Stephan Wetzels
Denken en Zijn

IS-vrouwen. Of: het onderscheid tussen dom en kwaadaardig

‘Je moet er principieel op tegen zijn om domme mensen aan hun lot over te laten’

De meest uitdagende morele dilemma’s worden vaak zo door de werkelijkheid aangereikt. De tragiek dat, anders dan in een gedachte-experiment er daadwerkelijk meer op het spel staat dan alleen overwegen, doet niets af aan het feit dat het bijzonder het overwegen waard is.

Hetgeen ik hier wil overwegen is afgelopen dagen door de Amerikaanse president aangewakkerd: Trump riep zijn Europese bondgenoten op, waaronder dus ook Nederland, zijn IS-strijders terug te nemen en te berechten. Deze Europese IS’ers zijn in Irak en Syrië gevangengenomen en worden momenteel vastgehouden met de hulp van de Koerdische strijdkrachten die leunen op de hulp van het Amerikaanse leger. Het lijdt geen twijfel dat niemand zit te wachten op een dergelijke complexe en langdurige rechtsgang. Het is interessant te overwegen of de moderne nationale rechtsstaat hier zijn eigen grenzen heeft gevonden. Een hooguit internationale berechting met daarbij de mogelijkheid van de doodstraf, het niet actief inspannen voor Nederlandse staatsburgers waarbij een schuldvraag formeel niet is vastgesteld en de expliciete wens dat Syriëgangers in de strijd beter daar kunnen omkomen dan ooit nog hun heil zoeken in Nederland, zijn wel erg sterke aanwijzingen dat het leven van iemand in de ogen van de Staat is gedevalueerd en waardeloos geworden.

De meegereisde vrouwen en kinderen
Misschien dat de werkelijke morele dilemma’s hier nog niet beginnen, maar pas bij de laag eronder: de meegereisde vrouwen en kinderen. Naar aanleiding van het bovenstaande werden ook zij weer actueel, waar ze eerder al zonder slag of stoot waren verdwenen in de media omdat vrijwel niemand serieus mededogen kon opbrengen. Want gaat het hier om mededogen? Gaat het hier om barmhartigheid?

De complexiteit van het morele probleem ligt erin dat we niet goed kunnen vaststellen op welke gronden we de vrouwen moeten beoordelen. Die beoordeling wordt bovendien ernstig vertroebeld door het feit dat naast ons gezonde verstand ook nog eens de geschiedenis het ongelijk van de vrouwen heeft bewezen.

Verreweg de meeste vrouwen beroepen zich op het feit dat ze zich hebben vergist, dom waren en naïef. Ze zijn nu tot inkeer gekomen, hebben het licht gezien, begrijpen dat ze een foute en ondoordachte keuze hebben gemaakt. En dat is de paradox: we weten nooit of ze dat hadden kunnen inzien indien IS niet zo dramatisch was gevallen. Ondanks dat het hen dan misschien goed was gegaan, hadden ze nog steeds een verkeerde keuze gemaakt. Zoals een nazi verkeerd is, ondanks zijn overwinning.

Maar hoe kunnen wij nu het onderscheid maken tussen dom-zijn en kwaadaardig?
Hoe kunnen wij bepalen of iemand naïef was, makkelijk te beïnvloeden en goedgelovig in plaats van vilein, boosaardig en fundamentalistisch? Dat kunnen we niet. We kunnen nooit doordringen tot de diepste binnenwereld waarin de geheimen van de beweegredenen zich schuilhouden. En dus is daar het onoplosbare morele dilemma. Of zou iemand zeggen: ‘Of ze nu dom waren of boosaardig, in beide gevallen heb ik ze afgeschreven.’ Dan is er inderdaad geen dilemma meer.

Voor mij is dat er echter wel. Ik denk dat ik principieel tegen het zwaar bestraffen van domheid ben. Of misschien moet ik de stelling opperen dat we er principieel op tegen moeten zijn om domme mensen aan hun lot over te laten. Natuurlijk, als je in de strijd hebt gestreden aan de verkeerde kant met de lelijkste motieven, meest primitieve opvattingen en de valste beloften, dan is het helder wat je lot moet zijn. Dan heb je een grote kans gewaagd op een heel groot speelveld, en je hebt groots verloren.

Maar wat nu als je alleen hebt geloofd dat je op de goede weg was, en daar verder niets voor hebt gedaan? Zou iemand, als we dat zuiver zouden kunnen vaststellen, een nieuwe kans verdienen in onze open samenleving? Ik voel de weerzin om dat bevestigend te beantwoorden, maar welke redenen heb ik in dat geval om iemand dan aan zijn lot over te laten? Zou het kunnen zijn dat omdat we niet in iemands binnenste kunnen kijken we voor het gemak ervan uitgaan dat de mogelijkheid van kwaadaardigheid ons probleem snel oplost? Omdat die mogelijkheid er is, kunnen we ieder risico daarop willen uitsluiten. Maar ook dan gaan we voorbij aan het dilemma en de mogelijkheid dat iemand simpelweg onnozel is. Hoe moet een rechtsstaat omgaan met onnozelaars? Hoe moeten wij ons verhouden tegenover domme mensen die domme dingen doen?

Het antwoord dat ze beter hadden moeten weten strookt natuurlijk niet met het feit dat ze dom zijn. Waren ze dat immers niet, dan hadden ze wel beter geweten. Hebben ze met hun domheid dan niet iets ongelofelijk verschrikkelijks gefaciliteerd? Dat is waarschijnlijk waar. Dan blijft nog steeds de vraag open staan in hoeverre je ze dat moet aanrekenen en in welke mate. Een combinatie van goedgelovigheid, domheid en pech kunnen in vele omstandigheden leiden tot radicaal verkeerde keuzes. Je wil dan graag verantwoordelijkheid toekennen aan iemand die zo’n keuze gemaakt heeft, maar als het zo tegenzit, in hoeverre mag je, moet je, dan die verantwoordelijkheid enigszins relativeren? Je kunt niet ieder mens een even zware verantwoordelijkheid toekennen.

Maar ook hier is het de vraag in hoeverre de rechtsstaat zich moet en wil inspannen om deze nuancering toe te passen op het lot van tot inkeer gekomen islamitische vrouwen in veroverd oorlogsgebied. Kan de rechtsstaat zichzelf daarboven uittillen? Want wie zou deze nuancering graag in het debat willen betrekken, daar waar waarschijnlijk 95% of meer van de bevolking vindt dat deze vrouwen hun kansen hebben verspeeld om een toekomst op te bouwen in ons land? Een toekomst klaarblijkelijk die ze niet zagen of zo makkelijk kon worden vertroebeld om welke redenen dan ook. Is dat iets wat we ons nog als zelfverklaarde meritocratie moeten aantrekken?

De conclusie is niet eenvoudig. Het probleem verdwijnt niet vanzelf -hoe graag ook ik zou willen- en welke keuze er uiteindelijk ook gemaakt wordt, deze zal gepaard gaan met nieuwe problemen. Ook het uitstellen van het maken van keuzes, leidt tot nieuwe problemen. En het helemaal niet kiezen al helemaal. Barmhartigheid mag niet naïef zijn en hoop moet niet gepaard gaan met vrees, maar willen we ruimte geven voor barmhartigheid en hoop, dan zullen we eerst het waagstuk aan moeten gaan of we bereid zijn te accepteren dat deze vrouwen dom zijn geweest en daarom een nieuwe kans verdienen. Een nieuwe kans die inhoud dat zij zich nooit meer aan zo’n lelijke steen zullen stoten, en dat de rest van hun leven aan anderen zullen vertellen. Hoe goedgelovig en onnozel ze waren, en dat ze een tweede kans hebben gekregen van de samenleving die ze de rug hadden toegekeerd. Een dankbaarheid die in IS nooit had kunnen bestaan en een levensles die in het beloofde land nooit was geleerd.

De kracht van naïviteit

De kracht van naïviteit
Onbevangenheid als levensinstelling

Een kleine uiteenzetting naar aanleiding van een filosofische ontmoeting, met als doel het begrip naïviteit nader te overwegen en eigen te maken (zo ook -zo niet juist- voor de lezer hier)

 

 1.      Het begrip naïviteit

A) Als we naïviteit opvatten als een zekere van nature aanwezige zuivere openhartigheid die gekenmerkt wordt door een ongekunstelde eenvoud, waarbij men zich zonder voorbehoud (in eigenheid) verhoudt als subject tot subject en object, dan gaan we daarmee in tegen een meer gangbare en intuïtieve opvatting dat het naïeve een negatieve houding weerspiegelt.

B) Evenals het onnozele oorspronkelijk het onschuldige aanduidt, is het naïeve van oorsprong niet zozeer een primair gebrek aan begrip en inzicht, als wel een bepaalde (bedoelde) houding ten opzichte van het leven. Het gaat dan om reflexieve argeloosheid. Het spanningsveld dat leidt tot het negatieve begrip van naïviteit zit in het gegeven dat wie als doel heeft het onschuldige te behouden, in een schuldige wereld, die wereld ergert en tot ergernis is.

C) We zouden het naïeve, positief beschouwd, kunnen opvatten als het ‘met de dag leven zonder plan’. Maar dan wel zo, dat men zich reflexief verhoudt ten opzichte van het leven zonder plan, waarbij men permanent een oordeel opschort. Daarmee wordt het een filosofische houding (waarbij men dus de paradox ervaart dat het reflexieve noodzakelijk het naïeve lijkt op te heffen).

D) Het gaat er om te kiezen (op voorhand) niet te willen weten en het gaat erom te kiezen onbevangen te zijn. Kan dus onbevangenheid en keuze zijn? Zeker, mits men de balans weet te vinden tussen praktijk en onbevangenheid. Zodra het onbevangene onpraktisch blijkt, zal ze worden opgeheven.

2.      Naïviteit als moment

A) Wie het naïeve –het bewust naïeve wat daarmee onbevangenheid wordt- ontmoet, wordt daardoor in eerste instantie ontwapend. Ontwapend van (voor)oordelen, omdat een oordeel over ‘hij die niet weet’ een vals oordeel is.

B) Maar juist de aanvankelijke ontwapening leidt tot reservering: men wapent zich weer. Een reflexieve naïviteit, leidt namelijk tot reflectie bij degene die deze ontmoet, juist omdat het naïeve onvanzelfsprekend is, waardoor het subject op zichzelf wordt gewezen. En deze onvanzelfsprekendheid leidt tot een fluwelen herbewapening: we willen het vriendelijk ontmaskeren, alvorens het ons ergert.

C) Ontmaskeren in de zin van (het kinderachtige): ‘deze naïviteit kan wel eens gespeeld zijn’. Ontmaskeren in de zin van: ‘de onnozele heeft als doel mij onnozel te doen lijken’. Dat is de ergernis ten opzichte van de idee van (doel)bewuste naïviteit (waarbij deze naïviteit dus negatief wordt opgevat, terwijl juist de bewuste naïviteit als onbevangenheid hierboven gedefinieerd is als positief).

D) Merk op: Er is een duidelijk verschil tussen bewuste en doelbewuste naïviteit. Bewuste naïviteit is een open houding zonder verwachting, terwijl doelbewuste naïviteit een verwachting in zich draagt (waarbij het naïeve dus wordt ingezet als houding, waarbij het dus negatieve naïviteit wordt; anders gezegd: het betreft een dubbele beweging waar het niet meer om het naïeve omwille van het naïeve gaat).

E) Anderzijds leidt ook de idee of herkenning van onbewuste naïviteit tot ergernis. Want ten opzichte van het oprechte ‘niet weten’ (het kinderlijke) verhouden wij ons vanuit de idee dat dit onbewust is weliswaar gereserveerd, maar willen we het oprechte niet weten ontdoen van het niet weten. Dat is de opvoeding: het spontane in het kind waarderen, maar de gehele opvoeding erop richten het spontane uit te bannen.

3.      Oprecht veinzen

A) Gespeelde naïviteit, die sterk neigt naar de houding die de verwondering kenmerkt, is ook wel te kenschetsen als het oprechte veinzen. Het suggereren dat men een spontane inval heeft, of dat men zich onwetend verhoudt ten opzichte van een bepaald dilemma, kan juist de verwondering van de andere wekken. Daarmee wordt het veinzen vanuit oprechtheid ook positief, evenzeer als een naïeve welbewuste houding met als doel te ontwapenen positieve naïviteit is.

B) Daarmee is zowel het oprechte veinzen als het welbewuste naïeve een kunst: zolang men niet ontmaskerd wordt dient het een positief doel. De ergernis zit in het vermoeden en de voorkennis: wie iemand bij herhaling een verhaal hoort vertellen alsof hij dit voor het eerst vertelt, is geërgerd (als een spontane inval wordt geveinsd).

4.       Tweede naïviteit als overweging

A) Is bewuste naïviteit als positieve houding praktisch mogelijk? Ja, juist omdat het bewust is mag het ten volle naïef worden genoemd. Vanuit het bewuste weten en het diepe inzicht kiezen zich anders te verhouden, of kiezen zich toch anders te verhouden ondanks de kennis. Men kan geen prediker zijn indien men zich niet bewust is van zijn boodschap, en men kan zich niet anders verhouden ten opzichte van kennis indien men niet bewust naïef is. Dat is misschien de ‘seconde naivité’ (vrij naar Ricoeur), de tweede naïviteit: een herwonnen inzicht op basis van verworven kennis, waarbij kritiek op het oorspronkelijke inzicht is overwonnen en zelfs is overstegen, zodat de oorspronkelijke houding hersteld wordt. Ja, een naïviteit die de kritische integriteit niet opgegeven heeft, maar kiest voor een nieuwe onbevangenheid die ook de eerste naïviteit kenmerkte.

B) Het onttoverde herkennen (vrij naar Chesterton), maar het weer betoveren. Een boom is niet zomaar een boom die appels geeft, maar het is een boom die betoverd is en daarom appels geeft.

C) Het geobjectiveerde herkennen, maar het weer tot het subject doen verhouden (vrij naar Kierkegaard). De objectieve denker richt zich op een objectieve zaak en vergeet dat hij zelf existeert. De tweede naïviteit is een reflectie op die houding waarbij het abstracte ontdaan wordt van zijn abstractheid en waarmee men het overstijgt. In wezen dus de grond van de filosofische houding.

D) Laat haar maar ergernis wekken.

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2019 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"