Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Filosofische kruimels XXVIII

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2018 weer 12 originele kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XXVIII van XXVIII.

Ervaring ervaren

‘En als ik ongelijk heb, moet ik erkennen wel een heel achterlijke geleerde te zijn; want ik kan nu geen bewijs vinden voor iets dat mij volmaakt bekend was lang voor ik aan kinderschoenen ontgroeid was.’
David Hume in Het menselijke inzicht (1978)

De Schotse filosoof David Hume (1711–1776) schreef met An Enquiry concerning Human Understanding (1748) een belangwekkend werk waarin hij vanuit een radicaal sceptische en empirische invalshoek onderwerpen als ruimte, tijd, vrijheid, noodzakelijkheid, kennis en werkelijkheid bespreekt. Een van zijn speerpunten is dat ‘causaliteit’ niet bestaat. We hebben geen ervaring van de causaliteit zelf, er is slechts de associatie van twee gebeurtenissen die ogenschijnlijk bij herhaling na elkaar plaats lijken te vinden. Causaliteit kan geen eigenschap van de dingen zijn. Zo vond Hume dat we dus niets over de toekomst zouden kunnen zeggen met enige zekerheid, wat ook wetenschap problematisch maakte. Daarin ongelijk te hebben, zou hem wel ‘een heel achterlijke geleerde’ maken.

Toch heeft de Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) met redelijk succes een theorie ontworpen die het scepticisme van Hume weerlegt. Want het probleem waar Hume mee worstelt, werd een probleem, omdat hij causaliteit op de verkeerde plaats zocht: namelijk in de werkelijkheid buiten hem. Causaliteit is echter, net als tijd en ruimte, a priori in het verstand gelegen. En juist dankzij dat verstand met zijn causaliteitsfunctie kunnen we begrijpelijke ervaringen hebben, de ervaringen die Hume zo hoog acht.  

__________

Het wezen van de grond

‘Nu is het voor ons mensen inderdaad lastig, ik zou haast zeggen onmogelijk, om ons een wereld zonder ultieme grond voor te stellen.’
G.J.E. Rutten. Openingstoespraak ‘Debat Godsargument’, 11 April 2012. Faculteit der Wijsbegeerte van de VU.

Is het mogelijk ons een begin voor te stellen zonder oorzaak? Volgens wiskundige en filosoof Emanuel Rutten (1973) niet. Rutten stelt dat het gerechtvaardigd is om te denken dat er een oorsprong van de wereld is en dat er rationele argumenten zijn voor het bestaan van een eerste oorzaak, die hij met God identificeert. Sinds het ontstaan van de filosofie wordt er al naar argumenten gezocht om die ‘eerste oorzaak’ te grijpen. Van het kosmologisch godsbewijs van Aristoteles tot aan het ontologisch godsbewijs van Anselmus. Rutten beweert in zijn proefschrift Toward a Renewed Case for Theism (2012) een nieuw argument (geen bewijs!) voor het bestaan van een eerste oorzaak van de werkelijkheid te hebben gevonden. Als eerste stelt hij dat ‘alles wat mogelijk waar is, mogelijk kenbaar is’. Vervolgens stelt hij dat ‘het onmogelijk is te weten dat God niet bestaat’. Uit deze twee premissen volgt dan ‘deductief de conclusie dat God in alle mogelijke werelden bestaat’.

Wat deze God, begrepen als persoonlijke eerste oorzaak, precies is en hoe we ons ertoe zouden moeten verhouden is niet wat Rutten hier bezig houdt.

Sinds het verschijnen van zijn argumentatie zijn er wereldwijd talloze bezwaren en mogelijke falsificaties geopperd. De zoektocht naar de eerste grond blijft waarschijnlijk tot het einde boeien.

__________

Kerstgedachte

‘De dominee sprak ons gloedvol van de genade van de Almachtige, over het Kindeke, over de heerser van het heelal zo eenvoudig in zijn stal of Nietzsche en Sartre eenvoudigweg niet bestonden. Het was de aangrijpendste kerstpreek die ik ooit gehoord heb.’
 J.M.A. Biesheuvel  (1977). Mijn grootste schrik. In: De Weg naar het Licht en andere verhalen.

Maarten Biesheuvel (1939) is de Nederlandse grootmeester van het korte verhaal. In ‘mijn grootste schrik’, verhaalt Biesheuvel over een muziekavond thuis waar hij als 16-jarige knaap aanwezig is en samen met het gezin kerstliederen zingt. De dominee was ook op bezoek. Na wat anekdotes en borrels, mag de jonge hoofdpersoon met de dominee naar de avondmis wandelen. Dan ontvouwt zich de existentiële crisis. De dominee bekent aan de jongen dat hij niet meer gelooft. De filosofie van de twijfel is hem te machtig geworden. Met weemoed denkt hij aan zijn toehoorders in de kerk: “ach gelukkige sukkels, wat is het toch vreemd dat jullie naar mij geluisterd hebben en alles geloven.” Het zijn de verschrikkelijkste woorden die ooit van iemand tot mijn oren zijn gekomen, schrijft Biesheuvel. Geestelijk helemaal van zijn voetstuk gevallen, hoopt hij dat de dominee een absurde grap heeft gemaakt. De dominee ziet hoezeer hij de jongen aan het wankelen heeft gebracht en probeert zijn ontboezeming af te doen als borrelpraat. Maar dat mag niet meer baten: het ‘kwade zaad van de twijfel was in de ziel gelegd’. In de kerk preekt de dominee als nooit tevoren en aan het eind van de mis laat hij de kerk ‘Op U mijn Heiland blijf ik hopen, verlos mij van mijn bange pijn’ zingen.

Hoewel Biesheuvel zich in het verhaal voordoet als de 16-jarige wiens vrome geloof aan diggelen is geslagen, is hij tegelijkertijd ook de dominee die wil blijven hopen op Gods genade en zo graag verlost wil worden van zijn bange pijn.

©Veenmedia.nl

_________________________________________________

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2019 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"