Stephan Wetzels
Denken en Zijn

“Niemand krijgt mij klein”

PVV-leider Wilders is verrast door het ontslag van de PVV-Kamerleden Wim Kortenoeven en Marcial Hernandez. Hij noemt de twee fractieleden ‘rancuneus’.

De aanhoudende onrust binnen de PVV is niet verrassend, evenmin als het ontslag van de PVV-Kamerleden. De symptomen die we nu zien zijn simpelweg typisch voor het populisme (dat ironisch genoeg wordt gedragen door één man). ‘In naam van het volk spreken’ is namelijk retorisch ijzersterk, maar praktisch zo vreselijk onhandig. Het is niet voor niets dat het populisme het beste gedijt in een context zonder verantwoordelijkheid. Zodra er sprake is van verantwoordelijkheid (denk aan het provinciebestuur in Limburg), kan het populisme de politieke (coalitie) dynamiek niet meer het hoofd bieden en moet het met allerlei paradoxen worstelen. De parlementaire gedoogconstructie leek daarom een briljante vondst: gewoon kunnen blijven roepen wat iedereen wil horen, en ondertussen toch aan de knoppen zitten.

Helaas bleek ook aan de gedoogconstructie teveel verantwoordelijkheid te zitten. Het Catshuisfiasco toont dat aan. Met het vertrek van PVV-kamerleden Kortenoeven en Hernandez komt het mislukken van het akkoord echter ook nog in een interessant ander perspectief te staan.

Het ligt sterk voor de hand dat Wilders op dat moment al het vermoeden had dat zijn partij zou breken bij een Catshuis-akkoord. Dat zou hebben betekent dat de gedoogconstructie (zelfs met de SGP erbij) definitief zou zijn ontploft en Wilders persoonlijk verantwoordelijk zou zijn gehouden voor de daaropvolgende politieke onmacht. Het zou een directe ontmaskering hebben betekend voor het populisme. Door het eenzijdig opzeggen van de onderhandelingen heeft Wilders toen de kikkers nog in de kruiwagen weten te houden, maar daar is nu definitief een einde aan gekomen. Op de politieke besluitvorming heeft het nu echter geen enkel effect, slechts op de beeldvorming. En juist daarin heeft Wilders zich altijd heer en meester getoond. Tot gisteren.

Tegen zijn gewoontes in moest hij namelijk opdraven bij die verfoeide linkse mediarubrieken als 1vandaag en Nieuwsuur. Louter voor damagecontrol. Het interview met de voor zijn doen ongemeen felle Twan Huys toonde voor het eerst echte zwakke plekken bij Wilders en voelde daarom buitengewoon ongemakkelijk. Want juist de retorische kracht van Wilders –waarin hij soeverein was- stond hier onder hoogspanning. Hij kreeg het simpelweg niet meer uitgelegd. Nooit eerder stond zijn geloofwaardigheid zo onder druk. Het centrale argument voor het vertrek van de Kamerleden was volgens Wilders pure rancune op grond van ‘het vermoeden van laag op de kieslijst te komen of helemaal niet meer op de lijst te komen’. Maar een fractie later zien we in dezelfde Nieuwsuur-uitzending een Wilders die zich laat ontvallen: “Niemand krijgt mij klein”.

Niemand krijgt mij klein. Daarmee bevestigt hij het verwijt van de opgestapte fractiegenoten op de meest duidelijke manier: het gaat uiteindelijk maar om één persoon.  Het enige probleem is dat dit zo verdraaide lastig is te handhaven in een democratie.

Komende maanden zullen uitwijzen in hoeverre dat soevereine beeld van die krachtige leider -die het zeker niet voor niets heeft gekregen- daadwerkelijk schade heeft opgelopen. Joop en Truus mogen dan wel gevoelig zijn voor grote volkse beloften en nationale sympathieën met een scherpe en soms humoristische rand omkleed; uiteindelijk willen ook zij ernstig genomen worden.

Een kort pleidooi tegen het belasten van artsen in opleiding tot specialist (AIOS)

‘De medisch-specialistische vervolgopleidingen moeten korter, een AIOS moet een eigen bijdrage betalen en alle opleidingsziekenhuizen krijgen een gelijke vergoeding. Met enkele ingrijpende voorstellen wil een ambtelijke werkgroep voor meer dan 400 miljoen bezuinigen op de universitair medische centra…’

De hoeveelheid zotte bezuinigingsvoorstellen is onderhand niet meer te overzien. Links en rechts wordt op alles gekort wat van overheidswege beweegt. Nu heeft een ambtenarencommissie (beschermd onder het principe van de gezichtsloze bureaucratie)de artsen in opleiding tot specialist (AIOS) in het vizier gekregen. Bij goedkeuring in de Tweede Kamer zou het leiden tot een plan dat grofweg jaarlijks € 13.400 bruto weg harkt bij deze zorgmensen. Een laffe bezuiniging en wel om verschillende redenen die ik hier kort uiteen zal zetten.

Wat opvalt, is dat stoere bezuinigingsplannen steeds vaker worden losgelaten op groepen die relatief op weinig steun van de samenleving kunnen rekenen. Kom je bijvoorbeeld aan reiskosten, dan komt de samenleving in het geweer, omdat dit in de breedte vele mensen treft en de onredelijkheid ervan direct zichtbaar is.

Bij het belasten van artsen in opleiding ligt dat anders. Voor een patiënt (of een gemiddelde burger) is een “AIOS” immers een abstract begrip en gewoon een ‘dokter’. Daarnaast roept het begrip ‘arts’, ‘medisch specialist’ en zelfs ’dokter’ een grote hoeveelheid vooroordelen op omtrent het te verwachten salaris en toekomstperspectief bij mensen zonder verstand van zaken of inzicht in het medische landschap (i.e. ‘twee ton per jaar’, ‘veredelde beroepsopleiding’, etc.). Wat dat betreft hoeft deze beroepsgroep op weinig steun te rekenen vanuit de maatschappij en zal het vanuit de georganiseerde specialisten (in opleiding) zelf moeten komen.

Maar helaas heeft niet alleen de burger een beperkt en vertekend beeld van een AIOS. Gelet op wat via reguliere media bekend is van wat de ambtenaren hebben voorgesteld, lijkt het erop dat deze commissie zelf een zeer onvolledig en onzorgvuldig beeld heeft van een A(N)IOS. Het inmiddels veel geciteerde argument dat artsen ‘op termijn’ met hun salaris de ingeleverde bijdrage van € 80.000 ruimschoots terugverdienen is daar een voorbeeld van.

Op de eerste plaats moet het salaris worden afgezet tegen genoten opleiding. De reguliere opleiding tot basisarts leidt over het algemeen tot een gemiddelde studieschuld van ongeveer € 14.000, die gewoon moet worden afgelost. Het salaris wat als basisarts kan worden verdiend is hooguit gemiddeld te noemen. Daarbij vergeet ik voor het gemak de gratis geleverde zorg in de coschappen. Na het geploeter als assistent niet in opleiding tot specialist (waarbij het salaris omgerekend in gewerkte uren mager is te noemen) is een moeizaam verkregen specialistenplek geen speciale verworvenheid, maar een maatschappelijke noodzaak. Het salaris wat daarvoor staat is in verhouding tot gewerkte uren hooguit modaal. Wie verder leeft met het idee dat het gehele traject een veredelde hbo-studie betreft, zou eens een handboek carbohydrate chemie of moleculaire pathologie van gynaecologische carcinomen ter hand moeten nemen. Dat een specialist in opleiding een uitzonderingspositie zou innemen ten opzichte van andere academici (die niet tot hun 36e hoeven te wachten om aardig te gaan verdienen en gemiddeld vier opleidingsjaren in de schaal leggen), lijkt niet onderbouwd.

Op de tweede plaats moet het salaris worden afgezet tegen gewerkte uren. Bij een vastgesteld ANIOS/AIOS-salaris (dat schippert rond de € 2.959,- tot € 4.598 bruto, waarbij € 4598 pas na een tiental jaar wordt bereikt), wordt meestal uitgegaan van een 36-urige werkweek. Iedereen die het arbeidsethos van het (academische) ziekenhuis echter een beetje kent, weet dat 60 tot 70 uren per week werken, in onregelmatige diensten (nacht, weekenden, kerst, Pasen, etc.) geen uitzondering zijn. Desondanks blijft de 36-urige werkweek het uitgangspunt van het salaris. Dat dergelijke absurde uren worden gedraaid en op de een of andere manier zijn geaccepteerd, wijt ik aan de specifieke gesloten cultuur die de medische wereld kenmerkt. Desalniettemin, omgerekend komt de gemiddelde AIOS niet boven het salaris uit van een vuilnisman (niets ten nadelen daarvan). Dat bovendien naast de reguliere geneeskundige werkzaamheden vaak nog een proefschrift wordt verlangd (om in opleiding te komen), laat ik hier buiten beschouwing evenals de moeilijkheid om überhaupt in opleiding te komen. Als specialist tenslotte, wordt vanzelfsprekend de geïnvesteerde opleidingstijd beloond (vanuit een samenleving verlangt), maar die is in vergelijking niet navenant- zeker niet als men ook hier weer het werkelijk aantal gewerkte uren afzet tegen het verkregen salaris.

Dat brengt me bij het laatste punt. Het salaris afgezet tegen werkomstandigheden.

Waar een patiënt slechts een vriendelijke arts ontmoet, schuilt daarachter een concrete realiteit van een buitengewone maatschappelijke en ethische verantwoordelijkheid. We spreken hier dus over een buitengewoon collectief goed dat buitengewone solidariteit verlangd. De dagelijkse confrontatie met leven en dood bijvoorbeeld, is niet alleen psychisch een zware belasting (die op zich al een exceptionele professionaliteit vereist en rechtvaardigt), maar is ook een praxis die maar weinigen werkelijk vatten. Complexe ethische dilemma’s, ingewikkelde intermenselijke communicatie en levensbepalende beslissingen die velen hooguit kennen van filosofische boeken, zijn in de medische praktijk aan de orde van de dag.

Daarnaast zijn we aangekomen op een punt dat een samenleving zorg als verworvenheid is gaan beschouwen en op grond daarvan steeds meer eist van een specialist. De patiënt is kritischer, zelfbewuster en gaat meer dan ooit tevoren uit van zijn rechten. Daarmee kent het werk van de (kwetsbare) arts niet alleen een verantwoordelijkheid die met weinig academische opleidingen is te vergelijken, maar ligt tevens zijn handelen permanent onder een loep. Ook hier laat ik een en ander buiten beschouwing, zoals de bekende dilemma’s omtrent carrière en gezin of het verhuizen van Enschede via Amsterdam naar Groningen of Maastricht voor een opleidingsplek…

Bezuinigen is noodzaak en iedere groep waarop bezuinigd wordt heeft zijn eigen (legitieme) bezwaren. Dat wordt hier niet miskend. Maar de argumenten die ik hier in een notendop heb aangedragen en die met vele voorbeelden zouden kunnen worden aangevuld, maken dat het hier om een groep gaat waarbij het niet alleen ongewenst is dat die extra belast wordt (want natuurlijk wordt de kwaliteit er niet beter van), maar ook onrechtvaardig (het salarisargument snijdt geen hout).

De samenleving zou dit alles in acht genomen zich meer moeten laten gelden voor deze groep en zich minder moeten laten leiden door vooroordelen. Zolang een redelijke en overtuigende onderbouwing van deze maatregel uitblijft, kunnen de specialisten in opleiding rekenen op mijn sympathie.

De politieke realiteit als paradox

“Het poldermodel is failliet, we moeten gaan polderen”

Komende maanden zullen we dankzij onze ongetemperde mediacratie overgoten worden met politieke tegenstellingen. De bedoeling is dat we onze plaats bepalen in de wirwar van (sub)ideologie, pragmatisme en populistisch gekrakeel. Daarbij worden we gedreven door de hoop dat onze keuze de beste oplossing voor de moeilijkste problemen betekent, door een eigen agenda en/of een geloof in de democratie (stemplicht), in het achterhoofd houdende dat de overgrote meerderheid geen enkel idee heeft van de complexe politieke problematiek en economische realiteit.

Het huidige politieke landschap stemt echter buitengewoon somber. De voornaamste reden daarvoor is dat de pluriformiteit van de Nederlandse samenleving het politieke stelsel heeft lamgelegd. De zetelverdeling van 2010 heeft deze sluimerende verdeeldheid en politieke versnippering onverbiddelijk aan het licht gebracht. Het failliet van het poldermodel, is met de afgebroken onderhandelingen en de onwillige oppositie bovendien nogmaals bevestigd.

De pluriformiteit maakt echter een poldermodel binnen het huidige politieke systeem noodzakelijk. En daarom is op voorhand de uitslag van de nieuwe verkiezingen geen oplossing voor het bestaande probleem, maar slechts het probleem opnieuw definiëren, oftewel de paradox bevestigen. De overstelpende klaarblijkelijkheid van deze constatering maakt het onbegrip over het handhaven van het huidige systeem alleen maar onbegrijpelijker. Nog los van de onbegrijpelijke beweegredenen van de PVV om uit de gedoogconstructie te stappen. Als er al sprake was van de mogelijkheid tot politieke macht, dan was dit nu het geval-en wel buitengewoon riant. Met deze beweging van de PVV geeft ze feitelijk haar politieke invloed voor de komende jaren op. Het is te hopen dat de PVV-kiezer zal beseffen dat politieke invloed slechts kan plaatsvinden door middel van samenwerking, en slechts in een totalitaire staat een eigen partijprogramma tot in de puntjes kan worden vervuld.

Ter illustratie geef ik hier de situatie van 2010, en daarachter mijn voorspelling voor 2012:

Partij2010Voorspelling 2012
VVD3132
PvdA3024
PVV2418
CDA2115
SP1524
D661015
GroenLinks1012
ChristenUnie55
SGP22
Partij voor de Dieren22

 

Ongeacht of deze voorspelling realiteit wordt, het blijkt overduidelijk dat de vragen omtrent coalitievorming onverminderd belangrijk blijven: Waar haalt Links 28 zetels vandaan? Centrum Rechts is per definitie onmogelijk geworden, aangezien de PVV zichzelf heeft geïsoleerd. En juist het feit dat deze partij zich heeft geïsoleerd maakt een coalitie die te verzinnen is onmogelijk. Paars-plus blijkt de enige haalbare optie, maar dan moeten de mislukkingen van Paars II vergeten worden en zal er desondanks gepolderd moeten worden, wat het oppositie-populisme in de kaart zal spelen.

Oplossingen? Plato laten we voorlopig nog maar even in de kast. Een forse kiesdrempel lijkt op korte termijn de enige realistische oplossing en dan geen 5% maar 8% van het totaal aantal uitgebrachte stemmen. Dat zal voor de eerstvolgende verkiezingen een onmogelijke kaart blijken, maar de paradoxale situatie die zal ontstaan moet leiden naar een hervorming van het democratische bestel. Tot die tijd kunnen we ons verheugen met allerlei stukken, boeken, debatten, uitzendingen en krantenartikelen die al deze bovenstaande eenvoudige constateringen slechts zullen bevestigen.

Waarom wraking onverantwoord en onzinnig is vanuit menselijk oogpunt

Vandaag is de rechtszaak begonnen tegen de Let Robert M.

De roerige ontwikkelingen van de eerste dag hadden vooral betrekking op het spreekrecht van de ouders. De rechtbank wil dat toestaan, de verdediging vindt dat onwettig. En zo werd het spreekrecht aanleiding tot het wrakingsverzoek. Een van de zwaarste juridische middelen die een verdediging kan inzetten.

 In deze korte bijdrage geef ik drie argumenten, waarom het onverantwoord en onzinnig is de rechters in deze zaak te vervangen.

 1. Moreel-ethisch argument: Leed betrokken ouders

Indien het wrakingsverzoek zou worden toegekend, zou dit een vertraging betekenen van zeker enkele maanden met betrekking tot het strafproces. Dit is vanuit emotioneel oogpunt beschouwd onethisch. Praktisch gezien betekent dit een additionele zware emotionele belasting van meer dan honderden mensen. Men kan per definitie niet verwachten dat slachtoffers in juridische zin een emotioneel voorbehoud kunnen maken (want wraking kan uiteraard altijd plaatsvinden), maar dat het door de rechtbank toegekende spreekrecht een belangrijke factor is om de wraking te legitimeren, betekent dat leed van ouders zelfs via een juridische procedure kan worden versterkt. Dat kan nooit de bedoeling zijn van de rechtsprekende noch de wetgevende macht.

2. Juridisch argument: spreekrecht is niet in het belang van de dader (tegenwerping)

Het idee van de verdediging dat spreekrecht niet in het belang is van hun cliënt, lijkt vanzelfsprekend, maar is tevens een argument dat bij nader inzien niet bijzonder steekhoudend is. Los van het feit dat de wetgever voornemens is een verruiming van het spreekrecht in te voeren, en het argument slechts kan bestaan omdat die wetgeving er nog niet is, wordt het idee dat onze rechtsstaat rechters levert die principieel neutraal staan ten opzichte van aangedragen feiten, verhalen en bovenal emoties op zo’n manier door de verdediging betwijfeld, dat dit ook voor volgende rechters geldt, en dat is paradoxaal.

De zogenaamde objectiviteit van een rechter is fundamenteel onherleidbaar, wat dus zowel voor deze rechters geldt als voor de rechters die eventueel de huidige rechters vervangen. Stel bijvoorbeeld eens voor dat het wrakingsverzoek wordt toegekend en slachtoffers besluiten om hun voorgenomen betoog gezamenlijk en gecontroleerd via de media naar buiten te brengen, heeft de verdediging dan het idee dat ook deze rechters niet meer objectief de feiten van het misdrijf kunnen wegen?

Daarbij, het feit dat er beeldmateriaal zal worden getoond, er uitvoerige beschrijvingen beschikbaar zijn van wat er precies is gebeurd, werkt dusdanig op de emotie dat het mogelijk emotionele effect op de rechters van het spreekrecht daarbij in het niet valt.

3. Juridisch argument II: toekennen spreekrecht is partijdig (tegenwerping)

Het toekennen van spreekrecht door de rechtbank zou volgens de verdediging erop duiden dat de rechters in deze partijdig zijn, omdat ze iets toekennen aan slachtoffers wat wettelijk gezien niet zou mogen. Spreekrecht is echter eerder een vorm van verwerking, en erkenning van het persoonlijke leed van een slachtoffer, dan dat het een middel is om rechters te beïnvloeden. Dat de rechter in deze dat erkent, zegt niets over partijdigheid, als wel over menselijkheid. Wat ook niet moet worden miskend is dat het hier om een wat betreft omvang en impact unieke zaak gaat, waarbij er met recht mag worden getwijfeld aan de algemene juridische toepasbaarheid van het recente arrest van de Hoge Raad. Daar zal ik hier niet nader bij stil staan.

Een rechter heeft ook iets aan de samenleving te verantwoorden, en deze toekenning van spreekrecht beantwoordt daaraan. Dat maakt hem zowel objectief als menselijk. Dat de rechter geen oor zou hebben voor het verhaal van de verdachte, is even absurd als onzinnig, aangezien het proces nog niet eens echt begonnen is. Wat dat betreft zouden de rechters er goed aan doen te zeggen dat ze graag bereid zijn om twee dagen lang alleen maar naar het verhaal van Robert te luisteren. We willen immers niet dat zijn kant onderbelicht zou blijven.

 

Een intellectueel is niet altijd verstandig

Marja van Bijsterveldt heeft ‘niet het intellectuele niveau’ om minister van Onderwijs te zijn. Deze uitspraak deed het bestuurslid Marten Kircz van onderwijsbond AOb donderdag na afloop van de lerarenstaking. En ook na een nachtje slapen neem Kircz zijn woorden over minister Marja van Bijsterveldt (CDA) niet terug.

Laten we even aannemen dat een intellectueel iemand is met een uitstekende algemene ontwikkeling, opgedaan door ervaring of door onderwijs of door een combinatie van deze twee, die voorts beschouwelijk is aangelegd, zorgvuldig nadenkt en het vermogen heeft sterk rationeel te kunnen overwegen. Met deze definitie leggen we dan intuïtief de nadruk op rationele intelligentie, terwijl er ook zoiets is als sociale intelligentie. Communicatief sterk, empathisch, reflexief, relationeel betrokken, grote mensenkennis, hart voor de zaak enzovoorts.

Het aardige is dat het onduidelijk is over welke vorm van intellectualiteit het hier gaat. In alle discussies die ontstaan zijn na de uitspraak dat de minister van Onderwijs niet het intellectuele niveau heeft, lijkt het erop dat het hier gaat over rationele intelligentie. Getuige ook de media die de uitspraak transformeren tot “Van Bijsterveldt te dom voor ministerschap”. De Algemene onderwijsbond distantieert zich van deze uitspraken van haar bestuurder. Als hij zijn uitspraken zou moeten terugnemen, betekent dit dan dat de minister wel een intellectueel is? Of betekent dit dat een bestuurder weliswaar vindt dat de minister niet intellectueel is, maar dat niet als bestuurder had mogen zeggen? Of dat het gehele bestuur dit vindt, maar ze dat geen zinvol argument vinden en er daarom afstand van nemen?

Eigenlijk is dat vermakelijke naspel niet zo heel relevant. Het is bovendien jammer dat de discussie formeel wordt gemaakt (politieke partijen willen niet meer praten met het bestuur, het bestuur moet een excuusbriefbrief gaan schrijven enzovoorts), terwijl hier een open kans ligt voor een prachtige intellectuele polemiek. Maar het is ongetwijfeld te romantisch gedacht dat een minister haar intellectualiteit in een open brief in de Volkskrant zou gaan verdedigen, waarna zich een spannende openbare briefwisseling ontvouwt.

De werkelijke fout nu die Marten Kircz maakt, of althans de fout die in de discussie is geslopen, is dat hij (of “men”) gelooft dat je een rationele intellectueel moet zijn om het ministerschap te vervullen. Dat is pertinente onzin. Ons politieke systeem is zodanig ingericht, dat vrijwel alle ingewikkelde beslissingen en overwegingen, onderzoeken en rapportages op een bepaald bestuurlijk gebied door rationeel intellectuele ambtenaren worden voorbereid en uitgewerkt. Wat rest, is het sociale spel. Men hoeft niet ver te zoeken om te ontdekken dat de meest geroemde staatslieden vooral het sociale spel tot in de puntjes beheersten, en daarnaast de beschikking hadden over een uitstekend rationeel intellectueel apparaat.

Zijn werkelijke ergernis zit dan ook in het feit dat de minister geen sociale intellectueel is. Los van haar opleiding tot verpleegkundige-A, niet opgewassen tegen de politieke druk van de PVV, naar zijn mening te ijdel en te zelfingenomen met haar positie, met veels te weinig ruggengraat en niet bepaald gezegend met een bijzonder inlevingsvermogen. Exemplarisch voor dat laatste is haar opmerking in een interview naar aanleiding van de grote docentenstaking: “Ik ben meer van het werken dan van het staken”. Dan schoffeer je heel veel mensen. Dan misken je het grondrecht om te staken. Dan wek je de suggestie alsof docenten niet van het werken zijn. Maar daarentegen, is dat op een dergelijke positie een uiting van gebrek aan reflectie. Dus van voorwaardelijke opzet kan geen sprake zijn bij deze minister.

Marten Kircz hoeft wat dat betreft ook zeker zijn woorden niet terug te nemen, ook niet na een nachtje slapen. Wat hij wel zou moeten doen, na nogmaals een aantal nachten te hebben geslapen, is voor het voetlicht brengen dat hij teleurgesteld is in het empathische vermogen van deze minister en niet in het feit dat ze niet in staat zou zijn om Plato’s Politeia te lezen.

De schok en de medemenselijkheid

‘Ik ben inmiddels overleden’, zo luidt de regel in de nieuwe, confronterende campagne van Stichting ALS Nederland. In de campagne zijn inmiddels overleden patiënten aan het woord.

Hoe bereik je mensen zodanig dat ze niet alleen bewust worden van een ziekte, maar ook dat ze bereid zijn geld te geven voor onderzoek? Dat is vrijwel voor iedere stichting of organisatie die opkomt voor de belangen van patiënten de centrale vraag. Een van de laatste opmerkelijke initiatieven, waar ik tot mijn verrassing nog relatief weinig commentaar op heb vernomen, is die van de Stichting ALS. In het straatbeeld hangen grote foto’s van mensen die aan deze ziekte hebben geleden, met daaronder de tekst dat ze zijn overleden. Maakt dit mij nu bewust van deze ziekte en ben ik daarom bereid om geld te geven?

Lastige vragen. Vooral omdat ik twijfel over de insteek. Is het ethisch om overleden mensen te gebruiken voor een campagne? Wat doet het met voorbijlopende kinderen? Hoe is dit gepland (euthanasie of afgewacht?) Hoe voelen mensen zich met de ziekte die zo scherp zien dat ze stervende zijn en daar ook nog eens op deze manier mee geconfronteerd worden?

Natuurlijk hebben de betrokkenen er zelf mee ingestemd, en zitten er ongetwijfeld goede bedoelingen achter, maar toch krijg ik er een onbehaaglijk gevoel van. En ik wil niet dat dit onbehaaglijk gevoel mij aan zou zetten tot het geven van geld. Daarbij moet ik denken aan de filosoof Kant: je moet geven omdat je er werkelijk betrokken bij bent en een hart heb voor de slachtoffers, de patiënten en de medemens, niet omdat je het zielig of schokkend vindt. En op precies dat dilemma stuit ik hier: ik wil niet op zo’n zware manier aangesproken worden op mijn gevoel te moeten geven. Want het is de uiterste manier. Het contrast van een mooie oudere vrouw die nu onder de grond ligt. Je kunt er niet meer overheen.

Toch lijkt dat wel meer en meer de insteek. We kennen de foto’s van uitgehongerde kinderen met grote ogen en een gironummer eronder, we kennen de uitgemergelde gezichten van mensen die teveel hebben gerookt en daar nu de tol voor betalen; is dat de manier om de moderne mens nog in beweging te krijgen? Juist niet: door telkens die schok op te zoeken, zijn we er juist immuun voor geworden. Op lange termijn zullen campagnes meer effect hebben als ze de mens niet schokt of hard confronteert, maar aanspreekt op medemenselijkheid. Als wordt getoond dat hij de Ander is.

Confronteren en choqueren sluit medemenselijkheid niet noodzakelijk uit, maar het zijn wel twee verschillende dingen, waarbij we misschien zijn doorgeslagen in het eerste. Blijft staan dat het hier gaat om een vreselijke ziekte, die zondermeer onze steun aan meer onderzoek verdient.

https://alsalsalswordt.blogspot.com/

https://www.als.nl/wat-is-als/de-ziekte/

 

Taal, taler, taalst

Of: waarover men niet spreken kan, moet men zwijgen

 Afgelopen week was het weer tijd voor de jaarlijkse discussie over onze Nederlandse taal. Dit maal hadden vier wetenschappers uit Nijmegen (en mensen uit Nijmegen moet je serieus nemen) gezegd dat het gebruik van ‘hun’ als onderwerp van een zin niet meer is uit te roeien en bovendien nog praktisch is ook.

Dan heb ik nieuws voor deze wetenschappers: ik ken nog 2471 praktisch verkeerd gebruikte woorden die niet meer zijn uit te roeien (vraag maar aan me moeder!). Ik heb namelijk het voorrecht wekelijks werkstukken en schoolexamens in te zien waarbij niemand zich ook maar enigszins druk maakt om taalgebruik. Waarom zouden ze ook? Netjes Nederlands schrijf je tegenwoordig alleen nog bij Nederlands. Daarbuiten neemt niemand het nog echt serieus: ‘Ja, meneer, u mag toch alleen maar op de inhoud beoordelen! Of wilt u soms dat ik even naar de examencommissie ga om te kijken van wat hun vinden?’

En misschien hebben al die taalbarbaren wel gelijk. Is de belangrijkste functie van de taal namelijk niet dat we begrijpen wat de ander zegt of schrijft? Is het daarom niet belangrijker taalgebruik vooral op inhoud te beoordelen, veel meer dan op afgesproken vorm, spelling en stijl? Hoe mooi zou onze wereld worden als niemand zich meer zorgen hoeft te maken of iets wel of niet correct is geschreven. Een liefdesbrief vol taalfouten. Het geeft niets, ik hou toch van je!

Wordt het dan ook niet eens tijd om dat hopeloos verouderde vak Nederlands als zelfstandig vak af te schaffen? Laat de Neerlandicus zich voegen bij de overige vakken. Plaats hem onopvallend achter in de klas en laat hem in de gaten houden of iedereen zich begrijpelijk genoeg uitdrukt.

Oude mannen die er aan hechten wordt het natuurlijk niet verboden J.J. Peereboom te lezen, te waarschuwen voor taalerosie of mee te doen aan dat potsierlijke Groot Dictee der Nederlandse Taal; daarbuiten is taal echter iets strikt persoonlijks, waarmee ieder op zijn eigen wijze deelneemt aan het hoogste. Zo ook ik. Al is het maar de vraag of u mijn werkelijke bedoelingen met dit schrijven hebt begrepen…

Retorische stelling

De NAVO hielp de rebellen tegen de ernstige wreedheden van Muammar Gaddafi en zijn aanhangers, nu begaan de rebellen ernstige wreedheden tegen de aanhangers van Gaddafi. Zal de NAVO hen nu helpen tegen de rebellen?

Bert en Ernie blijven Bert en Ernie

Bert en Ernie gaan niet met elkaar trouwen. Ze zijn namelijk niet homoseksueel. Overigens ook niet hetero of bi: het zijn poppen. Dat heeft de Sesame Street Workshop vandaag bekendgemaakt. (ad.nl)

In een wereld die in de fik staat, die zucht onder financieel geweld en telkens haar eigen ondergang lijkt in te luiden, zijn er gelukkig ook nog zaken die er werkelijk toe doen. Recent hoogtepunt daarin is de vraag of Bert en Ernie met elkaar moeten trouwen. Onlangs werd er een petitie gestart waarin mensen werden opgeroepen te stemmen voor een huwelijk tussen de beide vrienden. Het zou namelijk bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen homo’s op jonge leeftijd te accepteren.

Hoezeer dit echter ook als een progressief idee mag worden beschouwd, dat is het in geen enkel opzicht. Op de eerste plaats ken ik geen huwelijk dat door middel van een petitie tot stand is gekomen, tenzij we teruggaan naar de middeleeuwen en de tijd van uithuwelijking. Op de tweede plaats vraag ik me ernstig af wat de leeftijd is van Ernie en Bert. Zijn zij feitelijk niet minderjarig en is daarmee een huwelijk per definitie illegaal?

Men zou zich wat dat betreft beter kunnen afvragen of het niet tijd is voor een petitie waarin wordt opgeroepen Ernie te bekeren tot de islam of een petitie waarin Bert zijn sympathie uitdrukt voor het feminisme. Want de dominante mannelijke wereld waarin Bert en Ernie zich bevinden, zou sterk als een belediging kunnen worden opgevat aan het adres van vrouwelijke kijkers.

De reactie van Sesame Street Workshop is overigens even wonderlijk als de petitie ze te laten trouwen: poppen kennen geen seksuele voorkeur. Maar ze kunnen wel van bananen houden en een voorkeur hebben voor gele badeendjes. Bovendien zijn het toch ook gezworen vrienden. ‘Houden van’ is daarmee weer een filosofisch begrip gebleken.

Iedereen die is opgegroeid met Bert en Ernie kan beamen dat ze op allerlei manieren de fantasie prikkelen van het kind en zoals nu weer blijkt ook van de volwassene (getuige ook de talloze parodieën die op internet te vinden zijn.) Dat is precies de functie die ze hebben en die ze altijd moeten blijven houden. Zodra men om welke redenen dan ook Bert en Ernie gaat inzetten voor ideologische doeleinden, heft men feitelijk Bert en Ernie op. Hun existentie staat simpelweg niet toe dat ze een specifieke groep zouden vertegenwoordigen, evenmin als dat Donald Duck in een verhaal plots beseft dat hij maar een getekende eend is en het zat is dat Katrien hem steeds aan het lijntje houdt. Nee, Bert en Ernie blijven Bert en Ernie. En dat wisten de petitiemakers maar al te goed toen ze hun roep om homo-acceptatie de wereld in zonden.

Het laatste nieuws is dat Bert en Ernie een petitie zijn gestart om een einde te maken aan petities over Bert en Ernie.

Wordt ongetwijfeld vervolgt….

___________

https://www.metronieuws.nl/extra/2015/05/boete-voor-bakker-na-weigeren-homotaart

 

Het onweerlegbare gelijk

Terrorisme is het plegen van gewelddaden (individuele of collectieve aanslagen, gijzelingen, verwoestingen) ter demoralisering van de bevolking om een politiek doel te bereiken. Volgens Anders Behring Breivik, of Anders B. zoals hij genoemd zou moeten worden, is hij geen terrorist. Sterker nog, hij vindt zichzelf überhaupt niet schuldig aan een misdrijf. En zo zal er komende weken nog veel meer waanzinnige onzin over ons worden gekieperd.

Als we iemand een appel zien eten, terwijl hij ontkent dat hij een appel eet (en er oprecht van overtuigd is), hoe moeten we dan met hem in discussie gaan? Op geen enkele manier. Zo iemand is verloren. Waarom? Omdat hij de realiteit ontkent waarin wij leven, en dat is een noodzakelijke voorwaarde om met wie dan ook een basis te hebben voor een gesprek. Dat hij onze realiteit ontkent (en dat is de realiteit waarin 99,999% van de mensen op eenduidige wijze een appel weet aan te wijzen), betekent echter niet dat zijn eigen werkelijkheid niet logisch is. Dat is zij namelijk volkomen.

En dat is precies waarom het ook geen zin heeft om in discussie te gaan. Hij houdt altijd zijn gelijk. Iemand die opgenomen is in een gesticht, maar tegen zijn arts zegt dat hij undercover is namens het Ministerie (en de arts als enige vertrouweling nodig heeft) met als taak te contoleren hoe er dagelijks omgegaan wordt met alle gekken om hem heen, heeft een sterk verhaal.

En velen zullen gefascineerd blijven komende weken. Velen willen alles van die waanzinnige leefwereld weten. Velen willen motieven en verklaringen, achtergronden en analyses. Maar ik zou zeggen: laat dat aan je voorbij gaan en vraag je af: waarom wil ik er meer van weten? Wat heeft dat voor een zin?

We zouden hem, zover dat binnen ieders mogelijkheid ligt, geen enkel podium moeten geven. Geen Wikipedia-pagina voor Anders. Hooguit korte zakelijke krantenberichtjes met simpele feiten. Geen analyses over dat gekke manifest wat hij heeft gemaakt (O, hij heeft Nederland enkele malen genoemd!). Want alle aandacht die hij krijgt, is een bevestiging van de waarheid van zijn werkelijkheid, waarin hij een intellectueel revolutionair is, die de wereld heeft geschokt en veranderd met een grootse daad.

Maar dan ontvouwt zich de paradox: al kwijnt hij weg in de gevangenis en wordt hij door iedereen vergeten, hij blijft de Grote Veranderaar. Want in zijn wereld is dat volkomen voorzien. Als een journalist over 40 jaar in een gesprek hem wijst op het feit dat hij helemaal niets voor elkaar heeft gekregen en dat zijn leven geen enkele significante betekenis heeft gehad voor de samenleving, doet hem dat niets. En hij verwijst met jeu naar Marx, die hij nu zo innig haat, ‘ook die stierf zonder dat hij zijn revolutie had meegemaakt.’

Wie uitsteekt, is daarom nog niet uitstekend

Op het moment dat er nog niet eens fatsoenlijke waardering voor bevoegde docenten is, laat staan voor universitair geschoolde of gepromoveerde, heeft de Onderwijsraad het nodig gevonden de lat alvast nog onvindbaarder te verstoppen. In een van de zotste ideeën sinds de invoering van het onderwijs stelt zij namelijk voor “excellente” leraren op school te laten fungeren als rolmodel. “Als excellente leraren de ruimte krijgen hun kwaliteiten te ontwikkelen en die van collega’s te bevorderen, verbetert de onderwijskwaliteit en daarmee verbeteren de prestaties van leerlingen.” (p.7)

 

Wie het integrale rapport leest, kan zich niet anders dan verbazen over zoveel vals en verspild denkwerk. Het hele advies ploetert op gênante wijze voort en zucht en kreunt onder zijn eigen wolligheid. Er klinkt haast een aandoenlijke roep in door: “als we dit nu doen, dan wordt het echt vast een keer beter, echt!” Tussen de regels door wordt het echter zelfs voor leken duidelijk dat deze dagdroom een zoveelste poging is het onderwijs bedrijfsmatig te benaderen. Grootste probleem daarbij, is dat het begrip excellentie in een onderwijsorganisatie zo onwaarschijnlijk subjectief is, dat de Onderwijsraad van ellende een beroep doet op iets nog subjectievers: “iedereen weet wel wie op school de goede docent is” (p.18). Ja, net zoals de geschiedenis er telkens weer achter komt dat ze mensen niet op waarde wist te schatten.

 

De Raad legt graag de verantwoordelijkheid bij de schoolleiding om excellente docenten aan te wijzen door middel van een uiterst vaag “intersubjectief beoordelingsinstrument”, zodat als het een puinhoop wordt, zij met een nieuw advies kan komen over waarom het niet heeft gewerkt. Want hoe wil men vakken “intersubjectief” met elkaar gaan vergelijken? Hoe zit dat met de verschillende niveaus? Worden diploma’s eigenlijk fatsoenlijk meegewogen? Hoe vermijdt men vriendjespolitiek? Wie heeft in de gaten dat populariteit niet met excellentie wordt verward? Wie zegt dat een leidinggevende zelf excellent genoeg voor de klas was om überhaupt het excellente te kunnen herkennen?

 

Je zult maar de ongelukkige zijn die door de school wordt aangewezen als excellente leraar. Natuurlijk krijg je er wat centjes bij –een soort bankiersbonus-, maar als het schaamrood je nog niet op de kaken staat, mag je hopen dat je niet bezwijkt onder die ijdelheid. En reken er maar op dat iedereen je komt lastigvallen met nare klusjes, je scherp in de gaten wordt gehouden en op het einde denkt: waarom was ik ook alweer voor de klas gaan staan en koos ik niet voor het bedrijfsleven? Nog erger lijkt het me tenslotte voor de keihard werkende, zelfkritische, passievolle en oprechte docent, die onverklaarbaar (want ga intersubjectiviteit maar eens verklaren) niet bij de paradepaardjes zit. Want één ding is me helder: collegialiteit in het onderwijs is een groot goed, maar zelfs hier is afgunst niemand vreemd.

 

Ik begrijp uiteraard wel, zelfs in onderwijskundig opzicht, wat de achterliggende bedoeling is van de Onderwijsraad. Kwaliteit, maar bovenal prestige en aanzien terugbrengen naar de sector, daar waar de overheid al jaren bezig is het docentenvak zo onaantrekkelijk mogelijk te maken. Ik begrijp ook dat de zwakste broeders ongetwijfeld het hardste roepen tegen een dergelijk systeem. Maar ik  zou vrij naar het aloude adagium van Ockham willen zeggen: “om verder te geraken moet men niet beginnen met iets nodeloos ingewikkeld te maken”. Gewoon terug naar de basis, en juist iedere docent die hard werkt, ploetert, zich inzet voor zijn vak en het soms moeilijk heeft waarderen zoals het hoort en hem de mogelijkheden te bieden die nu alleen voor een geforceerd eliteclubje lijken te zijn weggelegd.

 

 

 

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2020 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"