Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Voor altijd weg: overwegingen bij de veroordeling van Debby R.

Debby R. gaat voor 16 jaar de gevangenis in omdat zij vorig jaar januari haar twee zoontjes in een vakantiehuis in het Gelderse Terwolde doodde. Dat heeft de rechtbank in Zutphen op 5 februari 2013 besloten.

Op 16 januari 2012 kiest R. om uit het leven te stappen. Ze besluit om haar twee zoontjes van 10 en 7 mee te nemen naar de eeuwigheid. Haar zoontjes sterven aan een overdosis medicijnen, zelf wordt ze zwaargewond gevonden door haar vriend en afgevoerd naar het ziekenhuis. Daar wordt ze gearresteerd voor dubbele moord met voorbedachte rade. In het ziekenhuis vertelt ze dat het haar bedoeling was met z’n drieën heen te gaan. In een gevonden afscheidsbrief lezen we het volgende:

“Dit is een voor-altijd-weg-brief. Ik ben al 41 jaar aan het vechten. Alles is mis. Ik ga naar mijn vader die neemt me niet in de zeik. Waarom ook de kinderen? Waar moeten ze heen? Naar hun vader die ze geestelijk mishandelt, bedreigt en zo? Ik kan ze niets bieden en echt gelukkig zijn ze niet; hun vader heeft ze alleen coke te bieden en net als ik veel schulden.”

R. heeft een blanco strafblad. Psychologisch onderzoek laat onder andere een laag zelfbeeld zien, borderline en theatrale trekken. Ze was toen recent gescheiden, raakte arbeidsongeschikt en had toenemende zorgen om de kinderen. Volgens het Pieter Baan Centrum allemaal stress-verhogende factoren die R. parten hebben gespeeld bij de daad. In 2011 deed R. overigens ook al een poging tot zelfmoord. Het advies is uiteindelijk verminderd toerekeningsvatbaar. De verminderde toerekenbaarheid sluit hier de strafbaarheid van de verdachte overigens niet uit. Debby R. vraagt tenslotte om tbs; het rouwproces is nog niet eens begonnen en ze weet zich geen raad meer.

De rechter wijst in navolging van het Openbaar Ministerie het verzoek om tbs af. De kans op ‘herhaling’ wordt gering geschat. Conform de eis van het OM wordt ze veroordeeld tot 16 jaren cel. In deze eis is zowel rekening gehouden met het blanco strafblad als de verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachte rade haar zoons van 10 jaar en 7 jaar van het leven heeft beroofd. De verdachte heeft opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg haar beide zoons een hoeveelheid medicijnen, waaronder diazepam en tramadol, toegediend, gegeven of laten innemen, tengevolge waarvan beide jongens zijn overleden.

Tot zover een beknopte samenvatting van een dramatisch verhaal, dat gedetailleerd is te volgen in de uitspraak van de rechtbank– en diverse verslagen (die ik hier als bron gebruik). Een en ander overwegend, kom ik hier tot verschillende opmerkingen, vragen en gedachten.

Enkele overwegingen bij de verdediging

De verdediging heeft gedurende het proces ervoor gekozen de nadruk te leggen op 1. dat de verdachte zich niet meer precies kon herinneren van wat er precies is voorgevallen[1] en 2. dat er geen sprake is geweest van voorbedachte rade, daar beide zoons zelf een initiatief zouden hebben genomen tot het innemen van de medicatie, waarna zij hen volgde. Bovendien zou de doodsoorzaak van een zoon (‘A’ in de stukken van de rechtbank) te wijten zijn aan een hartspierontsteking (terwijl er wel een dodelijke hoeveelheid toxicologische stoffen in zijn lichaam zijn aangetroffen).

Ten aanzien van dat eerste punt, levert de verdediging zich naar mijn idee te eenvoudig over aan de overweldigende hoeveelheid beschikbare feiten (afscheidsbrief, zoekopdrachten op een computer over overdosis medicijnen, verklaring in het ziekenhuis over het “waarom” enzovoorts). Het lijkt erop dat de verdediging het gebrek aan herinnering gebruikt om twijfel te veroorzaken over intentionaliteit van de verdachte, iets dat verder wordt aangevuld met punt 2. Maar ook dat punt bezwijkt a priori onder de gegeven feiten die vanuit redelijkheid niets aan onduidelijkheid omtrent oorspronkelijke intentie en motief overlaten. Bovendien zadelen ze zich op met een paradox, namelijk dat een zoon zelf bezig was met het nemen van een grote hoeveelheid medicijnen[2], maar tegelijkertijd zijn doodsoorzaak moet worden gezocht in een hartspierontsteking. Dat heeft veel weg van een toevalligheid die in juridische zin (sofistisch) gebruikt wordt om daarmee de doodsoorzaak los te koppelen van haar handelen.

Zou de verdachte hier daadwerkelijk haar oorspronkelijke intenties niet meer weten? In hoeverre beseft een verdediging niet dat de intenties van de verdachte door de feiten (zoekopdrachten op internet, afscheidsbrief, verklaring in het ziekenhuis) zonneklaar zijn? Deze tactiek lijkt mij de slechts denkbare. Waarom niet een volledige erkenning van het oorspronkelijke -dramatische- motief? De nadruk op gebrek aan kwade intentie zou een betere insteek geweest kunnen zijn. Hoe over te brengen dat deze daad van zekere uiterste wanhoop, geen daad van liefde was (dat door de tekst van de afscheidsbrief zou kunnen worden ondersteund)? Ontoegankelijk voor ons gemoed (en in strijd met onze ratio), maar vanuit het idee dat men zelfs bereid is geweest zijn eigen leven te geven (waaruit kan vloeien dat ze de kinderen een gelijkwaardig leven van ellende wilde besparen), hoe is dat dan expliciet als fundamenteel kwaadaardig te beoordelen? Het is weinig existentialistisch, maar vanuit een leven van tegenspoed, kan zich de (pathologische) idee ontwikkelen dat je dat een ander niet gunt. Ik laat een nadere uitwerking van dit idee rusten.

Enkele overwegingen bij de motivatie van de rechtbank

De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen sprake is geweest van enige mate van vrijwilligheid van de beide zonen. ‘De rechtbank leidt uit de aard van de verdachtes gedragingen, de (alles)bepalende en sturende rol bij de inname van medicijnen door [zoon A] en [zoon B], af dat de verdachte de slachtoffers opzettelijk om het leven heeft gebracht.’

Ten aanzien van het medicijngebruik wordt er gesproken over dat er sprake is geweest dat R. deze heeft ‘“toegediend en/of gegeven en/of (heeft) laten innemen”. Dat mag op zijn minst vaag worden genoemd. Wat mij verbaast is dat hier niet expliciet uit blijkt dat er sprake is geweest van dwang. ‘Toedienen, geven of laten innemen’ legt vanzelfsprekend de verantwoordelijkheid bij degene die dat bewerkstelligt, maar gaat tegelijkertijd uit van een subject zonder enige wil of zonder enige mogelijkheid tot verweer. Dit is te begrijpen vanuit de idee dat bijvoorbeeld de wet zou stellen dat een subject in de leeftijd van 7 en 10 dit (formeel) niet toekomt, maar dat stuit op praktische bezwaren en is vanuit een pedagogisch perspectief een uiterst twijfelachtig gegeven. Juridisch is ten aanzien van kinderen dwang nooit vereist bij schadelijke handelingen, maar het gaat hier over de mogelijkheid van ‘instemming’.

Er is niet alleen vanuit de literatuur wel degelijk sprake van een zekere wilsbekwaamheid tot een leeftijd van bijvoorbeeld 12 jaar, maar daarbij beroept ook de verdediging zich op ‘een eigen instemming van de jongens’, waarbij hun wil dus wel degelijk een factor van belang is. Wordt de moeder verantwoordelijk gehouden voor de gedragingen van haar kinderen, dan zou dit een buitengewoon merkwaardig verweer zijn en zou dit a priori weerlegd moeten worden. Maar dat lijkt niet aan de orde. Wat hier dus belangrijk is, waarom gaat de rechtbank voorbij aan explicitering omtrent de wijze van toedienen en formuleert ze het open in de zin van dat de verdachte heeft toegediend en/of gegeven en/of (heeft) laten innemen”?

Voorts, beide jongens waren zeer bekend met medicijngebruik[3]. Dat kan dus betekenen dat het toedienen hier gemaskeerd is gebeurd zonder medeweten van beide jongens, dan wel dat ze het wél hebben geweten en daadwerkelijk hebben ingestemd (zonder zich te verzetten) dan wel dat ze het hebben geweten, maar de gevolgen niet hebben kunnen overzien. Dat laatste is een punt van discussie, in hoeverre dat daadwerkelijk een waarschijnlijke mogelijkheid is. Daar de rechtbank de tweede genoemde mogelijkheid uitsluit, zou zij op zijn minst moeten expliciteren hoe de medicijnen precies zijn toegediend, aangezien het wat mij betreft in een lijn der verwachting ligt dat bij het ongemaskeerd toedienen (laten innemen) van een grote hoeveelheid pillen[4] enige mate van verzet te verwachten was geweest. Of althans, hier zou de verdediging zich toch op kunnen beroepen daar dit een cruciaal punt is. Dus: Waar bewijst de rechtbank hier dat er geen sprake geweest kan zijn van enige instemming van de jongens, en waar sluit ze uit dat de jongens bijvoorbeeld niet onder een ‘act van loyaliteit’ hebben ingestemd? Los van ons gevoel over verantwoordelijkheid van een moeder voor haar kinderen, mag dat hier juridisch veel steviger onderbouwd worden. 

De motivatie van de rechtbank komt mij hier te axiomatisch voor, waarbij deze axioma’s wel het gevolg geven dat de verantwoordelijkheid in zijn geheel bij de verdachte wordt gelegd, terwijl er juist vanuit dit perspectief de mogelijkheid bestaat dat er wel degelijk sprake is geweest van enige instemming (waarbij dus achterliggend de vraagt ligt hoe wij deze instemming zouden moeten wegen).

Enkele overwegingen en open vragen in algemene en ethische zin

Het meest bevreemdende en ergens ook meest verontrustende gegeven is echter het feit dat iemand een handeling heeft verricht met het idee daaraan te sterven, zich geconfronteerd ziet met de louter toevallige mislukking hiervan en vervolgens een realiteit tegemoet treedt waarbij niet alleen haar twee zoons verloren zijn gegaan, maar zij zelf ook nog eens 16 jaren lang de gevangenis in moet en zich moet leren verhouden tot dat feit, want de staat staat haar zelfmoord niet toe.

Gevoelsmatig had ze de dood aanvaard, en leek niets de dood in de weg te staan. En dan lijkt het alsof ze wakker wordt en voor de troon van God staat die zegt: ‘je bent weliswaar overleden, maar daarmee vervalt niet je verantwoordelijkheid’. Het lijkt dat we hier een oordeel hebben waar het ons aan ontbreekt wanneer iemand overlijdt bij een gruwelijke daad, maar waar dat oordeel net zo goed op van toepassing is. Hoe vaak hebben we niet gelezen, zaken als:

Bij een familiedrama heeft een vader zijn beide kinderen en zichzelf om het leven gebracht. De politie vond vandaag de lichamen van een meisje van twee en een jongen van vijf in een woning (…)

 Of:

Vader doodt vrouw, kinderen en zichzelf-
De man zou zijn vrouw en kinderen om het leven hebben gebracht, daarna brand hebben gesticht en zichzelf van het leven hebben beroofd. De politie gaat er niet vanuit dat iemand anders de brand heeft veroorzaakt.

Vragen

Schudden we dan niet ons hoofd, zonder dat we daarbij de afschuw ervaren die ons overvalt wanneer de dader er niet voor kiest zijn eigen leven te nemen. In hoeverre is de term ‘familiedrama’ niet misleidend of wellicht juist een uiting van onze berusting? Wat doet het gegeven dat iemand zijn eigen leven niets meer waard vindt, met ons idee van ‘moordenaar’, waarbij het ook nog eens gaat over de verhoudingen tussen vader en zoon, moeder en zoon. (Hoe) moet het recht zich verhouden tot ontoegankelijke emoties? Welke wanhoop ligt eraan ten grondslag wanneer iemand ervoor kiest zijn eigen kinderen om te brengen? Of is het egoïsme, een fundamenteel onbegrijpelijk egoïsme? En wat is laffer? Te blijven leven, of jezelf te doden? Kunnen wij spreken van slechte redenen om jezelf van het leven te beroven? Bestaan überhaupt slechte redenen voor zelfmoord? Misschien niet. Maar er bestaan wel slechte redenen om je kinderen te vermoorden. Hoe zouden we die redenen anders kunnen begrijpen dan vanuit wraak of egoïsme? Maar kunnen we wraak en egoïsme begrijpen vanuit een perspectief van iemand die weet dat hij er zelf niet meer zal zijn? En omgekeerd: zouden we kunnen begrijpen dat iemand het uit liefde doet? Is dat voorstelbaar?

In het geval van Debby R. geeft de toevallige mislukking -als naargeestige variant op Thomas Nagels ‘morele pech’-de mogelijkheid tot straf, waarvan wij ons kunnen afvragen welke zin deze straf feitelijk heeft. Gelet op de drie hoofddoelen van straf, te weten vergelding, preventie (afschrikking) en beveiliging, lijkt hooguit ‘vergelding’ verdedigbaar. Maar dan is het wel de vraag, hoe dat hier verdedigd wordt.

Iemand met een doodswens lijdt klaarblijkelijk zo ernstig onder het leven, dat een gevangenisstraf met het doel ‘iemand in leven te houden’ iets onmenselijks heeft, of dat we toch ergens hier een vreemde paradox gevoelen.

Het ligt niet voor de hand dat de doodswens minder of verdwenen is, indachtig de mislukte zelfmoordpoging in 2011 en indachtig de door toeval niet gelukte zelfmoordpoging samen met de jongens. Bedenk daarbij ook het effect van de kennis van de feiten dat ze haar jongens vermoord heeft en dat ze opgesloten wordt (opsluiting, wat volgens Plato de ergste geestelijke straf is). Het lijken eerder redenen die op enig moment bijdragen aan vernieuwde pogingen zich van het leven te beroven. Wat gaat hier nog de wil tot leven worden in dit leven? En welke mogelijkheden biedt de staat (samenleving) hier om gedurende een gevangenisstraf iemand te begeleiden? Zover bekent vrijwel niets en dat is op zijn zachts gezegd zeer vreemd.

Alle overwegingen tezamen, mag het hier en daar misschien aanvoelen als een verzachtend pleidooi voor een onmenselijke daad. Dat is niet de bedoeling. Met betrekking tot bijvoorbeeld de kwestie van de ‘instemming’ is het vooral een formele interesse en een roep om explicitering. Ik heb ook geen aandacht besteed aan het enorme leed van de nabestaanden, waar geen twijfel over bestaat.

Ik heb vooral enkele kanttekeningen gemaakt, die nopen tot nadere en verdere overweging. Wat mij betreft is dit dan ook een eerste aanzet tot doordenken over een bijzonder –en in strafrechtelijke zin toch zeldzaam- fenomeen, waar het idee bij mij bestaat dat het recht en het systeem erom heen niet in zijn geheel de juiste instrumenten tot hun beschikking hebben om gelet op de (ethische en emotionele) complexiteit voldoende recht te doen aan wat hier werkelijk is gebeurd en wat er werkelijk achter steekt.

 


[1] Raadsman van R: ‘Heb je er zelf een verklaring voor dat je je nu minder herinnert dan tijdens de verhoren?’
R. antwoordt dat dit wellicht komt doordat zij veel antipsychotica slikt.

[2] ‘De verklaring van de verdachte dat [zoon A], korte tijd nadat hij enthousiast uit school was gekomen, het initiatief tot het beëindigen van hun levens zou hebben genomen, dat hij al bezig was de medicijnen in te nemen toen zij de hond had uitgelaten en dat [zoon B] en zij hem daarin zijn gevolgd, acht de rechtbank in het licht van al wat uit het onderzoek naar voren is gekomen niet aannemelijk geworden.’

[3] Onderzoek heeft uitgewezen dat naar aanleiding van een kinderpsychiatrisch onderzoek met als uitkomst dat bij [zoon B] sprake was van een autismespectrumstoornis aan hem Dipiperon, Ritalin en melatonine werden voorgeschreven. Bij [zoon A] is de diagnose ADHD van het gecombineerde type vastgesteld en ook aan hem werden Dipiperon, Ritalin en melatonine voorgeschreven.

[4] De verdachte heeft – in samenvattende zin – verklaard dat zij, [zoon A] en [zoon B] op 16 januari 2012 ‘s middags pillen hebben ingenomen en dat het daarbij onder meer ging om Tramadol 100 mg en Diazepam 10 mg. Zij denkt dat zij veertien à vijftien lege strips in de prullenbak heeft gedaan. Toen de kinderen moe waren geworden zijn zij op het bed gaan liggen in haar slaapkamer. Later is zijzelf ook op bed gaan liggen tussen [zoon A] en [zoon B] in. Op een gegeven moment is zij wakker geworden en heeft zij bij haar kinderen geen hartslag meer gevoeld. Zij heeft zichzelf vervolgens gesneden. Ook heeft de verdachte verklaard dat zij uit het leven wilde stappen samen met haar kinderen en dat zij niet wilde dat haar kinderen naar haar ex gingen.

Naschrift: Er zal een hoger beroep dienen.

Hoger beroep is inmiddels geweest. Opmerkelijke draai op basis van ‘nieuwe inzichten bij deskundigen’. 8 jaar cel en TBS.

Zie voor uitspraak:
https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2013:9368&keyword=Overdosis+medicijnen

Lees ook ‘gelijksoortige’ zaak:

https://www.ad.nl/apeldoorn/hof-veroordeelt-moeder-tot-12-jaar-cel-voor-doden-van-haar-twee-kinderen~adb0985c/

 

Sociale media, recht en vergelding: Een mishandeling in Eindhoven als uitgangspunt van overweging

Sociale media, recht en vergelding: Een mishandeling in Eindhoven als uitgangspunt van overweging.

De dramatische mishandeling in Eindhoven heeft alles in zich om zelfs de meest beschaafde burger te verleiden tot het toestaan van primitieve gevoelens of uitlatingen. Voor een belangrijk gedeelte is dat te verklaren door de heftige beelden, die niet veel aan de fantasie overlaten. De schoppartij is van zodanige barbaarse orde, dat het voorstelbaar is dat ook vrome burgers even bij zichzelf de rem er af halen, en in stilte denken: mij kan geen straf erg genoeg zijn. Om zich vervolgens weer met een diepe zucht over te geven aan de beginselen van de rechtsstaat. Want zo hoort het natuurlijk: de Staat vergeldt, de Staat beschermt.  Toch heeft het Openbaar Ministerie het nodig gevonden deze beginselen nog even te benadrukken:

De verontwaardiging in de media en op internet over dit ernstige strafbare feit is begrijpelijk, maar het mag niet betekenen dat de normale rechtsgang hierdoor verstoord wordt. Het is niet de bedoeling dat burgers het recht in eigen hand nemen. De beslissing over de schuldvraag is voorbehouden aan de rechter. (bron)

De overbodigheid van deze waarschuwing, waar geen enkele kracht van uitgaat, spreekt voor zich. Het Openbaar Ministerie toont hiermee echter wel aan hoezeer ze feitelijke worstelt met de vraag hoe ze zich moet verhouden tot de sociale media. Het ligt namelijk niet voor de hand dat het OM de getoonde verontwaardiging werkelijk op prijs stelt, laat staan begrijpt. Op de eerste plaats omdat verreweg de meeste verontwaardiging van het zelfde primitieve niveau is als de barbaarse daad en op de tweede plaats omdat sociale media de rechtsstatelijke grondbeginselen en de rechtsgang wel degelijk belemmeren.

De sociale media als relatief nieuw fenomeen laten denken aan een soort status naturae, een natuurstaat. In deze staat is er geen orde, zijn er geen duidelijk afgesproken regels, is er geen toezicht en is er nauwelijks mogelijkheid tot repressie. Allerlei verworvenheden van de hedendaagse beschaving lijken te ontbreken. Het is een toestand van permanente primitieve opwinding. En in deze toestand bestaat er op ieder willekeurig moment de mogelijkheid van allen tegen allen, zonder dat dit geremd kan worden. Of nog dramatischer, de toestand van allen tegen enkelen.

Het bekendmaken van de identiteit van de mogelijke daders, is daar een uiting van. Dat is een typisch geval van allen tegen enkelen. Er is geen mechanisme dat in staat is dat af te remmen, en buiten de overweging van censuur lijkt dat ook onmogelijk. Het is een onomkeerbaar, ondubbelzinnig en onbeheersbaar fenomeen, dat -met betrekking tot dit Eindhovens geval-aangedreven wordt door een primair onrechtvaardigheidsgevoel. Dat gevoel was er natuurlijk altijd al, maar sociale media tonen dit in de volle omvang en maken het collectief.

Deze sociale media hebben zich daarmee als vanzelf het recht toegeëigend om een identiteit bekend te mogen maken, vanuit een idee dat iemand die mogelijk kwaad heeft gedaan een fundamenteel recht heeft verspeeld: namelijk het recht op privacy. Feitelijk vervalt zelfs per direct het recht op een ‘normaal’ leven. Het strafblad is als het ware geschreven, alvorens de straf is uitgesproken.

Het hele fenomeen wordt daarbij versterkt, doordat de sociale media ‘niemand’ is. Doordat talloze personen meehelpen iets te verspreiden, is er niemand persoonlijk verantwoordelijk voor het opheffen van bijvoorbeeld het genoemde grondrecht. En er is niemand direct verantwoordelijk voor vele negatieve gevolgen, bijvoorbeeld dat de verkeerde persoon is genoemd of dat er een grote anonieme heksenjacht ontstaat. De massa maskeert de individualiteit, wat precies voor een individu een reden is mee te doen aan iets wat feitelijk veel reflectie vraagt. En zo ontstaat er iets wat lijkt op de vermenigvuldiging van bacteriën: het gaat in een razend tempo en het is al snel niet meer te overzien.

Interessant daarbij is overigens dat het Openbaar Ministerie zelf gebruik maakt van de kracht van sociale media om opsporing te bevorderen, maar tegelijkertijd grote neveneffecten niet in de hand kan houden. De oproep om te stoppen met het verspreiden van de namen van verdachten heeft daarmee iets komisch, maar vooral iets tragisch. Is het Openbaar Ministerie immers niet zelf  verantwoordelijk voor het feit dat een rechter de negatieve gevolgen van de sociale media zal meewegen in zijn strafmaat? Wie besloot ook weer de beelden vrij te geven? Is het naïviteit of wordt er stiekem vooruit gedacht…

Want voor de toekomst lijkt er namelijk maar één zinvolle weg mogelijk om uit deze spagaat te geraken. Binnen het strafrecht zullen sociale media als fenomeen volledig moeten worden geaccepteerd, zonder dat daarbij dus de negatieve consequenties een groot effect hebben op de strafmaat, als bewezen wordt dat er zich daadwerkelijk een ernstig feit heeft voorgedaan. Dat zal meer en meer gemotiveerd worden vanuit de redenering dat iemand die een ernstig delict pleegt daarbij kan weten (op de koop toeneemt) dat sociale media hem zullen veroordelen. Oftewel: bij een foute handeling hangt niet enkel de strafwet boven het hoofd van een potentiële delinquent als afschrikking, maar ook een mogelijk verregaande sociale represaille. Het beginsel wordt dan simpelweg:

Iedere burger wordt geacht de wet te kennen en iedere burger wordt geacht te begrijpen hoe (sociale) media functioneren.

Onbekendheid met het bestaan of met de inhoud van deze wetmatigheden vormt dus nooit meer een verontschuldiging voor overtreding van de wet en kan ingeval van strafbepaling dus nooit leiden tot straffeloosheid. En als er met een primitief gevoel mag worden geëindigd: de Eindhovense casus kan uitstekend fungeren als voorbeeldzaak waarbij de negatieve gevolgen door sociale media geen enkele invloed hebben op de strafmaat. Die niet hoog genoeg kan zijn.
_______________________

Kijktip: Pownews 15 februari 2013.  Brett Smits toont spijt in een interview. Hoe verhouden wij ons daartoe?

Lees ook:

Naschrift bij ‘Sociale media, recht en vergelding’: een discussie

Een hypocriete strijd tegen hypocrisie: de Dove-campagne onder de loep

Over het algemeen heeft het niet zoveel zin om intellectuele kracht in te zetten tegen commercials. Toch, de nieuwste reclame van Dove is zo een weerzinwekkende aanslag op de geest, dat deze wel in verzet moet komen.

De betreffende reclame houdt zich bezig met een soort shampoo, en voert daartoe een mooie vrouw op in de kracht van haar leven die in het Engels mijmert over de mooie dingen van het bestaan. Ze danst en ze spreekt over kleuren en gevoelens. Rood staat bijvoorbeeld voor passie, en dat zit ook in haar karakter. En bij blond voelt ze zich bruisend en meisjesachtig. Iedere kleur kent zijn eigen gemoed. En dan volgt de bekentenis, de schok, het ogenblik: ze is blind. Ze is blind, maar ze geniet van haar mooie gekleurde haren, en Dove zorgt ervoor dat haar kapsel mooi blijft stralen.

De strategie van Dove is al sinds 2004 hetzelfde. Voornamelijk omdat het werkt. Dit cosmeticamerk staat voor zuiverheid, puurheid en echte schoonheid. De strategie van de marketingafdeling is dan ook bekend. Het gaat er om dat zoveel mogelijk ‘echte’ vrouwen het idee krijgen dat ze verbonden zijn met een merk dat zich bekommert om ‘echte’ vrouwen. Naast de bekende filmpjes zit daar ook een duidelijke en niet onsuccesvolle community-strategie achter. Echte, normale, gewone en spontane vrouwen worden daar dag in dag uit bestookt met teksten als:

Dag dames! Ik ben Laura, de community manager in Nederland voor de Echte Vrouwen-community van Dove. Hoe vinden jullie het om hiervan deel uit te maken? Ik ben heel erg benieuwd naar jullie reacties, dus praat gezellig mee!

Of:

We zijn op zoek naar 10 moeders met tienerdochters! Wil jij ons actief helpen om het zelfbeeld te verbeteren van meisjes? Uit wereldwijd onderzoek blijkt dat vriendinnen en moeders de meeste invloed hebben op de gevoelens over schoonheid en het lichaamsbeeld van vrouwen. Stuur een mailtje naar dovenederland@gmail.com met je gegevens en vertel waarom je graag mee wilt doen!

De suggestie die constant als een zweem boven iedere Dove-campagne hangt is dat er zoiets bestaat als oprechte marketing. Dat er daadwerkelijk ethisch verantwoorde reclame gemaakt wordt, en dat daartoe het werkelijke doel (namelijk zoveel mogelijk mensen aan een of ander cosmeticaproduct helpen) in wezen niet zo belangrijk is. Terwijl het daar uiteindelijk alleen maar om draait. Dat is natuurlijk precies het doel van marketing en reclame, maar het is ook precies waarom deze campagnes zo weerzinwekkend zijn. Als dit niet was aangeslagen, was deze strategie zo weer ingeruild voor iets anders. Maar het is wel aangeslagen. Omdat achteloze vrouwen nu eenmaal gevoelig zijn voor een goed gespeelde eerlijke boodschap.

Echte schoonheidEn nu is er zelfs schaamteloos gebruikgemaakt van een gehandicapte vrouw die- na een ongetwijfeld lange casting-  een volstrekt op zichzelf staand verhaal vertelt, maar uiteindelijk prima past in het beeld wat de fabrikant graag naar voren wil brengen. Zij durven eerlijk te zijn en grenzen te doorbreken. Zij strijden tegen de hypocrisie van de reclamewereld. En dat verdient respect. En daarom krijg jij dadelijk dus een warm gevoel bij dat product. Want wat was het een mooi Oscar-moment in die reclame! En de community spreads the word en klikt op like en zo voelt men zich weer serieus genomen door de wereld van de commercie.

Maar die mensen zouden eens moeten weten dat de producent van Dove, namelijk Unilever, zomaar ook de producent is van bijvoorbeeld AXE. Ja, van de reclames waarbij de vrouw niet ernstiger als cliché kan worden weggezet en louter dient als lustobject voor de nerd die zich onderspuit met chemische geurstoffen. Want de kopertjes van AXE, dat is namelijk een hele andere doelgroep- en die zitten niet zo te wachten op slap geklets als ‘wij gaan voor echte schoonheid’. Nee, om daar wat voor te verkopen, moet gewoon ouderwets een blik stoeipoezen worden opengetrokken die geen moeite hebben om als domme objecten rond te rennen in bikini’s.

Het is dat de reclamecodecommissie zich waarschijnlijk niet kan uitspreken over het al dan niet oprechte karakter van een fabrikant. Maar misschien zou ze dat wel eens moeten doen om zo deze systematische misleiding van naïeve vrouwen voorgoed uit te bannen.

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2021 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"