Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Het aanhoudende gevecht tegen kwade trouw bij Jean-Paul Sartre

Alsmede een verdediging tegen een foutieve opgave voortvloeiend uit een verkeerde eindterm in het CE Havo filosofie 2018

Soms interesseert een kwestie zo weinig mensen, dat je jezelf moet afvragen hoeveel uren je moet besteden voor praktisch enkele lezers die als ze de moeite nemen een en ander te overwegen, het de vraag is of ze niet volharden in eigen overtuigingen – hoe dan ook. Zo’n kwestie bespreek ik in deze korte verhandeling over het begrip ‘kwade trouw’ (mauvaise foi) bij de Franse denker Jean-Paul Sartre (1905-1980). Omdat ze tegen het principiële aan schuurt.

Hoewel ik wat betreft het existentialisme uitstekend op de hoogte ben van voornamelijk Kierkegaard, is ook Sartre een redelijk door mij bestudeerde denker, al moet ik daarbij overal lezen dat hij ‘uit de mode zou zijn’ en met name zijn filosofische werk ‘wollig is en moeilijk leesbaar’. Dat laatste is zonder meer het geval overigens. Maar dat ter zijde.

De kwestie die ik hier wil bespreken vloeit voort uit een opgave van het centraal examen filosofie voor havo-leerlingen waar een zekere kennis van Sartre wordt verlangd, waarvan het mijn overtuiging is dat de vraag zoals gesteld onmogelijk zo gesteld kan worden omdat ze iets impliceert over Sartre wat niet het geval is. Deze overtuiging is logisch te onderbouwen en dat zal ik hier laten zien.

Het komt erop neer dat een jong meisje genaamd Laura Verstraeten zelfbewust kiest om mee te willen doen aan de Mini Miss België-verkiezing, en daarbij op het podium wil laten zien wie ze is. Ze las in de krant en wist: “Daar doe ik aan mee! Ik sta graag op een podium. Ik wil laten zien wie ik ben en wat ik kan. Wat andere mensen daarover te zeggen hebben, boeit me niet.” (https://www.standaard.be/cnt/dmf20160506_02277138)

De opgave is nu dat uitgelegd moet worden dat Laura ondanks haar zelfbewuste, authentieke keuze die is af te leiden uit haar opmerkingen, toch onvermijdelijk te kwader trouw is volgens Sartre. Dit volgens Sartre stelt dus dat Sartre zelf deze onvermijdelijkheid voor zijn rekening neemt.

Het antwoord wat gegeven had moeten worden luidt:

Je bent volgens Sartre te kwader trouw als je je keuzevrijheid opgeeft. Dit gebeurt onvermijdelijk wanneer je een keuze maakt en handelt, want daarmee sluit je andere keuzemogelijkheden uit. Laura is te kwader trouw op het moment dat zij beslist mee te doen aan een mini-missverkiezing.

Dit antwoord impliceert dus dat ieder mens op ieder moment wanneer hij kiest (en laat ik er voor het gemak van uitgaan dat hij ook nog eens authentiek, reflexief en zelfbewust kiest) onvermijdelijk te kwader trouw is (Kwade trouw wordt veelal begrepen als: ‘the denial of one’s total freedom and making the choice to behave inauthentically’ (Zie Mary Efrosini Gregory (2012). Free will in Montaigne, Pascal, Diderot, Rousseau, Voltaire and Sartre. p.165). Kwade trouw is volgens Sartre zelfbedrog.  Volgens de strekking van het antwoord ben ik eenvoudig gezegd op dit moment te kwader trouw omdat ik ervoor gekozen heb om in plaats van een heleboel andere zinvolle dingen te doen met mijn tijd, me bewust en authentiek bezig te houden met het begrip kwade trouw. En zo bent u, netelige lezer te kwader trouw omdat u ook in de zon had kunnen liggen. Had u dat overigens gedaan dan was uw lot hetzelfde: onvermijdelijk te kwader trouw, net als Laura’s lot.

En hier ontstaat er kortsluiting.
Is dit hetgeen wat Sartre in zijn werk met instemming en overtuiging betoogt over kwade trouw? De vraagt suggereert namelijk dat Laura volgens Sartre onvermijdelijk te kwader trouw is, ondanks haar authentieke keuze.

In een nadere verantwoording zoals deze is gegeven tijdens een examenoverleg tussen docenten wordt er als volgt geredeneerd. De (nummering) is van mijn hand.

De onderbouwing is dat het door Sartre in ‘Het Zijn en het Niet’ benoemde permanente risico op kwade trouw voortvloeit uit de structuur van de menselijke vrijheid (1). De door Sartre in een voetnoot (2) aangekondigde uitleg hoe je door authenticiteit aan de kwade trouw zou kunnen ontsnappen (einde van hoofdstuk over kwade trouw), ontbreekt in het werk van Sartre (3). En op de laatste bladzijde stelt Sartre dat een vrijheid die zich als vrijheid wil, ervoor kiest zichzelf te ontvluchten. Volgens Sartre gaat het hier om fundamentele kwade trouw of misschien om een andere fundamentele verhouding die nog onbekend is en in een volgend werk zal moeten worden onderzocht. Maar dat doet Sartre vervolgens niet (3b). Daarmee lijkt kwade trouw onvermijdelijk (4).

(5) Daarnaast is er vorig jaar nog een thesis verschenen van K. Galstaum (correct is: Kas Galstaun, SW) getiteld ‘Kwade trouw in Jean-Paul Sartres Het Zijn en het Niet’ waarin wordt verdedigd dat kwade trouw een fundamentele betekenis in heeft in Sartres filosofische gedachtegoed. Kwade trouw moet gezien worden als een fundamenteel bestanddeel van Sartres bewustzijnsbegrip. (6) Het bewustzijn is voor Sartre namelijk absoluut vrij, en het is precies deze vrijheid die leidt tot de onvermijdelijkheid van kwade trouw. 

Deze interpretaties rechtvaardigen de eindterm en de uitleg in het examencahier (p. 113) dat kwade trouw bij Sartre onvermijdelijk zou zijn. Leerlingen moeten dit daarom ook als zodanig kunnen beantwoorden in het examen.

Ik zal nu aantonen dat deze hele verantwoording eigenlijk precies mijn punt bevestigt -en voor zover dat niet het geval is zal dit uit andere bewijzen blijken-, namelijk dat je niet kunt beweren dat er volgens Sartre onvermijdelijk sprake is van kwade trouw. En daarmee is dus de vraagstelling foutief en kan deze ook niet beantwoord worden.

(1) Allereerst is een ‘permanent risico’ iets volkomen anders dan een onvermijdelijk gevolg. Een risico brengt altijd een zekere kans met zich mee. Iets zou zich permanent kunnen voordoen als mogelijkheid, maar dan is er nog steeds een mogelijkheid om aan het risico te ontsnappen! Maar laten we zeggen dat dit ongelukkig gekozen of ondoordachte woorden zijn.

(2) Inderdaad geeft Sartre in een voetnoot aan in Het Zijn en het Niet (mijn uitgave 2003, p. 136):

Als het er niet toe doet of men te goeder of te kwader trouw is, omdat de kwader trouw zich weer meester maakt van de goede trouw en naar de oorsprong zelf van haar project glijdt, dan wil dat niet zeggen dat men niet radicaal aan de kwade trouw kan ontkomen. Maar dat veronderstelt dat het verrotte zijn weer greep op zichzelf krijgt, wat we authenticiteit zullen noemen en voor de beschrijving waarvan dit niet de geschikte plaats is.

Hier zegt Sartre feitelijk letterlijk dat het niet gezegd is dat kwade trouw onontkoombaar is. Dit kan in talloze studies worden teruggevonden. ‘This alleged inescapabilty of bad faith makes it very difficult to understand how human beings might ever  attain anything approaching authentic existence – a possibility which, as Sartre reminds us, he does not deny and which he describes in a short, enigmatic footnote as a kind of “self-recovery (reprise) of being which was previously corrupted’. (Lees het zeer verhelderende verhaal van Weberman, D.: Sartre on the Authenticity, Required if My Choices Are to Be Truly Mine. In: FILOZOFIA 66, 2011, No 9, p. 883. Mijn onderstreping. Zie ook L. Stevenson. Self-Knowledge in Kant and Sartre. In: Comparing Kant and Sartre. Ed. Sorin Baiasu (2016): ‘Sartre claims that we live most of our lives in “bad faith”, not clearly or reflectively aware of our own motives, and he says that “what we might call everyday morality is exclusive of ethical anguish”. But he wants to insist that bad faith is not inevitable, that we can face up to ethical anguish, perhaps in response to Socratic questioning, and use our potential for purifying reflection.’ p. 128. Mijn onderstreping).

Dat deze self-recovery (reprise) vervolgens nergens naar de zin van wie dan ook wordt uitgewerkt -al is dat sterk de vraag-, doet niet ter zake (3). Sartre zoekt op zijn minst nadrukkelijk via de authenticiteit naar de ontkoombaarheid of de opschorting van de kwade trouw. Sartres philosophy has always aimed at avoiding bad faith. Secundaire literatuur loopt over van die notie: ‘Much of the recent secondary literature on Sartre’s ethics is devoted to looking at how in fact Sartre (mostly in his later writings) does try to get himself out of this apparently insoluble knot (Paul Vincent Spade (1995). Being and Notingness. Class Lecture Notes. P. 147). Zie o.a. ook Thomas C. Anderson, The Foundation and Structure of Sartrean Ethics, Francis Jeanson, Sartre and the Problem of Morality en David Detmer, Freedom As A Value: A Critique of the Ethical Theory of Jean-Paul Sartre. Het is één zaak om theoretisch in de knoop te raken, een geheel andere om hoe dan ook die knoop aan te blijven vallen.

Het is voorts helemaal niet vreemd dat het begrip authenticiteit bij Sartre niet is gedefinieerd.
Authenticiteit is de sleutel tot het ontkomen aan kwade trouw. Maar als het gedefinieerd zou zijn -in een ethiek bijvoorbeeld- dan zou het juist de openheid van zijn karakter verliezen wat Sartre in heel zijn werk uitdraagt (en wordt er een nieuwe paradox gecreëerd nota bene). We zien dat vaker in het existentialisme en bovenal bij Kierkegaard (Vgl. Sheridan Hough (2015). Kierkegaard’s Dancing Tax Collector: Faith, Finitude, and Silence: ‘Sartre’s ideas of avoiding ‘bad faith’ (mijn onderstreping), acknowledging the ‘self’ as a condition always in the balance, and, above all, the importance of freedom-all of these notions are first worked out in Kierkegaard’s corpus.’ p. xi) dat door middel van spel en ironie een zekere stemming wordt aangedragen, die nooit als definitie is gegeven (‘Sartre’s work is also deeply Kierkegaardian: the Sartrean picture of the structure of the self (in L’Être et Le Néant) as the opposition of ‘facticity and transcendence’ is surely a one-dimensional rendition of Anti-Climacus’s three-fold set of ‘relata’ that describes the human situation in terms of opposed capacities.’ Ibid, mijn onderstreping. Zie ook: The concept of authenticity van Sayers: ‘Moreover, at least on the account he gives in Existentialism and Humanism (Sartre 1948), freedom also provides the standard for authenticity. Our freedom is something that we must exercise alone and individually, with no authoritative principles or rules to guide us, in`abandonment’ and `isolation’. To the extent to which we do this consciously, avoiding`bad faith’ and accepting the responsibility and anxiety this brings with it, we are acting authentically.’ (Philpapers.org/rec/SAYTCO-3). Dit in strijd dus mogelijk met opvattingen in Het Zijn en het Niet).

Het is eerder dat Sartre ons uitdaagt om ons nooit neer te leggen bij een nooit eindigende strijd tegen de kwade trouw. Dat kun je beschouwen als het permanente risicovolle karakter en dat is de paradox (A similar philosophy is often attributed to Kierkegaard, who talks of the need of the authentic self to make a `leap of faith’, a purely individual commitment which cannot be rationally justified or explained (Sayers, The concept of authenticity). Dat is wat er gebeurd als het zelf immers een verhouding is die zich tot zichzelf verhoudt. Het zelf is niet de verhouding, maar dat de verhouding zich tot zichzelf verhoudt. Maar er is wel sprake van strijd in die verhouding en juist niet van overgave! ‘He wants the notion of authenticity in his philosophy. He is aiming to find room for it.’ (Cursivering en onderstreping auteur. Paul Vincent Spade (1995). P. 147. Overweeg ook de eerder genoemde Weberman: ‘I hope to have shown in this paper that authenticity is not a hopeless notion. We can make sense of it without falling victim to the dubious notion of a pre-given self. Sartre’s account of reclaiming oneself through one’s situation so as to do justice to the balance and tension between our facticity and transcendence can make sense of a notion of authenticity which would seem to be pre-supposed by any robust conception of what it is to choose effectively and act freely.’ p. 888. Mijn onderstreping).

(4) De speculatieve conclusie dat kwader trouw onvermijdelijk lijkt, dus in ieder geval niet volgens Sartre is, is voorbarig en bezwijkt al onder zijn eigen mogelijkheid in plaats van zijn eerdere stelligheid. Want inderdaad, je kunt altijd zeggen: ‘Het is een kwestie van mogelijkheid’. Net zoals je kunt zeggen dat mogelijk Kierkegaard een atheïst is, John Henry Newman tot het eind van zijn leven een protestant en Plato een democraat in hart en nieren. Het wordt echter zeer problematisch wanneer een van deze auteurs zelf aangeeft dat dit niet het geval is. Dat is precies wat Sartre doet: hij zit in zekere zin gevangen – hoewel je over de aard van die gevangenis kunt redetwisten- maar hij geeft aan dat je door middel van authenticiteit aan kwade trouw kunt ontsnappen. Dat dit vervolgens ogenschijnlijk ontbreekt in zijn werk (3b), betekent niet dat hij dus beweert dat kwade trouw onvermijdelijk is. Het kan mogelijk volgen uit hetgeen hij beweert, maar dat is iets anders dan dat hij het zelf zo beweert of spreekt van een onoplosbare spagaat (aldus de merkwaardige uitleg op p. 113 in: De Bruin et al. (2017). Ik. Filosofie van het zelf.) We lezen immers dat hij eraan wil ontsnappen en zijn werk ademt poging tot ontsnapping. De vraag is niet voltooid. Dat is zelden zo in de filosofie.

(3) Dat ontbreken is overigens zeer relatief. Sartre belooft inderdaad een positieve ethiek van de authenticiteit aan het einde van zijn werk Het Zijn en het Niet. Hoewel dat wederom een bewijs is dat hij kwade trouw tracht te ontkomen/overkomen, is het eigenlijk nog sterker:

The concluding sentence of Being and Nothingness famously promises an ethics, in which one might expect to find Sartre’s positive account of authenticity. The work never materialized, but Sartre’s extensive notes on the subject, dating from 1947–8, were published after his death as Notebooks for an Ethics (Sartre 1992). He soon abandoned the project in favor of a Marxian ethic of social revolution, but the Notebooks confirm what is hinted at in Being and Nothingness, namely, that authenticity must consist in somehow keeping firmly in view the “double simultaneous aspect of the human project, “that is, its transcendence and facticity, and in the end its arbitrariness and futility (Sartre 1992: 481, mijn onderstreping). Whereas “Being and Nothingness is an ontology before conversion,” then the Notebooks describe a “new, ‘authentic,’ way of being oneself, which transcends the dialectic of sincerity and bad faith” (Sartre 1992: 6, 474).
(Taylor Carman. The Concept of Authenticity. In: A Companion to Phenomenology and Existentialism. (2009). Ed. H.L. Dreyfus & M.A. Wrathall. p. 238)

Sartre heeft wel degelijk aan een ethiek van de authenticiteit gewerkt. Dit boek is verschenen onder de titel Cahier pour une morale (1983 postuum) en vertaald door David Pellauer in het Engels onder de titel Notebooks for an Ethics (1992) zoals we lezen. In dit werk schetst Sartre contouren van wat authenticiteit kan zijn.

Rather than aspiring to be anything, the authentic self aims only at transcending itself in an immediate engagement with the world: “The only meaningful project is that of acting on a concrete situation and modifying it in some way” (Sartre 1992: 475). The authentic consciousness no longer strives to be God, then, but commits itself instead to “a radical decision for autonomy” (Sartre 1992: 478). Of course, being authentic in this sense will still mean being engaged and autonomous, but only as an aspect of one’s facticity, not in-itself, not as a finally settled matter of fact to which one aspires selfconsciously in transcending oneself toward the world.
(Ibid. p.239)

Het is duidelijk dat de complexiteit van dit begrip, ook (juist) in deze uitleg voor veel studie vatbaar is. Deze korte studie heeft me ook nogmaals bewust gemaakt van de enorme hoeveelheid beschikbare literatuur rondom het begrip authenticiteit. In het licht van hetgeen ik hier beoog voert het echter te ver om er dieper op in te gaan. Er is aangetoond dat Sartre in zijn oeuvre zich nergens neerlegt bij het idee – ik heb ze althans niet gevonden en hier het tegendeel opgevoerd- dat kwade trouw onvermijdelijk behoort te zijn. Dat maakt dat de vraagstelling “Leg vervolgens uit dat Laura volgens Sartre toch onvermijdelijk te kwader trouw is” foutief is. Het wordt overigens allemaal nog merkwaardiger als we in ogenschouw nemen dat de eerste zin van de opgave luidt: “Volgens Sartre is te kwader trouw zijn een bedreiging voor authenticiteit.” Het antwoord wat moet worden gegeven in het tweede deel suggereert vervolgens dat authenticiteit helemaal niet mogelijk is -maar toch ook weer wel dus, want hoe kan het immers anders bedreigd worden…

(5) Dat er tenslotte een scriptie is verschenen (voor mij niet beschikbaar) waarin door een student wordt verdedigd dat kwade trouw een fundamentele betekenis heeft in Sartres filosofische gedachtegoed, is een open deur evenals dat kwade trouw een fundamenteel bestandsdeel is van Sartres bewustzijnsbegrip. De laatste zin (6) van deze verantwoording is een non sequitur. De conclusie volgt niet logisch uit hetgeen er is aangevoerd. Deze scriptie lijkt eerder een stroman. Daar kan ik dus ook geen aandacht aan besteden, buiten hetgeen ik reeds heb aangevoerd dat het niet blijkt uit Sartres intentionaliteit. En dan nog: alles is dan ambivalent, wat de stelligheid sowieso onder druk zet.

Wie tenslotte mij desondanks kan laten zien waar Sartre exclusief aangeeft in het eind van zijn werk onvermijdelijk aan kwade trouw te zijn overgeleverd en zich daar aan overgeeft, die zal ik met veel belangstelling proberen te begrijpen. Maar tot die tijd is dat voor mij onbestaanbaar.

Het ondoorgrondelijke zelf: Authenticiteit als een permanente constructie

Een fragmentarische overdenking

In deze bijdrage volgt een uiteenzetting over het begrip authenticiteit, zoals dit ter sprake is gekomen tijdens een Thomas More Fellowship-bijeenkomst op 25 maart 2012, aangevuld met persoonlijke analyses. Het fragmentarische karakter van deze uiteenzetting is daarbij bij uitstek geschikt om zelf verder te denken of te onderzoeken.

1. Authenticiteit als begrip

Authenticiteit is een begrip dat in filosofische zin zeer te lijden heeft aan gebrek aan heldere betekenis. De terugkerende onduidelijkheid over de precieze bedoeling van het woord, maakt dat in een discussie verschillende opvattingen al spoedig door elkaar lopen. Dat iedereen in beginsel een bepaald idee heeft bij authenticiteit maakt het niet eenvoudiger, eerder complexer. Gedurende de bijeenkomst van ruim vier uren, is in ieder geval een duidelijke definitie achterwege gebleven. Daarom: wat is de persoonlijke definitie van authentiek (willen) zijn? En wat is de algemene definitie van het authentieke (zoeken)?

2. Authenticiteit in historische zin

In historische zin is er weinig twijfel over dat Jean Jacques Rousseau met zijn natuurfilosofie aan de basis heeft gestaan van de renaissance van het begrip authenticiteit. Als antwoord op Thomas Hobbes formuleerde Rousseau een positieve natuurfilosofie, waarin de natuur als zuiver wordt voorgesteld. En juist, de mens is van die zuiverheid steeds meer afgedwaald. Ideeën als vrije opvoeding en een oorspronkelijke afkeur voor privébezit staan daarin onder meer centraal. In hedendaagse zin kan de afkeer van bureaucratie daaraan worden toegevoegd. De discrepantie tussen eigenheid en bureaucratie zal ik uitwerken onder de kop identiteit en authenticiteit.

3. Commerciële opvattingen en authenticiteit

Met name de commerciële uitbating van het begrip authenticiteit, ligt voor de hand voor ogen te hebben. Daarbij zou authenticiteit voornamelijk betrekking hebben op herkenbaarheid. Het identificeren met een bepaald patroon, een bepaald idee of een bepaalde voorstelling, kan men dan als authentiek opvatten. In talloze commerciële verwijzingen is de opvatting van authenticiteit als herkenbaarheid te herkennen.

De voedselindustrie heeft de afgelopen jaren op bijzondere wijze gebruik gemaakt van het idee dat oorspronkelijkheid, zuiverheid en originaliteit aantrekkelijk is voor consumenten. Daarbij hoeven we slechts te denken aan zaken als echte boter, gaan voor puur, natuurlijke ingrediënten, oma’s recept, geen gebruik gemaakt van geur- en smaakstoffen enzovoorts.

Het idee dat deze zuiverheid samenhangt met een stringent individualisme is niet te onderdrukken. Daarnaast verhult het ook niet de zoektocht van de mens naar iets wat betekenis heeft. En zo iets primairs als voedsel is dan bij uitstek de manier om een gedeelte van betekenisvolle identiteit te vinden. Wie namelijk gaat voor het ‘echte, het originele en het zuivere’ (waarvan de betekenis strikt genomen even onduidelijk is als authenticiteit zelf) toont zich daarmee en bepaalt zelf, een misschien wel nastrevenswaardige zelf. Het individualisme gekoppeld aan commerciële en persoonlijke authenticiteit vindt men ook uitdrukkelijk terug bij grote merken (‘have it your way,’ ‘I’m loving it’). Een iets uitgebreidere kritiek die hierop aansluit is te vinden in het recent verschenen boek van Maarten Doorman. Met name het tweede gedeelte haakt hierop in. Een recensie van het boek is te lezen op

https://www.8weekly.nl/artikel/9902/maarten-doorman-rousseau-en-ik-het-grote-echte-theater.html

4. Vooronderstellingen bij authenticiteit

Daarmee wordt een eerste vooronderstelling die kleeft aan het begrip authenticiteit ontmaskerd: namelijk dat authenticiteit nastrevenswaardig is en het haast paradoxaal klinkt als iemand zegt: ‘authenticiteit is een negatief begrip’. Van deze vooronderstelling zal overigens in deze uiteenzetting worden uitgegaan. Een tweede vooronderstelling zit in de verwijzing naar vroeger, en het idee dat het vroegere beter is. Waarbij authenticiteit, of het zoeken naar authenticiteit ook kan worden omschreven als ‘het permanent op zoek zijn naar iets wat nooit is geweest’. Of in ieder geval op zoek zijn naar waarvan men vermoedt dat het is geweest, en daarbij dus probeert de voorstelling die men zelf heeft gecreëerd te verwezenlijken.

Authenticiteit zou (in het verlengde hiervan) ook kunnen worden opgevat als overtuigende schijn. Als een manier van zelfbegoocheling, maar zodanig dat men wel op de hoogte is van deze begoocheling. Een bewust kiezen van een bepaald merk bijvoorbeeld, omdat dit past bij een bepaalde levensstijl. Waarbij het dan onduidelijk is of de levensstijl het merk bepaalt, of het merk de levensstijl. Het kiezen voor een verwijzing die waardevoller is dan een andere verwijzing. Identiteit wordt ook hier ontleent aan een gecreëerd beeld.

5. Authentiek zoeken naar het authentieke heft het authentieke op

In persoonlijke zin, is het authentieke ook paradoxaal. Op het authentieke krijgt men geen grip. Men kan niet zijn best doen authentiek te zijn. Het is als Cohen die voor de spiegel moest oefenen de echte Cohen te zijn. En wat was de echte Cohen? De Cohen die het goed zou doen bij de kiezers. En dus wordt er een authentiek profiel geschetst van de politicus die in electoraal opzicht het best zou kunnen presteren. Wat uiteraard niets meer te maken heeft met de politicus als persoon. Waarbij het gevaar op de loer ligt dat men uiteindelijk, zoals in iedere rol, gaat geloven dat de rol echt is. Wilders die Wilders speelt, maar dat zelf niet meer doorheeft. De cultivatietheorie (Gerbner) heeft daarmee als mediatheorie de meest verklarende kracht, hetzij dat de mensen in de media, zowel de media bepalen als dat ze erdoor bepaald worden.

6. Authenticiteit en identiteit

Waar het gaat over de identiteit, en waarbij wordt nagestreefd die identiteit zo authentiek mogelijk te laten zijn, ontdekt men een voortdurende discrepantie tussen wil en wet. Tussen wat men zou willen doen of zeggen, en wat men kan doen of zeggen. De persoonlijkheid, opgebouwd uit talloze verschillende rollen, weegt in iedere situatie af welke houding of handeling gepast is. Professionele rollen bijvoorbeeld verdragen weinig authenticiteit: het past niet een kwakkelende directeur die om onduidelijke redenen een machtspositie heeft verworven de les te lezen, als wij in de positie zitten van bijvoorbeeld eenvoudige werknemer. Mensen op hoge posities hebben soms de neiging hun macht te gebruiken om potentiële ontmaskeraars (in de breedste zin van het woord) te dwarsbomen. Al dan niet zelfbenoemde cultuurbewakers (van de bedrijfscultuur, de ondernemingsstrategie tot ‘de manier zoals wij het altijd hier al gedaan hebben’) van een organisatie zijn de doodsteek voor de authentieke werknemer.

Dan maakt het authentieke handelen, opgevat als mededelen wat men primair voelt en vindt, plaats voor het strategisch handelen, opgevat als tactisch spel, waarbij bijvoorbeeld belangen voor de lange termijn worden zeker gesteld (behoud van functie, carrière perspectief enzovoorts). Dit spanningsveld, waarbij oprechtheid een belangrijk onderdeel uitmaakt van authenticiteit, plaatst de persoonlijkheid voor ingewikkelde dilemma’s: jezelf zijn vereist moed. Aan de andere kant: jezelf zijn vereist ook verstand. En het moedige is niet altijd verstandig. Eén ding moet men echter niet uit het oog verliezen: een wel overwogen keuze ontstaan uit oprechtheid mag nooit achterwege worden gelaten omdat ze potentieel nadelig is.

Het is de kunst om de balans te vinden tussen authenticiteit, waarbij men zichzelf niet hoeft te verloochenen (door bijvoorbeeld in te stemmen met mismanagement, ethische onbehoorlijkheid en machtsmisbruik) en de strategische rol. De rol die men overigens langzaam maar zeker vormt –waardoor de rol als rol uit het oog verloren dreigt te geraken- en feitelijk al sinds de eerste presentatie (de brief, het sollicitatiegesprek) een bepaalde richting krijgt. Het is de vraag of een boek over authentiek solliciteren, veel succesvolle sollicitaties bewerkstelligt…

7. Authenticiteit en identiteit II

De geschiedenis van de filosofie, is bij uitstek geschikt om de relatie tussen authenticiteit en identiteit te onderzoeken. Kenmerkende levensverhalen van bijvoorbeeld Socrates, Petrus, Th. More en Kierkegaard plaatsen het spanningsveld tussen het authentieke leven en de veilige rol in een apart kader. Daarbij is het de vraag of (en vooral in welke zin gelet op de radicaliteit voor de keuze van het authentieke leven) deze levens als voorbeeld kunnen dienen voor hedendaagse individuen. In onze beleving gaat het in deze levens bovendien om een positieve keuze, waarbij we denken over de teleologische suspensie van het ethische (Abraham vs. 9/11) zelf even opschorten…

Als authenticiteit nastrevenswaardig is en we Socrates authentiek zouden willen noemen, is hij dan een voorbeeld voor ons? Ja en nee. Stel dat een gevonden definitie als deze “Authenticiteit is jezelf kritisch afstemmen op de samenleving vanuit de jouw aangereikte sociale en culturele patronen. Waarbij zowel je eigen integriteit als die van anderen niet wordt geschonden. (Th. Caspers)” als uitgangspunt wordt gehanteerd, dan vereist ons leven een andere afstemming op de samenleving dan het leven van Socrates. Immers, het was niet Socrates die stierf, maar het lichaam van Socrates. Maar in hoeverre kunnen (willen) wij dat zeggen? En is het een voorwaarde om te kunnen sterven voor een ideaal? Welke voorbeelden geeft de geschiedenis van denkers en strijders die niet stierven met een metafysisch idee in het achterhoofd, maar het louter deden bijvoorbeeld voor volk en vaderland? En is er een verschil tussen iemand die authentiek sterft omwille van volk en vaderland zonder metafysisch idee en iemand die sterft met een bepaalde reden met metafysisch idee (hemel, filosofen hemel, reïncarnatie, etc.).

Het gevaar van dergelijke scherpe authenticiteit is daarmee gelijk duidelijk: de lat wordt zo hoog gelegd dat er een voorbehoud wordt gemaakt bij dergelijke authenticiteit. Wat is het immers waard als men een gifbeker leeg drinkt omwille van een eenvoudig idee? Iemand zegt ook: Socrates had moeten voortleven. Hij had moeten kiezen voor zijn leerlingen en zijn verhaal op het plein. Een horzel die zichzelf te pletter vliegt kan niemand meer lastigvallen.

En wat is de verhouding tussen ultieme eerlijkheid en nuttige effectiviteit in een leven? Moet een intentie altijd zuiver zijn, indien dit nadelige gevolgen heeft? Als de handeling aanzienlijk persoonlijk voordeel oplevert wanneer de intentie niet zuiver is, is ze daarmee gerechtvaardigd -bijvoorbeeld aangenomen dat ze geen anderen kwaad heeft gedaan (is het überhaupt mogelijk dat een onzuivere intentie geen negatieve gevolgen heeft voor een ander)? Kant en Benthem op de beide schouders de mens toefluisterend…

Anders dan Socrates, is het levensverhaal van apostel Petrus misschien beter toe te passen en te vertalen naar de huidige (christelijke) tijd.

8. Een gebeurtenis

[59] Even later zag iemand anders hem en zei: ‘Jij bent ook een van hen.’ Maar Petrus zei: ‘Welnee man.’ [59] Ongeveer een uur later zei iemand met grote stelligheid: ‘Wel degelijk, hij hoorde ook bij Hem; hij is immers ook een Galileeër.’ [60] Maar Petrus zei: ‘Man, ik weet niet waar je het over hebt!’ Hij had dat nog niet gezegd, of er kraaide een haan. [61] De Heer keerde zich om en keek Petrus aan, en Petrus herinnerde zich wat de Heer tegen hem had gezegd: ‘Voor de haan vandaag kraait, zul je Me driemaal verloochend hebben.’ [62] Hij liep naar buiten en schreide bittere tranen. [63] (Willibrord vertaling 1995)

Hoe anders verloopt het daarna met Petrus? Het is niet voor niets dat men hier spreekt van ‘oude Petrus’. In Handelingen 2 citeert Petrus een Psalm van David: “Ja, mijn lichaam zal behouden blijven, want u zult mij niet overleveren aan het dodenrijk.” Na de dood van Christus, na Pinksteren is er een nieuwe (authentieke/authentiekere?) Petrus. Die niet meer zal verloochenen. Is er sprake van een indaling van een metafysische zekerheid?

Maar soms is het verloochenen juist het meest menselijke…(ontdek ook hier weer vooronderstellingen). Kiezen voor het eigen leven is in deze tijd wat dat betreft niet onbegrijpelijk. En misschien is het wel in geen enkele tijd onbegrijpelijk. Behalve dan dat het individualisme ons angst heeft aangejaagd te kiezen, ongeacht, voor het algemene- of zoals J.H. Newman zich afvraagt in zijn Grammer of Assent, nadat hij een indrukwekkend overzicht heeft gegeven van radicale keuzes:

Whence came this tremendous spirit, scaring, nay, offending, the fastidious criticism of our delicate days? (1870; p.483)

Eén ding is zeker: ondanks het postmodernisme (of juist dankzij het postmodernisme), is het duidelijk geworden dat religie niet verdwijnt, maar alleen van gedaante verandert- wat betekent dat het individu zich ten opzichte van religie ook anders is en soms moet gaan verhouden.

9. Kierkegaard en authenticiteit

Nog een stap dichter bij onze tijd, waar het gaat om het authentieke leven en het niet angstig zijn om te kiezen voor ideeën waar men voor staat en leeft, komen we uit bij Kierkegaard (die overigens Socrates als leermeester had). Anders dan Petrus en Socrates is de Kierkegaardiaanse authenticiteit niet bedreigd in het leven, als wel bedreigd in de reputatie. De gunstige voorwaarden die Kierkegaard genoot (een kapitaal meekrijgen van zijn vader, waardoor een zekere onafhankelijke positie was gegarandeerd) waren wat dat betreft uitgangspunt om een reputatie op het spel te kunnen zetten. Maar dan nog is dat niet vanzelfsprekend. De relatie tussen onafhankelijk zijn en authentiek zijn is daarmee wel gemaakt. Hoe zouden wij ons gedragen indien wij niet afhankelijk zouden zijn van bijvoorbeeld een werkgever? Indien we binnen de grenzen van de moraal zouden kunnen zeggen wat we zouden willen? Kierkegaard heeft in dat opzicht nooit compromissen gesloten. Ook heeft hij nooit nagelaten sociale bindingen te offeren-tegen een hoge prijs. Daarnaast, Kierkegaard heeft wel altijd beseft dat hij een authentieke rol in de historie zou gaan innemen. In hoeverre is dat van belang? En wat betekent een dergelijk idee?

In hoeverre zijn wij bereid sociale en emotionele bindingen te offeren omwille van onze eigen authenticiteit? In hoeverre spelen wij in sociaal opzicht ook niet een rol die in vele gevallen niet overeenkomt met hoe wij ons werkelijk voelen? Is het ethisch authenticiteit te verkiezen boven sociale binding? Misschien wel, juist omwille van de ander en de relatie.

10. Authenticiteit moeten we zoeken in het kleine, en niet in het grote

Wat zou iemand zeggen over ons wanneer we zouden sterven? Welke woorden zou iemand uitspreken bij ons graf? En stel dat wij 1000 willekeurige levens nemen en de 1000 daaraan verbonden grafreden zouden bestuderen, zouden we dan de voor ons bedoelde tekst eruit kunnen halen? En indien we hiertoe niet in staat blijken te zijn, is dat dan erg? Was ons leven dan niet authentiek?

Wie geen oog heeft voor het kleine detail, zal nooit het grote geheel zien. Een authentiek leven hoeft niet altijd samen te vallen met een radicale keuze. Het kan ook een verrassende keuze zijn. Een keuze waarbij we onszelf kwetsbaar tonen, onze reputatie in de waagschaal durven stellen, vanzelfsprekendheden proberen te ondermijnen, mensen uitnodigen die we nog nooit in ons leven hebben gezien of gesproken.

Eén ding blijft bij dit alles belangrijk te onthouden (en het zo te onthouden dat men het vergeet). Het authentieke zelf is permanent onder constructie. Deze tekst hoopt daarbij een schroef te zijn.

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2018 Stephan Wetzels © All Rights on Texts Reserved