Stephan Wetzels
Denken en Zijn

De belangrijkste filosofen op basis leeftijd

De belangrijkste moderne filosofen op basis van leeftijd ten tijde van publicatie van het hoofdwerk

Er is waarschijnlijk niets onzinniger dan het maken van een overzicht van de grootste filosofen. Het internet staat er vol mee. En iedere auteur heeft weer zijn eigen overwegingen bij hoe hij tot de samenstelling is gekomen. Plato, Aristoteles, Descartes en Kant ontbreken vrijwel nooit. Eerder schreef ik zelf al een overzicht van de belangrijkste filosofische boeken van de 20e eeuw en van de belangrijkste filosofische artikelen van de 20e eeuw.

Hoewel discutabel en controversieel, is het vooral een vermakelijke bezigheid, die vermaakt. In deze bijdrage heb ik een overzicht gemaakt van de belangrijkste filosofische prestaties van moderne denkers, maar dan wel voornamelijk op basis van het criterium leeftijd. Het zou mij niets verbazen als een dergelijke lijst al bestaat, want je kunt het zo gek niet bedenken of een ijverige Chinees zal het wel uitgewerkt hebben, maar ik wilde vooral zelf op onderzoek gaan en op basis van louter subjectieve criteria tot een overzicht komen.

Aanleiding voor het overzicht was het plotselinge idee dat Kierkegaard, een denker waarvan ik mijzelf liefhebber mag noemen, niet kan concurreren met Immanuël Kant in alle overzichten waar het gaat om ‘grootsheid’, maar daarbij bedacht ik mij dat Kierkegaard toen hij stierf in 1855 in de leeftijd van 42 een ongelooflijk rijk en complex oeuvre had geschreven terwijl Kant pas na een hoop vergeten werken (Die falsche Spitzfindigkeit der vier syllogistischen Figuren… Really?) op 57-jarige leeftijd tot zijn beroemde hoofdwerk Kritik der reinen Vernunft kwam.

Het zal voor altijd een raadsel hoe blijven hoe ver bijvoorbeeld Kierkegaard of Spinoza gekomen was indien ze de leeftijd van Kant hadden bereikt. De hele geschiedenis zou een andere zijn geweest, ongetwijfeld. Mijn hypothese is in ieder geval dat het een grotere prestatie is om iets indrukwekkends op jonge leeftijd te schrijven in de filosofie dan op latere leeftijd. Ook dat is natuurlijk een zeer betwistbare hypothese, in de wiskunde bijvoorbeeld zou het omgekeerde waarschijnlijk het geval zijn, maar ik geloof wel dat filosofie ervaring en tijd nodig heeft. Kant is daar het levende voorbeeld van.

Wat zijn dan mijn uitgangspunten? Die zijn zo eenvoudig niet. Moet ik alle filosofen langsgaan? Dat is gelijk een stuk minder vermakelijk (voor mij dan). Ik beperk mij tot Westerse filosofen vanaf de zogenaamde Moderne denkers, een periode die ik laat beginnen in 1750. Alle denkers die na deze tijd zijn gestorven overweeg ik in mijn overzicht.

Ik bekijk op welke leeftijd het hoofdwerk is uitgegeven (het is in vele gevallen namelijk moeilijk vast te stellen wanneer het precies is geschreven, maar meestal ligt de datum van uitgifte en het moment van schrijven niet meer dan twee jaar uit een). Daarbij hanteer ik de volgende puntenindeling: 100 minus de leeftijd. Maar alleen leeftijd als uitgangspunt leek mij toch te mager; Kierkegaard zou dan mijns inziens winnen, daar niet van, maar er moest nog wel iets bij.

Ook moet het filosofische werk van significante invloed zijn geweest op andere denkers. Daarvoor geef ik extra punten. Hoe groter de invloed van het werk is geweest in de geschiedenis en op het denken van anderen, hoe meer bonuspunten, met een maximum van 15. Daar wordt het al penibel want filosofen die ik maar drie punten op dit vlak zou toekennen, neem ik niet op in het overzicht.

Tenslotte, na wat wikken en wegen, heb ik ook besloten om de moeilijkheid /complexiteit van het werk mee te wegen. Daarbij hanteer ik als uitgangspunt dat voor hoe minder mensen het hoofdwerk zou zijn te volgen, hoe meer punten dat oplevert, met een maximum van 10. De inschatting van deze toekenning komt ook geheel voor mijn eigen rekening.

Met de combinatie van leeftijd, invloed, moeilijkheid van werk en mijn druipende natte vinger kom ik dan tot het volgende overzicht.

Naam

Leeftijd hoofdwerk

Punten leeftijd, invloed en moeilijkheid

Score

Ludwig Wittgenstein

26 april 1889 – 29 april 1951.
62 jaren oud.

Tractatus Logico-Philosophicus.
Uit: 1922
33 jaar
67+14+889
Søren Kierkegaard
5 mei 1813 – 11 november 1855.
42 jaren oud.
Enten/Eller.*
Uit: 20 februari 1843.
29 jaar
71+10+687
Arthur Schopenhauer

22 februari 1788 – 21 september 1860.
72 jaren oud.

Die Welt als Wille und Vorstellung.
Uit: 1818
31 jaar
69+10+786
Gottlob Frege

8 november 1848 – 26 juli 1925.
76 jaren oud.

Begriffsschrift.
Uit: 1879
31 jaar
69+7+985
Georg Wilhelm Friedrich Hegel

27 augustus 1770 – 14 november 1831.
61 jaren oud.

Phänomenologie des Geistes.
Uit: 1807
37 jaar
63+12+1085
Martin Heidegger

26 september 1889 – 26 mei 1976).
86 jaren oud.

Sein und Zeit.
Uit: 1927
38 jaar
62+13+984
Friedrich Nietzsche
15 oktober 1844 – 25 augustus 1900).
55 jaren oud.
Also sprach Zarathustra.
Uit: 1883
39 jaar
61+12+679+4=83**
David Hume

7 mei 1711 – 25 augustus 1776).
65 jaren oud.

An Enquiry Concerning Human Understanding.***
Uit: 1748.
37 jaar
63+13+783
Karl Popper

28 juli 1902 – 17 september 1994)
92 jaren oud.

Logik der Forschung.
Uit: 1934
32 jaar
68+7+681
Jacques Derrida

15 juli 1930 – 9 oktober, 2004.
74 jaren oud.

L’écriture et la difference.
Uit: 1967
37 jaar
63+5+977
Adam Smith

15 november 1723 – 21 januari 1790
67 jaren oud.

The Theory of Moral Sentiments.****
Uit. 17 april 1759
35 jaar
65+4+372
Karl Marx

5 Mei 1818 – 14 maart 1883.
64 jaren oud.

Das Kapital.
Uit: 1867.
51 jaar
49+14+770
George Berkeley

12 Maart 1685 – 14 januari 1753.
67 jaren oud.

A Treatise Concerning the Principles of Human Knowledge.
Uit: 1710.
43 jaar
57+8+368
Immanuel Kant

22 April 1724 – 12 februari 1804.
79 jaren oud.

Kritik der reinen Vernunft.
Uit: 1781.
57 jaar
43+15+967
Michel Foucault

15 oktober 1926 – 25 juni 1984.
57 jaren oud.

Surveiller et punir: Naissance de la prison.
Uit : 1975
51 jaar
49+8+764
John Rawls

21 februari 1921 – 24 november 2002.
81 jaren oud.

A Theory of Justice. Uit:  1971
50 jaar
50+7+461
Gottfried Wilhelm (von) Leibniz

1 Juli 1646 – 14 november 1716
70 jaren oud.

La Monadologie.
Uit: 1714
68 jaar
32+5+8*****46

* Kierkegaards hoofdwerk is moeilijk vast te stellen, aangezien al zijn filosofische werken bij elkaar samen een hoofdwerk vormen. Over het algemeen wordt toch Enten/Eller (Of/Of) als voornaamste werk beschouwd.
** Net als bij Kierkegaard valt ook bij Nietzsche niet één hoofdwerk aan te wijzen. Ik kies hier voor Also sprach Zarathustra. Omdat Menschliches, Allzumenschliches: Ein Buch für freie Geister uit april 1878 echter een ook markante prestatie is, krijgt Nietzsche drie bonuspunten.
*** A Treatise of Human Nature uit 1740 is mijns inziens niet zijn hoofdwerk te noemen.
**** Het zou voor de hand liggen om zijn magnus opus An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations (1776) als uitgangspunt te nemen. Maar het genoemde werk is ook een klassieker en Smith vond het zelf ook zijn belangrijkste werk. Ik hou hier echter wel rekening met de invloed. Dat maakt het totaal één punt meer dan wanneer ik The Wealth of Nations als uitgangspunt had genomen.
***** Ik kan de complexiteit van dit werk niet goed beoordelen. In grote lijnen zijn de ideeën van Leibniz te volgen, maar de complexere opbouw maakt dat het overzicht snel verdwijnt voor de lezers. Het doet er uiteindelijk niet toe, want heel veel punten heeft Leibniz niet!

De winnaar op basis van mijn uitgangspunten is Wittgenstein, die op jonge leeftijd onder moeilijke omstandigheden een zeer complex en invloedrijk werk heeft geschreven. Het zou goed kunnen dat ik later nog enkele namen toevoeg, al is mijn vraag aan de lezer welk invloedrijk werk hem te binnen schiet wanneer hij denkt aan een filosoof die dit op jonge leeftijd heeft gepubliceerd.

Het was overigens Wittgenstein die na een nachtelijke droomervaring in zijn dagboek schreef: ‘Ik besefte de voorbije nacht mijn volkomen nietigheid. Het heeft God behaagd mij die nietigheid te tonen. Ik heb daarbij steeds aan Kierkegaard moeten denken en geloofde dat mijn toestand “vrees en beven” was.’ Wittgenstein zou niet op nummer één hebben willen staan, en Kierkegaard al helemaal niet. Ik vermoed dat Schopenhauer in het geval de anderen voor de eer bedanken, graag de eerste plaats zou willen bekleden. Ik zal er een volgend overzicht voor bedenken.

Filosofische kruimels XXII

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2017 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XXII van XXIV.

Pasen

‘In die tijd leefde Jezus, een wijs man, voor zover het geoorloofd is hem een man te noemen. Hij verrichtte namelijk daden die onmogelijk geacht werden, en hij was leermeester van mensen die met vreugde de waarheid tot zich namen. (…) Hij was de Christus.’
Flavius Josephus in De oude geschiedenis van de Joden (vert. 1996)

De Romeins-Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus (37-100) publiceerde met zijn Oude geschiedenis van de Joden (94) een lijvig historisch overzicht waarin het naar eigen zeggen onontkoombaar was een substantiële hoeveelheid filosofie over het ontstaan van de wereld op te nemen. De beroemdste passage uit het werk is een fragment waar hij over Jezus van Nazareth schrijft, bekend als het Testimonium Flavianum. Sinds de 17e eeuw worden heftige debatten gevoerd over de authenticiteit van deze passage. Eén veel aangehangen hypothese komt van Louis Feldman (1926) die meent dat de passage gedeeltelijk authentiek is, maar door een christelijk kopiist met metafysische toevoegingen is bewerkt. Josephus, zelf geen christen, eindigt zijn passage door vast te stellen dat Jezus na zijn dood opnieuw levend verschenen was aan zijn leerlingen ‘die men tot op de dag van vandaag Christenen noemt’. Dat is in ieder geval een vaststelling waar ook ruim 1900 jaren na Josephus geen twijfel over mogelijk is.

____________________

Denken en brabbelen

‘De filosofen…ze beweren maar; of het waar is of niet, doet er niet toe.’
Jan Hanlo. Theologen. Psychologen. Filosofen. In: Verzameld proza. Een erwt zo groot als een voetbal is geen erwt. (2012)

De Nederlandse schrijver Jan Hanlo (1912-1969) is vooral bekend vanwege zijn poëzie en het brabbelgedicht Oote (1952). Volgens Hanlo is ‘poëzie de vakantie van de filosofie’. Desondanks mocht hij ook graag zelf filosoferen. Alsof hij dan op actieve vakantie was. Veel schreef hij over het probleem van de vrije wil, waar hij als overtuigd katholiek het moeizaam zonder God kon. Zo kwam hij ook tot de stelling dat onze ontvankelijkheid voor goed en kwaad juist een gebrekkigheid van de vrije wil toont in plaats van een wezenskenmerk. De ontvankelijkheid voor goed en kwaad is juist onvrijheid die overwonnen moet worden met de wil. Want, zo redeneert Hanlo, als vrijheid goed is, en kwaad per definitie geen goed doet, dan is een goede wil beter dan een voor het kwaad ontvankelijke vrije wil.

Of deze redenering steekhoudt en waar ze precies toe leidt, is misschien niet het belangrijkste van filosoferen. Of zoals Hanlo het zelf zei: ‘Ieders recht op expliceren en beweren is even groot. Filosofen beweren zo graag en zoveel in de hoop door een scherpere geest weerlegd te worden en dit wil ik ook laten gelden voor mijzelf.’

____________________

Wie is H. Newman?

‘Daarover een komische opmerking van H. Newman.’
Ludwig Wittgenstein. Over zekerheid (vert. 1988).

Zowel kardinaal John Henry Newman (1801-1890) als Ludwig Wittgenstein (1889-1951) hebben intensief geschreven over het begrip zekerheid. Newman een half leven lang, Wittgenstein vooral tegen het eind van zijn leven. Wanneer men echter geïnteresseerd is in studies die de twee denkers met elkaar verbinden, is het zoeken naar een kever in een doosje. Er zijn desondanks genoeg memoires (o.a. van Yorick Smythies, Norman Malcolm en O.K. Bouwsma) die prijsgeven dat Wittgenstein goed bekend is geweest met Newmans werk, waaronder A Grammar of Assent (1870). Hierin rechtvaardigt Newman hoe men zeker kan zijn van zaken zonder dat er logisch bewijs voor is. Wat Wittgenstein precies in de Grammar gevonden heeft, is gissen, net als waar nu precies de zin ‘Daarover een komische opmerking van H. Newman’ naar verwijst, die Wittgenstein noteert in een allereerste fragment van Over zekerheid. Wittgenstein becommentarieert daar G.E. Moores verdediging van het gezonde verstand. Het is ook een raadsel waarom Wittgenstein ‘H. Newman’ en niet ‘J.H. Newman’ noteert. Voor iemand die zo intensief over zekerheid heeft geschreven, laat Wittgenstein ook in dit geval de lezer voldoende verward achter.

©Veenmedia.nl

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2020 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"