Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Verzet en verdediging tegen Permission Machine. Deel II: Het Morele Appèl

Deel II: Het Morele Appèl

Ten geleide.

Onderstaande lange verdediging is een antwoord op eerdere correspondentie die ik had met Gunter Luyckx. Gunter Luyckx is de ‘CEO’ van Permission Machine. Het is niet noodzakelijk om deze lange eerdere correspondentie te kennen om mijn verdediging te kunnen volgen en er enig plezier aan te beleven, ondanks de tragische aanleiding (zoals ik hier uiteen heb gezet).

Deze Luyckx (hier op beeld (Noot, november 2019. Vrij vlot na deze link ging het beeld offline: wat duister is, verdraagt het licht kennelijk heel erg slecht) heeft er schik in gehad mij te antwoorden en ik vraag me af hoe ik deze man nu moet typeren. Ik kom er niet goed uit. Als je hem in een café tegenkomt lijkt hij wellicht zomaar de eerste beste bezopen drinkebroer waar je een avond schuine moppen mee kunt tappen. Hij zou goed de hele avond over damesvoetbal kunnen lullen, zijn hobby; om naar te kijken dan. Maar als ‘CEO’ van Permission Machine zou hij ook zomaar een wolf in schaapskleren kunnen zijn die maar één doel heeft, en dat is linksom of rechtsom geld binnenharken en nietsvermoedende goedbedoelende particulieren onder druk zetten. Gewoon omdat het kan.

Ik ben alles afwegende toch genegen om medelijden te hebben met deze man die om welke reden dan ook in een systeem is gesukkeld waarbij iedere vorm van morele overweging overboord moet worden gegooid om te kunnen blijven voortbestaan. Gunter Luyckx kan niet meer terug en is gevangen in het auteursrechtenweb dat misbruikt wordt door grote bedrijven zoals het ANP. En het ANP heeft er kennelijk beleid van gemaakt om zo slinks als mogelijk geld binnen te harken voor foto’s die normaal gesproken geen enkele waarde vertegenwoordigen. Kleine visjes pakken. Goede trouw afstraffen. Arme Gunter dat hij hier aan mee moet doen om zijn boterham te verdienen! Een tragische figuur zonder weerstand, een bleek weekdier, een ongelukkige antiheld en een eenvoudige zetbaas die je alle kanten op kunt duwen, omdat zijn morele weerstand is gebroken.

Nu juist het appel op het morele, niet zozeer op het juridische, is de kern van onderstaande verdediging.
Het vormt ook het sluitstuk van de wijze waarop ik de schikking heb vormgegeven, namelijk door deze Gunter het aanbod te doen zonder enige verplichting mee te doen aan het steunen van een goed doel. Juist omdat ik overwegend medelijden met hem heb gehad en het me duidelijk werd dat de juridische strijd over deze idiote afbeelding tijdrovend en mogelijk teleurstellend zou kunnen verlopen. Ik heb gepoogd zijn morele besef aan te wakkeren, zover dat niet morsdood was.

Hoe dat is afgelopen kunt u hier lezen in de derde en laatste bijdrage.

________________________________________

Verzet en verdediging tegen Permission Machine in de gedaante van Gunter Luyckx
Met ironie beladen en door ernst gevormd

Geachte heer Luyckx, en anderen die het interesseert in hun vrije uren,

Onderstaand heb ik de tijd genomen om te antwoorden op alles wat relevant is in deze tragisch-komische ontmoeting van twee mensen die elkaar ook gewoon met rust hadden kunnen laten. Als u de vrije tijd mist dit goed in u op te nemen, dan verwijs ik bij deze naar de laatste alinea’s ‘Hoe komt dit alles nu tot een einde?’. Een vlotte reactie op die alinea’s is het enige wat is verlangd voorts.

Een en anders dient ter vervanging van al het eerdere, maar zeker ook als vermetele poging u te overtuigen van het feit dat de reden van al deze moeite grondt in volkomen verkeerde prioriteiten, verkeerde aannames en een mensbeeld dat stoelt op wat de Franse filosoof Jean-Paul Sartre noemt mauvoise foi. Als u het mij vraagt dan. Ik zal dat proberen zo helder mogelijk toe te lichten.

U bent misschien een geharde rechtspositivist van het nagenoeg uitgestorven soort, en in dat opzicht is er een mogelijk mandaat om eindeloos en misschien zelfs schaamteloos brood te verdienen, ik zal daar zoals eerder aangegeven morele, broodnodige morele opmerkingen aan toe voegen. Die lopen voor mij vervolgens over naar het recht, in de zin dat ik daar ook rechtvaardigheid onder versta. U interesseert het recht, mij de rechtvaardigheid. Dus niet alles zal sec juridische kracht hebben, maar dat is ook niet mijn insteek. En allicht op het toppunt van vergane glorie, dura lex sed lex, maar lees veel beter Marcus Aurelius als u graag de oude Romeinen aanhaalt:

‘Kenmerkend voor de redelijke ziel zijn ook naastenliefde, waarachtigheid, zelfrespect en dat zij haar eigen zuiverheid als het hoogste goed beschouwt. Dat is trouwens ook een kenmerk van de wet. In dat opzicht is er dus geen verschil tussen juist denken en rechtvaardig denken.’ (Ta eis heauton, XI, I).

Ik zie mij zelf als volkomen redelijk en daarom is het schikkingsvoorstel ook zo onwaarachtig. Dat is vrij eenvoudig te begrijpen. Als ik namelijk toegeef aan een of ander voorstel, betekent dit dat ik op de een of andere wijze instem met een immoreel systeem dat in bijzondere zin niet te begrijpen is, daar waar het recht m.i. zich juist aan gewone burgers zonneklaar moet uitleggen. Het is een systeem waarin het loont om te misleiden, waarin waardeloze troep kan worden getransformeerd tot peperdure ambacht, omdat het nu eenmaal in een licentiecontainer is gedumpt.

Een systeem ook dat mensen oneigenlijk hard raakt en op zo’n wijze dat het geenszins in verhouding staat tot de zogenaamde schade die ze zouden hebben veroorzaakt. Over dat laatste kom ik nog te spreken. Maar het begint wat mij betreft allereerst, en dat is hier de menselijke maat, bij inlevingsvermogen, een persoonlijke blik en een in algehele zin redelijke afweging, wanneer je met behulp van techniek probeert geld te verdienen op basis van een ongetwijfeld zinvolle grondslag in de wet ook anno 2019, namelijk het auteursrecht. Een recht dat alles in zich heeft om met valse intenties ergens heel veel uit te halen en mensen die behoren te spreken liever laat zwijgen. Dat moet ook wel als je foto’s logischerwijs doorgaans nauwelijks iets waard zijn en niemand er meer dan een euro voor zou willen geven. Tragisch, maar dat is de realiteit onder fotografen. Dat weet u, dat weet ik. En heus niet omdat reeds verkochte foto’s onschuldig hier en daar nog eens opduiken, maar omdat het een noodzakelijk gevolg is van techniek.

Ik lees nota bene het volgende in interviews, dat verschillende serieuze klanten die u bedient of bediend heeft absoluut niet het oogmerk hebben om ‘Jan met de pet uit te kloppen’. ‘Sociale gevallen of kleine zaken laten we vallen’, zegt ene De Vinck van Photo News. ‘Het is zeker niet de bedoeling om via dit systeem de kleine garnalen aan te pakken’, zegt ene Philippe François, van Belgaimage.

Dat zijn waarachtig wijze woorden, waar u een goede les aan heeft zich dat ook uiteindelijk zelf aan te trekken. Want als er dan een opdrachtgever aanklopt die klaarblijkelijk wel de bedoeling heeft om onbeduidende spelers aan te pakken, goedbedoelende bloggers, mensen die op vrijwillige basis hun stukjes schrijven voor de lokale schaakvereniging, liefhebbers die voor 30 voorbijgangers per maand hun liefde delen over golf of plantjes en beestjes, dan zou het ongelofelijk sieren dat vriendelijk te weigeren.

Immers, wie wil zo zijn? Wie wil iemand die er vreugde in schept volkomen onbeduidende spelers te pakken als vriend hebben? Ik moet denken aan een grote stoere sterke jongen. Afgestompt en ongevoelig geworden, omdat iedereen hem haat. En die grote jongen voelt zich alleen nog maar fijn wanneer hij weer iemand waarvan hij weet dat deze zich nauwelijks zal verweren een pak slaag heeft gegeven. Gewoon omdat het kan. Maar niet alles wat kan moet. Niet alles wat kan hoeft. En daar gaat het hier om in grote lijnen.

Ik stel het volgende adagium even voor.

‘Het is in beginsel immoreel iemand die te goeder trouw is pijn te doen.’

Met betrekking tot het adagium zou ik beweren niet alleen immoreel, en welke ongelukkige kan het er mee oneens zijn, maar ook in beginsel onrechtmatig. In bepaalde omstandigheden geloof ik, wordt iemand die uitgaat van een verkeerde voorstelling van de rechtsverhouding toch beschermd door het Nederlandse recht, mits hij te goeder trouw is. In mijn geval beweer ik te goeder trouw te zijn en bovendien geen kwade opzet te hebben gehad. Wat betreft de goede trouw, ik heb nota bene jullie tracking-activiteiten diverse malen waargenomen op mijn website bij het betreffende artikel en op grond daarvan op 23 april 2019 11 minuten lang volgens mijn internethistorie jullie website bekeken en doelstellingen gelezen. Ik heb geen enkel vermoeden gehad dat ik hier iemand ‘schade’ aan het berokkenen was of zou hebben berokkend, laat staat dat ik iets onoorbaars zou hebben gedaan. Voor mij is dat op zijn minst een voldoende bewijs van goede trouw, hoewel ik natuurlijk heel goed mijn eigen gedachten ken en daarvan weet dat er sowieso geen enkele twijfel over bestaat. Daarnaast wijs ik er graag op dat onachtzaamheid iets anders is dan goede trouw.

U stelt met betrekking tot dat laatste in uw schrijven, waar het ook gaat over het ontbreken van enige opzet mijnerzijds: ‘Opzet of intentie speelt geen rol inzake auteursrechtelijke inbreuken; wat ook logisch is, aangezien iemands opzet vaak vrij moeilijk aan te tonen is.’

Dit is een klassieke drogredenering. Iets is niet logisch omdat iets vrij moeilijk is aan te tonen. Of erger nog, omdat iets moeilijk is aan te tonen -dus niet onmogelijk- komt er voor het gemak een containerbegrip zoals wat u noemt ‘objectieve aansprakelijkheid’. Ik kom deze termen, maar ik ben dan ook godzijdank filosoof en geen advocaat, alleen maar in het Belgische recht tegen en kan in de Nederlandse rechtspraak, buiten het strafrecht waarin geobjectiveerde bestanddelen een rol hebben, geen directe verwijzing vinden naar deze manier van kijken naar de werkelijkheid. Maar ook hier even los van het recht, de absurde gevolgen van een dergelijke opvatting laten zich niet moeilijk voorstellen en geven aanleiding om iedere ongelukkige handeling te juridiseren. En waarom het auteursrecht daarin iets bijzonders is, ontgaat mij volkomen, want in talloze andere gevallen zou dit totaal onacceptabel zijn. In de normale intermenselijke omgang zou een dergelijke opvatting een totale onwerkbare en onwenselijke samenleving met zich meebrengen bovendien.

Laat ik het eens ironisch zeggen omdat het allemaal zo tragisch is. U vergeet een keer per abuis het toilet door te spoelen, of dacht dat u het toch netjes gedaan had, en krijgt uit het niets een ziedende vrouw op uw dak met een heleboel moeilijke babbels. U heeft een ernstige inbreuk gemaakt op haar rechten in een propere omgeving te kunnen toiletteren en zij lijdt hierdoor schade, roept ze. Alle extra moeite, het zelfs tweemaal moeten doorspoelen en wat niet meer is! Ze stelt voor om € 250 uit uw portemonnee te grissen en dan is ze nog mild in de schade die u haar berokkend heeft.

Dat brengt mij tenslotte op het hele probleem van de zogenaamde schade. Want daar draait het toch ook om per slot van rekening. Het ANP lijdt schade door Stephan Wetzels. Het ANP lijdt schade door Stephan Wetzels!

U moet het met me eens zijn dat het onmogelijk is om als weldenkend mens dit met droge ogen een aantal malen achter elkaar hard op te zeggen. Het is namelijk even lachwekkend als dat het klinkt. Het zou hooguit nog lachwekkender kunnen worden als iemand hier ook een eens een hogere morele zaak in zou zien. Het fossiele auteursrecht in zijn huidige vorm is filosofisch net zo problematisch als het oude recht op absolute privacy in een open digitale wereld waarin iedereen participeert. Antieke manieren om iets te beschermen zijn al talloze malen gesneuveld en dat zal, geloof mij, ook voor uw huidige verdienmodel gelden, zolang u ook heil zoekt te verdienen aan het onbeduidende in plaats van alle energie te besteden aan het moedwillig op grote schaal misbruiken van auteursrechtelijke beschermde afbeeldingen. Alsof u met een wattenstaafje een olifant gelooft schoon te krijgen. Nu ja, zo iemand -en natuurlijk gelooft hij niet dat de olifant schoon wordt- heeft inderdaad voor de rest van zijn leven werk! Hoe nobel.

Uiteraard heeft het recht in zijn gemakzucht wat algemene zaken en richtlijnen in de weer, maar wat mij betreft behoort het recht nooit gemakzuchtig te zijn, maar ook en bovenal in het licht van rechtvaardigheid moet het stoelen op redelijke en objectieve grondslagen. Als het hele verweer van de goede trouw en het gebrek aan opzet niet slaagt om welke voor mij onbegrijpelijke redenen dan ook, dan moeten we vaststellen op welke manier een onrechtmatige daad tot daadwerkelijke schade heeft geleid. Schade die ik voor het gemak even definieer als het verschil tussen de actuele toestand van het slachtoffer, de arme fotograaf derhalve, en de hypothetische toestand waarin deze zich zou bevinden indien de onrechtmatige daad niet door mij zou zijn gepleegd.

Ik laat de foto even op me inwerken en kijk en kijk, en kijk. Kijkt u mee. Ik citeer de afbeelding even, gemaakt door Rob Engelaar voor de monopolist ANP:

https://www.anpfoto.nl/search.pp?page=1&ShowPicture=68119663&pos=1

Dit is ook ongeveer de grootte zoals ik hem bij mijn artikel heb geplaatst, waarbij ik inhoudelijk schrijf over het betreffende document. En ik kijk nogmaals en nogmaals. U kijkt mee. En ik moet het waarschijnlijk in het midden laten, maar welke creatieve keuzes zijn hier gemaakt? Wat is het schitterende eigene van deze afbeelding? Ik zou dus in deze armetierige beeltenis van een bestaand document een creatieve uitdrukking moeten kunnen vermoeden, maar dat vind ik hoogst twijfelachtig, tenzij ik mij wellicht een aantal jaren zou verdiepen in de esthetica rondom het fotograferen van uitgeprinte Word-documenten. Maar dan betwijfel ik het eigenlijk nog steeds.

Ik zie er niets in, behalve een niet door de fotograaf opgesteld stuk papier. Een foto ontleent aan de tekstuele inspanningen van anderen. Het is mijns inziens een foto die onafhankelijk door iedereen gemaakt had kunnen worden, dat is geenszins onwaarschijnlijk. Ik zou hier een rechter toch wel eens puur voor mijn interesse over willen horen, maar het lijkt me eerlijk gezegd geen compliment voor een fotograaf als dit wordt beschouwd als een creatieve uiting en een kunststuk van enige waarde in plaats van een inwisselbare door iedereen vrij exact zo te maken illustratieve zinledige afbeelding van een bestaande tekst. Het is dan toch voor mij sterk de vraag hier hoe dat überhaupt samenhangt met auteursrecht.

Maar goed, dat is gewoon een door en door subjectieve zaak, waarvan ik desondanks het vermoeden heb dat in een Atheens volksgericht, als we de Klassieken weer even ophalen, het overgrote deel aan mijn kant zou staan. Plato c.s. hadden trouwens sowieso weinig met afbeeldingen maken, een der laagste vormen van kunst, laat staan met zoiets als een plaatje van een plaatje, i.c. een document van een ander vastleggen.

Ik vermoed dat ik daardoor -na zelfonderzoek- misleid ben waar ik anders altijd voorzichtig ben. Zoals ik een foto van een boek zou plaatsen bij een recensie, zo heb ik de Nashvilleverklaring geplaatst bij een educatieve verhandeling over de Nashvilleverklaring. En of het relevant is of niet, ik zeg het toch: dat heeft mij in geen enkele zin ook maar iets opgeleverd. Geen lezingen, geen extra lezers. De hele website heeft geen enkele inkomsten, 0 adverteerders en kost alleen maar geld. Maar goed, even terug naar de zogenoemde schade.

Ik zie eigenlijk geen oorzakelijk verband tussen de schade en mijn fout. Mijn fout zou schade hebben berokkend, maar die is dus niet helder. Er wordt verwezen naar een algemeen document, te weten Stichting Foto Anoniem. Ik kan geen enkele wetenschappelijke grondslag vinden in de wijze waarop zij specifieke schade berekenen of op welke grondslagen zij een juridisch recht hebben (buiten een kennelijk gewoonterecht) om in algemene zin aan specifieke gevallen schade toe te kennen. Het enige wat voordelig is misschien in uw geval als u nog steeds overtuigd bent van de waarde en de inbreuk, is dat rechters er vooralsnog bij aansluiten omdat niet weersproken lijkt te zijn waarom deze Stichting tarieven van (anonieme) ‘fotografen’ kan vaststellen in algemene zin. Iedereen met groep 8 afgerond vermoed ik voelt aan dat er hier geen 250,- schade is geleden. Fotografen werkzaam voor het ANP in loondienst, laat staan freelancers, ontvangen ook nooit zoveel voor een foto, en zeker niet voor een dergelijke foto, dat is algemeen bekend en anders door vele fotografen te bevestigen. Ik wil er desgewenst een aantal opvoeren. In een recent interview, u vast bekend spraken fotografen van bedragen voor dit soort foto’s die hen 19 eurocent opleverden. Dat is schandalig weinig moet ik toegeven, maar helaas wel de realiteit die niet in verhouding staat tot de vermeende realiteit van zolderkamergeleerden die documenten opstelden ergens in 2015.

Maar ook hier doe ik weer een beroep op de intuïtieve redelijkheid. Als iemand al dan niet moedwillig thuis een schilderij van mijn buurvrouw in de fik steekt, wordt ter plekke een deskundige ingeschakeld om de daadwerkelijke schade vast te stellen en hoeft niemand zich godzijdank te beroepen op vooraf vastgestelde onduidelijke normen. Het bleek een waardeloos, zeer vlot en met weinig creativiteit beroepsmatig in elkaar gezet prul te zijn en de schade voor mijn buurvrouw wordt geraamd op ongeveer € 15. Vooruit, ze heeft er ook nog 3 minuten werk aan gehad, dus € 5 erbij. € 20 voor die arme buurvrouw.

Helaas is er in het recht weinig ruimte voor wat J.H. Newman noemt The illative sense. Ons diepste geweten en meest innerlijke gevoel dat ons ter plekke de zekerheid geeft van een bepaalde waarde. In die zin is het daarom ook moeilijk uit te drukken, en zou ik ervoor zijn om in specifieke gevallen de ruimte te geven om er een deskundige naar te laten kijken. Waarom zouden we ons, ook omwille van al het recht dat nog volgen moet, wanneer dan toch een kleine garnaal op basis van slapeloze nachten door een gevoel van onrechtvaardigheid zich verweert, overgeven aan een algemene zaak?

Zou u het niet met mij eens zijn dat wij in mijn specifieke geval voor ons beider bestwil eens onafhankelijk laten vaststellen wat de concrete schade is?

Of indien u gelooft dat een dergelijke objectieve vaststelling er al is bij monde van de stichting die iets van doen heeft met anonieme fotografen (daar is het helemaal geen sprake van overigens), dan toch op zijn minst een second opinion overwegen? Wat is daar op tegen en wat heeft u te verliezen? Indien de schade daadwerkelijk zo hoog is als wordt beweerd dan heeft u gelijk, en indien deze lager blijkt, dan bent u behoed voor een lelijke vergissing. In beide gevallen is dat alleen maar in uw voordeel.

Ik heb schade voor het gemak gedefinieerd als het verschil tussen de actuele toestand van het slachtoffer, de arme fotograaf derhalve, en de hypothetische toestand waarin deze zich zou bevinden indien de onrechtmatige daad niet door mij zou zijn gepleegd. Ik beweer nu dat de hypothetische toestand van de fotograaf er een is, waarbij hij een biertje drinkt en een boek van Susan Sontag leest, en dat de actuele toestand er een is waarin hij dat ook gewoon doet. U beweert dat de hypothetische toestand van de fotograaf er een is waarin hij (in de aanbieding weliswaar) 23 kratten bier had kunnen kopen en een boek van Susan Sontag leest, in tegenstelling tot de actuele toestand waarin hem maar 1 biertje tot beschikking staat. 23 kratten Stella Artois dus als compensatie, omdat ik een afbeelding heb gebruikt met een benattevingerde economische waarde, die ik überhaupt nooit zou hebben gekocht als ik buiten mijn goede trouw bewust geworden was dat deze gekocht had moeten worden!

Laat ik tot slotwoorden komen. Als u vilein bent, bent u toch al van het lachen niet meer bijgekomen hoe iemand zoveel tijd kan besteden zichzelf zo hopeloos in uw ogen te verdedigen. Het zij zo! En als u goed van hart en geest bent, bent u allang overtuigd dat ik hier goede punten maak, in het licht van de rechtvaardigheid in ieder geval.

Ik heb de tijd er ook niet meer voor om alles korter te maken dan het geworden is. In uw laatste schrijven geeft u aan dat mijn website een verademing is tussen alle bagger waarmee het internet tegenwoordig gevuld wordt.

Het is inderdaad een zegen dat mensen belangeloos, of misschien hooguit om existentiële redenen, uren en uren besteden om u, gratis en voor niets!, met veel interesse bepaalde bijdragen te doen toekomen. Zelfs als u mijn gedachten gekopieerd heeft in uw hoofd en verder heeft verteld, is dat voor mij geen enkel probleem. Op deze manier wordt echter het plezier en de onschuld van mij en van velen anderen die, zoals ik heb aangetoond helemaal geen schade berokkenen, oneigenlijk voordeel behalen of kwaad hebben willen doen, compleet vernietigd.

Ik zou zelfs kunnen vermoeden dat de strategie om mij te bewegen tot schikking iets weg heeft van het spel good cop, bad cop, en dat alles, inclusief de complimenten, heimelijk geregisseerd is. Of het laat nog eerder denken aan Strange case of dr. Jekyll and mr. Hyde. Het vraagt derhalve, zeker ook in het licht van de manier van handelen heel veel van mijn positieve mensbeeld, dat richting de fotografen om is geslagen in een rancuneus verzuurd beeld. Een beeld van arme stumperds die door gebrek aan creativiteit en relevantie dan maar op de lelijkste manier aan hun centen proberen te komen. Dat positieve beeld was wellicht toch al net zo naïef als het gebruik van de betreffende zinledige afbeelding, en wie weet nog welke afbeeldingen allemaal meer.

Een website aldus beladen met vrees en beven, want er zitten grijpgrage mensen achter mij aan die geld van mij willen hebben voor zaken die mij nooit iets hebben opgeleverd en waarvan ik op dit moment niet eens weet dat ik ze fout doe! Oh die vreselijke uren van honderden artikelen controleren en de toekomstige vrees voor, ondanks al die goede zorgen en zuiverheid van geweten, een misstap in de afgrond van geldmachines!

Wat een verschrikkelijk vooruitzicht! Kafka, 1984, Brave New World! Een verschrikkelijke angstcultuur in een open samenleving mogelijk gemaakt door een zieke wet die de werkelijkheid niet zo goed meer kan aanvoelen en mensen die dat haarfijn in de gaten hebben!

Hoe komt dit alles nu tot een einde?

U schrijft mij: ‘Neem gerust Uw tijd om een en ander te laten bezinken en de mail te beantwoorden.’

Wees allereerst verheugd dat ik geen 7 jaren de tijd neem, zoals ik van plan was met uw geste om te gaan. U zou mij moeten overtuigen dat een minnelijke regeling het beste is om te overwegen, maar ik heb reeds aangegeven dat dat nooit kan betekenen dat ik toegeef aan of instem met het feit dat u -als vazal van opdrachtgevers- op deze manier ‘kleine garnalen’ aanpakt, mensen die geen enkel kwaad in de zin hebben en met uren van hun zinvolle gedachten worden beroofd. Over schade gesproken. Ik ben echter ook niet beroerd en wil zoals vele anderen met mij van de zaak af, niet omdat ik uw praxis overtuigend vind, maar omdat ik gewoon de handen vrij wil hebben om bezig te zijn met wat er wel toe doet.

U blijft vrij de hele zaak op te geven uiteraard. Maar indien niet om welke reden dan ook, heb ik de volgende tegenvoorstellen uitgewerkt, zoals het schikken betaamt, waarin elk voldoende toegeeft binnen de grenzen van de redelijkheid. De redelijkheid die ik aangedragen heb, Marcus Aurelius nog even in gedachten, hebben mij reeds tot de exorbitante geste gebracht van € 15,- voor de afbeelding. Maar ik denk dat ik vooral moet blijven benadrukken dat het mij niet om het geld is te doen.

Ik stel derhalve de volgende bewegingen voor.

  1. U seponeert de zaak. Ik maak € 350 over naar KWF Kankerbestrijding of een CBF/ANBI gecertificeerd goed doel van uw keuze. Het bewijs van betaling na dit schrijven is de basis van het seponeren.
  2. Ik maak € 300 over op rekeningnummer NL93 KRED 0633 0159 38 v.v. IN457368. Ik staaf mij op het gehele bovenstaande. U maakt vervolgens een deel van dit bedrag over aan een goed doel van mijn keuze. Dat mag zoveel zijn als 19 eurocent!

Ik sluit af met een prachtig gedicht. Laat uw gedachten er eens een nacht over gaan.

Een galg

Ze dachten we gaan de aarde beklimmen

we gaan de dood verjagen, we

zegenen de regen, we

brengen stenen naar de stad

ze zwoegden

en bouwden moeizaam een galg.

Armando, 2009.

Dit alles is gezegd zonder voorbehoud. Het ga u goed,

Stephan Wetzels

_____________________________________________

Lees meer:

https://www.stephanwetzels.nl/verzet-en-verdediging-tegen-permission-machine-deel-i/

https://www.stephanwetzels.nl/verzet-en-verdediging-tegen-permission-machine-deel-iii-afronding-schikking/

Het aanhoudende gevecht tegen kwade trouw bij Jean-Paul Sartre

Alsmede een verdediging tegen een foutieve opgave voortvloeiend uit een verkeerde eindterm in het CE Havo filosofie 2018

Soms interesseert een kwestie zo weinig mensen, dat je jezelf moet afvragen hoeveel uren je moet besteden voor praktisch enkele lezers die als ze de moeite nemen een en ander te overwegen, het de vraag is of ze niet volharden in eigen overtuigingen – hoe dan ook. Zo’n kwestie bespreek ik in deze korte verhandeling over het begrip ‘kwade trouw’ (mauvaise foi) bij de Franse denker Jean-Paul Sartre (1905-1980). Omdat ze tegen het principiële aan schuurt.

Hoewel ik wat betreft het existentialisme uitstekend op de hoogte ben van voornamelijk Kierkegaard, is ook Sartre een redelijk door mij bestudeerde denker, al moet ik daarbij overal lezen dat hij ‘uit de mode zou zijn’ en met name zijn filosofische werk ‘wollig is en moeilijk leesbaar’. Dat laatste is zonder meer het geval overigens. Maar dat ter zijde.

De kwestie die ik hier wil bespreken vloeit voort uit een opgave van het centraal examen filosofie voor havo-leerlingen waar een zekere kennis van Sartre wordt verlangd, waarvan het mijn overtuiging is dat de vraag zoals gesteld onmogelijk zo gesteld kan worden omdat ze iets impliceert over Sartre wat niet het geval is. Deze overtuiging is logisch te onderbouwen en dat zal ik hier laten zien.

Het komt erop neer dat een jong meisje genaamd Laura Verstraeten zelfbewust kiest om mee te willen doen aan de Mini Miss België-verkiezing, en daarbij op het podium wil laten zien wie ze is. Ze las in de krant en wist: “Daar doe ik aan mee! Ik sta graag op een podium. Ik wil laten zien wie ik ben en wat ik kan. Wat andere mensen daarover te zeggen hebben, boeit me niet.” (https://www.standaard.be/cnt/dmf20160506_02277138)

De opgave is nu dat uitgelegd moet worden dat Laura ondanks haar zelfbewuste, authentieke keuze die is af te leiden uit haar opmerkingen, toch onvermijdelijk te kwader trouw is volgens Sartre. Dit volgens Sartre stelt dus dat Sartre zelf deze onvermijdelijkheid voor zijn rekening neemt.

Het antwoord wat gegeven had moeten worden luidt:

Je bent volgens Sartre te kwader trouw als je je keuzevrijheid opgeeft. Dit gebeurt onvermijdelijk wanneer je een keuze maakt en handelt, want daarmee sluit je andere keuzemogelijkheden uit. Laura is te kwader trouw op het moment dat zij beslist mee te doen aan een mini-missverkiezing.

Dit antwoord impliceert dus dat ieder mens op ieder moment wanneer hij kiest (en laat ik er voor het gemak van uitgaan dat hij ook nog eens authentiek, reflexief en zelfbewust kiest) onvermijdelijk te kwader trouw is (Kwade trouw wordt veelal begrepen als: ‘the denial of one’s total freedom and making the choice to behave inauthentically’ (Zie Mary Efrosini Gregory (2012). Free will in Montaigne, Pascal, Diderot, Rousseau, Voltaire and Sartre. p.165). Kwade trouw is volgens Sartre zelfbedrog.  Volgens de strekking van het antwoord ben ik eenvoudig gezegd op dit moment te kwader trouw omdat ik ervoor gekozen heb om in plaats van een heleboel andere zinvolle dingen te doen met mijn tijd, me bewust en authentiek bezig te houden met het begrip kwade trouw. En zo bent u, netelige lezer te kwader trouw omdat u ook in de zon had kunnen liggen. Had u dat overigens gedaan dan was uw lot hetzelfde: onvermijdelijk te kwader trouw, net als Laura’s lot.

En hier ontstaat er kortsluiting.
Is dit hetgeen wat Sartre in zijn werk met instemming en overtuiging betoogt over kwade trouw? De vraagt suggereert namelijk dat Laura volgens Sartre onvermijdelijk te kwader trouw is, ondanks haar authentieke keuze.

In een nadere verantwoording zoals deze is gegeven tijdens een examenoverleg tussen docenten wordt er als volgt geredeneerd. De (nummering) is van mijn hand.

De onderbouwing is dat het door Sartre in ‘Het Zijn en het Niet’ benoemde permanente risico op kwade trouw voortvloeit uit de structuur van de menselijke vrijheid (1). De door Sartre in een voetnoot (2) aangekondigde uitleg hoe je door authenticiteit aan de kwade trouw zou kunnen ontsnappen (einde van hoofdstuk over kwade trouw), ontbreekt in het werk van Sartre (3). En op de laatste bladzijde stelt Sartre dat een vrijheid die zich als vrijheid wil, ervoor kiest zichzelf te ontvluchten. Volgens Sartre gaat het hier om fundamentele kwade trouw of misschien om een andere fundamentele verhouding die nog onbekend is en in een volgend werk zal moeten worden onderzocht. Maar dat doet Sartre vervolgens niet (3b). Daarmee lijkt kwade trouw onvermijdelijk (4).

(5) Daarnaast is er vorig jaar nog een thesis verschenen van K. Galstaum (correct is: Kas Galstaun, SW) getiteld ‘Kwade trouw in Jean-Paul Sartres Het Zijn en het Niet’ waarin wordt verdedigd dat kwade trouw een fundamentele betekenis in heeft in Sartres filosofische gedachtegoed. Kwade trouw moet gezien worden als een fundamenteel bestanddeel van Sartres bewustzijnsbegrip. (6) Het bewustzijn is voor Sartre namelijk absoluut vrij, en het is precies deze vrijheid die leidt tot de onvermijdelijkheid van kwade trouw. 

Deze interpretaties rechtvaardigen de eindterm en de uitleg in het examencahier (p. 113) dat kwade trouw bij Sartre onvermijdelijk zou zijn. Leerlingen moeten dit daarom ook als zodanig kunnen beantwoorden in het examen.

Ik zal nu aantonen dat deze hele verantwoording eigenlijk precies mijn punt bevestigt -en voor zover dat niet het geval is zal dit uit andere bewijzen blijken-, namelijk dat je niet kunt beweren dat er volgens Sartre onvermijdelijk sprake is van kwade trouw. En daarmee is dus de vraagstelling foutief en kan deze ook niet beantwoord worden.

(1) Allereerst is een ‘permanent risico’ iets volkomen anders dan een onvermijdelijk gevolg. Een risico brengt altijd een zekere kans met zich mee. Iets zou zich permanent kunnen voordoen als mogelijkheid, maar dan is er nog steeds een mogelijkheid om aan het risico te ontsnappen! Maar laten we zeggen dat dit ongelukkig gekozen of ondoordachte woorden zijn.

(2) Inderdaad geeft Sartre in een voetnoot aan in Het Zijn en het Niet (mijn uitgave 2003, p. 136):

Als het er niet toe doet of men te goeder of te kwader trouw is, omdat de kwader trouw zich weer meester maakt van de goede trouw en naar de oorsprong zelf van haar project glijdt, dan wil dat niet zeggen dat men niet radicaal aan de kwade trouw kan ontkomen. Maar dat veronderstelt dat het verrotte zijn weer greep op zichzelf krijgt, wat we authenticiteit zullen noemen en voor de beschrijving waarvan dit niet de geschikte plaats is.

Hier zegt Sartre feitelijk letterlijk dat het niet gezegd is dat kwade trouw onontkoombaar is. Dit kan in talloze studies worden teruggevonden. ‘This alleged inescapabilty of bad faith makes it very difficult to understand how human beings might ever  attain anything approaching authentic existence – a possibility which, as Sartre reminds us, he does not deny and which he describes in a short, enigmatic footnote as a kind of “self-recovery (reprise) of being which was previously corrupted’. (Lees het zeer verhelderende verhaal van Weberman, D.: Sartre on the Authenticity, Required if My Choices Are to Be Truly Mine. In: FILOZOFIA 66, 2011, No 9, p. 883. Mijn onderstreping. Zie ook L. Stevenson. Self-Knowledge in Kant and Sartre. In: Comparing Kant and Sartre. Ed. Sorin Baiasu (2016): ‘Sartre claims that we live most of our lives in “bad faith”, not clearly or reflectively aware of our own motives, and he says that “what we might call everyday morality is exclusive of ethical anguish”. But he wants to insist that bad faith is not inevitable, that we can face up to ethical anguish, perhaps in response to Socratic questioning, and use our potential for purifying reflection.’ p. 128. Mijn onderstreping).

Dat deze self-recovery (reprise) vervolgens nergens naar de zin van wie dan ook wordt uitgewerkt -al is dat sterk de vraag-, doet niet ter zake (3). Sartre zoekt op zijn minst nadrukkelijk via de authenticiteit naar de ontkoombaarheid of de opschorting van de kwade trouw. Sartres philosophy has always aimed at avoiding bad faith. Secundaire literatuur loopt over van die notie: ‘Much of the recent secondary literature on Sartre’s ethics is devoted to looking at how in fact Sartre (mostly in his later writings) does try to get himself out of this apparently insoluble knot (Paul Vincent Spade (1995). Being and Notingness. Class Lecture Notes. P. 147). Zie o.a. ook Thomas C. Anderson, The Foundation and Structure of Sartrean Ethics, Francis Jeanson, Sartre and the Problem of Morality en David Detmer, Freedom As A Value: A Critique of the Ethical Theory of Jean-Paul Sartre. Het is één zaak om theoretisch in de knoop te raken, een geheel andere om hoe dan ook die knoop aan te blijven vallen.

Het is voorts helemaal niet vreemd dat het begrip authenticiteit bij Sartre niet is gedefinieerd.
Authenticiteit is de sleutel tot het ontkomen aan kwade trouw. Maar als het gedefinieerd zou zijn -in een ethiek bijvoorbeeld- dan zou het juist de openheid van zijn karakter verliezen wat Sartre in heel zijn werk uitdraagt (en wordt er een nieuwe paradox gecreëerd nota bene). We zien dat vaker in het existentialisme en bovenal bij Kierkegaard (Vgl. Sheridan Hough (2015). Kierkegaard’s Dancing Tax Collector: Faith, Finitude, and Silence: ‘Sartre’s ideas of avoiding ‘bad faith’ (mijn onderstreping), acknowledging the ‘self’ as a condition always in the balance, and, above all, the importance of freedom-all of these notions are first worked out in Kierkegaard’s corpus.’ p. xi) dat door middel van spel en ironie een zekere stemming wordt aangedragen, die nooit als definitie is gegeven (‘Sartre’s work is also deeply Kierkegaardian: the Sartrean picture of the structure of the self (in L’Être et Le Néant) as the opposition of ‘facticity and transcendence’ is surely a one-dimensional rendition of Anti-Climacus’s three-fold set of ‘relata’ that describes the human situation in terms of opposed capacities.’ Ibid, mijn onderstreping. Zie ook: The concept of authenticity van Sayers: ‘Moreover, at least on the account he gives in Existentialism and Humanism (Sartre 1948), freedom also provides the standard for authenticity. Our freedom is something that we must exercise alone and individually, with no authoritative principles or rules to guide us, in`abandonment’ and `isolation’. To the extent to which we do this consciously, avoiding`bad faith’ and accepting the responsibility and anxiety this brings with it, we are acting authentically.’ (Philpapers.org/rec/SAYTCO-3). Dit in strijd dus mogelijk met opvattingen in Het Zijn en het Niet).

Het is eerder dat Sartre ons uitdaagt om ons nooit neer te leggen bij een nooit eindigende strijd tegen de kwade trouw. Dat kun je beschouwen als het permanente risicovolle karakter en dat is de paradox (A similar philosophy is often attributed to Kierkegaard, who talks of the need of the authentic self to make a `leap of faith’, a purely individual commitment which cannot be rationally justified or explained (Sayers, The concept of authenticity). Dat is wat er gebeurd als het zelf immers een verhouding is die zich tot zichzelf verhoudt. Het zelf is niet de verhouding, maar dat de verhouding zich tot zichzelf verhoudt. Maar er is wel sprake van strijd in die verhouding en juist niet van overgave! ‘He wants the notion of authenticity in his philosophy. He is aiming to find room for it.’ (Cursivering en onderstreping auteur. Paul Vincent Spade (1995). P. 147. Overweeg ook de eerder genoemde Weberman: ‘I hope to have shown in this paper that authenticity is not a hopeless notion. We can make sense of it without falling victim to the dubious notion of a pre-given self. Sartre’s account of reclaiming oneself through one’s situation so as to do justice to the balance and tension between our facticity and transcendence can make sense of a notion of authenticity which would seem to be pre-supposed by any robust conception of what it is to choose effectively and act freely.’ p. 888. Mijn onderstreping).

(4) De speculatieve conclusie dat kwader trouw onvermijdelijk lijkt, dus in ieder geval niet volgens Sartre is, is voorbarig en bezwijkt al onder zijn eigen mogelijkheid in plaats van zijn eerdere stelligheid. Want inderdaad, je kunt altijd zeggen: ‘Het is een kwestie van mogelijkheid’. Net zoals je kunt zeggen dat mogelijk Kierkegaard een atheïst is, John Henry Newman tot het eind van zijn leven een protestant en Plato een democraat in hart en nieren. Het wordt echter zeer problematisch wanneer een van deze auteurs zelf aangeeft dat dit niet het geval is. Dat is precies wat Sartre doet: hij zit in zekere zin gevangen – hoewel je over de aard van die gevangenis kunt redetwisten- maar hij geeft aan dat je door middel van authenticiteit aan kwade trouw kunt ontsnappen. Dat dit vervolgens ogenschijnlijk ontbreekt in zijn werk (3b), betekent niet dat hij dus beweert dat kwade trouw onvermijdelijk is. Het kan mogelijk volgen uit hetgeen hij beweert, maar dat is iets anders dan dat hij het zelf zo beweert of spreekt van een onoplosbare spagaat (aldus de merkwaardige uitleg op p. 113 in: De Bruin et al. (2017). Ik. Filosofie van het zelf.) We lezen immers dat hij eraan wil ontsnappen en zijn werk ademt poging tot ontsnapping. De vraag is niet voltooid. Dat is zelden zo in de filosofie.

(3) Dat ontbreken is overigens zeer relatief. Sartre belooft inderdaad een positieve ethiek van de authenticiteit aan het einde van zijn werk Het Zijn en het Niet. Hoewel dat wederom een bewijs is dat hij kwade trouw tracht te ontkomen/overkomen, is het eigenlijk nog sterker:

The concluding sentence of Being and Nothingness famously promises an ethics, in which one might expect to find Sartre’s positive account of authenticity. The work never materialized, but Sartre’s extensive notes on the subject, dating from 1947–8, were published after his death as Notebooks for an Ethics (Sartre 1992). He soon abandoned the project in favor of a Marxian ethic of social revolution, but the Notebooks confirm what is hinted at in Being and Nothingness, namely, that authenticity must consist in somehow keeping firmly in view the “double simultaneous aspect of the human project, “that is, its transcendence and facticity, and in the end its arbitrariness and futility (Sartre 1992: 481, mijn onderstreping). Whereas “Being and Nothingness is an ontology before conversion,” then the Notebooks describe a “new, ‘authentic,’ way of being oneself, which transcends the dialectic of sincerity and bad faith” (Sartre 1992: 6, 474).
(Taylor Carman. The Concept of Authenticity. In: A Companion to Phenomenology and Existentialism. (2009). Ed. H.L. Dreyfus & M.A. Wrathall. p. 238)

Sartre heeft wel degelijk aan een ethiek van de authenticiteit gewerkt. Dit boek is verschenen onder de titel Cahier pour une morale (1983 postuum) en vertaald door David Pellauer in het Engels onder de titel Notebooks for an Ethics (1992) zoals we lezen. In dit werk schetst Sartre contouren van wat authenticiteit kan zijn.

Rather than aspiring to be anything, the authentic self aims only at transcending itself in an immediate engagement with the world: “The only meaningful project is that of acting on a concrete situation and modifying it in some way” (Sartre 1992: 475). The authentic consciousness no longer strives to be God, then, but commits itself instead to “a radical decision for autonomy” (Sartre 1992: 478). Of course, being authentic in this sense will still mean being engaged and autonomous, but only as an aspect of one’s facticity, not in-itself, not as a finally settled matter of fact to which one aspires selfconsciously in transcending oneself toward the world.
(Ibid. p.239)

Het is duidelijk dat de complexiteit van dit begrip, ook (juist) in deze uitleg voor veel studie vatbaar is. Deze korte studie heeft me ook nogmaals bewust gemaakt van de enorme hoeveelheid beschikbare literatuur rondom het begrip authenticiteit. In het licht van hetgeen ik hier beoog voert het echter te ver om er dieper op in te gaan. Er is aangetoond dat Sartre in zijn oeuvre zich nergens neerlegt bij het idee – ik heb ze althans niet gevonden en hier het tegendeel opgevoerd- dat kwade trouw onvermijdelijk behoort te zijn. Dat maakt dat de vraagstelling “Leg vervolgens uit dat Laura volgens Sartre toch onvermijdelijk te kwader trouw is” foutief is. Het wordt overigens allemaal nog merkwaardiger als we in ogenschouw nemen dat de eerste zin van de opgave luidt: “Volgens Sartre is te kwader trouw zijn een bedreiging voor authenticiteit.” Het antwoord wat moet worden gegeven in het tweede deel suggereert vervolgens dat authenticiteit helemaal niet mogelijk is -maar toch ook weer wel dus, want hoe kan het immers anders bedreigd worden…

(5) Dat er tenslotte een scriptie is verschenen (voor mij niet beschikbaar) waarin door een student wordt verdedigd dat kwade trouw een fundamentele betekenis heeft in Sartres filosofische gedachtegoed, is een open deur evenals dat kwade trouw een fundamenteel bestandsdeel is van Sartres bewustzijnsbegrip. De laatste zin (6) van deze verantwoording is een non sequitur. De conclusie volgt niet logisch uit hetgeen er is aangevoerd. Deze scriptie lijkt eerder een stroman. Daar kan ik dus ook geen aandacht aan besteden, buiten hetgeen ik reeds heb aangevoerd dat het niet blijkt uit Sartres intentionaliteit. En dan nog: alles is dan ambivalent, wat de stelligheid sowieso onder druk zet.

Wie tenslotte mij desondanks kan laten zien waar Sartre exclusief aangeeft in het eind van zijn werk onvermijdelijk aan kwade trouw te zijn overgeleverd en zich daar aan overgeeft, die zal ik met veel belangstelling proberen te begrijpen. Maar tot die tijd is dat voor mij onbestaanbaar.

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2020 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"