Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Het recht om een morele afweging te mogen maken

In tijden van crisis komt het ook aan op zelfstandig afwegen

of: Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral?

De mogelijkheid tot zelfstandig nadenken is een van de grootste menselijke vermogens, en komt als eerste na geloven, hopen en liefhebben. Het is echter ook een van de meest kwetsbare vermogens welk constant onder druk staat van autoriteit, loyaliteit en algemene beginselen. Er is sinds Kierkegaard niets wat meer benadrukt is in de filosofie dan het bewustzijn van dit vermogen en hoezeer dat telkens weer op de proef gesteld wordt.

Ook nu weer in deze coronacrisis. Het opvolgen van richtlijnen van autoriteiten is op zichzelf geen probleem en in veel gevallen absoluut aanbevelenswaardig, maar we zijn op een punt aanbeland waar autoriteiten zelf in een experimentele fase zijn gekomen waarbij de beste richtlijn of het juiste antwoord niet meer te zeggen is.

Zo stelt de Italiaanse reanimatiearts dr. Ferdinando Lorini dat de enige juiste oplossing is dat iedereen binnen blijft en er geen enkel sociaal contact meer is. Aan de andere kant zien we minister Slob die vindt dat schoolexamens (!) voor eindexamenklassen doorgang kunnen hebben. Uiteraard gebaseerd op richtlijnen en voorschriften van deskundigen, waarvan iedere leek zou kunnen vermoeden dat deze nauwelijks handhaafbaar zijn.

Aan de ene kant zien we mensen vrolijk in het Vondelpark rennen, aan de andere kant zien we leger en politie mensen torenhoge boetes geven als ze zonder urgente reden zich op straat begeven (Spanje). Ik zou nog legio van dit soort tegenstrijdige bewegingen kunnen opsommen die leiden tot vertwijfeling, maar ik geloof dat de lezer zich inmiddels wel bewust is van het spanningsveld.

Het komt er dus wat mij betreft op aan om binnen de vrije ruimte die er nog is, een eigen afweging te mogen maken. Ik zeg te mogen maken, want binnen het morele spanningsveld spelen enorme krachten.

Laat ik allereerst het morele spanningsveld verduidelijken.

Er is ruimte gecreëerd (op 17 maart) om bijvoorbeeld examens te mogen afnemen. Examens kunnen alleen doorgang vinden als er surveillanten zijn. Moet een surveillant nu, ook al is hij niet ziek, geacht worden aanwezig te zijn?

Verzaakt hij een plicht indien hij niet komt? Mag van hem worden verlangd dat hij zich begeeft in een risicovolle omgeving, zonder dat het heel duidelijk is wat daarvan de urgente noodzaak is? Daarbij neem ik aan dat het afnemen van een schoolexamen geen urgente noodzaak is. Het spanningsveld is dan simpelweg het idee van loyaliteit en eventueel een zeker algemeen belang in relatie tot de afweging om onaanvaardbare gezondheidsrisico’s te lopen in een nauwelijks te controleren omgeving.

Het is niet moeilijk om meerdere voorbeelden te bedenken. Kun je van een kapper verlangen dat hij mensen knipt en scheert? Kun je van een tandarts verwachten dat hij routinecontroles blijft draaien? Kun je van klantmedewerkers in kledingzaken eisen dat ze blijven komen?

Mijn stelling is dat iemand hier het fundamentele recht heeft op een eigen morele afweging, ondanks de ruimte die er op basis van voorschriften en richtlijnen zou zijn. Dat recht is mijns inziens een volledig ondergesneeuwd en ondergeschoven uitgangspunt. Het lijkt erop dat waar die ruimte geschapen is (het is niet verboden om te scheren, om je kledingzaak open te houden, om examens af te nemen) geleund wordt op een vanzelfsprekendheid deze ruimte te benutten. De druk die op mensen komt te staan wanneer zij zich zouden verzetten tegen deze quasi-vanzelfsprekendheid komt juist voort uit het feit dat het fundamentele recht van de morele afweging niet voldoende wordt benadrukt.

Maar ik heb zojuist al aangegeven dat op dit moment deze ruimte gebaseerd is op experimentele vermoedens van antwoorden. Dat is nu precies de reden waarom hier het fundamentele recht op een eigen morele afweging moet worden gerespecteerd.

Ik begrijp wel dat er een paradoxaal karakter schuilt in de stelling. Immers als verschillende mensen de afweging maken dat ze bijvoorbeeld geen risico willen lopen op een besmetting om welke reden dan ook, kan dat betekenen dat er binnen de vrije ruimte scheve verhoudingen ontstaan. Op enig moment bijvoorbeeld kunnen schoolexamens geen doorgang meer vinden. Maar dat mag nooit verhinderen dat mensen het recht behouden op deze morele afweging onder deze omstandigheden; die druk mag geen rol spelen. Want anders dan de ezel van Buridan die sterft omdat hij zich exact te midden van twee hooibalen begeeft en niet kan kiezen welke hij eten moet, kan de mens wel een eigen afweging maken te midden van uitersten. Welke hij kiest, als er goed over is nagedacht en wellicht zelfs overlegd is met het hart, maakt dan uiteindelijk niet zoveel uit. Thuisblijven is evenzeer te rechtvaardigen dan gaan.

Ik heb hier de morele afweging genoemd binnen een context waarbij er geen wezenlijke voortgang wordt belemmerd of direct levensbedreigende consequenties vastzitten aan de morele afweging. Ik begrijp maar al te goed dat artsen en verpleegkundigen veel meer dan bijvoorbeeld onderwijzend personeel of kappers iedere dag het morele spanningsveld ervaren inclusief de druk van de loyaliteit en het daadwerkelijk algemene belang. Wordt van hen meer verlangt? Moeten zij meer risico’s aanvaarden dan gemiddeld? Is dat onderdeel van hun beroep, anders dan bij docenten en kledingmakers? Dat is een hele moeilijke kwestie. Ik denk het wel. Maar hebben zij dan minder het recht op deze morele afweging? Absoluut niet. Hun uitgangspositie maakt de afweging weliswaar nog moeilijker en de grenzen worden daarbij wellicht verder verschoven dan elders (omdat het midden troebeler is); ook daar komt uiteindelijk een punt dat binnen het zuivere geweten niet het onmogelijke of onredelijke kan worden verwacht. Het blijft vooral van belang dat we in deze situatie überhaupt begrijpen dat we de morele overweging altijd mogen maken en dat we ook het lef hebben dat te doen.

Argumenten voor verplichte anticonceptie bij ongewenste zwangerschap

Een uiteenzetting voor allen en voor niemand

Wie een bijdrage probeert te leveren aan het abortusvraagstuk, na wil denken over de vraag hoe we komen tot minder van deze tragische ingrepen en welke overwegingen hierbij een rol kunnen spelen, weet zich altijd -voor zover er niet liever over gezwegen wordt- geconfronteerd met de extreme posities binnen dat debat. In het meest banale geval worden argumenten dan afgedaan als dom en idioot of overladen met emoties in plaats van met redenen, en in het beste geval wordt nader overwogen wat de bedoelingen en reikwijdte van de stellingen te betekenen hebben en in hoeverre ze valide zijn.

De extreme posities zijn op zich begrijpelijk, gelet op het morele belang (rechten van de vrouw versus de beschermwaardigheid van het ongeboren menselijke leven). Ook deze posities zullen zich echter uiteindelijk op redelijke gronden moeten beroepen, willen ze niet bezwijken onder irrationeel fundamentalisme of de waas van emoties. Maar juist in de extremiteiten ontbreekt vaak de redelijke grond en het oog voor de complexe werkelijkheid die niet absoluut is.

De extreme positie van het humanisme bijvoorbeeld komt erop neer dat de vrouw ongeacht welke omstandigheid dan ook altijd baas in eigen buik is en hiertoe een onvoorwaardelijk abortusrecht heeft. Hoewel de juridische basis hiervoor helemaal niet bestaat (zie WAZ art. 5), lijkt de praktische gang van zaken hier verdacht veel op.

Tegen deze absolute trekken vertonende praktische grond, schreef ik het opiniërende Contra abortusrecidive. Of: de sterkste aanzet tot nuancering van het abortusrecht. De strekking is dat de recidive in de abortuscijfers een sterke aanleiding vormt om te overwegen dit absolute recht in de praktijk een halt toe te roepen. De recidive toont namelijk wat mij betreft aan dat om baas in eigen buik te zijn, men ook baas buiten eigen buik behoort te zijn.

Het recht is kortom absoluut noch vrijblijvend, zoals dit feitelijk voor alle rechte geldt (Always remember: With great power comes…). De mogelijkheid van verplichte anticonceptie nu, is een van de eerste mogelijkheden die overwogen moet worden binnen recidive, want de ernst van de gesprekken en de nazorg hebben immers niet voorkomen dat 36% van de moeders na enige tijd weer bij de abortuskliniek staat; meer dan 11.000 gevallen zijn dus herhaalde gevallen.

Het probleem nu van de verplichting is dat we direct stuiten op het meest elementaire verzet van de extreme humanistische positie, namelijk die van inbreuk op de autonomie van de vrouw. Ik geloof niet dat er een ander of sterker argument ten grondslag ligt aan het verdedigen van deze positie als men een redelijke grond zoekt.

Ik zal nu dit uitgangspunt aanvallen en de onredelijkheid hiervan aan het licht proberen te brengen.

We moeten allereerst begrijpen dat deze verplichting niet zomaar is. Akkoord, het is niet redelijk om een vrouw te verplichten wanneer zij voor de tweede maal een abortus ondergaat. Tijdsspanne, logistieke en fysieke redenen spelen namelijk mogelijk een belangrijke rol. En laten we ook eens stellen dat deze verplichting niet geldt bij een derde abortus, waarna wederom lange gesprekken volgen, nazorg wordt verleend en de zin van preventie etc. Etc. wordt ingeprent.

Dan zijn er nog steeds een kleine 3000 gevallen waarbij voor de vierde keer ‘dat ongeboren leven wat bescherming verdient volgens de wet’ wordt geaborteerd. Waar moeten we nu de discussie als we abortus willen verminderen überhaupt beginnen? We kunnen geen discussie voeren met mensen die voor zoveel mogelijk abortussen zijn, dus het uitgangspunt is altijd hoe minder, hoe beter. We kunnen ons ook niet echt meer beroepen op de nazorg en de gesprekken, want dat leidt al jaren niet tot spectaculair minder recidive.

Waarom niet anticonceptie verplichten?

De discussie over verplichte anticonceptie wordt al langer gevoerd, maar gaat dan vooral over het verplichten van anticonceptie voor incapabele ouders en ter bescherming van het kind. Bijvoorbeeld waar het gaat om vrouwen die net zolang zwanger worden totdat ze een kind mogen houden. Zo’n maatregel zou dan de bedoeling hebben om moeders met (een combinatie van) zware psychische problemen, een verstandelijke beperking of verslavingen af te houden van een kind waar ze niet voor kunnen zorgen. Daar gaat het hier niet om. Het gaat hier om het voorkomen van ongewenste zwangerschappen, niet van gewenste zwangerschappen.

Ik zet de volgende argumenten op een rij die voor zover ze niet weersproken worden niet anders dan de weg openen om verplichting tot anticonceptie te overwegen.

Argument 1. Rechten van de moeder zijn niet in het geding

Nu wil het geval dat wie het principe van baas in eigen buik hanteert daarbij over het algemeen het belang van de vrouw in ogenschouw heeft. Haar recht op een zekere vrijheid en autonomie over haar lichaam is van eminent belang. Dat wordt met een verplichting niet miskend.

Het blijft namelijk een recht om ouder te mogen worden. De anticonceptie kan relatief eenvoudig worden verwijderd. Bovendien wordt het recht om ouder te kunnen zijn, versterkt omdat de kans op mogelijke schade door abortusingrepen komt te vervallen, wat de kans op kinderen in een later stadium, wanneer er wel een duidelijke kinderwens is, beter maakt.

Argument 2. De ingreep vergroot de autonomie van de vrouw

Autonomie gaat over de zelfbeschikking van een lichaam. Het gaat hier niet om dat iemand gedwongen moet worden om een ongewenste zwangerschap te voldragen of dat iemand gedwongen wordt om abortus te plegen. Dat is een schending van de autonomie en is in alle gevallen niet acceptabel.

Het gaat er hier om dat er geen abortus hoeft te worden gepleegd. Abortus is een hevige ingrijp, met potentieel zowel fysiek, sociaal als emotioneel zeer verstrekkende gevolgen. Het voorkomen van abortus voorkomt dus blootstelling aan fysieke, sociale en emotionele zware lasten en geeft in die zin meer bewegingsruimte, rust en levensvreugde dan wanneer iemand zich onder welke omstandigheden dan ook geconfronteerd ziet met een herhaling aan ongewenste zwangerschappen.

Argument 3. De ingreep kan volledig gratis worden verleend

Kosten zijn nooit de hoofdreden in morele casussen, maar moeten wel worden gewogen. De kosten die gepaard gaan met de abortus en bijbehorende nazorg worden bespaard en kunnen rechtstreeks worden aangewend voor de gratis anticonceptie. De veronderstelling dat de directe en indirecte baten van duizenden abortussen die voorkomen kunnen worden veel hoger zijn dan de kosten voor de verplichte anticonceptie, geven meer ruimte voor medische preventie en nog betere voorlichting en nazorg in eerdere gevallen. Wederom in het belang van de vrouw.

Argument 4. Het plaatsen van anticonceptie is wellicht ingrijpend, maar weegt niet op tegen het ingrijpende van een herhaalde abortus

Ook hier komt het autonomieargument om de hoek kijken. Het zou ingrijpend zijn om anticonceptie te laten plaatsen. In verschillende gevallen zou dit echter tegelijkertijd met de abortus geplaatst kunnen worden, maar evidenter nog, het is vrijwel ondenkbaar hoe het plaatsen van anticonceptie een grotere emotionele impact heeft dan het ondergaan van een abortus.

Argument 5. Je voorkomt iets wat iemand niet kan willen; daar tegen zijn leidt tot een paradox

Wat indien iemand weigert? Dat werpt de vraag op, op welke gronden anticonceptie hier niet in het belang van de vrouw is. In hoeverre is een verplichting uiteindelijk noodzakelijk, zoals in een samenleving talloze verplichtingen dwingend door de wetgever of deskundigen worden voorgeschreven, om daarmee een groter, veel groter kwaad te voorkomen? Natuurlijk wordt iemands vrijheid beperkt wanneer hij een autogordel moet dragen, maar dat is evident in zijn eigen belang.

Kortom, de vraag blijft zich opdringen waarom zo’n evident voordeel überhaupt geweigerd zou worden en waarom een verplichting überhaupt noodzakelijk is.

Is een verplichting dan noodzakelijk wanneer iemand niet zelfstandig in kan zien dat zij een blijvend gevaar voor zichzelf vormt en kennelijk onvoldoende in staat is of door omstandigheden onvoldoende in staat blijkt zich te kunnen beschermen tegen een onontkoombare noodsituatie?

In het geval waar het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA) gewag van maakt, waarbij een vrouw voor de 13e keer een abortus heeft onderdaan, moet toch iemand met een gevoelsleven met zijn handen in het haar hebben gezeten en zich hebben afgevraagd waarom geen middel in handen is om deze vrouw tegen zichzelf te beschermen. Waarom moet lijdzaam worden toegezien hoe iemand zo vaak in nood komt te verkeren? Tel eens tot 13 en bedenk bij iedere tel het hele traject.

Het lijkt alsof het feminisme, of het radicaal humanisme niet durft in te zien dat soms vrouwen echt hulp van buitenaf nodig hebben om beter tot hun recht komen, te ontsnappen aan misère, lijden en verdriet. Alsof in de extreme positie er een onwaarschijnlijke overtuiging heerst dat een volwassen vrouw in alle gevallen altijd zelfstandig en op eigen kracht, met een zuiver en helder verstand en met een zelfverantwoordelijke zelfbepaling alles kan overzien. Maar heus: Voorkomen is altijd beter dan aborteren. (Zie Gedachte-experiment B)

Argument 6. Er blijven uitzonderingen mogelijk. De verplichting volgt alleen na een oordeel van een arts.

Een beslissing over abortus wordt niet lichtzinnig genomen, absoluut niet. Dat moet echter ook gelden voor de arts die noodsituaties zelfstandig moet beoordelen. Krachtens de wet heeft hij een bijzondere verantwoordelijkheid en deze verantwoordelijkheid dient zich ook en juist te richten op het belang van de vrouw. In het geval van verplichting moet het altijd in het belang zijn van de vrouw. Daarbij geldt de zorgplicht (het is redelijk te veronderstellen dat zorg voor iemand dragen betekent dat iemand zich niet herhaaldelijk in gevaarlijke noodsituaties begeeft, zie Gedachte-experiment B) en moet terdege rekening worden houden met de aard van de recidive.

Hoewel uitzonderlijk, kan ook bij een vierde maal abortus sprake zijn van omstandigheden die een verplichting niet opportuun maken, zoals bureaucratische, logistieke en fysieke redenen.

Argument 7. Niemand wordt belast met het probleem van het vernietigen van potentieel

Waar de meeste abortusdiscussie zich richt op de waarde van het ongeboren leven, dat uiteraard zijn zeer bijzondere waarde heeft, en er een lang debat loopt op welk moment er sprake is van het vernietigen van kostbaar potentieel, gaat mijn hele argumentatie daar niet over.

Het gaat simpelweg om het voorkomen dat we kostbaar potentieel hoeven te vernietigen, en daarbij ook niet in debat hoeven over hoe kostbaar, hoe ongewenst, hoe erg het zou zijn indien het kind wel geboren zou worden, etc.

Argument 8. We nemen de nood van de vrouw serieus

De wet heeft bij een abortus een noodsituatie voor ogen. Zo hevig dat deze niet op andere wijze kan worden beëindigd dan door het beëindigen van het ongeboren leven. Stellen dat een verplichting ‘drastisch’ is (ergo: abortus te prefereren blijft), miskent daarbij wat het betekent in nood te zijn. De nood (die al sinds 1236 in Nederland wordt begrepen als een ernstige vorm van lijden, gebrek, gevaar, benauwing en angst) serieus nemen, betekent de vrouw serieus nemen.

Voor zover bovenstaande argumenten nog niet voldoende ruimte bieden om de redelijkheid van verplichting te overwegen, eindig ik ook nog met twee gedachte-experimenten. Het is nagenoeg onmogelijk -zover het mijn voorstelling betreft- om de analogie 1:1 te kunnen doen gelden, maar ik meen dat de strekking vergelijkbaar is en eveneens leidt tot een onvermijdelijke instemming met een verplichting tot bescherming van iemand.

Gedachte-experiment A

Veronderstel dat er een man is die graag gaat skiën. Het probleem is echter dat telkens wanneer hij gaat skiën hij een enorm risico loopt zijn been te breken (en zelfs om anderen schade te berokkenen*). Hij is vaak gewaarschuwd, heeft voorlichting gehad over hoe hij het beste veilig kan skiën, maar dat alles heeft maar slechts op korte termijn effect. Na enige tijd bevindt de man zich weer in omstandigheden die een groot risico geven op een gebroken been. En wanneer hij dan zijn been gebroken heeft, moet hij een vervelende operatie ondergaan. Financieel kost het hem niets, maar het valt hem wel iedere keer erg fysiek en emotioneel zwaar.

Op een dag wanneer hij voor de derde keer bij de arts is, zegt deze hem dat er een nieuw, zeer technologisch hoogstaand apparaat op de markt is. Dit apparaat zorgt voor gecontroleerde bewegingen wanneer een gevaarlijke situatie ontstaat, zodat in alle gevallen voorkomen wordt dat de man zijn been breekt. “Vergelijk het met een automatisch remsysteem in een auto, zegt de arts. Het voorkomt niet dat u auto kunt rijden, maar het helpt u wel bij gevaarlijke situaties te voorkomen dat u zichzelf in ongewilde problemen brengt. De bijwerkingen zijn in uw geval minimaal.”

Deze technologie kan gelijktijdig met de operatie aan zijn been worden ingebracht. Dat hoeft nu nog niet, hij mag er vrijwillig voor kiezen, maar ingeval hij een volgende keer weer zijn been zal breken, zegt de arts het technologisch hoogstaand apparaat met de operatie in te brengen.

“Maar”, zegt de man, “over enige tijd wil ik graag trainen voor de Olympische Spelen. Dat brengt met zich mee dat ik zo’n apparaat niet gebruiken kan en daadwerkelijk risicovolle bewegingen wil maken.” “Dat is geen probleem”, zegt de arts, “op het moment dat u serieus wil gaan trainen voor de Olympische Spelen kunnen wij dit apparaat zonder veel gedoe bij u weghalen en kunt u zichzelf aan allerlei gevolgen blootstellen die nu worden voorkomen.”

  • Welke bezwaren kan de man hebben tegen het voorstel van de arts?

* Het idee van de anderen kan worden uitgewerkt en is van waarde indien de waarde van het ongeboren kind wordt meegewogen, hier vormt dat niet de kern.

Gedachte-experiment B

Er is een man die niet zwemmen kan. Het lukt hem gewoon niet. Dat weerhoudt hem er echter om onduidelijke redenen niet van, om te jongleren op de rand van een zwembad*.

Af en toe kukelt hij in het water en schreeuwt om hulp. Hulpdiensten rukken uit om hem uit zijn evidente noodsituatie te bevrijden en te waarschuwen dat hij veel voorzichtiger moet doen. Enige tijd later bevindt hij zich echter weer op de rand van het zwembad. En wederom valt hij in het water en schreeuwt om hulp. De hulpdiensten zijn spoedig ter plekke om hem te helpen op het droge.

Maar helaas, een poos later een gelijke situatie. Zoals verwacht raakt hij de balans kwijt en valt in het water en schreeuwt om hulp. De hulpdiensten rukken uit, helpen de man uit het water en vragen hem uiteindelijk naar wat hem beweegt om te jongleren op de rand van het zwembad, terwijl hij daarbij een zeer groot risico loopt in een situatie terecht te komen die hij nooit kan willen en telkens bovendien een beroep moet doen op hulpdiensten. De man antwoordt dat hij zoveel plezier heeft in het jongleren en het niet kan laten. De arts antwoordt:

“Het plezier willen we u niet ontzeggen en wij willen u gerust uit het water blijven halen en blijven waarschuwen en voorlichten, maar in die tijd dat we u uit het water halen kunnen we ook ander belangrijk werk doen. Nu wil het geval dat we hier een zeer bijzonder middel hebben waardoor u, indien u in het water valt, blijft drijven. Dat middel zou u zelf ook kunnen gebruiken alvorens te jongleren, maar dat is veel minder betrouwbaar dan wanneer wij dit bij u inbrengen.”

“U kunt blijven jongleren en u kunt risicoloos in het water vallen, zonder dat u verdrinkt en zonder dat wij u hoeven te redden. Zoals iemand die aan boord wil van een schip verplicht een zwemvest aan moet, zo zullen wij u wanneer u een volgende keer in het water valt dit middel toedienen.”

  • Welke bezwaren kan de man aanvoeren?
  • Na hoeveel malen in het water vallen zou dit middel overwogen moeten worden?
  • Zou men hem verplichten te leren zwemmen of zou men hem uit de buurt van water willen weren als alternatief? Of is het middel een betere oplossing?

* Het idee van de anderen is van waarde indien de waarde van het ongeboren kind wordt meegewogen, hier vormt dat niet de kern. In geval kan de man bijvoorbeeld andere levende wezens met zijn gedrag ook schaden.


Slotsom
Dit alles brengt me tot de slotsom van een redelijke overweging waarbij de centrale vraag is gesteld welk belang iemand er uiteindelijk bij heeft om zich aan ongewenste risico’s en noodsituaties bloot te blijven stellen en welke (morele) verantwoordelijkheid en mogelijke verplichting hieruit volgt. Welk recht van de vrouw wordt gerespecteerd indien zij herhaaldelijk in nood komt te verkeren? En hoe lang is zo’n situatie te handhaven wanneer men het welzijn van de vrouw als uitgangspunt neemt? Ik zie een verplichting zoals boven met argumenten is onderbouwd als een zeer redelijke manier om juist in het belang van iemands welzijn te handelen. Feministischer en humaner dan dit kan dus eigenlijk niet.

_______________________________

Lees ook:

Judith Jarvis Thomsons A Defense of Abortion: besproken en becommentarieerd

Het recht een zwangere vrouw alcohol te weigeren

Waarom we ons moeten blijven bemoeien met abortus

Medische ethiek in de praktijk: overwegingen voor iedereen

Het absolute recht van een stervende op de waarheid

Is het veinzen iemands stervenswens te eerbiedigen een daad van liefde? Een casus uit de notariële praktijk, frivool en haast achteloos geschreven (Algemeen Dagblad 3 oktober 2016, zie onderaan), werpt diepe existentiële vragen op, waar niemand achteloos over zou moeten denken. Een stellingname.

De casus

paddle-vaasEen man heeft zijn hele leven toegewijd gebouwd aan een unieke glasverzameling. Nu hij van zijn artsen heeft vernomen dat hij weldra sterven zal, heeft hij één wens: dat zijn verzameling bijeen blijft. Zijn twee zoons hebben geen interesse die wens in te willigen en lijken louter geïnteresseerd in centen.
De mogelijkheid bestaat nog dat de overheid de collectie overneemt vanwege de kunstzinnige waarde. Bij taxatie blijkt echter dat een groot deel van de collectie kitsch is en de man in veel gevallen is opgelicht. Hooguit enkele stukken zijn financieel de moeite waard. Een levenswerk spat uiteen.
Eén van zijn zoons ziet het met
medelijden aan en belooft zijn vader om zich over de collectie te ontfermen en deze bij elkaar te houden. Enkele maanden later overlijdt de man met het idee dat zijn laatste wens wordt gerespecteerd. Slechts enkele dagen na de crematie brengt deze zoon alle waardevolle stukken naar een veilinghuis en geeft de rest aan de kringloop.
Het artikel eindigt met de zinnen: ‘Keihard bedrog. Maar ook een teken van liefde.’

Een teken van liefde?
belofteWie dit als een teken van liefde beschouwt, baseert die opvatting waarschijnlijk op het idee dat het goed is iemand voor te liegen als dat bijdraagt aan de gemoedsrust van degene die wordt voorgelogen.

Ik ben het ten diepste met die opvatting oneens. Want wat is dit precies voor een liefde? Is dit een liefde die we kunnen wensen? Hoe kan bedriegen een daad van liefde zijn? Is dit een liefde die uit een zuiver hart is voortgekomen en uit een goed geweten? Want liefde is toch minstens een zaak van het goede geweten, lees ik bij Kierkegaard. Maar hoe kan een goed geweten samenvallen met het idee van een onherstelbare leugen?
Dat is iets wat ik niet begrijpen kan.

Ja, deze zoon zal zichzelf voorspiegelen iets goeds te hebben gedaan, hij zal wel moeten wil hij met zichzelf kunnen blijven leven. Maar hij heeft helemaal niets goeds gedaan. Hij heeft alleen een wens vernietigd, en vooral ook de mogelijkheid van de vader om in de laatste maanden van zijn leven zich te verzoenen met de waarheid en vorm te geven aan zijn nalatenschap, zijn levenswerk.

Het is evident dat als we een morele regel opstellen op basis van de opvatting ‘het is een teken van liefde wanneer je iemand bedriegt omwille van zijn gemoedsrust’, niemand nog zelfs op zijn sterfbed zijn bloedeigen zoon kan vertrouwen. Immanuel Kant heeft in Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785) lang geleden al gewezen op de totale absurditeit van zulke opvattingen. Hoe zou deze zoon immers kunnen willen dat hij mogelijk zelf bedrogen wordt op zijn sterfbed? Hoe zou hij gerust kunnen sterven met in het achterhoofd het idee dat zijn eigen zoon misschien naar voorbeeld van zijn vader dezelfde veinzerij aan de dag legt verpakt in een belofte, maar feitelijk niets meer zal doen dan zo snel mogelijk na zijn dood een heel levenswerk verkwanselen?

maskerDe leugen die deze man zijn vader heeft voorgespiegeld als waarheid heft feitelijk iedere gemoedsrust op. Hij heeft door zijn vader te bedriegen de gemoedsrust van iedere stervende vernietigd, omdat hij de belofte heeft vernietigd.

Maar wat dit nog intenser treurig maakt, is niet dit valse idee van liefde. Het is niet de geldzucht van de nabestaanden. Het is niet het klaarblijkelijke ontbreken van enige inspanning om een laatste wens te respecteren. Nee, het intense treurige zit hier in: Deze man die zijn hele leven blijkt te zijn bedrogen, wordt tenslotte ook nog eens bedrogen door zijn bloedeigen zoon.

Dat is een onvoorstelbare hardvochtige minachting voor de stervende en het sterven. Het is zeggen: ‘een stervende heeft geen recht op de waarheid, dat heb ik zo even beoordeeld’. Het is geworteld in dat misselijkmakende hedendaagse idee dat het lijden niet bij het leven hoort en het is zelfs minachting voor het leven, alsof de levende de waarheid niet aan kan. En minachting omdat wat bij leven is gemaakt, zonder enige vorm van spijt met één beweging kan worden vernietigd. Wie vertrouwt zo iemand bij leven nog dat hij niet de inschatting maakt dat de leugen gepast is? Ja, wie zou iemand die zo naar het leven en de dood kijkt als vriend willen hebben?

Het gaat er in deze niet om dat de laatste wens de zoon zou overvragen, want dat zou goed het geval kunnen zijn. Het gaat erom dat hij de belofte maakt terwijl hij weet dat hij deze niet zal houden. Het is iemand de liefde verklaren, waar er geen liefde is. Is dat liefde?

sterfbedNatuurlijk is de paradox duidelijk: wie in niets gelooft, hoeft niet bang te zijn dat bedrog wordt afgestraft. Dat onrechtvaardigheid wordt doorzien. Dat leugens moeten worden verantwoord. De dode is dood, en dood zal hij blijven. Maar wat is nog de waarde van menselijke nalatenschap als alles van waarde weerloos is? Weerloos tegenover de dood en zelfs weerloos tegenover je eigen familie? Zo’n houding maakt het leven zelf zinloos. Je moet haast hopen dat er geen diepere zin bestaat, voor iemand die zo denkt.

Onze laatste momenten in het leven verdienen waarheid. Je moet wanneer je dat kunt een stervende nooit het recht op de waarheid onthouden. Het is een absoluut recht. Dat de waarheid niet altijd welgevallig is, is van oneindig minder belang dan het recht van een stervende de laatste momenten van zijn leven vanuit waarheid op zijn eigen manier vorm te geven.

glazen-illusie-spat-uiteen morele ethische casus

De opmerkelijke dood van Simone: een rechtsfilosofische puzzel

De opmerkelijke dood van Simone: een rechtsfilosofische puzzel

De volgende oefening is uitermate geschikt om na te denken over basale concepten betreffende ‘schuld’, ‘intentie’, ‘verantwoordelijkheid’, ‘causaliteit’ en ‘moraal’ en leent zich goed als casus voorafgaand op diepere bestudering van de materie.

De casus: wie is de moordenaar?
Te midden van de Grote Zandwoestijn bevinden zich een vrouw en twee mannen. Simone, Herbert en Ronald. Met elk een watervoorraad van een week wachten ze op redding uit het gebied, die nog 7 dagen op zich laat wachten. Herbert heeft echter een gruwelijke hekel aan Simone, en wil niet dat zij wordt gered. Die nacht sluipt Herbert naar de tent van Simone en vergiftigt haar watertank met slangengif. Los van Herbert, heeft ook Ronald het op Simone gemunt. Ook hij sluipt die nacht naar haar tent en boort een klein gaatje in haar watertank (zonder dat hij beseft dat het water al vergiftigd is door Herbert), waardoor de tank is leeg gelopen voordat Simone wakker wordt. Als gevolg daarvan sterft Simone enkele dagen later aan uitdrogingsverschijnselen.

Beide mannen worden enkele dagen later gered, maar het reddingsteam vermoedt opzet in de dood van Simone en onderzoekt de zaak waarbij ze tot de conclusie komt dat er zowel gif zat in haar water, als dat de tank was gesaboteerd.

De vraag is echter: wie heeft de dood van Simone op zijn geweten, Herbert of Ronald? (Vrij naar: Smullyan, R.M. (1978). ‘What’s the name of this book?’)

Een eerste blik
Wanneer we intuïtief naar de casus kijken, dan ligt Ronald voor de hand, omdat Simone nooit het vergiftigde water heeft gedronken. Met andere woorden, Simone zou zelfs als Herbert het gif niet in het water had gedaan zijn overleden door het toedoen van Ronald.

Aan de andere kant echter, ligt ook Herbert voor de hand als moordenaar. Want het feit dat Ronald een gat heeft geboord in de tank, is volstrekt irrelevant: het water was immers al vergiftigd en of Ronald nu wel of geen gat zou hebben geboord, Simone was al ten dode opgeschreven op het moment dat het water vergiftigd was door Herbert.

Welke argumentatie is nu het sterkst?

Een nadere blik I
De casus laat me denken aan het probleem wat er gebeurt wanneer een niet te stoppen kracht botst tegen een onverplaatsbaar object. De oplossing is dan flauw: er kan geen werkelijkheid bestaan waarin beide krachten gelijktijdig existeren. Ook hier lijken beide argumentaties elkaar op te heffen, met dit verschil dat ze logischerwijs wel naast elkaar kunnen bestaan. We zullen dus moeten kijken naar onze eigen achterliggende opvattingen, hoe we tot een oplossing zouden kunnen komen. Het ligt niet voor de hand dat er één juiste oplossing bestaat. De oplossing is dus afhankelijk van het rechtssysteem (wat te denken van juryrechtspraak in deze), de achterliggende filosofische principes en de invulling van aanverwante relevante begrippen.

Om aan het dilemma te ontsnappen, zou er kunnen worden gekozen voor een tussenoplossing: beiden zijn schuldig aan moord op Simone. Beide mannen hadden immers dezelfde kwade intentie en wie het principe aanhangt dat iemand onafhankelijk van het causale verband (dat bijvoorbeeld door geluk of toeval tot stand komt) daarom straf verdient, heeft de oplossing gevonden. Herbert mag namelijk niet straffeloos ermee wegkomen omdat hij het geluk had dat Ronald een gat boorde, en Ronald mag niet straffeloos wegkomen omdat hij het geluk had dat Herbert het water toch al vergiftigd had (zie ook: Wil, toeval en straf: een korte studie binnen het materiële strafrecht.)

Het probleem is echter dat er geen rechtssysteem is dat primair zo functioneert. Het recht is niet primair gebaseerd op ethische grondslagen. Het is bijvoorbeeld onethisch om een kind dat bedelt voor voedsel te negeren, maar het is juridisch legaal. In ons geval zouden we namelijk een moreel oordeel (beide mannen zijn slecht) verwarren met een juridisch oordeel (wie is verantwoordelijk voor de dood op Simone). In de praktijk halen we zulke zaken (ethiek en recht) nog wel eens door elkaar, omdat ons gevoel zegt dat iemand die een bijzonder slechte bedoeling heeft, daar niet mee weg mag komen (en helemaal niet wanneer hij toevalligerwijs de mazzel had dat iets of iemand anders dan deze slechte bedoeling heeft geleid tot het door hem gewenste effect. Vgl ook.: De Zaak A. )

Intermezzo I: de ‘Nijmeegse scooterzaak’
Vergelijk dit bijvoorbeeld ook eens met de zogenaamde ‘Nijmeegse scooterzaak’. Dit gaat weliswaar over medeplegen, maar we voelen een gelijkwaardig dilemma waar het aankomt op straf in relatie tot het plegen.

Op 15 januari 2010 zijn twee mannen op de vlucht voor de politie met hun scooter. Het duo was met hoge snelheid op de vlucht voor de politie, die hun plan om een hotel te overvallen had doorzien. Tijdens deze vlucht rijden ze een Arnhemmer dood die op een zebrapad in Nijmegen loopt.

In eerste aanleg krijgen ze 8 jaar (bestuurder) en 16 maanden (man achterop) cel voor hun dollemansrit.

Het gerechtshof spreekt ze in hoger beroep (mei 2012) echter vrij: volgens het hof is het niet duidelijk geworden wie de scooter bestuurde, omdat ze naar elkaar blijven verwijzen (een op zichzelf interessante juridische verdedigingstruc, die laat denken aan het prisoner’s dilemma). Op grond daarvan kan niet een iemand een hogere straf worden toebedeeld. Dan zou in theorie immers degene die niet heeft bestuurd acht jaren kunnen krijgen en dat is juridisch onwenselijk.

In cassatie (december 2013) stelt de Hoge Raad echter dat de zaak over moet en verwijst deze terug naar het hof in ’s-Hertogenbosch. Die inhoudelijke behandeling moet op dit moment nog plaatsvinden, maar de uitkomst daarvan zal ongetwijfeld een nieuwe standaard verschaffen over hoe we moeten nadenken over schuld en straf, wanneer het onduidelijk is wie primair verantwoordelijk is voor het uiteindelijke effect (wanneer beide wel gelijktijdig hetzelfde effect wensten).

Natuurlijk hebben deze beide criminelen het effect van hun handelen (de dood van de Arnhemmer) niet gewenst, zoals Herbert en Ronald het effect van hun handelen wel hebben gewenst en in de scooterzaak gaat het hier vooral over medeplegen. Het recht worstelt echter zichtbaar met de vraag in hoeverre iemand straf verdient, als niet is komen vast te staan dat hij degene is geweest die direct verantwoordelijk is geweest voor het effect (we kunnen immers niet willen dat een onschuldig iemand gestraft wordt), en in dat perspectief is het fenomeen interessant voor onze casus. Ook hier zien we duidelijk dat een stevige dubbele veroordeling door het publiek wenselijk wordt gevonden (beide mannen verdienen flinke straf en geen vrijspraak) terwijl juristen op zoek zijn naar een objectief onderscheid en rechtvaardiging voor de mate van straf.

Het hof in Arnhem motiveerde haar vrijspraak op grond van de opvatting dat de bijrijder van de scooter niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het rijgedrag van de bestuurder en de fatale gevolgen daarvan, terwijl het misschien wel de vraag is of er sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet van beide mannen: in hoeverre heeft de een en de ander niet van tevoren kunnen voorzien dat ongeacht wie reed dit een redelijkerwijs te verwachten effect is geweest. Heeft immers de bijrijder het niet in zijn macht gehad de vluchtpoging te staken, maar deed hij dit niet omdat hij deze even graag als de rijder zelf wilde uitvoeren, omdat hij immers net zo goed aan de politie wilde ontsnappen om daarmee zijn straf te ontlopen voor de poging tot overval van het hotel? Het lijkt er in ieder geval op dat het gerechtshof straks toch tot een soort salomonsoordeel gaat komen, misschien wel door wat juridisch gegoochel (het recht moet objectief blijven) om daarmee het publiek dat hecht aan de subjectieve benadering tegemoet te komen.

Inzake medeplegen nog dit: bedenk ook eens wat de situatie zou kunnen zijn als Herbert en Ronald wel van elkaar weten dat ze allebei Simone dood willen. Om niets aan het toeval over te laten doet Herbert eerst gif in het water (voor het geval Simone wil drinken voor de tank leeg is) en boort Ronald daarna een klein gat in de tank (voor het geval het gif niet werkt). Simone wordt wakker en ziet een lege tank: als gevolg daarvan sterft ze enkele dagen later aan uitdrogingsverschijnselen.

Een nadere blik II
Als we niet aan het dilemma proberen te ontsnappen door ze allebei een straf te geven, rest ons niets anders dan te kijken naar welke verdediging zowel Herbert als Ronald zouden voeren voor de rechtbank.

Laten we ons voorstellen dat we de verdediging voeren voor Ronald, degene die een gat heeft geboord in de watertank van Simone. Het verwijderen van vergiftigd water kan onmogelijk worden beschouwd als het vermoorden van iemand. Sterker nog, doordat Ronald het vergiftigde water heeft weg laten lekken, heeft Simone nog een aantal dagen geleefd. Had ze het vergiftigde water gedronken, dan was ze vrijwel onmiddellijk gestorven. Ook al wist Ronald er niets van (maar een verdediging zal ongetwijfeld aansturen op het feit dat hij dit wel wist…en wat dan?), hij heeft feitelijk haar leven verlengd, in plaats van dat hij haar heeft vermoord.

Verdedigen we echter Herbert, degene die het gif in het water deed, dan zal het sterkste argument wat we kunnen aandragen zijn dat hij nooit veroordeeld kan worden voor moord, aangezien er geen enkel verband is tussen de dood van Simone en zijn handelen. Met andere woorden, het ontbreekt aan causaliteit om hem als moordenaar aan te merken. Hij had het gif net zo goed in haar beker kunnen doen. Zonder water had ze daar ook nooit uit gedronken. Als Herbert een dag later gemerkt had dat er geen water voorhanden was voor Simone, had hij het gif uit haar beker verwijderd. Er is dan zelfs ook maar hooguit een poging tot moord geweest…’maar Herbert kwam tijdig tot inkeer’…

Intermezzo II: poging
Een poging laat zich eenvoudig omschrijven. Het is een inspanning, een ‘trachten’. Het is een streven gericht op een doel. Poging en bedoeling zijn dan ook nadrukkelijk met elkaar verbonden. Wanneer ik iets poog, heb ik een bedoeling. En met bedoeling is het begrip ‘intentie’ verbonden, waarmee ‘verantwoordelijkheid’ een rol gaat spelen. Er is dus al met al een sterke relatie tussen denken, willen, voornemen en handelen, wanneer we over poging spreken.

Ligt de oplossing van ons probleem dan niet in het feit dat ze het allebei hebben gepoogd (weer een middenoplossing dus)? Kunnen ze derhalve wanneer we niet kunnen kiezen tussen Ronald en Herbert als moordenaar niet beide veroordeeld worden wegens poging tot moord (nou…er is wel een dode, dus dat lijkt toch onmogelijk…)?

Poging tot misdrijf is immers strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard (artikel 45 Sr, lid 1). Met andere woorden, in beide gevallen kunnen we stellen dat de mannen een begin van uitvoering hebben gemaakt. Ook wordt duidelijk hoe de subjectieve component van het pogen door de wetgever geobjectiveerd wordt door een zichtbaar begin van uitvoering te verlangen. Dit lijkt erop dat het kwade zich moet tonen en het onvoldoende is enkel het kwade te willen om tot een juridische veroordeling te komen. Zowel Herbert als Ronald hebben duidelijk een begin van uitvoering laten zien. Maar ontstaat er dan niet het probleem van de mislukte poging? In hoeverre is namelijk de poging van Herbert die het water vergiftigde uiteindelijk een mislukte poging en die van Ronald een gelukte poging?

Er is duidelijk sprake van een kwade wil bij Herbert, maar zijn poging mislukt. Of bedenk eens dat zijn poging ondeugdelijk zou zijn: vergelijk de casus indien Herbert slangengif had gebruikt wat buiten zijn weten om volstrekt onschuldig zou zijn geweest indien Simone het had gedronken. Weten we eigenlijk wel zeker dat Simone aan het gif was overleden? Hoeveel gif was het eigenlijk – was het voldoende? Ronalds poging is duidelijk: noch mislukt noch ondeugdelijk.

Hoe moeten we een poging tot moord kwalificeren die mislukt op basis van toeval? Het is immers toevallig dat buiten Herbert om Ronald de tank laat leeglopen. Het gaat dus ook om de vraag of we op de een of andere manier Herbert toch een flinke straf kunnen geven, omdat hij voor ons gevoel niet deugt. Maar een moordenaar zal hij niet zijn: wie zegt immers niet dat Simone had kunnen struikelen en haar water zo had gemorst? Een poging blijft staan, maar haar dood is niet aan zijn poging te wijten.

Of is Herbert toch de uiteindelijke moordenaar? Heeft Ronald haar niet gered per toeval? En is dit niet hetzelfde toeval dat in het voordeel spreekt van Ronald, als het eerdergenoemde toeval in het voordeel zou kunnen spreken van Herbert (dat hij door toeval niet als moordenaar kan worden aangewezen)?

Ten slotte
Simone is overduidelijk door het handelen van een van beide mannen om het leven gekomen. Als ze niets hadden gedaan, dan was ze net als zij gered geweest. Als alleen Ronald had gehandeld, was ze dood geweest. Als alleen Herbert had gehandeld was ze dood geweest. Als Ronald eerder was geweest met het laten leeglopen van de watertank, dan had Herbert ontdekt dat vergiftiging niet meer nodig was geweest. Dan zouden we in dat geval ook geen begin van uitvoering van handeling bij Herbert hebben kunnen ontdekken. Dat maakt hem moreel niet beter, maar juridisch gezien zou hij daarmee ontsnappen. Maar stel dat Simone had geweten dat het water vergiftigd was door iemand, dan was ze eveneens gestorven door uitdroging, net als feitelijk nu het geval is.

Hoe dan ook, het tragische einde van Simone verlangt stevige vergelding – of is het denkbaar dat beide heren vrijuit gaan?

___________________________________________________

Zie voor enkele Engelse commentaren en discussies:
https://www.debate.org/forums/Philosophy/topic/27255/
https://forums.civfanatics.com

 

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2020 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved.
Bezoek aan dit archief is gehouden aan de voorwaarden te vinden onder "Over deze website"