Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Filosofische kruimels XVIII

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2016 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XVIII van XX.

Antieke Metafysica

‘Dat de aarde het middelpunt van het universum is staat vast op grond van bewijzen die geen twijfel toelaten (…). Als de aarde namelijk niet in het midden stond zouden er geen even lange dagen en nachten kunnen bestaan.’
Gaius Plinius Secundus maior in Naturalis Historia (77 NChr.)

De Romein Plinius de Oudere (23NChr.-79) was een militair, letterkundige en zelfbenoemd wetenschapper. Daarmee geen filosoof in traditionele zin, maar wel iemand die vanuit buitengewone verwondering de wereld probeerde te beschrijven. Dit leidde uiteindelijk tot een levenswerk van 37 boeken dat daarmee met recht de titel ‘Wikipedia van de oudheid’ verdient. In 2004 verscheen voor het eerst een selectie uit deze werken in het Nederlands onder de titel De Wereld. Plinius verrast de hedendaagse lezer met zijn bedenksels en beschouwingen omtrent planten, zeedieren, metalen, stenen, landen, geneeskunst, vogels en insecten. Leuk zijn de observaties over mens en heelal.

Hoewel hij zaken presenteert als wetenschappelijk, zit er een hoop kwakzalverij en metafysische speculatie tussen. Toch komt ook Plinius al met voldoende argumenten waarom de aarde een bol moet zijn: de zon komt immers niet overal tegelijkertijd op. Plinius had ons ook nog graag willen laten weten hoe een vulkaanuitbarsting te werk gaat. Helaas kwam hij om het leven toen hij dit van dichtbij probeerde te beschrijven…

__________

Denken of kopen?

‘Ik denk, dus ik ben (duur).’
Vrije variant op Desartes’ Cogito ergo sum

Stel, u zou een eerste druk willen aanschaffen van René Descartes’ Discours de la méthode. Dit boek wordt door velen beschouwd als het belangrijkste dan wel invloedrijkste filosofische werk van de moderne tijd. Het verscheen in 1637 in Leiden bij Jan Maire. Descartes zal het voor iets meer dan een euro in de aanbieding hebben gehad, als we uitgaan van een hedendaagse boekenprijs van 30,- voor een mooi gebonden exemplaar. Antiquair Anton Gerits (1930) vermeldt in zijn Op dubbelspoor en Pilatusbaan (2000) dat hij in 1969 op dit bijzondere boek stuit. De prijs voor dat exemplaar was ƒ28.000. Dat komt overeen met een waarde van € 57.000 nu. Gaan we echter op zoek naar een beschikbaar exemplaar, dan valt dat niet mee. Zelfs het beroemde Deense Lynge & Søn die bijna alle klassiekers in huis heeft, beschikt niet over de Discours.

Gelukkig heeft het Britse Roger Gaskell Rare Books er nog ééntje liggen. Voor £120.000 mag hij weg, ongeveer €165.000. Dat is een hoop geld, voor die ene waarheid, die ik u ook wel gratis wil verklappen: denkt u? Wees dan zeker van uw bestaan.

__________

Een uiterst merkwaardige rechtszaak

‘Dit is de meest merkwaardige zaak die ik ooit heb meegemaakt. Ondanks het feit dat ik u schuldig acht aan moord boven iedere twijfel verheven, gebiedt de wet me u vrij te laten.’
Vrij vertaald uit: Smullyan, R.M. (1978). What’s the name of this book?

De (rechts)filosofie biedt veel lekenvermaak als het gaat om raadsels en gedachte-experimenten. Het aardige is, dat men de analyse zo ingewikkeld kan maken als men zelf wil. Neem het volgende probleem. We bevinden ons in een rechtsstaat met een jurysysteem voor strafzaken.

Bertrand en Willard, twee volwassen mannen, staan terecht voor moord. De jury vindt Willard schuldig, Bertrand wordt in het geheel vrijgepleit. De rechter spreekt de als schuldige aangewezen Willard toe en zegt: “dit is de meest merkwaardige zaak die ik ooit heb meegemaakt. Ondanks het feit dat ik u schuldig acht aan moord boven iedere twijfel verheven, gebiedt de wet me u vrij te laten”.

Hoe is dit nu mogelijk? Heeft het iets te maken met ne bis in idem? Ontoerekeningsvatbaarheid? Hypnose? Slaapwandelen? Of misschien is Willard een onschendbare koning? De oplossing is echter ingenieuzer en onverwachter: Bertrand en Willard zijn een Siamese tweeling. En aangezien de wet stelt dat het onwettig is om een onschuldig persoon op te sluiten, moet de rechter ook Willard laten gaan. Wellicht niet zonder straf, maar wel in vrijheid. Welke straf zou trouwens wel gepast zijn voor deze moordenaar?

©Veenmedia.nl

Filosofische kruimels XVII

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2016 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XVII van XX.

Liefde zeg je met druiven

‘Ik werd onpasselijk bij de gedachte dat de oude Schopenhauer het trosje druiven had aangeraakt. En daarom liet ik ze heel onopvallend achter mij in het water glijden…’
Uit: Irvin D. Yalom. De Schopenhauerkuur. (2005).

De Duitse denker Arthur Schopenhauer (1788-1860), die met zijn pessimistische filosofie desondanks veel mensen wist te plezieren, was niet bijzonder goed met de dames. De Arbeiderspers koos ook niet voor niets ooit een verzamelbundeltje uit te geven onder de sprekende titel: Er is geen vrouw die deugt. Maar wellicht waren het vooral Schopenhauers versierkunsten die niet zo deugden.

Verschillende biografen, waaronder Rüdiger Safranski (1945) verhalen over Schopenhauers poging de mooie 17-jarige Flora Weiss ten huwelijk te vragen. Schopenhauer zelf al 43, kende het meisje nauwelijks, maar poogde desondanks haar voor zich te winnen. Een versierpoging kwam er tijdens een boottochtje toen hij haar een trosje druiven aanbood. Weiss moest er echter niets van weten en volgens de familieoverlevering walgde ze bij iedere geste van Schopenhauer telkens een beetje meer. Schopenhauer bleef zijn leven lang alleen.

__________

Aforismen afstoffen

‘Ik wil niets van doen hebben met politiek, zedenleer, wijsbegeerte, maatschappelijk nut. Ik ben, in laatste aanleg, uitsluitend lezer-en-schrijver.’
Greshoff (1958). Nachtschade.

De haast vergeten Nederlandse schrijver Jan Greshoff (1888-1971) erkende in zichzelf maar één wet: de volmaakte overgave aan de schone letteren. Greshoff liet in dat opzicht een stevig oeuvre na, waarin hij die kunst niet onverdienstelijk trachtte over te brengen naar papier. Hoewel hij stelt niets van filosofie te moeten hebben, toont Greshoff zich in de ruimste zin een denker, peinzer en verwonderaar.

Een prestatie van formaat is wat dat betreft het door dr. G.W. Huygens samengestelde werk Nachtschade, waarin duizenden aforismen over levenskunst, liefde, poëzie, geloof en ongeloof en individu en gemeenschap bijeen zijn gebracht. Greshoff noteerde de levenswijsheden bij voorkeur tijdens slapeloze nachten, wat de titel verklaart. De sombere existentiële inslag die in dit verzamelde werk te herkennen is, doet denken aan de stoïcijnen, Heidegger en Kierkegaard. Greshoff -bang voor het sterven, niet voor de dood- liet zo iets na dat het verdient afgestoft te worden en menig filosoof nog lang uit de slaap zal houden.

__________

Paasgedachte bij 27 maart 2016

‘Moet je je eens indenken hoe fijn het zal zijn als we samen Pasen vieren.’
Maria von Wedemeyer aan Dietrich Bonhoeffer op 4 april 1944, uit: Bruidsbrieven uit de cel (2004).

Pasen viert men het liefst samen.  Dat was in 1944 niet anders, ware het niet dat Maria von Wedemeyer (1924-1977) vlak na haar verloving gescheiden werd van de vooraanstaand religieus filosoof, theoloog en verzetsstrijder Dietrich Bonhoeffer (1906-1945). Bonhoeffer was wegens hoogverraad gearresteerd en moest zijn tijd in gevangenis doorbrengen. Daar schreef hij naast klassiek geworden overpeinzingen (zie: Verzet en overgave en Navolging (2014)) ook veelvuldig met zijn verloofde. Hij bemoedigt haar: ‘wees vrolijk, geduldig en dapper en vergeet mij niet, zoals ik jou niet vergeet’,  en zij houdt van hem: ‘ik ben verliefd op elke zin, op elk woord, op elke kronkel van je handschrift’.

Hoezeer zij ook te kennen geeft Pasen nooit meer te willen vieren zonder hem (‘helemaal echt Pasen vieren kan ik pas als jij weer bij me bent’), is dat er nooit meer van gekomen. Bonhoeffer wordt namelijk wegens samenzwering ter dood veroordeeld en geëxecuteerd op 9 april 1945, een week na Pasen. De verloofden kunnen elkaar dan allang niet meer bereiken per brief. De troost die Pasen biedt moet zelfs voor een zo gelovig iemand als Von Wedemeyer een lange tijd bitter zijn geweest.

©Veenmedia.nl

Het absolute recht van een stervende op de waarheid

Is het veinzen iemands stervenswens te eerbiedigen een daad van liefde? Een casus uit de notariële praktijk, frivool en haast achteloos geschreven (Algemeen Dagblad 3 oktober 2016, zie onderaan), werpt diepe existentiële vragen op, waar niemand achteloos over zou moeten denken. Een stellingname.

De casus

paddle-vaasEen man heeft zijn hele leven toegewijd gebouwd aan een unieke glasverzameling. Nu hij van zijn artsen heeft vernomen dat hij weldra sterven zal, heeft hij één wens: dat zijn verzameling bijeen blijft. Zijn twee zoons hebben geen interesse die wens in te willigen en lijken louter geïnteresseerd in centen.
De mogelijkheid bestaat nog dat de overheid de collectie overneemt vanwege de kunstzinnige waarde. Bij taxatie blijkt echter dat een groot deel van de collectie kitsch is en de man in veel gevallen is opgelicht. Hooguit enkele stukken zijn financieel de moeite waard. Een levenswerk spat uiteen.
Eén van zijn zoons ziet het met
medelijden aan en belooft zijn vader om zich over de collectie te ontfermen en deze bij elkaar te houden. Enkele maanden later overlijdt de man met het idee dat zijn laatste wens wordt gerespecteerd. Slechts enkele dagen na de crematie brengt deze zoon alle waardevolle stukken naar een veilinghuis en geeft de rest aan de kringloop.
Het artikel eindigt met de zinnen: ‘Keihard bedrog. Maar ook een teken van liefde.’

Een teken van liefde?
belofteWie dit als een teken van liefde beschouwt, baseert die opvatting waarschijnlijk op het idee dat het goed is iemand voor te liegen als dat bijdraagt aan de gemoedsrust van degene die wordt voorgelogen.

Ik ben het ten diepste met die opvatting oneens. Want wat is dit precies voor een liefde? Is dit een liefde die we kunnen wensen? Hoe kan bedriegen een daad van liefde zijn? Is dit een liefde die uit een zuiver hart is voortgekomen en uit een goed geweten? Want liefde is toch minstens een zaak van het goede geweten, lees ik bij Kierkegaard. Maar hoe kan een goed geweten samenvallen met het idee van een onherstelbare leugen?
Dat is iets wat ik niet begrijpen kan.

Ja, deze zoon zal zichzelf voorspiegelen iets goeds te hebben gedaan, hij zal wel moeten wil hij met zichzelf kunnen blijven leven. Maar hij heeft helemaal niets goeds gedaan. Hij heeft alleen een wens vernietigd, en vooral ook de mogelijkheid van de vader om in de laatste maanden van zijn leven zich te verzoenen met de waarheid en vorm te geven aan zijn nalatenschap, zijn levenswerk.

Het is evident dat als we een morele regel opstellen op basis van de opvatting ‘het is een teken van liefde wanneer je iemand bedriegt omwille van zijn gemoedsrust’, niemand nog zelfs op zijn sterfbed zijn bloedeigen zoon kan vertrouwen. Immanuel Kant heeft in Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785) lang geleden al gewezen op de totale absurditeit van zulke opvattingen. Hoe zou deze zoon immers kunnen willen dat hij mogelijk zelf bedrogen wordt op zijn sterfbed? Hoe zou hij gerust kunnen sterven met in het achterhoofd het idee dat zijn eigen zoon misschien naar voorbeeld van zijn vader dezelfde veinzerij aan de dag legt verpakt in een belofte, maar feitelijk niets meer zal doen dan zo snel mogelijk na zijn dood een heel levenswerk verkwanselen?

maskerDe leugen die deze man zijn vader heeft voorgespiegeld als waarheid heft feitelijk iedere gemoedsrust op. Hij heeft door zijn vader te bedriegen de gemoedsrust van iedere stervende vernietigd, omdat hij de belofte heeft vernietigd.

Maar wat dit nog intenser treurig maakt, is niet dit valse idee van liefde. Het is niet de geldzucht van de nabestaanden. Het is niet het klaarblijkelijke ontbreken van enige inspanning om een laatste wens te respecteren. Nee, het intense treurige zit hier in: Deze man die zijn hele leven blijkt te zijn bedrogen, wordt tenslotte ook nog eens bedrogen door zijn bloedeigen zoon.

Dat is een onvoorstelbare hardvochtige minachting voor de stervende en het sterven. Het is zeggen: ‘een stervende heeft geen recht op de waarheid, dat heb ik zo even beoordeeld’. Het is geworteld in dat misselijkmakende hedendaagse idee dat het lijden niet bij het leven hoort en het is zelfs minachting voor het leven, alsof de levende de waarheid niet aan kan. En minachting omdat wat bij leven is gemaakt, zonder enige vorm van spijt met één beweging kan worden vernietigd. Wie vertrouwt zo iemand bij leven nog dat hij niet de inschatting maakt dat de leugen gepast is? Ja, wie zou iemand die zo naar het leven en de dood kijkt als vriend willen hebben?

Het gaat er in deze niet om dat de laatste wens de zoon zou overvragen, want dat zou goed het geval kunnen zijn. Het gaat erom dat hij de belofte maakt terwijl hij weet dat hij deze niet zal houden. Het is iemand de liefde verklaren, waar er geen liefde is. Is dat liefde?

sterfbedNatuurlijk is de paradox duidelijk: wie in niets gelooft, hoeft niet bang te zijn dat bedrog wordt afgestraft. Dat onrechtvaardigheid wordt doorzien. Dat leugens moeten worden verantwoord. De dode is dood, en dood zal hij blijven. Maar wat is nog de waarde van menselijke nalatenschap als alles van waarde weerloos is? Weerloos tegenover de dood en zelfs weerloos tegenover je eigen familie? Zo’n houding maakt het leven zelf zinloos. Je moet haast hopen dat er geen diepere zin bestaat, voor iemand die zo denkt.

Onze laatste momenten in het leven verdienen waarheid. Je moet wanneer je dat kunt een stervende nooit het recht op de waarheid onthouden. Het is een absoluut recht. Dat de waarheid niet altijd welgevallig is, is van oneindig minder belang dan het recht van een stervende de laatste momenten van zijn leven vanuit waarheid op zijn eigen manier vorm te geven.

glazen-illusie-spat-uiteen morele ethische casus

Een verloren liefde

-Aforismen/ bekentenissen/ dialogen/ herinneringen-

‘Beter liefde verloren dan haar nooit bezeten te hebben’
C. J. Wijnaendts Francken

Op 20 oktober kocht ik bij een boekwinkeltje enkele tweedehands boeken. Op zich niets bijzonders, behalve dat ik in één ervan twaalf dubbelzijdig handgeschreven blaadjes aantrof samen met een krantenbericht uit 1989

Het boek in kwestie, Prefaces: Light Reading for Certain Classes As the Occassion May Require, by Nicolaus Notabene wilde ik sowieso hebben, en een vluchtige blik op de papieren deed mij vermoeden dat het om aantekeningen ging. Ik dacht dat ze verband hielden met het boek; ik had er dan ook niet echt oog voor in de winkel.

Ik rekende de boeken af. Eenmaal thuis besloot ik de blaadjes eens verder te bekijken en tot mijn schrik, of tot mijn verrassing zag ik dat het een persoonlijke verzameling notities en aforismen betrof, die niets met het boek van doen had. Vrijwel allemaal verwezen ze naar een gebroken hart en een verloren liefde voor, ik geloof, een bijzondere vrouw.

Ik heb na wat wikken en wegen besloten om een gedeelte ervan hier te publiceren. Het is een selectie van fragmenten die het best leesbaar was en voor mijn idee het meest samenhangend. Verschillende notities lijken verder half af. Ik heb de oorspronkelijke volgorde van de papieren aangehouden. Waar ik het niet goed lezen kon (het was alles in potlood genoteerd en hier en daar onleesbaar of vervaagd), vermeld ik dat en waar een streep onder een woord staat, heb ik ervoor gekozen om dat woord schuin te schrijven. Titels heb ik vet gemaakt. Ik heb een enkele noot toegevoegd, waar ik dat op zijn plaats vond.

Ik hoop dat de auteur mocht hij hoe onwaarschijnlijk ook ooit tegen dit stuk aanlopen, het mij niet kwalijk neemt. Ik denk dat het redelijk is dat ze rond 1989 zijn geschreven. Dat is ook de verschijningsdatum van het betreffende boek. Dat maakt de notities 25 jaren oud. Hoe oud de schrijver zelf is, is onduidelijk. Als hij nog leeft, is het in ieder geval geen jonge man meer, want de melancholie en de zwaarte van de tekst zie ik niet zo uit een jonge pen rollen. Het is daarbij een schrijven dat enkel onder een zwaar gemoed kan worden geconstrueerd en me erg nieuwsgierig heeft gemaakt naar achtergronden (ik vermoedde soms zelfs een opzet voor een toneelstuk; maar daarvoor is er teveel ‘ernst’). En ergens heeft het me ook een bedroefd en ongemakkelijk gevoel gegeven. Het stopt even abrupt als dat het begint. Misschien is er nog meer, maar dit is wat in het boek zat.

Ik hoop van ganser harte dat het hem beter is vergaan, dan dit schrijven doet vermoeden…want het is niet enkel een verloren, maar ook een met spijt en schuld beladen liefde.


-Aforismen/ bekentenissen/ dialogen/ herinneringen-

Wat kunnen herinneringen een vreselijke last zijn, wanneer ze verwijzen naar iets dat voorgoed verdwenen is.

Het verraderlijke aan een laatste kus is dat je pas achteraf werkelijk besef hebt dat de toegang tot deze kus voorgoed afgesloten is. Ze is opgehouden mogelijk te zijn. Pas dan bedenk je je hoe de laatste kus recht had moeten worden gedaan.

Het is een krankzinnig moeilijke zo niet onmogelijke oefening een vrouw te tonen dat je van haar houdt, zonder dat je daarmee het doel wil dienen haar terug te veroveren.

Dialoog. Langzamerhand doven, onmerkbaar worden, onhoorbaar zijn
-‘Als ik morgen zou sterven, zou ze dan op mijn begrafenis zijn?’
α ‘Morgen nog wel, maar volgende week misschien niet meer.’

{noot: de schrijver gebruikt een soort alfa in de dialoogjes die hij houdt om een kritisch gesprekspartner aan te duiden}

Ik begrijp nu hoe zij zich gevoeld moet hebben, vlak nadat ze met mij brak. Ze heeft weken <onleesbaar> gevoeld. Ik probeerde dat te relativeren. Ik was immers niet weg. Maar dat was juist haar pijn: ik was voor haar weg. Ze sprak met iemand die uitgespeeld was en dat deed haar ongelofelijk veel pijn.

Ik besef me hoe schitterend ze schrijven kon en dat stemt me ongelukkig. Die prachtige eigenschap is zo’n zeldzaamheid, dat ik er niet eens naar op zoek wil gaan om het ooit nog te vinden.

Het intieme kan men slechts eenmaal delen zonder herinnering
Ik hoor mijn hart kloppen en zie haar tegen mijn borst aanliggen, ze hoort me leven. Maar ook toen ik al sliep luisterde ze naar de kalme slagen van mijn hart. Welke vrouw doet nu zoiets moois?

Ik kon bij haar zozeer mezelf zijn dat ik vergat dat zij ook zichzelf wilde zijn bij mij.

Ik zou haar om vergeving willen vragen, maar dat doe ik niet, omdat ze die zonder meer verlenen zou en ik dan zelfs dat niet meer van haar te verwachten heb.

Het jaagt me angst aan te merken hoezeer ik lijd onder haar afwezigheid.
Het enige wat ik kan doen is mezelf dwingen niet aan haar te denken, maar die inspanning doet me aan haar denken. 

‘Wat mis je dan meer: haar liefde of haar vriendschap?’
‘Ik zou antwoorden dat haar vriendschap gemotiveerd was vanuit liefde. Je keuze is oneigenlijk en dus maak ik die niet.’

‘O wat gruwel ik van de gedachte dat er zich binnen de kortste keren wel een of ander lachwekkend clowntje zal aandienen dat haar ‘de ware liefde’ zal tonen. Natuurlijk! Er is geen hart zo gemakkelijk te veroveren als een gebroken hart. En hij zal er nog trots op zijn ook. Hij heeft eindelijk iemand gevonden die naar hem om wil zien! De stoethaspel die het vanaf het prille begin van de daken zal schreeuwen aan iedereen die het horen wil, omdat hij aan haar zijn eigenwaarde ontleent. Wat een vreselijke voorstelling!
Waar ik vele jaren voor heb gestreden, geleden, geschreven en gebeden, kletst dit clowntje in een mum van tijd voor elkaar.’

α ‘Zelden heb ik iemand zijn diepe jaloezie zo opzichtig zien uitdrukken…’

De innerlijke blik die me is gegund in haar vrouwelijkheid, ontroert me telkens weer wanneer ik er bij stil sta.

Ergernis. Juist toen ze haar leven een wending wilde geven en daarvoor mij de rug toekeerde, hoorde ik pas hoe lovend iedereen over haar sprak. Niemand wilde me sparen en een uitzondering maken door iets vervelends over haar te zeggen. Dit spreken is oorverdovend en ik schaam me.

Jezelf bedriegen als het gaat om liefde is het ergste, is een eeuwig verlies dat niet goed te maken is in tijd…

Ik slaap niet goed en voel bij het veel te vroeg ontwaken een drukkende pijn in het midden van mijn buik. Haar remedie tegen de ziekte was van het medicijn afblijven. En ze genas. Mijn remedie is zo snel mogelijk het medicijn innemen. Maar het probleem is, dat het medicijn niet alleen niet voor handen is, maar dat het zich ook niet laat innemen. Ik blijf ziek.

‘Jij hebt bemerkt dat iedere vorm van aandacht die je krijgt van een andere vrouw, prettig is, omdat het verdovend werkt. Jouw probleem nu is, dat je de hoop koestert dat zij er ook zo in staat wanneer ze aandacht krijgt van een man.’
α ‘Nee, je moet het anders zeggen: ‘De aandacht die je krijgt van een andere vrouw toont je telkens weer wat voor een geweldige vrouw je eigenlijk had en die werkelijk om je gaf. Het is dus alles behalve een verdoving.”
{noot: dit is geen dialoog, maar een soort alternatief van α aan α, als het ware α‘}

In alles wat ik vond, wist ik dat ik haar zocht.

Godzijdank is ze morgen niet meer jarig, zodat de vraag of ik haar laat weten dat ik aan haar denk me niet meer uit de slaap houdt.

Ik weet niet wat beroerder is… Dat mijn geest mij op willekeurige momenten overvalt met dromen over haar, dat ze daarin consequent schitterend is of dat ik haar bij het ontwaken telkens meer mis dan ooit tevoren.

(…)

Dialoog
α ‘Gaat het je om haar of gaat het je om de remedie die ze bewerkstelligt? Want je hebt geen idee hoe kortstondig die zou kunnen zijn. Zij wel. Je hebt er nogal een gewoonte van gemaakt om een eenvoudig medicijn te verheffen tot de kuur die alles geneest.’
‘Ik begrijp volkomen wat je zegt. Ik wil mezelf genezen, maar daar heb ik haar voor nodig.’
α ‘Je hebt haar <onleesbaar> gebruikt om een balans in jezelf te vinden. Je hebt haar beschouwd als een sociaal <onleesbaar> experiment, waarbij je tot het geloof bent gekomen dat ze genoeg aan je gehecht zou raken, dat ze er wel tot in de lengte van haar leven mee zou instemmen. Dat is een zo weerzinwekkende gedachte, dat je weinig rest behalve diepe schaamte. Dat ze nu haar eigen weg gaat, raakt je zo intens diep, omdat ze daarmee je experimentje ruw heeft verstoord en je als het ware weer terug moet naar de eerste tekeningen van je relationele schetsboek.’
‘Ik moet me diep schamen, dat zie ik in. Ik heb de schoonheid van haar persoonlijkheid veronachtzaamd ten koste van een abstractie. Die abstractie bestaat nog steeds, maar toont zich aan mij in volle leegte als nooit tevoren. Ik wil haar laten zien – zelfs wanneer ze dat niet verlangt – dat ik haar niet op  werkelijke waarde heb geschat, maar haar te vaak voor lief heb genomen.’
α ‘Waarom zou je haar iets willen laten zien waarvan je weet dat ze het niet verlangt? Dat draait dus weer enkel en alleen om jezelf. Zonder dat je het door hebt -en daar twijfel ik over, want je bent dan wel een dwaas, maar geen achterlijke dwaas- probeer je haar opnieuw te gebruiken voor je eigen gemoedstoestand. Het valt te prijzen dat ze dit ten lange leste niet meer heeft geaccepteerd, hoezeer je ook geprobeerd hebt haar wel recht te doen: je hield te veel afstand om dat geloofwaardig te maken. En het zou me niets verbazen als al <onleesbaar> niet meer is dan een zoveelste poging haar weer binnen je experiment te trekken, om zo de schok die je overkomen is door het inzicht dat ze zich niet meer aan je uitleent te verstillen. Je hebt het naïeve geloof dat je met <onleesbaar> een hart kunt terugwinnen dat zich reeds lang gesloten heeft. En als je het dan niet kunt terugwinnen, dan heb je voor jezelf iets poëtisch gecreëerd op papier als troost. Maar dat is dan vooral iets mistroostig.’

-Wat is een dichter? Een ongelukkige, die in zijn hart diep verdriet verbergt, maar wiens lippen zo zijn gevormd dat zuchten en jammerkreten, wanneer die over ze uitstromen, klinken als schone muziek.-

(…)

Het tragische en het droevige
De enige die mijn diepste verdriet begrijpen kan, is de enige die er niets mee te maken wil hebben.

Dialoog
‘Ik begrijp nu wat ik eerder voor krankzinnig hield: een man die uitroept bereid te zijn alles voor een vrouw over te hebben. Mijn hele gevoel spreekt mij niet tegen wanneer ik overweeg al het mogelijke te doen. Ik zou mijn huis vaarwel zeggen, ik zou mijn werkzaamheden opzeggen, ik zou zelfs tegen haar kunnen zeggen dat ik van haar hou. Maar dan voor altijd.’
α ‘Maar waarom zou je dat nu wel kunnen zeggen? Heb je enig idee hoe zwak dit klinkt? En ik wil je “houden van” niet bagatelliseren, maar hield je niet eerder van je kalme leventje wat je nu kwijt bent geraakt dan van haar? Dat kalme leventje is vervangbaar, zij niet.
‘Ik vrees dat ik nu in een staat verkeer, waarin ik het geloof niet heb dat ik er ongeschonden uitkom. Zij is inderdaad het onvervangbare: ik wil geen vervanging. De laatste keer dat ik mezelf in een sentimentele misère zag over een vrouw, duurde het jaren voordat ik daar grip op kreeg. En toen was er slechts sprake van één verdwaalde kus.’
α ‘Vooruit…in dat geval mag je best medelijden hebben met jezelf, dat is werkelijk geen lichtzinnig probleem. Zoveel geef ik je toe. Misschien moest je maar eens wat meer de handen vouwen.’

(…)

Hoewel ik het begrijp, blijft het misschien wel ten diepste krankzinnig: alles over hebben voor een vrouw, moet iets zijn wat een vrouw nooit kan willen.

We kennen elkaar zo goed, ik zou zelfs uit duizenden haar schaduw herkennen!

‘Die ander kan zijn huis enkel en alleen bouwen op de grond die ik heb bewerkt.’
‘In bewerkte grond kun je niet wonen, dat heeft deze ander toch goed opgemerkt.’
{noot: hier ontbreekt α; het betreft wel een reflectie}

‘Alles in haar gedrag scheen te zeggen: ‘Aangezien hij nooit van me gehouden heeft, kan de rest me niets meer schelen!’ Maar ik hield wel van haar, en ik had zelfs nog nooit zo van haar gehouden… Maar het haar bewijzen was onmogelijk. Dat is het afschuwelijke.’
{noot: is dit een citaat?}

Zelfs toen ik voor de vierde maal mijn brief las die ik voor haar geschreven had, begonnen mijn ogen zo hard te tranen dat ik halverwege moest stoppen met lezen: is dat een bewijs van de oprechtheid van de inhoud?

Wat ik mij nu bedenk is dat op het moment dat ze met mij brak, ik standvastig had moeten zijn en had moeten roepen: ‘Maar daar ga ik niet mee akkoord! Wij hebben niet zo <onleesbaar> gestreden, om op het moment dat we elkaar zo goed kennen te zeggen: ‘En verder mag je me niet meer leren kennen. Ik hef de toegang die je tot mij had op’. Maar ik zei niets <onleesbaar> liet iets oneindig waardevols achter.

Geen mens is dom genoeg om zijn eigen intelligentie over het hoofd te zien, maar ik was dom genoeg om de hare zo weinig op te merken.

(…)

Het is mij niet gelukt een mens voor het leven te leren kennen! Maar lijd ik niet veel meer onder het idee dat zij mij niet voor het leven wilde leren kennen?

Ze vertelde me dat ze de dood in de ogen had gekeken en ik moest lachen.
In een droom vertelde ze me het verhaal nog een keer. Ik nam toen haar hand vast en zei: ‘Ik ben zo blij dat je er nog bent!’
Was ik toch maar wat meer de man van mijn dromen…

‘Koester de mooie dingen als een goede herinnering.’
Maar hoe kan iets gekoesterd worden als het gegrond is op onherstelbare mislukking? Hoe kunnen duizenden warme herinneringen stand houden tegen die ene ijzingwekkende koude? – Ik bevries, wat ik me ook bedenk.

De taal is ontoereikend om haar te kunnen schrijven wat ik denk, omdat al mijn denken -hoe ik dat ook zou proberen- een beweging genereert die ik tegelijkertijd kan willen en niet kan willen. Zelfs dit inzicht levert zo’n beweging op (evenals dit meta-inzicht en de herkenning daar weer van (ad infinitum)): Mijn stellingen zijn verhelderend omdat hij die me begrijpt, ten slotte erkent dat ze onzinnig zijn, als hij door middel van mijn stellingen – er op – boven ze uit geklommen is. (Hij moet om zo te zeggen de ladder omvergooien na erop geklommen te zijn.)
{noot: overduidelijk Wittgenstein. De schrijver schreef het in het Duits, ik heb hier de Nederlandse vertaling gebruikt. Ik heb ook van verschillende andere teksten geprobeerd na te gaan of het citaten zouden kunnen zijn, of dat ze ergens zouden zijn gepubliceerd, maar ik heb verder niets kunnen vinden.}

De hele nacht verscheen ze af en aan in mijn dromen, maar dan zo dat ik haar enkel vanaf een onoverbrugbare afstand waarnam in haar ogenschijnlijke nieuwe leven…Ik kon roepen wat ik wilde, ze hoorde me niet. Telkens als ik haar bezig zag in haar doen en laten, hoopte ik slechts één ding: dat ze tot besef zou komen hoezeer ik geprobeerd heb haar werkelijk lief te hebben en hoeveel spijt ik heb dat ik daarin heb gefaald. Ik wenste vurig dat ze me niet liet wegglijden in haar oude herinnering, maar dat ze net als ik zou verlangen naar nieuwe herinneringen.

En de goden spraken tot mij: ‘We gunnen je drie momenten waarop zich een mogelijkheid aandient dat je haar alles wat je wenst schrijven kunt. Gebruik die wijs en verstandig, want daarna zal ze zich afsluiten en is er voor jou niets meer aan haar te zeggen. Voor die drie keer, zal ze alles wat je schrijft met aandacht en toewijding lezen. Wat haar hartsgesteldheid echter betreft, die ligt zelfs buiten onze macht – …’
Ik was verheugd met deze mogelijkheid. Het is niet iedereen gegeven tot driemaal toe het allerlaatste tegen iemand te kunnen zeggen en ermee een mogelijk nieuw begin teweeg te brengen. Zodoende schreef ik, formuleerde en las, verwijderde en herlas, schaafde en schrapte, wikte en woog. En ik ontdekte hoeveel er te zeggen was, hoeveel ik zeggen wilde en hoeveel ik nog nooit gezegd had.
Ik verstuurde mijn eerste brief, en had terstond spijt dat ik er niet veel meer in had verteld. Ik verstuurde mijn tweede brief en gelijk daarop wist ik dat ik het anders had moeten schrijven. En ik verstuurde mijn laatste brief. Ik had er zo lang over nagedacht, maar ook hier wist ik meteen dat er veel meer was dan waar ik mee op de proppen was gekomen…
En de goden spraken weer tot mij: ‘Dit is dan nu je lot én je straf! Waar je geest ingesteld zal blijven op het idee een leven lang alles met haar te kunnen delen, is dat nu voorgoed afgesloten.’
‘O, goden! Hoe kan ik haar nu toch ooit nog prijzen om wie ze is? Dat ik dat niet meer kan, waarvan ik weet dat ik het zo lang heb nagelaten, dat is onverdraaglijk. Het lot accepteer ik, maar de straf is te zwaar.’

Dialoog
‘Wat is de straf?’

‘Een vraag die voor altijd blijft.’
‘Maar wat is de vraag?’
‘Was het mogelijk geweest iets te schrijven wat haar wel van gedachten had kunnen doen veranderen?’
‘Dus wat is de straf?’
‘Dat ik geloof dat het mogelijk was, maar alleen binnen het ogenblik dat nu voorgoed voorbij is.’
{noot: dit fragment lijkt aan te sluiten bij het vorige. α ontbreekt.)

Iemand die met alles wat hij in zich heeft een unieke wedstrijd loopt, maar in het zicht van de finish in elkaar zakt, troost men niet met de woorden: ‘Koester toch de herinnering dat je zo ver nog gekomen bent!’

Zij redt levens. Ik red gedachten.

Ik ken haar diepste zorgen en ik weet wie haar beste vrienden zijn. Ik heb haar telefoonnummer, ik weet waar ze woont en waar ze werkt. Maar ik kan haar niet meer bereiken.

(…)

Ik was samen met haar uit, toen ik op enig moment vast kwam te zitten achter een deur waarvan het slot doordraaide. Ik schat dat ze mij na ongeveer 15 minuten kwam bevrijden uit mijn benarde situatie. Ze voelde als geen ander aan dat ik haar nodig had. Toen heb ik even gedacht dat ze me voorgoed ook bevrijd had van al mijn demonen.

Wanneer iemand zegt: ‘Ik heb hem in dierbare herinnering’ is dat pijnlijk als degene nog leeft. Gewoonlijk zegt men dat over de doden.

‘Geef me op. Laat me gaan. Je houdt het niet met me uit…’
‘Ik ben geduldig!’
‘Maar ik kan het niet meer… Kus me nog één laatste keer en dan herneem ik mijn vrijheid.’
‘Maar ik verdraag je liever dan dat ik je laat gaan! Dat is mijn trouw aan jou! Ik wil niet dat verliezen, waar ik diep van binnen zo trots op ben, zoveel rust aan ontleen en waar ik zo vaak naar uit heb gezien!’
‘Je moet, ik laat je geen keuze. Er is geen of/of meer.’

‘Elke scheiding is een voorsmaak van de dood’
Van de ene op de andere dag was ze voorgoed onbereikbaar, zoals dat alleen is voor te stellen bij iemand die plots sterft: ik zag haar nimmer meer.
{noot: citaat mij onbekend}

Ik zou haar enkel kunnen zien als ik haar minuten mag omhelzen.

Ik zie geen reden om het afscheid nemen te beëindigen. Ik hou haar daarom in gedachten.

α: Wie het vaste geloof heeft dat een verloren liefde is terug te winnen, miskent dat hetgeen verloren is het metafysische vermogen bezit zich onvindbaar te verstoppen.

Toegegeven, ze heeft me van een gigantisch vraagstuk verlost, maar dan wel door er zelf voor in de plaats te komen.

Treurnis om verloren liefde is in aanvang altijd aandoenlijk en kan rekenen op sympathie van eenieder. Maar o wee de man die er te lang mee rondloopt: dan wordt de treurnis onmiddellijke ergernis voor wie er bekend mee is en in aanraking komt.
α: Dat komt omdat langdurig verdriet tegen het hopeloze aan schuurt. En een mens weet zich over het algemeen geen raad met het hopeloze.

Wie iets afbreekt, bouwt sneller op dan wie is afgebroken.
{noot: het eerste deel spreekt van ‘iets’, het tweede van ‘iemand’. Toch lijkt de zin een (begrijpelijke) relatie te veronderstellen}

Ze had beloofd mij te leren wat liefde werkelijk betekent; maar juist nu ik nog maar zo weinig nodig heb om het te begrijpen, heeft ze haar belofte verbroken.

(…)

Het is plots voorbij! Het boek is gesloten, terwijl ik nog aan het lezen was. Wat ik ook probeer, ik krijg het boek niet meer open…

Aan Sanne Eschbach

 Voor Sanne Eschbach; uit de aantekeningen ‘Afstemming en Verhouding.’ Fragmenten uit de nummers 4600-5400 e.v.

Bekentenis van Donald Trump, of: De grootste stunt in de geschiedenis van de democratie

Ik heb de moeite genomen om de ongelofelijke, opzienbarende en historische speech van Donald Trump te vertalen naar het Nederlands. Ik ben geen vertaler Engels, dus men neemt het mij niet kwalijk dat het geen 100% accurate weergave betreft. De strekking is echter net als in de Engelse voordracht (die men onder mijn vertaling aantreft) onmiskenbaar intens.

Mijn dierbare landgenoten,

donald trumpin deze voordracht zal ik een bekentenis doen die velen zal schokken. Het is een bekentenis die velen nauwelijks zullen geloven. De bekentenis is echter niet schokkender dan wat ik de roerige afgelopen maanden van mijzelf heb laten zien. De bekentenis is niet minder geloofwaardig dan het ongelofelijke feit dat het zover heeft kunnen komen: ik als presidentskandidaat van de Verenigde Staten.

In mijn strijd naar het Witte Huis heb ik velen tot op het bot beledigd. Ik heb Mexicanen verkrachters genoemd, vrouwen als lustobject behandeld. Ik heb mij meerdere malen racistisch uitgelaten en zowel democraten als republikeinen tot wanhoop gedreven.

Ik heb openlijk betwijfeld of de presidentsverkiezingen wel eerlijk zouden verlopen. In debatten gedroeg ik mij als een achterlijke clown, veinzend en liegend wanneer het mij uitkwam. Het was zo kluchtig dat zelfs de satire – waar ik erg van genoten heb – nauwelijks in de buurt kwam van de realiteit. Ik was arrogant, harteloos, hardvochtig en hatelijk, en ik verkocht een opruiende populistische boodschap waarvan ik wist dat ze onmogelijk te realiseren zou zijn, op welke manier dan ook.

Maar aan dat alles komt nu een einde. Het is tijd voor de bekentenis. Het is tijd dat ik mijn verschrikkelijke masker afdoe en zeg wat ik te zeggen heb:

dit alles was slechts een sociaal-experiment. Ik zal dat herhalen: dit alles was slechts een sociaal-experiment.

Ik heb blootgelegd hoe treurig het met ons land is gesteld. Ik heb laten zien hoe maskervelen mij bleven steunen terwijl ik de grootst mogelijke onzin uitkraamde. Ik heb aangetoond hoe verdorven onze samenleving is uiteengevallen in groepen die elkaar naar het leven staan. Blanken en zwarten, republikeinen en democraten, mannen en vrouwen, moslims en christenen, jong en oud, het Noorden en het Zuiden.

Zij die teleurgesteld zijn in het feit dat ik nooit van plan ben geweest president van de Verenigde Staten te worden, kan ik slechts aanraden in de spiegel te kijken en bij zichzelf te rade te gaan hoe ze ooit mijn toneelspel serieus hebben kunnen nemen.

Ik trek mij terug, wetende dat ik misschien wel de grootste stunt heb uitgehaald in de geschiedenis van de democratie. Een stunt waarvan ik hoop dat het velen de ogen opent op weg naar eenheid. Want hoe heeft het zover kunnen komen? Denk er over na, ga met elkaar in gesprek.

God zegene jullie allen, en God zegent de Verenigde Staten van Amerika.

Donald J. Trump

____________________________________________________

My dear fellow Americans,

donald trumpin this enunciation I will make a confession which will shock many. It is a confession which many will find hard to believe. The confession however is not more shocking than the way I presented myself the turbulent past few months. The confession is no less credible than the incredible fact that it has come to this: I, as  presidential candidate of the United States.

In my fight for the White House, I have offended many people to the bone. I called Mexicans rapists, I treated women as sex objects. I expressed myself several times as a racist and driven both Democrats and Republicans into despair.

I have openly doubted whether the presidential election will be conducted fairly. In debates I behaved like a retarded clown, pretending and lying as it suited me. It was so comical that even the satire -which I dearly enjoyed- hardly came close to reality. I was arrogant, heartless, callous and hateful, and I presented a seditious populist message for which I knew was impossible to realise in any way.

But all that is now coming to an end. It’s time for confession. It’s time I take off my hideous mask and say what I have to say.

All of this was just a social experiment. And I’ll repeat: all of this was just a social experiment.

maskerI have revealed how sad the current state our country is in. I showed how many people were supporting me while I raved utmost nonsense. I have shown how despicable our society has disintegrated into groups that hate each other. Whites and blacks, republicans and democrats, men and women, Muslims and Christians, young and old, North and South.

Those who are disappointed in the fact that I never intended to be president of the United States, I can only recommend to look in the mirror and consult themselves how they ever were able to take my farce seriously.

I shall withdraw, knowing I might have pulled the biggest stunt in the history of democracy. A stunt that I hope opens the eyes of many on the road to unity. How could it have come this far? Think about it, talk to each other.

God bless you all, and God bless the United States of America.

Donald J. Trump

Indrukken bij de eerste druk VI: Jules Léquyers La Recherche d’une Première Vérité uit 1865

Indrukken bij de eerste druk VI
Jules Léquyers La Recherche d’une Première Vérité uit 1865
~En de ontdekking van een brief~

~Voor die ene die ontdekken wil~

Het essay wat ik eerder publiceerdeStatue Lequier, met daarin een bescheiden uiteenzetting van enkele gedachten van Jules Lequier (noot 1), bracht me tot een zoektocht naar de beschikbaarheid van de eerste druk van zijn postuum verschenen filosofische fragmenten, die zijn vriend Charles Renouvier in 1865 heeft uitgegeven bij Imprimerie de Mme Ve Belin, Saint-Cloud.

Het is aantrekkelijk en ook enigszins voor de hand liggend om het werk van Lequier te vergelijken met dat van Kierkegaard. Er is geen enkele aanwijzing dat ze elkaar gekend hebben of hebben beïnvloed, maar Lequiers existentiële grondslagen, de keuze voor verantwoordelijkheid en vrijheid en het pleidooi voor bestaansrecht van corsaren3het individu (anti-Hegeliaans in die zin) vertonen grote overeenkomsten met het filosofische project van Kierkegaard. Hier en daar wordt zelfs de vergelijking gemaakt tussen Kierkegaards verhouding tot Regine Olsen en Lequiers verhouding tot Anne Deszille (vgl. Clair, A. (2008). Kierkegaard et Lequier: Lectures croisées). Dat lijkt me echter ver gezocht. Jammer genoeg is er over Anne Deszille niets te vinden, zodat haar mysterie in tegenstelling tot dat van Olsen voorgoed bewaard blijft.

Prof. dr. Donald Viney, de Engelse autoriteit op het gebied van het denken van Lequier, merkt op dat Kierkegaard en Lequier eenzelfde soort literaire filosofische stijl hanteren (het lezen van Het Heggenblad doet dat bevestigen) waarbij wijsgerige en religieuze thema’s met elkaar vervlochten zijn en het christendom op een nieuwe filosofische manier wordt opgevat. Het spreekt voor zich dat Kierkegaard hierin veel ‘systematischer’, consequenter en uiteindelijk ook succesvoller is geweest, maar in thematiek zijn er inderdaad naast talrijke verschillen interessante gelijkenissen op te merken.

Lequier was een toegewijd rooms-katholiek. Het verhaal gaat dat hij op 15 augustus 1846 een mystieke ervaring heeft gehad, die doet denken aan Pascals Memorial, helemaal omdat hij de ervaring neerschreef gecombineerd met Franse en Latijnse teksten. Die ervaring is niet opgenomen in het boek, maar verder staan alle belangrijke teksten erin, die Renouvier na verschillende correspondenties heeft gebundeld.

Eerste druk LequierDe uitgave was nadrukkelijk niet bedoeld voor de verkoop zoals ook staat vermeld in het boek zelf, maar voor vrienden en kennissen ter nagedachtenis aan de filosofische nalatenschap van Lequier. De oplage bedroeg dan ook slechts 120 exemplaren. Het geluk was met mij, dat ik na wat zoekwerk een aangeboden exemplaar bij een Frans antiquariaat (J. Vrin) tegenkwam, zo niet het laatste exemplaar op de wereld in de verkoop. Nadat ik hem een eerste bod had gedaan per e-mail, wat zonder reactie bleef, kon ik op een avond de slaap niet vatten door de gedachte ernaast te grijpen, dat ik zodoende de ochtend erna het boek direct aanschafte. Het gevoel een stuk geschiedenis in zijn meest oorspronkelijke vorm te bezitten, had me toch weer gegrepen.

Enkele dagen later ontving ik het boek, en tot mijn grote verrassing bevond zich in het boek een handgeschreven brief van twee kantjes van Jules Lequier zelf. Ik besloot daarop contact te zoeken met de Amerikaanse hoogleraar Donald W. Viney. Ik stuurde hem een fotokopie van de brief, waarmee de speurtocht geopend was niet zozeer naar het boek, maar naar de achtergrond van de brief.

Ik ontving vrijwel per omgaande een informatieve en zeer vriendelijke reactie van Viney:

I very much appreciate the copy of the Lequyer letter that you sent. It is clearly not in Jean Grenier’s edition of Lequyer’s complete works and so is of great interest to me and to anyone else with more than a passing interest in Jules Lequyer. The letter is very difficult to decipher and there are words I can’t make out. I have sent the letter (and forwarded your email) to Goulven Le Brech in Paris. His native French “eye” will help to understand this. It is clearly written during Lequyer’s time in Paris at the École Polytechnique, but I’m still not sure who the recipient was. I wonder if there is any clue in your edition of La Recherche d’une Première Vérité of who owned it. As you know, Charles Renouvier gave copies of this book freely to those who were interested, and presumably some copies went to Lequyer’s friends. I once owned an original copy (like the one you have) and on the inside cover of my copy was a handwritten dedication that reads “Offert à M- Beaurrier par l’éditeur C. Renouvier”. Is there anything comparable in your copy? Perhaps not.

Ik schreef naar aanleiding hiervan oud-collega Georgette Molenaar aan die de Franse taal meester is om te achterhalen wat precies in de brief stond en aan wie hij was gericht. Ik vroeg haar om op de eerste plaats het handschrift om te zetten naar de Franse tekst om vervolgens een Nederlandse vertaling toe te voegen. Het onderstaande is het verdienstelijke resultaat hiervan.Brief Jules Lequier

Klik hier voor de afbeelding op hoge resolutie

Frans Origineel (Zoals gezien door G. Molenaar)

1844

  1. Viens, mon ami, mon frère. Viens passer quelque temps avec nous. Nul de ceux que tu aimes et qui seront heureux de te revoir, n’éprouveront en t’embrassant de plaisir comparable au mien.
  2. J’avais prié Michelot de joindre au lettre que je t’envoie une lettre de lui et voilà qu’aprés quelques jours de chercher amèrement, perdue enfouie dans cet épouvantable masse de papiers qui encombre ma chambre et où ma maladresse l’a engloutie, J’aime mieux t’envoyer ceci et ne pas attendre que j’ai retrouvé sa lettre. A ton arrivée je la remettrai ainsi qu’une vieille lettre de Guerin l’asmeilleur Guerin, qui me tombe quelquefois sous la main quand je fais la grande inspection de mes papiers et qui m’a ému toujours.
  3. De dire que je pensais toute cette (période)) a toi, que je me proposais de mois en mois de t’écrire des volumes ce serait ne rien t’apprendre. Mais ma vie a été si agitée, si travers à, à bientôt, cher ami; tu trouveras ici tous tes fidèles amis, moi en tête.
  4. Si je ne te connaissais pas si parfaitement (moi qui te connais si bien, mieux qu’un frère) tes lettres m’auraient un peu inquiété. Mais tu n’as pu prendre la doctrine de Fourrier que par le grand côté et peut-être meme par ce qui la dépasse, lui prêtant la grandeur de ton propre cœur. Si tu es Fourrieriste c’est en maître et non en disciple de Fourrier je trouve .. dans tes travaux tes préoccupations, tes aspirations vers le bien et la vérité, ton âme si noble, objet pour moi d’une si tendre affection. Oh que je serai heureux t’embrasser mon cher Fréderic.
  5. Puisses-tu hâter cet heureux moment ne m’en voulez pas, ami, de mon silence. Si tu savais comment j’ai été malheureux après ton départ mais l’horizon s’éclaircit et les temps meilleurs s’annoncent. Mets moi à part dans ton cœur, oui j’ai droit à une place à part.
  6. A bientôt, noble ami.

Jules Lequyer
Rue Vaugirard 52 bis

Nederlandse vertaling (Vertaling door G. Molenaar)

1844

  1. Kom, mijn vriend (A), mijn broer. Kom wat tijd doorbrengen met ons. Niemand van degenen waarvan jij houdt en die blij zullen zijn je terug te zien, zullen bij het omhelzen, hetzelfde plezier voelen als ik.
  2. Ik had Michelot (B) verzocht om een brief van hem te voegen bij de brieven die ik je stuur en ziedaar na enkele dagen bitter zoeken, verloren geraakt weggezakt  in die afschuwelijke massa papier die mijn kamer hinderlijk vult en waar mijn onhandigheid hem in heeft verzwolgen. Ik stuur liever deze brief nu en ga niet wachten tot dat ik zijn brief terug vind. Bij je aankomst zal ik je hem geven evenals een oude brief van Guerin (C) de allerbeste Guerin waar ik soms de hand op leg als ik een grote inspectie houdt van mijn papieren en die mij altijd heeft geraakt.
  3. Om te zeggen dat ik de hele tijd aan je dacht, dat ik me van maand tot maand voornam om je hele boekwerken te schrijven daarmee zou ik je niets nieuws vertellen. Maar mijn leven is zo veelbewogen geweest zo vol tegenslag. Tot gauw beste vriend je zult hier op tijd je trouwe vrienden vinden, mij voorop.
  4. Als ik je niet zo perfect zou kennen ( ik die je zo goed kent, beter dan een broer) zouden jouw brieven me een beetje ongerust hebben gemaakt. Maar jij hebt slechts de doctrine van De Fourrier (D) groots toegepast en misschien zelfs wel overstegen, hem verlenende de grootsheid van je eigen hart. Als je al Fourrieriste bent dan is het als meester en niet als volgeling. Ik vind jouw ziel in jouw werken terug, in je zorgen en in je aspiraties naar het goede en de waarheid, jouw ziel zo edel, voor mij voorwerp van een zo tedere genegenheid. Oh wat zal ik gelukkig zijn om je te omhelzen mijn lieve Frederik.
  5. Kon je dit gelukkige moment maar versnellen. Vriend, neem me mijn zwijgzaamheid niet kwalijk als je wist hoezeer ik ongelukkig ben geweest na je vertrek maar de horizon wordt lichter en betere tijden kondigen zich aan. Zet mij apart in je hart, ja ik heb recht op een aparte plek.
  6. Tot gauw edele vriend.

Jules Lequyer
Rue Vaugirard 52 bis

Aantekeningen bij de Nederlandse tekst
A. Frédéric Zurcher (1816-1890): vriend van Jules Lequier (en Charles Renouvier), Polytechnique (klas van 1834).
B. Paul Michelot (1817-1885): vriend van Jules Lequier, Polytechnique (klas van 1834)
C. Waarschijnlijk Léon Guérin (1807-1885), schrijver, journalist, historicus en Frans dichter.
D. Charles Fourier (1772-1837): Franse filosoof.

Engelse vertaling
Prof. Viney, die ook de Franse taal meester is, heeft hier een Engelse vertaling aan toegevoegd.

Ik heb deze, samen met mijn eigen oorspronkelijke Engelse vertaling (die van mindere kwaliteit is dan die van Viney rechtstreeks uit het Frans) in een overzichtelijk pdf-document geplaatst, wat hier te vinden is.

In de verdere briefwisseling die ik had met Viney, gaf hij de informatie dat er aanwijzingen zijn dat naar alle waarschijnlijkheid de helft van het aantal gedrukte exemplaren is vernietigd.

There is some reason to believe that half of the 120 copies that Renouvier published may have been destroyed, or so Jean Grenier speculates in his little article “La première publication de La Recherche d’une première vérité” in Revue Philosophique de la France et de l’Étranger, LXXIX, 7-9 (1954): pp. 412-415. (zie voor dit artikel hier)

Dat betekent dus dat er nog maar ongeveer 60 exemplaren op de wereld van deze eerste uitgave beschikbaar zouden zijn. Aangezien zoals reeds opgemerkt, Charles Renouvier de exemplaren vooral als cadeau gaf aan liefhebbers en nabestaanden (onder wie William James), bevatten ze niet zelden een persoonlijke opdracht van Renouvier. Dat is ook het geval in mijn exemplaar. We lezen daar:

Opdracht groot Lequier

 

Offert en mémoire de leur vieux camarade à son ami F.Zurcher par l’éditeur C. Renouvier.

(Aangeboden ter herinnering aan hun oude kameraad aan zijn vriend F. Zurcher door de uitgever C. Renouvier).

De brief die is aangetroffen in mijn boek, blijkt na onderzoek inderdaad te zijn gericht aan Frédéric Zurcher (1816-1890). Deze studievriend van Lequier zwaaide in hetzelfde jaar af (1834) en klaarblijkelijk hadden ze in 1844 (het jaartal wat in potlood geschreven op de brief is geplaatst, waarschijnlijk door Zurcher) nog innig contact. Volgens gegevens van de Ecole Polytechnique was hij blond, met een onbedekt gezicht, grote neus, blauwe ogen, gemiddelde mond, ronde kin en 1,78 m lang. Na zijn studie werd hij succesvol marine-officier. Zurcher publiceerde bovendien veel populair wetenschappelijke boeken en artikelen (waaronder vijftien boeken over vulkanen, stormen, meteoren, gletsjers en de onderwaterwereld). In maart 1852 trad hij met Justine Camille Margolle in het huwelijk, waaruit twee jongens werden geboren die net als hun vader een militaire loopbaan hadden. Nadat hij het leger verlaat stort Zurcher zich tot het einde van zijn leven op het denken van Charles Fourier, wat hij met verve propageert.

Viney heeft de brief zoals opgemerkt ook aan de Franstalige autoriteit Goulven Le Brech laten zien en schrijft:

Goulven thinks that this letter is important in showing that, during his days in Paris, which may have been the most important of his life, Lequyer was at the center of a circle of friends with vast intellectual interests. Zurcher was, as the letter indicates, a follower of Fourierisme. François Marie Charles Fourier (1772-1837) was a social philosopher who advocated socialist ideas and is credited with first using the word “feminism.”

Dat het boek dus in bezit is geweest van Frédéric Zurcher, maken zowel de persoonlijke opdracht van Renouvier, als de aanwezige brief in het boek duidelijk.

De vondst is inmiddels ook internationaal opgemerkt, en gepubliceerd op het Jules Lequyer Archief: https://juleslequier.wordpress.com/2016/07/13/decouverte-dune-lettre-inedite-de-jules-lequier/.

Daarin wordt, naast mijn verkeerd geschreven naam, overigens ten onrecht een verbondenheid aan de universiteit Utrecht gesuggereerd; mij is verzekerd dat dit wordt gecorrigeerd.

Opdracht en voorblad LequierWat verder opvalt is dat dit boek opnieuw moet zijn gebonden. De reden daarvoor is dat zich in het boek tussen de pagina waarin het aantal gedrukte exemplaren wordt vermeld en de aanvang van het voorwoord van Renouvier, eeRichebourg Phot de la Couronnen pagina is toegevoegd met daarop de afbeelding van het gemaakte standbeeld van Lequier. Het standbeeld is pas in 1868 bij het graf van Lequier gebouwd, terwijl de uitgave stamt uit 1865. Op de ingevoegde pagina die duidelijk van zwaardere kwaliteit is dan de rest van de pagina’s, treffen we ook een stempel aan van ‘Richebourg Phot. de la Couronne. De onderste regel is niet goed zichtbaar, maar de zaak moet zijn gevestigd in Parijs aan de Quai de l’horloge 29. Een blik op Google Maps toont ons nu een theehuis. Speurwerk brengt me tot de waarschijnlijke fotograaf Pierre-Ambroise Richebourg (1810-1875).Stempel fotograaf

De stempels van Richebourg zijn zeldzaam (te vinden) en bevinden zich voornamelijk rond de jaren 1840-1870, als je zoekt in Google books. Het is zeer waarschijnlijk dat de foto rond deze tijd is gemaakt. Wat wel opvalt zijn de gelijkenissen met beschikbare foto’s op internet, wat vragen doet naar de originaliteit van de afbeelding.

Foto en oplageblad


Zo is deze indruk van de eerste druk niet het verhaal geworden van al te veel achtergronden wat betreft het boek en haar inhoud, maar meer van een verloren brief die weer gevonden is, en waar ik toch minstens 3 wereldburgers zeer mee heb verblijd. De brief is inmiddels ingelijst en een blik erop laat afdwalen naar de gelukkigere tijden van Lequier, waar hij zijn vriend schreef, zoals wij dat tegenwoordig nog maar zo zelden doen.

Noot
(1) Zoals waarschijnlijk is opgevallen, is de schrijfwijze van zijn achternaam op verschillende manieren mogelijk. Ik hanteer hier consequent ‘ Lequier’, omdat dit het meest gangbaar lijkt, maar juister is feitelijk ‘Léquyer’. Zijn geboortecertificaat vermeldt ‘Lequier’, maar dat is door zijn vader later gecorrigeerd tot ‘Lequyer’. Daarbij is het bekend dat Lequier zelf geregeld zijn naam op een verschillende wijze schreef. In de mij beschikbare brief heeft hij zich bedient van ‘Jules Léquyer’. Op zijn grafsteen in Plérin staat Lequyer.

Verder lezen?
Bronnen over Lequier. Gedeeltelijk overgenomen uit: Vincelette, A. (2009). Recent catholic philosophy. The 19th century.  Milwaukee, Wisconsin: Marquette University Press:

Lequiers vertaalde werk in het Engels: Translation of Works of Jules Lequyer: The Hornbeam Leaf, The Dialogue of the Predestinate and the Reprobate, Eugene and Theophilus, vert. Donald Wayne Viney (Lewiston: The Edwin Mellen Press, 1998); Jules Lequyer’s ‘Abel and Abel’ Followed by ‘Incidents in the Life and Death of Jules Lequyer’, vert. Mark West (Lewiston: The Edwin Mellen Press, 1999). Delen uit The Problem of Knowledge zijn vertaald in Philosophers Speak of God, Charles Hartshorne en William Reese, eds. (Chicago: University of Chicago Press, 1953), pp. 227- 230; The Hornbeam Leaf ook vertaald in 1974 door Harvey Brimmer en Jacqueline Delobel in “Jules Lequier’s The Hornbeam Leaf,” Philosophy in Context 3 (1974), pp. 94-100; en in The Dialogue of the Predestinate and the Reprobate door Donald Viney in Questions of Value Readings for Basic Philosophy (Needham Neights: Ginn Press, 1989).

Secundaire bronnen:
Russell, Leonard, “Review of La recherche d’une premiere vérité,” Mind 36 (1927), pp. 512-514; Grenier, Jean, La philosophie de Jules Lequier (Paris: Belles Lettres, 1936); Lazareff, Adolophe, “L’enterprise philosophique de Jules Lequier,” in Vie et Connaissance, Boris de Schloezer, ed. (Paris: Félix Alcan, 1948), pp. 21-40; Wahl, Jean, Jules Lequier: Introduction et choix (Paris: Trois Collines, 1948); Charlton, Donald, Positivist Thought in France during the Second Empire, 1852-1870 (Oxford: Clarendon Press, 1959), pp. 18-19, 232; Callot, Emile, Propos sur Lules Lequier: philosophe de la liberté (Paris: Marcel Riviere, 1962); Pasquali, Antonio, Fundamentos gnoseológicos para una ciencia de la moral ; ensayo sobre la formación de una theor’a especial del concimiento moral en las filosof’as de Kant, Lequier, Renouvier y Bergson (Caracas: Universidad Central de Venezuela, 1963); Tilliette, Xavier, Jules Lequier ou le tourment de la liberté (Paris: Desclée de Brouwer, 1964); Roggerone, Giuseppe, La via nuova di Lequier (Milan: Marzorati, 1968); Sipfle, David, “A Wager on Freedom,” International Philosophical Quarterly 8 (1968), pp. 200-211; Petterlini, Arnaldo, Jules Lequier e il problema della libertà (Milan: Vita e pensiero, 1969); Brimmer, Harvey, “Jules Lequier’s ‘The Hornbeam Leaf ’,” Philosophy in Context 3 (1974), pp. 94-100; Prontera, Angelo, ed., Libertà e Ontologia (Lecce: Milella, 1984); Viney, Donald, “Faith as a Creative Act: Kierkegaard and Lequier on the Relation of Faith and Reason,” in Faith and Creativity: Essays in Honor of Eugene H. Peters, George Nordgulen and George Shields, eds. (St. Louis: CBP Press, 1987); Shields, George, “Some Recent Philosophers and the Problem of Future Contingents,” The Midwest Quarterly 34 :3 (1993), pp. 294-309; Viney, Donald, “Review of La recherche d’une premiere vérité et autres textes,” Process Studies 23:4 (1994), pp. 290-291; Viney, Donald, “On the Trail of a French Philosopher of Genius: Jules Lequyer,” Pittsburgh State University Magazine 6:1 (1995), pp. 12-14; Tilliette, Xavier, “Lequier Lecture de Fichte,” in Fichte et la France, ed. Ives Radrizzani (Paris: Beauchesne, 1997), v. I, pp. 183-199; Viney, Donald, “Jules Lequyer and the Openness of God,” Faith and Philosophy 14:2 (1997), pp. 212-235; Viney, Donald, “William James on Free Will: The French Connection,” History of Philosophy Quarterly 14:1 (1997), pp. 29-52; Armellini Paolo, Lequier: La solitudine di Dio (Rome: Ed. studium, 1998); Viney, Donald, “The Nightmare of Necessity: Jules Lequyer’s Dialogue of the Predestinate and the Reprobate,” Journal of the Association for the Interdisciplinary Study of the Arts 5:1 (1999), pp. 19-32; Clair, André, Métaphysique et Existence: Essai sur la philosophie de Jules Lequier (Paris: Vrin, 2000); Pagani, Paolo, Libertà e non-contraddizione in Jules Lequier (Milan: F. Angeli, 2000); Josse, Jacques, Jules Lequier et la Bretagne (Moëlan-sur-mer: Blanc Silex, 2001); Le Brech, Goulven, Jules Lequier (Rennes: La Part Commune, 2007).

Lees ook:

  1. Indrukken bij de eerste druk V: Martin Heideggers Sein und Zeit uit 1927
  2. Indrukken bij de eerste druk IV: Derek Parfits Reasons and Persons uit 1984 in de hand (met een korte inleiding tot het boek)
  3. Indrukken bij de eerste druk III: H.L.A. Harts The Concept of Law uit 1961 in de hand (met een kleine rechtsfilosofische bijdrage)
  4. Indrukken bij de eerste druk II: John Henry Newmans Grammar of Assent uit 1870 in de hand
  5. Indrukken bij de eerste druk: Søren Kierkegaards Frygt og Bæven uit 1843 in de hand

 

 

De tragiek van het nooit kunnen winnen: hoe kleding een absolute topprestatie verhindert

De tragiek van het nooit kunnen winnen: hoe kleding een absolute topprestatie verhindert
Lichtvoetige overdenking bij een topzwaar onderwerp

Beach Volleyball Boerkini

(c) Reuters, 2016

In de stortregen van afbeeldingen die iedere dag over ons heen valt, verdient nog zo zelden een foto wat langere overweging. Zo’n zeldzaamheid trof me toch toen ik op sociale media deze zag:

Het betreft hier een olympische seriewedstrijd beachvolleybal in Rio tussen de vrouwenkoppels van Duitsland en Egypte, die kansloos werd verloren door het Egyptische team (21-15 en 21-12).

De foto laat onmiddellijk denken aan de beroemde cartoon van Malcom Evans uit 2011.

Malcom Evans cartoon

(c) Malcom Evans 2011

 

Het argument van de culturele mannelijke dominantie parkeer ik hier echter, evenals de vraag waarom een volmaakt Opperwezen al dan niet via een heilige tekst zou verlangen dat de vrouw in het bijzonder haar lichaam zoveel mogelijk bedekt en verhult, zelfs in het brandende zand van de Copacabana.

Wat mij fascineert is de tragiek van de kleding, in relatie tot de topsport. Als ik uitga van een oprechte en vrij gekozen overtuiging om op grond van religie deze kledingstijl te kiezen, dan legt men zich neer bij het feit dat er op het hoogste niveau nooit gewonnen kan worden. Want voor het hoogste topsportniveau gelden de uitgangspunten:

  1. fysieke gesteldheid
  2. mentale weerbaarheid
  3. ideale omstandigheden

Als sporters elkaar op de eerste twee uitgangspunten nauwelijks ontlopen, komt het aan op optimale omstandigheden: de beste training, de juiste voeding en de optimale uitrusting. Ik denk bijvoorbeeld aan dat prachtige filmpje waar Tom Dumoulin in samenwerking met de Technische Universiteit Delft een 3D-scan van zichzelf laat maken om op basis van de laatste techniek een paar seconden te kunnen winnen over tientallen kilometers tijdritfietsen.

Polstok (c) Getty image

Aan de top gaat het namelijk om de allerkleinste details. Je kunt niet, en dat schrijf ik niet cynisch, als je Dafne Schippers heet in een lang gewaad of op blote voeten de 100 meter winnen. Je kunt niet in een boerkini olympisch kampioen in het zwemmen worden en je kunt geen wedstrijd winnen in het beachvolleybal in een legging, shirt met lange mouwen en een hijab bij 30 graden. Het is een even eenvoudig inzicht als dat de ramadan het winnen van de marathon in de weg staat of dat het talent van Max Verstappen futiel is in een raceauto met tweederangs motor.

Dat is de tragiek: dat je religieuze overtuiging je behoedt een absolute topprestatie te leveren, dat je religieuze overtuiging je hindert om met de beste sporters ter wereld mee te kunnen, omdat zij niet belemmerd worden en zich in het licht van die prestatie wel zo optimaal mogelijk uitrusten. En dat er niets ter wereld is wat daar verandering in kan brengen dan het dispenseren van je overtuiging. Een offer wat dus niet gemaakt kan worden zonder iets heiligs te verloochenen. Het

Ook in Rio: Kariman Abuljadayel loopt de 100m in 14.61. Karikatuur of emancipatie? (c) Reuters 2016

is vrijwillig begrensde emancipatie.

‘Citius, Altius, Fortius’
Het lang door het olympisch motto (sneller, hoger, sterker) overschaduwde adagium van De Coubertin ‘meedoen is belangrijker dan winnen’ geldt misschien nog wel voor deze vrouwen. Het sneller, hoger, sterker stopt nu eenmaal wanneer metafysica je fysieke limieten oplegt. Zo bezien is er een hogere wedstrijd te winnen dan eeuwige olympische roem. Want er is nog iets eeuwigers, iets belangrijkers, iets waardevollers dan de smaak van de overwinning; en dat moet de enige troost zijn wanneer men weer strandt tegen de wereldtop.

Wat me nog opvalt tenslotte is dat er op de kleding van de Egyptische vrouwen het logo van het Duitse Adidas prijkt. Ironisch genoeg was het Adolf Dassler (1900-1978) die zich ooit ten doel stelde de beste sportkleding te maken voor de beste prestaties, en de legendarische Jesse Owens in 1936 op zijn sportschoenen 4 maal goud zag winnen.

Maar het idee meer uit jezelf te kunnen halen met de beste spullen verliest het van het idee daar iets schadelijks mee teweeg te brengen. Misschien vereist dat precies de mentale weerbaarheid van een échte topsporter.

De dief en de steen: Een beroep op de intuïtie naar de vraag van rechtvaardigheid

-De dief en de steen: Een beroep op de intuïtie naar de vraag van rechtvaardigheid-
Een parabel

Er was eens een arme dief die een groot stuk steen stal en er vervolgens met veel zorg een beeltenis uit beitelde. Hij stelde deze ten toon in zijn tuin en al spoedig vergaapten talloze voorbijgangers zich aan de beeltenis.  De prachtige creatie werd alom geprezen en van bijzonder grote waarde geacht, totdat plotseling in het voorbijgaan een man riep: ‘he, dat is mijn steen!’

En inderdaad, aan de onderkant van de beeltenis was dankzij een merkteken vast te stellen dat dit het restant was van de gestolen steen en toebehoorde aan de man die zijn steen had herkend. De beeltenis was echter het tigvoudige waard geworden omdat het werd gezien als iets oorspronkelijks -iets wat in deze vorm nooit meer tot stand zou komen, althans zo dachten kenners.

De dief zei: ‘ik heb spijt van wat ik heb gedaan, ik geef u een vrijwel gelijke steen terug.’ Daar nam de man echter geen genoegen mee en hij zei dat hij heel erg gehecht was aan juist deze steen. ‘Deze steen heeft een zeer emotionele waarde voor mij; ik heb deze steen ooit gekregen van mijn overgrootvader tijdens mijn huwelijk. Deze steen symboliseert niet enkel de standvastigheid die in het huwelijk van mij wordt verlangd, maar ook de gedachtenis aan mijn overgrootvader- mag hij rusten in vrede! Ik wil dus mijn eigen steen terug en geen andere.’

‘Maar uw steen is geen steen meer, ik kan u die dus niet teruggeven.’

‘Weet u wat. Ik accepteer het restant en zal geen aangifte tegen u doen -dat ik weet dat dit mijn steen was die mijn overgrootvader aan mij heeft overgedragen is voldoende.’

De dief -bevreesd als hij was voor de aangifte- ging overstag en hij gaf de man de steen terug, of wat er nog van over was. Hij kon immers altijd nog een nieuwe beeltenis maken.

Hoe de arme dief het echter ook probeerde, het lukte hem niet meer de zuivere inspanning van die eerste keer ook maar te benaderen- mensen liepen zijn tuin voorbij en vroegen hem telkens naar die ene beeltenis en stelden nauwelijks prijs op zijn nieuwe creaties.

Enige tijd later ontdekte de dief dat zijn beeltenis in het bezit was gekomen van een vermogend particulier. Woedend ging hij verhaal halen bij de man. ‘Waarom heeft u die zo gekoesterde steen van u verkocht!’

‘Nou’, zei de man, ‘hoe langer ik er naar keek, hoe minder ik er mijn steen nog in terug zag. Dat ging mij steeds meer verdriet doen. Toen er op een dag een vermogende man naar mij toe kwam en mij 1 miljoen bood voor deze steen, ben ik daar na overweging op ingegaan. Met een honderdste van het geld heb ik een monument voor mijn overgrootvader laten maken en de rest investeer ik in een goed huwelijk. En ik moet zeggen dat het mij tot op de dag van vandaag voldoende troost geeft. Ik begrijp ook niet waarom u zich zo opwindt…uw situatie is nog steeds dezelfde, terwijl de mijne wezenlijk is veranderd.’

‘Mijn situatie dezelfde? U heeft niet uw steen verkocht, u heeft mijn beeltenis verkocht! Heeft u dan op zijn minst geen mededogen voor een arme man? Ik heb toch ook recht op wat van dat geld?’

Kan men toeval dankbaar zijn? Een filosofische overweging

Kun je (het) toeval dankbaar zijn? Aangezien deze vraag bij verschillende gelegenheden tot mijn verrassing door velen overtuigend met “ja” wordt beantwoord, zal ik in deze overweging uiteenzetten waarom dit een verkeerd antwoord is.

GK ChestertonDe oorsprong van de vraag – Kun je (het) toeval dankbaar zijn – kan worden gevonden in het citaat dat: “The worst moment for the atheist is when he is really thankful and has nobody to thank.” De bron is niet te achterhalen, maar wordt voor het eerst door G.K. Chesterton in 1923 in zijn werk St. Francis of Assisi toegeschreven aan de Engelse dichter Dante Gabriel Rossetti (1828-1882). Chesterton noemt het zelf ‘een bittere vaststelling, maar met een grote waarheid.’ (p. 88). Ik ben het eens met Chesterton. Maar waarin schuilt dan nu die grote -haast evidente- waarheid?

Als we aannemen dat ‘toeval’ betrekking heeft op gebeurtenissen en omstandigheden die onmogelijk vooraf te zijn voorzien, dan is het de vraag hoe we ons daartoe kunnen of moeten verhouden. Cornelis Verhoeven (2002, p. 390) merkt op dat we het woord toeval vooral begrijpen als grond van waar al onze pogingen om dat wat gebeurt te verklaren vanuit bekende regels of vanuit onze eigen inspanning, tekortschieten.

Toeval is dus de verzonnen grond daar waar de grond volledig ontbreekt. Toeval is wat voorafgaat aan iets dat is. Maar het toeval zelf is dus niets. Het is geen zaak. Het is geen kracht of ding dat ‘werkt’ op andere dingen. Het is slechts een theoretisch concept dat verwijst naar het op zichzelf onverklaarbare, maar het toeval heeft zelf geen bestaan. Het heeft geen wezen, geen ontologische status waartoe je kunt doordringen. Het is niet iets wat je kunt ontrafelen. Want zou dat kunnen, dan zou het toeval als theoretisch construct ter plekke worden opgeheven.

toevalAls we nu toeval beschouwen in het licht van dankbaarheid, moeten we nog nader vaststellen hoe we dankbaarheid opvatten. Ik stel voor dankbaarheid te zien als een innerlijke beweging waarbij iemand een vrijwillige plicht voelt om datgene wat hem is gegeven te beantwoorden met een uiterlijke waardering. Dankbaarheid is, opgevat als betekenisvolle deugd, een vorm van erkentelijkheid, waarbij er erkend wordt dat ‘iets’ positieve waardering verdient. Omdat erkenning een antwoord is, vat ik het op als ‘uiterlijk’, ‘iets wat geuit moet worden’. Dat kan goed een onuitgesproken vaststelling zijn, die voor onszelf is uitgesproken, waarmee we iets erkend hebben. Nu is erkenning een manier om het bestaan van iets in te zien en toe te geven. Daarmee kan dankbaarheid niet bestaan zonder relatie tot iets. Dankbaarheid heeft een reële grond nodig. Toeval kan dat nooit zijn.

maastricht sterIk begrijp dat in de dagelijkse praktijk mensen dankbaarheid ervaren voor iets wat ze niet kunnen verklaren. Om de dankbaarheid dan toe te schrijven aan toeval is even onzinnig als trots te zijn op contingente feiten. Want er zijn vele contingente (dat wil zeggen niet noodzakelijke) feiten die ons leven kenmerken. Feiten die evengoed niet het geval hadden hoeven zijn, maar waar ik toch een gevoel of verhouding toe lijk te hebben.

Neem bijvoorbeeld het feit dat ik geboren ben in Maastricht. Ik kan niet zeggen dat ik op dit feit enige invloed heb kunnen uitoefenen, of dat het een gevolg is van een bepaalde inspanning die ik heb geleverd. Toch merk ik in mijzelf een gevoel van trots. Als ik echter even verder nadenk, dan ontdek ik dat het niet zinvol is, of ronduit irrationeel, om trots te zijn op iets waar ik geen enkele inspanning voor heb geleverd. Ik kan mijn trots uiteraard wel verklaren op basis van het feit dat ik in het geval van Maastrichtenaar te zijn een onderdeel uitmaak van een geschiedenis, een levenswijze en een sociale groep waar ik mijn eigenwaarde aan ontleen omdat ik er met instemming onderdeel van uitmaak, maar dat is iets anders dan dat ik trots ben op het toevallige feit.

Een soortgelijke fout maken nu mensen die het toeval dankbaar (menen te) zijn. Ze zijn verheugd dat hun iets overkomt, waarbij in het geval ze het niet kunnen verklaren de wederkerigheid die ten grondslag ligt aan de dankbaarheid toch in stand willen houden door het toeval een ontologische status toe te kennen.

Het is waarschijnlijk dat in het dagelijkse gevoel dankbaarheid verward wordt met blijdschap, vreugde, opluchting of het tevreden of verheugd-zijn. Dat zijn allemaal gevoelens die op zichzelf kunnen bestaan en geen noodzakelijke wederkerigheid vereisen, zoals dankbaarheid dat wel doet.

Iemand zou tenslotte nog kunnen opwerpen dat dit alles een apologetisch karakter heeft en toeval gewoon vervangen is door ‘God’. Dat is echter een misvatting. Op de eerste plaatst draag ik een bewijs aan waarom dankbaarheid en toeval zich onmogelijk tot elkaar kunnen verhouden en op de tweede plaats zijn toeval en God geen synoniemen omdat ze ‘toevallig’ op het oorspronkelijke betrekking hebben. Iemand kan zich namelijk wel relationeel verhouden tot God, maar niet tot het toeval. Het al dan niet bestaan van God doet hierin niet ter zake: het is nu eenmaal een kenmerk van het begrip God dat er een relatie mee mogelijk is voor wie er in gelooft. Een kenmerk dat de gelovigen in het toeval helaas echt nooit zullen vinden.

Filosofische kruimels XVI

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2015 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, hier de teksten integraal. Deel XVI van XVI. Alle overige delen zijn onderaan vindbaar.

Anne, de mannenhater

Is het verkeerd voor een vrouw om een abortus te verrichten op grond van het feit dat het de vader ernstig onrecht doet?
G.W. Harris in Fathers and Fetuses. (Ethics 96 (April 1986))

In een vergeten artikel werkt de Amerikaanse filosoof G.W. Harris een casus uit waarin de vader een moreel en misschien wel juridisch recht op een ongeboren kind zou hebben, iets waar in onze wetgeving die stoelt op het ‘baas in eigen buik’-principe vrijwel nooit sprake van is. Oordeel zelf!

Anne heeft echt een gruwelijke hekel aan mannen. Ze krijgt een relatie met Mark, een fatsoenlijke kerel, en Anne besluit een plan te smeden waarmee ze haar woede via Mark op in haar ogen alle chauvinistische mannen kan koelen. Ze speelt de ideale vrouw, wat Mark tot een aanzoek beweegt dat ze accepteert. Ze overtuigt hem ervan dat hij zijn bedrijf moet opgeven en het geld wat dat oplevert moet investeren in een kindvriendelijk huis. Mark ziet zichzelf al als vader en geeft zijn lucratieve baan en zijn zaak op, om het geld met verlies te investeren in een potentieel gezinsleven. Anne raakt zwanger en hoewel ze aanvankelijk de vrolijke vrouw in blijde verwachting acteert, wat Mark buitengewoon gelukkig maakt, ondergaat ze na 20 weken zonder Mark daarover in te lichten een abortus. Nagenietend van de verschrikking op Marks gezicht onthult ze dat het zijn straf is, als symbool voor al het leed dat mannen vrouwen hebben aangedaan….

Zie ook:
Judith Jarvis Thomsons A defense of abortion

_______

Een heel eenvoudig moeilijk raadsel

‘Als een honkbalknuppel en een bal samen €1,10 kosten, en de knuppel kost €1 meer dan de bal, hoeveel kost dan de bal?’
Te vinden in: Heuristics and Biases: The Psychology of Intuitive Judgment (2002) van Thomas Gilovich, Dale Griffin en Daniel Kahneman

Hoewel dit op het eerste gezicht een rekenkundige puzzel is en geen the riddlefilosofische, is het filosofisch gezien wel interessant waarom de meeste mensen deze vraag fout beantwoorden (namelijk met het antwoord ‘10 cent’). Sterker nog, toen u het raadsel las voor zover u er nog niet bekend mee was, moet u gedacht hebben: ‘hier is iets mee aan de hand, anders zou het niet in de filosofiekalender staan’. Als u het foute antwoord heeft gegeven, zit het probleem er waarschijnlijk in dat u het raadsel niet heeft beredeneerd, maar heeft vertrouwd op intuïtieve strategieën die ons brein voornamelijk op de basisschool heeft opgedaan. Want laten we een en ander eens beredeneren. Als € 0,10 het juiste antwoord zou zijn, en de honkbalknuppel een euro meer dan de bal zou kosten (dus € 1,10), dan zouden ze samen € 1,20 kosten! Gelukkig zijn we in tegenstelling tot computers uitgerust met een goed redeneervermogen, dus al redenerend, wat is nu het juiste antwoord?

_______

Kerstgedachte

‘Een bedenkelijke verandering: in plaats van zichzelf in zijn strijdbaarheid bewust te blijven, heeft de christenheid het zichzelf steeds aangenamer en gemakkelijker gemaakt en nu is Kerstmis ‘het mooiste feest’ geworden.
Søren Kierkegaard in Søren Kierkegaards Papirer (1909-1928), deel VII 1 A 162.

kierkegaardKierkegaard (1813-1855) heeft zich zijn leven lang geërgerd aan wat hij noemt ‘de christenheid’, de gevestigde orde van kerk en staat binnen de christelijke cultuur van West-Europa. Die heeft niets meer te maken met het authentieke religieus geloof van het Nieuwe Testament, wat Kierkegaard ‘christendom’ noemt. Naast de openlijke aanval op de Deense staatskerk in zijn laatste levensjaar, heeft Kierkegaard in zijn oeuvre telkens waarschuwingen afgegeven tegen de geloofsvervlakking van de onbeproefde moderne mens, die alles lijkt te hebben uitgevonden. Ook onze kerstviering is zo’n uitvinding. We noemen het ‘Het mooiste feest’, omdat we het hebben verheven tot toonbeeld van aangenaamheid en gemak. Voor de vorm naar de kerk, omdat het zo mooi is. Samen eten met familie, omdat het zo gezellig is. Cadeaus uitpakken onder de kerstboom, omdat het zo leuk is. En er merkwaardig genoeg nog een ‘tweede kerstdag’ aan vastplakken, om het gevoel nog wat langer vast te houden. Maar in plaats van al dat uiterlijke vertoon, zou kerst vooral een feest moeten zijn van het innerlijk. Kierkegaards appel voor strijdbaarheid bewustzijn lijkt anno 2015 nog weinig aan kracht te hebben ingeboet. Of men nu gelovig is of niet.

©Veenmedia.nl

__________________

Zie ook:
Filosofische kruimels XVI
Filosofische kruimels XV
Filosofische kruimels XIV
Filosofische kruimels XIII
Filosofische kruimels XII
Filosofische kruimels XI
Filosofische kruimels X
Filosofische kruimels IX
Filosofische kruimels VIII
Filosofische kruimels VII
Filosofische kruimels VI
Filosofische kruimels V
Filosofische kruimels IV
Filosofische kruimels III
Filosofische kruimels II
Filosofische kruimels I

 

Filosofische kruimels XV

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2015 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XV van XVI.

De leugenaarsparadox

‘Of de paradox werkelijk is gekraakt, dat, geachte lezer, mag u natuurlijk zelf beoordelen.’
K.T. Dröfe (1999) in: Rommelen in de wijsbegeerte. Kanttekeningen van een tegendraadse liefhebber.

leugen niet te achterhalenIn een wat merkwaardig boekje waarvan slechts 400 exemplaren zijn gedrukt, heeft ene K.T. Dröfe (ongetwijfeld afgeleid van het personage Katadreuffe uit Bordewijks Karakter) een aantal artikelen gebundeld die eerder verschenen in het Faculteitsblad Epimedium van het Filosofische Instituut in Utrecht. Eén zo’n artikel behandelt de beroemde leugenaarsparadox: ‘Epimenides de Kretenzer zegt: alle Kretenzers zijn leugenaars.’

Als we ervan uitgaan dat alle Kretenzers leugenaars zijn, ze inderdaad altijd liegen, ze dat deden en zullen blijven doen en Epimenides een echte Kretenzer is, dan lijkt het erop dat Epimenides de zin onmogelijk kan uitspreken. Maar, stelt Dröfe, als we ons nu eens een gesprek voorstellen tussen twee Kretenzers bij de bakker, hoe verloopt dat dan? Het zal blijken dat het consequent liegen uiteindelijk niets anders is dan het consequent de waarheid spreken: we weten immers dat we praktisch telkens het tegenovergestelde moeten veronderstellen dan wat een Kretenzer zegt. Het feit dat Epimenides liegt, is niets anders dan een manier om de waarheid te zeggen. Epimenides spreekt de waarheid om de paradox te laten ontstaan en liegt tegelijkertijd waarmee deze wordt opgeheven…

_________

Bob is een klootzak en jij ook

‘Indien we iets slechts kunnen voorkomen zonder dat we daarbij iets wezenlijks hoeven offeren, dan zouden we dat moeten doen.’
Peter Unger citeert uit Peter Singers Practical Ethics (1979) in: Living high & letting die. Our illusion of innocence (1996).

In Living high & letting die probeert de Amerikaanse hoogleraar morele bobs bugattifilosofie Peter Unger met veel fantasierijke gedachte-experimenten de lezer te confronteren met de vraag of het moreel verantwoord is overvloedig te leven, terwijl er elders mensen sterven aan bijvoorbeeld diarree. Neem het volgende (sterk samengevatte) voorbeeld, ontleent aan Phillippa Foots ‘Trolley problem’.

Bob gaat bijna met pensioen en heeft een mooie onverzekerbare Bugatti, die hij kan verkopen om gerieflijk van zijn oude dag te genieten. Op een dag gaat hij rijden en parkeert zijn auto aan het eind van een rangeerspoor. Terwijl hij langs het spoor wandelt, ziet hij plots een onbestuurbare trein. De trein rijdt recht af op een kind dat vastzit in de rails. Bob ziet een hendel, waarmee hij de wissel kan omzetten die de trein van spoor verandert. Dan wordt wel zijn Bugatti vernietigd. Bob denkt even na en besluit niets te doen. Het kind wordt doodgereden, Bob verkoopt zijn Bugatti voor een miljoen en geniet van een comfortabel pensioen.

Weinig mensen zullen begrip kunnen opbrengen voor Bob. Maar stelt Unger, wat weerhoudt u ervan om niet op dit moment van lezen een luxe voorwerp te verkopen en het geld aan UNICEF te geven, waarmee eveneens een kind van een tragische dood wordt gered?

________

Vermoord me maar, ik ben er aan toe!

‘Zou het rationeel kunnen zijn jezelf te bewegen tot irrationeel handelen?’
Derek Parfit in Reasons and Persons (1984).

parfitParfit (1942) schreef met Reasons and Persons een monumentaal boek dat vol staat met interessante ideeën en theorieën over wat het betekent om te handelen. Om de vraag te beantwoorden of het rationeel kan zijn om irrationeel te handelen verwijst hij naar een passage uit The Strategy of Conflict (1960) van Thomas Schelling (1921).

Een man breekt in en hoort me de politie bellen. Die zijn er echter niet binnen 15 minuten. Hij dwingt mij om de kluis te openen, en als hij binnen 5 minuten niet het goud heeft wat daarin ligt, dan zal hij mijn kinderen één voor één doodschieten. Het is erg waarschijnlijk dat of ik hem nu wel of niet het goud geef, hij toch wel iedereen zal vermoorden. Maar dan besluit ik irrationeel te worden. Rennend door de kamer roep ik: ‘ga je gang. Ik houd van mijn kinderen, dus vermoordt ze maar.’ En wanneer ik gemarteld word schreeuw ik uit: ‘dit is een lijdensweg. Alstublieft ga door!’ In deze staat, heeft de inbreker geen macht meer over me. Hij kan niets doen wat mij kan bewegen om de kluis te openen. Hij kan er voor kiezen een moordenaar te worden, maar dat is dan zonder zin. Dit is onder de gegeven omstandigheden de meest logische wijze om te overleven. Of zoals Parfit het stelt: ons over te geven aan rationele irrationaliteit kan soms levens redden…

©Veenmedia.nl

Filosofische kruimels XIV

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2015 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XIV van XVI.

Paasgedachte

‘Wat had Paulus nu in handen toen hij predikte in Athene en zei dat hij kwam als een boodschapper van God?’
Parafrase uit John Henry Newmans The Nature of Faith in Relation to Reason (jan. 1839). In: Oxford University Sermons 1826-1843 (1909).

John-Henry-NewmanHet antwoord van John Henry Newman (1801-1890) is even eenvoudig als logisch: Paulus had helemaal niets in handen, behalve zijn eigen woord dat God Christus uit de doden had opgewekt, en we dat moeten koesteren. Eigenlijk hetzelfde bewijs, of gebrek aan bewijs wat een nieuwsgierige toehoorder tegenwoordig verneemt als we Pasen vieren. Pasen is dus geen feest van filosofen, de rede, van argumenten of logica. Maar, en dat is een van Newmans grootste intellectuele inspanningen geweest, dat is maar goed ook: geloof hoort evenzeer bij het leven als verstandelijk redeneren dat doet. In 1870 ontwikkelt Newman in zijn voornaamste filosofische werk A Grammar of Assent, dit idee ten volle uit. Onze meest onwankelbare en redelijke zekerheden berusten op vormeloze en persoonlijke bewijzen die helemaal niet in logica kunnen worden omgezet. Sterker nog, mensen die alleen maar logisch of wetenschappelijk redeneren, gaan ons al snel ergeren en vervelen.

Dat is ook een voorname reden waarom Paulus zo succesvol was met zijn merkwaardige verhaal: hij sprak vanuit zijn hart en met de volle overtuiging en raakte mensen daarmee in een wezenlijk vermogen: hun geloof.

_____

Antieke spinsels

‘Waarom verlangen mannen ’s winters meer naar geslachtsgemeenschap en vrouwen ’s zomers?’
Aristoteles in Problemata Physika. Vertaald als: Problemen. 415 vragen over melancholie, wijn, muziek en liefde (2010).

Dat Aristoteles zich niet alleen met grote metafysische, ethische en aristotle-cartoonkentheoretische filosofische problemen bezig hield, blijkt uit misschien wel het merkwaardigste boek dat er onder zijn naam is overgeleverd: de Problemata Physika. Een soort 101 antwoorden op vragen over vermeende alledaagse verschijnselen. Waarom is bijvoorbeeld het zaad van drinkers doorgaans onvruchtbaar? Waarom zijn mannen die moeten plassen niet tot gemeenschap in staat? Waarom gebeurt het vaak dat we gapen in reactie op het gapen van anderen? Waarom heeft van alle dieren alleen de mens grijs haar? Hoewel de meeste antwoorden van wonderbaarlijke fantasie en intelligentie getuigen, zullen de meeste ervan ons vandaag de dag doen glimlachen. Want waarom verlangen mannen ’s winters meer naar geslachtsgemeenschap en vrouwen ’s zomers? Nou, ‘omdat de natuur van mannen warmer en droger is, en die van vrouwen vochtiger en koeler. Bij de mannen zijn het vocht en de warmte -waaruit het zaad ontstaat- toereikend om in de winter verlangen te veroorzaken, maar bij vrouwen is de warmte minder en is het vocht koel en dik door een gebrek aan vuur; maar dat vuur is er in de zomer wel….’

_______

Het eeuwige herkauwen

‘Ironisch genoeg komen sommige hoogleraren goed rond van het begraven, opgraven en herbegraven van de filosofie: een activiteit die meer weg heeft van necrofilie dan van filosofie.
Mario Bunge (2001). Philosophy in crisis. The need for reconstruction.

 

Is de filosofie dood? Wie een blik werpt op het ondoorgrondelijke postmoderne filosofische gegoochel, zou daarmee kunnen instemmen stelt de Argentijnse filosoof Mario Bunge (1919).

Mario-BungeMaar is de filosofie al niet vaker doodverklaard? Comte, Nietzsche, Wittgenstein, Rorty en vele anderen hebben de dood van de wijsbegeerte telkens weer aangekondigd. Maar de filosofie doodverklaren is klinkklare onzin aldus Bunge. Ieder mens filosofeert namelijk vanaf het eerste moment dat hij zich bewust wordt van zichzelf en de wereld om hem heen. Wat meer waar lijkt te zijn, is dat de academische filosofie op sterven na dood is. Filosofie op de universiteit is iets elitairs geworden, met ellebogenwerk en publicatiedruk als voornaamste motor. In welk opzicht helpt deze professionele filosofische organisatie de gewone man nog aan ideeën waar hij zijn leven mee kan vormgeven, vraagt Bunge zich af. Waar zijn de nieuwe frisse ideeën in de filosofie? Ja, welke professor meldt zich met een diep inzicht dat begrijpelijk is voor velen en dat niet het zoveelste recycleproduct is van ideeën uit vervlogen tijden?

©Veenmedia.nl

Filosofische kruimels XIII

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2015 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XIII van XVI.

Een ethisch leven?

‘Er zouden minstens enkele omstandigheden moeten zijn waarin het wettelijke recht op leven niet van kracht wordt bij de geboorte maar pas korte tijd daarna – misschien een maand.’
Peter Singer. Euthanasie: het embryo en de foetus (Vertaling uit Practical Ethics). In: Singer, P. (2001). Een ethisch leven.

peter-singerDe Australische utilitaristisch filosoof Peter Singer (1946) is niet alleen bekend om zijn baanbrekende werk over dierenrechten (Animal Liberation, 1975), maar ook om zijn uiterst controversiële opvattingen omtrent euthanasie en abortus. In Practical Ethics houdt hij een pleidooi voor morele acceptatie van infanticide onder bepaalde omstandigheden, oftewel het doden van pasgeboren kinderen als ze bijvoorbeeld ernstig mismaakt blijken. ‘Want waarop is het recht op leven eigenlijk gebaseerd?’, vraagt Singer zich af. Een pasgeboren baby is geen autonoom wezen, kan geen keuzes maken en heeft niet het intrinsieke verlangen om te blijven leven omdat ze zichzelf niet kunnen zien als wezens die al dan niet een toekomst hebben. Daarbij is het doden van pasgeboren kinderen een taboe dat in stand wordt gehouden door irrelevante aspecten als hulpeloosheid, schattigheid, onschuld en christelijke moraal.

Singer begrijpt zelf al te goed dat zijn argumentatie voor velen uit de bocht vliegt, maar volgens hem is het een kwestie van tijd totdat er openlijk over gedebatteerd wordt. Maar dan: zouden wij ons een samenleving voor kunnen of willen stellen die infanticide rechtvaardigt, evenals dat op dit moment gebeurt met abortus voor 24 weken? En zo niet, wat is dan het verschil tussen abortus en infanticide?

_______

Het vertellen goed grappig

“Een goed vertelde grap is alleen grappig als je hem goed vertelt, dus als een goed vertelde grap grappig is, dan is hij goed verteld.”
John Allen Paulos (1998). Ik denk, dus ik lach. Een alternatieve benadering van de filosofie.

Groucho MarxDat filosofische problemen op een luchtige en humoristische wijze kunnen worden gepresenteerd, bewijst J.A. Paulos in Ik denk, dus ik lach (1998). In een vrolijk en handzaam boekje leidt hij ons langs talloze opmerkelijke zaken die de logica, de wetenschaps- en taalfilosofie en de wijsgerige antropologie hebben blootgelegd. Middels grappen, verhalen en anekdotes laat Paulos zien hoe filosofie erg geestig kan zijn. Een voorbeeld van humor en taalfilosofie waarbij objecttaal en metataal met elkaar worden verward, zit besloten in de volgende grap:

Groucho tegen een kennis: ‘Ken je de grap van de vereniging voor mensen met een IQ dat tot de laagste 2% van het land behoort? Ik heb toevallig een nieuwsbrief ingekeken, die De Intellueel heet. Ha! Heb je ‘m? Heb je ‘m?’

Kennis: ‘Ja ik heb ‘em’.

Groucho: ‘Dat valt me van je tegen. Ik had je iets intelligenter ingeschat.’

Mits goed vertelt, gegarandeerd succes. Maar waarschijnlijk is er ook sprake van humor indien de grap mislukt. Probeer het zelfs maar eens uit!

________

Een goed mens ten opzichte van zichzelf

‘Je weet duidelijk niet met wie je in gesprek bent, dus laat ik je een idee geven. Ik ben niet in gevaar. Ik ben het gevaar.’
Walther White a.k.a. Heisenberg tegen zijn vrouw in de Amerikaanse televisieserie Breaking Bad.

Breaking-Bad quoteDe briljante Amerikaanse televisieserie Breaking Bad (2008-2013) bevat niet alleen memorabele personages, een ijzersterke plot en een fenomenale suspense, ze stelt de kijker ook constant op de proef: kan hij sympathie en begrip blijven opbrengen voor de hoofdrolspeler Walther White?

White is een terminale scheikundedocent die geheel op eigen kracht in de drugswereld belandt. Aanvankelijk om zijn gezin van brood op de plank te blijven voorzien, maar gaandeweg meer omdat hij merkt hoeveel macht en respect het hem oplevert. Maar met de toenemende macht, nemen ook de problemen toe. Mensen worden bedreigd, er vallen slachtoffers, en het ergste voor Walther: zijn familie begint zwaarder en zwaarder onder zijn geheim te lijden. Kan hij nog terug? Iedere keuze die hij vervolgens maakt, lijkt uit te lopen op een ramp. Maar omdat hij telkens zijn gezin probeert te beschermen, wil je het Walther vergeven wanneer er weer (onschuldige) doden vallen. Hij lijkt oprecht, maar tegelijkertijd verblind door geld en eer.

Tot aan de laatste afleveringen blijft het schipperen. Niet alleen voor Walther White, maar vooral voor de kijker – is dit uiteindelijk een goed mens?

©Veenmedia.nl

Een terugblik op de verkiezingsuitslag van 15 maart 2017

Een terugblik op de verkiezingsuitslag
van 15 maart 2017

Geschreven op 29/11/2015

(Noot 15/3/2017 14:00: dit stuk wordt tot mijn verbazing massaal bekeken. Ik verwacht met de nodige teleurstelling. Mijn excuses! Ik schreef dit namelijk in november 2015 en ben nu in gesprek met mijn oude zelf tot de waarschijnlijke conclusie gekomen dat er niet veel uitkomt van hoe ik toen de uitslag voor me zag.)

Hier bent u waarschijnlijk wel naar op zoek:

https://www.parool.nl/binnenland/live-alle-uitslagen-van-de-tweede-kamerverkiezingen~a4469179/

Dat Rutte II het eerste kabinet sinds Paars I (Kabinet Kok 1994-1998) is geweest dat de volledige regeerperiode van 4 jaar afgerond heeft, is weliswaar te verklaren vanuit het feit dat niemand erbij gebaat was de stekker er voortijdig uit te trekken, het blijft een opmerkelijke prestatie. 2016 is echter geen oogstjaar voor de coalitie geworden. Het vertrouwen in de rechts-links-coalitie, was van meet af aan zwak en is zeker voor de PvdA nooit hersteld.

Nu alle stemmen geteld zijn en de zetels verdeeld, werp ik een blik op het nieuwe politieke landschap dat het aangezicht van Nederland de komende jaren zal bepalen, met Rutte III als nieuwe gedoogcoalitie.

Opkomst
Er waren voor het eerst meer dan 13 miljoen kiesgerechtigden: 13.007.316. Met een opkomst van 77,52 % gaf dat 10.083.271 uitgebrachte stemmen. De kiesdeler komt daarmee uit op 67.222 stemmen voor 1 zetel. Dat de opkomst met 2,95% significant hoger was dan in 2012 is waarschijnlijk te verklaren vanuit het feit dat het sinds langere tijd weer echt serieuze verkiezingen waren gecombineerd met de felle strijd om de rechtse kiezer tussen de VVD en de PVV.

De uitslag
De vraag was niet of Nederland een politieke beweging naar rechts zou maken, maar de vraag was vooral hoe groot deze zou worden. In heel Noord-Europa zijn de voortekenen daarvan al te zien geweest. Nederland zou daar zeker niet bij achterblijven.

De negatieve effecten van de wereldse dynamiek, hebben meer dan ooit de behoefte aan een Nederlandse identiteit het licht gebracht. Wat dat dan ook betekenen mag. En de hoop is dan dat conservatief en populistisch rechts het verlies aan eigenheid afremt en een hardere vuist maakt tegen alles wat de bestaande eigenheid verder dreigt aan te vallen.

De nek-aan-nekrace die afgelopen maanden in de peilingen zichtbaar was tussen de VVD en de PVV is nipt gewonnen door de PVV, met een kleiner verschil dan iedereen had verwacht:

Verkiezingsuitslag 2017 15 maart

Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (van 41 naar 29)
De liberalen hebben toch een aardige prestatie geleverd door nog 29 zetels te halen. Natuurlijk is dat een verlies van 12 zetels ten opzichte van de uitslag in 2012, maar het zag er een jaar geleden een stuk dramatischer uit. De kiezer straft de VVD dus minder zwaar dan coalitiepartner Partij van de Arbeid. Op Rutte is voldoende is aan te merken geweest, maar hij heeft zich niet laten leiden door opportunisme en was als minister-president een stabiele factor in het kabinet en verkiezingscampagne.

Partij van de Arbeid (van 38 naar 13)
Dat de socialisten de grootste klap zouden opvangen, was eigenlijk al jaren duidelijk. Gedurende de gehele verkiezingscampagne is de partij er niet in geslaagd geloofwaardig haar linkse programma te verkopen op basis van het kabinetsbeleid van afgelopen vier jaar. De kiezer die in 2012 nog met volle overtuiging stemde voor Samsom, in de hoop daarmee Rutte uit het torentje te houden, heeft zich vanaf moment één bedrogen gevoeld. Dat de partij wellicht te prijzen is geweest dat ze de samenwerking is aangegaan (want veel andere opties waren er feitelijk niet) is geen boodschap die in dit gepolariseerde politieke landschap veel bijval heeft gekregen. Het vertrek van Samsom als partijleider vlak na de verkiezingsuitslag was niet meer dan een logische zet.

Partij Voor de Vrijheid (van 15 naar 30)
De PVV is een van de grote winnaars van deze verkiezingen. Hoewel niet zo groot als verwacht door sommigen, wel de grootste. Het lijkt er daarmee op dat de kiezer de PVV een nieuwe kans wil geven om nu wel de verantwoordelijkheid te nemen en het geschreeuw om te zetten in daden. Met vele nieuwe rechtse cowboys in de Kamer zal het voor Wilders een hels karwij worden om alle kikkers in de kruiwagen te houden. Want eerlijk is eerlijk, alle PVV-Kamerleden samen buiten Wilders halen minder dan 4% van het totaal aantal op de PVV uitgebrachte stemmen. Dus 29 PVV’ers samen zouden hooguit één zetel halen op basis van uitgebrachte stemmen.

Socialistische Partij (van 15 naar 17)
Hoewel een kleine winst voor de partij van Roemer, stelt de SP toch teleur. Gehoopt was op minimaal 20 zetels, met name door de teloorgang van de Partij van de Arbeid. Dat de SP haar kiezers aan de onderkant echter niet heeft weten vast te houden en een exodus heeft moeten constateren naar de PVV maakt de winst bescheiden. Meer dan wederom jaren oppositie voeren zit er voor de partij dan ook niet in.

Christen Democratisch Appel (van 13 naar 25)
Natuurlijk is de partij niet meer de grote partij van weleer. En of ze dat ooit nog gaat worden, is twijfelachtig. Met echter een bijna verdubbeling van het aantal zetels is het CDA samen met de PVV de grote winnaar van deze verkiezingen. De CDA-campagne die zich nadrukkelijk heeft gericht op de noodzaak van het stabiele midden heeft zich uitbetaald. Het gematigd en verstandig oppositie voeren heeft veel kiezers getrokken met Buma die eigenlijk verder gegroeid is in zijn rol. De partij zal het echter zwaar krijgen met de harde opstelling richting de PVV: die is tot nu toe consequent uitgesloten van samenwerking. Wellicht dat er ‘in het kader van landsbelang’ toch een opening gevonden wordt voor een centrumrechtse coalitie samen met de PVV en de VVD. De PVV zal dan echter publiekelijk een knieval moeten maken richting het CDA, maar daar ligt nu juist niet de kracht van de partij.

Democraten 66 (van 13 naar 11)
De links-liberalen leveren twee zetels in. In de beginperiode van Rutte II was de partij spekkoper met in de peilingen als historisch hoogtepunt 28 virtuele zetels. De kiezer heeft D66 echter tijdig in de smiezen gekregen als kabinetsgedoger en D66 is überhaupt nooit goed uit een Paarse constructie gekomen. Tel daarbij op dat Pechtolds verhaal tegen Wilders nog nooit zo zwak en geforceerd klonk als in de afgelopen campagne en dat het hele Europese project al tijden aan vertrouwen verliest bij de kiezer, waar D66 het fel blijft verdedigen, en 11 zetels vallen dan nog mee.

ChristenUnie (van 5 naar 6)
De protestanten pakken een zetel winst. De onzichtbaarheid van lijsttrekker Gert-Jan Segers heeft geen invloed gehad op de achterban van de christenen. Een partij die op haar eigen manier een sociaal-conservatieve toont aanslaat, doet het in deze tijd hoe dan ook goed. Een rol als het linkse geweten van het CDA ligt in het verschiet.

GroenLinks (van 4 naar 8)
De partij van Jesse Klaver profiteert feitelijk het meest van de teloorgang van de Partij van de Arbeid. Het verlies van vier jaar geleden, toen de gematigd GroenLinkse kiezers hun heil zochten bij de Partij van de Arbeid, is goedgemaakt. Klaver lijkt de enige in Nederland die nog gelooft in de zegen van de multicultureel-pluriforme samenleving, maar hij is vooral ook de enige politicus die het nog wel geloofwaardig weet te verwoorden.

Staatkundig Gereformeerde Partij (blijft op 3)
De stabiele SGP verrast niet met behoud van 3 zetels. Het is ook niet dat het aantal gereformeerden afgelopen jaren is gestegen in ons land, wel de algemene waardering voor behoud van kostbare tradities en christelijke normen en waarden. Een rol als conservatief geweten van het CDA ligt hier voor de hand.

Partij voor de Dieren (van 2 naar 3)
Met eindelijk drie zetels is dit een nieuwe overwinning voor de Partij voor de Dieren. Natuurlijk profiteert ze van de linkse identiteitscrisis, maar de rechten van het dier worden ook komende jaren weer op een unieke manier gewaarborgd in de oppositie.

50+ (2 naar 4)
Het bejaardenpopulisme van Krol en consorten heeft toch een succes geoogst. Waar Krol grossierde in kinderlijke referaten, heeft dat klaarblijkelijk geen uitwerking op de aantrekkingskracht van de rijpe kiezer. Een kiezer die vooral door teleurstelling gemotiveerd dan maar zijn heil zoekt in deze protestpartij, waarbij het wachten is op de volgende ruzie en onenigheid. Vier jaar onzichtbare oppositie in het verschiet.

Voor Nederland (van 0 naar 1)
Het failliet van de democratie in de huidige vorm wordt gesymboliseerd door de ene nipt behaalde zetel van VNL. Niet door de kracht van VNL’s klassiek liberalisme dat nauwelijks te onderscheiden is van de VVD, maar door de volle aandacht van de media. Moszkowicz hoopte op 5 zetels minimaal, maar mag de komende jaren in zijn eentje door de Kamer struinen. Een ongemakkelijk tijdverdrijf. De noodzaak van een kiesdrempel is al geruime tijd duidelijk, maar de politiek schijnt er geen haast mee te willen maken. Sommigen zullen misschien beweren dat het knap is en juist democratisch om vanuit het niets een volksvertegenwoordiger te worden, maar wat dit allemaal toevoegt en bijdraagt aan het politieke landschap, wordt nooit duidelijk.

DENK (‘2’ naar 0)
De twee gestolen zetels krijgen zoals verwacht geen vervolg. In de peilingen is er ook nooit sprake van geweest. Tunahan Kuzu en Selcuk Öztürk die vooral de PVV in de flank hebben proberen te raken zijn geen moment geloofwaardig voor het voetlicht gekomen. De karikatuur die zij door een merkwaardige mix van ijdelheid en onkunde hebben geëtaleerd, was niet alleen een dankbare voedingsbodem voor cartoonisten, maar doet ook de vraag rijzen hoe deze figuren überhaupt ooit op de lijst van de Partij van de Arbeid zijn beland.

Conclusie
Het is duidelijk dat de kiezer nadrukkelijk toe is aan een sociaal-culturele rechtse beweging in de Nederlandse politiek. De chaos is echter compleet: versnipperd Links, 5 partijen met 6 zetels of minder en de PVV, VVD en CDA als de enige logische coalitie. Maar juist deze drie partijen zijn oneindig ver van samenwerking verwijderd. Vooral het CDA is het experiment Rutte I en de afstraffing die daarop volgde niet vergeten.

Daarbij ligt het ook niet voor de hand dat Wilders minister-president wordt: zelfs onder PVV kiezers is daar geen overtuigend draagvlak voor. Logisch: die hebben ook vooral gestemd op Wilders omwille van zijn scherpe verhaal. Er is feitelijk maar één constructie die hier gaat werken:

Een kabinet van VVD en PVV met Mark Rutte als minister-president, waarbij nu het CDA de gedoogfunctie zal vervullen in de Tweede Kamer. Rutte III ‘Vrijheid en eigenheid’ zal daarmee opnieuw een bijzonder experiment worden, waarbij het te hopen is dat de PVV het populisme laat varen voor realisme en het vertrouwen van de opportunistische en grond onder de voeten verloren kiezer op een volwassen manier weet te behouden.

Men kan zichzelf geen raadsel opgeven: Een introductie bij Friedrich Hebbel

~Men kan zichzelf geen raadsel opgeven~
Een introductie bij Friedrich Hebbel

en zijn werk:

Een blinde bij zonsopgang
Bladen uit een dagboek

Niet zelden leidt het toeval je naar literaire pareltjes die je anders nooit was tegengekomen. Zoveel boeken die liggen te wachten om te worden ontdekt, maar alleen door het toeval onder het stof der vergetelheid kunnen worden gehaald. Zo kwam ik in een citatenboek een aforisme tegen van de Duitse dichter, schrijver en filosoof Friedrich Hebbel (1813-1863) en ben ik naar aanleiding daarvan gaan kijken of er Nederlandstalige literatuur beschikbaar was.

Het enige beschikbare boek, naast een vertaalde roman van Sibylle Knauss over het leven van Elise Lensing, de tragische geliefde van Hebbel aan wie hij zich nooit binden kon, bleek nummer 198 te zijn uit de beroemde reeks Privé-domein van de Arbeiderspers. Het gaat hier om een verzameling dagboekfragmenten die Hebbel van 1838 tot 1863 bijhield en is gebundeld onder de poëtische titel Een blinde bij zonsopgang.

Ik kocht onmiddellijk een exemplaar en toen het me na een paar pagina’s lezen al zo goed beviel nog één. Nu had ik een exemplaar om in te schrijven en stuk te lezen en een exemplaar om te bewaren. Noem dat een gezonde trek van een boekenliefhebber.

Het 341 pagina’s dikke boek is voor een habbekrats volop verkrijgbaar via tweedehands kanalen en heeft waarschijnlijk nog in de ramsj gezeten. Het verscheen in 1996 vertaald, geannoteerd en van een verantwoording voorzien door Klaus Siegel en was toen te koop voor een prijs van fl. 59,90.

Onderstaande tekst is een introductie op weg naar het lezen van Hebbels dagboekfragmenten, waarmee ik hoop dat de lezer naar aanleiding hiervan er met enthousiasme aan begint.

Een blinde bij zonsopgang
Hebbel zag zijn leven als een langzame terechtstelling van zijn innerlijk. De tragiek die Hebbel aan het leven toekent, kent hij maar al te vaak ook aan zichzelf toe. Op het pathetische af:

Door mijn karakter is mijn leven al bij voorbaat tot mislukking gedoemd. Misschien moet het geluk niets van me hebben omdat het beseft dat er met mij toch niets valt te beginnen. (p. 139).

En in talloze passage valt te proeven hoezeer hij poëtisch lijdt aan het leven:

De kiem van alle ongeluk in mijn leven ken ik maar al te goed: Het is mijn dichterlijke talent. Het is te groot dan dat ik het zou kunnen onderdrukken en te klein dan dat het mij voor alle moeite die ik eraan besteed, naar rato zou kunnen belonen. (p.68)

De naam Friedrich Hebbel heeft bij iedereen die ik ermee heb lastig gevallen geen enkel belletje doen rinkelen. Hebbel was zelf geen liefhebber van zijn eigen naam. Hij noteert indachtig zijn uiteindelijke vrouw Christine Enghaus:

Merkwaardige situatie tussen mijn vrouw en mij: zij houdt van mijn naam Friedrich en spreekt hem graag uit, ikzelf heb er een vreselijke hekel aan. Aan wie is het nu, rekening met de gevoelens van de ander te houden en zijn eigen gevoelens op te offeren? Ik geloof in haar, zelfs twijfel ik er niet aan dat ze me evengoed Friedrich, de ‘vrede-rijke’, zou noemen als ze besefte dat ik allesbehalve rijk aan vrede ben en me daarom zo ongaarne Friedrich laat noemen. (p. 211).

Hoeveel zelfbeklag ook, de Duitser die leefde in wat misschien wel het meest dynamische tijdperk van de Europese geschiedenis kan worden genoemd, werd toch tegen het einde van zijn leven herkend en erkend als groot schrijver. In de literatuurkritiek geldt hij tegenwoordig als de enige toneelschrijver van betekenis uit de Realistische periode. De dagboeken die hij vanaf zijn 23e levensjaar bijhield (vanaf 23 maart 1835) laten een intense worsteling zien met het leven waarbij zelfmedelijden, hoop, gedoseerde arrogantie en de zoektocht naar erkenning afgewisseld worden met levenswijsheden, anekdotes en scherpe beschouwingen over het leven van alledag.

Dat verklaart ook de keuze van de titel ‘Een blinde bij zonsopgang’ die de vertaler bedacht: ‘In het vacuüm tussen geluk en ellende is het oeuvre ontstaan van een schrijver die zichzelf als een blinde bij zonsopgang beschouwde. Hij wist dat het geluk bestond, maar hoe het eruitzag ontdekte hij pas zeer laat.’ (p. 9). Hebbel noteerde de frase  ‘Een blinde bij zonsopgang’ zelf ergens rond mei 1837, als hij nog aan het begin staat van een lange schrijfweg en een turbulente zoektocht naar geluk, erkenning en liefde. Later merkt hij ook nog op: ‘de mens is een blinde die droomt van het zien’ (p. 75). Dat is in ieder geval zijn eigen droom.

Wat het boek aantrekkelijk maakt om te lezen is dat een werk als dit niet oprechter kan worden geschreven worden, al is het duidelijk dat Hebbel altijd rekening heeft gehouden met de publicatie van zijn dagboeken:

Er is niemand die schrijft zonder dat hij met zijn autobiografie bezig is, en dat is nog het sterkst het geval naarmate hij zich er minder van bewust is. (p. 49).

En zo luiden zijn allereerste zinnen:

Ik begin dit cahier niet met de vooropgezette bedoeling mijn toekomstige biograaf ermee te plezieren, ofschoon ik gezien mijn kansen onsterfelijk te worden er zeker van kan zijn dat me een biograaf ten deel zal vallen.

En soms laat hij een tekst voorafgaan met: ‘Ten behoeve van mijn biografie’.

Hebbel schrijft het omdat hij schrijven wil. En geen enkel werk biedt zoveel vrijheid om te schrijven dan een aan de publiciteit onttrokken dagboek. En daarbij: hier spreekt een 22-jarige knul met bravoure zoals tijdgenoot Kierkegaard met bravoure voorspelde dat Vrees en beven (1843) hem eeuwige roem zou bezorgen terwijl er een amper paar honderd boekjes waren verkocht. Hebbel hoopt vooral dat hij de vergetelheid zal weten te trotseren. Krijgt hij gelijk, dan is het goud en krijgt hij geen gelijk, dan maalt niemand erom. Dat Hebbel zijn leven lang heeft willen bewijzen dat ook eenvoudige mensen in staat zijn tot groots denken maakt hem een kind van zijn tijd, waarin de vanzelfsprekendheid van meritocratie nog in de verste verte geen gemeengoed was.

Aan de hand van het thema ‘aforismen’ zal ik Hebbel kenschetsen op basis van gekozen fragmenten, die ik aanvul met een korte overweging. Er zijn veel meer thema’s denkbaar zoals ‘ergernissen en succes’ of ‘boze brieven aan beduidende mensen’, maar daarvoor is de lezer uitgenodigd die zelf op te pakken uit het dagboek. Aan het thema ‘liefde en tragiek’ was ik nog wel begonnen, maar de complexiteit daarvan heeft me na enkele pagina’s schrijven doen besluiten dat te staken. Meer over dit toch pakkende thema treft men aan in Klaus Siegels Het bevroren vuur van Friedrich Hebbels Brieven. In: Maatstaf 11/12 1987, pag. 70 e.v. of in het eerder genoemde boek van Sibylle Knauss (1981) Ach Elise – oder Lieben ist ein einsames geschäft. 

Aforismen
Een dagboek zonder aforismen is als liefde zonder romantiek: dat kan eigenlijk helemaal niet. In een literaire wereld waar het er vooral om draait langere samenhangende teksten te produceren, is het aforisme een zwaar onderschatte kunst.

Het is alsof het fragmentarische altijd een bijzondere verantwoording vereist. Toch kun je mij nergens meer een plezier mee doen dan met een verzameling weloverwogen aforismen, stelregels over de menselijkheid en zinspreuken op basis van inzicht in het leven. Het zet op een unieke manier aan tot zelfkritisch nadenken. Een treffend aforisme verraadt altijd een scherpe geest die behept is met een goed observatievermogen. Hebbels dagboeken worden gekenmerkt door een dergelijk vermogen.

Bij herlezen heb ik enkele fragmenten gekozen waar een bijzondere zeggingskracht vanuit gaat. Ik heb ze aangevuld met een eerste overweging met de bedoeling dat het leidt tot zelf verder denken.

  • Met ieder mens verdwijnt er een geheim uit de wereld. (Onverschillig om welke mens het gaat.) Een geheim dat vanwege zijn specifieke opzet slechts door die éne mens kon worden ontdekt en dat niemand na hem ooit zal ontdekken. (p. 58)

Heeft een dergelijk geheim zin? Kan iemand uit de wereld verdwijnen en het geheim hebben prijsgegeven? Is dit een ode aan de individualiteit?

  • Tot aan zijn dood kan ieder mens het zonder spijs en drank stellen; men noemt dit evenwel verhongeren. (p. 62)

Een dergelijke vorm van ironie gebruikt Hebbel vaker. Zijn korte verhaaltjes over moord en doodslag die in het dagboek verspreid zijn hebben iets geestig in hun ernst. Overigens noteert Hebbel enkele zinnen later ‘Een vette bedelaar’ en ‘Zich verhangen om niet te verhongeren’. (p.63). Hebbel moet in die tijd op de een of andere manier een indruk hebben gehad waardoor hij tot bovenstaande notities is gekomen. De aanleiding is misschien een reëel gevoel van honger dat hem heeft geraakt?

  • De mens kan zichzelf het best als een experiment van de natuur beschouwen. (p. 66)

De actuele tekst, zo merkt ook de vertaler op in een naschrift. Het opkomende existentialisme wat zijn oorsprong vindt bij Kierkegaard en later verder wordt geïnterpreteerd door de Duitse en Franse filosofen wortelt feitelijk in een zin als deze.

  • Zelfmoord is altijd een zonde wanneer een detail er de aanleiding toe geeft en niet het leven in zijn geheel. (p. 92)

Wie pleegt zelfmoord omwille van een detail? Dat is een gruwelijke gedachte! Ik geloof niet dat de zelfmoordenaar in staat is om te onderkennen dat het gaat om een detail wanneer hij een einde aan zijn leven maakt…

Veel later merkt Hebbel nog iets interessants op over de zelfmoordenaar: ‘Zelfmoordenaars schrikken terug voor heldere meertjes waarin de zon wordt weerspiegeld. Ze werpen zich in sombere putten of moerassige vijvers.’ (p. 270)

  • Zodra ze een kind heeft houdt de vrouw alleen nog maar zoveel van een man als hij van het kind houdt. (p. 104)

Deze stelling heb ik hier en daar aan mensen voorgelegd en ze leidt tot onmiddellijke stellingname (die alle kanten op kan). Iets om zelf uit te proberen.

  • Veel mensen onderscheiden zich daardoor dat, als er ergens geen beul aanwezig is, ze onmiddellijk staan te dringen diens functie over te nemen. (p. 107)

Hebbels fragmentarische wijsgerige antropologie is geen vrolijke. Dit gezegde is feitelijk een lugubere variant van het gezegde ‘de beste stuurlui staan aan wal.’

  • Er zitten vlekken op de zon. Maar die geven geen schaduw. (p. 125)

Dit zijn typische observaties van een zich verwonderende geest, die geen nadrukkelijke overdenking verlangen, maar meer een uiting zijn van hoe men verwondering uit kan spelen met taal.

  • Zichzelf kan men geen raadsel opgeven. (p. 181)

Hebbel noteert dit in 1850 op 2 juli nogmaals: ‘Je kunt jezelf geen raadsel opgeven.’ (p. 237), waar hij dit eerder in februari 1844 had bedacht. Ik moet onmiddellijk denken aan mensen die met zichzelf schaak spelen: voortschrijdend inzicht maakt dat ze toch een tegenstander kunnen zijn van zichzelf en zich kunnen verrassen bovendien door een probleem wat ze in eerste instantie zelf hebben gecreëerd.

  • ‘Niemand is onafhankelijk, nog niet eens de mens die zich aan een balk zou verhangen, hij blijft afhankelijk van de balk.’ (p. 220)

Soms plaatst Hebbel zinnen tussen aanhalingstekens. Dat duidt erop dat hij een dergelijke zin waarschijnlijk ergens heeft gelezen of opgevangen. Uiteindelijk slaat het bovenstaande op het al oude metafysische principe: ‘alles komt voort uit iets.’

  • Er bestaat weliswaar een Latijnse, een Griekse, een Engelse taal enzovoorts, maar geen Latijnse, Griekse, Engelse et cetera wiskunde. Dat lijkt me het beste bewijs dat de taal niet logisch van aard is. (p. 287).

Hier waag ik mij maar niet aan. Bertrand Russell en Wittgenstein hebben hun leven gewijd om te proberen alledaagse taal te vertalen naar een logische vorm, die in zijn volmaaktheid elke dubbelzinnigheid uit zou moeten sluiten. Niet met onverdeeld succes.
_____________

Hebbels dagboeken bestaan uiteraard uit zoveel meer dan uit treffende inzichten en wonderlijke observaties, waarvan ik er hier een paar heb overgenomen. Brieven, reisverslagen, liefdesperikelen, ontboezemingen en, samenvattend, een niets verhelende blik in een innerlijk, maken dit boek een waardevolle spiegel voor iedere lezer die zichzelf net als Hebbel voor de nodige levensraadsels stellen wil.

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2019 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"