Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Filosofische kruimels V

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2013 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, boven zijn bed wenst te hangen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel V van VIII.

Ironie, het leven en dood

‘Het leven van de mens is eenzaam, armzalig, ellendig, barbaars en kort.’

Thomas Hobbes in Leviathan (1651)

Van het aantal beroemde filosofen dat ongelukkig aan zijn einde is gekomen, kan inmiddels een aardige lijst worden gemaakt. Drinken van gifbekers (Socrates), gedwongen zelfmoorden (Seneca) en onthoofdingen (Thomas More) lagen nog buiten de macht van de denkers, maar in vele gevallen lag het aan het leven zelf.

Rousseau stierf paranoïde, aan een hartkwaal. Pascal werd slechts 39, waarschijnlijk door een tumor in zijn hoofd. Kierkegaard bezweek op 42-jarige leeftijd op straat en stierf een maand later. Datzelfde overkwam Nietzsche, maar hij moest nog vele jaren in krankzinnigheid doorbrengen. Walter Benjamin koos met een overdosis morfine voor de dood op 48-jarige leeftijd in het zicht van het concentratiekamp. Albert Camus kwam jong om het leven bij een auto ongeluk, net als Roland Barthes. John Rawls werd nooit meer de oude na een aantal zware beroertes, Jean-François Lyotard overleed aan leukemie, Richard Rorthy aan kanker en Michiel Foucault stierf aan aids.

Thomas Hobbes, reisde door heel Europa, werd gesteund door de steenrijke familie Cavendisch, schreef waar hij zin in had en bleef lichamelijk en geestelijk gezond en actief tot aan zijn dood op 91-jarige leeftijd. Dat heeft inderdaad iets barbaars…

 ©Veenmedia.nl
________________________

Een geweldige stelling

‘Ik heb een geweldig bewijs voor mijn stelling, maar de kantlijn waarin ik dit wil schrijven is te smal.’

Pierre de Fermat in zijn exemplaar van Diophantus’ Arithmetica (1637).

In de dagen dat de grote filosofen bovenal grote wiskundigen waren, waren ze niet beroerd en passant stellingen te bedenken die amper op te lossen leken. De beroemdste daarvan is ongetwijfeld de grote of laatste stelling van Fermat (1601-1665), ook wel ‘’s werelds meest verbijsterende wiskundige mysterie’ genoemd. Ze stelt dat xn +yn =zn geen oplossingen met gehele getallen heeft voor x, y en z als n > 2.

Haast even wonderlijk als de stelling zelf is Fermats opmerking dat hij een bewijs had voor zijn stelling, maar helaas niet de ruimte dit te noteren. Daarna is het er nooit meer van gekomen.

Daarmee is er een nieuwe wiskundige stelling gecreëerd: hoe groot is de kans dat Fermat werkelijk een juiste oplossing had voor zijn stelling?

Pas in 1995 werd na een periode van zeer lange afzondering door de Brit Andrew Wiles (1953-) een definitief bewijs gepubliceerd van meer dan 100 pagina’s. Dat pleit voor Fermat: de kantlijn was inderdaad ontoereikend.

 ©Veenmedia.nl
________________________

Een gruwelijk dilemma

 ‘Tien mannen staan tegen de muur. Je moet er één doodschieten. De andere negen mogen dan vrij gaan. Wat moet je doen?’

Bernard Williams. A critique of Utilitarianism. In: Utilitarianism: For and Against. (1973).

Je wandelt op je gemak ergens in Zuid-Amerika, als je plotseling in een dorp komt, waar een grote enigszins bezwete kerel met “Pedro” op zijn shirt je tegemoet komt lopen. Hij verwelkomt je vriendelijk en spreekt van een bijzonder speciale gelegenheid. Hij was namelijk van plan om tien indianen overhoop te schieten. Als bijzondere geste echter aan de blanke broeder van een ander continent, aan jou de eer om er één te doden en dan mogen de andere negen vrijuit gaan. Erewoord. Als je weigert, is er uiteraard geen speciale gelegenheid en zal Pedro doen wat hij van plan was. Pedro overhandigt je het geweer. Even bekijk je of het mogelijk is om Pedro zelf neer te schieten, maar dat zit er helaas niet in met alle soldaten om je heen. Wat moet je nu doen?

Volgens de Engelse filosoof Bernard Williams (1929-2003) mag je nooit toegeven aan het verzoek. We zijn verantwoordelijk voor wat wij doen, en niet voor wat anderen doen. Want wat als de vraag was geweest er negen te doden, zodat er eentje vrij mocht gaan? Een vraag blijft dringen: hebben we dan volgens Williams geen enkele verantwoordelijkheid voor de dood van de Indianen?

©Veenmedia.nl
________________________

Armstrong en een kleine ethiek over het ene of het andere kwaad

1. Op 24 augustus 2012 schreef ik met Eenzaam pleidooi voor een beschadigd icoon, een kleine ode aan Lance Armstrong. Hoe eenzaam ik werkelijk ben, blijkt nu de eerste rookwolken van het USADA-rapport zijn opgetrokken. Meer dan twee dozijn aan getuigenissen onder ede (voormalige ploeggenoten, verzorgers etc.) transactie-afschriften van ruim een miljoen dollar aan de beruchte dopingarts Michele Ferrari en een uitgebreide onthulling van een groots opgezet dopingmaskeringsprogramma, maken het geloof in de schone renner Armstrong (dat betekent hier niet meer: ‘nooit betrapt’) buitengewoon ingewikkeld. Ook voor de meest verstokte liefhebber. Want ons rest niets meer dan te geloven in het grootste complot uit de sporthistorie tegen één man.

2. Het enige wat er namelijk nog is, is de pertinente ontkenning van de kampioen zelf. Met de hand op het hart. Die ontkenning is fascinerend en brengt een aantal grote filosofische en psychologische moeilijkheden met zich mee. Hoewel het verleidelijk is in te gaan op het probleem van waarheid en subjectiviteit als synthese van het irrationele, gesymboliseerd door de enkeling die de strijd blijft voeren tegen het systeem, wil ik een specifieker probleem bespreken dat ermee samenhangt.

Kan een leugen gerechtvaardigd zijn, indien haar effect bijzonder ten goede komt aan anderen?

 3. Dit oude probleem steekt hier in grootse vorm de kop op. De bekendste en meest radicale ontkenner van deze vraag is de Duitser Immanuel Kant die in zijn Fundering voor de metafysica van de zeden uit 1785 streng afrekent metKant het leugentje om bestwil. Kant lijkt, naast de immer problematische categorische imperatief, te varen op het principe dat je altijd rekening moet houden met het feit dat een leugentje zomaar uit kan komen. En waar sta je dan nog?

4. Als Armstrong ooit nog de publieke opinie voor zich wil terugwinnen, en als ironische teleologische held de geschiedenisboeken wil halen, moet zijn verklaring in het licht staan van de desastreuse gevolgen die zijn ontmaskering zou hebben voor zijn strijd tegen kanker wereldwijd. Een soortgelijke verdediging heeft hij gegeven vanuit de ontkenning (zie laatste alinea), maar dat lijkt zijn stichting nu niet meer te kunnen redden. Toegeven vanuit eenzelfde motief lijkt hier een uitweg naar sympathie.

Ja, hij gebruikte doping, maar ja, hij zag hoezeer hij als winnaar van de Tour zijn strijd tegen de kwade ziekte kon voortzetten, met ongekende middelen. Oftewel: een ogenschijnlijk kleiner –uitstekend verborgen- kwaad, bleek een veel groter –openlijk zichtbaar- kwaad te kunnen verslaan. Hier heiligde het doel de middelen…. Wie zou die utilitaristische verleiding kunnen weerstaan? U?

5. Is het morele goede, in dit licht bezien, recht gedaan nu de kwade genius is gepakt, maar de strijd tegen een veel uitgebreider kwaad behoorlijke averij heeft opgelopen? Is het erg dat iemand een narcist is, als daardoor miljoenen dollars aantoonbaar kunnen worden ingezet voor onderzoek naar kanker? Ging het USADA in haar aanhoudende poging de grootste kampioen onder de zondaars te ontmaskeren werkelijk om het goede omwille van het goede? Of heeft daar ook het narcisme gezegevierd, behalve dat er nu geen miljoenen beschikbaar zijn gekomen voor iets goeds, maar slechts een hoop puin en gedesillusioneerde en ontredderde zielen?

6. Ik eindig met een ethisch gedachte-experiment, dat ik enige tijd geleden al uitwerkte en onder meer wonderbaarlijk in de praktijk kwam naar aanleiding van deze gebeurtenis. Het uitgangspunt van mijn gedachte-experiment is echter ooit geschreven om te overwegen of we, enigszins parallel aan de Ring van Gyges, ons een verstrekkende leugen zouden willen permitteren, als deze louter positieve gevolgen zou hebben, waarbij we de garantie hebben nooit te worden ontmaskerd (en is dat niet een onderliggende assumptie die vaak de reden is waarom we ons een leugentje permitteren?).

Oftewel: hoe zit het dan nog met het goede omwille van het goede? En wat zijn overigens onze werkelijke motieven wanneer wij zelf een leugen zouden kunnen ontmaskeren? Een aanzet tot zelfonderzoek derhalve:

7. Een oude man vertelt zijn verhaal. Op scholen, buurthuizen en conferenties in het hele land. Hij spreekt over een enorme strijd van het leven met de dood. De mensen luisteren, zijn onder de indruk en raken geïnspireerd door het ontroerende geschiedenis. Het verhaal waar de oude man ooit klein en onschuldig mee was begonnen, was uitgegroeid tot een imperium. Hij had zijn De oude man...eigen stichting waar onder meer de overheid flink wat geld in investeerde, was meerdere malen tegen wil en dank onderscheiden en inspireerde een hele nieuwe generatie. Vanaf die eerste onderscheiding had hij ontdekt dat hij met zijn verhaal levens kon veranderen, ten goede. En het Goede raakte hem diep. En hij voelde dat het niet meer om hem ging.

Er was echter één probleem: in werkelijkheid had hij nooit in Auschwitz gezeten. Hij had weliswaar de oorlog meegemaakt, kende ontbering en de armoede, maar niets daarvan kwam in de buurt van het concentratiekamp. Een toevallige persoonsverwisseling, met iemand die lang was vergeten, was de oorzaak geweest van zijn huidige identiteit.

Hij had zijn verhaal echter gaandeweg geperfectioneerd, voorvoelde dat hij reeds lang het moment was gepasseerd dat hij nog terug kon, en wist zich oprecht te troosten met de gedachte dat ondanks het feit dat hij het verhaal zélf niet had meegemaakt, het verhaal zelf wel écht was gebeurd. Wat was dan wezenlijk nog het probleem?

Op een dag echter ontdekt een professor tijdens een grote studie per abuis een document in de krochten van een archief. En dat document toont aan dat het verhaal van de oude man niet op hem van toepassing kan zijn. Hij is geen man die het concentratiekamp heeft overleefd. De professor weet dat dit het enige nog tastbare bewijs is dat de oude man van zijn troon kan stoten en waarmee zijn hele imperium in één klap wordt vernietigd.

Maar ja. Hij is een man van de waarheid. Maar hij beseft ook dat voor de waarheid hier een hoge prijs moet worden betaald. En hij twijfelt of die prijs niet veel te hoog is. Hoeveel schade zal hij niet aanrichten? En welke schade weet hij met zijn onthulling eigenlijk te voorkomen? Helemaal geen. Natuurlijk is de oude man verantwoordelijk voor wat hij heeft gedaan, maar de professor kent alle goede gevolgen en kent ook de bescheiden oude man bij wie hij nooit een kwaad motief heeft bespeurd. Maar ja…..die verdraaide waarheid! Moet hij zich hier laten dwingen zich te verplaatsen in het onpartijdige standpunt, dat de waarheid omwille van de waarheid vereist? Wat maken zijn waarden, gevoelens, overtuigingen en verlangens uit tot hoe hij de gevolgen ziet, wanneer het gaat om de waarheid? Moet hij eerst de oude baas confronteren?

In zijn boekenkast valt hem plots de Kritik der praktischen Vernunft op, ironisch genoeg naast Bernard Williams’ Moral Luck…

In zijn ooghoek ziet hij een doosje met lucifers liggen….’Wat is hier nu het juiste om te doen?’ vraagt hij zich af.

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2017 Stephan Wetzels © All Rights on texts Reserved