Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Over de noodzaak van vrije geesten in het onderwijs

Over de noodzaak van vrije geesten in het onderwijs
-een kleine opinie-

In de nasleep van de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo zijn er talloze discussies te voeren over wat nu precies ‘vrijheid van meningsuiting’ is. Een uitdrukking die, nu ze zo vaak te pas en te onpas wordt gebruikt bijna even betekenisloos is geworden als het Amerikaanse “I love you”.

Maar als er dan toch ergens betekenis aan kan worden gegeven en als die discussie al ergens nadrukkelijk gevoerd moet worden, dan is dat wel in een onderwijsomgeving. Niet door bange leerkrachten en docenten die stamelend zoeken naar hoe ze zo voorzichtig mogelijk het onderwerp kunnen aansnijden (er zal maar een iemand bij zitten zonder ruggengraat, sociaal schild of gevoel voor nuance: dan is het juist een mogelijkheid om dat te ontwikkelen in een beschermende omgeving, want je hebt het hard nodig in een open samenleving!), maar door kritische, onafhankelijke en vrije geesten die met gevoel voor verhoudingen een verschijnsel weten te duiden. Ik zeg met gevoel voor verhoudingen, want roekeloos spotprenten vertonen schiet zijn doel voorbij.

Het zou te gek voor woorden zijn indien een school gevrijwaard zou moeten worden van wat in een open en vrije samenleving als de onze massaal is geagendeerd door zowel media, politiek en publiek. Het getuigt daarbij van een ontzettende naïviteit om een school proberen te onttrekken aan alles wat verwijst naar spotprenten, de gebeurtenissen in Parijs, in Nigeria, in Berlijn, of waar dan ook ter wereld.

Juist een onderwijsomgeving biedt de ruimte om de nodige nuancering aan te dragen en te voorzien van een helikopterperspectief. Iets wat ontbreekt, wanneer studenten of leerlingen toch wel geconfronteerd worden met deze verschijnselen op internet, in de krant, op televisie of waar dan ook in de samenleving. Dan 1000 maal liever in een les vertoond, toegelicht en besproken, dan net doen of ‘neutraliteit’ betekent dat op geen enkele wijze uiting mag worden gegeven aan gevoelens die verwijzen naar Je Suis Charlie: of dat nu de simpele internationale leus is, het satirische tijdschrift zelf, of de vormen waarin zij zich heeft uitgedrukt. Want neutraliteit is een gevaarlijk begrip: het suggereert meningloosheid. Maar in het bijzonder onderwijs moeten openbare discussies nooit worden vermeden en in het openbare onderwijs moeten bijzondere opvattingen niet worden geschuwd.

Wat deze discussie dus ook vooral eist, is een directie die niet in de kramp schiet of uit angst of onkunde de vrijheid van haar docenten inperkt. Binnen een leslokaal moet er alle ruimte zijn om te tonen, zeggen en denken wat men wil, waarbij een directie altijd a priori moet vertrouwen op de integriteit en de professionaliteit van de docent, waarbij zijn gezag niet wordt ondermijnd wanneer er een verschil is van inzicht over hoe men iets bespreekt. Want de idiotie en de censuur doorgevoerd betekent ook dat we Nietzsche niet meer mogen bespreken omdat hij God doodverklaart, Darwin vermijden omdat hij de schepping overhoop haalt, de 95 stellingen van Maarten Luther moeten verwijderen uit de lesstof omdat Katholieken er aanstoot aan nemen, de slavernij niet meer moeten tonen omdat….etc.

Het meest ondoordachte wat je nu kunt doen als school is individuele docenten het recht ontzeggen om binnen hun lesomgeving onomwonden aandacht te besteden aan maatschappelijke fenomenen. Lessen geschiedenis, maatschappijwetenschappen, filosofie, burgerschap of voor mijn part Nederlands ontlenen hun kracht aan de mogelijkheid om actualiteit te betrekken en te duiden.

Wanneer iemand aanstoot neemt aan alledaagse en actuele fenomenen als spotprenten, moeten we godzijdank blij zijn dat dit zichtbaar wordt in een onderwijssituatie. Daar is er de eerste mogelijkheid om gekwetst te zijn, zonder dat dit gelijk wordt omgezet in ongecontroleerde haat of ongenuanceerd geblaat.

Is dit MBO?

Een polemiek

Zodra er een peperdure campagne voor je moet worden gestart, weet je één ding zeker: het is niet zo best met je gesteld. Waarom zou er anders een landelijke campagne nodig zijn om je imago op te vijzelen? Helaas overkomt dit de MBO’er op dit moment met de groots gelanceerde actie ditismbo. Via abri-posters, radiocommercials, filmpjes en advertenties in landelijke dagbladen wordt geprobeerd om het klaarblijkelijk gekrenkte zelfvertrouwen wat op te krikken, maar ik zie eerder het schaamrood op de kaken voor me. Want wie wil er nu zo opzichtig een steun in de rug krijgen?

Neem nu eens de op het eerste gezicht sympathieke posters die op alle treinstations hangen. Die slogans zijn op zich leuk bedacht. Ze hebben allen echter één probleem: ze slaan vrijwel nergens op en zijn volstrekt zinledig. Neem bijvoorbeeld:

 Jouw mobieltje was er niet zonder MBO’ers

De uitvinder van de mobiele telefoon, Martin Cooper, studeerde electrical engineering aan het Illinois Institute of Technology, dat zover ik weet niet bekendstaat als een MBO. Strikt genomen zou het dus juister zijn te stellen:

Jouw mobieltje was er niet zonder de academicus

Of neem:

Die auto daar was er niet zonder MBO’ers

Toch was er werkelijk geen auto zonder G.W. Daimler, die machinebouw studeerde aan het Stuttgart polytechnisch instituut, tegenwoordig onder de vlag van de universiteit.

Wat al te gemakkelijk, flauw wellicht, maar wat probeert deze tekst ons nu duidelijk te maken? Of anders gezegd, wat is hier feitelijk het doel? En voor wie is deze boodschap feitelijk bedoeld?

Een ander probleem is dat de campagne zich uitsluitend richt op de pareltjes van het MBO, en dan vooral niveau 3 en 4. En daarmee dekt de titel ditismbo allesbehalve de lading. Want het MBO is buiten de verzameling prachtige pareltjes (waarbij wat betreft de genomineerden in 2012 verrassend weinig allochtonen zitten), vooral een groot zorgenkind. De gigantische leerfabrieken die door concentratie en fusies zijn opgetrokken, de aanhoudende slechte kwaliteit van veel opleidingen, uitvallers die zonder startkwalificatie de arbeidsmarkt opgaan, de grote zorgen om taal en reken-niveau van veel studenten (debet aan de relatief zeer grote groep allochtone leerlingen die het MBO bevolkt), zorgwekkende cijfers over het geringe aantal lesuren, oplopende kennistekorten en de stevige problemen bij de doorstroom naar het HBO (dat zich weer genoodzaakt ziet aanvullende eisen te stellen aan deze leerlingen), zijn daar enkele voorbeelden van. Problemen die al sinds 2006 worden onderkend, maar waar negatieve beeldvorming over is blijven bestaan en waar nog steeds niet echt een structurele oplossing voor lijkt bedacht. En is dat eigenlijk wel mogelijk? Of om het plat te zeggen: willen mensen uiteindelijk genoeg nemen met ‘de middelmaat’?

Het werkelijke probleem zit in onze niet te veranderen prestatiemaatschappij, waar het idee van succes en perfectie in alle mogelijke opzichten zo sterk is gecultiveerd, dat een campagne als dit vechten is tegen de bierkaai. En het MBO is weliswaar de hofleverancier van de arbeidsmarkt, maar het overgrote deel van de studenten heeft daar niet bewust voor gekozen. Want als er ook maar een kleine mogelijkheid is Havo te doen, wordt die met beide handen aangegrepen, niet in de laatste plaats door de ouders. Want in het woord Havo, zit het woord Hoger. En alle pareltjes die nu in het zonnetje worden gezet op het MBO, zijn uiteindelijk niet de mensen die op MBO-niveau blijven. Die groeien verder en worden beter. Want zo wordt dat gezien: HBO is beter dan MBO. Universiteit is beter dan HBO. Dat is er simpelweg ingeslepen en wordt door talloze details dag in dag uit bevestigd. In de media, in de politiek, in het salaris, met betrekking tot verantwoordelijkheid, invloed, erkenning, respect, kennis, macht, gezag, kansen en mogelijkheden, toekomstperspectief enzovoorts…

Daarom is er maar één échte oplossing: de MBO’er moet zelf opstaan. Hij moet zelf niet meer accepteren dat de middelmaat regeert op het MBO. Hij moet die goedbedoelde campagnes niet slikken die door allerlei hoge heren achter het bureau zijn bedacht, en waarmee het predicaat ‘ahhh wat zielig’ op de loer ligt. Hij heeft die campagnes niet nodig om te zijn wie hij is, namelijk een zelfbewuste vakbekwame zelfbepaler. Hij moet iedereen die verantwoordelijk is voor de slechte naam van het MBO en die in stand houdt door zijn gedrag en houding ter plekke aanspreken en terechtwijzen. Hij moet geen petjes- en mobiele telefoontjes-cultuur accepteren noch zich daardoor laten meeslepen. Hij moet politiek bedrijven, in gesprek durven gaan met academici, de media opzoeken, zelf initiatieven ontplooien tegen de idee van de teloorgang. Dan wordt werkelijk een krachtig signaal afgegeven en dan zal de samenleving zien: kijk, dat is MBO.

De leefwereld van een kuikentje

Voor iemand die er van overtuigd is dat hij een kuikentje is, is niets gewoner dan dat. Het zijn juist alle anderen die het niet meer helder hebben. Of voor iemand die gelooft dat alle mensen tegen hem samenzweren, helpt het niet te zeggen dat iedereen dat ongetwijfeld zal ontkennen, want dat is nu precies wat samenzweerders plegen te doen!

Wie denkt dat deze mensen zich ver buiten onze leefwereld bevinden, heeft het mis. Ze zijn zelfs erg dichtbij. Denk bijvoorbeeld aan docenten die na decennia onderwijs niets anders meer hebben dan hun eigen vak en zich volledig hebben teruggetrokken in een duistere, vrijwel ontoegankelijke wereld, waar alleen nog maar eigen regels en wetten gelden. Immuun voor computers of bijscholing zogezegd. Of aan bazen die hun hart hebben verpand aan een afdeling en geloven dat ze daar een heilige missie uitvoeren. Volledig in paniek rakend als iemand een pragmatische afweging maakt, buiten hen om.

De vraag is nu: bestaat er nog ergens een mogelijkheid om de leefwereld van dit kuikentje binnen te treden? Dat is een uiterst lastige onderneming. Het is als Frodo die zich begeeft in het land Mordor. Om te beginnen zul je moeten afdalen tot zijn eigen wereld. Het vreemde moet gewoon worden, het onredelijke redelijk. Vermoed alles wat je nooit had kunnen vermoeden. Praat met hem mee, prijs onzinnige voorstellen en toon respect voor ondoorgrondelijke beslissingen. Dit alles is werkelijk levensgevaarlijk, want je zou zomaar meegezogen kunnen worden in het Absurde, waar vandaan niemand ooit meer heeft weten te ontsnappen…

Maar bedenk dat het voor een nobele zaak is! Een zaak waar de ernst af en toe verlaten kan worden voor een grap, waar ruimte is voor zelfspot, waar regels niet heilig zijn en waar gezond verstand weer de baas is! Maar misschien ben ik wel te optimistisch en zijn echte kuikentjes gewoon verloren voor de wereld, is het onmogelijk ze een spiegel voor te houden al ga je nog zo ver met ze mee, en zullen we ermee moeten leren leven. Of -en de schrik slaat me om het hart-..….misschien ben ikzelf wel het kuikentje…….

Wie uitsteekt, is daarom nog niet uitstekend

Op het moment dat er nog niet eens fatsoenlijke waardering voor bevoegde docenten is, laat staan voor universitair geschoolde of gepromoveerde, heeft de Onderwijsraad het nodig gevonden de lat alvast nog onvindbaarder te verstoppen. In een van de zotste ideeën sinds de invoering van het onderwijs stelt zij namelijk voor “excellente” leraren op school te laten fungeren als rolmodel. “Als excellente leraren de ruimte krijgen hun kwaliteiten te ontwikkelen en die van collega’s te bevorderen, verbetert de onderwijskwaliteit en daarmee verbeteren de prestaties van leerlingen.” (p.7)

 

Wie het integrale rapport leest, kan zich niet anders dan verbazen over zoveel vals en verspild denkwerk. Het hele advies ploetert op gênante wijze voort en zucht en kreunt onder zijn eigen wolligheid. Er klinkt haast een aandoenlijke roep in door: “als we dit nu doen, dan wordt het echt vast een keer beter, echt!” Tussen de regels door wordt het echter zelfs voor leken duidelijk dat deze dagdroom een zoveelste poging is het onderwijs bedrijfsmatig te benaderen. Grootste probleem daarbij, is dat het begrip excellentie in een onderwijsorganisatie zo onwaarschijnlijk subjectief is, dat de Onderwijsraad van ellende een beroep doet op iets nog subjectievers: “iedereen weet wel wie op school de goede docent is” (p.18). Ja, net zoals de geschiedenis er telkens weer achter komt dat ze mensen niet op waarde wist te schatten.

 

De Raad legt graag de verantwoordelijkheid bij de schoolleiding om excellente docenten aan te wijzen door middel van een uiterst vaag “intersubjectief beoordelingsinstrument”, zodat als het een puinhoop wordt, zij met een nieuw advies kan komen over waarom het niet heeft gewerkt. Want hoe wil men vakken “intersubjectief” met elkaar gaan vergelijken? Hoe zit dat met de verschillende niveaus? Worden diploma’s eigenlijk fatsoenlijk meegewogen? Hoe vermijdt men vriendjespolitiek? Wie heeft in de gaten dat populariteit niet met excellentie wordt verward? Wie zegt dat een leidinggevende zelf excellent genoeg voor de klas was om überhaupt het excellente te kunnen herkennen?

 

Je zult maar de ongelukkige zijn die door de school wordt aangewezen als excellente leraar. Natuurlijk krijg je er wat centjes bij –een soort bankiersbonus-, maar als het schaamrood je nog niet op de kaken staat, mag je hopen dat je niet bezwijkt onder die ijdelheid. En reken er maar op dat iedereen je komt lastigvallen met nare klusjes, je scherp in de gaten wordt gehouden en op het einde denkt: waarom was ik ook alweer voor de klas gaan staan en koos ik niet voor het bedrijfsleven? Nog erger lijkt het me tenslotte voor de keihard werkende, zelfkritische, passievolle en oprechte docent, die onverklaarbaar (want ga intersubjectiviteit maar eens verklaren) niet bij de paradepaardjes zit. Want één ding is me helder: collegialiteit in het onderwijs is een groot goed, maar zelfs hier is afgunst niemand vreemd.

 

Ik begrijp uiteraard wel, zelfs in onderwijskundig opzicht, wat de achterliggende bedoeling is van de Onderwijsraad. Kwaliteit, maar bovenal prestige en aanzien terugbrengen naar de sector, daar waar de overheid al jaren bezig is het docentenvak zo onaantrekkelijk mogelijk te maken. Ik begrijp ook dat de zwakste broeders ongetwijfeld het hardste roepen tegen een dergelijk systeem. Maar ik  zou vrij naar het aloude adagium van Ockham willen zeggen: “om verder te geraken moet men niet beginnen met iets nodeloos ingewikkeld te maken”. Gewoon terug naar de basis, en juist iedere docent die hard werkt, ploetert, zich inzet voor zijn vak en het soms moeilijk heeft waarderen zoals het hoort en hem de mogelijkheden te bieden die nu alleen voor een geforceerd eliteclubje lijken te zijn weggelegd.

 

 

 

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2017 Stephan Wetzels © All Rights on texts Reserved