dierentuin. Ik heb inderdaad begrepen dat een aantal kandidaten van zins is om dit plan op te schorten. Maar daar heb ik op dit moment niets mee te maken.’

F. ‘Het brengt me bij een laatste overweging, waarbij ik speciaal aan u moet denken, hoge juridische medewerker. Ik zou ervoor zijn uw ruime salaris af te nemen en daarvoor in de plaats u een minimale vergoeding aan te bieden, zodat u net aan rond kunt komen. U kost immers behoorlijk wat publiek geld.’

‘Dat lijkt me niet verstandig en in strijd met afspraken. Het zou ook geen recht doen aan mijn belangrijke functie en maatschappelijke relevantie. Bovendien zou dit werk dan alleen aantrekkelijk zijn voor rijke meesters.’

‘Eenmaal Exit, alstublieft.’

“Niemand krijgt mij klein”

PVV-leider Wilders is verrast door het ontslag van de PVV-Kamerleden Wim Kortenoeven en Marcial Hernandez. Hij noemt de twee fractieleden ‘rancuneus’.

De aanhoudende onrust binnen de PVV is niet verrassend, evenmin als het ontslag van de PVV-Kamerleden. De symptomen die we nu zien zijn simpelweg typisch voor het populisme (dat ironisch genoeg wordt gedragen door één man). ‘In naam van het volk spreken’ is namelijk retorisch ijzersterk, maar praktisch zo vreselijk onhandig. Het is niet voor niets dat het populisme het beste gedijt in een context zonder verantwoordelijkheid. Zodra er sprake is van verantwoordelijkheid (denk aan het provinciebestuur in Limburg), kan het populisme de politieke (coalitie) dynamiek niet meer het hoofd bieden en moet het met allerlei paradoxen worstelen. De parlementaire gedoogconstructie leek daarom een briljante vondst: gewoon kunnen blijven roepen wat iedereen wil horen, en ondertussen toch aan de knoppen zitten.

Helaas bleek ook aan de gedoogconstructie teveel verantwoordelijkheid te zitten. Het Catshuisfiasco toont dat aan. Met het vertrek van PVV-kamerleden Kortenoeven en Hernandez komt het mislukken van het akkoord echter ook nog in een interessant ander perspectief te staan.

Het ligt sterk voor de hand dat Wilders op dat moment al het vermoeden had dat zijn partij zou breken bij een Catshuis-akkoord. Dat zou hebben betekent dat de gedoogconstructie (zelfs met de SGP erbij) definitief zou zijn ontploft en Wilders persoonlijk verantwoordelijk zou zijn gehouden voor de daaropvolgende politieke onmacht. Het zou een directe ontmaskering hebben betekend voor het populisme. Door het eenzijdig opzeggen van de onderhandelingen heeft Wilders toen de kikkers nog in de kruiwagen weten te houden, maar daar is nu definitief een einde aan gekomen. Op de politieke besluitvorming heeft het nu echter geen enkel effect, slechts op de beeldvorming. En juist daarin heeft Wilders zich altijd heer en meester getoond. Tot gisteren.

Tegen zijn gewoontes in moest hij namelijk opdraven bij die verfoeide linkse mediarubrieken als 1vandaag en Nieuwsuur. Louter voor damagecontrol. Het interview met de voor zijn doen ongemeen felle Twan Huys toonde voor het eerst echte zwakke plekken bij Wilders en voelde daarom buitengewoon ongemakkelijk. Want juist de retorische kracht van Wilders –waarin hij soeverein was- stond hier onder hoogspanning. Hij kreeg het simpelweg niet meer uitgelegd. Nooit eerder stond zijn geloofwaardigheid zo onder druk. Het centrale argument voor het vertrek van de Kamerleden was volgens Wilders pure rancune op grond van ‘het vermoeden van laag op de kieslijst te komen of helemaal niet meer op de lijst te komen’. Maar een fractie later zien we in dezelfde Nieuwsuur-uitzending een Wilders die zich laat ontvallen: “Niemand krijgt mij klein”.

Niemand krijgt mij klein. Daarmee bevestigt hij het verwijt van de opgestapte fractiegenoten op de meest duidelijke manier: het gaat uiteindelijk maar om één persoon.  Het enige probleem is dat dit zo verdraaide lastig is te handhaven in een democratie.

Komende maanden zullen uitwijzen in hoeverre dat soevereine beeld van die krachtige leider -die het zeker niet voor niets heeft gekregen- daadwerkelijk schade heeft opgelopen. Joop en Truus mogen dan wel gevoelig zijn voor grote volkse beloften en nationale sympathieën met een scherpe en soms humoristische rand omkleed; uiteindelijk willen ook zij ernstig genomen worden.

Waarom is er eerder niets dan iets?

Met Universum uit het niets is er weer een natuurkundig boek verschenen bedoeld voor een breed publiek, dat ingaat op het ontstaan van het heelal. Op de achterflap prijkt trots: ‘Het onbevattelijke helder uitgelegd.’ Hoe iets onbevattelijks helder kan worden uitgelegd is echter niet het enige raadsel waar dit boek de lezer mee confronteert.

Universum uit het niets heeft alles in zich wat je van een religieus werk zou verwachten. Een gigantische hoeveelheid axioma’s, zelfverzonnen definities, genoeg speculatie en voorbehoud, een hoop onnavolgbaar gebabbel over onzichtbare energie en spontaan verschijnende deeltjes en – last but not least – de stelligheid dat het gaat over de absolute waarheid. Alleen is dit geen religieus werk, maar een natuurkundige uiteenzetting over hoe er vanuit niets iets kan ontstaan.

Auteur Lawrence Krauss moet zelfs in zijn geheel niets hebben van religie. Theologen krijgen er dan ook flink van langs. Want, zo stelt hij in navolging van Stephen Hawking, die begrijpen helemaal niets van natuurkunde, want dan zouden ze toch zeker hun tijd niet verdoen met na te denken over God? De natuurkunde heeft immers het bestaan van een (persoonlijke) God volledig uitgesloten, aldus Krauss, die overigens ook niets van wetenschapsfilosofie moet hebben. Het volstrekt overbodige nawoord van beroepsatheïst Richard Dawkins neigt voorts niet alleen naar vriendjespolitiek, maar bevestigt het bange vermoeden dat dit boek een dubbele agenda dient: een warm pleidooi te zijn voor een strikt atheïsme en het voorstaan van een Nietzscheaanse ethiek. Sciëntisme van de bovenste plank dus.

Het had van (wetenschappelijk) verstand en moed getuigd als iemand als John Polkinghorne, Peter van Inwagen, Freeman Dyson of desnoods Alan Sokal een nawoord had mogen schrijven, waarin de lezer ook nog een ander perspectief was aangeboden met hier en daar een nuancering. Maar net als religieuze fanatici, houden geobsedeerde natuurkundigen waarschijnlijk niet zo van vervelende bromvliegen die afleiden van de overtuigingen. Daarom beter een nawoord van een jaknikker die dit werk dezelfde grootte toedicht voor de natuurkunde als On the Origin of Species dat was voor de biologie. Dat lijkt de schaamte voorbij.

Het verhaal in een notendop
Maar wellicht kan het verhaal de kritiek verstillen. Want waar is het om te doen? Krauss stelt, voor zover het te volgen is, in essentie ongeveer het volgende:

Op basis van waarnemingen is bewezen dat het heelal vlak is, en dat de lokale Newtoniaanse zwaartekrachtsenergie vrijwel nul is, wat erop wijst dat ons heelal is voortgekomen uit een inflatie-achtig proces, waarbij de energie van de lege ruimte tijdens een periode waarin het heelal op elke waarneembare schaal steeds vlakker wordt, wordt omgezet in de energie van ‘iets’.

99% van het heelal is onzichtbaar voor ons en is opgebouwd uit donkere materie, die hoogstwaarschijnlijk gedeeltelijk bestaat uit onbekende elementaire deeltjes en die in nog grotere mate bestaat uit donkere energie. Daarbij wordt gesteld dat lege ruimte energie kan hebben zonder dat er materie of straling aanwezig is.

De kern waarbij we uiteindelijk komen, is iets wat een ‘kwantum vacuüm’ heet. Dat vacuüm heeft een bepaalde onstabiele energie, waar kwantumfluctuaties (een fluctuatie van energie in lege ruimte volgens het onzekerheidsprincipe van Heisenberg) door inflatie worden ‘ingevroren’ en naderhand opduiken als dichtheidsfluctuaties, waar voorts alles wat we zien uit voortkomt. Enfin, zoiets dus.

Bedenkingen: de natuurkundige autoriteit
Het grote probleem van de natuurkunde is dat ze zonder de nodige wiskunde volstrekt niets duidelijk kan maken aan een gemiddelde lezer. Zo is 99% van wat Krauss beweert voor gewone stervelingen zonder navenante natuur- of wiskundige kennis volstrekt niet te volgen, waardoor men zich amper kritisch kan verhouden tot de tekst. Wat die lezers rest, waar het boek zich toch sterk op richt, is overgave aan ‘de pastorale macht’ van de natuurkundige. Net zoals dat vroeger bij meneer pastoor ging, wordt voortdurend een beroep gedaan op het Argumentum ad verecundiam: ‘Ik ben een belangrijke wetenschapper, wetenschap is altijd waar omdat ze empirisch is, en al is het onnavolgbaar wat ik beweer, je mag gerust geloven dat het waar is wat ik zeg.’

Naïeve lezers zullen snel de indruk hebben dat het hier daadwerkelijk om gefundeerde wetenschappelijke beweringen gaat, terwijl het merendeel (multidimensionale parallelle universa) eerder speculatie en vermoedens zijn die binnen dezelfde wetenschappelijke wereld sterk worden bekritiseerd. Het oorspronkelijk Engelse werk A Universe from Nothing: Why There is Something Rather than Nothing kent inmiddels vele honderden kritische discussies, waarvan de meest fundamentele en steekhoudende kritiek komt van filosoof en natuurkundige David Albert, die prompt door Krauss werd weggezet als wijsgerige dwaas.

Meer bedenkingen: gezwam in de lege ruimte
Het verstand dat terug weet te denken tot het begin van het heelal, pakweg 13,72 miljard jaar geleden (‘Waarom niet 5 minuten geleden?’, zou Bertrand Russell vragen), raakt logisch verstrikt in de daaropvolgende paradox: het denken laat niet toe een gevolg te denken zonder oorzaak. Omdat de logische wetten van de natuurkunde niet opgaan onder de extreme omstandigheden voor 10-43 seconde na ‘0’ die deze singulariteit noodzakelijk veronderstelt, lijkt het dus dat er geen sprake kan zijn van een oorzaak. Maar vervolgens wordt er wel een oerknal (gevolg) geconstateerd, waardoor het verstand ‘een oorzaak’ niet kan ontkennen, op grond waarvan men weer terug is bij af. Hieruit volgt het meest fundamentele principe van de metafysica, namelijk het principe dat iets niet uit niets kan voortkomen (ex nihilo nihil fit).

Hier openbaart zich het grootste probleem van het boek: Krauss’ definitie van het niets. Het niets definiëren is natuurlijk per definitie onmogelijk, vandaar dat het niets bij Krauss ook niet niets is. Simpelweg omdat men geen natuurkunde kan bedrijven op dat wat niet is, moet Krauss een truc uithalen: het niets is instabiel. En dit instabiele niets blijkt niets minder dan ‘een onstabiel vacuüm’, dat valt onder de wetten van de kwantummechanica. De meest fundamentele vraag die dus blijft liggen is: ‘Waar komen de wetten van de kwantummechanica vandaan?’ Krauss geeft toe daar geen enkel idee van te hebben.

De metafysica lijkt dus niet overbodig geworden; Krauss heeft slechts de schildpad ingeruild voor de wetten van de kwantummechanica (‘niets’) en roept daarbij een nieuwe ontologische vraag op: Waarom is er eerder niets dan iets?

Nog meer bedenkingen: de grenzen van de rede
Een God die natuurkundig uitgesloten wordt, of filosofisch zou worden bewezen dan wel weerlegd is religieus gezien irrelevant. De grootheid van de rede van de mens schuilt in het feit dat zij altijd boven het zintuiglijke wil uitstijgen, juist omdat de mens niet alleen een (natuurkundig) kennend, maar ook een (ethisch) moreel en (metafysisch) transcendentaal wezen is. Wat dat laatste betreft hebben onder meer Kant (Kritiek van de zuivere rede), Kierkegaard (Afsluitend onwetenschappelijk naschrift) en J.H. Newman (Een grammatica van de instemming) uitvoerig gewezen op de valkuilen van het verstand, namelijk dat het zich graag bemoeit met zaken die het niet kan bevatten. Krauss trapt zowat in elke valkuil die filosofisch te verzinnen is (te beginnen bij de definitie van het niets), door het verstand los te laten op zaken die het verstand overstijgen, om het vervolgens via onbegrijpelijke wegen dan toch terug te brengen tot een soort kennis (en er praktische, ethische en religieuze consequenties aan te koppelen).

Zeker, theoretische natuurkunde is een uitermate complexe en ongetwijfeld serieuze bezigheid, en men zou kunnen zeggen, dat het erg simpel is kritisch te zijn op dat wat nauwelijks begrepen wordt. Zodra hooggeleerde wetenschappers echter zelf met elkaar overhoop liggen over waar het nu om gaat en het wetenschappelijke falsificatiecriterium ernstig onder druk lijkt te staan, mag een gewone sterveling met recht zijn bedenkingen houden.

In verschillende interviews benadrukt Krauss een integere wetenschapper te zijn. Zijn te nadrukkelijke atheïstische agenda daargelaten, hoeven zijn prestaties op het gebied van de natuurkunde niet te worden onderschat. Universum uit het niets geeft echter te denken. Normaal gesproken zou naar aanleiding van deze recensie het adagium ‘Oordeel zelf!’ van toepassing zijn. Ware het niet dat voor vrijwel iedere lezer na afloop het onbevattelijke gewoon onbevattelijk blijft.

Dit recensie-essay verscheen eerder op: 8weekly.nl

Een kort pleidooi tegen het belasten van artsen in opleiding tot specialist (AIOS)

‘De medisch-specialistische vervolgopleidingen moeten korter, een AIOS moet een eigen bijdrage betalen en alle opleidingsziekenhuizen krijgen een gelijke vergoeding. Met enkele ingrijpende voorstellen wil een ambtelijke werkgroep voor meer dan 400 miljoen bezuinigen op de universitair medische centra…’

De hoeveelheid zotte bezuinigingsvoorstellen is onderhand niet meer te overzien. Links en rechts wordt op alles gekort wat van overheidswege beweegt. Nu heeft een ambtenarencommissie (beschermd onder het principe van de gezichtsloze bureaucratie)de artsen in opleiding tot specialist (AIOS) in het vizier gekregen. Bij goedkeuring in de Tweede Kamer zou het leiden tot een plan dat grofweg jaarlijks € 13.400 bruto weg harkt bij deze zorgmensen. Een laffe bezuiniging en wel om verschillende redenen die ik hier kort uiteen zal zetten.

Wat opvalt, is dat stoere bezuinigingsplannen steeds vaker worden losgelaten op groepen die relatief op weinig steun van de samenleving kunnen rekenen. Kom je bijvoorbeeld aan reiskosten, dan komt de samenleving in het geweer, omdat dit in de breedte vele mensen treft en de onredelijkheid ervan direct zichtbaar is.

Bij het belasten van artsen in opleiding ligt dat anders. Voor een patiënt (of een gemiddelde burger) is een “AIOS” immers een abstract begrip en gewoon een ‘dokter’. Daarnaast roept het begrip ‘arts’, ‘medisch specialist’ en zelfs ’dokter’ een grote hoeveelheid vooroordelen op omtrent het te verwachten salaris en toekomstperspectief bij mensen zonder verstand van zaken of inzicht in het medische landschap (i.e. ‘twee ton per jaar’, ‘veredelde beroepsopleiding’, etc.). Wat dat betreft hoeft deze beroepsgroep op weinig steun te rekenen vanuit de maatschappij en zal het vanuit de georganiseerde specialisten (in opleiding) zelf moeten komen.

Maar helaas heeft niet alleen de burger een beperkt en vertekend beeld van een AIOS. Gelet op wat via reguliere media bekend is van wat de ambtenaren hebben voorgesteld, lijkt het erop dat deze commissie zelf een zeer onvolledig en onzorgvuldig beeld heeft van een A(N)IOS. Het inmiddels veel geciteerde argument dat artsen ‘op termijn’ met hun salaris de ingeleverde bijdrage van € 80.000 ruimschoots terugverdienen is daar een voorbeeld van.

Op de eerste plaats moet het salaris worden afgezet tegen genoten opleiding. De reguliere opleiding tot basisarts leidt over het algemeen tot een gemiddelde studieschuld van ongeveer € 14.000, die gewoon moet worden afgelost. Het salaris wat als basisarts kan worden verdiend is hooguit gemiddeld te noemen. Daarbij vergeet ik voor het gemak de gratis geleverde zorg in de coschappen. Na het geploeter als assistent niet in opleiding tot specialist (waarbij het salaris omgerekend in gewerkte uren mager is te noemen) is een moeizaam verkregen specialistenplek geen speciale verworvenheid, maar een maatschappelijke noodzaak. Het salaris wat daarvoor staat is in verhouding tot gewerkte uren hooguit modaal. Wie verder leeft met het idee dat het gehele traject een veredelde hbo-studie betreft, zou eens een handboek carbohydrate chemie of moleculaire pathologie van gynaecologische carcinomen ter hand moeten nemen. Dat een specialist in opleiding een uitzonderingspositie zou innemen ten opzichte van andere academici (die niet tot hun 36e hoeven te wachten om aardig te gaan verdienen en gemiddeld vier opleidingsjaren in de schaal leggen), lijkt niet onderbouwd.

Op de tweede plaats moet het salaris worden afgezet tegen gewerkte uren. Bij een vastgesteld ANIOS/AIOS-salaris (dat schippert rond de € 2.959,- tot € 4.598 bruto, waarbij € 4598 pas na een tiental jaar wordt bereikt), wordt meestal uitgegaan van een 36-urige werkweek. Iedereen die het arbeidsethos van het (academische) ziekenhuis echter een beetje kent, weet dat 60 tot 70 uren per week werken, in onregelmatige diensten (nacht, weekenden, kerst, Pasen, etc.) geen uitzondering zijn. Desondanks blijft de 36-urige werkweek het uitgangspunt van het salaris. Dat dergelijke absurde uren worden gedraaid en op de een of andere manier zijn geaccepteerd, wijt ik aan de specifieke gesloten cultuur die de medische wereld kenmerkt. Desalniettemin, omgerekend komt de gemiddelde AIOS niet boven het salaris uit van een vuilnisman (niets ten nadelen daarvan). Dat bovendien naast de reguliere geneeskundige werkzaamheden vaak nog een proefschrift wordt verlangd (om in opleiding te komen), laat ik hier buiten beschouwing evenals de moeilijkheid om überhaupt in opleiding te komen. Als specialist tenslotte, wordt vanzelfsprekend de geïnvesteerde opleidingstijd beloond (vanuit een samenleving verlangt), maar die is in vergelijking niet navenant- zeker niet als men ook hier weer het werkelijk aantal gewerkte uren afzet tegen het verkregen salaris.

Dat brengt me bij het laatste punt. Het salaris afgezet tegen werkomstandigheden.

Waar een patiënt slechts een vriendelijke arts ontmoet, schuilt daarachter een concrete realiteit van een buitengewone maatschappelijke en ethische verantwoordelijkheid. We spreken hier dus over een buitengewoon collectief goed dat buitengewone solidariteit verlangd. De dagelijkse confrontatie met leven en dood bijvoorbeeld, is niet alleen psychisch een zware belasting (die op zich al een exceptionele professionaliteit vereist en rechtvaardigt), maar is ook een praxis die maar weinigen werkelijk vatten. Complexe ethische dilemma’s, ingewikkelde intermenselijke communicatie en levensbepalende beslissingen die velen hooguit kennen van filosofische boeken, zijn in de medische praktijk aan de orde van de dag.

Daarnaast zijn we aangekomen op een punt dat een samenleving zorg als verworvenheid is gaan beschouwen en op grond daarvan steeds meer eist van een specialist. De patiënt is kritischer, zelfbewuster en gaat meer dan ooit tevoren uit van zijn rechten. Daarmee kent het werk van de (kwetsbare) arts niet alleen een verantwoordelijkheid die met weinig academische opleidingen is te vergelijken, maar ligt tevens zijn handelen permanent onder een loep. Ook hier laat ik een en ander buiten beschouwing, zoals de bekende dilemma’s omtrent carrière en gezin of het verhuizen van Enschede via Amsterdam naar Groningen of Maastricht voor een opleidingsplek…

Bezuinigen is noodzaak en iedere groep waarop bezuinigd wordt heeft zijn eigen (legitieme) bezwaren. Dat wordt hier niet miskend. Maar de argumenten die ik hier in een notendop heb aangedragen en die met vele voorbeelden zouden kunnen worden aangevuld, maken dat het hier om een groep gaat waarbij het niet alleen ongewenst is dat die extra belast wordt (want natuurlijk wordt de kwaliteit er niet beter van), maar ook onrechtvaardig (het salarisargument snijdt geen hout).

De samenleving zou dit alles in acht genomen zich meer moeten laten gelden voor deze groep en zich minder moeten laten leiden door vooroordelen. Zolang een redelijke en overtuigende onderbouwing van deze maatregel uitblijft, kunnen de specialisten in opleiding rekenen op mijn sympathie.

De kracht van naïviteit

De kracht van naïviteit
Onbevangenheid als levensinstelling

Een kleine uiteenzetting naar aanleiding van een filosofische ontmoeting, met als doel het begrip naïviteit nader te overwegen en eigen te maken (zo ook -zo niet juist- voor de lezer hier)

 

 1.      Het begrip naïviteit

A) Als we naïviteit opvatten als een zekere van nature aanwezige zuivere openhartigheid die gekenmerkt wordt door een ongekunstelde eenvoud, waarbij men zich zonder voorbehoud (in eigenheid) verhoudt als subject tot subject en object, dan gaan we daarmee in tegen een meer gangbare en intuïtieve opvatting dat het naïeve een negatieve houding weerspiegelt.

B) Evenals het onnozele oorspronkelijk het onschuldige aanduidt, is het naïeve van oorsprong niet zozeer een primair gebrek aan begrip en inzicht, als wel een bepaalde (bedoelde) houding ten opzichte van het leven. Het gaat dan om reflexieve argeloosheid. Het spanningsveld dat leidt tot het negatieve begrip van naïviteit zit in het gegeven dat wie als doel heeft het onschuldige te behouden, in een schuldige wereld, die wereld ergert en tot ergernis is.

C) We zouden het naïeve, positief beschouwd, kunnen opvatten als het ‘met de dag leven zonder plan’. Maar dan wel zo, dat men zich reflexief verhoudt ten opzichte van het leven zonder plan, waarbij men permanent een oordeel opschort. Daarmee wordt het een filosofische houding (waarbij men dus de paradox ervaart dat het reflexieve noodzakelijk het naïeve lijkt op te heffen).

D) Het gaat er om te kiezen (op voorhand) niet te willen weten en het gaat erom te kiezen onbevangen te zijn. Kan dus onbevangenheid en keuze zijn? Zeker, mits men de balans weet te vinden tussen praktijk en onbevangenheid. Zodra het onbevangene onpraktisch blijkt, zal ze worden opgeheven.

2.      Naïviteit als moment

A) Wie het naïeve –het bewust naïeve wat daarmee onbevangenheid wordt- ontmoet, wordt daardoor in eerste instantie ontwapend. Ontwapend van (voor)oordelen, omdat een oordeel over ‘hij die niet weet’ een vals oordeel is.

B) Maar juist de aanvankelijke ontwapening leidt tot reservering: men wapent zich weer. Een reflexieve naïviteit, leidt namelijk tot reflectie bij degene die deze ontmoet, juist omdat het naïeve onvanzelfsprekend is, waardoor het subject op zichzelf wordt gewezen. En deze onvanzelfsprekendheid leidt tot een fluwelen herbewapening: we willen het vriendelijk ontmaskeren, alvorens het ons ergert.

C) Ontmaskeren in de zin van (het kinderachtige): ‘deze naïviteit kan wel eens gespeeld zijn’. Ontmaskeren in de zin van: ‘de onnozele heeft als doel mij onnozel te doen lijken’. Dat is de ergernis ten opzichte van de idee van (doel)bewuste naïviteit (waarbij deze naïviteit dus negatief wordt opgevat, terwijl juist de bewuste naïviteit als onbevangenheid hierboven gedefinieerd is als positief).

D) Merk op: Er is een duidelijk verschil tussen bewuste en doelbewuste naïviteit. Bewuste naïviteit is een open houding zonder verwachting, terwijl doelbewuste naïviteit een verwachting in zich draagt (waarbij het naïeve dus wordt ingezet als houding, waarbij het dus negatieve naïviteit wordt; anders gezegd: het betreft een dubbele beweging waar het niet meer om het naïeve omwille van het naïeve gaat).

E) Anderzijds leidt ook de idee of herkenning van onbewuste naïviteit tot ergernis. Want ten opzichte van het oprechte ‘niet weten’ (het kinderlijke) verhouden wij ons vanuit de idee dat dit onbewust is weliswaar gereserveerd, maar willen we het oprechte niet weten ontdoen van het niet weten. Dat is de opvoeding: het spontane in het kind waarderen, maar de gehele opvoeding erop richten het spontane uit te bannen.

3.      Oprecht veinzen

A) Gespeelde naïviteit, die sterk neigt naar de houding die de verwondering kenmerkt, is ook wel te kenschetsen als het oprechte veinzen. Het suggereren dat men een spontane inval heeft, of dat men zich onwetend verhoudt ten opzichte van een bepaald dilemma, kan juist de verwondering van de andere wekken. Daarmee wordt het veinzen vanuit oprechtheid ook positief, evenzeer als een naïeve welbewuste houding met als doel te ontwapenen positieve naïviteit is.

B) Daarmee is zowel het oprechte veinzen als het welbewuste naïeve een kunst: zolang men niet ontmaskerd wordt dient het een positief doel. De ergernis zit in het vermoeden en de voorkennis: wie iemand bij herhaling een verhaal hoort vertellen alsof hij dit voor het eerst vertelt, is geërgerd (als een spontane inval wordt geveinsd).

4.       Tweede naïviteit als overweging

A) Is bewuste naïviteit als positieve houding praktisch mogelijk? Ja, juist omdat het bewust is mag het ten volle naïef worden genoemd. Vanuit het bewuste weten en het diepe inzicht kiezen zich anders te verhouden, of kiezen zich toch anders te verhouden ondanks de kennis. Men kan geen prediker zijn indien men zich niet bewust is van zijn boodschap, en men kan zich niet anders verhouden ten opzichte van kennis indien men niet bewust naïef is. Dat is misschien de ‘seconde naivité’ (vrij naar Ricoeur), de tweede naïviteit: een herwonnen inzicht op basis van verworven kennis, waarbij kritiek op het oorspronkelijke inzicht is overwonnen en zelfs is overstegen, zodat de oorspronkelijke houding hersteld wordt. Ja, een naïviteit die de kritische integriteit niet opgegeven heeft, maar kiest voor een nieuwe onbevangenheid die ook de eerste naïviteit kenmerkte.

B) Het onttoverde herkennen (vrij naar Chesterton), maar het weer betoveren. Een boom is niet zomaar een boom die appels geeft, maar het is een boom die betoverd is en daarom appels geeft.

C) Het geobjectiveerde herkennen, maar het weer tot het subject doen verhouden (vrij naar Kierkegaard). De objectieve denker richt zich op een objectieve zaak en vergeet dat hij zelf existeert. De tweede naïviteit is een reflectie op die houding waarbij het abstracte ontdaan wordt van zijn abstractheid en waarmee men het overstijgt. In wezen dus de grond van de filosofische houding.

D) Laat haar maar ergernis wekken.

Indrukken bij de eerste druk: Søren Kierkegaards Frygt og Bæven uit 1843 in de hand

Indrukken bij de eerste druk
Søren Kierkegaards Frygt og Bæven uit 1843 in de hand

Sinds enige tijd ben ik in het bezit van een eerste druk van Kierkegaards Frygt og Bæven (Vrees en Beven). In deze korte studie bespreek ik dit exemplaar en vergelijk ik het voorblad met de tweede druk van Frygt og Bæven uit 1857. Ik begin echter met enkele overwegingen bij het verschijnsel “eerste druk”.

Het verschijnsel “eerste druk”

Voor wie niet het gevoel heeft bij een eerste druk, of wat het betekent een eerste druk van een (zeldzaam) boek te bezitten, is het een vreemd idee dat de waarde van een dergelijk specifiek exemplaar in de duizenden euro’s kan lopen. Ter illustratie, een tweede druk van waarschijnlijk het meest besproken werk van Kierkegaard (Enten/Eller) uit 1849, is in 2007 geveild voor ongeveer € 23.000. Het was in dat geval de handgeschreven opdracht aan Hans Christian Andersen in het boek dat het zo kostbaar maakte.

Maar zelfs deze € 23.000 is nog niets vergeleken bij de € 134.000 die in 2003 werd betaald voor een eerste druk van hetzelfde werk. In dit geval werd de waarde voornamelijk bepaald doordat het hier om het exemplaar ging dat Kierkegaard had opgedragen aan zijn toen inmiddels ex-verloofde Regine Olsen. Daarmee is het waarschijnlijk ook in het gehele oeuvre het meest waardevolle en unieke exemplaar te noemen.

Eerste edities van Of/Of zijn tegenwoordig moeilijk te vinden (link 24/4/12 beschikbaar). Exemplaren die beschikbaar zijn, zijn voornamelijk te vinden bij de Deense antiquairs. Overige exemplaren zijn in handen van verzamelaars, bibliotheken en musea. De paar exemplaren in redelijke tot goede staat worden ongeveer vanaf € 2000 aangeboden. Dat betekent dus dat een door Kierkegaard toegevoegde handgeschreven tekst in een exemplaar, het boek voor de liefhebber tussen de € 20.000 en € 130.000 waardevoller maakt.

De waarde van een eerste druk hangt dus samen met een idee. Een eerste druk op zichzelf is niets waard. Een eerste druk ziet niet anders uit dan een tweede druk. De inhoud is exact hetzelfde, evenals de kostprijs van de binding en het papier. Zoals ik straks ook zal laten zien zijn de verschillen tussen de tweede druk en de eerste druk van Frygt og Bæven miniem. Het is de schoonheid van het idee waarvoor men bereid is te betalen.

De waarde van een idee
Anders dan bij een visueel kunstwerk zoals een schilderij, wordt iemand niet direct getroffen door de schoonheid van het boek. Het betreft ook geen handgeschreven werk, zoals een schilderij als uniek exemplaar hand-vervaardigd is door de artiest. Het begrijpen van de waarde van een schilderij is daarom eenvoudiger, dan de waarde van een boek, omdat het schilderij een directe indruk nalaat en een boek slechts een indirecte. Uiteraard is daarmee een schilderij per definitie een uniek exemplaar, maar dat kan een boek ook zijn zoals we hebben gezien. Daar komt nog eens bij dat in dit specifieke geval de inhoud van het werk van Kierkegaard vrijwel onleesbaar is, tenzij men het Deens en het gotische schrift machtig is. De waarde in samenhang met de idee komt daarmee des te meer voor het voetlicht. Een andere gedachte valt overigens ook niet te onderdrukken: het namaken van een eerste druk lijkt mij relatief eenvoudig. Wie kan onderscheiden of hij een vervalsing in handen heeft of een origineel exemplaar?

De waarde van een eerste druk hangt dus samen met de idee. En om die idee te bezitten, moet je bereid zijn er financieel iets tegenover te stellen.  Zo is de idee een boek in het bezit te hebben dat door Kierkegaard zelf is vastgehouden en is gesigneerd met een opdracht, zo waardevol, dat iemand bereid kan zijn daartoe tienduizenden euro’s tegenover te stellen.

De idee wordt echter door meerdere dingen bepaald; de oplage van het werk, de fysieke staat, de invloed van het werk en de historie die er mee samenhangt.

Het lijkt voor de hand te liggen dat de oplage een belangrijke rol speelt. De meeste boeken die Kierkegaard uitgaf, hadden een standaard oplage van 525 exemplaren (zie noot aan het eind). Van het proefschrift van Kierkegaard (Om begrebet ironi med stadigt hensyn til socrates) is de oplage onbekend. Zover ik het heb kunnen overzien is een originele uitgave inclusief een vel met de Latijnse stellingen niet op de particuliere markt verkrijgbaar, maar enkel de commerciële editie bedoeld voor de verkoop zonder de Latijnse stellingen. Vermoed wordt echter dat deze commerciële uitgave ook 525 exemplaren groot was. Slechts ‘Begrebet Angest’ (Het begrip angst) verscheen in de aanmerkelijk kleinere oplage van 250 exemplaren, mij onbekend op dit moment wat daar de beweegreden van was. Dit werk staat dan ook als zeer zeldzaam bekend, en is nauwelijks beschikbaar voor de particuliere markt (zie hier een aangeboden exemplaar -link 23/4/12 beschikbaar-). Deze exemplaren, vaak niet in bijster goede staat, gaan bijna allemaal voor meer dan € 2500 van de hand.

Het is sowieso moeilijk om een originele uitgave te vinden in goede staat. Met origineel bedoel ik de uitgave zoals hij de drukker verliet. Frygt og Bæven was bij eerste druk een eenvoudige paperback met donkerblauwe kaft. Deze kaft werd echter vaak vervangen als het boek opnieuw werd gebonden, bijvoorbeeld in kalfsleer. Dit gebeurde als men er het geld voor had om het boek stevigheid mee te geven en iets meer cachet. Dus, een editie met paperback blauwe kaft komt dichter bij de oorspronkelijke uitgave dan een leren hergebonden exemplaar, en is daardoor ook zeldzamer.

Natuurlijk wordt de idee bij een boek versterkt door de invloed ervan. Kierkegaard heeft bij leven geen herdruk meer meegemaakt van Frygt og Bæven. Deze verscheen pas in 1857 toen hij reeds twee jaar was gestorven. De beroemde dagboekaantekening van Kierkegaard waarin hij stelt dat alleen al Frygt og Bæven wanneer hij dood is voldoende is om onsterfelijk te worden als schrijver, is opmerkelijk, daar hij slechts 321 exemplaren verkocht zag gedurende zijn leven. “Men zal het blijven lezen en het zal vertaald worden in andere talen”, zo lezen we de woorden van Kierkegaard in de Nederlandse editie van 2006.

Ik denk dat van de door Kierkegaard gepubliceerde werken onder pseudoniem Frygt og Bæven na Of/Of het meest besproken en invloedrijke boek is (al zouden zowel het ‘Afsluitend onwetenschappelijke naschrift’ als ‘Het begrip angst’ ook voor die titel in aanmerking kunnen komen). Het is overigens gissen of Kierkegaard zelf de oplage heeft gezien of het merendeel van de boeken in handen heeft gehad, aangezien hij als pseudoniem een indirecte relatie onderhield met de uitgever en de belangrijkste onderhandelingen en taken overliet aan zijn goede vriend Jens Finsen Giødwad, die overigens ook veel van zijn manuscripten las, waaronder dat van Vrees en Beven.

Mijn idee bij Frygt og Bæven
Voor wie er dus geen idee van heeft, kan er ook geen idee bij hebben. Wat dan voorligt, is een centimeter dik gebonden hoopje oud papier, met daarin onleesbare inhoud. Ik zal hier schrijven voor de liefhebber als de liefhebber.

Het exemplaar wat ik zal bespreken, staat naar mijn opvatting zo dicht als mogelijk bij het origineel-een van mijn eigen voorwaarden bij aanschaf. De uitgave is in zeer goede staat en heeft de originele donkerblauwe buitenkaft. Deze uitgave met de blauwe kaft is bij mijn weten nergens te verkrijgen, en zeldzaam omdat de meeste boeken tijdens de nieuwe binding deze originele kaft verloren. In de edities die nog te koop zijn, zou overigens de blauwe kaft nog wel degelijk aanwezig kunnen zijn. Hier is hij duidelijk afgescheurd.

De eerste editie bestaat uit een totaal 8 voorpagina’s en 135 pagina’s inhoud.

De kopie die 16 oktober 1843 het licht zag is in het bezit geweest van de Deense familie Hartmann en is overgenomen uit de nalatenschap van de auteur en uitgever Godfred Hartmann (Kopenhagen, 24/7/1913- 7/2/2001), familie –ik meen achterkleinzoon- van de beroemde componist Johan Peter Emilius Hartmann (Kopenhagen, 14/5/ 1805 – 10/3/ 1900). De bescheiden kans is aanwezig dat Godfred het exemplaar via via heeft gekregen van Johan Peter Emilius, aangezien het werk met potlood is gesigneerd door ‘J.P. Hartmann’ (hoogstwaarschijnlijk zijn vader). Begin 20e eeuw is het boek hergebonden door de Deense boekbinder Anker Kyster, om in 2012 vanuit Kopenhagen naar Nijmegen te worden verscheept. Ik vermoed dat deze boekbinder ook het label op de rug heeft toegevoegd waarop staat te lezen ‘Frygt og Bæven’ Het is vrijwel onmogelijk te achterhalen of het hier om een exemplaar gaat dat in eerste instantie is verkocht, of dat het een van de 204 exemplaren betreft die later op de een of andere manier van de hand zijn gegaan. Ik acht dat laatste iets waarschijnlijker, gelet op de conditie van het exemplaar, dat nog de oorspronkelijke ongesneden staat verraad, die later ietwat onzorgvuldig is gesneden.

Een vergelijking tussen de eerste en de tweede druk

Deze foto’s zijn van de betreffende exemplaren, door mij gemaakt:

Foto Vrees en beven 1e en 2e druk voorblad

Foto Vrees en beven 1e en 2e druk eerste pagina

Foto 1843 onderkant

Foto 1857 onderkant

In tegenstelling tot de tweede editie valt bij het voorblad op dat de gotische letters iets sierlijker zijn vormgegeven. De eerste streep is nagenoeg gelijk, terwijl de tweede streep die we bij de tweede editie zien (waaronder vanzelfsprekend te lezen valt ‘Anden Udgave’) bij de eerste uitgave ontbreekt. Daarentegen is de dikke streep van de eerste editie vervangen met een kleinere streep bij de tweede editie. In beide gevallen is het opmerkelijk dat het jaartal wordt afgesloten met een punt.

Onder de laatste streep lezen we bij de eerste editie:

Kjøbenhavn.
Faaes hos C.A. Reitzel.
Trykt i Bianco Lunos Bogtrykkeri.
1843.

(Kopenhagen.
Beschikbaar (Fås ) bij C.A. Reitzel.
Gedrukt in de Bianco Lunos Boekdrukkerij.
1843.)

Terwijl de tweede editie eindigt met:

Kjøbenhavn.
Forlagt af C.A. Reitzels Bo og Arvinger.
Bianco Lunos Bogtrykkeri ved F.S. Muhle.
1857.

(Kopenhagen.
Uitgegeven door C.A. Reitzel Bo* (?) en erfgenamen.
Bianco Lunos Boekdrukkerij door F.S. Muhle.
1857.)

(*Noot: op 4/1/’15, was hoogleraar Scandinavische taal- en letterkunde, prof. dr. Henk van der Liet zo vriendelijk mij te wijzen op het volgende: “De toevoeging “Bo” is hier de afkorting van het woord “Dødsbo”, dat in het Nederlands vertaald “nalatenschap” betekent. Daarmee wordt de aanduiding ook logisch, omdat er eveneens gewag wordt gemaakt van erfgenamen. Immers, Carl Andreas Reitzel was in 1853 overleden. De boekhandel van Reitzel bestaat overigens sinds een aantal jaren (helaas) niet meer, de naam is nog wel in gebruik, maar heeft zeer zeker niet meer de glans van weleer.”

Ander opvallend kenmerk is dat de pagina indeling gewijzigd is ten opzichte van de eerste editie. De tweede uitgave bevat in plaats van de 135 pagina’s (21 cm lengte) 127 pagina’s, terwijl juist het geheel iets handzamer oogt (20 cm lengte).

Overduidelijk een editie om nooit van de hand te doen, om als Kunst te waarderen en om ‘in de familie te laten’. Het is eigenlijk jammer dat de familie Hartmann niet in staat is geweest het boek binnen de familie te houden, gezien het daar een aardige historie heeft gehad en van de bron zelf is afgekomen, wat het mijns inziens in persoonlijke zin een waardevol exemplaar maakt. Maar zoals het gaat met alle dingen van mensen die sterven, ze komen in handen van mensen die de idee missen en slechts een betekenisloos object zien. Het is een nachtmerriescenario te bedenken dat dit boek ooit in handen komt van een onverlaat, die de nettowaarde van de kaft en het papier alles bij elkaar nog geen 10 eurocent toedicht en het werk of bij het oud-papier legt, dan wel met een stapel andere boeken aflevert bij De Slegte. Laat dit verhaal bijdragen aan het behoud van een lange geschiedenis, al is het boek voorlopig nog niet van mij af.

 

Noot:
Kierkegaard heeft bij leven alleen Of/Of uitverkocht zien raken. Alle publicaties die bij leven daarna verschenen bij de drukker Carl Andreas Reitzel raakten (naar mijn weten) niet uitverkocht. Een overzicht van enkele werken geeft een indruk over de oplage en verkochte aantallen:

Uitgave van:GedruktVerkochtRestant
Of/of5255250
Vrees en beven525321204
Herhaling525272253
Filosofische kruimels525229296
Het begrip angst25016585
Stadia op de levensweg525245280
Afsluitend onwetenschappelijk naschrift500119381
Een literaire recensie525131394

(Bron: Garff, J. (2004). Sören Kierkegaard.- Vertaling van mijn hand)

In principe had Kierkegaard weinig moeite met het niet uitverkocht raken van zijn boeken. Sterker nog, zijn bezwaren tegen de tweede druk van Of/Of waren groot, omdat hij een strakke consistentie wilde handhaven ten aanzien van het verschijnen van de pseudonieme en niet-pseudonieme werken. Met een herdruk zou het schrijven wel eens louter als “esthetisch” kunnen worden begrepen.  Het boek dat op 20 februari 1843 was verschenen was in 1846 uitverkocht en zowel Reitzel als een andere drukker (P.G. Philipsen) waren geïnteresseerd in een herdruk. Het kwam er in 1849 alsnog van (met een oplage van 750 stuks), omdat Kierkegaard de rode lijn had weten vlot te trekken met verschillende (voorbereide) publicaties, waaronder het belangrijke “Het gezichtspunt voor mijn werkzaamheid als schrijver”, “Over mijn werk als een schrijver” en “Gewapende neutraliteit”.

De reden overigens waarom dit boek als enige hoogstwaarschijnlijk uitverkocht is geraakt, hangt samen met de mystiek omtrent het boek. Het mysterieuze pseudoniem (Victor Eremita) en de al even mysterieuze inhoud en verborgen boodschappen van het boek, maakte dat de Kopenhagers, gretig benieuwd waren geraakt naar wat er allemaal achter zat. Toen gaandeweg duidelijk werd dat Kierkegaard de auteur was van de boeken, was het mysterie ontrafeld, en liep de interesse voor zijn boeken (zowel pseudoniem als onder eigen naam gepubliceerd) terug.

Eerste editie (te koop)

Eerste editie II (te koop)

De politieke realiteit als paradox

“Het poldermodel is failliet, we moeten gaan polderen”

Komende maanden zullen we dankzij onze ongetemperde mediacratie overgoten worden met politieke tegenstellingen. De bedoeling is dat we onze plaats bepalen in de wirwar van (sub)ideologie, pragmatisme en populistisch gekrakeel. Daarbij worden we gedreven door de hoop dat onze keuze de beste oplossing voor de moeilijkste problemen betekent, door een eigen agenda en/of een geloof in de democratie (stemplicht), in het achterhoofd houdende dat de overgrote meerderheid geen enkel idee heeft van de complexe politieke problematiek en economische realiteit.

Het huidige politieke landschap stemt echter buitengewoon somber. De voornaamste reden daarvoor is dat de pluriformiteit van de Nederlandse samenleving het politieke stelsel heeft lamgelegd. De zetelverdeling van 2010 heeft deze sluimerende verdeeldheid en politieke versnippering onverbiddelijk aan het licht gebracht. Het failliet van het poldermodel, is met de afgebroken onderhandelingen en de onwillige oppositie bovendien nogmaals bevestigd.

De pluriformiteit maakt echter een poldermodel binnen het huidige politieke systeem noodzakelijk. En daarom is op voorhand de uitslag van de nieuwe verkiezingen geen oplossing voor het bestaande probleem, maar slechts het probleem opnieuw definiëren, oftewel de paradox bevestigen. De overstelpende klaarblijkelijkheid van deze constatering maakt het onbegrip over het handhaven van het huidige systeem alleen maar onbegrijpelijker. Nog los van de onbegrijpelijke beweegredenen van de PVV om uit de gedoogconstructie te stappen. Als er al sprake was van de mogelijkheid tot politieke macht, dan was dit nu het geval-en wel buitengewoon riant. Met deze beweging van de PVV geeft ze feitelijk haar politieke invloed voor de komende jaren op. Het is te hopen dat de PVV-kiezer zal beseffen dat politieke invloed slechts kan plaatsvinden door middel van samenwerking, en slechts in een totalitaire staat een eigen partijprogramma tot in de puntjes kan worden vervuld.

Ter illustratie geef ik hier de situatie van 2010, en daarachter mijn voorspelling voor 2012:

Partij2010Voorspelling 2012
VVD3132
PvdA3024
PVV2418
CDA2115
SP1524
D661015
GroenLinks1012
ChristenUnie55
SGP22
Partij voor de Dieren22

 

Ongeacht of deze voorspelling realiteit wordt, het blijkt overduidelijk dat de vragen omtrent coalitievorming onverminderd belangrijk blijven: Waar haalt Links 28 zetels vandaan? Centrum Rechts is per definitie onmogelijk geworden, aangezien de PVV zichzelf heeft geïsoleerd. En juist het feit dat deze partij zich heeft geïsoleerd maakt een coalitie die te verzinnen is onmogelijk. Paars-plus blijkt de enige haalbare optie, maar dan moeten de mislukkingen van Paars II vergeten worden en zal er desondanks gepolderd moeten worden, wat het oppositie-populisme in de kaart zal spelen.

Oplossingen? Plato laten we voorlopig nog maar even in de kast. Een forse kiesdrempel lijkt op korte termijn de enige realistische oplossing en dan geen 5% maar 8% van het totaal aantal uitgebrachte stemmen. Dat zal voor de eerstvolgende verkiezingen een onmogelijke kaart blijken, maar de paradoxale situatie die zal ontstaan moet leiden naar een hervorming van het democratische bestel. Tot die tijd kunnen we ons verheugen met allerlei stukken, boeken, debatten, uitzendingen en krantenartikelen die al deze bovenstaande eenvoudige constateringen slechts zullen bevestigen.

Het ondoorgrondelijke zelf: Authenticiteit als een permanente constructie

Een fragmentarische overdenking

In deze bijdrage volgt een uiteenzetting over het begrip authenticiteit, zoals dit ter sprake is gekomen tijdens een Thomas More Fellowship-bijeenkomst op 25 maart 2012, aangevuld met persoonlijke analyses. Het fragmentarische karakter van deze uiteenzetting is daarbij bij uitstek geschikt om zelf verder te denken of te onderzoeken.

1. Authenticiteit als begrip

Authenticiteit is een begrip dat in filosofische zin zeer te lijden heeft aan gebrek aan heldere betekenis. De terugkerende onduidelijkheid over de precieze bedoeling van het woord, maakt dat in een discussie verschillende opvattingen al spoedig door elkaar lopen. Dat iedereen in beginsel een bepaald idee heeft bij authenticiteit maakt het niet eenvoudiger, eerder complexer. Gedurende de bijeenkomst van ruim vier uren, is in ieder geval een duidelijke definitie achterwege gebleven. Daarom: wat is de persoonlijke definitie van authentiek (willen) zijn? En wat is de algemene definitie van het authentieke (zoeken)?

2. Authenticiteit in historische zin

In historische zin is er weinig twijfel over dat Jean Jacques Rousseau met zijn natuurfilosofie aan de basis heeft gestaan van de renaissance van het begrip authenticiteit. Als antwoord op Thomas Hobbes formuleerde Rousseau een positieve natuurfilosofie, waarin de natuur als zuiver wordt voorgesteld. En juist, de mens is van die zuiverheid steeds meer afgedwaald. Ideeën als vrije opvoeding en een oorspronkelijke afkeur voor privébezit staan daarin onder meer centraal. In hedendaagse zin kan de afkeer van bureaucratie daaraan worden toegevoegd. De discrepantie tussen eigenheid en bureaucratie zal ik uitwerken onder de kop identiteit en authenticiteit.

3. Commerciële opvattingen en authenticiteit

Met name de commerciële uitbating van het begrip authenticiteit, ligt voor de hand voor ogen te hebben. Daarbij zou authenticiteit voornamelijk betrekking hebben op herkenbaarheid. Het identificeren met een bepaald patroon, een bepaald idee of een bepaalde voorstelling, kan men dan als authentiek opvatten. In talloze commerciële verwijzingen is de opvatting van authenticiteit als herkenbaarheid te herkennen.

De voedselindustrie heeft de afgelopen jaren op bijzondere wijze gebruik gemaakt van het idee dat oorspronkelijkheid, zuiverheid en originaliteit aantrekkelijk is voor consumenten. Daarbij hoeven we slechts te denken aan zaken als echte boter, gaan voor puur, natuurlijke ingrediënten, oma’s recept, geen gebruik gemaakt van geur- en smaakstoffen enzovoorts.

Het idee dat deze zuiverheid samenhangt met een stringent individualisme is niet te onderdrukken. Daarnaast verhult het ook niet de zoektocht van de mens naar iets wat betekenis heeft. En zo iets primairs als voedsel is dan bij uitstek de manier om een gedeelte van betekenisvolle identiteit te vinden. Wie namelijk gaat voor het ‘echte, het originele en het zuivere’ (waarvan de betekenis strikt genomen even onduidelijk is als authenticiteit zelf) toont zich daarmee en bepaalt zelf, een misschien wel nastrevenswaardige zelf. Het individualisme gekoppeld aan commerciële en persoonlijke authenticiteit vindt men ook uitdrukkelijk terug bij grote merken (‘have it your way,’ ‘I’m loving it’). Een iets uitgebreidere kritiek die hierop aansluit is te vinden in het recent verschenen boek van Maarten Doorman. Met name het tweede gedeelte haakt hierop in. Een recensie van het boek is te lezen op

https://www.8weekly.nl/artikel/9902/maarten-doorman-rousseau-en-ik-het-grote-echte-theater.html

4. Vooronderstellingen bij authenticiteit

Daarmee wordt een eerste vooronderstelling die kleeft aan het begrip authenticiteit ontmaskerd: namelijk dat authenticiteit nastrevenswaardig is en het haast paradoxaal klinkt als iemand zegt: ‘authenticiteit is een negatief begrip’. Van deze vooronderstelling zal overigens in deze uiteenzetting worden uitgegaan. Een tweede vooronderstelling zit in de verwijzing naar vroeger, en het idee dat het vroegere beter is. Waarbij authenticiteit, of het zoeken naar authenticiteit ook kan worden omschreven als ‘het permanent op zoek zijn naar iets wat nooit is geweest’. Of in ieder geval op zoek zijn naar waarvan men vermoedt dat het is geweest, en daarbij dus probeert de voorstelling die men zelf heeft gecreëerd te verwezenlijken.

Authenticiteit zou (in het verlengde hiervan) ook kunnen worden opgevat als overtuigende schijn. Als een manier van zelfbegoocheling, maar zodanig dat men wel op de hoogte is van deze begoocheling. Een bewust kiezen van een bepaald merk bijvoorbeeld, omdat dit past bij een bepaalde levensstijl. Waarbij het dan onduidelijk is of de levensstijl het merk bepaalt, of het merk de levensstijl. Het kiezen voor een verwijzing die waardevoller is dan een andere verwijzing. Identiteit wordt ook hier ontleent aan een gecreëerd beeld.

5. Authentiek zoeken naar het authentieke heft het authentieke op

In persoonlijke zin, is het authentieke ook paradoxaal. Op het authentieke krijgt men geen grip. Men kan niet zijn best doen authentiek te zijn. Het is als Cohen die voor de spiegel moest oefenen de echte Cohen te zijn. En wat was de echte Cohen? De Cohen die het goed zou doen bij de kiezers. En dus wordt er een authentiek profiel geschetst van de politicus die in electoraal opzicht het best zou kunnen presteren. Wat uiteraard niets meer te maken heeft met de politicus als persoon. Waarbij het gevaar op de loer ligt dat men uiteindelijk, zoals in iedere rol, gaat geloven dat de rol echt is. Wilders die Wilders speelt, maar dat zelf niet meer doorheeft. De cultivatietheorie (Gerbner) heeft daarmee als mediatheorie de meest verklarende kracht, hetzij dat de mensen in de media, zowel de media bepalen als dat ze erdoor bepaald worden.

6. Authenticiteit en identiteit

Waar het gaat over de identiteit, en waarbij wordt nagestreefd die identiteit zo authentiek mogelijk te laten zijn, ontdekt men een voortdurende discrepantie tussen wil en wet. Tussen wat men zou willen doen of zeggen, en wat men kan doen of zeggen. De persoonlijkheid, opgebouwd uit talloze verschillende rollen, weegt in iedere situatie af welke houding of handeling gepast is. Professionele rollen bijvoorbeeld verdragen weinig authenticiteit: het past niet een kwakkelende directeur die om onduidelijke redenen een machtspositie heeft verworven de les te lezen, als wij in de positie zitten van bijvoorbeeld eenvoudige werknemer. Mensen op hoge posities hebben soms de neiging hun macht te gebruiken om potentiële ontmaskeraars (in de breedste zin van het woord) te dwarsbomen. Al dan niet zelfbenoemde cultuurbewakers (van de bedrijfscultuur, de ondernemingsstrategie tot ‘de manier zoals wij het altijd hier al gedaan hebben’) van een organisatie zijn de doodsteek voor de authentieke werknemer.

Dan maakt het authentieke handelen, opgevat als mededelen wat men primair voelt en vindt, plaats voor het strategisch handelen, opgevat als tactisch spel, waarbij bijvoorbeeld belangen voor de lange termijn worden zeker gesteld (behoud van functie, carrière perspectief enzovoorts). Dit spanningsveld, waarbij oprechtheid een belangrijk onderdeel uitmaakt van authenticiteit, plaatst de persoonlijkheid voor ingewikkelde dilemma’s: jezelf zijn vereist moed. Aan de andere kant: jezelf zijn vereist ook verstand. En het moedige is niet altijd verstandig. Eén ding moet men echter niet uit het oog verliezen: een wel overwogen keuze ontstaan uit oprechtheid mag nooit achterwege worden gelaten omdat ze potentieel nadelig is.

Het is de kunst om de balans te vinden tussen authenticiteit, waarbij men zichzelf niet hoeft te verloochenen (door bijvoorbeeld in te stemmen met mismanagement, ethische onbehoorlijkheid en machtsmisbruik) en de strategische rol. De rol die men overigens langzaam maar zeker vormt –waardoor de rol als rol uit het oog verloren dreigt te geraken- en feitelijk al sinds de eerste presentatie (de brief, het sollicitatiegesprek) een bepaalde richting krijgt. Het is de vraag of een boek over authentiek solliciteren, veel succesvolle sollicitaties bewerkstelligt…

7. Authenticiteit en identiteit II

De geschiedenis van de filosofie, is bij uitstek geschikt om de relatie tussen authenticiteit en identiteit te onderzoeken. Kenmerkende levensverhalen van bijvoorbeeld Socrates, Petrus, Th. More en Kierkegaard plaatsen het spanningsveld tussen het authentieke leven en de veilige rol in een apart kader. Daarbij is het de vraag of (en vooral in welke zin gelet op de radicaliteit voor de keuze van het authentieke leven) deze levens als voorbeeld kunnen dienen voor hedendaagse individuen. In onze beleving gaat het in deze levens bovendien om een positieve keuze, waarbij we denken over de teleologische suspensie van het ethische (Abraham vs. 9/11) zelf even opschorten…

Als authenticiteit nastrevenswaardig is en we Socrates authentiek zouden willen noemen, is hij dan een voorbeeld voor ons? Ja en nee. Stel dat een gevonden definitie als deze “Authenticiteit is jezelf kritisch afstemmen op de samenleving vanuit de jouw aangereikte sociale en culturele patronen. Waarbij zowel je eigen integriteit als die van anderen niet wordt geschonden. (Th. Caspers)” als uitgangspunt wordt gehanteerd, dan vereist ons leven een andere afstemming op de samenleving dan het leven van Socrates. Immers, het was niet Socrates die stierf, maar het lichaam van Socrates. Maar in hoeverre kunnen (willen) wij dat zeggen? En is het een voorwaarde om te kunnen sterven voor een ideaal? Welke voorbeelden geeft de geschiedenis van denkers en strijders die niet stierven met een metafysisch idee in het achterhoofd, maar het louter deden bijvoorbeeld voor volk en vaderland? En is er een verschil tussen iemand die authentiek sterft omwille van volk en vaderland zonder metafysisch idee en iemand die sterft met een bepaalde reden met metafysisch idee (hemel, filosofen hemel, reïncarnatie, etc.).

Het gevaar van dergelijke scherpe authenticiteit is daarmee gelijk duidelijk: de lat wordt zo hoog gelegd dat er een voorbehoud wordt gemaakt bij dergelijke authenticiteit. Wat is het immers waard als men een gifbeker leeg drinkt omwille van een eenvoudig idee? Iemand zegt ook: Socrates had moeten voortleven. Hij had moeten kiezen voor zijn leerlingen en zijn verhaal op het plein. Een horzel die zichzelf te pletter vliegt kan niemand meer lastigvallen.

En wat is de verhouding tussen ultieme eerlijkheid en nuttige effectiviteit in een leven? Moet een intentie altijd zuiver zijn, indien dit nadelige gevolgen heeft? Als de handeling aanzienlijk persoonlijk voordeel oplevert wanneer de intentie niet zuiver is, is ze daarmee gerechtvaardigd -bijvoorbeeld aangenomen dat ze geen anderen kwaad heeft gedaan (is het überhaupt mogelijk dat een onzuivere intentie geen negatieve gevolgen heeft voor een ander)? Kant en Benthem op de beide schouders de mens toefluisterend…

Anders dan Socrates, is het levensverhaal van apostel Petrus misschien beter toe te passen en te vertalen naar de huidige (christelijke) tijd.

8. Een gebeurtenis

[59] Even later zag iemand anders hem en zei: ‘Jij bent ook een van hen.’ Maar Petrus zei: ‘Welnee man.’ [59] Ongeveer een uur later zei iemand met grote stelligheid: ‘Wel degelijk, hij hoorde ook bij Hem; hij is immers ook een Galileeër.’ [60] Maar Petrus zei: ‘Man, ik weet niet waar je het over hebt!’ Hij had dat nog niet gezegd, of er kraaide een haan. [61] De Heer keerde zich om en keek Petrus aan, en Petrus herinnerde zich wat de Heer tegen hem had gezegd: ‘Voor de haan vandaag kraait, zul je Me driemaal verloochend hebben.’ [62] Hij liep naar buiten en schreide bittere tranen. [63] (Willibrord vertaling 1995)

Hoe anders verloopt het daarna met Petrus? Het is niet voor niets dat men hier spreekt van ‘oude Petrus’. In Handelingen 2 citeert Petrus een Psalm van David: “Ja, mijn lichaam zal behouden blijven, want u zult mij niet overleveren aan het dodenrijk.” Na de dood van Christus, na Pinksteren is er een nieuwe (authentieke/authentiekere?) Petrus. Die niet meer zal verloochenen. Is er sprake van een indaling van een metafysische zekerheid?

Maar soms is het verloochenen juist het meest menselijke…(ontdek ook hier weer vooronderstellingen). Kiezen voor het eigen leven is in deze tijd wat dat betreft niet onbegrijpelijk. En misschien is het wel in geen enkele tijd onbegrijpelijk. Behalve dan dat het individualisme ons angst heeft aangejaagd te kiezen, ongeacht, voor het algemene- of zoals J.H. Newman zich afvraagt in zijn Grammer of Assent, nadat hij een indrukwekkend overzicht heeft gegeven van radicale keuzes:

Whence came this tremendous spirit, scaring, nay, offending, the fastidious criticism of our delicate days? (1870; p.483)

Eén ding is zeker: ondanks het postmodernisme (of juist dankzij het postmodernisme), is het duidelijk geworden dat religie niet verdwijnt, maar alleen van gedaante verandert- wat betekent dat het individu zich ten opzichte van religie ook anders is en soms moet gaan verhouden.

9. Kierkegaard en authenticiteit

Nog een stap dichter bij onze tijd, waar het gaat om het authentieke leven en het niet angstig zijn om te kiezen voor ideeën waar men voor staat en leeft, komen we uit bij Kierkegaard (die overigens Socrates als leermeester had). Anders dan Petrus en Socrates is de Kierkegaardiaanse authenticiteit niet bedreigd in het leven, als wel bedreigd in de reputatie. De gunstige voorwaarden die Kierkegaard genoot (een kapitaal meekrijgen van zijn vader, waardoor een zekere onafhankelijke positie was gegarandeerd) waren wat dat betreft uitgangspunt om een reputatie op het spel te kunnen zetten. Maar dan nog is dat niet vanzelfsprekend. De relatie tussen onafhankelijk zijn en authentiek zijn is daarmee wel gemaakt. Hoe zouden wij ons gedragen indien wij niet afhankelijk zouden zijn van bijvoorbeeld een werkgever? Indien we binnen de grenzen van de moraal zouden kunnen zeggen wat we zouden willen? Kierkegaard heeft in dat opzicht nooit compromissen gesloten. Ook heeft hij nooit nagelaten sociale bindingen te offeren-tegen een hoge prijs. Daarnaast, Kierkegaard heeft wel altijd beseft dat hij een authentieke rol in de historie zou gaan innemen. In hoeverre is dat van belang? En wat betekent een dergelijk idee?

In hoeverre zijn wij bereid sociale en emotionele bindingen te offeren omwille van onze eigen authenticiteit? In hoeverre spelen wij in sociaal opzicht ook niet een rol die in vele gevallen niet overeenkomt met hoe wij ons werkelijk voelen? Is het ethisch authenticiteit te verkiezen boven sociale binding? Misschien wel, juist omwille van de ander en de relatie.

10. Authenticiteit moeten we zoeken in het kleine, en niet in het grote

Wat zou iemand zeggen over ons wanneer we zouden sterven? Welke woorden zou iemand uitspreken bij ons graf? En stel dat wij 1000 willekeurige levens nemen en de 1000 daaraan verbonden grafreden zouden bestuderen, zouden we dan de voor ons bedoelde tekst eruit kunnen halen? En indien we hiertoe niet in staat blijken te zijn, is dat dan erg? Was ons leven dan niet authentiek?

Wie geen oog heeft voor het kleine detail, zal nooit het grote geheel zien. Een authentiek leven hoeft niet altijd samen te vallen met een radicale keuze. Het kan ook een verrassende keuze zijn. Een keuze waarbij we onszelf kwetsbaar tonen, onze reputatie in de waagschaal durven stellen, vanzelfsprekendheden proberen te ondermijnen, mensen uitnodigen die we nog nooit in ons leven hebben gezien of gesproken.

Eén ding blijft bij dit alles belangrijk te onthouden (en het zo te onthouden dat men het vergeet). Het authentieke zelf is permanent onder constructie. Deze tekst hoopt daarbij een schroef te zijn.

Waarom wraking onverantwoord en onzinnig is vanuit menselijk oogpunt

Vandaag is de rechtszaak begonnen tegen de Let Robert M.

De roerige ontwikkelingen van de eerste dag hadden vooral betrekking op het spreekrecht van de ouders. De rechtbank wil dat toestaan, de verdediging vindt dat onwettig. En zo werd het spreekrecht aanleiding tot het wrakingsverzoek. Een van de zwaarste juridische middelen die een verdediging kan inzetten.

 In deze korte bijdrage geef ik drie argumenten, waarom het onverantwoord en onzinnig is de rechters in deze zaak te vervangen.

 1. Moreel-ethisch argument: Leed betrokken ouders

Indien het wrakingsverzoek zou worden toegekend, zou dit een vertraging betekenen van zeker enkele maanden met betrekking tot het strafproces. Dit is vanuit emotioneel oogpunt beschouwd onethisch. Praktisch gezien betekent dit een additionele zware emotionele belasting van meer dan honderden mensen. Men kan per definitie niet verwachten dat slachtoffers in juridische zin een emotioneel voorbehoud kunnen maken (want wraking kan uiteraard altijd plaatsvinden), maar dat het door de rechtbank toegekende spreekrecht een belangrijke factor is om de wraking te legitimeren, betekent dat leed van ouders zelfs via een juridische procedure kan worden versterkt. Dat kan nooit de bedoeling zijn van de rechtsprekende noch de wetgevende macht.

2. Juridisch argument: spreekrecht is niet in het belang van de dader (tegenwerping)

Het idee van de verdediging dat spreekrecht niet in het belang is van hun cliënt, lijkt vanzelfsprekend, maar is tevens een argument dat bij nader inzien niet bijzonder steekhoudend is. Los van het feit dat de wetgever voornemens is een verruiming van het spreekrecht in te voeren, en het argument slechts kan bestaan omdat die wetgeving er nog niet is, wordt het idee dat onze rechtsstaat rechters levert die principieel neutraal staan ten opzichte van aangedragen feiten, verhalen en bovenal emoties op zo’n manier door de verdediging betwijfeld, dat dit ook voor volgende rechters geldt, en dat is paradoxaal.

De zogenaamde objectiviteit van een rechter is fundamenteel onherleidbaar, wat dus zowel voor deze rechters geldt als voor de rechters die eventueel de huidige rechters vervangen. Stel bijvoorbeeld eens voor dat het wrakingsverzoek wordt toegekend en slachtoffers besluiten om hun voorgenomen betoog gezamenlijk en gecontroleerd via de media naar buiten te brengen, heeft de verdediging dan het idee dat ook deze rechters niet meer objectief de feiten van het misdrijf kunnen wegen?

Daarbij, het feit dat er beeldmateriaal zal worden getoond, er uitvoerige beschrijvingen beschikbaar zijn van wat er precies is gebeurd, werkt dusdanig op de emotie dat het mogelijk emotionele effect op de rechters van het spreekrecht daarbij in het niet valt.

3. Juridisch argument II: toekennen spreekrecht is partijdig (tegenwerping)

Het toekennen van spreekrecht door de rechtbank zou volgens de verdediging erop duiden dat de rechters in deze partijdig zijn, omdat ze iets toekennen aan slachtoffers wat wettelijk gezien niet zou mogen. Spreekrecht is echter eerder een vorm van verwerking, en erkenning van het persoonlijke leed van een slachtoffer, dan dat het een middel is om rechters te beïnvloeden. Dat de rechter in deze dat erkent, zegt niets over partijdigheid, als wel over menselijkheid. Wat ook niet moet worden miskend is dat het hier om een wat betreft omvang en impact unieke zaak gaat, waarbij er met recht mag worden getwijfeld aan de algemene juridische toepasbaarheid van het recente arrest van de Hoge Raad. Daar zal ik hier niet nader bij stil staan.

Een rechter heeft ook iets aan de samenleving te verantwoorden, en deze toekenning van spreekrecht beantwoordt daaraan. Dat maakt hem zowel objectief als menselijk. Dat de rechter geen oor zou hebben voor het verhaal van de verdachte, is even absurd als onzinnig, aangezien het proces nog niet eens echt begonnen is. Wat dat betreft zouden de rechters er goed aan doen te zeggen dat ze graag bereid zijn om twee dagen lang alleen maar naar het verhaal van Robert te luisteren. We willen immers niet dat zijn kant onderbelicht zou blijven.

 

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2021 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"