Stephan Wetzels
Denken en Zijn

De sublieme schoonheid van Schippers

De sublieme schoonheid van Schippers
En waarom ze schoon is en schoon blijft

Een schets tegen lasteraars

~Was ist schöner als schön? Die Großmut im Kleide der Demut~
Johann Kaspar Lavater

Tegenover het bijzondere, het ongelofelijke, het unieke en het sublieme staat altijd het jaloerse, het sceptische, het rancuneuze en het relativerende.

Dafne Schippers 2163 art (c) Stephan WetzelsHet zijn de geruststellende bewegingen waar een zwakke en met weinig verwondering gezegende geest zich mee kan bedienen om grip te houden op de werkelijkheid én zichzelf. Grip, omdat iemand die zich ervan bedienen moet zichzelf plots in een schaduw zag van iets wat hem in alles overdondert. Grip, omdat hij met een voorbehoud zichzelf in een altijd mogelijk gelijk stelt. Zoals ieder ‘ik moet het nog maar eens zien’ het makkelijkste verweer is om niet te struikelen en veilig op een papieren troon te blijven.

Het is ook een beweging die voortvloeit uit ongemak, onbegrip, onzekerheid of onbeholpenheid. Het is ook niet eenvoudig je fatsoenlijk te gedragen tegenover het sublieme zonder een beroep te doen op scepticisme. Het is ook niet eenvoudig je over te geven aan iets wat ongelofelijk is en voor onmogelijk gehouden. Het is ook vele malen moeilijker om de schoonheid van een prestatie te bezingen, dan om haar in een verdacht hoekje te plaatsen. Zelfs de verdediging dat men beter sceptisch is dan ‘naïef’, blijft een gemakzuchtige vorm van vernietigen van schoonheid.

Ik moet denken aan de oom die vlak nadat de jeugdgeliefden hun ja-woord hebben gegeven roept: ‘Vergis je niet, de liefde kan zo weer over zijn!’
Hij heeft op basis van wat ervaring misschien wel een punt, maar toch kan hij gewoon beter zijn klep dichthouden.

En zo is het ook met iedereen die het sublieme van de prestatie van Dafne Schippers denkt te moeten relativeren (dom) of er een dopingvoorbehoud bij maakt (vals).  Een verdachtmaking, een suggestie over mogelijk dopinggebruik – niets vereist minder verbeeldingskracht dan dat.

En zo’n suggestie is alleen maar vernietigend. Het is ongepast, ergerlijk en niemand schiet er iets mee op. Behalve dan degene die het voorbehoud maakt en zichzelf ermee in het licht van een onweerlegbaar gelijk stelt en enkele schlemielen naar de mond praat. En als het niet daarom is, waarom dan wel?

De kracht van dit soort wilde speculatie zit verder in de eenvoud van het destructieve effect dat ermee te bereiken is en tegelijkertijd in de ongevoeligheid voor tegenspraak. Laster is de kracht van lafaards. Niemand kan zich namelijk verdedigen tegen een suggestie dat iets mogelijk is. Mogelijk heeft ze doping gebruikt. ‘Er is geen enkel bewijs en er is geen enkele aanwijzing, maar het zou toch kunnen?’ 

Dafne Schippers kan het alleen maar ontkennen of weerspreken, en in beide gevallen schiet ook zij er niets mee op. De scepticus blijft sceptisch en zij blijft schoon. Ze kan zich erboven verheffen door te zwijgen of ironie te gebruiken, maar meer nog door even bescheiden te blijven, ootmoedig en oprecht zoals we haar tot nu toe hebben gezien. Juist nu. Daarin schuilt haar geloofwaardigheid en haar schoonheid als mens. Een schoonheid bovendien die zichtbaar geworden liefde is voor de atletieksport.

Tot besluit
Schippers overweldigde met haar titel en haar tijd van 21.63 op de 200 meter in Peking tijdens WK atletiek. Het is zover ik kan bedenken de beste individuele prestatie die ik ooit van een Nederlandse vrouw heb gezien.

Zelfs Olympische titels in andere disciplines komen niet in de buurt bij de prestatie van Schippers. Niet alleen omdat er geen andere sport zo sterk bezet is, dat ze een polderdiva is tussen het louter buiten-Europese talent, maar vooral omdat het ondenkbaar is dat een Nederlandse vrouw dit deze eeuw nog gaat overtreffen. Daarvoor staat dit te veel op zich en zien we achter ons pas bij Fanny Blankers-Koen een vergelijkbaar fenomeen, al had Blankers-Koen Rio logo 2016zeventig jaar geleden beduidend minder concurrentie dan Schippers. Daarbij wijst alles erop dat Schippers haar niveau vast zal houden en sterker nog, zal verbeteren.

De ondertitel van dit verhaal doet vermoeden dat er een pleidooi zou zijn waarin ik uiteenzet waarom Dafne Schippers schoon is en schoon blijft. Maar dat is een zinloze onderneming. De scepticus blijft sceptisch en zij blijft schoon.

En ik blijf ontroerd genieten van het sublieme – en hopelijk als straks het goud spreekt tijdens de Olympische Spelen, is het geblaat van de scepticus definitief verstomd. Maar ik vrees dat hij daar te stom voor is…

goud dafne niet zeker paul custers cartoon

En dan te bedenken dat het zelfs 6 zwarte vrouwen waren, schande!

______________________
Lees ook:
De betekenis van een Nederlands record

Het goud en de keerzijde

Een uiteenzetting van een wonderlijke klucht: de Kafkaëske wereld van Lloydsbank Nederland

Een uiteenzetting van een wonderlijke klucht
~Een hypotheekaanvraag bij Lloydsbank: Kafka in de bankensector of de aanvrager aan gene zijde van de rationaliteit~

Sinds de bankencrisis van 2008 is sommige banken er alles aan gelegen om het vertrouwen van de klant zo goed mogelijk verder te beschamen. Eén van die banken betreft Lloydsbank Nederland, een ouderwetse geldtroggelaar geschroeid op de Aldi-strategie. Niet lulle, vakke vulle. Dat werk.

-Leestip: te lang? Ga gelijk naar ‘E-mail II’ en begin daar!

~Meer dan 10000 x gelezen, daar moet je als bank blij mee zijn~

Onderstaand verhaal is een weergave van een hypotheekcasus die zo opzichtig vals en kafkaësk in elkaar steekt, dat hij zich daarmee uitstekend leent als studiematerie. Als zodanig moet deze polemiek ook gelezen worden. Het gaat hier om werkelijke feiten. Namen zijn gefingeerd.

Wie de moeite neemt dit verhaal goed te lezen zal gegarandeerd beloond worden met stijgende verbazing.

Overzicht en analyse van correspondentie tussen Lodewijk van Deyssel en Jeffrey Samsa

Vooraf: We noemen de aanvrager hier de heer Lodewijk van Deyssel en de betreffende financieel administratief medewerker waarmee Van Deyssel te doen heeft Jeffrey Samsa.

Van Deyssel heeft een vast inkomen van ongeveer € 52.000 bruto per jaar. Hij heeft bovendien een gevalideerd NWWI taxatierapport laten maken van het pand dat hij aanschaffen wil. Het aardige is dat het pand volgens de taxateur een aankoopwaarde vertegenwoordigt van € 155.000. Van Deyssel echter is in de gelukkige omstandigheid dat hij er maar € 87.000 voor hoeft te betalen. Hij wil daarom slechts €115.000 lenen van Lloyds. De aankoopsom plus een stukje verbouwingskosten.

Omdat het om een energiezuinige verbouwing gaat, is de gemeente waar Van Deyssel woont bereid om hem € 75.000 innovatiegeld te lenen (bouwdepot). De rente van die lening ligt bovendien een stuk lager dan die van de hypotheek.

Alles goed en wel zijn de maandlasten van Van Deyssel ongeveer € 700 netto. Volgens allerlei adviseurs kan Van Deyssel tussen de € 220.000 en € 240.000 lenen maximaal. Met in totaal € 190.000 zit hij daar ruimschoots onder. De taxateur heeft de woning na verbouwing bovendien een waarde van € 255.000 toegekend. Met alle vertrouwen legt hij zijn dossier dus in handen van Lloyds bank. ID, werkgeversverklaring, belastingopgave, spaarkapitaal, de hele santenkraam.

De voordelen van de Lloyds Bank hypotheek zitten vooral in lage rente (10 jaar vast 2,25% – bij publicatie) en lage afsluitkosten van slechts € 310-. Waar andere geldmachines met flauwekulkosten en overbodig verplicht advies op de proppen komen, spreekt het voor Lloyds dat ze een klant die kan optellen en aftrekken zelf de zaak laat regelen.

Na een aantal mailwisselingen tussen Van Deyssel en Samsa, waarin het op een vriendelijke manier gaat om het aanleveren van allerlei extra informatie en documenten volgt er een telefoongesprek.

Van Deyssel: Met Van Deyssel. Goedenavond.
Samsa: Goedenavond, u spreekt met Jeffrey Samsa van de Lloydsbank. Ik heb helaas geen goed nieuws voor u. Uw hypotheekaanvraag is afgekeurd.
Van Deyssel: O – dat is inderdaad geen goed nieuws. Op grond waarvan?
Samsa: Nou. Ik heb het voorgelegd en op basis van het onderpand kunnen wij geen hypotheek verstrekken.
Van Deyssel: Op basis van het onderpand? Wat bedoelt u daarmee?
Samsa: Wat ik zeg: het onderpand voldoet niet.
Van Deyssel: Maar het onderpand is bijna twee keer zoveel waard als wat ik ervoor betaal.
Samsa: Uh… Wellicht, maar op grond van onze voorwaarden moet ik u helaas teleurstellen.
Van Deyssel: Daarnaast is mijn inkomen op basis van een vast contract ruimschoots voldoende om te kunnen voldoen aan de lasten. U loopt geen enkel risico als maatschappelijke dienstverlener.
Samsa: Ja, op basis van het onderpand is de aanvraag dan ook afgewezen.
Van Deyssel: Maar ik heb hier het taxatierapport voor me. Daarin staat toch dat het onderpand een veel hogere waarde vertegenwoordigt dan de hypotheeksom die ik uiteindelijk verlang. Wat is dan de zin van een taxatierapport als u uiteindelijk op grond van het onderpand een hypotheekaanvraag afwijst? Er zit € 65.000 marge op!
Samsa: Uh ja – we hebben ook eigen taxateurs, die voor ons taxaties uitvoeren.
Van Deyssel: Kom zeg – dit is een NWWI gevalideerd rapport! U begint nu onzin uit te kramen.
Samsa: Maar goed. De mededeling is dus niet anders: kredietverlening achten wij niet verantwoord.
Van Deyssel: Akkoord… Excuses voor het feit dat ik zei dat u onzin uitkraamt. Graag ontvang ik van u een schriftelijke bevestiging van datgene we hier besproken hebben.
Samsa: U ontvangt straks een e-mail.
Van Deyssel: Ik ben benieuwd. Goedenavond.
Samsa: Goedenavond.

Er volgt inderdaad een e-mail niet veel later.

E-mail I

From: $Lloyds Bank Hypotheek Service Desk <hypotheek@onbenulllbank.nl>
To: “‘Van Deyssel'” <vandeyssel@plato.com>
Sent: Thursday, July 23, 2015 8:59 PM
Subject: Uw hypotheekaanvraag met offertenummer 131313

Geachte heer Van Deyssel,

Hierbij refereren wij naar uw aanvraag voor een Lloyds Bank Hypotheek.

Ter beoordeling hebben wij recent documentatie van u mogen ontvangen. Na zorgvuldige afweging hebben wij besloten uw hypotheekaanvraag aanvraag niet te accepteren.

Bij een aanvraag voor een hypotheek hanteren wij een aantal acceptatienormen. Na toetsing hebben wij geconstateerd dat uw aanvraag niet aan alle door ons gestelde normen en voorwaarden voldoet.

Kredietverlening achten wij derhalve niet verantwoord

Uw interesse in Lloyds Bank hebben wij zeer op prijs gesteld.

Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

Jeffrey Samsa
Hypotheek Consultant

Van Deyssel neemt de moeite deze e-mail, waarin niets inhoudelijks is op te merken, te beantwoorden.

E-mail II

From: L. Van Deyssel <vandeyssel@plato.com>
To: ‘jeffrey.samsa@onbenulllbank.nl’ <jeffrey.samsa@onbenulllbank.nl>
Sent: Friday, July 24, 2015 11:39 AM
Subject: Re: Uw hypotheekaanvraag met offertenummer 131313

Geachte heer Samsa,

dank voor de informatie. Ik zou deze informatie echter graag gespecificeerd willen zien. Aan de telefoon sprak u dat de reden van afwijzing is dat het onderpand niet zou voldoen. Graag zou ik daarvan een schriftelijke bevestiging van u ontvangen. Ik heb nog gezocht naar de acceptatienormen en voorwaarden die gehanteerd worden, maar kon daar niets specifieks over vinden.

U heeft het betreffende taxatierapport van de toekomstige woning overigens nooit gezien, dus dat is op zichzelf al wonderlijk, maar nog wonderlijker is dat die gevalideerde taxatie 79% hoger ligt dan het hypotheekbedrag dat ik ervoor vraag. Ik stuur dat rapport uiteraard graag toe.

Daarnaast biedt mijn vaste inkomen alle garanties voor het afbetalen van de aangevraagde hypotheek en kunnen er zelfs gemeentelijke garanties worden afgegeven. Dus het is uiteindelijk een kwestie van vertrouwen en vooral hoe wel aan uw voorwaarden kan worden voldaan. Graag ontvang ik van u een antwoord op die vraag.

Ik zou er overigens ook nog wel wat voor voelen dat uw eigen mensen een taxatie opstellen van de waarde van het aan te schaffen pand. Het zou mij zeer verbazen als uw eigen taxatieservice waarover gesproken wordt, wel de zekerheid zou bieden dat het rapport aan alle voorwaarden van Lloyds Bank voldoet -maar dat is een reëele optie. Ik hoor graag hoe u tegen die optie aankijkt; u liet daarover al wat doorschemeren aan de telefoon.

Ik zie uw antwoord tegemoet.

Met vriendelijke groeten,

L. Van Deyssel

In de e-mail hierboven worden feitelijk drie eenvoudige vragen gesteld:

  1. Waar kunnen de precieze acceptatienormen en voorwaarden gevonden worden?
  2. Wat is er voor nodig om wel te kunnen voldoen aan de acceptatienormen?
  3. En waarom niet inderdaad alsnog een taxatie laten uitvoeren door de eigen mensen van Lloyds?

Twee weken lang volgt er geen reactie. Van Deyssel stuurt een herinnering en dan komt er een verrassend schaamteloos antwoord:

E-Mail III

From: $Lloyds Bank Hypotheek Service Desk <hypotheek@onbenulllbank.nl>
To: “‘Van Deyssel'” <vandeyssel@plato.com>
Sent: Tuesday, August 4, 2015 1:50 PM

Subject: Uw hypotheekaanvraag met offertenummer 131313

Geachte heer Van Deyssel,

Dank voor uw bericht. Wij hebben uw bericht in goede orde ontvangen en willen hier graag op reageren.

Helaas kunnen wij u niets anders aangeven dan eerder vermeld en bevestigd per email en besproken tijdens het telefoongesprek. Wij hebben uw aanvraag nogmaals bekeken naar aanleiding van de ontvangen informatie, echter dit heeft ons standpunt niet veranderd.

Uw interesse in Lloyds Bank hebben wij zeer op prijs gesteld.

Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

Jeffrey Samsa
Hypotheek Consultant

Analyse en commentaar bij de correspondentie tussen Lodewijk van Deyssel en Jeffrey Samsa

Het is overduidelijk wat er gebeurt. De laatste mail is een Pavlov-reactie van een organisatie die verstrikt is geraakt in haar eigen onzin-redenering. De e-mail is een toonvoorbeeld van lucht en leegte. Geen enkele vraag wordt beantwoord en er worden geen inhoudelijke zaken verduidelijkt of bevestigd. Dat laatste heeft ongetwijfeld een juridische grondslag of duidt op volslagen incompetentie.

De uitweg die hier gehanteerd wordt is die van een cirkelredenering in de hoop dat de betreffende klant moedeloos wordt en het opgeeft. Waarschijnlijk gebeurt dat in 99% van de gevallen al in een veel eerder stadium dan in het geval van de bewust naïeve Van Deyssel, die op zoek gaat naar inhoudelijke redenering. Want Van Deyssel weet natuurlijk wel wat er aan de hand is:

De gemeentelijke leningen zijn hier de werkelijke boosdoener. Het maakt dat de leenconstructie een heel klein beetje ingewikkelder wordt. Daarnaast is de € 115.000 geen interessant bedrag voor deze bank. Daar zijn geen zakken mee te vullen in verhouding tot de relatieve complexiteit.

Dit zijn echter twee zaken die deze bank natuurlijk niet ruiterlijk gaat toegeven. De vraag is waarom niet. Het antwoord op die vraag is dat de bank zich daarmee een brevet van onvermogen opspeld en erkent dat het mooie reclameplaatje wat ze houden eigenlijk maar op een select gezelschap van toepassing is: niet te moeilijk doen en niet te weinig lenen. Dit niet toegeven en anders suggereren is één ding, op de proppen komen met een ongelofelijke flauwekulredenering een heel ander.

Iedere sukkelaar kan namelijk begrijpen dat de redenatie van Lloyds gebaseerd is op kletspraat. Welk onderdeel binnen Van Deyssels situatie maakt namelijk dat kredietverlening onverantwoord is? Dit zou het onderpand zijn. En de redenering van Lloyds komt dus overeen met het volgende:

‘Kredietverlening op basis van een onderpand dat 75% meer waard is dan er voor betaald wordt, wordt niet verantwoord geacht.’

Als de bank deze redenering consequent zou handhaven, zou ze binnen de kortste keren failliet zijn, want dat een huis op voorhand al een dergelijke meerwaarde vertegenwoordigt is uitzonderlijk. De meeste woningen zijn vrijwel altijd evenveel waard dan ervoor betaald wordt. Dat betekent dat volgens de redenering van Lloyds ze dan een ‘nog’ hoger risico lopen, en in de praktijk dus geen enkele hypotheek zouden kunnen verstrekken. Dat is misschien ook wel een van de redenen dat deze bank met belastinggeld gereanimeerd moest worden…

Het koddige ‘Uw interesse in Lloyds Bank hebben wij zeer op prijs gesteld’ is knip- en plakwerk en in dit geval een vorm van misplaatste klantvriendelijkheid. Het zal waarschijnlijk nog onder een overlijdensadvertentie van een Lloyds-werknemer staan.

Rest nog één belangrijke vraag.

Moeten we Jeffrey Samsa als verloren beschouwen?

Jeffrey Samsa is naar alle waarschijnlijkheid een minkukel. En iemand die bij geboorte niet gezegend is met een bijzondere intelligentie, kan dat niet kwalijk genomen worden. Eigenlijk is Jeffrey vooral een tragische figuur, die eerder ons mededogen dan onze afkeuring verdient. Want ga maar eens na:

Ze hebben hem allereerst wijsgemaakt dat hij een belangrijke baan heeft door hem een stropdas te geven en zijn functie als administratief medewerker om te dopen tot ‘Hypotheek Consultant’ of nog lachwekkender “Accountmanager”. Beslissingen nemen doet hij niet. De ongelukkige Jeffrey kletst alles wat ze hem influisteren gewoon door, zonder zelf na te denken. Zelf nadenken is ook contra-productief: zo kun je geen carrière maken in een organisatie waarin op willekeurige momenten onzin verkocht moet worden.

Jeffrey is een ook tragische figuur omdat hij op een schandelijke wijze misbruikt wordt door het systeem waarin hij terecht is gekomen en waarin het trekken van rationele conclusies gevaarlijk is.

  • 2+2=5
  • Oorlog is vrede
  • Vrijheid is slavernij
  • Onwetendheid is kracht en
  • Een klant die alle mogelijke garanties en zekerheden biedt dat de lening afbetaald kan worden is een gevaar voor de bank

Jeffrey verkoopt het allemaal als zoete koek en wat zou het hem ook verrotten? Hij zegt immers precies wat zijn baas hem vertelt te zeggen. En hij zou toch zeker niet zo stoutmoedig zijn om iets anders te doen dan wat zijn baas van hem verlangt? Zijn baas zal het toch wel weten?

"Jeffrey Rotteveel"En als het echt moeilijk wordt en Van Deyssel zou zo onverstandig zijn om toch te reageren op de laatste e-mail, dan is het moment daar dat Jeffrey de casus door moet schuiven aan de paladijn die net boven hem staat. Van Deyssel zou dan gelabeld worden tot ongewenste en moeilijke klant, en de toon van de e-mail zou juridischer van aard worden, maar nog steeds van bedenkelijk niveau en even nietszeggend. En degene die dat baantje nu heeft, juist dat ligt straks in het verschiet voor Jeffrey. We moeten hem dat maar niet misgunnen en hem bovenal niet uit zijn droom wekken. Hij zou op een ochtend wel eens wakker kunnen worden, en ontdekken dat hij in zijn bed in een reusachtig ondier is veranderd….

Conclusie

Dit verhaal is een klassieke hoofdschudder. Je weet dat het gebeurde, dat het gebeurt en dat het blijft gebeuren. Goedwillende mensen die alles op orde hebben en gewoon een bijzonder huis willen kopen, worden door organisaties van de ergste bureaucratische soort als Lloyds met een kluitje in het riet gestuurd. Al beroofd van hun kostbare tijd kunnen ze eenvoudig gezegd verrekken wanneer ze verzoeken om een redelijk antwoord of wanneer ze willen weten hoe ze dan in vredesnaam wel kunnen voldoen aan de onduidelijke en onvindbare acceptatienormen. Deze bank is niet in mensen geïnteresseerd, maar alleen in makkelijke centjes. ZO simpel is het.

Voor Van Deyssel is het verder gewoon goed afgelopen. Niet veel later heeft hij met exact hetzelfde verhaal bij een andere bank zonder één enkel probleem de gevraagde hypotheeksom gekregen. De woning is in 2020 getaxeerd en 4x meer waard dan de hypotheeksom. Eind goed….

 

Meer hoofdschuddend lezen?
Reviews Lloydsbank

Het verleden leeft voort

Deze recensie is geschreven voor 8Weekly en daar als eerste verschenen. Benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan nu een kijkje op de site aldaar!

Met Gevonden foto is de succesvolle wekelijkse rubriek uit het Parool in boekvorm verschenen. Auteur en journalist Mark Moorman dompelt de lezer onder in een kijkboekje vol met vreemden, verhalen en schetsen van een verloren tijd.

De fascinatie die een foto teweeg kan brengen is iets unieks. Het bewoog Roland Barthes tot een fenomenologie van het kijken naar foto’s (Camera Lucida), Susan Sontag tot een diepgravend onderzoek naar de rol van fotografie in de media in relatie tot ethiek (On Photography) en de recent overleden Allan Sekula tot een kritische verzameling essays over het wezen van de fotografie (Photography against the Grain). Zulke diepten vinden we niet in Gevonden foto, maar desondanks verleidt het ons tot een fantasievolle reflectie die in deze tijd van oppervlakkige selfies en overdaad aan digitaal geschoten fotomateriaal nog maar zelden lijkt plaats te vinden.

Van alles wat te zien
Gevonden foto is opgebouwd uit vele korte hoofdstukken en diverse intermezzo’s waarin allerlei facetten van de foto besproken worden. Van pasfoto tot trouwfoto, van straatfotografie tot vakantiekiekjes, van mislukte foto’s tot professionele en elegante portretten. Het boek opent sterk met een lange inleiding waarin we lezen over de liefde die gepaard gaat met een ‘gevonden foto’. Het blijkt zelfs een heuse hobby te zijn die tot kunst verheven kan worden: op zoek naar beelden uit het verleden van onbekenden. Want niet alleen toevallig stuit men op een onbekende foto’s, men kan ook zoeken in prullenbakken in de buurt van fotowinkels, bij pasfoto-automaten à la Amélie, of te rade gaan bij een antiquair die vast nog wel een oude foto in een lijst heeft staan. En het idee dat er hoe dan ook een (levens)verhaal achter schuil gaat, maakt dat onze verbeelding niet stil komt te staan wanneer we erna kijken.

Verhaaltjes
Eigenlijk zijn de verhaaltjes waar er iets over de foto verteld wordt het leukst en meest boeiend aan het boek. Wie zijn het die we zien? Waarom staan ze er zo bij? Wat is er gebeurd met de mensen? Hoewel Gevonden foto belooft op zoek te gaan naar de verhalen achter de pasfoto, de uitgaanspolaroid, de mislukte foto, de visitefoto en de straatfoto staan er vele foto’s in het boek bij de artikelen die niet verder worden ontrafeld of nauwelijks worden toegelicht. Dan blijft het te vaak bij een algemeen verhaal en beschouwing. Dat is jammer, want juist die verborgen geschiedenis trekt aan. Zodra we deelgenoot worden van het verhaal achter het plaatje, leeft op een bijzondere manier het verleden voort. Nu zijn we vaak overgeleverd aan onze fantasie, alsof de auteur ons wil bewegen zelf maar een verhaal te verzinnen bij het meisje in het gras en de vrouw in de bikini.

Koffietafelboek
Een foto moet je in de hand hebben, want dan is het pas een foto. Dit boek toont, zou Plato zeggen, foto’s van foto’s en vormt daarmee een absolute schim van de werkelijkheid. Maar aangezien het boekje, net als de foto ons stil doet staan bij beeld en verhaal is dat niet erg. Sterker nog: het wakkert naast nostalgische gevoelens ook zin aan om je te verdiepen in de wereld van de foto.

Gevonden foto is daarmee een prima koffietafelboek dat makkelijk wegleest, gespreksonderwerpen oplevert en misschien beweegt om de kunst van het echte fotograferen – waarbij er ouderwets aandacht is voor beeld, compositie en sfeer – op te pakken. Want als we dan toch foto’s verliezen of kwijt raken, laat het dan iets bijzonders zijn.

Neonatologische bekommering of het menselijk tekort: Op zoek naar de grenzen van pril leven

Deze recensie is geschreven voor 8Weekly en daar als eerste verschenen. Benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan nu een kijkje op de site aldaar!

Brenda van Osch geeft in Het onvoltooide kind. Op zoek naar de grenzen van pril leven niet alleen een kijkje in haar privéleven, maar probeert de lezer ook te confronteren met morele vraagstukken. Hoe ver moeten we gaan om een kind in leven te houden?

Docenten ethiek hebben een geliefd, ongepolijst gedachte-experiment om eerstejaars studenten te prikkelen na te denken over hoe hun keuzes tot stand komen. Het is oorlog. Er worden vier patiënten naar de spoedoperatiekamer gebracht. Het zijn een generaal van het geallieerde leger, een zwaar gehandicapt meisje, een zwangere vrouw en een journalist. De chirurg van dienst roept verschrikt dat hij met het materiaal voorhanden maar één persoon kan redden. Wie moet hij kiezen?

Details kunnen naar hartenlust worden aangereikt, maar hoe er ook gepuzzeld wordt, tot hun eigen schaamte zullen vrijwel alle studenten geen argumenten vinden om het gehandicapt meisje te verkiezen boven de andere drie. Zelfs als er drie mensen gered kunnen worden, dat nog is het haast ondoenlijk kiezen voor het meisje. Hoe komt dat? Is dat omdat wij gewend zijn teleologisch te denken in termen van nut, waarde en betekenis? Hoe dat ook zij, het legt iets bloot. Iets dat op dit moment bedekt wordt door een dun laagje beschavingsvernis en de onstuitbare wetenschap die met alle middelen het leven in leven lijkt te willen houden. De centrale vraag nu die Het onvoltooide kind ons stelt is: moeten we dat eigenlijk wel willen?

Kiezen
Van Osch heeft haar boek gebaseerd op dagboekaantekeningen, herinneringen, mails en dossiers. Het boek beslaat drie delen die allemaal bestaan uit puntige, leesbare hoofdstukken. Het eerste deel verhaalt over de geboorte van haar Eva, met 680 gram veel te licht en nauwelijks tot leven in staat. Het tweede deel werpt een blik op de moeizame ontwikkeling van Eva van baby tot negenjarige die gekenmerkt wordt door de ene na de andere tegenvaller en medische schimmigheid. Het laatste deel handelt concreter over de ethische en geneeskundige vraagstukken die samenhangen met vroeggeboorten. Van Osch is daarin niet meer lijdend voorwerp, maar kritisch journalist. Het maakt dat dit derde deel op zichzelf leesbaar is en als uitgangspunt van gefundeerde discussie kan dienen.

Want wat zijn de feiten? Allereerst dat de medische wetenschap geen exacte wetenschap is: grenzen die worden getrokken zijn akelig arbitrair en uiterst rekbaar. Het pleidooi om kinderen van 24-weken te behandelen is feitelijk gebaseerd op zo’n arbitraire grens. Immers, wat als 62% van de kinderen die dan ter wereld komt sterft, en van de 38% die het wel redt een op de drie te kampen krijgt met zware handicaps en een derde met minder zware handicaps (p. 159)? Wie zou op basis van deze cijfers beslissen zijn kind te behandelen? Dat is een ongemakkelijk idee. De voorstelling dat je kindje, als het al overleeft, een grote kans heeft (zwaar) gehandicapt door het leven te gaan, is iets wat weinigen goed kunnen verdragen. ‘Je wilde een mens op de wereld zetten, maar je hebt een diertje gebaard’, zei een psychiater tegen haar.

Wat als
Wie de aangrijpend beschreven worstelingen van Van Osch de eerste twee delen heeft meegevoeld, zal in zijn diepste zelf moeten luisteren naar het stemmetje dat hij daar waarneemt. Wil ik de kans lopen op een leven lang zorgen? De kans dat mijn kind nooit van me zal houden? Dat ik niets terugkrijg voor al mijn inspanningen omdat het me niets terug kan geven? Want het is een taboe: niemand wil een ouder zijn die geen gehandicapt kind wil. En tegelijkertijd is er ook niemand die vooraf werkelijk rekening houdt met een zwaar gehandicapt kind. Een kind dat niet wil eten, doof is, de ontwikkeling van een tweejarige nooit zal ontstijgen, autisme heeft en spastisch is. Is dat kind eigenlijk wel gelukkig?

Leven en lijden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar wat nu als dit lijden vroeg in de kiem gesmoord kan worden? Wanneer stop je een behandeling? Wanneer is het nog verantwoord om een kind agressief te behandelen? Ja, het blijft leven, maar tegen welke prijs? Ook dan stuiten we weer op een ongemakkelijke vraag: dit kost handenvol geld. Miljoenen per kind. Hoezeer Van Osch alles ook aansnijdt, dit laat ze toch wijselijk rusten. Want als we dan toch iets moeten koesteren dan is dat juist onze beschaving, die zich over vele vragen mag buigen, maar deze gelukkig nooit hoeft te stellen.

Wie het weet
Van Osch heeft een bijzonder boek geschreven, waarin ze recht uit het hart en zonder filosofische omhaal een eerlijk en toegankelijk verhaal vertelt voor een groot publiek. Toegegeven, de eerste twee gedeelten zijn vaak topzwaar om te lezen. De lezer wordt soms zelfs murw geslagen door de ontberingen die Van Osch en haar man ondergaan in hun relatie tot Eva. Maar dat is niet erg: dit is zoals het is. De vragen die ze opwerpt zijn niet eenvoudig te beantwoorden, en sommige zijn misschien wel alleen te beantwoorden als men zelf werkelijk keuzen moet maken.

Een boek als dit kan geen lijvig handboek ethiek vervangen, maar tegelijkertijd tref je in geen enkel ethisch werk een zo’n levendige beschrijving aan van hoe dilemma’s wekelijkheid worden. Daar moeten medici, medici in spé en iedereen die zich bekommert om pril leven zijn voordeel mee doen.

_______________

Lees ook: Judith Jarvis Thomsons A Defense of Abortion: besproken en becommentarieerd

Filosofische kruimels XII

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2014 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XII van XII.

Wat nu, maakt dat een persoon in tijd en ruimte dezelfde blijft?
Derek Parfit in Reasons and Persons (1984)

De dood van Jan

Hoewel nog niet helemaal doorgedrongen tot de inleidingen en overzichten van de wijsbegeerte, is Derek Parfit (1942) een veelvuldig geciteerd denker, dankzij de stortvloed aan obscure, haast onmogelijke en ingenieuze gedachte-experimenten die hij ontwikkeld heeft in zijn baanbrekende werk Reasons and Persons over onder andere persoonlijke identiteit. Wat betekent het om een persoon te zijn en wat zorgt ervoor dat iemand op twee verschillende momenten één en dezelfde persoon is?

Parfits bedoeling is vooral om onze intuïtie te beproeven. Stel bijvoorbeeld eens dat Jan een broer is van een eeneiige drieling. Bij een auto-ongeluk raakt hij ernstig lichamelijk gewond en worden de hersenen van zijn broers onherstelbaar beschadigd. Omdat de hersenen van Jan nog intact zijn, wordt besloten deze in tweeën te verdelen en -aangenomen dat het kan- de beide helften naar de gezonde lichamen van zijn broers te transplanteren. De operatie slaagt. De broers ontwaken uit narcose en zijn psychologisch continu met Jan: ze hebben zijn herinneringen en geloven dat ze Jan zijn. Ook fysiek zijn ze vrijwel identiek aan Jan, en aan elkaar.

Maar is Jan nu dood of niet?

©Veenmedia.nl
________________________

Kierkegaards eerste druk van Of/Of

‘Eenmaal, andermaal……verkocht voor € 134.000!’
Eerste druk van Kierkegaards Of/Of (1843) onder de hamer in 2003

Het fenomeen “eerste druk” heeft iets merkwaardigs. Het raakt de kunst aan, waar uniciteit en zeldzaamheid ook ongehoorde prijzen kunnen opleveren. Maar toch, een boek, dat is een boek. Letters, zinnen, alinea’s van een eerste druk, lezen exact hetzelfde als die van de 28e druk. Het papier is niets waard evenmin als de kaft. En het verschil tussen bijvoorbeeld een eerste druk en een tweede druk is vaak enkel en alleen een ander jaartal op het voorblad. Toch zijn liefhebbers bereid om flink veel te betalen voor een eerste druk.

Het belangrijkste aspect is niet alleen de invloed en de historische betekenis van het boek, maar ook ‘het idee erbij’. Het exemplaar van Kierkegaards meesterwerk Enten/Eller (uit 1843, met een uitverkochte oplage van 525 stuks) ging echter ook nog om een andere reden voor € 134.000 van de hand. Kierkegaard had dit exemplaar namelijk opgedragen aan zijn ex-verloofde Regine Olsen.

Wie tegenwoordig nog stuit op een eerste exemplaar van Enten/Eller mag rekenen op minstens € 3000 voor de twee delen. Dat levert tenslotte toch een wonderlijke rekensom op: voor slechts twee toegevoegde regels door Kierkegaard legde een liefhebber er nog graag € 131.000 bij…

©Veenmedia.nl
________________________

Kerstgedachte

‘Welnu, wie nadenkt over het eerste kerstprobleem, denkt na over de claim dat God met mensen communiceert, en wel door zich helemaal te verplaatsen in de mens, zich diens perspectief eigen te maken.’
René van Woudenberg Kerstmis is een dankbaar feest voor filosofen. In: Trouw 17/12/2002.

Wanneer hoogleraar filosofie Van Woudenberg denkt aan kerst, raakt hij in een feeststemming. Niet omdat kerst een feest is van mooie kleren, cadeaus en een overvloed aan eten, maar een feest voor zijn geest met tal van dilemma’s, problemen en filosofische vraagstukken. Een eerste probleem wat hij aantreft heeft te maken met communicatie. Hoe kan een wezen van een bepaalde soort zich namelijk überhaupt verstaanbaar maken aan een wezen van een geheel andere soort? Het tweede (ontologisch) probleem is de vraag hoe God iets geheel anders kon worden (mens) en toch zichzelf wist te blijven. En tenslotte is er nog een sociaal-ethisch probleem wanneer Van Woudenberg denkt hoe het mogelijk is dat de allerhoogste in staat is om de aller nederigste te worden (zonder daarbij het ‘allerhoogste’ te verliezen). ‘Hoe dit alles mogelijk is, begrijp ik eerlijk gezegd helemaal niet. En dus, zou ik denken, viert de filosoof in mij feest’, overweegt Van Woudenberg.

Maar toch is de oplossing eenvoudiger dan hij zou denken. In plaats dat de filosoof feest in hem viert, zou hier vooral de gelovige feest in hem moeten vieren. Want kerstmis is misschien leuk voor filosofen, het is bovenal een dankbaar feest voor gelovigen.

©Veenmedia.nl
________________________

Zie ook:

 

Filosofische kruimels XI

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2014 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XI van XII.

De Korsaar-affaire

‘Ik zou alleen willen dat ik spoedig in de Korsaar kwam. Het is toch werkelijk hard voor een arme schrijver zo apart te staan in de Deense literatuur, om de enige te zijn die daarin nog niet is uitgescholden.’
Søren Kierkegaard in Het Vaderland (1845). Vertaling uit: Kierkegaard’s Writings, XIII: The Corsair Affair and Articles Related to the Writings, onder redactie van Howard en Edna Hong (1982).

Een van de meest fenomenale, complexe en tragische polemieken die de filosofische geschiedenis rijk is, is de zogenaamde Korsaar-affaire waar Søren Kierkegaard (1813-1855) in verzeild raakte. De Korsaar was een Deense satirische krant opgericht door Meir Goldschmidt, die spoedig de grootste oplage had van het land. Veel mensen spraken er ondertussen wel schande van. Toch schreven er grote namen voor het blad die de vloer aanveegden met bekende Denen, alleen deden ze dat altijd onder pseudoniem of verdekt door een gekochte naam te gebruiken. Kierkegaard, met zijn ongekende scherpe pen en polemische stijl, werd door vele welgestelden in Kopenhagen beschouwd als de ideale opponent om dat ‘vuige roddelblad’ eens goed aan te pakken. In 1845 zag hij een kans om de strijd aan te gaan. In een messcherpe satire geschreven onder pseudoniem Frater Taciturnus in de krant Het Vaderland, daagde hij de Korsaar uit om eens met hem de spot te drijven. Goldschmidt, die altijd erg op had gekeken tegen Kierkegaard, hoopte dat Kierkegaard zijn woorden terug zou nemen. Maar dat gebeurde niet en de Korsaar gaf waarom werd gevraagd. Kierkegaard werd jarenlang bespot en kon zich al gauw nauwelijks nog vertonen in openbare gelegenheden. Alle vooraanstaanden lieden die hem hadden aangespoord, waren nu plotseling naïef geworden en ‘wisten werkelijk nergens van’…

©Veenmedia.nl
________________________

Wat blijft…

‘Tussen ‘iets’ en ‘niets’ ligt- net als tussen ‘iets’ en ‘iets anders’- namelijk een soort ruimte, die weliswaar niet door iets (en dus door niets) wordt ingenomen, maar die wel degelijk bestaat (en dus is).’
Patricia De Martelaere in Wat blijft (2002).

In een buitengewoon aardig essay dat verscheen in 2002 ter gelegenheid van de maand van de filosofie, buigt de Belgische filosofe Patricia De Martelaere zich over de vraag “wat blijft?”. Vanuit een aanstekelijke verwondering toont ze de mens als een gevangen wezen tussen betoverde en onttoverde werkelijkheid, zoekend welke kant hij moet kiezen. De religie als meest triomfantelijke overwinning op het idee van de vergankelijkheid, lijkt onder aanvallen van Hume, Nietzsche, Sartre en niet in de laatste plaats het darwinisme te zijn bezweken. De onsterfelijke ziel is gestorven en daarmee misschien ook een beetje de mens zelf. Het enige wat werkelijk nog blijft, is een worden, een radicaal uitzichtloos worden. Want als het worden tot niets leidt, wat is het dan? Gisteren een aap, vandaag een mens, morgen van de aardbodem verdwenen. Net zoals de aarde zelf zal verdwijnen. Wat blijft er dan nog? Wat geeft zin?

De Martelaere zelf was bij leven een mysterie en als denker vooral geïnteresseerd in verhoudingen tot het leven en de dood. In 2009 stierf ze op 51-jarige leeftijd aan een hersentumor, waarbij ze, misschien wel volgens haar eigen idee weer terugkeerde naar dat wat is tussen niets en iets.

©Veenmedia.nl
________________________

‘Het recht bestaat namelijk niet alleen uit regels, maar ook uit beginselen.’
Ronald Dworkin in Taking Rights Seriously (1977).

Ronald Dworkin (1931-2013) die de leerstoel een Oxford van de eveneens wereldberoemde rechtsfilosoof H.L.A. Hart (1907-1992) overnam, maakte in Taking Rights Seriously korte metten met zijn voorganger. Het boek is vooral een kritiek op diens rechtspositivisme (heel kort gezegd: wet is wet). Om zijn bezwaren tegen het rechtspositivisme duidelijk te maken put Dworkin uit de zaak Riggs tegen Palmer uit 1889. In deze zaak moest een Amerikaans gerechtshof oordelen of een moordenaar (kleinzoon) kon erven van zijn slachtoffer (grootvader). Er was geen geschreven wet of jurisprudentie voorhanden waaruit was af te leiden dat een moordenaar niet zou mogen erven van zijn slachtoffer. Desondanks besloot het hof de moordenaar de nalatenschap te ontzeggen. Volgens Dworkin terecht: het morele beginsel ‘niemand mag van zijn misdaad profiteren’ moet als recht gelden wanneer het bijdraagt aan de beste morele rechtvaardiging van de rechtspraktijk in een samenleving als geheel.

©Veenmedia.nl
________________________

Filosofische kruimels X

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2014 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel X van XII.

Paasgedachte

‘Wandel niet op het glibberige en vlakke pad van de genoegens, want men nadert slechts door vasten en onthouding tot het Paasfeest.’
Paasbrief aan de bisschoppen van heel Egypte in het jaar 404 van Theophilus, bisschop van de stad Alexandrië, in Brieven van Hiëronymus (2009).

Hiëronymus van Stridon (347-420), een van de vier grote kerkvaders, vertaalde voor de Grieks schrijvende bisschop Theophilus van Alexandrië diens Paasbrief in het Latijn voor het jaar 404, zodat de boodschap ook in het Westen te horen was. De lange brief wordt gekenmerkt door zeer veel vrome passages, waarin voornamelijk wordt opgeroepen de verlokkingen van het aantrekkelijke kwaad te vermijden. Inkeer, zelfreflectie, soberheid, onthouding en deugdzaamheid sieren een goed leven.

Maar zoals het grote geestelijken betaamt, wordt er ook volop gefilosofeerd (met de Bijbel in de hand, dat wel) over metafysische aangelegenheden. Zo bestrijdt Theophilus het dogma van Origines dat aardse lichamen door God zijn geschapen als woning voor uit de hemel gevallen zielen.

Anno Pasen 2014 is het moeilijk om ons in te leven in de wonderlijke wereld van deze geloofshelden ruim 1600 jaren geleden. Onze aardse lichamen lijken nu vooral geschikt voor de Paasbrunch. De roep om deugdzaamheid heeft echter nog niets aan kracht verloren. Wat dat betreft valt er wel degelijk nog heel veel te leren van Pasen 404.

©Veenmedia.nl
________________________

Belangrijkste filosofische artikelen van de 20e eeuw

‘Veel van de respondenten hadden moeite om met een lijst van 5 belangrijkste filosofische artikelen van de 20e eeuw te komen.’
Douglas P. Lackey in What are the modern classics? The baruch poll of great philosophy in the twentieth century (1999).

Iedereen die een beetje op de hoogte is van de hedendaagse wijsbegeerte, zal intuïtief een idee hebben over de belangrijkste filosofische werken van de 20e eeuw. Volgens een onderzoek van de Amerikaan Douglas Lackey in 1999, onder ruim 400 Amerikaanse filosofen, kwam er een duidelijke top drie naar voren. Op de eerste plaats staat Ludwig Wittgenstein met de Filosofische onderzoekingen (1953). Op de tweede plaats treffen we Martin Heidegger aan met Zijn en Tijd (1927) en op 3 staat John Rawls, met Een theorie van rechtvaardigheid (1971). Europeanen zullen waarschijnlijk wat moeite hebben met de derde plek, maar verder is het goed te volgen. Hoe zit het echter met de belangrijkste artikelen? Hebben we daar ook intuïtief een idee over? Lackey heeft ook hiernaar gevraagd en kwam met de volgende top 3. Op 1. staat W.V.O. Quine met Two Dogmas of Empiricism op 2. Bertrand Russell met On Denoting en op 3. Kurt Gödels Über formal unentscheidbare Sätze der Principia Mathematica und verwandter Systeme. Niet eenvoudig om uit het hoofd te bedenken. Wie echter de lijst van Lackey op internet verder bekijkt (top 20 artikelen), zal als filosoof toch een grote “ach ja!”-ervaring hebben.

Zie ook:
De belangrijkste filosofische artikelen van de 20e eeuw

©Veenmedia.nl
________________________

De Welwillenden

‘Na de oorlog ondervraagd, antwoordden al deze personen stuk voor stuk: ‘ik, schuldig?’’
In: Jonathan Littell (2008). De welwillenden.

De welwillendenDe Amerikaan Jonathan Littell (1967) die vooral in het Frans schrijft, heeft met de roman Les bienveillantes (De welwillenden in de Nederlandse vertaling) een controversiële fictieve wereld gecreëerd, waarin hij met zeer veel gevoel voor detail en historische accuratesse een slimme SS- officier ten tonele voert (Max Aue). Deze Max neemt de lezer 900 pagina’s lang mee in alle gruwelen die hij meemaakte én waaraan hij zelf deelnam. Spijt heeft hij echter niet. Want waarom? ‘Ik deed mijn werk, meer niet’, klinkt het aldoor. Een berucht argument, maar literair weet het toch vaak te overtuigen.

De vele filosofische passages die het boek rijk is over goed en kwaad, samen met de gedetailleerde beschrijvingen van Littell, kruipen je als lezer onder de huid. En niet zelden weet Max onze intuïtie te verwarren: waarom zou de man die vele malen het gas opendraaide, schuldiger zijn dan de wisselwachter die ervoor zorgde dat de Joden met de trein bij het kamp aankwamen? Had de wisselwachter ook niet moeten weigeren? En is hij niet net zo schuldig omdat hij dat niet deed?

©Veenmedia.nl
________________________

Zie ook:

 

Filosofische kruimels IX

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2014 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel IX van XII.

Waarom is er eerder niets dan iets?

‘Het niets is onstabiel.’
Lawrence Krauss in Universum uit het niets. Waarom er iets is in plaats van niets (2012).

In zijn populair natuurwetenschappelijk werk Universum uit het niets, stelt Krauss zich ten doel ‘het onbevattelijke helder uit te leggen’. Hoe dat mogelijk is, is op zichzelf al een raadsel, maar Krauss wil graag de fundamentele filosofische vraag van Gottfried Wilhelm Leibniz (‘waarom is er eerder iets in plaats van niets’) ontrafelen. Het wordt echter al snel een hoop gegoochel met begrippen, want de oplossing van het raadsel blijkt te zitten in de definitie van het niets. Dit niets blijkt niets minder te zijn dan ‘een onstabiel vacuüm’, dat valt onder de wetten van de kwantummechanica. De vraag waar we vervolgens mee worden geconfronteerd is dan ook: ‘Waar komen de wetten van de kwantummechanica vandaan?’ Krauss moet toegeven daar nog geen enkel idee van te hebben. Het ziet er dus naar uit dat de metafysische vraagstelling van Leibniz, ondanks de hedendaagse natuurkunde, nog wel even stand zal houden….

©Veenmedia.nl
________________________

Tot de vrijheid veroordeeld

‘Het verhaal gaat dat het boek wel werd verkocht, omdat het precies een kilo woog en dus als vervanging voor de door de Duitsers geconfisqueerde koperen gewichten kon worden gebruikt.’
Voorwoord van de vertaler bij Jean-Paul Sartres Het zijn en het niet: proeve van een fenomenologische ontologie (2003).

Het filosofische hoofdwerk ‘L’être et le néant: Essai d’ontologie phénoménologique’ van de Franse filosoof Jean-Paul Sartre werd in oktober 1942 voltooid, maar de verschijning ervan bleef zoals dat voor veel grote filosofische werken geldt, onopgemerkt. Pas na de Oorlog werd zijn werk in de slipstream van zijn populaire toneelstukken en romans, meer en meer gelezen en gewaardeerd om zijn originele invalshoeken. In de jaren 50 werd het zelfs een van de belangrijkste pijlers van de existentialistische wijsbegeerte. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Kierkegaard, predikte Sartre een strikt atheïstisch existentialisme: er is geen ontwerper die vooraf een idee heeft gemaakt van hoe de mens moet zijn of zou moeten leven. Het gaat dan ook bij Sartre om persoonlijke authenticiteit: beschouw welke rollen je worden opgedrongen en maak je er onmiddellijk van los!

Zijn idee dat de mens tot vrijheid is veroordeeld, heeft ook op de ethiek een behoorlijke stempel gedrukt. Nooit kon iemand meer zeggen: ‘ik moest het doen, omdat hij het me opdroeg.’

Sartre raakte na zijn dood in 1980 wat uit de mode. Het idee van verouderde romans, te abstracte filosofie en het beeld dat hij op het gebied van de liefde wel heel erg rigoureus gebruik maakte van zijn vrijheden, gingen overheersen. Gelukkig kunnen zijn boeken ook nu nog voor tal van andere dingen worden gebruikt.

©Veenmedia.nl
________________________

De ‘Mandeville-paradox’

‘Trots en ijdelheid hebben meer ziekenhuizen gebouwd dan alle deugden bij elkaar.’
Bernard Mandeville (1723). Een essay over menslievendheid en arme scholen. In: de Fabel van de bijen.

Fabel van de bijen

Geboren in Rotterdam is Bernard Mandeville (1670-1733) misschien wel de meest miskende grote denker die Nederland heeft voortgebracht. Wellicht omdat hij naast filosoof ook arts was en al op 21-jarige leeftijd definitief naar Engeland vertrok, heeft hij nooit de faam gehad die hem toe zou komen. In Nederland is er gelukkig sinds 2006 weer systematisch aandacht voor deze denker. Vanaf dat moment verschijnen er in zeven delen het verzameld werk van deze vergeten filosoof.

In 2014 is het exact 300 jaren geleden dat zijn meest beroemde werk De fabel van de bijen verscheen. De centrale stelling die hierin wordt verdedigd, staat ook wel bekend als de ‘Mandeville-paradox’: zonder ondeugd geen gezonde samenleving! ‘De eigenschappen waarvan we allemaal doen alsof we ons ervoor schamen, zijn het grote fundament van een bloeiende samenleving’. Mandeville was er zeker niet op uit om ondeugden aan te moedigen, maar volgens hem behoren zij simpelweg tot de menselijke natuur en moet er voldoende ruimte zijn ze af en toe te kunnen laten vieren. Wat daarbij wel noodzakelijk is, is het bestaan van bekwame bestuurders die zich bewust zijn van de ondeugd in de mens. Zij moeten deze goed reguleren, zodat iedereen er profijt van heeft.

Hadden de Europese bestuurders dus Mandeville gelezen, waren ons misschien wel heel wat crises bespaard gebleven…

©Veenmedia.nl
________________________

Zie ook:

 

 

Iemand moest Theo van W. belasterd hebben…

Deze recensie is geschreven voor 8Weekly en daar verschenen als Special. Benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan een kijkje op de site aldaar.

‘Iemand moest Theo van W. belasterd hebben, want zonder dat hij iets kwaads had gedaan, werd hij op een morgen gearresteerd.’ Zo begint het autobiografische Gevallen vogel van Theo van Willigenburg niet, maar het is wel de strekking van het merendeel van de 528 pagina’s. Een kafkaësk en verontrustend boek.

Dr. Theo van Willigenburg (1960), voormalig decaan en hoogleraar ethiek aan de Erasmusuniversiteit, zal de rest van zijn leven worden geassocieerd met twee geruchtmakende rechtszaken die verband houden met ontucht met minderjarige jongens, allen lid van het Roder Jongenskoor. De eerste zaak, waarin hij heeft bekend, liep in december 2005 uit op een voorwaardelijke veroordeling. De tweede rechtsgang, waarin Van Willigenburg onschuld bepleitte en nog bepleit, monde in 2010 uit in een veroordeling tot 18 plus 8 maanden gevangenisstraf voor ontucht met drie jongens, wat door het Hof werd bevestigd. Het cassatieberoep werd verworpen door de Hoge Raad.

Sinds 27 juli 2012 is hij definitief op vrije voeten en nu is er een poging tot rehabilitatie en een forse aanklacht tegen het rechtssysteem in de vorm van dit boek. Het is een tour de force om Van Willigenburg ter wille te zijn, want hoe onbevangen de lezer ook probeert te zijn, Van Willigenburg is natuurlijk alles behalve een objectieve partij. Want hoe zeer hij ook tracht ‘zijn verhaal’ eerlijk te vertellen, het is vechten tegen argwaan. Hij is een Lance Armstrong die het ware verhaal komt vertellen.

Matteüs 23:3
En de argwaan is niet zonder argument. Allereerst kampt het boek met één haast onoverkomelijk probleem. Wie namelijk het ene zegt (als hoogleraar ethiek), maar het andere doet (ontucht plegen met een dertienjarige, ontluikend homoseksuele koorjongen) merkt zichzelf met een enorm negatief stempel dat zeer moeilijk is af te spoelen. Voor zover ontuchtplegers al niet een onoverbrugbare achterstand hebben in een polemiek, heeft Van Willigenburg gewoon een groot probleem met zijn geloofwaardigheid. En hij weet het: zelfs zijn oprechtheid kan worden uitgelegd als een dubbele beweging: manipulatief en geveinsd voor een hoger doel. Hij zou er intelligent genoeg voor zijn. Daarmee is niet gezegd dat hij geen tweede of derde kans verdient, of dat we niet kritisch moeten kijken naar wat hij te berde brengt, maar dit boek had beter door een ander geschreven kunnen worden.

Want dat brengt ons bij een tweede probleem. Van Willigenburg hekelt de waarheidsvinding in ons rechtssysteem grondig (o.a. p. 386-387, 396), maar het ontbreekt in zijn boek aan bronnen en noten. Hij citeert lustig uit allerlei mogelijke verslagen, maar de lezer heeft niets in handen om de context te achterhalen. Zelfs advocaten worden merkwaardig onder pseudoniem genoemd (er bestaat geen mr. Richard Weermans of een mr. Bronkhorst). Verder laat Van Willigenburg velen ‘letterlijk’ aan het woord, maar het ziet er naar uit dat het zijn indruk weergeeft van welgevallige gesprekken. Wat er overblijft voor kritische lezers is de uitspraak uit 2009 van de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht. En ook dat document, met enkele belastende en kritische passages uit brieven die in het boek niet worden aangehaald, spreekt niet bepaalt in het voordeel van Van Willigenburg.

Daarbij, en dat is misschien een kwestie van smaak, wordt er wel erg vaak gesproken over de mannelijke schoonheid. De beeldschone Marokkaan op cel 12, Reggi de mooie Antilliaan, de knappe Surinamer op cel 18, bewaker Robert de blonde knapperd, Jelle, die knappe dertiger van de therapie, filosoof Agamben als een beeldschone jongeling… Schoonheid, Van Willigenburg – getrouwd omwille van het verschoningsrecht met de bekende predikant Pieter Oussoren – is er verzot op (p. 194). Het is niet verboden om te zijn blijven hangen in Kierkegaards esthetische stadium, maar het leest in deze context wel bijzonder ongemakkelijk. Zeker wanneer in ogenschouw wordt genomen dat ook de dertienjarige ‘Nils’ waarmee het verkeerd afliep erg bij Van Willigenburg in de smaak viel (‘Hij was zonder meer een mooie jongen (…)’, p. 164).

Sowieso zijn alle logeerpartijtjes in huis met jongelingen, waar geregeld sprake van blijkt in het boek, ongemakkelijk om te lezen, laat staan het amoureuze gedoe met ‘Rolf’, die kust, nog meer kust, omhelst, verliefd is en waarvan Van Willigenburg moet bekennen: ‘Laat ik eerlijk zijn (…). Er is misschien wat gebeurd toen hij achttien of negentien was. Nooit daarvoor. Ik keek wel uit!’ (p. 249). Maar het is wel onder andere deze Rolf die hem nog veel verder in de problemen brengt.

Ten slotte een laatste voorbeeld om te illustreren dat het de lezer niet gemakkelijk wordt gemaakt. Het is niet gek dat iemand in gevang een pasfoto van zijn pleegzoon in zijn portefeuille draagt. Maar waarom ook een pasfoto van een zekere Aris, die zijn studentkamer niet meer kon betalen en door Van Willigenburg thuis is opgevangen (p. 486)? Dat schuurt, hoe klein en onschuldig het detail ook mag lijken. Waarom doet iemand zoiets? Wat moet ‘Aris’ hiervan denken? 

Een naïef goed mens
Wat verder onmiskenbaar opvalt in het boek is Van Willigenburgs nadrukkelijke hang om erkenning. Het is alsof hij ons telkens wil zeggen: ‘ook al heb ik een vreselijke fout begaan, ook al was ik ongelofelijk naïef, ik ben écht gewoon een goed mens, écht.’ Want ook in de bak schuwt Van Willigenburg zijn verantwoordelijkheden niet. Theo die een boef gitaar leert spelen. Theo die helpt bij kerkdiensten. Theo die als een Andy Dufresne de BTW-carrousel uitlegt aan Antillianen. Theo die als belangenbehartiger van de gedetineerden bingo voor de gevangen organiseert. Theo die bezwaarschriften schrijft, medische brieven uitlegt, juridisch jargon verklaart, sociaal werker is, telefoonkaarten uitleent en er alles aan doet om een gebedsmatje voor zijn islamitische celgenoot in te voeren.

En zelfs de Theo die met de veroordeelde verkrachter en moordenaar Ron P. van de Puttense moordzaak bevriend raakt en ook daarin voor de lezer een bijzondere naïviteit aan de dag lijkt te leggen, die geheel los lijkt te staan van het onherstelbare leed dat deze man veroorzaakt heeft.

Hij heeft geen leven in de gevangenis en ook geen leven meer buiten de gevangenis. Ik denk niet aan wat hij gedaan heeft en óf hij het gedaan heeft. Ik kan me daar weinig bij voorstellen. Ik zie alleen maar iemand die niets meer heeft. (p. 238).

Of hij schuldig is of niet weet ik niet, al hoor ik dingen waardoor ik echt denk dat hij die jonge Puttense vrouw, met wie hij een kortstondige relatie had, niet heeft vermoord. (p.367).

Dat Ron P. in zijn zelfverklaarde, niet bepaald kortstondige, zeven maanden durende relatie met het slachtoffer, niet eens wist waar ze woonde, of ze haar oksels schoor, wat de kleur van haar ogen was, laat staan dat iemand buiten Ron iets wist van de relatie, moet Van Willigenburg zijn ontgaan. Het moet deze gevaarlijke combinatie van goedheid en naïviteit zijn geweest dat Van Willigenburg na zijn eerste veroordeling weer aan de slag gaat bij het Roder Jongenskoor, nu als zakelijk leider en manusje van alles. Het is de lezer die dan al met de handen in het haar zit: doe het nou niet Theo, daar komt niks goeds van!

De aanklacht I
Want het duurt niet lang, of de recherche staat weer aan de deur. Weer zijn er verschillende aantijgingen vanuit de koorwereld. De echte kwade genius in het hele spel, waar Van Willigenburg niet voldoende zijn afschuw over kwijt kan, blijkt ene ‘Geurt’ te zijn. Een niet toevallig gekozen pseudoniem. Geurt, ‘de ongewassen en ongeschoren puber die meent dat ie homo is’ met PDD-NOS, een jongen die je nog niet met handschoenen aan zou willen aanraken (p. 218). Geurt, de meest onappetijtelijke knul van het hele koor, ‘een afstotelijke, aandachtzuigende puber’ (p. 247), klaarblijkelijk mentaal niet in orde en in ‘heftige therapie’ bij een forensisch-psychiatrisch centrum omdat hij jonge kinderen op internet seksueel lastig valt en zijn twee zusjes heeft misbruikt (p. 277). Deze Geurt, die fantasie en werkelijkheid niet uit elkaar kan houden, heeft een verhaal verzonnen dat hij drie dagen lang in Friesland met Van Willigenburg is gaan zeilen en toen op de boot misbruikt is. En dat zou de reden zijn dat hij zelf verknipt is geraakt…

Van Willigenburg doet er in het boek alles aan om aan te tonen dat de beschuldiging absurd is en onmogelijk waar kan zijn. En eerlijk is eerlijk, binnen het complexe schimmenspel ben je geneigd hem te volgen in zijn verdediging. Toch leidt het tot een tweede veroordeling waarbij de rechtbank alle aantijgingen bewezen acht, wat een lange gevangenisstraf oplevert.

De aanklacht II
Dit alles leidt tot een ferme aanklacht tegen het Nederlandse juridisch stelsel. Op dit vlak is het boek ook het meest spraakmakend en verontrustend. Van Willigenburgs lang uitgesponnen, indringende, knap geschreven beschrijvingen van het – voor zedendelinquenten gevaarlijke – gevangenisleven zijn lezenswaardig en zijn poging tot nuancering binnen het maatschappelijke debat over pedofilie is dapper (o.a. p. 172-174, p. 492), maar zijn aanvallen op het juridische systeem geven het meest te denken. Ook al heeft Van Willigenburg sterk de neiging te generaliseren, als het waar is wat hij beweert over het openbaar ministerie, de psychologen en de rechters, verdient dat vanuit die hoek een stevig weerwoord of een grondige zelfevaluatie.

Van Willigenburg gebruikt vele manieren om het systeem aan de kaak te stellen. Het is duidelijk dat hij zelf alle vertrouwen is kwijtgeraakt:

Ik heb geen enkel geloof meer in de rechtspraak. Het OM is de vijand, dat zonder meer. Maar ook in rechtbanken heb ik geen vertrouwen meer. Het hangt er helemaal van af wie de rechters zijn. Er is niet zoiets als onpartijdigheid en onafhankelijkheid. (p. 372)

Maar ook zijn advocaten laat hij kritisch spreken:

Het gaat in alle rechtsprocedures immers niet meer om goed of kwaad, maar om productie: productie van strafvervolging, van besluiten en van vonnissen. Het strafrecht, is helemaal niet geïnteresseerd in slachtoffers van misdrijven of aangerichte schade. Rechters kennen alleen maar daders en die daders zijn vooral nummers die horen bij dossiers (p. 38)

en als rechters overtuigd zijn van schuld, dan kunnen ze alibi’s altijd wegredeneren (p. 346). De vraag of de verdachte schuldig is of niet is al beantwoord voor dat de zitting begint. Vaak ligt er al een concept-vonnis of arrest klaar, dat door de rechters na afloop alleen maar hoeft te worden aangevuld en gecorrigeerd. Daarnaast wordt ook gesuggereerd dat rechters elkaar de hand boven het hoofd houden en rechters die niet willen meebuigen door een voorzitter van de rechtbank met een smoesje vervangen zouden kunnen worden (p.343).

Bij het OM moet vooral productie worden gedraaid en telt daarbij eigenlijk alleen het aantal veroordelingen (p.74). Vrijspraak wordt altijd beschouwd als een vernedering en levert in hoger beroep rancuneuze officieren van justitie op die koste wat het kost een veroordeling willen en daarin meer gestuurd worden door tunnelvisie dan door feiten. Daarin wordt niets geschuwd, van selectieve bewijsvoering (ontlastende verklaringen worden zorgvuldig buiten dossier gehouden) tot vileine taalspelletjes. ‘Met bewoordingen als “meerdere keren gerecidiveerd” met “zeer jonge kinderen” probeert het OM een beeld te schetsen waartegen je je nauwelijks kunt verzetten’ (p. 413). Potsierlijk is de beschrijving van Van Willigenburg hoe het OM er alles aan is gelegen om twee oude vakantiefoto’s als kinderporno bestempeld te krijgen.

Ook de psychologie die omtrent het strafrecht is gebouwd krijgt ervan langs. Bij monde van de advocaat:

Zo’n psychologisch onderzoek, is alles behalve neutraal. De psychiater of psycholoog waarmee u te maken krijgt gaat er beroepshalve al vanuit dat u schuldig bent, dat is de standaard. Dus zullen ze gaan speuren naar dingen in uw gedrag en persoonlijkheid die het vermeende misdrijf verklaren. En wie zoekt, die vindt! (p. 298)

En met woorden van de Franse filosoof Michel Foucault:

De gedetineerde wordt gezien, maar hij ziet niet; hij is object van informatie, maar nooit subject van communicatie. Als een moderne gedetineerde met een psycholoog of psychiater praat dan wordt er niet naar hem geluisterd omwille van de inhoud van wat hij zegt, maar omwille van wat er zo geopenbaard wordt over zijn persoonlijkheid […]. (p. 407-408)

Helemaal ridicuul is ten slotte een passage waarin reclasseringsmedewerker ‘Dekker’ het rapport van een psycholoog over Van Willigenburg terzijde schuift:

Volgens de psychologe was er echter geen verband tussen die (narcistische) stoornis en mijn delict en zij stelt dan ook niet voor om tot een psychiatrische behandeling over te gaan. Dekker ziet dat heel anders. Die psychologe had dan wel een gedegen rapport geschreven nadat zij mij meer dan tien uur lang had onderzocht met een scala aan tests en vragenlijsten, maar zij was nog jong en onervaren in de forensische psychiatrie. Dekker zelf had twintig jaar gewerkt in een forensisch behandelcentrum en hij had al na tien minuten door hoe het met mij zat. (p. 121)

Filosofische kruimels
Natuurlijk werkt Van Willigenburg zijn kritiek ook uit. Naast verwijzingen naar alom bekende gerechtelijke dwalingen en hier en daar wat bronnen (onder meer De nieuwe kleren van de rechter. Achter de schermen van de rechtspraak (2010) van Rinus Otte) is de structuur van het boek zo opgebouwd dat het lopende verhaal telkens onderbroken wordt door een min of meer filosofisch intermezzo. In de zes hoofdstukken die het boek rijk is, staat ieder hoofdstuk een filosoof centraal die op de een of andere manier past bij het verhaal wat erin verteld wordt. Kant biedt intellectuele afleiding in Kamp Zeist tijdens het voorarrest, Wittgenstein geeft houvast tijdens de therapie bij De Waag na de veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf. Nietzsche levert bemoediging tijdens een nieuw voorarrest in Nieuwegein, Foucault verschaft inzicht in Vught tijdens de tweede veroordeling. En ten slotte zijn Agamben tijdens het hoger beroep in Arnhem en Lyotard voor het laatste deel van de gevangenisstraf in Lelystad tot steun.

Dat in ieder hoofdstuk een specifieke filosoof wordt besproken, maakt dit echter – anders dan de ondertitel van het boek doet vermoeden – geen filosofisch werk. Daarvoor doet een en ander wat selectief en geforceerd aan. Zo blijft Kants categorische imperatief wijselijk achterwege en zijn zeker de besprekingen van het werk van Agamben en Lyotard wat aan de oppervlakkige kant. Bovendien leiden de verschillende filosofische kruimels vaak af van het hoofdverhaal: de maatschappelijke val van een hooggeleerd man van groot aanzien. Van Willigenburg hinkt dan ook op teveel poten. Is dit boek een aanklacht tegen het systeem, een poging tot rehabilitatie, een psychoanalytische worsteling met zichzelf, een beschrijving van het gevangenisleven of een troost van de filosofie?

Het doet in ieder geval de vraag stellen of de filosofen hier niet zijn gebruikt als rechtvaardiging het tot een verantwoord boek te maken, in plaats van als volwaardige aanvulling. Zo bezien zijn alle filosofische passages slechts een schets voor een boek dat er nodig nog komen moet: een werkelijk wijsgerig verantwoorde aanval op het huidige strafbestel. Want dit boek zit, ondank alle bedenkingen die hier genoegzaam zijn geuit, boordevol interessante thematiek, die dwingt tot het stellen van kritische vragen, zowel in maatschappelijke als persoonlijke zin.

Denk na, oordeel zelf
Is er werkelijk een alternatief voor het huidige juridische bestel? Corrumpeert uiteindelijk niet ieder systeem? Wat antwoorden we onze leerlingen en studenten als ze ons vragen naar de blinddoek van Vrouwe Justitia? Kunnen we eigenlijk nog wel vertrouwen hebben in onafhankelijkheid van de rechtspraak? Hebben we eigenlijk wel een realistisch beeld van onze gevangenis? Wat is er sinds de jaren ‘80 gebeurt met de maatschappelijke opvattingen omtrent pedofilie? Past nuancering in dat debat en is er wel voldoende ruimte voor? Hebben bepaalde media die de onderbuik faciliteren een niet al te vertroebelende rol in het geheel? Is het juist om een veroordeelde topwetenschapper buiten de academische wetenschap te houden? Wat betekent vergeving? Wat is geloofwaardigheid? Zouden wij ons nog durven of willen inlaten met een veroordeelde zedendelinquent?

Het boek verdient alleen al omdat het deze vragen opwerpt ieders eigen oordeel en ieders eigen overweging. Hier ontvangt het ondanks de nodige bedenkingen het voordeel van de twijfel. Van Willigenburg is een gevallen vogel, die tracht opnieuw te vliegen. Hij zal zich niet verbergen, hij zal zijn mond niet houden. Hij zal zich laten zien en waar nodig mengen in het debat. En dat is goed, en dat is zijn goed recht.

__________________________

Reactie Van Willigenburg op de recensie

 

Open brief van de auteur van Gevallen Vogel

Stephan Wetzels heeft een spannende en gedegen recensie geschreven waaruit blijkt hoe goed hij mijn boek Gevallen Vogel heeft begrepen. Mijn autobiografische verhaal roept veel ongemak op en dat is ook precies de bedoeling. Ik heb mijn hele wetenschappelijke carrière als ethicus betoogd dat moraal geen kwestie is van zwart of wit maar van grijstinten. Maar pas nu ik zelf de zwarte kant heb gezien en ik erover schrijf wordt die boodschap echt gehoord. Inderdaad: dit boek botst en schuurt.

Gevallen Vogel is grotendeels gebaseerd op teksten die ik tijdens de lange uren in de cel heb geschreven. Het zijn intense verhalen omdat ik in die 16 tot 20 uur opgesloten achter een stalen deur met niemand kon praten en dus alleen maar kon schrijven over het geweld in de gevangenis of de dreiging daarmee, over de verwarring als je verhoord wordt over een beschuldiging waar je je niets bij kunt voorstellen en over het juridisch systeem dat heel anders blijkt te werken dan je altijd had gedacht. Ik schreef op wat ik meemaakte, hoe het daarbinnen ruikt, hoe het er uitziet en wie de waanzinnige wereld achter tralies bevolken.

Nú zou ik dat niet meer zó kunnen opschrijven en een ander zou dat zeker niet voor mij kunnen doen. Dus ben ik zelf aan het woord. En dat roept argwaan op. Want hoe geloofwaardig ben je nog als je je als hoogleraar ethiek vergrijpt aan een jongen en later nogmaals wordt beschuldigd van seksueel misbruik? Ben ik in dit boek mijn straatje aan het schoonvegen? Mijn enige verweer is volstrekte eerlijkheid. Ik schilder mijzelf niet af als een onschuldig lam, maar beschrijf precies wat ik verkeerd heb gedaan en waarom dat verkeerd was. Ik pluis ook tot in detail uit waar die tweede, absurde, beschuldiging vandaan komt en hoe ik me daar tegen kan verweren.

Ik probeer zo openhartig mogelijk te zijn, ook al komt me dat misschien niet goed uit. Dus verhul ik niet dat ik in de ruige bajesomgeving met zijn gehavende koppen en onverzorgde lijven aangenaam getroffen wordt door een mooie Antilliaan of een aantrekkelijke, blonde bewaarder. Waarom zou ik als homoman van vijftig een knappe vijfentwintigjarige Marokkaan niet aantrekkelijk mogen vinden? ‘Nils’, met wie ik in 2004 mijn misstap beging, viel in de smaak bij veel homo’s, zo vertelde hij zelf, en dat was niet zonder reden. Maar hij was veel te jong, ook had hij twee klassen overgeslagen waardoor ik hem ouder kon ‘denken’. En daar maakte ik een vreselijke fout: ik overtrad Kants morele wet (‘Behandel de ander nooit louter als middel, maar altijd ook als doel op zich’), een leerstuk waar ik zelf zoveel over had gepubliceerd.

In mijn portemonnee zat naast een pasfoto van onze pleegzoon ook een fotootje van de zestienjarige ‘Aris’, omdat zijn moeder een van mijn beste vriendinnen is en ik ook foto’s meedroeg van haar en haar dochter. Maar in die laatste foto’s was de politie natuurlijk niet geïnteresseerd, dus vermeld ik ze niet in mijn boek, ook al zou die context een ‘verkeerde indruk’ kunnen wegnemen.

Misschien is het naïef –daarin heeft Stephan Wetzels waarschijnlijk gelijk– net zoals wanneer ik in de gevangenis bevriend raak met Ron P. van de Puttense moordzaak en daar echt begin te denken dat Ron onschuldig is. Dat schrijf ik dan ook op. Inmiddels heb ik als vrij man trouwens een groot deel van zijn dossier gelezen en weet ik zeker dat de overtuiging van justitie en de media dat hij een moordenaar is niet klopt. Ik heb het laatste hoger beroep in Ron’s zaak meegemaakt en herken de mechanismen waardoor onschuldige mensen achter tralies verdwijnen. Rechters pikken uit het dossier alleen die snippers die een voorgegeven oordeel bevestigen. Het vonnis in mijn tweede zaak (2009) waarnaar Stephan Wetzels verwijst is daar een sprekend voorbeeld van. Er wordt contextloos geciteerd uit brieven van mij aan een van de aangevers (‘Rolf’ die zo verliefd was en die mij in de bajes kwam opzoeken), waardoor de indruk wordt gewekt dat het gaat over een contact met een minderjarige. Over de hoofdaangever in de 2009-zaak hadden twee van zijn drie hulpverleners overtuigend betoogd dat hij fantasie en werkelijkheid niet uit elkaar kan houden en ook zijn moeder bevestigt dat: “Fantasie en werkelijkheid uit elkaar houden, dat kan hij juist niet!” Maar het Hof citeert als bewijsmiddel uitgerekend die ene hulpverlener die meent dat hij dat heus wél kan!

Ik heb geleerd dat bewijsvoering in het recht totaal anders in elkaar zit dan bewijsvoering in de wetenschap. De hoofdaangever in de 2009-zaak doet op bepaald moment een tweede aangifte tegen mij die zo absurd is dat de politie hem niet gelooft. Het OM heeft deze aantijging wijselijk buiten de tenlastelegging gehouden. Elke nuchtere denker zou menen dat zo’n aantoonbaar verzonnen beschuldiging ook de eerste beschuldiging van deze jongeman onderuit haalt. Maar in het juridische denken kun je dat van elkaar scheiden. De enige vraag die telde was of er twee wettige bewijsmiddelen waren die de eerste beschuldiging steunden. Ik heb de ontnuchterende gesprekken van mijn advocaat gereconstrueerd waarin ik stap voor stap tot het inzicht kom dat je als verdachte nauwelijks kans hebt om je onschuld aan te tonen. En ik citeer regelmatig uit de vele proces-verbalen, al heb ik geen voetnoten opgenomen: dat zouden er honderden geworden zijn!

Gevallen Vogel is geen standaard filosofieboek, maar het is wel een boek over filosofie als hulp om te begrijpen waarom bijvoorbeeld het juridische redeneren zo afwijkt van het wetenschappelijke en alledaagse redeneren. Lyotards analyse van het ‘narratieve weten’ hielp me te zien dat juristen altijd een bepaald verhaal ‘rond willen krijgen’ en dat is meestal het ‘schuldig’ verhaal. Daartoe worden ‘passende’ feiten geselecteerd en ‘niet passende’ feiten eenvoudigweg genegeerd of snel weggeredeneerd. De filosofie in dit boek is ‘cognitieve therapie’: het hielp me om te begrijpen wat er gebeurde toen mijn wereld instortte, waarom mensen van je gaan walgen (walging en morele afkeuring versterken elkaar), waarom men alles doet om een verdachte te laten bekennen (Foucault), hoe je om kunt gaan met agressie van medegedetineerden (ze zijn net zo bang als ik! – Nietzsche), waarom zedendelinquenten in therapieën vooral een bepaald ‘taalspel’ moeten spelen (Wittgenstein) en waarom je je in de gevangenis zo vaak en zo nodeloos helemaal moet uitkleden (Agamben – Naaktheden).

Stephan Wetzels heeft gelijk: een meer grondige wijsgerige aanval op ons strafrechtsstelsel moet er nog komen. Ik schrijf zelf inmiddels veel over mogelijke alternatieven, in het licht van de vele recente sociaalpsychologische studies naar factoren die de menselijke oordeelsvorming (dus ook die van rechters) beïnvloeden en hoe je deze mechanismen kunt ‘neutraliseren’ door anders te werk te gaan.

Mijn boek en andere publicaties roepen ook onverwachte reacties op. Zo publiceerde het Nederlands Dagblad een namens ‘Rolf’ geschreven reactie waarin mij wordt verweten dat ik de feiten verdraai en waar de hoop wordt uitgesproken dat het boek uit de handel zal worden genomen. Deze ‘Rolf’ heeft tot op vandaag contact met mij gezocht, nu niet verliefd, maar met eisen van grote sommen geld (€ 10.000 en meer). Daar ga ik natuurlijk niet op in en gelukkig heb ik een uitgever die moedig is en die tegen de stroom ingaat.

(Reacties via info@damon.nl)

Theo van Willigenburg

__________________________

Lees ook:

Veroordeelde-pedofiel-schrijft-onder-valse-naam

Slachtoffer-pedo-van-willigenburg-noemt-boek-verwerpelijk

Recensie-gevallen-vogel-kant-wittgenstein-nietzsche-foucault-agamben-lyotard-achter (Zinweb)

De moordenaar die de gevangenis ontliep: een juridisch raadsel op zoek naar antwoord

De moordenaar die de gevangenis ontliep: een juridisch raadsel op zoek naar een antwoord

Af en toe loop ik tegen een intrigerende puzzel aan, waarbij het antwoord indringender is dan het raadsel zelf… Mijn ervaring is dat velen, indien men het raadsel juist vertelt, niet in staat blijken om op een sluitend antwoord te komen.

Laten we het raadsel eens bekijken om het vervolgens nader te bespreken.

We bevinden ons in een rechtsstaat met een jurysysteem voor strafzaken.
Twee volwassen mannen staan terecht voor moord. De jury vindt één van deze mannen schuldig. De andere man wordt geheel onschuldig bevonden. De rechter spreekt de als schuldig aangewezen man toe en zegt: “dit is de meest merkwaardige zaak die ik ooit heb meegemaakt. Ondanks het feit dat ik u schuldig acht aan moord boven iedere twijfel verheven, gebiedt de Wet me u vrij te laten”.
(Vrij vertaald uit: Smullyan, R.M. (1978). What’s the name of this book?. New York: Dover publications)

Hoe kan dit nu?

De antwoorden waarmee mensen vaak snel en intuïtief op de proppen komen zijn zeker vindingrijk, maar vrijwel nooit sluitend. Ik werk deze en enkele andere hier uit. Mocht iemand nog een spitsvondig antwoord missen, dan hou ik mij aanbevolen!

Ne bis in idem?
Het beste niet-juiste antwoord is wellicht dat er sprake is van een ne bis in idem case, de Latijnse uitdrukking in het strafrecht voor het beginsel dat iemand niet twee keer voor hetzelfde feit kan terechtstaan en mag worden gestraft (art. 68 Sr.).

In dit geval zou het kunnen dat de schuldige persoon, laten we hem J. noemen, bijvoorbeeld 18 jaren geleden veroordeeld is voor moord, zonder dat er een lijk gevonden is. Wanneer J. vrijkomt en tot zijn verbazing de persoon die hij vermoord zou hebben levend aantreft, dan zou je verwachten dat hij deze man zou kunnen vermoorden, zonder dat hij daarvoor vervolgd kan worden. Men kan immers niet twee keer vervolgd worden voor hetzelfde feit, in dit geval een moord op één en dezelfde persoon.

Dat het heel goed mogelijk is dat iemand veroordeeld wordt voor moord, zonder dat er sprake is van een lijk bleek wel in maart 2014, toen de Hoge Raad een vonnis van het Hof bevestigde dat Arnhemmer Frans J. definitief tot bijna 18 jaar cel werd veroordeeld wegens de moord op de zwakbegaafde hobbyfotograaf Henk Peters.

In de praktijk is het echter onwaarschijnlijk dat de ne bis in idem regel ook werkelijk opgaat in dit geval en er toch niet gewoon sprake is van een nieuw opzichzelfstaand feit. Er zal dan weliswaar een gerechtelijke dwaling moeten worden toegegeven, maar deze moord zal gewoon leiden tot een nieuwe veroordeling. Het zou immers zeer vreemd zijn indien een gerechtelijke dwaling een vrijbrief voor een criminele activiteit zou betekenen.

Zie hier en hier en hier en hier en hier voor meer interessante kruimels omtrent Ne bis in idem.

Ontoerekeningsvatbaar?
Een andere aardige oplossing, die ik reeds zelf buiten de context van dit raadsel als beginnend filosoof in allerlei varianten al lang geleden formuleerde, bestaat erin dat een van de mannen inderdaad de moord heeft gepleegd, maar dit niet is toe te rekenen, zonder dat er een maatregel nodig is (TBS bijvoorbeeld). Kort gezegd handelde de man vanuit een waan die laten we aannemen volledig veroorzaakt werd door een tumor in zijn brein, die kort na de daad succesvol werd verwijderd, waardoor hij weer de ‘oude’ werd: een vriendelijke gezinsman zonder strafblad of enige neiging tot het kwaad. Je kunt hem niet behandelen en je kunt hem niet opsluiten, maar er is wel iemand gruwelijk om het leven gebracht.

Ook deze oplossing is echter ontoereikend, want het klopt technisch gezien natuurlijk niet met het raadsel: er is immers werkelijk sprake van schuld, en dit is een schulduitsluitingsgrond. Psychische Overmacht (art. 40 Sr.) Noodweerexces (art. 41 lid 2 Sr.) of geestesziekten als schizofrenie komen daarom eveneens niet in aanmerking als oplossing. Het gaat hier om een menselijke gedraging van iemand die uit vrije wil en bij zijn volle verstand een onschuldige ander van het leven heeft beroofd, maar desondanks moet worden vrijgelaten. Er is geen afwezigheid van alle schuld, hij handelde niet naïef of op goed vertrouwen van een meerdere. Het gaat hier gewoon om een 100% bewezenverklaarde moord.

Zie hier voor strafuitsluiting.

Abortus?
Op een creatieve manier zou dit als een oplossing kunnen gelden (net als euthanasie). Men zou kunnen zeggen dat de rechter een persoonlijke opvatting ventileert, en het vanuit zijn eigen ethische oogpunt als een moord beschouwt, daar waar de wet abortus niet ziet als moord. De hele jury overigens in ons geval komt dan tot het morele oordeel dat abortus moord is, waaraan dus een van de mannen schuldig is bevonden. De man heeft echter dan klaarblijkelijk gehandeld onder geldende wetgeving, en kan door de rechter daarom niet juridisch schuldig worden bevonden (maar hooguit dus moreel schuldig).

Het is echter uitgesloten dat een openbare aanklager zich zou laten leiden door strikt morele opvattingen, terwijl de wet overduidelijk ruimte biedt voor de betreffende handeling. Dat zou onzinnig zijn: het juridisch systeem is niet bedoeld om mensen die handelen binnen bestaande wetgeving moreel te veroordelen.

Zie hier en hier voor onsmakelijke details over een voor moord veroordeelde abortusarts. Zie hier voor een filosofische verhandeling over abortus.

Dieren?
We hebben al vastgesteld dat het hier gaat om de moord op een menselijk individu. Is het raadsel echter toch ook zo uit te leggen dat er een dier zou zijn vermoord? Taalkundig zou het kunnen. Van Dale spreekt over vermoorden als ‘gewelddadig van het leven beroven’. ‘Hij vermoorde een plant met een bijl’, zou dus kunnen, evenals ‘hij vermoorde die mug in koelen bloede’,  maar juridisch werkt het natuurlijk anders.

Iemand zal niet voor het ‘gewelddadig beroven van het leven van een plant’ worden vervolgd (hoewel we ook daar vast een uitzondering voor zouden weten te bedenken). Moord, in strafrechtelijke zin is iemand die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft. ‘Ander’ is hier natuurlijk bedoeld als ander menselijke wezen. Dieren worden gedood, niet vermoord. Daarbij, als we naar de Nederlandse wet kijken is dat sowieso een schimmenspel waar het gaat over het doden van dieren. Het doden van huisdieren, anders dan door een dierenarts of slager, mag in Nederland. Een dier mag er uiteraard geen pijn van ondervinden, maar zolang het zonder mishandeling gebeurt, is het niet strafbaar je kat de nek om te draaien of je eigen hond de keel door te snijden (zie hier en hier).

Geldt dat dan ook voor de dieren van een ander? Nee, uiteraard zul je wanneer je een dier doodt (dus niet vermoordt, dat bestaat juridisch dus niet) dat aan een ander toebehoort schuldig bevonden worden aan een misdrijf. Artikel 350 Sr. schrijft: Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, doodt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt.

Dus ook dit brengt nog geen oplossing voor ons raadsel….

Hypnose?
Hypnose is mij al vaak ter oren gekomen wanneer het zou gaan om de ideale moord. De hypnotiseur instrueert zijn subject met de juiste instructies, en laat het de moord uitvoeren. Er is eigenlijk een vrij levendige cultuurgemeenschap die geloof hecht aan deze mogelijkheid (zie hier), maar het is sterk de vraag of het mogelijk is om iemand zodanig te hersenspoelen dat hij in staat is een moord te plegen.

Daarbij zou het mogelijk zijn, is het de vraag of er sprake kan zijn van schuld aangezien ook hier hypnose zal gelden als schulduitsluitingsgrond (men handelde immers niet uit vrije wil en bij bewustzijn). Een filosofische variant van deze oplossing vinden we terug bij Harry Frankfurt en zijn gedachte experiment aangaande mr. Black.

Slaapwandelen
Van slaapwandelen is bekend dat er een hoop narigheid uit kan voortkomen. De activiteiten tijdens slaapwandelen zijn meestal onschuldig, zoals rechtop in bed zitten of door de kamer lopen, eten of schoonmaken. Soms kan een slaapwandelaar echter in zijn slaap overgaan tot handelingen die gevaar kunnen opleveren zoals het huis verlaten, fietsen of autorijden. Zelfs mishandeling, verkrachting of moord zijn mogelijk. Daarbij herinner ik deze vrijspraak voor poging tot moord tijdens slaapwandelen.

In de vele gevallen die ik doornam meent een rechtbank echter altijd dat de gewelddadige handelingen weliswaar zijn bewezen, maar het vervolgens de vraag is of deze opzettelijk zijn gepleegd. En het antwoord moet daarop luiden: ’nee’. ‘Voor het bewijs van de ten laste gelegde poging tot moord, subsidiair poging tot doodslag, dan wel meer subsidiair zware mishandeling, is opzet vereist hetgeen impliceert de aanwezigheid van een wilselement en een kenniselement in één van de gradaties die in de rechtspraktijk worden erkend. (hier)’ Het ontbreken van bewezen opzet kan dus ook geen oplossing zijn voor ons raadsel.

Zie hier en hier en hier voor drie interessante kruimels over deze materie.

Onschendbaarheid koning
Een oplossing die mij nadat ik alles opgeschreven had nog te binnen schoot, is dat de schuldig bevonden moordenaar heeft gehandeld onder het principe van onschendbaarheid. Laten we zeggen dat een van de mannen koning is, en hij een onschendbaarheid geniet. Dit betekent dat de koning volgens de Grondwet onschendbaar is en dat houdt in dat de ministers en parlement verantwoordelijk voor hem zijn, voor wat hij zegt én doet. Onze parlementaire geschiedenis kent tal van affaires waarbij er sprake zou kunnen zijn van strafbaar gedrag, maar waarbij er niet overgegaan is tot vervolging (denk bijvoorbeeld aan prins Bernard en de Lockheed affaire).

Zou dit dan betekenen dat hij een moord kan begaan zonder dat hij daarvoor gestraft kan worden? Dat is een hele complexe vraag. Bij een ernstig vergrijp biedt de grondwet de ruimte om de Koning buiten het gezag te plaatsen. De Eerste en Tweede Kamer moeten daar dan wel mee in stemmen, maar dat is nogal paradoxaal. Het is waarschijnlijker dat wanneer de Koning verdacht wordt van een ernstig strafbaar feit als moord, allereerst de Hoge Raad een uitspraak zal doen hoe al die begrippen moeten worden uitgelegd, en wat dus de precieze betekenis is van zoiets als onschendbaarheid, ministeriële verantwoordelijkheid, immuniteit etc.. Op basis daarvan zal een beslissing worden genomen. Ik acht de mogelijkheid groot hij toch veroordeeld wordt, gelijk op basis van een redenering zoals we die na de Tweede Wereld oorlog zagen toen een burger zich beriep op een wet die de nazi’s hadden ingesteld vlak voor het einde van de oorlog die het doodschieten van burgers legitimeerde. De rechter was echter van mening dat burgers een plicht hebben om naar de redelijkheid van een wet te kijken, en in dit geval kon er geen sprake van zijn dat het binnen de redelijkheid lag deze wet op te volgen.

Ik moet zeggen dat deze oplossing alles in zich heeft om als acceptabel door te gaan, mits het OM besluit om wel te vervolgen om er zo een proefproces van te maken. De kans op een veroordeling met gevangenisstraf/ballingschap blijft echter aanzienlijk. Is er niet nog een betere oplossing?

Wat dan wel?
Niet een generaal pardon vanuit overheidswege. Ook niet een gedetailleerde schuldbekentenis met alle details over het motief en de toedracht onder de voorwaarde (deal met het OM) dat de straf niet hoger wordt dan de tijd gezeten in voorarrest. De schuldige pleegde ook niet vlak voor de uitspraak van de rechter zelfmoord (dan is er van vrijlaten uiteraard geen sprake).

Nee, de enige oplossing die voor dit juridische raadsel sluitend lijkt, is nogal een bizarre, maar daarmee niet onmogelijke. Hoewel je aanvankelijk het idee hebt dat je erin bent geluisd, zoals dat meestal met flauwe raadsels het geval is, is daar in deze casus bij nadere verkenning toch geen sprake van, en is het ook geen flauw raadsel. Waarom moest de rechter namelijk de schuldig bevonden man toch als een vrij man laten gaan?

Omdat de verdachte mannen namelijk een Siamese tweeling waren, waarvan de een volledig onschuldig, de ander volledig schuldig. Iemand zou nog snel te berde kunnen brengen dat de ander wel degelijk medeplichtig is omdat hij zijn broer niet zou hebben tegengehouden. Het vergt echter niet veel fantasie om je voor te stellen dat dit in veel gevallen onmogelijk is. Ook het argument dat de ander medeplichtig zou zijn, omdat hij er vanaf zou moeten weten, kan met weinig fantasie worden ontkracht. Daarbij zijn ook allerlei scenario’s mogelijk over de mobiele verhoudingen van de Siamese tweeling, waarbij de moordenaar bijvoorbeeld mobieler is (dominanter is in de mogelijkheden tot het voortbewegen van zijn lichaam) dan de onschuldige.

De interessante vraag die dan overigens opspeelt is of de mate van mobiliteit een rol speelt bij veroordeling. Stel dat “de tweede geest” aan het lichaam, weinig mogelijkheden heeft zich zelfstandig te bewegen, is dat dan een reden voor gevangenisstraf? In onze casus nemen we voor nu echter gelijke mobiliteit aan, die slechts door gebrek aan samenwerking niet functioneert.

De rechter moest de man dus wel vrijspreken. De wet stelt immers dat het onwettig is om een onschuldig persoon op te sluiten, immers, de moordenaar opsluiten zou wederrechtelijke vrijheidsberoving van de andere helft van de tweeling betekenen. Er zal ongetwijfeld een straf volgen (er is immers schuld!), maar die straf zal dan niet bestaan uit gevangenhouding, maar waarschijnlijk uit een forse geldboete (treft dat de onschuldige niet onevenredig?).

In Nederland geldt voor moord een geldboete van vijfde categorie (wat neerkomt op maximaal € 81.000 (Per 1 januari 2014)). Daarentegen kan de overheid echter de onschuldige helft van de tweeling moeilijk beschermen (“ik wil niks met deze moordenaar te maken hebben!”), tegen zijn moordende broer, anders dan te komen tot permanent toezicht.

Een wettelijk afgedwongen scheiding is ook nog een theoretische mogelijkheid (als de wet daar überhaupt in zou kunnen voorzien, wat ik betwijfel aangezien ik er niets over kan vinden), maar vaak levert dit allerlei bezwaren op voor de gezondheid en mobiliteit. Van gedwongen scheiding kan mijn inziens echter alleen sprake zijn in beginsel op medische gronden, wanneer dit het leven van de een of de ander zou redden in plaats van dat ze beide zullen sterven.

Tenslotte loopt dit raadsel vooral aan tegen gebrek aan jurisprudentie. Er is zover bekend geen enkele Siamese tweeling geweest waarvan de ene helft een moord heeft gepleegd. In Nederland is er zelfs ooit maar één Siamese tweeling geweest en volgens internationale schattingen (hier) is slechts 0,0005% van alle geboorten een Siamese tweeling, waarvan de kans op volwassenheid nog veel kleiner is.

Er zijn sowieso nauwelijks gedocumenteerde veroordelingen te vinden. Chang en Eng Bunker schijnen ooit een handgemeen gehad te hebben met een dokter, maar daarvoor volgde geen veroordeling. Lucio en Simplicio Godina waren ooit betrokken bij een auto-ongeluk omdat Lucio had leren autorijden zonder hulp van Simplicio. De rechter sprak beiden vrij. (Zie hier voor een prachtig stukje nadere toelichting omtrent deze casus).

Bonusvraag: Zou je naar analogie een zwangere vrouw om deze redenen niet mogen opsluiten?

Mag je je stervende partner verlaten?

Mag je je stervende partner verlaten?
Tussen moreel heldendom en realistisch falen

Enkele beschouwingen bij een ethisch handelen

Mag je je stervende partner verlaten

Fragment uit het AD

Vrijdag 30 mei verschijnt het boek Naupaka van Lideweij Bosman waarin ze probeert uit te leggen waarom ze haar stervende man Sander met wie ze dertien jaren samen was in de steek liet. Buiten een beperkt aantal nuanceringen wordt op sociale media geen spaan van deze vrouw heel gelaten. Veel reacties concentreren zich op de promotie van het boek (moet je op deze manier een boek willen verkopen) en natuurlijk op het verlaten van haar man zelf. Twee weken voor zijn dood vertrok ze namelijk naar Hawaï en kwam ze ondanks zijn verzoek toen hij wist dat hij ging sterven niet terug.

Hoewel we wat betreft de inhoudelijke verantwoording het boek zelf moeten afwachten, staat ons niets in de weg om de titelvraag nader te bespreken in het licht van haar opmerkingen en verantwoording in diverse media. Toegegeven: op basis van het relaas dat ze geeft in onder andere het Algemeen Dagblad, komt ze niet onder een stringent egoïsme uit. Het is dan ook de vraag of daar überhaupt aan te ontsnappen is en of we een manier kunnen vinden om dit toch te begrijpen.

‘Heeft u een wegwijzer wel eens de weg zien gaan die hij wijst’?
Alvorens we nader ingaan op de moeilijkheden die samenhangen met de vraag, is het van belang te begrijpen dat een theoretische beschouwing ten aanzien van een praktische moraal twee wezenlijk verschillende zaken zijn. Veel (vluchtige sociale media-) kritiek die wordt geleverd op een praktisch handelen, veronderstelt dat we in een soortgelijke situatie zelf naar onze kritiek zouden handelen (‘practice what you preach’). Maar het probleem is echter dat we de soortgelijke situatie alleen maar theoretisch kunnen beantwoorden. Met andere woorden, weten we ook daadwerkelijk of wij wanneer onze geliefde jarenlang aftakelt door kanker in staat zijn om hem of haar niet te verlaten?

We zijn waarschijnlijk terecht geneigd om te denken dat we moeten handelen naar onze ethische opvattingen, maar dat is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Ik geloof namelijk dat het wezenlijk onmogelijk is ons voor te stellen hoe wij precies zullen handelen in zeer complexe sociaal-emotionele situaties.

Desondanks betekent dit niet dat we niet beschouwend of kritisch mogen zijn op iemand die er volgens ons een bedenkelijke praktische moraal op na houdt. Daarbij is echter een voorbehoud op zijn plaats waarbij we ons in ieder geval ervan moeten overtuigen dat iemand daadwerkelijk kan bezwijken onder een ethische eis (in dit geval: “een stervende geliefde laat je nooit achter”). Dit zal ook een kern blijken van mijn stellingname ten aanzien van de vraag:

Mag je je stervende partner verlaten?
Het betreft hier een normatief ethische vraagstelling, die anders gezegd vraagt of het goed is om een stervend iemand achter te laten. Ik ga ervan uit dat we geneigd zijn om op voorhand in te stemmen met de stelling ‘het is beter om een geliefde nabij te zijn wanneer hij sterft, dan om hem te verlaten’. Over waarom deze stelling (mij) vanzelfsprekend lijkt, ga ik hier niet nader in. Mocht de stelling voor de lezer niet als vanzelfsprekend worden opgevat op voorhand, dan verneem ik daarover graag een uiteenzetting.

Wanneer iemand er nu voor kiest om een stervende geliefde achter te laten, ontstaan er op basis van bovenstaande stelling relevante vragen. Is het denkbaar dat zo iets ook goed kan zijn? Is zo iets mogelijk te verantwoorden? Wanneer bijvoorbeeld iemand zegt ‘ik heb mijn stervende moeder achtergelaten terwijl ze naar me vroeg’, dan eisen wij intuïtief een zeer sterke verklaring. Het probleem is echter dat iedere mogelijk denkbare verklaring strandt in egoïsme, en we op grond van dat egoïsme nooit geneigd zullen zijn om die verantwoording te accepteren.

Wanneer er immers sprake is van een liefdevolle situatie en het de wens is van de stervende om hem of haar nabij te zijn (zoals in het geval van Lideweij Bosman) is het paradoxaal om geen gehoor te geven aan die wens en te kiezen voor jezelf. Een geliefde laat je juist in een beslissend ogenblik nooit in de steek is dan de redenering.

Bosman stelt in het AD: ‘Sander vond het ook niet leuk dat ik niet terugkwam, maar hij respecteerde mijn besluit. Hij wilde dat ik een nieuwe start maakte.’ Ongetwijfeld respecteerde hij haar besluit. Maar hij zou ook vredig willen sterven en juist vanuit altruïsme haar niet in zijn laatste uren willen confronteren met haar egoïsme. Niemand wil bovendien gekrenkt en verbitterd sterven. En wat betreft ‘een nieuwe start maken’, het is moeilijk voor te stellen dat het maken van een nieuwe start onverenigbaar is met het gehoor geven aan een wens van een stervende om nabij te zijn.

Dat Bosman gewag maakt van de immens grote (psychologische) druk die op haar lag en dat aanvoert als voornaamste reden van haar handelen, is voorstelbaar, maar niet per se begrijpelijk of acceptabel. Het gaat namelijk om één laatste moment. Er is misschien afscheid genomen van de relatie, maar dat is nog geen duidelijke reden om daarmee het laatste levende moment aan je voorbij te laten gaan. Het is inderdaad verschrikkelijk als door een ziekte je wordt meegesleurd door je grote liefde, en daar kun je en moet je op momenten afstand van nemen – maar in het laatste moment doet iemand afstand van het leven zelf. Dat zijn twee verschillende dingen die hier door elkaar lopen en het handelen van Bosman onbegrijpelijker maken.

Kunnen we accepteren dat iemand egoïstisch handelt?
Het lijkt mij onmogelijk dat Bosmans relaas ethisch verantwoord overeind kan blijven; dat moet ze ook niet proberen. Ik kan me ook niet voorstellen dat dat haar doel is, al heeft ze de schijn tegen. Als ze dat al doet lijkt me dat een vorm van cognitieve dissonantie.

Ze moet juist erkennen dat ze ethisch heeft gefaald. Want dat is uiteindelijk helemaal niet erg. Als we namelijk de volgende stelregel accepteren, wordt het duidelijk dat een persoon niet per se als moreel persoon moet worden afgeschreven. Want:

Iemand die egoïstisch handelt, doet dit niet per definitie omdat hij egoïstisch wil zijn.

Dat klinkt dan als volgt, als we een denkbeeldige Lideweij horen spreken: ‘Ik kon zijn wanhoop niet meer aanzien. Ik heb voor mezelf gekozen omdat ik die strenge ethische eis niet langer kon dragen. Ik zou hem hebben willen dragen, maar ik bleek er simpelweg niet toe in staat te zijn. Ik ben daar eerlijk over. Ik ben bezweken onder de verwachting die iemand van mij als mens zou mogen hebben. Ik had dat nooit gedacht en ik heb dat nooit voorzien. Toen iemand mij jaren geleden vroeg: ‘Zou jij je stervende geliefde ooit verlaten?’, antwoordde ik in alle oprechtheid: ‘natuurlijk niet!’ Maar ik was toen volkomen in balans. Ik kreeg  echter een enorme duw, en het bleek onmogelijk om mijn evenwicht te bewaren: ik moest vallen om weer terug te komen in evenwicht.’

Het is dus naar mijn opvatting mogelijk dat iemand ondanks de beste bedoelingen op voorhand, waarbij hij instemt met een ethische eis, in de praktijk ontdekt dat hij niet in staat is om deze te houden. Het is daarbij nog steeds de wens om uiteindelijk te voldoen aan de ethische eis, maar praktisch gezien is hij gewoon bezweken onder de verwachtingen die men van hem zou mogen hebben. In het geval van Bosman ben ik ervan overtuigd dat ze uiteindelijk haar gedrag niet wil willen of kan willen, en dat ze door de praktische ervaring nu beter opgewassen is tegen de ethische eisen die worden gesteld in de situatie waarin ze terecht is gekomen. Met andere woorden, wanneer zich dit in haar leven nog een keer voor zou doen (wat we haar niet gunnen), is ze inhoudelijk wel in staat praktisch te doen wat de theoretische eis verlangt (namelijk: een stervende geliefde niet te verlaten).

Ethisch heldendom is in onze maatschappij een uitgangspunt van de twitterende massa en begrippen als ‘onvoorwaardelijke liefde’ en ‘standvastige belofte’ worden daarin gebezigd alsof het eenvoudige zaken zijn. Daarmee is niet gezegd dat we niet ethisch moeten zijn, niet onze beloften in stand moeten houden of dat er geen morele plichten zijn. Integendeel. Een ethisch leven blijft op voorhand altijd een uitgangspunt en een streven. Wanneer iemand echter redelijkerwijs er alles aan gedaan heeft om ethisch te handelen, en dan toch is bezweken kan er weinig ruimte zijn voor verwijten. Wat dat aangaat moeten we er vertrouwen in koesteren dat wanneer het op leven en dood aankomt, geen mens werkelijk voor zichzelf wil kiezen.

Lees hier het artikel in het AD

Lees hier de blog van Sanders broer

Willen wat ik niet wil: de filosofie vs Boko Harams bekeringsfundamentalisme

De islamitische groep Boko Haram beheerst al enige tijd het wereldnieuws met de ontvoering van 276 christelijke meisjes. Gisteren verscheen een video waarin we de meisjes in islamitische gewaden Arabische gebeden zien prevelen. Volgens ene Abubakar Shekau zouden alle christelijke meisjes zich bekeerd hebben tot de islam, waaraan hij nog toevoegde:

“Meisjes die zich niet bekeren, zullen we behandelen zoals de profeet dat doet, namelijk als ongelovigen die het niet verdienen om te worden vrijgelaten.”

Oftewel, we ontvoeren je, dreigen je te verkopen als seksslaaf op de markt, ontnemen je alle vrijheid – en dat onder dreiging van wapens. En warempel, een paar weken later zijn honderden meisjes bekeert tot een vorm van de islam.

Dan is het de vraag wat ons meer ergert: de onzin die zo iemand uitkraamt in volle overtuiging, of het feit dat dit 400 jaar na verlost te zijn van de middeleeuwen überhaupt nog voorkomt. Want gek genoeg werden soortgelijke argumenten geregeld in de middeleeuwen gebruikt om ketters te dwingen zich te bekeren tot het christendom. Dat dit zinloos is geweest en tot niets heeft geleid, is misschien wel het best gedocumenteerde verhaal van die tijd.

Iemand die een zeer belangrijk fundament heeft gelegd voor religieuze tolerantie is John Locke (1632 – 1704) met zijn in 1689 anoniem gepubliceerde Letters Concerning Toleration (Een brief over tolerantie, 2004, Damon). Hoewel voor Locke al door diverse filosofen aangetoond was dat geloven zich niet met dwang laat verenigen, liet Locke zien dat gewetensvrijheid ook godsdienstvrijheid veronderstelt. Zijn brief was een voorbode voor de moderne scheiding van kerk en staat, maar past in de kern in iedere hedendaagse discussie over vrijheid en geloof.

Locke in gesprek met de voorman van Boko Haram
Als we Locke nu denkbeeldig in gesprek laten gaan met Abubakar Shekau, dan spreekt Locke als volgt:

John Locke: ‘Mij wordt nergens duidelijk dat God aan mensen een autoriteit heeft toegekend waarmee ze hun medemensen kunnen dwingen om tot een vreemde religie over te gaan. Ieder mens is zelf verantwoordelijk voor zijn zielenheil. Het is volstrekt nutteloos om een geloofsovertuiging af te dwingen. Dwang brengt namelijk hypocrisie voort, geen geloof. Faith is no faith without sincere believing.’

‘Het heeft niet zoveel zin om een vrouw onder dreiging van een geweer te laten uitschreeuwen dat ze van u houdt (zelfs niet als ze dit in het Arabisch doet), terwijl ze toen dat geweer afwezig was u keer op keer vriendelijk heeft afgewezen. Het verbaast me dan nog meer dat u er vervolgens toch verheugd over bent dat ze heeft geroepen dat ze van u houdt. Het vereist toch zeer minimale intelligentie om in te zien dat men zichzelf dan op een clowneske manier voor de gek houdt!’

‘Denkt u verder niet dat een God er sowieso doorheen prikt als iemand zegt oprecht te geloven terwijl dat enkel beleden wordt om zo lichamelijke en geestelijke straffen te ontlopen? Lichamelijke en geestelijke straffen die u ze zojuist in het vooruitzicht heeft gesteld?’

‘Nee, wanneer iemand zich wil overgeven aan een bepaald dogma of een bepaalde eredienst, dan moet hij in het diepst van zijn ziel geloven dat dit dogma waar is en dat deze eredienst voor God aanvaard wordt als oprecht. Geen straf ter wereld kan de ziel ook maar in het minst van zo’n overtuiging doordrenken. Om een gezindheid van de ziel te veranderen is een licht nodig dat door geen enkele wereldse bedreiging bewerkstelligd kan worden!’

‘En daarbij: als het u niet om macht op aarde zou gaan -waar ik overigens niet van overtuigd ben-, waarom toont u dan geen enkel vertrouwen in de toorn of wijsheid van uw God? Als ik uw religie goed begrijp, dan straft uw God de ongelovigen uiteindelijk toch wel – dus vanwaar die drukte tegen ongevaarlijke meisjes?’

Abubakar Shekau: ‘Naïeve man! Zie je dit geweer? Ik eis dat je bekent dat bovenstaande argumenten van de duivel komen en het duivelse onderwijs dat je hebt genoten! En ik eis daarbij ook dat je dat oprecht meent. Anders schiet ik je overhoop, want ik geloof niet dat we als slaaf heel veel aan jou hebben.’

Locke: (…)

Iemand dwingen oprecht te zijn/ jezelf bewegen oprecht te zijn
John Locke doet er maar beter het zwijgen toe, maar gelukkig buigen ook hedendaagse filosofen zich nog steeds over het probleem hoe er een relatie kan zijn tussen dwang en oprechtheid. Misschien zit daar nog wat overredingskracht. In 1983 ontwikkelde Gregory S. Kavka een gedachte-experiment wat bekent staat als ‘The Toxin Puzzle’ (Analysis, 43 (1): 33–36). Het gaat ongeveer als volgt:

Een wat gekke miljardair geeft je een flesje met vergif. Wanneer je het drinkt, wordt je voor een dag erg ziek, maar het heeft geen blijvende gevolgen. De miljardair betaalt je een miljoen euro morgenochtend als je deze nacht van plan bent om het gif morgenmiddag te drinken.

Hij benadrukt dat je het gif niet hoeft te drinken om het geld te ontvangen; in feite zal het geld al op je bankrekening staan voor het tijdstip dat het op drinken aankomt, als het je lukt het gif te willen drinken. Het enige wat je hoeft te doen is van plan te zijn om middernacht het spul morgenmiddag te drinken. Je bent dus volkomen vrij om je gedachten te veranderen na het ontvangen van het geld en het gif te laten staan.

Dit lijkt op de puzzel die de arme meisjes in Nigeria voor zich zien. Kun je van plan zijn om het gif te drinken als je ook van plan bent om je geestesgesteldheid op een later tijdstip te wijzigen? Kun je van plan zijn om je te bekeren tot de islam, wanneer je weet dat zodra de dreiging weg is je weer overgaat tot het christendom of iets anders? Stel dat iemand van Boko zou zeggen: ‘als je vandaag van plan bent om je morgenavond te bekeren, dan laten we je morgen vroeg gaan.’ Zou dat dan werken?

Kavka stelt dat het onmogelijk is iets van plan te zijn wat men uiteindelijk niet zal doen. Een rationeel persoon zou immers weten dat het drinken van het gif niet in zijn voordeel is, dus hij weet al dat hij het daarom niet zal doen; hoe is het dan mogelijk het op dat moment te willen (voor het geld) en tegelijkertijd weten dat je het toch niet gaat doen (want het geld is er dan al)?

Het lijkt dus pech voor de meiden, dat ze in een dergelijke paradox belanden. Bovendien, en dat is een verschil: Boko verwacht dat je nooit je gedachten zult veranderen, en de bekering niet alleen uitspreekt, maar ook in vrijheid volhoud. Ze hebben immers voorgesteld je vrijheid terug te geven, zodra je oprecht bent in je bekering.

In Assure and Threaten (Ethics, Vol. 104, No. 4 (Jul., 1994), pp. 690-721) bespreekt de Canadese filosoof David Gauthier intensief de problematiek zoals hier opgeworpen, waarbij hij probeert Kavka’s puzzel te kraken (voor zover ik het begrijp) door te stellen dat je in plaats van één, twee intenties moet ontwikkelen: de eerste intentie die verwijst naar in ons geval het bekeren tot de islam, en de tweede intentie om niet op een later tijdstip je gedachten te veranderen. Dat zou op het moment zelf moeten werken.

Natuurlijk is oprechtheid niet goed te meten (en dat maakt de hele praktische zaak natuurlijk ridicuul), maar laten we aannemen dat dit mogelijk is, dan zouden volgens Gauthier als de meiden op deze manier beantwoorden aan het bekeringsprobleem de Boko’s moeten zien dat er sprake is van oprechtheid.

Maar stel dat de Boko’s niet voor één gat te vangen zijn en toevallig Gauthier hebben bestudeerd, en ze doorhebben wat er gebeurt: ‘wat jullie namelijk werkelijk gaan doen’, zo zeggen ze tegen de meisjes, ‘is van gedachten veranderen over je tweede intentie. De eerste intentie namelijk, dat je van plan bent om bekeerd te blijven tot de islam, die wordt gevolgd door de intentie daarover je gedachten niet te veranderen, wordt namelijk gevolgd door de opvatting dat je op een later tijdstip je gedachte kunt veranderen over je tweede intentie.’

‘Wat wij dus van je verlangen is een derde intentie: namelijk de intentie dat je niet je gedachten verandert over je tweede intentie en daarmee oprecht tot de islam bekeert blijft, anders komen we je weer halen. Dat laatste kun je als verstandig meisje nooit willen, dus het is in je eigen belang dat je je houdt aan je bekering.’

Dat laatste is een uiteindelijke oplossing die Gauthier ook lijkt aan te reiken, maar de goede verstaander zal ontdekken dat dit uiteindelijk een oneindig aantal intenties zou vergen. Met andere woorden: er is geen enkele mogelijkheid oprecht te geloven of te willen, wat je op enig later moment zonder dreiging of beloning nooit kunt willen. Er zit voor de meisjes dus niets anders op dan zich daadwerkelijk te bekeren, maar zoals we juist hebben gezien bij Locke is dat onder dwang schier onmogelijk – en komen ze bij hun vrijlating hoe dan ook in de verleiding de bekering op te heffen.

Want veronderstel tenslotte dat iemand een geweer tegen je hoofd houdt en zegt: ‘geloof dat de aarde plat is, anders verhandel ik je als slaaf!’, dan kunnen we dat wel voorwenden, maar we zouden dat toch niet werkelijk kunnen geloven, zelfs als ons leven ervan af zou hangen? Misschien kunnen we het ons niet voorstellen, omdat de concrete dreiging ontbreekt, maar als gedachte-experiment is er geen werkelijkheid waarin ik mij kan voorstellen dat ik onder dreiging zou kunnen geloven dat de aarde daadwerkelijk plat is. We lijken niet het vermogen te bezitten om met opzet iets te geloven, als dat van ons geëist wordt en we op goede gronden van het tegendeel overtuigd zijn.

Dat de hele bekeringsactie  van Boko Haram en alle dwaasheid eromheen dus vooral is gebaseerd op idiote opvattingen is wellicht voor eenieder met gezond verstand allang duidelijk, maar de filosofie wrijft het ze ook nog eens goed in. Daar hebben de meiden helaas niet zoveel aan – voor hun lot kunnen we slechts gedreven door oprechtheid hopen of bidden dat het ze goed mag gaan.

De opmerkelijke dood van Simone: een rechtsfilosofische puzzel

De opmerkelijke dood van Simone: een rechtsfilosofische puzzel

De volgende oefening is uitermate geschikt om na te denken over basale concepten betreffende ‘schuld’, ‘intentie’, ‘verantwoordelijkheid’, ‘causaliteit’ en ‘moraal’ en leent zich goed als casus voorafgaand op diepere bestudering van de materie.

De casus: wie is de moordenaar?
Te midden van de Grote Zandwoestijn bevinden zich een vrouw en twee mannen. Simone, Herbert en Ronald. Met elk een watervoorraad van een week wachten ze op redding uit het gebied, die nog 7 dagen op zich laat wachten. Herbert heeft echter een gruwelijke hekel aan Simone, en wil niet dat zij wordt gered. Die nacht sluipt Herbert naar de tent van Simone en vergiftigt haar watertank met slangengif. Los van Herbert, heeft ook Ronald het op Simone gemunt. Ook hij sluipt die nacht naar haar tent en boort een klein gaatje in haar watertank (zonder dat hij beseft dat het water al vergiftigd is door Herbert), waardoor de tank is leeg gelopen voordat Simone wakker wordt. Als gevolg daarvan sterft Simone enkele dagen later aan uitdrogingsverschijnselen.

Beide mannen worden enkele dagen later gered, maar het reddingsteam vermoedt opzet in de dood van Simone en onderzoekt de zaak waarbij ze tot de conclusie komt dat er zowel gif zat in haar water, als dat de tank was gesaboteerd.

De vraag is echter: wie heeft de dood van Simone op zijn geweten, Herbert of Ronald? (Vrij naar: Smullyan, R.M. (1978). ‘What’s the name of this book?’)

Een eerste blik
Wanneer we intuïtief naar de casus kijken, dan ligt Ronald voor de hand, omdat Simone nooit het vergiftigde water heeft gedronken. Met andere woorden, Simone zou zelfs als Herbert het gif niet in het water had gedaan zijn overleden door het toedoen van Ronald.

Aan de andere kant echter, ligt ook Herbert voor de hand als moordenaar. Want het feit dat Ronald een gat heeft geboord in de tank, is volstrekt irrelevant: het water was immers al vergiftigd en of Ronald nu wel of geen gat zou hebben geboord, Simone was al ten dode opgeschreven op het moment dat het water vergiftigd was door Herbert.

Welke argumentatie is nu het sterkst?

Een nadere blik I
De casus laat me denken aan het probleem wat er gebeurt wanneer een niet te stoppen kracht botst tegen een onverplaatsbaar object. De oplossing is dan flauw: er kan geen werkelijkheid bestaan waarin beide krachten gelijktijdig existeren. Ook hier lijken beide argumentaties elkaar op te heffen, met dit verschil dat ze logischerwijs wel naast elkaar kunnen bestaan. We zullen dus moeten kijken naar onze eigen achterliggende opvattingen, hoe we tot een oplossing zouden kunnen komen. Het ligt niet voor de hand dat er één juiste oplossing bestaat. De oplossing is dus afhankelijk van het rechtssysteem (wat te denken van juryrechtspraak in deze), de achterliggende filosofische principes en de invulling van aanverwante relevante begrippen.

Om aan het dilemma te ontsnappen, zou er kunnen worden gekozen voor een tussenoplossing: beiden zijn schuldig aan moord op Simone. Beide mannen hadden immers dezelfde kwade intentie en wie het principe aanhangt dat iemand onafhankelijk van het causale verband (dat bijvoorbeeld door geluk of toeval tot stand komt) daarom straf verdient, heeft de oplossing gevonden. Herbert mag namelijk niet straffeloos ermee wegkomen omdat hij het geluk had dat Ronald een gat boorde, en Ronald mag niet straffeloos wegkomen omdat hij het geluk had dat Herbert het water toch al vergiftigd had (zie ook: Wil, toeval en straf: een korte studie binnen het materiële strafrecht.)

Het probleem is echter dat er geen rechtssysteem is dat primair zo functioneert. Het recht is niet primair gebaseerd op ethische grondslagen. Het is bijvoorbeeld onethisch om een kind dat bedelt voor voedsel te negeren, maar het is juridisch legaal. In ons geval zouden we namelijk een moreel oordeel (beide mannen zijn slecht) verwarren met een juridisch oordeel (wie is verantwoordelijk voor de dood op Simone). In de praktijk halen we zulke zaken (ethiek en recht) nog wel eens door elkaar, omdat ons gevoel zegt dat iemand die een bijzonder slechte bedoeling heeft, daar niet mee weg mag komen (en helemaal niet wanneer hij toevalligerwijs de mazzel had dat iets of iemand anders dan deze slechte bedoeling heeft geleid tot het door hem gewenste effect. Vgl ook.: De Zaak A. )

Intermezzo I: de ‘Nijmeegse scooterzaak’
Vergelijk dit bijvoorbeeld ook eens met de zogenaamde ‘Nijmeegse scooterzaak’. Dit gaat weliswaar over medeplegen, maar we voelen een gelijkwaardig dilemma waar het aankomt op straf in relatie tot het plegen.

Op 15 januari 2010 zijn twee mannen op de vlucht voor de politie met hun scooter. Het duo was met hoge snelheid op de vlucht voor de politie, die hun plan om een hotel te overvallen had doorzien. Tijdens deze vlucht rijden ze een Arnhemmer dood die op een zebrapad in Nijmegen loopt.

In eerste aanleg krijgen ze 8 jaar (bestuurder) en 16 maanden (man achterop) cel voor hun dollemansrit.

Het gerechtshof spreekt ze in hoger beroep (mei 2012) echter vrij: volgens het hof is het niet duidelijk geworden wie de scooter bestuurde, omdat ze naar elkaar blijven verwijzen (een op zichzelf interessante juridische verdedigingstruc, die laat denken aan het prisoner’s dilemma). Op grond daarvan kan niet een iemand een hogere straf worden toebedeeld. Dan zou in theorie immers degene die niet heeft bestuurd acht jaren kunnen krijgen en dat is juridisch onwenselijk.

In cassatie (december 2013) stelt de Hoge Raad echter dat de zaak over moet en verwijst deze terug naar het hof in ’s-Hertogenbosch. Die inhoudelijke behandeling moet op dit moment nog plaatsvinden, maar de uitkomst daarvan zal ongetwijfeld een nieuwe standaard verschaffen over hoe we moeten nadenken over schuld en straf, wanneer het onduidelijk is wie primair verantwoordelijk is voor het uiteindelijke effect (wanneer beide wel gelijktijdig hetzelfde effect wensten).

Natuurlijk hebben deze beide criminelen het effect van hun handelen (de dood van de Arnhemmer) niet gewenst, zoals Herbert en Ronald het effect van hun handelen wel hebben gewenst en in de scooterzaak gaat het hier vooral over medeplegen. Het recht worstelt echter zichtbaar met de vraag in hoeverre iemand straf verdient, als niet is komen vast te staan dat hij degene is geweest die direct verantwoordelijk is geweest voor het effect (we kunnen immers niet willen dat een onschuldig iemand gestraft wordt), en in dat perspectief is het fenomeen interessant voor onze casus. Ook hier zien we duidelijk dat een stevige dubbele veroordeling door het publiek wenselijk wordt gevonden (beide mannen verdienen flinke straf en geen vrijspraak) terwijl juristen op zoek zijn naar een objectief onderscheid en rechtvaardiging voor de mate van straf.

Het hof in Arnhem motiveerde haar vrijspraak op grond van de opvatting dat de bijrijder van de scooter niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het rijgedrag van de bestuurder en de fatale gevolgen daarvan, terwijl het misschien wel de vraag is of er sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet van beide mannen: in hoeverre heeft de een en de ander niet van tevoren kunnen voorzien dat ongeacht wie reed dit een redelijkerwijs te verwachten effect is geweest. Heeft immers de bijrijder het niet in zijn macht gehad de vluchtpoging te staken, maar deed hij dit niet omdat hij deze even graag als de rijder zelf wilde uitvoeren, omdat hij immers net zo goed aan de politie wilde ontsnappen om daarmee zijn straf te ontlopen voor de poging tot overval van het hotel? Het lijkt er in ieder geval op dat het gerechtshof straks toch tot een soort salomonsoordeel gaat komen, misschien wel door wat juridisch gegoochel (het recht moet objectief blijven) om daarmee het publiek dat hecht aan de subjectieve benadering tegemoet te komen.

Inzake medeplegen nog dit: bedenk ook eens wat de situatie zou kunnen zijn als Herbert en Ronald wel van elkaar weten dat ze allebei Simone dood willen. Om niets aan het toeval over te laten doet Herbert eerst gif in het water (voor het geval Simone wil drinken voor de tank leeg is) en boort Ronald daarna een klein gat in de tank (voor het geval het gif niet werkt). Simone wordt wakker en ziet een lege tank: als gevolg daarvan sterft ze enkele dagen later aan uitdrogingsverschijnselen.

Een nadere blik II
Als we niet aan het dilemma proberen te ontsnappen door ze allebei een straf te geven, rest ons niets anders dan te kijken naar welke verdediging zowel Herbert als Ronald zouden voeren voor de rechtbank.

Laten we ons voorstellen dat we de verdediging voeren voor Ronald, degene die een gat heeft geboord in de watertank van Simone. Het verwijderen van vergiftigd water kan onmogelijk worden beschouwd als het vermoorden van iemand. Sterker nog, doordat Ronald het vergiftigde water heeft weg laten lekken, heeft Simone nog een aantal dagen geleefd. Had ze het vergiftigde water gedronken, dan was ze vrijwel onmiddellijk gestorven. Ook al wist Ronald er niets van (maar een verdediging zal ongetwijfeld aansturen op het feit dat hij dit wel wist…en wat dan?), hij heeft feitelijk haar leven verlengd, in plaats van dat hij haar heeft vermoord.

Verdedigen we echter Herbert, degene die het gif in het water deed, dan zal het sterkste argument wat we kunnen aandragen zijn dat hij nooit veroordeeld kan worden voor moord, aangezien er geen enkel verband is tussen de dood van Simone en zijn handelen. Met andere woorden, het ontbreekt aan causaliteit om hem als moordenaar aan te merken. Hij had het gif net zo goed in haar beker kunnen doen. Zonder water had ze daar ook nooit uit gedronken. Als Herbert een dag later gemerkt had dat er geen water voorhanden was voor Simone, had hij het gif uit haar beker verwijderd. Er is dan zelfs ook maar hooguit een poging tot moord geweest…’maar Herbert kwam tijdig tot inkeer’…

Intermezzo II: poging
Een poging laat zich eenvoudig omschrijven. Het is een inspanning, een ‘trachten’. Het is een streven gericht op een doel. Poging en bedoeling zijn dan ook nadrukkelijk met elkaar verbonden. Wanneer ik iets poog, heb ik een bedoeling. En met bedoeling is het begrip ‘intentie’ verbonden, waarmee ‘verantwoordelijkheid’ een rol gaat spelen. Er is dus al met al een sterke relatie tussen denken, willen, voornemen en handelen, wanneer we over poging spreken.

Ligt de oplossing van ons probleem dan niet in het feit dat ze het allebei hebben gepoogd (weer een middenoplossing dus)? Kunnen ze derhalve wanneer we niet kunnen kiezen tussen Ronald en Herbert als moordenaar niet beide veroordeeld worden wegens poging tot moord (nou…er is wel een dode, dus dat lijkt toch onmogelijk…)?

Poging tot misdrijf is immers strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard (artikel 45 Sr, lid 1). Met andere woorden, in beide gevallen kunnen we stellen dat de mannen een begin van uitvoering hebben gemaakt. Ook wordt duidelijk hoe de subjectieve component van het pogen door de wetgever geobjectiveerd wordt door een zichtbaar begin van uitvoering te verlangen. Dit lijkt erop dat het kwade zich moet tonen en het onvoldoende is enkel het kwade te willen om tot een juridische veroordeling te komen. Zowel Herbert als Ronald hebben duidelijk een begin van uitvoering laten zien. Maar ontstaat er dan niet het probleem van de mislukte poging? In hoeverre is namelijk de poging van Herbert die het water vergiftigde uiteindelijk een mislukte poging en die van Ronald een gelukte poging?

Er is duidelijk sprake van een kwade wil bij Herbert, maar zijn poging mislukt. Of bedenk eens dat zijn poging ondeugdelijk zou zijn: vergelijk de casus indien Herbert slangengif had gebruikt wat buiten zijn weten om volstrekt onschuldig zou zijn geweest indien Simone het had gedronken. Weten we eigenlijk wel zeker dat Simone aan het gif was overleden? Hoeveel gif was het eigenlijk – was het voldoende? Ronalds poging is duidelijk: noch mislukt noch ondeugdelijk.

Hoe moeten we een poging tot moord kwalificeren die mislukt op basis van toeval? Het is immers toevallig dat buiten Herbert om Ronald de tank laat leeglopen. Het gaat dus ook om de vraag of we op de een of andere manier Herbert toch een flinke straf kunnen geven, omdat hij voor ons gevoel niet deugt. Maar een moordenaar zal hij niet zijn: wie zegt immers niet dat Simone had kunnen struikelen en haar water zo had gemorst? Een poging blijft staan, maar haar dood is niet aan zijn poging te wijten.

Of is Herbert toch de uiteindelijke moordenaar? Heeft Ronald haar niet gered per toeval? En is dit niet hetzelfde toeval dat in het voordeel spreekt van Ronald, als het eerdergenoemde toeval in het voordeel zou kunnen spreken van Herbert (dat hij door toeval niet als moordenaar kan worden aangewezen)?

Ten slotte
Simone is overduidelijk door het handelen van een van beide mannen om het leven gekomen. Als ze niets hadden gedaan, dan was ze net als zij gered geweest. Als alleen Ronald had gehandeld, was ze dood geweest. Als alleen Herbert had gehandeld was ze dood geweest. Als Ronald eerder was geweest met het laten leeglopen van de watertank, dan had Herbert ontdekt dat vergiftiging niet meer nodig was geweest. Dan zouden we in dat geval ook geen begin van uitvoering van handeling bij Herbert hebben kunnen ontdekken. Dat maakt hem moreel niet beter, maar juridisch gezien zou hij daarmee ontsnappen. Maar stel dat Simone had geweten dat het water vergiftigd was door iemand, dan was ze eveneens gestorven door uitdroging, net als feitelijk nu het geval is.

Hoe dan ook, het tragische einde van Simone verlangt stevige vergelding – of is het denkbaar dat beide heren vrijuit gaan?

___________________________________________________

Zie voor enkele Engelse commentaren en discussies:
https://www.debate.org/forums/Philosophy/topic/27255/
https://forums.civfanatics.com

 

Indrukken bij de eerste druk V: Martin Heideggers Sein und Zeit uit 1927

Indrukken bij de eerste druk (deel V): Heideggers Sein und Zeit uit 1927
-Voor die ene die het weten wil-

Wie goed en actief zoekt, wil nog wel eens tegen een bijzonder boek aanlopen voor een vriendelijke prijs. Zo liep ik tegen een eerste druk aan van misschien wel het meest invloedrijke filosofische werk van de 20e eeuw: Martin Heideggers Sein und Zeit. Volgens alle bekende inleidingen is het boek van wezenlijke invloed geweest op Arendt, Leo Strauss, Gadamer, Sartre, Levinas, Merleau-Ponty, Badiou, Marcuse, Derrida, Foucault en Stiegler. Kortom, op vrijwel iedereen die in de 20e eeuw in de filosofie iets te betekenen had (Als ik Russell, Wittgenstein en de analytische filosofen even buiten beschouwing laat).

Kort gezegd wil Heidegger de vraag naar zijn, naar de zin van zijn, beter stellen en grondiger ontleden. Daarvoor moeten we er echter eerst van overtuigd worden dat deze vraag gesteld moet worden, en moeten we vervolgens bekijken hoe zo’n vraag eigenlijk gesteld en beantwoord kan worden. Dat is Heideggers project. (klik voor een nadere inleiding)

Jahrbuch für Philosophie und phänomenologische Forschung 1927

Jahrbuch VIII 1927

De uitgever is Max Niemeyer (Halle an der Saale; in 1960 verhuist naar Tübingen, in 2005 overgenomen door De Gruyter), in 1870 opgericht door de boekverkoper Maximilian David Niemeyer, en gaf zowel Husserls Jahrbuch als de Sein und Zeit (sonderdruck) uit.

Oplage?
Zoals gebruikelijk heeft mijn zoektocht op antwoorden naar de oplage van de eerste druk niet bijzonder veel opgeleverd. Allereerst schreef ik een Duitse kenner aan, met een bibliografisch relevante Heidegger-website.

Dear sir,

do you happen to know how many copies of the first edition of Sein und Zeit (sonderdruck 1927) appeared? Seems to be hard to find information. Any further info about the first print would help me out.

Thanks in regard,

Stephan

Hij antwoordde me, enigszins wat verrassend:

Hi Stephan,

I tried to track that information down ten years ago, and didn’t have any luck. There was a silly claim at the time that Sein und Zeit had been issued to German soldiers in WWII and I thought that an easy way to refute the claim was to find the numbers of copies printed. I assume the best chance to get that information would be to contact the publishers? I did find out that Sein und Zeit was not printed during the war, because paper was requisitioned for military purposes – although in France they allocated paper to publish Sartre’s L’être et le néant.

Good luck in your search,

Pete

Ik probeerde het ook nog even bij Mark Wildschut, verantwoordelijk voor de eerste integrale Nederlandse vertaling die in 1999 verscheen bij SUN:

Geachte heer Wildschut,

Ik schrijf u aan als grote Heidegger-kenner. Vanuit filosofische interesse, maar vooral ook als liefhebber, ben ik van plan een eerste druk aan te schaffen van Zijn en Tijd. Ik hoop dat u uw deskundige licht zou willen werpen op de volgende vragen:

Wat beschouwt u als de meest begerenswaardige editie? Is dit de editie zoals deze is verschenen in 1927 in het Jahrbuch für philosophie und phänomenologische forschung (VIII), of is dit toch de daaruit voortvloeiende losse uitgave eveneens gepubliceerd in 1927?

Heeft u enig idee of het te achterhalen is, of wellicht weet u het zelf, wat de oplage -ongeveer desnoods- is geweest van het Jahrbuch für philosophie und phänomenologische forschung (1927, VIII) en wat de oplage is geweest van de losse uitgave?

Ik dank u hartelijk voor de moeite bij voorbaat,

Stephan Wetzels

Hij antwoordde:

Beste Stephan Wetzels,

Met dit soort bibliografische vragen kan ik u absoluut niet helpen. Het spijt me. En binnen mijn netwerk is zeker niemand die iets van deze bibliografische dingen afweet.

Vriendelijke groet,

Mark Wildschut

Wat is de échte eerste druk van Sein und Zeit?
Jahrbuch für Philosophie und phänomenologische Forschung 1927
Volgens de internationaal gerespecteerde antiquair Lynge & Søn uit Denemarken met wie ik ook een mailwisseling had, en die volgens mij de meest vooraanstaande collectie filosofische originele drukken in bezit heeft, worden zowel het los verschenen boekwerk (de ‘sonderdruck’) als het als ‘artikel’ verschenen werk in het Jahrbuch als eerste druk beschouwd. Volgens deze antiquair is de losse uitgave geen hele grote zeldzaamheid (zoals dat bijvoorbeeld wel geldt voor de Engelse eerste druk van Wittgensteins Tractatus met stofomslag). Vanwege de importantie echter en het feit dat het een zeer gewild boek is, wordt er gretig gezocht naar exemplaren en zijn daarom eerste uitgaven slecht te vinden. In The Genesis of Heidegger’s Being and Time (1993) merkt Theodore Kisiel op: ‘It seems as if the Jahrbuch version appeared after the separate work (Sonderdruck) of SZ began to be distributed. (p. 565)’

Lynge & Søn heeft zelf twee exemplaren in de aanbieding voor ongeveer $ 4000 (zie foto beneden).

Ze spreken in de omschrijving van een stofomslag bij de originele druk, maar daar is mij niets van bekend noch is een dergelijk exemplaar voorhanden.

Theodore Kisiels The Genesis of Heideggers Being and Time
Dit boek zou eigenlijk uitkomst moeten bieden over de oplage. Het is een gigantisch werk waar Kisiel ruim tien jaren aan schreef en de ontstaansgeschiedenis van Heideggers hoofdwerk in kaart brengt.

Het boek van Kisiel bevat een ‘appendix C’ genaamd A Documentary Chronology of the Path to the Publication of Being and Time, 1924-27. Hoewel er bijzonder interessante informatie in terug te vinden is, vinden we ook hier niets over de oplage. Voor de aardigheid vertaal ik hier enkele relevante passages uit zijn boek van de publicatie-chronologie die Heidegger aan ons overgeleverde, en door Kisiel uitvoerig is weergegeven.

22 maart 1927 – Laatste verbeteringen aan de proefdruk aangebracht.

18 april 1927- Heidegger aan Karl Jaspers: ‘Enige tijd geleden heb ik met de uitgever afgesproken dat er een exemplaar van Zijn en Tijd naar je toegezonden zal worden.’

Op 1 mei bevestigt Jaspers dat hij het boek heeft ontvangen. Sein und Zeit is daarmee voor het eerst verschenen eind april 1927, niet zoals de latere Heidegger zich zal herinneren in februari 1927.

29 mei – Heidegger aan Elisabeth Blochmann over een verlaat verjaardagscadeau: “Mijn boek is verschenen. Eén exemplaar is bedoeld voor je verjaardag van 14 april jl.”

De uitgave zelf
De uitgave die in mijn bezit is, verkeert in goede staat, vanzelfsprekend zonder stofomslag, die vele latere edities kenmerkt. Op de voorkant zijn wat vlekjes aan te treffen aan de rechterkant, wat ook geldt voor de eerste pagina’s en de laatste pagina’s aan de binnenzijde. Ook de rug is in goede staat en toont het originele plakkaat waarop te lezen valt ‘M. Heidegger Sein U. Zeit I’. De ‘I’ verwijst naar ‘eerste deel’, maar er is nooit een tweede deel verschenen, hoewel dit het oorspronkelijke plan was van Heidegger en waar hij geregeld over rept in correspondentie. Verschillende voetnoten in Sein und Zeit suggereren ook een tweede te verschijnen deel (o.a. SZ 319n, 363n, 427n).

Helaas is een redelijk aantal pagina’s van mijn exemplaar onderstreept; ik schat zo’n 10% van de in totaal 438 pagina’s. Een aantal met een lichtrood potlood en een aantal met pen.

Op de eerste pagina aan de binnenzijde, tref ik eveneens geschreven met rood potlood de initialen ‘K H M’ aan, met daaronder de datum ‘mei ‘29’. Het boek is dus twee jaar na het verschijnen aangekocht, te bedenken dat er in 1929 een tweede druk verscheen.

De antiquair bij wie ik dit boek aanschafte, wist te melden dat dit exemplaar in het bezit is geweest van de invloedrijke Nederlandse protestants theoloog Kornelis Heiko Miskotte (1894-1976). Het boek bevond zich na diens dood in het bezit van zijn zoon Hermannus Heiko Miskotte (1932), die het beheer kreeg over de uitgebreide bibliotheek die zijn vader naliet. Het verhaal is dat hij geregeld boeken verkoopt uit deze bibliotheek, waarvan mijn Sein und Zeit er één van is. Ik had het in de familie gehouden – maar daar zijn dus waarschijnlijk geen liefhebbers.

KH Miskotte in 1925

KH Miskotte in 1925

Het ligt voor de hand dat de rode onderstrepingen in de tekst van K.H. Miskottes hand zijn; of dat voor de pennestreken geldt is niet te zeggen. Misschien zijn die van zijn zoon. Het is op zichzelf wonderlijk genoeg dat tot het einde toe onderstreept is, wat zoveel betekent als dat tenminste één iemand dit boek in dat taaie Heideggeriaanse Duits helemaal gelezen heeft. Want dat valt warempel nog niet mee. Het toeval wil verder dat Miskotte in hetzelfde jaar stierf als Heidegger zelf (1889-1976).

Titelblad
Na een pagina waarop staat ‘Sein und Zeit Erste Hälfte’ (waarbij opvalt dat de Duitse ‘s’ lijkt op een ‘f’) komen we bij de titelpagina. Meestal de belangrijkste pagina van een beroemde uitgave. Helemaal omdat vele volgende drukken geen wijzigingen hebben ondergaan. We lezen daar wederom de titel Sein und Zeit, maar nu met de toevoegingen ‘von Martin Heidegger Marburg a. L. Erste Hälfte’.

Dan volgt er iets merkwaardigs:

Sonderdruck aus: “Jahrbuch für Philosophie und phänomenologische Forschung”, Band VII herausgegeben von E. Husserl – Freiburg i. B.

Waarom is dit merkwaardig? Omdat Sein und Zeit in Band VIII verscheen. Ik heb nader gezocht naar hoe Heidegger kon verwijzen naar Band VII, maar ik heb daar geen goede reden voor kunnen vinden. Zover ik weet is Sein und Zeit niet verschenen in Band VII. Het lijkt dus te kloppen dat de losse uitgave eerder op de markt was dan het jaarboek. Maar dan blijft het een merkwaardige fout. Ik zou 25,- willen geven voor degene die een verklaring kan aandragen die aantoont dat er nog een logische gedachte zit achter deze fout. Ik geloof van niet.

Tenslotte treffen we nog het logo van de uitgever aan en de uitgever zelf: Max Niemeyer, Verlag, Halle a. d. S. / 1927.

De pagina die daarop volgt tenslotte toont de toenmalige vriendschapsband tussen Heidegger en Husserl:

Edmund Husserl
In Verehrung und Freundschaft zugeeignet
Todtnauberg i. Bad. Schwarzwald
Zum 8. April 1926

Hier gaat een bekend tragisch verhaal achter schuil. In Sein und Zeit (1927) breekt Heidegger ironisch genoeg namelijk met Husserl op filosofisch vlak. Een tragische periode brak daarmee aan in het leven van Husserl. ‘Als jood en als wereldvreemde geleerde raakte hij steeds meer geïsoleerd. Op voordracht van de nazi’s werd Heidegger benoemd als rector van de universiteit van Freiburg. Wat later werd het Husserl verboden nog langer onderwijs te geven aan een Duitse instelling.’ Dat Heidegger zelf uiteindelijk niet aanwezig was op de begrafenis van Husserl noemt hijzelf ‘een menselijke fout’, waarover hij zijn spijt heeft betuigd aan de weduwe Husserl. Ook Heidegger was gewoon………een mens.

Zie voor andere indrukken bij de eerste druk:

HLA Hart The concept of law uit 1961

John Henry Newman The grammar of assent uit 1870

Derek Parfit Reasons and persons uit 1984

Soren-Kierkegaard Frygt og baeven uit 1843

Bibliografisch fragment uit Kisiels boek

Bijzondere eerste editie van Sein und Zeit in de aanbieding (april 2014)

https://www.stephanwetzels.nl/zt1.jpg

Zijn en Tijd 1e druk bij Herman Lynge

https://www.stephanwetzels.nl/zt2.jpg

Zijn en Tijd 1e druk nogmaals bij Lynge

Het Vonnis: wat moeten we met wraakgevoelens wanneer Justitie faalt?

Het Vonnis: wat moeten we met wraakgevoelens wanneer Justitie faalt?
Een filosofische overweging naar aanleiding van de film Het Vonnis (2013) als aanzet voor verdere discussie

***Let op: onderstaande tekst bevat informatie
over de verhaallijnen van de film***

Het Vlaamse rechtbankdrama Het Vonnis (2013) is een van de meest intrigerende films die ik zag sinds het Deense Jagten (2012). Hoewel de verhaallijn relatief simpel is, weet het geschetste dilemma diep door te dringen in het voorstellingsvermogen dankzij de goede acteerprestaties en dialogen. Er zal voor puristen voldoende op aan te merken zijn, maar ik geloof dat de film oprecht een probleem aankaart dat in anderhalf uur niet beter (op het einde wellicht na) had kunnen worden weergegeven. In deze overwegingen zal ik stilstaan bij verschillende dilemma’s en problemen die deze film oproept.

1. De verhaallijn

Hoewel ik poog om de verhaallijn zo duidelijk mogelijk weer te geven waardoor de zaak als een op zichzelf staande casus te begrijpen is, kan ik niet de vele en treffende nuanceringen aanbrengen die in de film voorbijkomen.

1.1 Aanzet

Hoofdrolspeler Luc Segers heeft een prima leven. Mooie baan, gelukkig getrouwd en een prachtige dochter. Op een avond na een borrel rijden ze met zijn drieën naar huis en tijdens het tanken besluit zijn vrouw naar een onbemande avondwinkel aan de overkant te gaan om brood te kopen. In deze winkel wordt ze echter aangevallen door Kenny De Groot die haar tot bloedens toe en zonder duidelijke reden neerslaat. Luc vertrouwt het niet helemaal en besluit te gaan kijken waar zijn vrouw blijft. Terwijl hij geconfronteerd wordt met het feit, slaat de dader hem neer die vervolgens vlucht per motor. Het dochtertje dat alles gade geslagen heeft in de auto, rent in paniek de straat op en wordt daar geschept door een andere wagen. Luc ziet het gebeuren alvorens hij zijn bewustzijn verliest. Drie weken later ontwaakt hij uit zijn coma en moet hij vernemen dat zijn vrouw en dochter inmiddels zijn begraven.

1.2.1 Procedure: Het OM

De vermeende dader wordt opgepakt, op basis van fotoherkenning door Luc. De kijker weet net als Luc dat het wel de juiste man is. Er waren echter geen vingerafdrukken, geen camerabeelden, geen andere getuigen en Kenny had zelfs niets meegenomen van de vrouw. Technisch gesproken is er dan geen sprake van roofmoord. Sterker nog, het Belgische Openbaar Ministerie stelt dat ze hem kan vervolgen voor ‘slagen en verwondingen met de dood tot gevolg’, niet te verwarren met doodslag. De verwachting is dan maximaal 10 jaar celstraf, waarvan Kenny in de praktijk ongeveer zes jaar zal uitzitten. De dood van zijn dochtertje is een noodlottig ongeval, wat juridisch van geen belang is.

1.2.2 Procedure: De advocaat van de verdachte

Kenny De Groot krijgt een topadvocaat toegewezen. De raadsman van Luc legt uit dat Kenny vanwege zijn lage inkomen recht heeft op een pro-deo advocaat. Deze pro-deo advocaten werken niet op basis van een niet te stuiten idealisme aldus deze raadsman, maar hebben het recht om hun rekeningen in te dienen bij de Staat. Omdat het hier ogenschijnlijk om een zaak gaat die veel publiciteit zal genereren, is dat de reden waarom een armoedzaaier als Kenny toch de beschikking krijgt over een topjuriste.

1.2.3 Procedure: De vormfout

Alvorens de zaak echter aan kan vangen gebeurt er iets wat de rest van de film het centrale thema zal blijken. De advocate van Kenny heeft een procedurefout ontdekt. De vordering tot gerechtelijk onderzoek naar de dood van Lucs vrouw was namelijk niet ondertekend door de procureur (officier van Justitie), op grond waarvan het document ongeldig is. Alle handelingen die vervolgens op basis van dat document zijn uitgevoerd, blijken daarmee hun rechtsgeldigheid verloren te hebben. In casu is het hele opsporingsonderzoek onrechtmatig. De begane fout is dusdanig fundamenteel volgens de wetgever, dat de raadkamer niets anders rest dan de verdachte vrij te laten. Het Openbaar Ministerie kan nog wel vervolgen, maar omdat het waarschijnlijk is dat alle bewijzen die tijdens de arrestatie zijn vergaard nietig zullen worden verklaard, heeft dat weinig zin. Kortom: geen rechtsgang, geen veroordeling en geen genoegdoening voor slachtoffer en samenleving.

1.3.1 Dilemma: het slachtoffer

Nu Luc weet dat de zekere dader op vrije voeten blijft, lijkt hij te breken onder het toch al zware verdriet. Hij besluit Kenny te volgen en enkele weken observeert hij de man in een garage waar hij werkzaam is. De film laat het verloop van wat er dan allemaal gebeurt fragmentarisch met terugwerkende kracht zien. Luc vermoordt Kenny namelijk met negen min of meer gerichte schoten vanuit een illegaal aangeschafte Walter P5.

1.3.2 Dilemma: de jurist

Luc geeft zichzelf aan en bekent wat hij heeft gedaan. Zijn advocaat zegt hem dat hij zou kunnen proberen het op doodslag te houden. Maar Luc wil echter worden aangeklaagd voor moord ten overstaande voor de volksjury: “De Groot heb ik al gepakt, nu wil ik het systeem pakken.”

Zijn advocaat legt hem twee opties voor: het meest voor de hand ligt dat hij voor uitlokking zal pleiten, waarmee een maximumstraf van vijf jaar wordt geriskeerd. Iedereen wint, want de jury kan een schuldige aanwijzen, de rechtstaat verliest zijn gezicht niet en de straf zal neerkomen op twee jaar effectief zitten. Optie twee echter heeft meer risico’s in zich, maar zou indien succesvol wel een ‘overwinning’ betekenen, waarbij het Openbaar Ministerie zijn verlies zou moeten nemen. Hiertoe zou een beroep moeten worden gedaan op Artikel 71 Strafwetboek, onweerstaanbare dwang:

Er is geen misdrijf wanneer de beschuldigde of de beklaagde op het tijdstip van de feiten leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast, of wanneer hij gedwongen werd door een macht die hij niet heeft kunnen weerstaan.

Hoewel uitlokking voor de hand lijkt te liggen, wil Luc gaan voor de optie artikel 71. Als de jury dan echter “ja” antwoordt op de schuldvraag, riskeert hij daarmee levenslang.

1.3.3 Dilemma: de aanklager

De aanklager is er alles aan gelegen om de rechtstaat te doen zegevieren. De bewijzen zijn er: er is een volledige bekentenis en het lijkt in alles op een goed voorbereide, weldoordachte en geplande moord, op iemand die zich niet kon verdedigen. Er wordt besloten om op alle fronten het volkse sentiment te weerspreken met feiten en niets dan feiten: dit is een ordinaire wraakmoord die dient te worden bestraft. Wat er is gebeurd is vreselijk, en niemand ontkent dat Luc zijn leven lang de pijn zal moeten dragen voor wat hem is overkomen. Maar wat hem is overkomen in de zin van leed, is niet uniek en geeft hem niet het recht om naar eigen goeddunken te handelen.

1.3.4 Dilemma: De Volksjury

De vermoorde man heeft geen relevante familie en was iemand met een ellenlang strafblad, die als verdachte in een ernstige zaak mogelijk een veroordeling heeft ontlopen vanwege een procedurefout. Voor hen zit een man met een glansrijke carrière in het bedrijfsleven, bekend als weldoener en gezinsman die op gruwelijke wijze zijn vrouw en kind heeft verloren.

Wat moet de volksjury nu beslissen?

2. Opmerkingen, vragen en overweging

Omdat anders dan in Nederland België werkt met een volksjury, kan de film de kijker sterker meeslepen in de voorstelling zelf onderdeel te zijn van de volksjury. Gaat hij mee met het sentiment dat duidelijk voelbaar is voor de hoofdrolspeler? Of kiest hij toch voor de rechtsstaat omwille van de rechtsstaat?

De concrete vragen die we moeten bespreken zijn de volgende:

  1. Staan we onszelf uitzonderingen toe ten opzichte van afgesproken rechtsregels?
  2. Hoe verhouden procedurefouten zich tot de redelijkheid?
  3. Kunnen onweerstaanbare wraakgevoelens fungeren als strafuitsluitingsgrond?
    (Kunnen wraakgevoelens onweerstaanbaar zijn?)

Staan we onszelf uitzonderingen toe ten opzichte van afgesproken rechtsregels?

Het recht zoals wij dat kennen is grotendeels een product van de Verlichting, waar volkse emotie en potentiële willekeur los gemaakt werd van filosofische rede en rechtvaardigheid. Daarbij staat een dominante Kantiaanse notie dat het recht geen uitzonderingen verdraagt, tenzij datzelfde recht daar een geschreven redelijke grondslag voor aandraagt, centraal. In principe stemt het volk in met deze opvatting, op grond van een sociaal contract: in ruil voor verschillende rechten, aanvaarden ze daarbij wetgeving en plichten.

Het spanningsveld ontstaat nu daar waar het lijkt alsof de redelijkheid in het geding is, en we dat ‘aanvoelen’. Stel bijvoorbeeld dat je als voetganger om 2:00 uur ‘s nachts aankomt op een rechte weg, waar het stoplicht op rood staat. Er is in de verste verte geen ander verkeer waarneembaar. De wet gebiedt desondanks te wachten op groen licht op straffe van 65,- boete, terwijl de meeste mensen zullen voorvoelen dat het oversteken hier in alle redelijkheid kan plaatsvinden. Als de wetgever hier toch volhoudt dat de boete op zijn plaats is, simpelweg omdat een regel is overtreden, dan ontstaat er de discrepantie tussen burgers en staat waar we hier over spreken, omdat de staat daarmee voor de burgers zijn menselijke gezicht lijkt te hebben verloren. Vadertje Staat lijkt dan meer op een regelmachine die eerder op grond van pragmatische dan idealistische opvattingen wetten handhaaft.

Hoe verhouden procedurefouten zich tot de redelijkheid?

Dat brengt ons dan bij de volgende vraag, misschien wel de eigenlijke vraag die de film probeert op te werpen. Het is overduidelijk dat de wet ook een verdachte moet beschermen, maar in welk opzicht is er sprake van het beschermen van een verdachte wanneer uit onrechtmatig verkregen bewijs blijkt dat hij de dader is van een gruwelijk feit? Ook hier ontstaat er een discrepantie tussen de volkse opvatting van rechtvaardigheid en de strafrechtelijke opvatting van rechtvaardigheid. De discussie zit er dan in in hoeverre deze volkse opvatting van rechtvaardigheid ook redelijk kan zijn, in relatie tot in hoeverre de strafrechtelijke opvatting van rechtvaardigheid ook onredelijk kan zijn. Het idee dat een wetgever per definitie redelijke opvattingen omzet in wetten, is een diepgeworteld idee bij menig jurist, maar dat mag en moet terdege ter discussie worden gesteld, zelfs als dat zichtbaar wordt in basale emotionele uitingen van het volk. Want de uiting kan wel primitief lijken, ze is nog steeds gestoeld op een fundamenteel menselijke emotie die zelfs de meest geharde legalisten moeten herkennen in zichzelf.

Nog niet zo lang geleden had de Nederlandse rechtsstaat zijn vingers ook kunnen branden aan een vergelijkbaar dilemma zoals in de film. De inmiddels tot 19 jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging veroordeelde Robert M. had namelijk op grond van procedurefouten vrijgesproken moeten worden, aangezien het belangrijkste bewijsmateriaal onrechtmatig in beslag was genomen, aldus zijn verdediging. Dit vormverzuim werd met veel juridisch vertoon door het Hof getackeld. ‘Al met al is het verzuim naar het oordeel van het hof niet ernstig te noemen. (…) Nu niet aannemelijk is dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden van het vormverzuim, ziet het hof ook overigens geen aanleiding aan het vormverzuim enig rechtsgevolg te verbinden.’

De doos van Pandora bleef daarmee ongeopend, maar daarmee is de doos zelf echter verre van vernietigd. Toch lijkt het Hof terdege tussen de regels door rekening te houden met de ernst van het gepleegde, in relatie tot de fout:

‘Voorts moet bij de waardering van de ernst van het verzuim worden bezien of de rechter-commissaris, indien de officier daartoe een vordering zou hebben gedaan, tot (het afgeven van een machtiging tot) doorzoeking van de woning zou zijn overgegaan. Daartoe zijn de volgende feiten en omstandigheden, die de officier van justitie, naar moet worden aangenomen, aan de vordering ten grondslag zou hebben gelegd, van belang (…). Gelet op de feiten en omstandigheden bestond in de avond van 7 december 2010 een zodanige verdenking van ernstige strafbare feiten, gepleegd door M., dat naar het oordeel van het hof de rechter-commissaris zonder enige twijfel desgevorderd tot doorzoeking ter inbeslagneming zou zijn overgegaan of een machtiging daartoe zou hebben verstrekt.’

Die laatste alinea reikt ook de sleutel aan voor de oplossing van het filmdilemma. Ook hier geldt dat een mogelijke uitzondering de oplossing zou kunnen betekenen: het feit waarvan de verdachte wordt verdacht is dusdanig ernstig en heeft de rechtsorde zo fundamenteel geschokt, dat de procedurele fout van het vergeten te plaatsen van een handtekening onder een bevel tot gerechtelijk onderzoek vervolging niet kan voorkomen. De niet geplaatste handtekening is bovendien een gevolg van werkdruk en/of vergeetachtigheid, niet van gerede twijfel omtrent de aanhouding van de verdachte die positief is geïdentificeerd door slachtoffer: die handtekening zou er hoe dan ook toch wel zijn gekomen. Een dergelijk ‘proportionaliteitsbeginsel’ lijkt op zijn minst te rechtvaardigen wanneer het gaat om misdrijven die een gevangenisstraf van bijvoorbeeld twee jaren of meer in zich houden. Dat is uiteraard geen vrijbrief voor prutswerk van politie en openbaar ministerie, maar doet meer recht aan samenleving en slachtoffer. De rechter kan het openbaar ministerie terdege nog op de vingers tikken, zonder dat daarmee de rechtsgang afgebroken wordt. Tenslotte moet ook overwogen worden in hoeverre een vormfout überhaupt in het voordeel van een verdachte is, wanneer hij zich de volkswoede ermee op de hals haalt.

Kunnen onweerstaanbare wraakgevoelens fungeren als strafuitsluitingsgrond?

Dat in de film het geblunder van Justitie wel leidt tot het vrijlaten van de vermeende moordenaar, is vanzelfsprekend de aanleiding tot het dilemma van de burger die vervolgens het recht in eigen hand neemt omdat hij in de steek is gelaten door het systeem. De genoegdoening die hem had moeten worden geschonken via vergelding door de rechtsgang, hoopt hij zo te krijgen door middel van wraak. Intuïtief hebben we het idee dat iemand die gestraft wordt wanneer hij vrijwillig een ander kwaad heeft berokkend, iets goeds is – mits het maar door een onpartijdige instantie wordt voltrokken. Betekent dit dan vanzelfsprekend dat het straffen van iemand die vrijwillig een ander kwaad heeft berokkend niet goed is wanneer ondanks duidelijke feiten dit wordt gedaan door een partijdige instantie?

Stel bijvoorbeeld dat een gevangene ontsnapt, terwijl hij nog 12 jaar gevangenisstraf tegoed had. Hij wordt opgespoord door het slachtoffer die hem vervolgens 12 jaren opsluit bij hem thuis onder vergelijkbare voorwaarden als in de gevangenis. Zouden we dat immoreel vinden? Of zit het immorele er juist in dat een partijdige instantie juist onredelijk straft? In het geval van de film wordt de vermeende moordenaar namelijk vermoord. En dat is nooit een straf die in welk proces dan ook uitgesproken had kunnen worden. Misschien was de verdachte inderdaad veroordeeld wegens doodslag, en had hij tussen de vijf en 15 jaren gevangenisstraf gekregen. Hadden we het redelijk gevonden indien hij alsnog opgezocht was door het slachtoffer wanneer hij vrijgelaten werd – bijvoorbeeld omdat hij de lage straf nooit heeft kunnen verkroppen? Soortgelijke bewegingen lijken zich te ontwikkelen in onze samenleving waar het gaat om pedofielen of concreter omtrent de moordenaar van Pim Fortuyn.

De vraag of genoegdoening daadwerkelijk plaatsvindt door middel van wraak, wanneer het slachtoffer (om van willekeurige betrokkenen uit de samenleving te zwijgen) niet kan instemmen met de straf is niet eenvoudig te beantwoorden. Het lijkt in ieder geval geen grond voor redelijke discussie te hebben dat indien een verdachte is veroordeeld zonder dat daarbij noemenswaardige fouten zijn gemaakt, hij nadat hij zijn straf heeft uitgezeten alsnog met recht bedreigd wordt in zijn leven. Het standaardargument dat het recht in eigen hand nemen leidt tot middeleeuwse toestanden en chaos slaagt dan duidelijk. Duidelijker in mijn optiek dan wanneer het wordt gebruikt op het moment dat door een procedurefout er geen recht wordt gedaan.

Kunnen wij immers van een burger verwachten dat een ander hem straffeloos leed kan berokkenen? Dat lijkt niet redelijk. Hoewel vergeving evenals het toekeren van de andere wang een groot goed is, kan men niet van iemand verlangen dat hij zich neerlegt bij het feit dat iemand vrijuit gaat die zojuist zijn vrouw heeft doodgeslagen. Want het recht zegt weliswaar ‘laat dat maar aan ons over’, maar beantwoordt onvoldoende de vraag aan wie iets moet worden overgelaten wanneer door fouten iets niet meer aan het recht kan worden overgelaten. Er is dan nog steeds een fundamenteel tekort, een onafgesloten hoofdstuk, een te vullen gat bij slachtoffer en samenleving. Geen enkel strafdoel, of het nu gaat om generale of speciale preventie, vergelding of reparatie/resocialisatie, wordt namelijk bereikt.

In de film wordt de hoofdpersoon misschien onbedoeld geportretteerd als tragische held: hij lijkt immers een levenslange straf omwille van een hoger principe te aanvaarden. Misschien gesterkt door een overwegend positieve publieke opinie, maar misschien ook wel gesterkt door een diepgewortelde innerlijkheid van rechtvaardigheidsgevoel. Dat dit innerlijke rechtvaardigheidsgevoel hapert wanneer het gaat over het vermoorden van een ander mens, dat is dan wat we zouden kunnen verstaan onder onweerstaanbare dwang. Wraak is ook zoiets als ‘a kind of wild justice’ zoals Francis Bacon al betoogde in 1625.

In een onderzoek van Bies en Tripp uit 1996 (Beyond distrust; ‘Getting even’ and the need for revenge. In: R.M. Kramer en T.R. Tyler (red.) Trust in organizations: frontiers of theory and research. Thousand Oaks: Sage) werd mensen gevraagd zich een situatie in te denken wanneer ze het een ander betaald zouden willen zetten. Het meest gegeven antwoord was: ‘wanneer mijn vertrouwen ernstig is misbruikt’. Hoewel het hier niet echt ging over concrete strafbare feiten (en eenieder zich zijn eigen voorstelling mocht maken), geeft het wel een interessante richting in onze casus.

Het vertrouwen in de rechtsstaat was immers ernstig beschadigd, en dat heeft in korte tijd (in de film wordt de moord binnen een maand gepleegd na de fatale avond) geleid tot zeer heftige gevoelens die gevoed door het idee ‘recht’ te doen en/of het idee van pijn in het gemoed te willen verzachten tot moord heeft geleid.

In hoeverre het idee juist is dat iemand door wraak te nemen zijn ondraaglijke gemoedstoestand kan verlichten, staat los van het idee dat iemand dat idee redelijkerwijs kan hebben. De verwachting dat wraak nemen pijn zal verlichten neigt in ieder geval naar een verwachting die iemand ook onweerstaanbaar kan hebben. Stel bijvoorbeeld dat iemand plots geconfronteerd wordt met een schier ondraaglijke geestelijke pijn, en na een maand is dat nog verre van weg. Er bestaat een deugdelijk medicijn, maar hij heeft echter niet de middelen om dat medicijn te bekostigen. Kunnen we het zo iemand dan kwalijk nemen dat hij vervolgens een inbraak pleegt in een ziekenhuis om dit medicijn te bemachtigen waarmee hij zijn gemoed weet te verlichten? Is hij niet bezweken onder zijn pijn? Is dit geen daad met de moed der wanhoop?

Het is natuurlijk dat het hier om een moord gaat, en niet om een inbraak, waardoor we anders kijken naar de daad. Maar het lijkt mij voorstelbaar dat iemand zodanig heeft geleden onder de omstandigheden dat hij in een langdurige roes van bittere ellende tot deze daad is gekomen, gedreven door de hoop zijn pijn te verlichten. Dat wij weten dat we beter moeten weten, is daarbij ook een vorm van hoop waarop we mogen hopen dat we het weten wanneer we –God verhoedde het- te maken krijgen met de situatie waarbij het recht ons in de steek lijkt te laten.

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2020 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"