Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Gedachten bij het plotse einde van een jong leven. -Overweging en in memoriam-

Print Friendly, PDF & Email

Vonnis van de rechtbank 16 maart 2015

Hoger beroep definitief inhoudelijk op 15 april 2016 11:00.
Zaaknummer  20000940-15

Arrest van het Hof 29 april 2016

Gedachten bij het plotse einde van een jong leven
Een overweging en in memoriam bij

Saga Backman

11/9/2013

Vanuit verschillende aansporingen deel ik deze zowel algemene ideeën als persoonlijke noten, geschreven in het -ogenblik-, waarmee ik ook voor mijzelf ruimte heb verschaft “grip” te krijgen. Ik hoop dat ze voor ieder die het lezen wil kunnen dienen als troost of als aanzet tot een eigen of nadere overweging.

Een jonge vrouw is vermoord. Ik kende haar. Ze was een studente, een leerling.

‘Waar de mens is, daar is de dood niet, en waar de dood is, daar is de mens niet,’ zei Epicurus. Maar Epicurus vergat dat de dood er wel degelijk is, en veel venijniger. Wij ontmoeten de dood inderdaad nooit zelf, maar in anderen des te meer. Voor mensen die achter blijven is de dood er. En voor een moeder is de dood er. Zij is de ongelukkigste die ik me kan voorstellen.

Alles wordt ergerlijk. Een rommelende man, het oppervlakkige praatje, een bellende voorbijganger, de gehaaste fietser. Het wekt ergernis, omdat ik al het gewone ervaar vanuit een ongewone stemming. Het is een ernstige stemming, waarbij het vanzelfsprekende om mij heen de ernst niet begrijpt-en dat is de ergernis.

Het leven om me heen gaat door en alles gaat door, omdat het door moet. Morgen is het weer een gewone dag.Dat is de waarheid’, zeggen mensen. Maar het is een lege waarheid. ‘Zo gaat dat’, zeggen mensen. Maar mij bevalt het niet.

De dood is het onbegrijpelijke in het leven. Maar de onverwachte dood is het onbegrijpelijkst. Ik kan er niet bij; ik kan het me niet eigen maken. Niemand kan er bij en iedereen zoekt naar antwoorden. ‘Waarom?’ (…) En: waarom? -Omdat men hoopt dat daarmee het onverwachte kan worden verklaard, zodat de dood weer het onbegrijpelijke wordt en niet het onbegrijpelijkste. -Omdat men hoopt dat het absurde in een redelijk kader kan worden gegrepen en gevangen, opdat men kan toe-eigenen en begrijpen. Maar al zou ik het begrijpen-ik blijf machteloos tegenover het feit.

 -Troost-

Menselijke machteloosheid is zowel de grondslag van verdriet als van troost.
Het verdriet kan ik voelen. Maar wat is hier troost? Wie troost, erkent het verdriet. Omdat ik het verdriet kan voelen, ben ik in staat om te troosten. Het is geen afstandelijke troost-maar een troost die nabij is. Troost kan stilte zijn of deze woorden. Maar ook een knik of een hand. We kennen die gebaren door en door. Hoe vertrouwd we er mee lijken te zijn, als troost zijn ze bijzonder en op zichzelf betekenisrijk.

-Herinnering-

Voor haar is het voorbij. We kunnen haar nooit meer ontmoeten. Het vrijblijvende van het ont-moeten is voor goed langs ons gegaan. We kunnen haar enkel herinneren, we kunnen haar enkel denken en her-denken. Een gestorvene herdenken is een daad van liefde, een overledene herinneren is een daad van de liefde. Misschien is dat ook troost. We troosten ons met onze (laatste) herinneringen, omdat we daarmee een relatie kunnen aangeven. Met de herinnering plaatsen we ook onszelf even terug in een context. En ik herinner mij een laatste gesprek met haar een paar dagen geleden. Het alledaagse karakter ervan beangstigt me. Ik zou willen dat ik wat moois tegen haar had gezegd. Dat ik haar iets had voorgelezen wat ze mee had kunnen nemen in gedachten, maar dat deed ik niet. Nu ging het over het alledaagse.

Dan troost ik me liever met een oude herinnering, van een klein jaar terug –die nu uit het niets van waarde wordt-. Anderen riepen deze herinnering wakker. Iedereen mocht in zijn eigen taal vragen stellen en antwoorden. De één sprak Duits, de ander Marokkaans. Weer iemand zei wat in het Turks, terwijl ik antwoordde in het Maastrichts. En één iemand zong ons toe, omdat haar moedertaal klonk als een lied…Ik kan haar stem nu horen. De stem die altijd iets zeggen wilde, en zo vaak eindigde in een verlegen lach.

Misschien mist God haar in het leven. Ik weet het niet. Ik geloof het wel.

Haar familie mist haar. En al die anderen. Voor wie ze nu dat ene meisje is.  De wereld heeft iets verloren. Vrolijkheid en verlegenheid. Spontaniteit en bovenal potentieel. Ik hoop dat velen zullen vertellen hoe opgewekt ze kon zijn en met welke doorzettingskracht ze het leven tegemoet trad. Zoekende naar de juiste afstemming weet ik niet wat ze daarbij allemaal gevonden heeft-maar ik zal haar proberen te herinneren waar dat ook maar iets bijdraagt.

Leave a comment



Almedina

4 years ago

Zou het niet mooi zijn als we de stem van ons hart zouden kunnen gebruiken om te spreken?
Het is een mooi stuk, mooie gedachten, vol met troost, onbegrip, liefde, misschien zelfs houvast voor degenen die niet weten hoe ze er mee om moeten gaan; over een vreselijke gebeurtenis.
Vol met letters, woorden die zinnen vormen.
Woorden die wij alleen maar kennen omdat ze ons ooit zijn geleerd. Zinloze woorden. Zinloos omdat ze nooit precies kunnen uitleggen wat je bedoelt. Wat je eigenlijk echt wilt zeggen. Wat je eigenlijk echt voelt. Zinloos omdat ze aan zulke gebeurtenissen toch niets kunnen veranderen. Behalve dat wij, levenden, er troost uit halen.
De vraag hierbij, wie er nou werkelijk wordt betreurt?

“En ik herinner mij een laatste gesprek met haar een paar dagen geleden. Het alledaagse karakter ervan beangstigt me. Ik zou willen dat ik wat moois tegen haar had gezegd. Dat ik haar iets had voorgelezen wat ze mee had kunnen nemen in gedachten, maar dat deed ik niet.”
Dit stuk tekst vind ik opemerkelijk, het doet mij denken aan spijt, aan ‘had ik maar’.
Waarom schrikken we van het alledaagse, het ‘gewone’ als de volgende dag niet meer alledaags en ‘gewoon’ is? Ik denk dat onzekerheid hier de aanleiding is tot angst, de verandering, het verstoren van ons referentiekader omdat wij die, in situaties zoals deze, als wij er bewust van worden, het liefst anders hadden gezien. Het liefst beter hadden gezien, eventjes, tijdens het veranderen van het alledaagse.
Ik denk aan Sartre. “Zolang u zelf nog niet leeft, is het leven niets, maar het staat aan u er een zin aan te geven en de waarde ervan is niets anders dan de zin die u eraan verkiest te geven”. Tja, hoe werd de mens zelf het vraagstuk?

Ik denk dat wij de doden niet moeten betreuren.
De levenden blijven achter, haar ouders, familie en vrienden.
In Saga’s geval, mensen die nooit meer rust zullen krijgen omdat haar gaan op een gruwelijke, onbegrijpelijke, ongeloofelijke en zelfs beangstigde manier is gegaan.
Mensen die jaren na haar gaan achterblijven met een lege plek in hun hart, een onmisbare plek. De doden zijn in vrede, ergens waar de regen niet meer vallen kan.

Als ik terug kijk, ben ik blij en dankbaar dat ik haar heb mogen leren kennen. Voor mij is dat genoeg.

Stephan Wetzels

4 years ago

Natuurlijk is de verhouding tot het onbegrijpelijke -niet tot het onmogelijke- een zoekende beweging. Ik merk overigens, nu we twee weken verder zijn, dat de woorden zoals ik ze schreef nog steeds precies uitdrukken wat ik wilde zeggen, maar dat ik me er wel iets abstracter toe verhoud, omdat er meer berusting is dan toen het werd geschreven. Het is denk ik ook niet erg om in een dergelijk moment te schrijven wat men ervaart, al zullen sommigen beweren dat een’ juist’ schrijven altijd een bepaalde mate van afstand vereist. Ik geloof niet dat die mensen overigens begrijpen wat ‘denken en zijn’ betekent.

Ik betreurde de omstandigheid. Ik betreurde de vernietiging van iets potentieels. Dat het potentiële iets goeds was en letterlijk door mijn handen ging, maakt natuurlijk dat het treuren een andere orde van beleving is dan allerlei andere ellende die over ons wordt heen gestort. Ik vind de woorden daarom ook niet zinloos en ik vind woorden ook niet zinloos- je zegt zelf al, dat levenden er troost uit kunnen halen. En ik zal toegeven, natuurlijk dienen woorden om grip te krijgen op een situatie. Woorden zijn daarmee een medicijn voor een filosoof: ze verlichten de geest en het gemoed. ‘Ja, het is gezegd-het is veilig op papier.’ Daarmee is het haast een existentiële bijdrage. Ik betreur mezelf niet, ik betreur de situatie, waarin ik mezelf herken.

Wat betreft de opmerking over de spijt. Ik herken het paradoxale karakter van die toevoeging. Ik zeg er niet voor niets bij: ‘het alledaagse karakter ervan beangstigt me.’ De angst –zo leerde ik van Kierkegaard- heeft geen duidelijk object, het verwijst naar iets irrationeels. En dat is het ook: irrationeel. Het is niet logisch of begrijpelijk stil te staan bij een laatste herinnering. Het is niet praktisch of onder te brengen in een bedoeling. Het is wel ‘het laatste’. En het laatste is datgene wat een verhaal afsluit- en het verhaal werd alledaags afgesloten. Ik had het mooier willen afsluiten, maar er is feitelijk natuurlijk nooit sprake geweest van ‘willen’. En dat is de paradox. Daarom is spijt ook niet zinvol of het juiste woord voor overwegingen omtrent een laatste herinnering. Want de laatste herinnering is per definitie niet gewoon- hoe gewoon deze herinnering ook is. Maar ergens heb je gelijk: het alledaagse kan ook geprezen worden. Het gewone karakter van het doodgewone kan geprezen worden. Maar dat lijkt haast ironie, en dat is niet eenvoudig in deze.

Treuren is verdrietig, neerslachtig of bedrukt zijn-treuren is een uiting geven aan een droefheid. Ja, dat gaat misschien vooral over onszelf. Maar dat is menselijk. De doden laten ons treuren-maar in dit geval drukt vooral ook de manier waarop iets is gebeurd. Ik treur om iemand die er niet meer is, maar er had moeten zijn. Ik heb medelijden met de mensen die achterblijven en nog vele malen meer dan ik zich zullen moeten afstemmen ten opzichte van dat wat er niet meer is. Het is een verhouding tot leegte, maar erger nog, plotse leegte. Mijn medelijden zal over niet al te lange tijd verstillen-maar wat mij betreft mag het in de hemel dan best regenen.

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2017 Stephan Wetzels © All Rights on texts Reserved