Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Wie uitsteekt, is daarom nog niet uitstekend

Op het moment dat er nog niet eens fatsoenlijke waardering voor bevoegde docenten is, laat staan voor universitair geschoolde of gepromoveerde, heeft de Onderwijsraad het nodig gevonden de lat alvast nog onvindbaarder te verstoppen. In een van de zotste ideeën sinds de invoering van het onderwijs stelt zij namelijk voor “excellente” leraren op school te laten fungeren als rolmodel. “Als excellente leraren de ruimte krijgen hun kwaliteiten te ontwikkelen en die van collega’s te bevorderen, verbetert de onderwijskwaliteit en daarmee verbeteren de prestaties van leerlingen.” (p.7)

 

Wie het integrale rapport leest, kan zich niet anders dan verbazen over zoveel vals en verspild denkwerk. Het hele advies ploetert op gênante wijze voort en zucht en kreunt onder zijn eigen wolligheid. Er klinkt haast een aandoenlijke roep in door: “als we dit nu doen, dan wordt het echt vast een keer beter, echt!” Tussen de regels door wordt het echter zelfs voor leken duidelijk dat deze dagdroom een zoveelste poging is het onderwijs bedrijfsmatig te benaderen. Grootste probleem daarbij, is dat het begrip excellentie in een onderwijsorganisatie zo onwaarschijnlijk subjectief is, dat de Onderwijsraad van ellende een beroep doet op iets nog subjectievers: “iedereen weet wel wie op school de goede docent is” (p.18). Ja, net zoals de geschiedenis er telkens weer achter komt dat ze mensen niet op waarde wist te schatten.

 

De Raad legt graag de verantwoordelijkheid bij de schoolleiding om excellente docenten aan te wijzen door middel van een uiterst vaag “intersubjectief beoordelingsinstrument”, zodat als het een puinhoop wordt, zij met een nieuw advies kan komen over waarom het niet heeft gewerkt. Want hoe wil men vakken “intersubjectief” met elkaar gaan vergelijken? Hoe zit dat met de verschillende niveaus? Worden diploma’s eigenlijk fatsoenlijk meegewogen? Hoe vermijdt men vriendjespolitiek? Wie heeft in de gaten dat populariteit niet met excellentie wordt verward? Wie zegt dat een leidinggevende zelf excellent genoeg voor de klas was om überhaupt het excellente te kunnen herkennen?

 

Je zult maar de ongelukkige zijn die door de school wordt aangewezen als excellente leraar. Natuurlijk krijg je er wat centjes bij –een soort bankiersbonus-, maar als het schaamrood je nog niet op de kaken staat, mag je hopen dat je niet bezwijkt onder die ijdelheid. En reken er maar op dat iedereen je komt lastigvallen met nare klusjes, je scherp in de gaten wordt gehouden en op het einde denkt: waarom was ik ook alweer voor de klas gaan staan en koos ik niet voor het bedrijfsleven? Nog erger lijkt het me tenslotte voor de keihard werkende, zelfkritische, passievolle en oprechte docent, die onverklaarbaar (want ga intersubjectiviteit maar eens verklaren) niet bij de paradepaardjes zit. Want één ding is me helder: collegialiteit in het onderwijs is een groot goed, maar zelfs hier is afgunst niemand vreemd.

 

Ik begrijp uiteraard wel, zelfs in onderwijskundig opzicht, wat de achterliggende bedoeling is van de Onderwijsraad. Kwaliteit, maar bovenal prestige en aanzien terugbrengen naar de sector, daar waar de overheid al jaren bezig is het docentenvak zo onaantrekkelijk mogelijk te maken. Ik begrijp ook dat de zwakste broeders ongetwijfeld het hardste roepen tegen een dergelijk systeem. Maar ik  zou vrij naar het aloude adagium van Ockham willen zeggen: “om verder te geraken moet men niet beginnen met iets nodeloos ingewikkeld te maken”. Gewoon terug naar de basis, en juist iedere docent die hard werkt, ploetert, zich inzet voor zijn vak en het soms moeilijk heeft waarderen zoals het hoort en hem de mogelijkheden te bieden die nu alleen voor een geforceerd eliteclubje lijken te zijn weggelegd.

 

 

 

Iedereen is gelijk, maar sommigen meer dan anderen

Aan ieder begin van het studiejaar puilen de collegebanken weer uit met psychologiestudenten, die allemaal iets hopen te ontdekken over zichzelf en de ander. Professor Eric Rassin helpt daarbij een handje met een kritisch boek over de persoonlijkheid en trapt zowel gesloten als open deuren in.

Evenals de collegebanken uitpuilen van eerstejaars psychologie, zo puilen de boekwinkels uit met populair wetenschappelijke werkjes over het vakgebied. Er is duidelijk een gretige markt beschikbaar. Voor de moderne mens is de psychologie de nieuwe verlichting. Hoewel de titel Niemand is uniek, behalve ik doet vermoeden dat we ook hier te maken hebben met een toegankelijk, vlot geschreven sociaal wetenschappelijk werk, graaft Rassin net iets dieper, veronderstelt hij enige voorkennis van statistische begrippen en schuwt hij het vakjargon niet.

Persoonlijkheid als wetenschap
De drang naar inzicht in onze persoonlijkheid kent inmiddels talloze wetenschappelijke, esoterische en commerciële vertakkingen, waar niet zelden onredelijk veel gewicht aan wordt toegekend. In zeven behapbare hoofdstukken neemt Rassin ons mee in de wereld van het persoonlijkheidsonderzoek en beschrijft hij wat er afgelopen decennia zoal aan ontwikkeling is geweest.

Ondanks alle vooruitgang die er is geboekt, blijft de immateriële persoonlijkheid een moeilijk grijpbaar begrip, waarbij vragen rondom nature en nurture, meervoudige persoonlijkheidsstoornissen en de relatie tussen brein, gedachten en gedrag nog steeds actueel is en tot uiteenlopende opvattingen leidt.

Rorschach
De Oostenrijkse wetenschapsfilosoof Karl Popper waarschuwde een halve eeuw geleden al voor interpretatievlugge diagnostici die zo hun eigen hypothesen in stand konden houden. Rassin borduurt daarop voort en schrijft eigenlijk een lange wetenschapskritiek op de psychologie.

Illustratief hiervoor is de schets die hij geeft over de bekende Rorschach-vlekkentest. Deelnemers zien een vlek en wordt gevraagd wat ze precies waarnemen. Aan de hand van deze waarneming komt de psycholoog dan vervolgens met een persoonlijkheidstypering. De test blijkt echter zowel wat betreft betrouwbaarheid als wat betreft validiteit uiterst dubieus te zijn, maar wordt desondanks ook in Nederland nog steeds gehanteerd, onder meer binnen de forensische psychologie.

Prikkelende onderzoeken
Dat astrologie een bedroevende betrouwbaarheid heeft, of dat de psychologische test van datingsite Parship niet al te serieus moet worden genomen, zal een pientere leek ook nog wel begrijpen. Als wetenschappers echter zelf met ondeugdelijke tests werken, wat is dan nog wel een betrouwbare manier om iets over de persoonlijkheid te weten te komen?

De kracht van het boek zit in twee dingen. Op de eerste plaats vat Rassin onvermoeibaar een grote hoeveelheid aan psychologische onderzoeken samen voor de lezer. Het is leuk om mee te denken met alle wetenschappers die door middel van allerlei experimenten iets van de persoonlijkheid proberen bloot te leggen. Sommige onderzoeken zijn zo eenvoudig in hun opzet dat ze prikkelen om zelf uit te gaan voeren.

Op de tweede plaats biedt Rassin een kritisch kader om psychologisch onderzoek te nuanceren en ingesleten opvattingen over de persoonlijkheid te betwijfelen. Want dat is uiteindelijk wel het doel van het boek: daar waar psychologie gebruikt wordt om wetten te ontdekken die ons gedrag voorspellen, onze geschiktheid voor een beroep uit te wijzen of om het karakter van onze droomvrouw te onthullen, moeten we kritisch zijn.

Aloud adagium
Het mag duidelijk zijn dat persoonlijkheid geen statisch begrip is. Onder invloed van onze genen en onze omgeving blijven we ons permanent ontwikkelen en worden we op een bepaalde manier herkend, zonder dat deze herkenning een definitief oordeel over ons is. Dat de psychologie de behoefte heeft om toch de essentie van een mens bloot te leggen zegt wellicht evenveel over onszelf als over de psychologie. Het aloude adagium ‘blijf jezelf, er zijn al zoveel anderen’, wordt met dit boek terecht weer afgestoft.

Brave academici schetsen genuanceerd beeld over Koran

In De Koran voor beginners hebben de academische islamkenners Robbert Woltering en Michiel Leezenberg zich voorgenomen een nuchtere kijk te bieden op de eeuwenoude heilige tekst. Spannend wordt het nergens, inleidend is het wel.

De islam is in de mode. Wie zich naar de boekhandel begeeft, treft daar inmiddels een keur aan (inleidende) werken aan over de godsdienst. In het licht van die mode is ook dit werkje geschreven, dat vooral een relativerende en nuancerende toon wil laten horen als tegenwicht van het negatieve beeld dat bepaalde politieke stromingen en media schetsen. De auteurs behandelen de ontstaansgeschiedenis en de theologie van de tekst, en besluiten met een korte retorische discussie waarin ze zich afvragen of de Koran nu een haatpamflet is of een heilig boek.

Heilige moeilijkheden
Het moeilijke aan de Koran is dat er 1400 jaar aan geschiedenis op leunt en dat het gaat om een tekst die op talloze verschillende manieren beleefd wordt als heilig. Dat maakt het per definitie erg lastig om deze tekst neutraal te beschouwen vanuit een academische zetel. De betekenis van geloven en de persoonlijke waarde van iets wat heilig is, is als buitenstaander namelijk nooit werkelijk te vatten. Wat de auteurs rest is een eigen interpretatie waar typische buitenstaanderzinnen als ‘om op lange termijn succesvol te zijn, moet een heilig boek polyinterpretabel zijn, en iets raadselachtigs hebben’ de boventoon voeren.

Een voorbeeld uit het boek dat aangeeft hoe moeilijk het interpreteren is, is de vraag hoe de Koran uitlegt hoe moslims moeten omgaan met ongelovigen. Naar gelang hoe je het opvat en welke passages je leest kan dat verzoenend, bekerend of met het geheven zwaard zijn. Al doen de auteurs hun best ook hier telkens de nuance aan te brengen, je krijgt als lezer het gevoel dat je feitelijk met alle nuancerende argumenten geen schijn van kans maakt tegen iemand die op grond van de Koran het zwaard wil heffen tegen ongelovigen.

In de gehele inleiding is het interpretatiespel doorlopend terug te vinden. Of het nu over homoseksualiteit gaat, de plaats van de vrouw of het opvatten van de (straf)wet. De zogenoemde ‘abrogatieleer’ maakt het allemaal nog iets ingewikkelder. Deze leer beoogt moeilijkheden met conflicterende koranverzen op te lossen door oude verzen af te schaffen ten faveure van latere verzen. Hierdoor kan het zijn dat bepaalde wetten vervallen ten kosten van nieuwe, maar ook dat verzoende verzen worden vervangen door minder tolerante opvattingen. Zoals iedere academicus dan weet en ook de auteurs: let altijd goed op de context en bekijk goed wat de opvatting toen beoogde. Maar met een goddelijke tekst is dat makkelijker gezegd dan gedaan.

Weldenkend
Het boek sluit af met een korte discussie waarin Geert Wilders een pak op de broek wordt gegeven. Dit slotstuk voegt niet heel veel toe en lijkt vooral bedoeld om het boek een actuele lading mee te geven. Ieder weldenkend mens snapt dat bij Wilders de nuancering volstrekt ontbreekt, Fitna niet bepaald een inhoudelijk hoogwaardig cinematografisch document is en alle islamretoriek voornamelijk dient als onderdeel van een politiek spel waarin hij zo opgaat dat het karikaturale op de loer ligt. Het lijkt bovendien onwaarschijnlijk dat de mensen die deze inleiding uit de schappen halen fanatieke Wildersaanhangers zijn, die soms wel wat relativering kunnen gebruiken.

De Koran voor beginners is dan ook vooral bedoeld voor mensen die iets van bagage wensen juist waar de nuance ontbreekt of ongefundeerd fanatisme en vooroordelen de discussie beheersen. Echt klaar voor het moeilijke islamdebat of een filosofische dialoog over tolerantie, verdraagzaamheid en vrijheid binnen religie is men na het lezen van dit boek echter niet, maar dat is misschien ook niet het doel van deze inleiding. Wie daar behoefte aan heeft kan altijd nog Spinoza’s Theologisch-politiek traktaat of Lockes Brief over tolerantie ter hand nemen.

Zonder hemel geen land

De Deense filosoof, of digter, zoals Søren Kierkegaard (1813-1855) zichzelf noemde, kan inmiddels rekenen op een aanhoudende belangstelling binnen het Nederlandse taalgebied. Onder leiding van een groep Kierkegaardspecialisten wordt er hard gewerkt aan een moderne systematische vertaling van de Deense geschriften op basis van de kritische Deense uitgave Søren Kierkegaard Skrifter. Met De ziekte tot de dood is weer een deel verschenen in de reeks, maar niet bepaald het meest toegankelijke.

Kierkegaard werd in zijn geboortestad Kopenhagen meer bespot dan gelezen. Nauwelijks begrepen door zijn tijdgenoten observeerde hij de mens in de stadia op de levensweg en zo in zijn diepste wezen. Zijn uiterst scherpzinnige en prachtig geschreven teksten, waaronder zijn bekende Dagboeken, werden begin twintigste eeuw opnieuw ontdekt en begonnen langzaam maar zeker grote invloed uit te oefenen. Ondermeer de dialectische theologie van Barth en de existentiefilosofie van Heidegger en Jaspers zijn schatplichtig aan de Deen. Met De ziekte tot de dood voltooide Kierkegaard na Het begrip angst zijn tweede filosofisch-psychologische meesterproef.

Vertwijfeling
De ziekte tot de dood begint met een prikkelende aanhef, waaruit Kierkegaards schrijverstalent onmiddellijk blijkt. Hij grijpt de lezer vast met een beschouwing over de dood en opwekking van Lazarus zoals de evangelist Johannes die vermeldt. Wat baat het Lazarus dat hij uit de doden wordt opgewekt als zijn lot is uiteindelijk toch te sterven? We leren Kierkegaard kennen, of feitelijk het pseudoniem Anti-Climacus, als een christelijk psycholoog, die als tegenhanger van Johannes Climacus (‘de subjectiviteit is de waarheid’) bovenexistentieel opereert en de ‘objectieve mededeling’ niet schuwt.

Wat volgt na de aanhef zijn complexe inzichten over twijfel en vertwijfeling in verschillende lagen, waar zelfs het ondoorgrondelijke Hegeliaanse begrippenapparaat niet wordt geschuwd. Na de aantrekkelijke aanhef schrikken de ingewikkelde psychologische en antropologische uiteenzettingen wellicht af, maar wie de moeite neemt Anti-Climacus te volgen zal niet teleurgesteld worden. Bovendien leent de tekst zich uitermate om in gedeelten te lezen, omdat er in iedere alinea wel iets gebeurt dat het overdenken waard is.

Existentiële oefening
Het gehele werk biedt  een constante spiegel, waarin de lezer met zichzelf wordt geconfronteerd. Het centrale doel van Anti-Climacus is dan ook de lezer zich bewust te maken van zijn existentie. Hoewel de vertwijfeling een fundamentele en onuitroeibare ziekte van de geest lijkt, die het ‘ik’ of het ‘zelf’ van zijn vrijheid berooft, is juist die vertwijfeling de redding. Net als de angst in Het begrip angst is de twijfel namelijk geen deficiënt, maar eerder een uitdrukking van de volkomenheid van de menselijke natuur. De vertwijfeling kan pas overwonnen worden, door haar in haar diepst mogelijke vorm te aanschouwen en te bevechten. Wie denkt nooit te twijfelen, heeft zichzelf als zelf nog niet ontdekt. Maar hoe ontdekt men dan zichzelf? Misschien wel door zichzelf op te geven zodat men zichzelf opnieuw kan vinden. Of, nog een stap verder, door te erkennen dat het zelf zijn grond vindt in iets buiten dat zelf.

Met dit laatste inzicht blijkt dat we te maken hebben met een uiterst christelijk werk, waarvan Kierkegaard lange tijd heeft gedacht dat het hem definitief met de staatskerk in conflict zou brengen. Met enige regelmaat verweeft Anti-Climacus verzen van het Nieuwe Testament in zijn uiteenzetting. Een terugkerende tekst die een zekere kern aangeeft in De ziekte tot de dood is bijvoorbeeld Mattheüs 16:26: ‘Want wat baat het immers een mens als hij de hele wereld wint, maar zichzelf toch voorgoed verliest?’ In het licht van de eeuwige God wordt de vertwijfelde, begerige, zoekende mens een zondig mens. En alleen in dit licht kan de mens werkelijk bouwen aan zijn leven, omdat dit zelf dat zich tot God verhoudt, bouwt op een vast fundament dat niet de willekeur kent van allerhande onderling uitwisselbare postmoderne existentiële projecten.

Indirecte apologetische dialectiek
Hoewel Kierkegaard als filosoof een grondige hekel had aan apologetiek, kan de stijl en de bedoeling van Anti-Climacus als een indirecte apologetische mededeling worden opgevat. Zelfs als Anti-Climacus uitschreeuwt dat het buitengewoon dom is het christendom te verdedigen, omdat wie dat doet er nooit in heeft geloofd, is dat juist ter verdediging van het geloof.

Kierkegaard is in dit opzicht een vriend van de hedendaagse christen die een intellectuele gesprekspartner zoekt los van de traditionele apologetische retoriek die, zeker sinds de Kantiaanse ontmaskering van de kentheoretische grondslagen van de metafysica, vaak verzandt in cirkelredeneringen. Bij Anti-Climacus is de haast paradoxale synthese van de wording van het zelf tussen het eindige en oneindige echter het uitgangspunt, evenals de religieuze sprong krachtens het absurde zoals het pseudoniem Johannes de silentio in Vrees en Beven uiteenzet. Hiermee vermijdt Kierkegaard de klassieke apologetische valkuilen, zonder dat de metafysische boodschap aan kracht inboet.

Aan het einde van de tekst wacht de lezer een uitgebreid nawoord, dat als losstaand essay een verhelderende blik werpt op de tekst en op de moeilijkheden van de pseudonimiteit, zodanig, dat beginnende Kierkegaardlezers het beter als voorwoord kunnen lezen. Daarbij kan het sowieso geen kwaad om naast De ziekte tot de dood een verklarend woordenboek bij de hand te houden, of tenminste het telefoonnummer van iemand die Kierkegaard als afstudeeronderwerp heeft. Want Kierkegaard is en blijft een kameleon in schaapskleren die graag een wolf speelt.

Vriendschap zoals dat toen kon

Goethe en Schiller. Het verhaal van een vriendschap laat Safranski de twee achttiende-eeuwse Duitse grootheden van de letteren, kunst en filosofie samensmelten in een romantisch verhaal. De uitvoerige kijk in de geestelijke bloeiperiode van het Duitse rijk die Safranski schetst, doet soms verlangen er een onderdeel van te zijn.

Het verhaal van Goethe en Schiller is inmiddels talloze malen verteld en heeft menig student Duits aan een scriptie geholpen. Voor het Nederlandse taalgebied is in 2005 bij Damon een mooie compilatie verschenen van de uitgebreide briefwisseling tussen de twee Duitsers. Deze en andere briefwisselingen van Goethe en Schiller zijn de voornaamste bron van Safranski om het verhaal opnieuw te vertellen.

Haastige spoed…
Voordat we de vriendschap tussen beiden werkelijk zien bloeien, schetst Safranski eerst ruim honderd pagina’s lang de contouren waarbinnen de levens van beide meesters zich afspeelden. Aan de hand van belangrijke reizen, romances, dichterlijke werken en persoonlijke voorvallen leren we Schiller kennen als een man die hartstochtelijk zoekt naar erkenning en Goethe als een man die – zeer zelfbewust van zijn talent – overal een onuitwisbare indruk maakt. De vriendschap tussen beiden is nooit een vanzelfsprekendheid geweest, daarvoor lag hun levensovertuiging ook te ver uit elkaar. Goethe die de natuur als zijn vriend beschouwde tegenover Schiller die haar als vijand zag. Het duurde uiteindelijk tot 1794 voordat ze samenkwamen op basis van gelijkwaardigheid. Schiller wist dat hij Goethe nodig had voor het slagen van een ambitieus tijdschrift dat hij wilde opzetten, nodigde hem uit en na enige twijfel besloot Goethe mee te werken. Vanaf dat moment is er alle reden om elkaar geregeld te bezoeken en wordt duidelijk dat ze met hun intellectuele ontmoetingen en de vele brieven die ze elkaar schrijven een enorme aantrekkingskracht op elkaar uitoefenen.

Kakofonie van beroemdheden
Het aantal beroemdheden dat in het boek zonder al te veel toelichting passeert, is indrukwekkend. Fichte, Schelling en Hegel alsook Novalis, Herder, Humboldt en Schleiermacher zijn slechts enkelen die het toneelspel rondom Goethe en Schillercompleteren. Safranski geeft de lezer al snel het gevoel dat hier echt wat gebeurt: dit zijn mensen die, soms letterlijk, bezig zijn geschiedenis te schrijven. Hier blijkt soms ook de zwakte van het boek: het overzicht wil nog wel eens verdwijnen. Voor wie niet thuis is in de Duitse geschiedenis of filosofie, zorgen de vele gebeurtenissen, personages en plaatsen die Safranski onvermoeibaar blijft opsommen geregeld voor verwarring. Het werk is nadrukkelijk ook geen wetenschappelijke uitgave, ondanks de verzorgde bronnenlijst en literatuurvermelding. Safranski heeft hier een boek voor de liefhebber willen schrijven, die met enige kennis van zaken geschiedenis voor de ontspanning leest.

Vriendschap als spiegel
Hoe meer je al lezend de vriendschap tussen Goethe en Schiller wordt ingezogen, hoe meer de neiging ontstaat je eigen vriendschappen onder de loep te nemen of zelfs te vergelijken. De intellectuele kracht, de overgave, het respect en de hartstochtelijkheid waarmee beide mannen elkaar naderen werkt als een spiegel voor de moderne tijd waarin vriendschap soms zo eenvoudig inwisselbaar lijkt. Dat Goethe uiteindelijk de schedel van de jong overleden Schiller bijna een jaar lang in zijn bibliotheek heeft bewaard, maakt echter ook duidelijk dat het hier over echt andere tijden gaat.

Safranski opent zijn verhaal met een overgeleverde uitspraak van Aristoteles die ooit zei: ‘Beste vrienden, er is geen vriend!’. Hij had evengoed met een uitspraak van Aristoteles kunnen afsluiten: ‘Geluk, dat is filosoferen met je vrienden’. En juist dit kleine bijzondere geluk dat Goethe en Schiller hebben gekoesterd, weet Safranski prima over te brengen.

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2019 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved