Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Gedachten bij het plotse einde van een jong leven. -Overweging en in memoriam-

Vonnis van de rechtbank 16 maart 2015

Hoger beroep definitief inhoudelijk op 15 april 2016 11:00.
Zaaknummer  20000940-15

Arrest van het Hof 29 april 2016

Gedachten bij het plotse einde van een jong leven
Een overweging en in memoriam bij

Saga Backman

11/9/2013

Vanuit verschillende aansporingen deel ik deze zowel algemene ideeën als persoonlijke noten, geschreven in het -ogenblik-, waarmee ik ook voor mijzelf ruimte heb verschaft “grip” te krijgen. Ik hoop dat ze voor ieder die het lezen wil kunnen dienen als troost of als aanzet tot een eigen of nadere overweging.

Een jonge vrouw is vermoord. Ik kende haar. Ze was een studente, een leerling.

‘Waar de mens is, daar is de dood niet, en waar de dood is, daar is de mens niet,’ zei Epicurus. Maar Epicurus vergat dat de dood er wel degelijk is, en veel venijniger. Wij ontmoeten de dood inderdaad nooit zelf, maar in anderen des te meer. Voor mensen die achter blijven is de dood er. En voor een moeder is de dood er. Zij is de ongelukkigste die ik me kan voorstellen.

Alles wordt ergerlijk. Een rommelende man, het oppervlakkige praatje, een bellende voorbijganger, de gehaaste fietser. Het wekt ergernis, omdat ik al het gewone ervaar vanuit een ongewone stemming. Het is een ernstige stemming, waarbij het vanzelfsprekende om mij heen de ernst niet begrijpt-en dat is de ergernis.

Het leven om me heen gaat door en alles gaat door, omdat het door moet. Morgen is het weer een gewone dag.Dat is de waarheid’, zeggen mensen. Maar het is een lege waarheid. ‘Zo gaat dat’, zeggen mensen. Maar mij bevalt het niet.

De dood is het onbegrijpelijke in het leven. Maar de onverwachte dood is het onbegrijpelijkst. Ik kan er niet bij; ik kan het me niet eigen maken. Niemand kan er bij en iedereen zoekt naar antwoorden. ‘Waarom?’ (…) En: waarom? -Omdat men hoopt dat daarmee het onverwachte kan worden verklaard, zodat de dood weer het onbegrijpelijke wordt en niet het onbegrijpelijkste. -Omdat men hoopt dat het absurde in een redelijk kader kan worden gegrepen en gevangen, opdat men kan toe-eigenen en begrijpen. Maar al zou ik het begrijpen-ik blijf machteloos tegenover het feit.

 -Troost-

Menselijke machteloosheid is zowel de grondslag van verdriet als van troost.
Het verdriet kan ik voelen. Maar wat is hier troost? Wie troost, erkent het verdriet. Omdat ik het verdriet kan voelen, ben ik in staat om te troosten. Het is geen afstandelijke troost-maar een troost die nabij is. Troost kan stilte zijn of deze woorden. Maar ook een knik of een hand. We kennen die gebaren door en door. Hoe vertrouwd we er mee lijken te zijn, als troost zijn ze bijzonder en op zichzelf betekenisrijk.

-Herinnering-

Voor haar is het voorbij. We kunnen haar nooit meer ontmoeten. Het vrijblijvende van het ont-moeten is voor goed langs ons gegaan. We kunnen haar enkel herinneren, we kunnen haar enkel denken en her-denken. Een gestorvene herdenken is een daad van liefde, een overledene herinneren is een daad van de liefde. Misschien is dat ook troost. We troosten ons met onze (laatste) herinneringen, omdat we daarmee een relatie kunnen aangeven. Met de herinnering plaatsen we ook onszelf even terug in een context. En ik herinner mij een laatste gesprek met haar een paar dagen geleden. Het alledaagse karakter ervan beangstigt me. Ik zou willen dat ik wat moois tegen haar had gezegd. Dat ik haar iets had voorgelezen wat ze mee had kunnen nemen in gedachten, maar dat deed ik niet. Nu ging het over het alledaagse.

Dan troost ik me liever met een oude herinnering, van een klein jaar terug –die nu uit het niets van waarde wordt-. Anderen riepen deze herinnering wakker. Iedereen mocht in zijn eigen taal vragen stellen en antwoorden. De één sprak Duits, de ander Marokkaans. Weer iemand zei wat in het Turks, terwijl ik antwoordde in het Maastrichts. En één iemand zong ons toe, omdat haar moedertaal klonk als een lied…Ik kan haar stem nu horen. De stem die altijd iets zeggen wilde, en zo vaak eindigde in een verlegen lach.

Misschien mist God haar in het leven. Ik weet het niet. Ik geloof het wel.

Haar familie mist haar. En al die anderen. Voor wie ze nu dat ene meisje is.  De wereld heeft iets verloren. Vrolijkheid en verlegenheid. Spontaniteit en bovenal potentieel. Ik hoop dat velen zullen vertellen hoe opgewekt ze kon zijn en met welke doorzettingskracht ze het leven tegemoet trad. Zoekende naar de juiste afstemming weet ik niet wat ze daarbij allemaal gevonden heeft-maar ik zal haar proberen te herinneren waar dat ook maar iets bijdraagt.

De moordenaar die de gevangenis ontliep: een juridisch raadsel op zoek naar antwoord

De moordenaar die de gevangenis ontliep: een juridisch raadsel op zoek naar een antwoord

Af en toe loop ik tegen een intrigerende puzzel aan, waarbij het antwoord indringender is dan het raadsel zelf… Mijn ervaring is dat velen, indien men het raadsel juist vertelt, niet in staat blijken om op een sluitend antwoord te komen.

Laten we het raadsel eens bekijken om het vervolgens nader te bespreken.

We bevinden ons in een rechtsstaat met een jurysysteem voor strafzaken.
Twee volwassen mannen staan terecht voor moord. De jury vindt één van deze mannen schuldig. De andere man wordt geheel onschuldig bevonden. De rechter spreekt de als schuldig aangewezen man toe en zegt: “dit is de meest merkwaardige zaak die ik ooit heb meegemaakt. Ondanks het feit dat ik u schuldig acht aan moord boven iedere twijfel verheven, gebiedt de Wet me u vrij te laten”.
(Vrij vertaald uit: Smullyan, R.M. (1978). What’s the name of this book?. New York: Dover publications)

Hoe kan dit nu?

De antwoorden waarmee mensen vaak snel en intuïtief op de proppen komen zijn zeker vindingrijk, maar vrijwel nooit sluitend. Ik werk deze en enkele andere hier uit. Mocht iemand nog een spitsvondig antwoord missen, dan hou ik mij aanbevolen!

Ne bis in idem?
Het beste niet-juiste antwoord is wellicht dat er sprake is van een ne bis in idem case, de Latijnse uitdrukking in het strafrecht voor het beginsel dat iemand niet twee keer voor hetzelfde feit kan terechtstaan en mag worden gestraft (art. 68 Sr.).

In dit geval zou het kunnen dat de schuldige persoon, laten we hem J. noemen, bijvoorbeeld 18 jaren geleden veroordeeld is voor moord, zonder dat er een lijk gevonden is. Wanneer J. vrijkomt en tot zijn verbazing de persoon die hij vermoord zou hebben levend aantreft, dan zou je verwachten dat hij deze man zou kunnen vermoorden, zonder dat hij daarvoor vervolgd kan worden. Men kan immers niet twee keer vervolgd worden voor hetzelfde feit, in dit geval een moord op één en dezelfde persoon.

Dat het heel goed mogelijk is dat iemand veroordeeld wordt voor moord, zonder dat er sprake is van een lijk bleek wel in maart 2014, toen de Hoge Raad een vonnis van het Hof bevestigde dat Arnhemmer Frans J. definitief tot bijna 18 jaar cel werd veroordeeld wegens de moord op de zwakbegaafde hobbyfotograaf Henk Peters.

In de praktijk is het echter onwaarschijnlijk dat de ne bis in idem regel ook werkelijk opgaat in dit geval en er toch niet gewoon sprake is van een nieuw opzichzelfstaand feit. Er zal dan weliswaar een gerechtelijke dwaling moeten worden toegegeven, maar deze moord zal gewoon leiden tot een nieuwe veroordeling. Het zou immers zeer vreemd zijn indien een gerechtelijke dwaling een vrijbrief voor een criminele activiteit zou betekenen.

Zie hier en hier en hier en hier en hier voor meer interessante kruimels omtrent Ne bis in idem.

Ontoerekeningsvatbaar

Ontoerekeningsvatbaar?
Een andere aardige oplossing, die ik reeds zelf buiten de context van dit raadsel als beginnend filosoof in allerlei varianten al lang geleden formuleerde, bestaat erin dat een van de mannen inderdaad de moord heeft gepleegd, maar dit niet is toe te rekenen, zonder dat er een maatregel nodig is (TBS bijvoorbeeld). Kort gezegd handelde de man vanuit een waan die laten we aannemen volledig veroorzaakt werd door een tumor in zijn brein, die kort na de daad succesvol werd verwijderd, waardoor hij weer de ‘oude’ werd: een vriendelijke gezinsman zonder strafblad of enige neiging tot het kwaad. Je kunt hem niet behandelen en je kunt hem niet opsluiten, maar er is wel iemand gruwelijk om het leven gebracht.

Ook deze oplossing is echter ontoereikend, want het klopt technisch gezien natuurlijk niet met het raadsel: er is immers werkelijk sprake van schuld, en dit is een schulduitsluitingsgrond. Psychische Overmacht (art. 40 Sr.) Noodweerexces (art. 41 lid 2 Sr.) of geestesziekten als schizofrenie komen daarom eveneens niet in aanmerking als oplossing. Het gaat hier om een menselijke gedraging van iemand die uit vrije wil en bij zijn volle verstand een onschuldige ander van het leven heeft beroofd, maar desondanks moet worden vrijgelaten. Er is geen afwezigheid van alle schuld, hij handelde niet naïef of op goed vertrouwen van een meerdere. Het gaat hier gewoon om een 100% bewezenverklaarde moord.

Zie hier voor strafuitsluiting.

Abortus?
Op een creatieve manier zou dit als een oplossing kunnen gelden (net als euthanasie). Men zou kunnen zeggen dat de rechter een persoonlijke opvatting ventileert, en het vanuit zijn eigen ethische oogpunt als een moord beschouwt, daar waar de wet abortus niet ziet als moord. De hele jury overigens in ons geval komt dan tot het morele oordeel dat abortus moord is, waaraan dus een van de mannen schuldig is bevonden. De man heeft echter dan klaarblijkelijk gehandeld onder geldende wetgeving, en kan door de rechter daarom niet juridisch schuldig worden bevonden (maar hooguit dus moreel schuldig).

Het is echter uitgesloten dat een openbare aanklager zich zou laten leiden door strikt morele opvattingen, terwijl de wet overduidelijk ruimte biedt voor de betreffende handeling. Dat zou onzinnig zijn: het juridisch systeem is niet bedoeld om mensen die handelen binnen bestaande wetgeving moreel te veroordelen.

Zie hier en hier voor onsmakelijke details over een voor moord veroordeelde abortusarts. Zie hier voor een filosofische verhandeling over abortus.

Dieren?
We hebben al vastgesteld dat het hier gaat om de moord op een menselijk individu. Is het raadsel echter toch ook zo uit te leggen dat er een dier zou zijn vermoord? Taalkundig zou het kunnen. Van Dale spreekt over vermoorden als ‘gewelddadig van het leven beroven’. ‘Hij vermoorde een plant met een bijl’, zou dus kunnen, evenals ‘hij vermoorde die mug in koelen bloede’,  maar juridisch werkt het natuurlijk anders.

Iemand zal niet voor het ‘gewelddadig beroven van het leven van een plant’ worden vervolgd (hoewel we ook daar vast een uitzondering voor zouden weten te bedenken). Moord, in strafrechtelijke zin is iemand die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft. ‘Ander’ is hier natuurlijk bedoeld als ander menselijke wezen. Dieren worden gedood, niet vermoord. Daarbij, als we naar de Nederlandse wet kijken is dat sowieso een schimmenspel waar het gaat over het doden van dieren. Het doden van huisdieren, anders dan door een dierenarts of slager, mag in Nederland. Een dier mag er uiteraard geen pijn van ondervinden, maar zolang het zonder mishandeling gebeurt, is het niet strafbaar je kat de nek om te draaien of je eigen hond de keel door te snijden (zie hier en hier).

Geldt dat dan ook voor de dieren van een ander? Nee, uiteraard zul je wanneer je een dier doodt (dus niet vermoordt, dat bestaat juridisch dus niet) dat aan een ander toebehoort schuldig bevonden worden aan een misdrijf. Artikel 350 Sr. schrijft: Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, doodt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt.

Dus ook dit brengt nog geen oplossing voor ons raadsel….

Hypnose?
Hypnose is mij al vaak ter oren gekomen wanneer het zou gaan om de ideale moord. De hypnotiseur instrueert zijn subject met de juiste instructies, en laat het de moord uitvoeren. Er is eigenlijk een vrij levendige cultuurgemeenschap die geloof hecht aan deze mogelijkheid (zie hier), maar het is sterk de vraag of het mogelijk is om iemand zodanig te hersenspoelen dat hij in staat is een moord te plegen.

Daarbij zou het mogelijk zijn, is het de vraag of er sprake kan zijn van schuld aangezien ook hier hypnose zal gelden als schulduitsluitingsgrond (men handelde immers niet uit vrije wil en bij bewustzijn). Een filosofische variant van deze oplossing vinden we terug bij Harry Frankfurt en zijn gedachte experiment aangaande mr. Black.

Slaapwandelen
Van slaapwandelen is bekend dat er een hoop narigheid uit kan voortkomen. De activiteiten tijdens slaapwandelen zijn meestal onschuldig, zoals rechtop in bed zitten of door de kamer lopen, eten of schoonmaken. Soms kan een slaapwandelaar echter in zijn slaap overgaan tot handelingen die gevaar kunnen opleveren zoals het huis verlaten, fietsen of autorijden. Zelfs mishandeling, verkrachting of moord zijn mogelijk. Daarbij herinner ik deze vrijspraak voor poging tot moord tijdens slaapwandelen.

In de vele gevallen die ik doornam meent een rechtbank echter altijd dat de gewelddadige handelingen weliswaar zijn bewezen, maar het vervolgens de vraag is of deze opzettelijk zijn gepleegd. En het antwoord moet daarop luiden: ’nee’. ‘Voor het bewijs van de ten laste gelegde poging tot moord, subsidiair poging tot doodslag, dan wel meer subsidiair zware mishandeling, is opzet vereist hetgeen impliceert de aanwezigheid van een wilselement en een kenniselement in één van de gradaties die in de rechtspraktijk worden erkend. (hier)’ Het ontbreken van bewezen opzet kan dus ook geen oplossing zijn voor ons raadsel.

Zie hier en hier en hier voor drie interessante kruimels over deze materie.

Onschendbaarheid koning
Een oplossing die mij nadat ik alles opgeschreven had nog te binnen schoot, is dat de schuldig bevonden moordenaar heeft gehandeld onder het principe van onschendbaarheid. Laten we zeggen dat een van de mannen koning is, en hij een onschendbaarheid geniet. Dit betekent dat de koning volgens de Grondwet onschendbaar is en dat houdt in dat de ministers en parlement verantwoordelijk voor hem zijn, voor wat hij zegt én doet. Onze parlementaire geschiedenis kent tal van affaires waarbij er sprake zou kunnen zijn van strafbaar gedrag, maar waarbij er niet overgegaan is tot vervolging (denk bijvoorbeeld aan prins Bernard en de Lockheed affaire).

Zou dit dan betekenen dat hij een moord kan begaan zonder dat hij daarvoor gestraft kan worden? Dat is een hele complexe vraag. Bij een ernstig vergrijp biedt de grondwet de ruimte om de Koning buiten het gezag te plaatsen. De Eerste en Tweede Kamer moeten daar dan wel mee in stemmen, maar dat is nogal paradoxaal. Het is waarschijnlijker dat wanneer de Koning verdacht wordt van een ernstig strafbaar feit als moord, allereerst de Hoge Raad een uitspraak zal doen hoe al die begrippen moeten worden uitgelegd, en wat dus de precieze betekenis is van zoiets als onschendbaarheid, ministeriële verantwoordelijkheid, immuniteit etc.. Op basis daarvan zal een beslissing worden genomen. Ik acht de mogelijkheid groot hij toch veroordeeld wordt, gelijk op basis van een redenering zoals we die na de Tweede Wereld oorlog zagen toen een burger zich beriep op een wet die de nazi’s hadden ingesteld vlak voor het einde van de oorlog die het doodschieten van burgers legitimeerde. De rechter was echter van mening dat burgers een plicht hebben om naar de redelijkheid van een wet te kijken, en in dit geval kon er geen sprake van zijn dat het binnen de redelijkheid lag deze wet op te volgen.

Ik moet zeggen dat deze oplossing alles in zich heeft om als acceptabel door te gaan, mits het OM besluit om wel te vervolgen om er zo een proefproces van te maken. De kans op een veroordeling met gevangenisstraf/ballingschap blijft echter aanzienlijk. Is er niet nog een betere oplossing?

Wat dan wel?
Niet een generaal pardon vanuit overheidswege. Ook niet een gedetailleerde schuldbekentenis met alle details over het motief en de toedracht onder de voorwaarde (deal met het OM) dat de straf niet hoger wordt dan de tijd gezeten in voorarrest. De schuldige pleegde ook niet vlak voor de uitspraak van de rechter zelfmoord (dan is er van vrijlaten uiteraard geen sprake).

Nee, de enige oplossing die voor dit juridische raadsel sluitend lijkt, is nogal een bizarre, maar daarmee niet onmogelijke. Hoewel je aanvankelijk het idee hebt dat je erin bent geluisd, zoals dat meestal met flauwe raadsels het geval is, is daar in deze casus bij nadere verkenning toch geen sprake van, en is het ook geen flauw raadsel. Waarom moest de rechter namelijk de schuldig bevonden man toch als een vrij man laten gaan?

Omdat de verdachte mannen namelijk een Siamese tweeling waren, waarvan de een volledig onschuldig, de ander volledig schuldig. Iemand zou nog snel te berde kunnen brengen dat de ander wel degelijk medeplichtig is omdat hij zijn broer niet zou hebben tegengehouden. Het vergt echter niet veel fantasie om je voor te stellen dat dit in veel gevallen onmogelijk is. Ook het argument dat de ander medeplichtig zou zijn, omdat hij er vanaf zou moeten weten, kan met weinig fantasie worden ontkracht. Daarbij zijn ook allerlei scenario’s mogelijk over de mobiele verhoudingen van de Siamese tweeling, waarbij de moordenaar bijvoorbeeld mobieler is (dominanter is in de mogelijkheden tot het voortbewegen van zijn lichaam) dan de onschuldige.

De interessante vraag die dan overigens opspeelt is of de mate van mobiliteit een rol speelt bij veroordeling. Stel dat “de tweede geest” aan het lichaam, weinig mogelijkheden heeft zich zelfstandig te bewegen, is dat dan een reden voor gevangenisstraf? In onze casus nemen we voor nu echter gelijke mobiliteit aan, die slechts door gebrek aan samenwerking niet functioneert.

De rechter moest de man dus wel vrijspreken. De wet stelt immers dat het onwettig is om een onschuldig persoon op te sluiten, immers, de moordenaar opsluiten zou wederrechtelijke vrijheidsberoving van de andere helft van de tweeling betekenen. Er zal ongetwijfeld een straf volgen (er is immers schuld!), maar die straf zal dan niet bestaan uit gevangenhouding, maar waarschijnlijk uit een forse geldboete (treft dat de onschuldige niet onevenredig?).

In Nederland geldt voor moord een geldboete van vijfde categorie (wat neerkomt op maximaal € 81.000 (Per 1 januari 2014)). Daarentegen kan de overheid echter de onschuldige helft van de tweeling moeilijk beschermen (“ik wil niks met deze moordenaar te maken hebben!”), tegen zijn moordende broer, anders dan te komen tot permanent toezicht.

Een wettelijk afgedwongen scheiding is ook nog een theoretische mogelijkheid (als de wet daar überhaupt in zou kunnen voorzien, wat ik betwijfel aangezien ik er niets over kan vinden), maar vaak levert dit allerlei bezwaren op voor de gezondheid en mobiliteit. Van gedwongen scheiding kan mijn inziens echter alleen sprake zijn in beginsel op medische gronden, wanneer dit het leven van de een of de ander zou redden in plaats van dat ze beide zullen sterven.

Tenslotte loopt dit raadsel vooral aan tegen gebrek aan jurisprudentie. Er is zover bekend geen enkele Siamese tweeling geweest waarvan de ene helft een moord heeft gepleegd. In Nederland is er zelfs ooit maar één Siamese tweeling geweest en volgens internationale schattingen (hier) is slechts 0,0005% van alle geboorten een Siamese tweeling, waarvan de kans op volwassenheid nog veel kleiner is.

Er zijn sowieso nauwelijks gedocumenteerde veroordelingen te vinden. Chang en Eng Bunker schijnen ooit een handgemeen gehad te hebben met een dokter, maar daarvoor volgde geen veroordeling. Lucio en Simplicio Godina waren ooit betrokken bij een auto-ongeluk omdat Lucio had leren autorijden zonder hulp van Simplicio. De rechter sprak beiden vrij. (Zie hier voor een prachtig stukje nadere toelichting omtrent deze casus).

Bonusvraag: Zou je naar analogie een zwangere vrouw om deze redenen niet mogen opsluiten?

Vier Verwonderingen over Volkerts Vrijheid

Vier Verwonderingen over Volkerts Vrijheid
-Reflectie op een ogenblik-

Dat de moordenaar van Pim zijn gevangenis in Zwolle voor de ketenen van de samenleving heeft verruild, kan niemand zijn ontgaan. Ik kom naar aanleiding van deze ‘vrijlating van de eeuw’ tot vier verwonderingen.

Verwondering I: hoe is het om Volkert te zijn?
Dat lijkt een gedachte-nachtmerrie voor iemand die zich dat probeert voor te Leviathanstellen. Maar het lijkt me ook een nachtmerrie voor Volkert zelf. Volkert die iedere ochtend wakker wordt en ontdekt: ik ben Volkert. En dan is de grootste nachtmerrie de realiteit zelf. Dan wil je zelfs niet ontwaken uit je nachtmerrie.

Er wordt vaak opgemerkt dat hij hoogbegaafd is, zeer intelligent. Atheneum, Landbouwuniversiteit, Meester in de rechten – dat soort zaken. Het is mij dan ook een raadsel waarom hij nog niet definitief is bezweken onder zijn eigen zwakzinnige daad die hij pleegde bij zijn volle verstand. Eén van de zwaarste mentale straffen voor een werkelijk intelligent iemand is namelijk tot inzicht komen, dat je handelen gebaseerd was op volstrekte dwaasheid.

Volkert stapt onze samenleving binnen en ziet dat zijn handelen helemaal niets bewerkstelligd heeft. Hij beseft dat hij niets heeft begrepen van politiek en democratie. Hij moet erkennen dat Fortuyn niet eens bazelde over de multiculturele luchtballon, maar gewoon iets heeft benoemd via het vrije woord. Hij ziet dat de hele politieke rechterflank volgelopen is met veel grotere demagogen en brievenbuspissers dan hij zich had kunnen voorstellen.

De armen zijn arm, de rijken zijn rijk en de dieren doen er nog even weinig toe. Kortom: De Graaf die zat vast, wij dronken een glas, deden nog een plas en alles bleef zoals het was. Arme Volkert, zijn hele leventje in het teken van een zinloze handeling – wat een gruwelijk besef!

Tragische heldHet is mij sowieso een raadsel hoe iemand bestand kan zijn tegen een dergelijke psychologische druk en daarbij gezond kan blijven. Helpen 12 jaren van bezinning daarbij, of verdwaal je dan alleen maar verder in de krochten van je geest? Kun je alleen met cognitieve dissonantie overeind blijven? Of heeft hij al die tijd gedacht aan de mogelijkheid van vergeving? Is zijn geest nu wel in staat om contact te leggen met de échte werkelijkheid, en niet die sprookjesrealiteit waarin hij zichzelf als tragische held verplicht zag tot moorden? De zelfverklaarde tragische held die toen uitkraamde: ‘ik deed het voor de zwakkeren in onze samenleving!’

Verwondering II: Volkert aan het woord
Volkert verkoopt wanneer het mag zijn levensverhaal aan de hoogste bieders. De samenleving spreekt er schande van, maar al snel onthult hij: ‘al het geld dat ik verdien met mijn verhaal, schenk ik aan nabestaanden van zinloos geweld. Ik verwacht er niets voor terug. Ik hoop dat ze het geld willen aanvaarden…’

Hij spreekt over toen: ‘Ik weet wat me bezielde, maar ik weet niet waarom me kon bezielen wat me bezielde. Het was gewoon zo. Het was een samenraapsel van alle ideeën in mijn hoofd. En ja, ook mijn zogenoemde obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis heeft daarin een rol gespeeld.’

‘U moet begrijpen, iemand die er werkelijk van overtuigd is dat hij kan vliegen, springt zo van het dak af. Dat is voor hem volkomen logisch. Voor iemand die gelooft dat hij een kuikentje is, is niets gewoner dan dat. Het zijn juist alle anderen die het niet meer helder hebben.’ ‘Nu, ik was zogezegd dat kuikentje en ik kon écht vliegen. Had men mij toen aan een leugendetector gelegd en de vraag gesteld: ‘bent u een kuikentje?’ en ik had geantwoord met ‘Nee, natuurlijk niet gek!’, dan waren de meters rood uitgeslagen…’

‘Ik was iemand die te vuur en te zwaard zou kunnen verdedigen dat de aarde vierkant was. Ik geloofde daar heilig in. Elvis leefde en we zijn nooit op de maan geweest. Plaatst u mij terug in de tijd en ik verdedig het ten koste van jarenlange gevangenschap. Dan moet het toch wel een ware overtuiging zijn?’

‘Ik geloofde wat ik geloofde, en in alle oprechtheid en in alle eerlijkheid kan ik u zeggen: het was een vals geloof. Ik ben daarmee dus echt iemand anders dan 12 jaar geleden. Ik ben niet meer dezelfde persoon. In psychologische zin ben ik radicaal anders en ik spuug op de waanzinnige van 12 jaar geleden. Hij is dood voor mij. Het enige wat hij mij uiteindelijk gebracht heeft, is het inzicht dat hij niets te brengen had. Periissem nisi periissem.

‘Ik weet dat het verder onmogelijk is voor mij om er meer over te zeggen en er ook maar één iemand zou zijn die gelooft wat ik zeg. En iemand die wel waarde hecht aan mijn woorden, die zal als een naïeveling worden versleten. Misschien is dat de reden waarom ik beter zou moeten zwijgen, zoals ik al die tijd deed: ik kan simpelweg niet spreken.’

Verwondering III: De liefde! De liefde?
De vraag hoe het is om Volkert te zijn is al lastig voor te stellen, maar hoe het is om zijn vrouw te zijn of zijn dochter, is haast onmogelijk. Hoe kan het dat een man bij zinnen tot een gruwelijke daad komt, wanneer hij de liefde thuis heeft? Hoe kan het dat een man tot een gruwelijke daad komt, wanneer hij zojuist nog in de grote ogen heeft gekeken van zijn dochtertje van een half jaar oud? De theorie dat sociale bindingen mensen afhouden van plannen die een gevaar vormen voor die sociale bindingen is hier in ieder geval niet van toepassing.

Aan de andere kant, afgaande op wat we weten vanuit de media, is zijn vriendin hem trouw gebleven. Hoe is dat te verklaren? Is dat ware liefde? Is dat wat onvoorwaardelijk kiezen betekent? Is dat wat we verstaan onder echte trouw? Wie kan zich voorstellen dat zij iets te maken wil hebben met een man die de samenleving fundamenteel heeft geschokt en voor de rest van zijn leven en de geschiedenis verbonden is aan dat ene feit? Hoe is dan een relatie mogelijk? Hangt dit feit niet telkens als een zwaard van Damocles boven je? Is dat niet iets waar je altijd aan moet denken of kan zelfs dat gewennen? Moet je er dus per definitie een schild voor ontwikkelen? En is dat eigenlijk wel gezond? Wanneer heeft woede plaatsgemaakt voor vergeving? Er was toch zeker geen begrip?

Zou Volkert zichzelf googlen en zich verbazen? Zou hij dit lezen?

Deze verwondering leent zich helaas teveel voor speculatie. Misschien zit de media wel verkeerd en heeft zijn gezin zich al jaren van hem afgekeerd. Maar als dit niet het geval is, dan is het misschien wel het meest interessante microsociale vraagstuk wat ik mij kan voorstellen.

Verwondering IV: De Toekomst
Fortuyn is niet meer. Hij heeft zich nooit kunnen bewijzen en is daarom uitgegroeid tot een mythe. Grootse Nederlander. Visionair. Belofte… Hij is echter gestorven in een tijdperk dat achter ons ligt. Maar voor sommige mensen is dat tijdperk oneindig dichtbij en wordt dit vertegenwoordigd door Volkert van der Graaf. Ze willen niet meer in dat tijdperk leven, ze willen er een einde aan maken. Voor die mensen is ‘Volkert hunting’ begonnen. Voor hoeveel mensen dat niet enkel in hun fantasie geldt en hoe serieus ze daar dan in zijn, zou ik niet durven zeggen. Ze zijn onder ons.

Maar Volkert moet natuurlijk niet dood. De argumenten daarvoor zijn overweldigend en stuk voor stuk een open deur. Je wordt namelijk geen tragische held als je Volkert dood maakt, echt niet! Je wordt een crimineel die niets meer is dan Volkert zelf. Bovendien, Pim Fortuyn zelf zou het ten stelligste afkeuren. Wie Pim wil eren, onthoudt dat hij een zeer beschaafde man was met achting voor de rechtsstaat. Daarnaast, de dreiging dat je altijd iets kan overkomen lijkt mij veel erger dan de dood zelf – tenzij je gelooft in de hel (maar dan beland je daar zelf ook in, dus dat is niet erg zinvol).

Mensen die dan toch wraakgevoelens blijven koesteren kunnen zich troosten met de gedachte dat Volkerts leven echt geen feest is de komende decennia. Het is een zeer twijfelachtige vrijheid, waarbij hij als paria zich overal moet verantwoorden en bijna nergens zichzelf kan zijn. Hij zal altijd afhankelijk zijn van anderen, hij zal nooit meer kunnen doen wat hij echt zou willen. Hij heeft niets bereikt en zal nooit iets bereiken. Hij heeft zijn leven geheel vergooid; het is niet nodig om een vergooid leven te vernietigen.

Het is beter om wraakgevoelens te overwinnen. Straks, als alle aandacht weer is weggeëbd en het nieuws over Volkert verdwijnt naar de marges – zoals dat met alle grote gebeurtenissen gebeurt- dan staat zijn leven nog steeds in het teken van die idiote daad. Maar wij hebben dat ogenblik overwonnen en zijn bezig ons leven wel zinvol vorm te geven – een kans die Volkert voor eeuwig kwijt is en waar hij zolang hij leeft met bittere jaloezie naar moet kijken.

De opmerkelijke dood van Simone: een rechtsfilosofische puzzel

De opmerkelijke dood van Simone: een rechtsfilosofische puzzel

De volgende oefening is uitermate geschikt om na te denken over basale concepten betreffende ‘schuld’, ‘intentie’, ‘verantwoordelijkheid’, ‘causaliteit’ en ‘moraal’ en leent zich goed als casus voorafgaand op diepere bestudering van de materie.

De casus: wie is de moordenaar?
Te midden van de Grote Zandwoestijn bevinden zich een vrouw en twee mannen. Simone, Herbert en Ronald. Met elk een watervoorraad van een week wachten ze op redding uit het gebied, die nog 7 dagen op zich laat wachten. Herbert heeft echter een gruwelijke hekel aan Simone, en wil niet dat zij wordt gered. Die nacht sluipt Herbert naar de tent van Simone en vergiftigt haar watertank met slangengif. Los van Herbert, heeft ook Ronald het op Simone gemunt. Ook hij sluipt die nacht naar haar tent en boort een klein gaatje in haar watertank (zonder dat hij beseft dat het water al vergiftigd is door Herbert), waardoor de tank is leeg gelopen voordat Simone wakker wordt. Als gevolg daarvan sterft Simone enkele dagen later aan uitdrogingsverschijnselen.

Beide mannen worden enkele dagen later gered, maar het reddingsteam vermoedt opzet in de dood van Simone en onderzoekt de zaak waarbij ze tot de conclusie komt dat er zowel gif zat in haar water, als dat de tank was gesaboteerd.

De vraag is echter: wie heeft de dood van Simone op zijn geweten, Herbert of Ronald? (Vrij naar: Smullyan, R.M. (1978). ‘What’s the name of this book?’)

Een eerste blik
Wanneer we intuïtief naar de casus kijken, dan ligt Ronald voor de hand, omdat Simone nooit het vergiftigde water heeft gedronken. Met andere woorden, Simone zou zelfs als Herbert het gif niet in het water had gedaan zijn overleden door het toedoen van Ronald.

Aan de andere kant echter, ligt ook Herbert voor de hand als moordenaar. Want het feit dat Ronald een gat heeft geboord in de tank, is volstrekt irrelevant: het water was immers al vergiftigd en of Ronald nu wel of geen gat zou hebben geboord, Simone was al ten dode opgeschreven op het moment dat het water vergiftigd was door Herbert.

Welke argumentatie is nu het sterkst?

Een nadere blik I
De casus laat me denken aan het probleem wat er gebeurt wanneer een niet te stoppen kracht botst tegen een onverplaatsbaar object. De oplossing is dan flauw: er kan geen werkelijkheid bestaan waarin beide krachten gelijktijdig existeren. Ook hier lijken beide argumentaties elkaar op te heffen, met dit verschil dat ze logischerwijs wel naast elkaar kunnen bestaan. We zullen dus moeten kijken naar onze eigen achterliggende opvattingen, hoe we tot een oplossing zouden kunnen komen. Het ligt niet voor de hand dat er één juiste oplossing bestaat. De oplossing is dus afhankelijk van het rechtssysteem (wat te denken van juryrechtspraak in deze), de achterliggende filosofische principes en de invulling van aanverwante relevante begrippen.

Om aan het dilemma te ontsnappen, zou er kunnen worden gekozen voor een tussenoplossing: beiden zijn schuldig aan moord op Simone. Beide mannen hadden immers dezelfde kwade intentie en wie het principe aanhangt dat iemand onafhankelijk van het causale verband (dat bijvoorbeeld door geluk of toeval tot stand komt) daarom straf verdient, heeft de oplossing gevonden. Herbert mag namelijk niet straffeloos ermee wegkomen omdat hij het geluk had dat Ronald een gat boorde, en Ronald mag niet straffeloos wegkomen omdat hij het geluk had dat Herbert het water toch al vergiftigd had (zie ook: Wil, toeval en straf: een korte studie binnen het materiële strafrecht.)

Het probleem is echter dat er geen rechtssysteem is dat primair zo functioneert. Het recht is niet primair gebaseerd op ethische grondslagen. Het is bijvoorbeeld onethisch om een kind dat bedelt voor voedsel te negeren, maar het is juridisch legaal. In ons geval zouden we namelijk een moreel oordeel (beide mannen zijn slecht) verwarren met een juridisch oordeel (wie is verantwoordelijk voor de dood op Simone). In de praktijk halen we zulke zaken (ethiek en recht) nog wel eens door elkaar, omdat ons gevoel zegt dat iemand die een bijzonder slechte bedoeling heeft, daar niet mee weg mag komen (en helemaal niet wanneer hij toevalligerwijs de mazzel had dat iets of iemand anders dan deze slechte bedoeling heeft geleid tot het door hem gewenste effect. Vgl ook.: De Zaak A. )

Intermezzo I: de ‘Nijmeegse scooterzaak’
Vergelijk dit bijvoorbeeld ook eens met de zogenaamde ‘Nijmeegse scooterzaak’. Dit gaat weliswaar over medeplegen, maar we voelen een gelijkwaardig dilemma waar het aankomt op straf in relatie tot het plegen.

Op 15 januari 2010 zijn twee mannen op de vlucht voor de politie met hun scooter. Het duo was met hoge snelheid op de vlucht voor de politie, die hun plan om een hotel te overvallen had doorzien. Tijdens deze vlucht rijden ze een Arnhemmer dood die op een zebrapad in Nijmegen loopt.

In eerste aanleg krijgen ze 8 jaar (bestuurder) en 16 maanden (man achterop) cel voor hun dollemansrit.

Het gerechtshof spreekt ze in hoger beroep (mei 2012) echter vrij: volgens het hof is het niet duidelijk geworden wie de scooter bestuurde, omdat ze naar elkaar blijven verwijzen (een op zichzelf interessante juridische verdedigingstruc, die laat denken aan het prisoner’s dilemma). Op grond daarvan kan niet een iemand een hogere straf worden toebedeeld. Dan zou in theorie immers degene die niet heeft bestuurd acht jaren kunnen krijgen en dat is juridisch onwenselijk.

In cassatie (december 2013) stelt de Hoge Raad echter dat de zaak over moet en verwijst deze terug naar het hof in ’s-Hertogenbosch. Die inhoudelijke behandeling moet op dit moment nog plaatsvinden, maar de uitkomst daarvan zal ongetwijfeld een nieuwe standaard verschaffen over hoe we moeten nadenken over schuld en straf, wanneer het onduidelijk is wie primair verantwoordelijk is voor het uiteindelijke effect (wanneer beide wel gelijktijdig hetzelfde effect wensten).

Natuurlijk hebben deze beide criminelen het effect van hun handelen (de dood van de Arnhemmer) niet gewenst, zoals Herbert en Ronald het effect van hun handelen wel hebben gewenst en in de scooterzaak gaat het hier vooral over medeplegen. Het recht worstelt echter zichtbaar met de vraag in hoeverre iemand straf verdient, als niet is komen vast te staan dat hij degene is geweest die direct verantwoordelijk is geweest voor het effect (we kunnen immers niet willen dat een onschuldig iemand gestraft wordt), en in dat perspectief is het fenomeen interessant voor onze casus. Ook hier zien we duidelijk dat een stevige dubbele veroordeling door het publiek wenselijk wordt gevonden (beide mannen verdienen flinke straf en geen vrijspraak) terwijl juristen op zoek zijn naar een objectief onderscheid en rechtvaardiging voor de mate van straf.

Het hof in Arnhem motiveerde haar vrijspraak op grond van de opvatting dat de bijrijder van de scooter niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het rijgedrag van de bestuurder en de fatale gevolgen daarvan, terwijl het misschien wel de vraag is of er sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet van beide mannen: in hoeverre heeft de een en de ander niet van tevoren kunnen voorzien dat ongeacht wie reed dit een redelijkerwijs te verwachten effect is geweest. Heeft immers de bijrijder het niet in zijn macht gehad de vluchtpoging te staken, maar deed hij dit niet omdat hij deze even graag als de rijder zelf wilde uitvoeren, omdat hij immers net zo goed aan de politie wilde ontsnappen om daarmee zijn straf te ontlopen voor de poging tot overval van het hotel? Het lijkt er in ieder geval op dat het gerechtshof straks toch tot een soort salomonsoordeel gaat komen, misschien wel door wat juridisch gegoochel (het recht moet objectief blijven) om daarmee het publiek dat hecht aan de subjectieve benadering tegemoet te komen.

Inzake medeplegen nog dit: bedenk ook eens wat de situatie zou kunnen zijn als Herbert en Ronald wel van elkaar weten dat ze allebei Simone dood willen. Om niets aan het toeval over te laten doet Herbert eerst gif in het water (voor het geval Simone wil drinken voor de tank leeg is) en boort Ronald daarna een klein gat in de tank (voor het geval het gif niet werkt). Simone wordt wakker en ziet een lege tank: als gevolg daarvan sterft ze enkele dagen later aan uitdrogingsverschijnselen.

Een nadere blik II
Als we niet aan het dilemma proberen te ontsnappen door ze allebei een straf te geven, rest ons niets anders dan te kijken naar welke verdediging zowel Herbert als Ronald zouden voeren voor de rechtbank.

Laten we ons voorstellen dat we de verdediging voeren voor Ronald, degene die een gat heeft geboord in de watertank van Simone. Het verwijderen van vergiftigd water kan onmogelijk worden beschouwd als het vermoorden van iemand. Sterker nog, doordat Ronald het vergiftigde water heeft weg laten lekken, heeft Simone nog een aantal dagen geleefd. Had ze het vergiftigde water gedronken, dan was ze vrijwel onmiddellijk gestorven. Ook al wist Ronald er niets van (maar een verdediging zal ongetwijfeld aansturen op het feit dat hij dit wel wist…en wat dan?), hij heeft feitelijk haar leven verlengd, in plaats van dat hij haar heeft vermoord.

Verdedigen we echter Herbert, degene die het gif in het water deed, dan zal het sterkste argument wat we kunnen aandragen zijn dat hij nooit veroordeeld kan worden voor moord, aangezien er geen enkel verband is tussen de dood van Simone en zijn handelen. Met andere woorden, het ontbreekt aan causaliteit om hem als moordenaar aan te merken. Hij had het gif net zo goed in haar beker kunnen doen. Zonder water had ze daar ook nooit uit gedronken. Als Herbert een dag later gemerkt had dat er geen water voorhanden was voor Simone, had hij het gif uit haar beker verwijderd. Er is dan zelfs ook maar hooguit een poging tot moord geweest…’maar Herbert kwam tijdig tot inkeer’…

Intermezzo II: poging
Een poging laat zich eenvoudig omschrijven. Het is een inspanning, een ‘trachten’. Het is een streven gericht op een doel. Poging en bedoeling zijn dan ook nadrukkelijk met elkaar verbonden. Wanneer ik iets poog, heb ik een bedoeling. En met bedoeling is het begrip ‘intentie’ verbonden, waarmee ‘verantwoordelijkheid’ een rol gaat spelen. Er is dus al met al een sterke relatie tussen denken, willen, voornemen en handelen, wanneer we over poging spreken.

Ligt de oplossing van ons probleem dan niet in het feit dat ze het allebei hebben gepoogd (weer een middenoplossing dus)? Kunnen ze derhalve wanneer we niet kunnen kiezen tussen Ronald en Herbert als moordenaar niet beide veroordeeld worden wegens poging tot moord (nou…er is wel een dode, dus dat lijkt toch onmogelijk…)?

Poging tot misdrijf is immers strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard (artikel 45 Sr, lid 1). Met andere woorden, in beide gevallen kunnen we stellen dat de mannen een begin van uitvoering hebben gemaakt. Ook wordt duidelijk hoe de subjectieve component van het pogen door de wetgever geobjectiveerd wordt door een zichtbaar begin van uitvoering te verlangen. Dit lijkt erop dat het kwade zich moet tonen en het onvoldoende is enkel het kwade te willen om tot een juridische veroordeling te komen. Zowel Herbert als Ronald hebben duidelijk een begin van uitvoering laten zien. Maar ontstaat er dan niet het probleem van de mislukte poging? In hoeverre is namelijk de poging van Herbert die het water vergiftigde uiteindelijk een mislukte poging en die van Ronald een gelukte poging?

Er is duidelijk sprake van een kwade wil bij Herbert, maar zijn poging mislukt. Of bedenk eens dat zijn poging ondeugdelijk zou zijn: vergelijk de casus indien Herbert slangengif had gebruikt wat buiten zijn weten om volstrekt onschuldig zou zijn geweest indien Simone het had gedronken. Weten we eigenlijk wel zeker dat Simone aan het gif was overleden? Hoeveel gif was het eigenlijk – was het voldoende? Ronalds poging is duidelijk: noch mislukt noch ondeugdelijk.

Hoe moeten we een poging tot moord kwalificeren die mislukt op basis van toeval? Het is immers toevallig dat buiten Herbert om Ronald de tank laat leeglopen. Het gaat dus ook om de vraag of we op de een of andere manier Herbert toch een flinke straf kunnen geven, omdat hij voor ons gevoel niet deugt. Maar een moordenaar zal hij niet zijn: wie zegt immers niet dat Simone had kunnen struikelen en haar water zo had gemorst? Een poging blijft staan, maar haar dood is niet aan zijn poging te wijten.

Of is Herbert toch de uiteindelijke moordenaar? Heeft Ronald haar niet gered per toeval? En is dit niet hetzelfde toeval dat in het voordeel spreekt van Ronald, als het eerdergenoemde toeval in het voordeel zou kunnen spreken van Herbert (dat hij door toeval niet als moordenaar kan worden aangewezen)?

Ten slotte
Wreek Simone!
Simone is overduidelijk door het handelen van een van beide mannen om het leven gekomen. Als ze niets hadden gedaan, dan was ze net als zij gered geweest. Als alleen Ronald had gehandeld, was ze dood geweest. Als alleen Herbert had gehandeld was ze dood geweest. Als Ronald eerder was geweest met het laten leeglopen van de watertank, dan had Herbert ontdekt dat vergiftiging niet meer nodig was geweest. Dan zouden we in dat geval ook geen begin van uitvoering van handeling bij Herbert hebben kunnen ontdekken. Dat maakt hem moreel niet beter, maar juridisch gezien zou hij daarmee ontsnappen. Maar stel dat Simone had geweten dat het water vergiftigd was door iemand, dan was ze eveneens gestorven door uitdroging, net als feitelijk nu het geval is.

Hoe dan ook, het tragische einde van Simone verlangt stevige vergelding – of is het denkbaar dat beide heren vrijuit gaan?

___________________________________________________

Zie voor enkele Engelse commentaren en discussies:
http://www.debate.org/forums/Philosophy/topic/27255/
http://forums.civfanatics.com

 

Het Vonnis: wat moeten we met wraakgevoelens wanneer Justitie faalt?

Het Vonnis: wat moeten we met wraakgevoelens wanneer Justitie faalt?
Een filosofische overweging naar aanleiding van de film Het Vonnis (2013) als aanzet voor verdere discussie

***Let op: onderstaande tekst bevat informatie
over de verhaallijnen van de film***

Het Vlaamse rechtbankdrama Het Vonnis (2013) is een van de meest intrigerende films die ik zag sinds het Deense Jagten (2012). Hoewel de verhaallijn relatief simpel is, weet het geschetste dilemma diep door te dringen in het voorstellingsvermogen dankzij de goede acteerprestaties en dialogen. Er zal voor puristen voldoende op aan te merken zijn, maar ik geloof dat de film oprecht een probleem aankaart dat in anderhalf uur niet beter (op het einde wellicht na) had kunnen worden weergegeven. In deze overwegingen zal ik stilstaan bij verschillende dilemma’s en problemen die deze film oproept.

1. De verhaallijn

Hoewel ik poog om de verhaallijn zo duidelijk mogelijk weer te geven waardoor de zaak als een op zichzelf staande casus te begrijpen is, kan ik niet de vele en treffende nuanceringen aanbrengen die in de film voorbijkomen.

1.1 Aanzet

Hoofdrolspeler Luc Segers heeft een prima leven. Mooie baan, gelukkig getrouwd en een prachtige dochter. Op een avond na een borrel rijden ze met zijn drieën naar huis en tijdens het tanken besluit zijn vrouw naar een onbemande avondwinkel aan de overkant te gaan om brood te kopen. In deze winkel wordt ze echter aangevallen door Kenny De Groot die haar tot bloedens toe en zonder duidelijke reden neerslaat. Luc vertrouwt het niet helemaal en besluit te gaan kijken waar zijn vrouw blijft. Terwijl hij geconfronteerd wordt met het feit, slaat de dader hem neer die vervolgens vlucht per motor. Het dochtertje dat alles gade geslagen heeft in de auto, rent in paniek de straat op en wordt daar geschept door een andere wagen. Luc ziet het gebeuren alvorens hij zijn bewustzijn verliest. Drie weken later ontwaakt hij uit zijn coma en moet hij vernemen dat zijn vrouw en dochter inmiddels zijn begraven.

1.2.1 Procedure: Het OM

De vermeende dader wordt opgepakt, op basis van fotoherkenning door Luc. De kijker weet net als Luc dat het wel de juiste man is. Er waren echter geen vingerafdrukken, geen camerabeelden, geen andere getuigen en Kenny had zelfs niets meegenomen van de vrouw. Technisch gesproken is er dan geen sprake van roofmoord. Sterker nog, het Belgische Openbaar Ministerie stelt dat ze hem kan vervolgen voor ‘slagen en verwondingen met de dood tot gevolg’, niet te verwarren met doodslag. De verwachting is dan maximaal 10 jaar celstraf, waarvan Kenny in de praktijk ongeveer zes jaar zal uitzitten. De dood van zijn dochtertje is een noodlottig ongeval, wat juridisch van geen belang is.

1.2.2 Procedure: De advocaat van de verdachte

Kenny De Groot krijgt een topadvocaat toegewezen. De raadsman van Luc legt uit dat Kenny vanwege zijn lage inkomen recht heeft op een pro-deo advocaat. Deze pro-deo advocaten werken niet op basis van een niet te stuiten idealisme aldus deze raadsman, maar hebben het recht om hun rekeningen in te dienen bij de Staat. Omdat het hier ogenschijnlijk om een zaak gaat die veel publiciteit zal genereren, is dat de reden waarom een armoedzaaier als Kenny toch de beschikking krijgt over een topjuriste.

1.2.3 Procedure: De vormfout

Alvorens de zaak echter aan kan vangen gebeurt er iets wat de rest van de film het centrale thema zal blijken. De advocate van Kenny heeft een procedurefout ontdekt. De vordering tot gerechtelijk onderzoek naar de dood van Lucs vrouw was namelijk niet ondertekend door de procureur (officier van Justitie), op grond waarvan het document ongeldig is. Alle handelingen die vervolgens op basis van dat document zijn uitgevoerd, blijken daarmee hun rechtsgeldigheid verloren te hebben. In casu is het hele opsporingsonderzoek onrechtmatig. De begane fout is dusdanig fundamenteel volgens de wetgever, dat de raadkamer niets anders rest dan de verdachte vrij te laten. Het Openbaar Ministerie kan nog wel vervolgen, maar omdat het waarschijnlijk is dat alle bewijzen die tijdens de arrestatie zijn vergaard nietig zullen worden verklaard, heeft dat weinig zin. Kortom: geen rechtsgang, geen veroordeling en geen genoegdoening voor slachtoffer en samenleving.

1.3.1 Dilemma: het slachtoffer

Nu Luc weet dat de zekere dader op vrije voeten blijft, lijkt hij te breken onder het toch al zware verdriet. Hij besluit Kenny te volgen en enkele weken observeert hij de man in een garage waar hij werkzaam is. De film laat het verloop van wat er dan allemaal gebeurt fragmentarisch met terugwerkende kracht zien. Luc vermoordt Kenny namelijk met negen min of meer gerichte schoten vanuit een illegaal aangeschafte Walter P5.

1.3.2 Dilemma: de jurist

Luc geeft zichzelf aan en bekent wat hij heeft gedaan. Zijn advocaat zegt hem dat hij zou kunnen proberen het op doodslag te houden. Maar Luc wil echter worden aangeklaagd voor moord ten overstaande voor de volksjury: “De Groot heb ik al gepakt, nu wil ik het systeem pakken.”

Zijn advocaat legt hem twee opties voor: het meest voor de hand ligt dat hij voor uitlokking zal pleiten, waarmee een maximumstraf van vijf jaar wordt geriskeerd. Iedereen wint, want de jury kan een schuldige aanwijzen, de rechtstaat verliest zijn gezicht niet en de straf zal neerkomen op twee jaar effectief zitten. Optie twee echter heeft meer risico’s in zich, maar zou indien succesvol wel een ‘overwinning’ betekenen, waarbij het Openbaar Ministerie zijn verlies zou moeten nemen. Hiertoe zou een beroep moeten worden gedaan op Artikel 71 Strafwetboek, onweerstaanbare dwang:

Er is geen misdrijf wanneer de beschuldigde of de beklaagde op het tijdstip van de feiten leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast, of wanneer hij gedwongen werd door een macht die hij niet heeft kunnen weerstaan.

Hoewel uitlokking voor de hand lijkt te liggen, wil Luc gaan voor de optie artikel 71. Als de jury dan echter “ja” antwoordt op de schuldvraag, riskeert hij daarmee levenslang.

1.3.3 Dilemma: de aanklager

De aanklager is er alles aan gelegen om de rechtstaat te doen zegevieren. De bewijzen zijn er: er is een volledige bekentenis en het lijkt in alles op een goed voorbereide, weldoordachte en geplande moord, op iemand die zich niet kon verdedigen. Er wordt besloten om op alle fronten het volkse sentiment te weerspreken met feiten en niets dan feiten: dit is een ordinaire wraakmoord die dient te worden bestraft. Wat er is gebeurd is vreselijk, en niemand ontkent dat Luc zijn leven lang de pijn zal moeten dragen voor wat hem is overkomen. Maar wat hem is overkomen in de zin van leed, is niet uniek en geeft hem niet het recht om naar eigen goeddunken te handelen.

1.3.4 Dilemma: De Volksjury

De vermoorde man heeft geen relevante familie en was iemand met een ellenlang strafblad, die als verdachte in een ernstige zaak mogelijk een veroordeling heeft ontlopen vanwege een procedurefout. Voor hen zit een man met een glansrijke carrière in het bedrijfsleven, bekend als weldoener en gezinsman die op gruwelijke wijze zijn vrouw en kind heeft verloren.

Wat moet de volksjury nu beslissen?

2. Opmerkingen, vragen en overweging

Omdat anders dan in Nederland België werkt met een volksjury, kan de film de kijker sterker meeslepen in de voorstelling zelf onderdeel te zijn van de volksjury. Gaat hij mee met het sentiment dat duidelijk voelbaar is voor de hoofdrolspeler? Of kiest hij toch voor de rechtsstaat omwille van de rechtsstaat?

De concrete vragen die we moeten bespreken zijn de volgende:

  1. Staan we onszelf uitzonderingen toe ten opzichte van afgesproken rechtsregels?
  2. Hoe verhouden procedurefouten zich tot de redelijkheid?
  3. Kunnen onweerstaanbare wraakgevoelens fungeren als strafuitsluitingsgrond?
    (Kunnen wraakgevoelens onweerstaanbaar zijn?)

Staan we onszelf uitzonderingen toe ten opzichte van afgesproken rechtsregels?

Het recht zoals wij dat kennen is grotendeels een product van de Verlichting, waar volkse emotie en potentiële willekeur los gemaakt werd van filosofische rede en rechtvaardigheid. Daarbij staat een dominante Kantiaanse notie dat het recht geen uitzonderingen verdraagt, tenzij datzelfde recht daar een geschreven redelijke grondslag voor aandraagt, centraal. In principe stemt het volk in met deze opvatting, op grond van een sociaal contract: in ruil voor verschillende rechten, aanvaarden ze daarbij wetgeving en plichten.

Het spanningsveld ontstaat nu daar waar het lijkt alsof de redelijkheid in het geding is, en we dat ‘aanvoelen’. Stel bijvoorbeeld dat je als voetganger om 2:00 uur ‘s nachts aankomt op een rechte weg, waar het stoplicht op rood staat. Er is in de verste verte geen ander verkeer waarneembaar. De wet gebiedt desondanks te wachten op groen licht op straffe van 65,- boete, terwijl de meeste mensen zullen voorvoelen dat het oversteken hier in alle redelijkheid kan plaatsvinden. Als de wetgever hier toch volhoudt dat de boete op zijn plaats is, simpelweg omdat een regel is overtreden, dan ontstaat er de discrepantie tussen burgers en staat waar we hier over spreken, omdat de staat daarmee voor de burgers zijn menselijke gezicht lijkt te hebben verloren. Vadertje Staat lijkt dan meer op een regelmachine die eerder op grond van pragmatische dan idealistische opvattingen wetten handhaaft.

Hoe verhouden procedurefouten zich tot de redelijkheid?

Dat brengt ons dan bij de volgende vraag, misschien wel de eigenlijke vraag die de film probeert op te werpen. Het is overduidelijk dat de wet ook een verdachte moet beschermen, maar in welk opzicht is er sprake van het beschermen van een verdachte wanneer uit onrechtmatig verkregen bewijs blijkt dat hij de dader is van een gruwelijk feit? Ook hier ontstaat er een discrepantie tussen de volkse opvatting van rechtvaardigheid en de strafrechtelijke opvatting van rechtvaardigheid. De discussie zit er dan in in hoeverre deze volkse opvatting van rechtvaardigheid ook redelijk kan zijn, in relatie tot in hoeverre de strafrechtelijke opvatting van rechtvaardigheid ook onredelijk kan zijn. Het idee dat een wetgever per definitie redelijke opvattingen omzet in wetten, is een diepgeworteld idee bij menig jurist, maar dat mag en moet terdege ter discussie worden gesteld, zelfs als dat zichtbaar wordt in basale emotionele uitingen van het volk. Want de uiting kan wel primitief lijken, ze is nog steeds gestoeld op een fundamenteel menselijke emotie die zelfs de meest geharde legalisten moeten herkennen in zichzelf.

Nog niet zo lang geleden had de Nederlandse rechtsstaat zijn vingers ook kunnen branden aan een vergelijkbaar dilemma zoals in de film. De inmiddels tot 19 jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging veroordeelde Robert M. had namelijk op grond van procedurefouten vrijgesproken moeten worden, aangezien het belangrijkste bewijsmateriaal onrechtmatig in beslag was genomen, aldus zijn verdediging. Dit vormverzuim werd met veel juridisch vertoon door het Hof getackeld. ‘Al met al is het verzuim naar het oordeel van het hof niet ernstig te noemen. (…) Nu niet aannemelijk is dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden van het vormverzuim, ziet het hof ook overigens geen aanleiding aan het vormverzuim enig rechtsgevolg te verbinden.’

De doos van Pandora bleef daarmee ongeopend, maar daarmee is de doos zelf echter verre van vernietigd. Toch lijkt het Hof terdege tussen de regels door rekening te houden met de ernst van het gepleegde, in relatie tot de fout:

‘Voorts moet bij de waardering van de ernst van het verzuim worden bezien of de rechter-commissaris, indien de officier daartoe een vordering zou hebben gedaan, tot (het afgeven van een machtiging tot) doorzoeking van de woning zou zijn overgegaan. Daartoe zijn de volgende feiten en omstandigheden, die de officier van justitie, naar moet worden aangenomen, aan de vordering ten grondslag zou hebben gelegd, van belang (…). Gelet op de feiten en omstandigheden bestond in de avond van 7 december 2010 een zodanige verdenking van ernstige strafbare feiten, gepleegd door M., dat naar het oordeel van het hof de rechter-commissaris zonder enige twijfel desgevorderd tot doorzoeking ter inbeslagneming zou zijn overgegaan of een machtiging daartoe zou hebben verstrekt.’

Die laatste alinea reikt ook de sleutel aan voor de oplossing van het filmdilemma. Ook hier geldt dat een mogelijke uitzondering de oplossing zou kunnen betekenen: het feit waarvan de verdachte wordt verdacht is dusdanig ernstig en heeft de rechtsorde zo fundamenteel geschokt, dat de procedurele fout van het vergeten te plaatsen van een handtekening onder een bevel tot gerechtelijk onderzoek vervolging niet kan voorkomen. De niet geplaatste handtekening is bovendien een gevolg van werkdruk en/of vergeetachtigheid, niet van gerede twijfel omtrent de aanhouding van de verdachte die positief is geïdentificeerd door slachtoffer: die handtekening zou er hoe dan ook toch wel zijn gekomen. Een dergelijk ‘proportionaliteitsbeginsel’ lijkt op zijn minst te rechtvaardigen wanneer het gaat om misdrijven die een gevangenisstraf van bijvoorbeeld twee jaren of meer in zich houden. Dat is uiteraard geen vrijbrief voor prutswerk van politie en openbaar ministerie, maar doet meer recht aan samenleving en slachtoffer. De rechter kan het openbaar ministerie terdege nog op de vingers tikken, zonder dat daarmee de rechtsgang afgebroken wordt. Tenslotte moet ook overwogen worden in hoeverre een vormfout überhaupt in het voordeel van een verdachte is, wanneer hij zich de volkswoede ermee op de hals haalt.

Kunnen onweerstaanbare wraakgevoelens fungeren als strafuitsluitingsgrond?

Dat in de film het geblunder van Justitie wel leidt tot het vrijlaten van de vermeende moordenaar, is vanzelfsprekend de aanleiding tot het dilemma van de burger die vervolgens het recht in eigen hand neemt omdat hij in de steek is gelaten door het systeem. De genoegdoening die hem had moeten worden geschonken via vergelding door de rechtsgang, hoopt hij zo te krijgen door middel van wraak. Intuïtief hebben we het idee dat iemand die gestraft wordt wanneer hij vrijwillig een ander kwaad heeft berokkend, iets goeds is – mits het maar door een onpartijdige instantie wordt voltrokken. Betekent dit dan vanzelfsprekend dat het straffen van iemand die vrijwillig een ander kwaad heeft berokkend niet goed is wanneer ondanks duidelijke feiten dit wordt gedaan door een partijdige instantie?

Stel bijvoorbeeld dat een gevangene ontsnapt, terwijl hij nog 12 jaar gevangenisstraf tegoed had. Hij wordt opgespoord door het slachtoffer die hem vervolgens 12 jaren opsluit bij hem thuis onder vergelijkbare voorwaarden als in de gevangenis. Zouden we dat immoreel vinden? Of zit het immorele er juist in dat een partijdige instantie juist onredelijk straft? In het geval van de film wordt de vermeende moordenaar namelijk vermoord. En dat is nooit een straf die in welk proces dan ook uitgesproken had kunnen worden. Misschien was de verdachte inderdaad veroordeeld wegens doodslag, en had hij tussen de vijf en 15 jaren gevangenisstraf gekregen. Hadden we het redelijk gevonden indien hij alsnog opgezocht was door het slachtoffer wanneer hij vrijgelaten werd – bijvoorbeeld omdat hij de lage straf nooit heeft kunnen verkroppen? Soortgelijke bewegingen lijken zich te ontwikkelen in onze samenleving waar het gaat om pedofielen of concreter omtrent de moordenaar van Pim Fortuyn.

De vraag of genoegdoening daadwerkelijk plaatsvindt door middel van wraak, wanneer het slachtoffer (om van willekeurige betrokkenen uit de samenleving te zwijgen) niet kan instemmen met de straf is niet eenvoudig te beantwoorden. Het lijkt in ieder geval geen grond voor redelijke discussie te hebben dat indien een verdachte is veroordeeld zonder dat daarbij noemenswaardige fouten zijn gemaakt, hij nadat hij zijn straf heeft uitgezeten alsnog met recht bedreigd wordt in zijn leven. Het standaardargument dat het recht in eigen hand nemen leidt tot middeleeuwse toestanden en chaos slaagt dan duidelijk. Duidelijker in mijn optiek dan wanneer het wordt gebruikt op het moment dat door een procedurefout er geen recht wordt gedaan.

Kunnen wij immers van een burger verwachten dat een ander hem straffeloos leed kan berokkenen? Dat lijkt niet redelijk. Hoewel vergeving evenals het toekeren van de andere wang een groot goed is, kan men niet van iemand verlangen dat hij zich neerlegt bij het feit dat iemand vrijuit gaat die zojuist zijn vrouw heeft doodgeslagen. Want het recht zegt weliswaar ‘laat dat maar aan ons over’, maar beantwoordt onvoldoende de vraag aan wie iets moet worden overgelaten wanneer door fouten iets niet meer aan het recht kan worden overgelaten. Er is dan nog steeds een fundamenteel tekort, een onafgesloten hoofdstuk, een te vullen gat bij slachtoffer en samenleving. Geen enkel strafdoel, of het nu gaat om generale of speciale preventie, vergelding of reparatie/resocialisatie, wordt namelijk bereikt.

In de film wordt de hoofdpersoon misschien onbedoeld geportretteerd als tragische held: hij lijkt immers een levenslange straf omwille van een hoger principe te aanvaarden. Misschien gesterkt door een overwegend positieve publieke opinie, maar misschien ook wel gesterkt door een diepgewortelde innerlijkheid van rechtvaardigheidsgevoel. Dat dit innerlijke rechtvaardigheidsgevoel hapert wanneer het gaat over het vermoorden van een ander mens, dat is dan wat we zouden kunnen verstaan onder onweerstaanbare dwang. Wraak is ook zoiets als ‘a kind of wild justice’ zoals Francis Bacon al betoogde in 1625.

In een onderzoek van Bies en Tripp uit 1996 (Beyond distrust; ‘Getting even’ and the need for revenge. In: R.M. Kramer en T.R. Tyler (red.) Trust in organizations: frontiers of theory and research. Thousand Oaks: Sage) werd mensen gevraagd zich een situatie in te denken wanneer ze het een ander betaald zouden willen zetten. Het meest gegeven antwoord was: ‘wanneer mijn vertrouwen ernstig is misbruikt’. Hoewel het hier niet echt ging over concrete strafbare feiten (en eenieder zich zijn eigen voorstelling mocht maken), geeft het wel een interessante richting in onze casus.

Het vertrouwen in de rechtsstaat was immers ernstig beschadigd, en dat heeft in korte tijd (in de film wordt de moord binnen een maand gepleegd na de fatale avond) geleid tot zeer heftige gevoelens die gevoed door het idee ‘recht’ te doen en/of het idee van pijn in het gemoed te willen verzachten tot moord heeft geleid.

In hoeverre het idee juist is dat iemand door wraak te nemen zijn ondraaglijke gemoedstoestand kan verlichten, staat los van het idee dat iemand dat idee redelijkerwijs kan hebben. De verwachting dat wraak nemen pijn zal verlichten neigt in ieder geval naar een verwachting die iemand ook onweerstaanbaar kan hebben. Stel bijvoorbeeld dat iemand plots geconfronteerd wordt met een schier ondraaglijke geestelijke pijn, en na een maand is dat nog verre van weg. Er bestaat een deugdelijk medicijn, maar hij heeft echter niet de middelen om dat medicijn te bekostigen. Kunnen we het zo iemand dan kwalijk nemen dat hij vervolgens een inbraak pleegt in een ziekenhuis om dit medicijn te bemachtigen waarmee hij zijn gemoed weet te verlichten? Is hij niet bezweken onder zijn pijn? Is dit geen daad met de moed der wanhoop?

Het is natuurlijk dat het hier om een moord gaat, en niet om een inbraak, waardoor we anders kijken naar de daad. Maar het lijkt mij voorstelbaar dat iemand zodanig heeft geleden onder de omstandigheden dat hij in een langdurige roes van bittere ellende tot deze daad is gekomen, gedreven door de hoop zijn pijn te verlichten. Dat wij weten dat we beter moeten weten, is daarbij ook een vorm van hoop waarop we mogen hopen dat we het weten wanneer we –God verhoedde het- te maken krijgen met de situatie waarbij het recht ons in de steek lijkt te laten.

Een beroep op morele intuïtie: ethische gedachte-experimenten op de grens van leven en dood

Ter overweging voor eenieder

In deze bijdrage breng ik verschillende gedachte-experimenten bij elkaar, die allen iets te maken hebben met (de keuze tussen) leven en dood. Een vaak gehoord kritiekpunt van (morele) gedachte-experimenten is dat ze erg geënsceneerd overkomen; ze zouden nauwelijks raken aan een concrete praktijk en de realiteit onverantwoord versimpelen. ‘In de echte wereld is er nooit een zekerheid gegeven. In de echte wereld spelen veel meer factoren een rol. In de echte wereld kunnen we overmand worden door emoties en impulsen,’ etc..

Die kritiek miskent dat nadenken over scherpe en vastomlijnde ethische dilemma’s wel degelijk zeggingskracht heeft, namelijk waar het onze morele opvattingen en intuïtie aangaat. Het gaat er ook niet om dat er een algemeen geldende academische ethiek uit kan of moet worden afgeleid, het gaat er bij deze gedachte-experimenten primair om om onze morele intuïtie te activeren en nader te onderzoeken: filosofische problemen zijn niet zomaar te vergelijken met empirische problemen!

De kracht van scherp geformuleerde morele vraagstukken ligt in het feit dat onze antwoorden erop iets onthullen over onze opvattingen over goed en kwaad. Onze vooronderstellingen en onze normen en waarden die bloot komen te liggen met onze antwoorden, zijn bovendien aanleiding tot zelfonderzoek. Daarnaast wordt ook ons redeneervermogen op de proef gesteld, zeker wanneer de vraagstukken op een subtiele manier nét iets anders worden gepresenteerd. Dit finetunen is te vergelijken met een kamer waarin alles constant gehouden wordt, op één detail na. Kijken we vervolgens anders tegen de kamer aan? En waarom dan precies?

Ik baseer mij hier onder meer op wijsgerige bijdragen van Elizabeth Anscombe (1919-2001), Philippa Foot (1920-2010), Thomas Nagel (1937) en Judith Jarvis Thomson (1929) en David Edmonds, die met hun hedendaagse morele filosofie menig huiskamerethicus een leuke avond hebben bezorgd. Dat is ook precies de bedoeling van onderstaande uitwerkingen en zelfverzonnen varianten. Hoewel sommige experimenten erg op elkaar lijken, kan het verschil toch zitten in een subtiliteit. Soms lijkt een antwoord voor de hand te liggen (onderzoek waarom), soms is het moeilijker om tot een keuze te komen (onderzoek waarom).

Ik kies er bewust voor om niet al te veel toelichting te geven of de experimenten te voorzien van achterliggende morele theorieën, zodat de lezer uiteindelijk slechts aangewezen is op zichzelf, zijn intuïtie en zijn verstand. Iedere casus eindigt met specifieke vragen en opmerkingen, maar het staat de lezer vrij om zelf varianten te bedenken of met andere vragen te eindigen. De mogelijkheden zijn eindeloos.

Nb:
-Personen die genoemd worden zijn in eigenschappen willekeurig en gelijkwaardig, tenzij anders vermeld.
-De term “dikzak” is nogal veel gebruikt in de genoemde casuïstiek. Men mag daarvoor ook allerlei andere termen invullen, waarmee eenzelfde voorstelling wordt bereikt.
-Auteur is niet aansprakelijk voor geruzie in de lespraktijk of aan de keukentafel voortvloeiend uit discussie

A1. Een op hol geslagen tram I: één tegen vijf

Je ziet een op hol geslagen tram. De remmen zijn stuk. Een eindje verderop zijn op het spoor vijf personen vastgebonden. Als je niets doet, zullen de vijf mensen doodgereden worden. Gelukkig bevindt je je in de buurt van een schakelaar, waarmee je de tram van spoor kunt laten wisselen. Echter, op dat spoor bevindt zich één vastgebonden persoon. Zet je de schakelaar om, dan zal deze persoon worden doodgereden.

>> Wat moet je doen?

> Is het moreel verantwoord om een muntje op te gooien?

Zie: Ph. Foot. The Problem of Abortion and the Doctrine of the Double Effect. In: the Oxford Review, 5, 1967.

A2. Een op hol geslagen tram II: één voor vijf

Hetzelfde scenario als bij A1. Met dit verschil:
–        de vijf vastgebonden personen roepen allemaal in koor: “wij zijn bereid ons leven te geven voor die ander!”

>> Je staat nog steeds bij de schakelaar. Kom je tot een andere keuze dan bij A1?

A3. Een op hol geslagen tram III: de emotionele band

En nog een variant…

Hetzelfde scenario als bij A1. Met dit verschil:

–        de vijf vastgebonden personen zijn allemaal onbekenden. Je ziet echter tot je schrik dat de persoon op het andere spoor een bekende van je is, waarmee je een affectieve relatie hebt (familielid, geliefde et cetera).

>> Je staat nog steeds bij de schakelaar. Kom je tot een andere keuze dan bij A1?

A4. Een op hol geslagen tram IV: intentie en handeling

Hetzelfde scenario als bij A1. Met dit verschil:

–        de vijf mensen vastgebonden zijn onbekenden. De man op het andere spoor is echter de grootste vijand die je het leven tot nog toe zuur heeft gemaakt. Je denkt: “het interesseert me niet of de andere vijf overleven, maar dit is mijn kans om hem te vermoorden.”

>> Is het moreel toegestaan om de schakelaar om te zetten?

> Vgl. het antwoord met het antwoord op A1

B1. Een op hol geslagen tram en de dikke man

Je ziet een op hol geslagen tram. De remmen zijn stuk. Een eindje verderop zijn op het spoor vijf personen vastgebonden, die komen te overlijden wanneer er niets gebeurt. Je bevindt je echter op een voetgangersbrug die over het spoor loopt. In het midden daarvan staat een dikke man voorovergebogen te kijken naar het tafereel. Als je hem nu een duw zou geven, dan tuimelt hij voorover en zal hij op het spoor belanden, waarna zijn gewicht de tram tot stilstand brengt. De vijf vastgebonden mensen overleven, maar de dikke man sterft bij dit voorval.

>>Zul je de dikke man een duw geven?
> Bedenk dat je een robot bent -geen gevoel dus-, en vanuit die positie handelt. Wat doe ja dan? (In verschillende scenario’s kun je de robotvoorstelling van toepassing maken).

Zie: J.J. Thomson. Killing, Letting Die, and The Trolley Problem. In: Ethical Theory. An Anthology. Ed. Russ Shafer-Landau. Blackwell Publishing Ltd, 2007. 543-550. Oorspronkelijk verschenen in: Yale Law Journal 94, 1985.

Zie ook: Greene JD, Sommerville RB, et al. An fMRI Investigation of Emotional Engagement in Moral Judgment. Science. 2001; 293. 2105-2108.

En lees: http://www.iflscience.com/technology/should-self-driving-car-be-programmed-kill-its-passengers-greater-good-scenario

B2. Een op hol geslagen tram en het geval van de zware rugzak

Hetzelfde scenario als bij B1. Echter met dit verschil:

–        er is geen dikke man in de buurt om te duwen. Je staat zelf met een loodzware rugzak op het midden van de brug. Jullie gezamenlijke gewicht kan de tram tot stilstand brengen. Dat bekoop je echter met de dood, maar de vijf zullen overleven.

>>Geef je jezelf het laatste zetje?

B3. Een op hol geslagen tram, de dikke man en het “ongeluk” (vgl. Plato’s ring van Gyges)

Hetzelfde scenario als bij B1. Echter met dit verschil:

–        de dikke man staat op een brokkelig middenstuk van de brug. Als je hard springt dan breekt bij je landing de gammele brug en valt de dikke man samen met het puin op het spoor waarna de tram tot stilstand komt en de vijf gered worden.

Zelf kom je er ongeschonden vanaf.

Daarbij: Alles lijkt een bizar ongeluk.

>>Spring je zodat de brokstukken en de dikke man op de rails vallen?


C1. Een op hol geslagen tram en de bekende gevolgen

Je ziet een op hol geslagen tram. De remmen zijn stuk. Een eindje verderop zijn op het spoor vijf personen vastgebonden op een kar, die komen te overlijden wanneer er niets gebeurd. Je bevindt je in de buurt van een schakelaar die wonderwel een motor op de kar kan activeren, waarbij de kar wegschiet van het spoor, en een heuvel afrijdt. Aan de onderkant van die heuvel bevindt zich een spelend kind, wat dan overreden zal worden door deze kar en komt te overlijden. De vijf vastgebonden personen op de kar overkomt niets.

>>Activeer je met de schakelaar de motor van de kar?

(Nb: ‘kind’ kan ook vervangen worden door ‘willekeurig volwassen persoon’)

C2. Een op hol geslagen tram en de onbekende gevolgen

Dit scenario is vergelijkbaar met C1, behalve dat zich onderaan de heuvel 15 spelende kinderen bevinden. Je weet dat de kar op deze kinderen zal inrijden indien je besluit de motor met de schakelaar te activeren. Je kunt echter niet inschatten wat de gevolgen zijn. Een snelle kansberekening leert dat de kans dat er geen dode valt, of dat ze alle 15 zullen sterven, even groot is. De vijf mensen op de kar zullen hoe dan ook overleven, indien je de motor activeert.

>>Gelet op de geboden kans, activeer je met je schakelaar de motor van de kar?

C3. De dikke man en het ongelukkige dagje uit

Zes vrienden zijn afgedaald in een grot. Op het moment om naar huis te gaan, gaat een dikke gast als eerste door het gat naar buiten, maar ongelukkigerwijs blijft hij vast zitten. Er wordt geprobeerd hem te bevrijden, maar dat lukt niet. Ondertussen begint de waterspiegel in de grot te stijgen, en duurt het nog maar even voordat de grot onder water staat. Een van de vrienden heeft een staaf dynamiet bij zich. “We kunnen enkel met zijn vijven overleven, als we deze dikzak opblazen en voor onszelf een weg naar buiten creëren. Doen we niets, dan sterven we en zal onze dikke vriend straks worden bevrijd door de reddingsbrigade.”

>> Mag de dikke gast worden opgeblazen?

> Zou jij in staat zijn het lont aan te steken?

Vgl: wat is het verschil indien er niets gebeurt, alle vrienden overlijden? Kan dat motiveren om wanneer het antwoord luidt: “je mag een onschuldige dikke gast niet vermoorden”, dan wél te kiezen voor het aansteken van de staaf dynamiet?

Vgl: N. Zack (2010). Ethics for Disaster. Rowman & Littlefield Publishers. P. 35-48.

C4. De reddingsboot en de drenkelingen. Of: een hedendaags survival of the fittest?

Tijdens een schipbreuk zijn er 50 mensen in het water beland. Er is een reddingsboot voorhanden en omdat je in de buurt was, ben je een van de eersten die aan boord weet te klimmen. De reddingsboot heeft echter een standaardcapaciteit van maximaal 25 mensen. Aan alle kanten komen echter mensen aangezwommen die dreigen te verdrinken indien ze niet in de reddingsboot worden opgenomen. Op dat moment zitten er al 30 mensen in de boot. Komt er nog een drenkeling bij, dan kapseist de reddingsboot en belandt iedereen in het water. Nu is er een geweer voorhanden met 20 kogels.

>> Is het toegestaan het geweer te gebruiken om drenkelingen die de reddingsboot dreigen te kapseizen ervan af te schieten?

>> Vergelijk: indien het geweer niet gebruikt wordt, zal er net zo lang om de boot gevochten worden dat de sterksten overblijven en de andere 20 niet meer in staat zijn om aan te klampen als de boot wederom kapseist.

C5. De reddingsboot en de drenkelingen. Of: de pech van het overgewicht?

Hetzelfde scenario als bij C4. Echter met het volgende verschil:

–        in de reddingsboot bevinden zich met jou 10 dikke mensen, die samen de capaciteit innemen van de gehele boot, die 25 mensen met een normaal postuur kan dragen.

–        Je hebt een geweer voorhanden met 50 kogels.

>> Is het toegestaan het geweer te gebruiken om de dikke mensen van de reddingsboot af te schieten, zodat meer dan het dubbele aantal drenkelingen in het water kunnen worden gered?

Vgl. ook: ‘Bewuste roker heeft minder recht op nieuwe donorlong

C6. Tom Dudley, Edwin Stephens en Edmund Brooks vs de Engelse Staat. Of: hoe de werkelijkheid soms toch doet denken aan een gedachte-experiment.

Na een schipbreuk beland je 1000 mijlen van land samen met drie andere mannen (Parker, Stephens en Brooks) in een reddingsboot en dobbert rond op de eindeloze oceaan. Richard Parker is 17 jaar oud en de jongste van het stel. Na 20 dagen dobberen is er gebrek aan alles. Geen voedsel, geen water; kortom: de dood is in het zicht. Parker raakt in een coma. Jij, Stephens en Brooks overleggen wat te doen. Jullie hebben allen een gezin, Parker niet. Parker doden voordat hij een natuurlijke dood sterft betekent dat zijn bloed beter drinkbaar is, zo wordt geredeneerd.

Brooks weigert te doden. Stephens is voor. Het wapen is voorhanden: een pen.

>>  Kies je ervoor Parker met een steek in de halsslagader te doden?

> Veronderstelt dat je daarvoor kiest. Heeft Brooks recht om toch een deel van Parkers lichaam als voedsel te gebruiken om te overleven?

> Een Duitse boot ziet de drenkelingen en pikt de drie overlevenden op. Eenmaal terug in het vaderland worden jij en Stephens aangeklaagd voor moord. Moet je worden vrijgesproken?

> Indien het antwoord op de vorige vraag nee is. Wat is een acceptabele straf?

Zie: Mallin, M. G. (1967). In warm blood: Some historical and procedural aspects of Regina v. Dudley and Stephens. University of Chicago Law Review (The University of Chicago Law Review) 34 (2): 387–407.

Zie ook: Regina v Dudley and Stephens case: is overlevingskannibalisme toegestaan?

Vgl: The Life of Pi. Of: How Richard Parker Came to Get His Name

C7. De ladder met de verstijfde jongen. Of: is intentioneel doden altijd slecht?

Tijdens een schipbreuk is er voor een aantal mensen nog maar één mogelijkheid om te overleven. Er is een ladder beschikbaar die omhoog leidt naar een veilige plaats. Onderaan de ladder is het koude water levensgevaarlijk. Halverwege de ladder bevindt zich een jongen die verstijfd is van angst of de kou, waarschijnlijk beide. Hij is niet meer in staat om te bewegen en blokkeert de weg naar boven. De kapitein beneden moet tot een moeilijke beslissing komen:

>> Klimt hij de ladder op om de jongen ervan af te duwen, waarna deze te pletter valt?

> Kan de jongen (niet in staat te communiceren) onder deze omstandigheden nog aanspraak maken op rechten? Met andere woorden: kan de jongen als we zijn wil zouden kennen met recht willen (het recht een natuurlijke dood te sterven?)

> Vgl: de rechten van Richard Parker bij C6.

> Vgl. de stelling: “indien iemand wanneer er niets gebeurt binnen afzienbare tijd toch zal sterven, is het moreel toegestaan deze persoon te vermoorden voor een hoger goed.”

> Of: “Verliest iemand rechten, wanneer zijn rechten weldra natuurlijk worden opgeheven, maar op het moment de rechten van anderen in de weg staat”.

> En bediscussieer: “Ieder mens heeft een gelijke claim op een volwaardig basispakket aan rechten en vrijheden. Deze rechten en vrijheden zijn verenigbaar met de rechten en vrijheden van anderen. De politieke overheid dient deze basisrechten en vrijheden te garanderen.”

Zie: Herald of Free Enterprise: hoe een routinetrip een nachtmerrie werd

C8. De luchtballon en de keuze van Sophie

Een moeder is samen met haar jonge zoon en dochter een dagje uit met de luchtballon. De wind gooit echter roet in het eten en de ballon dwaalt af. Op enig moment doemt er een gevaarlijke rots op. Het gewicht van de ballon is te zwaar om over de rots heen te vliegen. Als er niets gebeurt slaat de ballon te pletter. De meter geeft aan dat er 40 kg overgewicht is. Iemand zal uit de luchtballon moeten, zodat de ballon hoogte krijgt. Achter de rots kan er veilig worden geland. De moeder is het zwaarst met 70 kg, maar als zij zich uit de ballon werpt, zullen de kinderen niet in staat zijn veilig te landen en het niet overleven. Beide kinderen hebben een gewicht van 40 kg.

>> Moet de moeder tot een keuze komen een van de kinderen te offeren, zodat de ballon veilig kan landen?

> Stel je voor dat het je eigen kinderen zijn. Stel ze voor op gelijke leeftijd. Kun je op basis van de eigenschappen van je kinderen tot een keuze komen?

> Zowel bij het tramprobleem als hier, zijn morele filosofen druk in de weer geweest om het emotionele aspect toe te voegen aan de zakelijke casus. Het offerdilemma kan daarom op allerlei mogelijke manieren persoonlijk worden gemaakt (vgl. Het scenario bij A4).

Vgl: de keuze van Sophie

C9. Het Nazi-dilemma

Een tiental onderduikers, waaronder een moeder en haar baby, is op de vlucht voor de nazi’s. Ze vinden een schuilplaats, maar de baby is niet stil te krijgen en dreigt de hele groep te verraden, waarna ze zullen worden afgevoerd. De enige manier om niet ontdekt te worden, is wanneer de moeder het kind verstikt.

>> Wat moet de moeder doen?

> Het offer als “deus ex machina”:
Is de beste optie niet deze: dat de moeder zich samen met haar kind prijsgeeft, en daarmee de groep redt?

D1. De ongelukkige patiënten

Als verantwoordelijke chirurg van een ziekenhuis is er vanwege de oorlog aan alles gebrek. Je hebt eigenlijk nog maar voldoende materiaal om één patiënt te redden. Op dat moment worden drie patiënten binnengebracht. Een bevriende oude generaal, een hoogzwangere jonge vrouw en een geestelijk gehandicapte puber. Je bedenkt: de oude generaal kan belangrijk zijn in het overwinnen van de oorlog, wat tienduizenden levens kan schelen. De hoogzwangere vrouw draagt een kind bij zich en dat betekent dat je onmiddellijk twee levens kunt redden.

>>Maar dan…..is er een goede reden te bedenken waarom je in dit geval ook zou kiezen voor de geestelijk gehandicapte puber (of ontdek je in jezelf hoe dun het vernis van de beschaving is)?

D2. De ongelukkige patiënten (of: de ongelukkige arts) II

Een arts moet een routineoperatie verrichten, op grond waarvan de betreffende patiënt een aantal uren onder narcose gaat. Op het moment dat hij de operatie wil aanvangen, worden vijf patiënten binnengebracht die allemaal binnen 4:00 uur zullen sterven, mits ze een orgaan krijgen. De een heeft een lever nodig de ander een hart, de derde twee nieren en de anderen allebei een long. Helaas zijn deze organen niet voorhanden, behalve dan bij de patiënt die op dat moment op de operatietafel ligt. Als je zijn organen gebruikt, sterft hij uiteraard. Doe je dat niet dan sterven de vijf patiënten.

>>Help je de vijf patiënten?

Vergelijk deze casus met je antwoord op B1.

>> Bedenk of het uitmaakt voor je beslissing dat de patiënt onder narcose een veroordeelde seriemoordenaar is (die na de operatie zijn levenslange straf weer gaat uitzitten).

>> Een variant die hiermee samenhangt, is de volgende: “kan er een recht gevonden worden om de moeder van Hitler te vermoorden, voordat ze hem heeft gebaard”? (Overigens is dan waarschijnlijk de grens van wat zelfs een doorgewinterde liefhebber van de meest exotische gedachte-experimenten vermag, wel bereikt…)

Vgl: Voorhoeve, A. (2009). Conversations on Ethics. Oxford: Oxford UP.

D3. De ongelukkige patiënten (of: waarom men voorzichtig moet zijn met stapavonden)

Na een wilde stapavond, word je de volgende ochtend wakker in een soort ziekenhuisbed. Je merkt dat je vastzit aan allerlei infuusapparaten en slangen. Op het moment dat je je los wil rukken, zie je dat de slangen zijn verbonden met een persoon naast je in bed. Er komt een man aangesneld en begint uit te leggen wat er is gebeurd. “Toen we u laveloos aantroffen gisteravond in een steeg, merkten we dat u een bijzondere bloedgroep heeft. Naast u ligt namelijk een beroemde violist, met een dodelijk nierprobleem. Een stagiaire heeft hem op u aangesloten, zodat de gifstoffen via uw nieren uit zijn lichaam kunnen worden verwijderd en hij kan herstellen. Hij had dat niet mogen doen en we hadden de stagiaire tot de orde moeten roepen, maar nu bent u eenmaal aangesloten… En om u los te koppelen, betekent dat wij hem doden. Maar wees gerust: het is maar voor negen maanden. Daarna kunt u veilig losgekoppeld worden en wordt de patiënt uit zijn coma gehaald, om vervolgens weer als een gezond mens verder te leven.”

>> Maak je jezelf los van het infuus?

Zie: Judith Jarvis Thomson: A Defense of Abortion. In: Intervention and Reflection: Basic Issues in Medical Ethics, 5th ed., ed. Ronald Munson (Belmont; Wadsworth 1996). pp 69-80.

D4. Het katholieke echtpaar, de tweeling en de rechtszaak

Een vrouw brengt een Siamese tweeling ter wereld. Artsen stellen dat zowel Maria als Jody (de tweeling) zullen sterven, tenzij er een operatie plaatsvindt. Maar zelfs als deze operatie plaatsvindt zal een van de meisjes sterven. Jody zal overleven. De ouders van de kinderen, beiden overtuigd rooms-katholiek, weigeren deze operatie. Ze motiveren dit als volgt:

“Wij kunnen niet aanvaarden noch overwegen dat een van onze kinderen sterven moet, zodat de ander zal overleven. Dat is niet de wil van God. Iedereen heeft recht op leven, dus waarom zouden wij een van onze dochters moeten vermoorden zodat de ander kan voortbestaan?”

De artsen willen echter een van de kinderen redden.

>> Moeten de artsen een zaak aanspannen bij de rechter zodat de operatie kan plaatsvinden?

> Wat is de juiste beslissing van de rechter indien er een zaak plaatsvindt?

Zie: Law decided fate of Mary and Jodie

Zie: A Common Law Tragedy: Life, Death and Siamese Twins Rosie and Gracie Attard

Vgl: Johannes de silentio in Kierkegaards Vrees en Beven. Of de geloofsparadox: de teleologische suspensie van het ethische als recht?

D5. Het katholieke echtpaar, de tweeling en de langdurige rechtszaak I

Zie scenario D4. De rechtszaak wordt aangespannen door de artsen. Omdat het een complexe zaak is, duurt het zo lang voordat een rechter tot een uitspraak kan komen, dat beide kinderen dreigen te overlijden voordat er een beslissing is gevallen door de rechter. Prognoses geven aan dat ze nog minder dan een week hebben. Een idealistische arts besluit daarom voordat het te laat is de Siamese tweeling te ontvoeren en de operatie uit te voeren. Zoals verwacht overleeft Jody en sterft Maria.

Het toeval wil dat de Hoge Raad een week later met het oordeel komt dat het rechtmatig is om de tweeling te opereren.

>> Heeft de arts rechtmatig gehandeld en een leven gered?

> Of had hij de uitspraak moeten afwachten met als gevolg dat de kinderen allebei zouden zijn overleden?

D6. Het katholieke echtpaar, de tweeling en de langdurige rechtszaak II

Zie scenario D5. Een idealistische arts besluit voordat het te laat is de Siamese tweeling te ontvoeren en de operatie uit te voeren. Zoals verwacht overleeft Jody en sterft Maria.

Het toeval wil dat de Hoge Raad een week later met het oordeel komt dat het onrechtmatig is om de tweeling te opereren.

>> Heeft de arts een leven gered of heeft hij door zijn handelen een leven op zijn geweten?

> Vergelijk je intuïtie met de antwoorden gegeven bij D5.

E1. De man die zijn vrouw wilde vermoorden

Bert heeft een hekel aan zijn vrouw en wil haar vermoorden. Daarom doet hij een giftig middel in haar koffie, waarna ze sterft.

>>Is Bert een moordenaar?

Vgl. Parfit, D. (1984). Reasons and persons. Oxford: Oxford UP.

E2. De man die zijn vrouw wilde vermoorden

Karel heeft een hekel aan zijn vrouw en wil haar vermoorden. Terwijl hij bedenkt hoe hij dat het beste kan doen, ziet hij dat zijn vrouw een giftig middel in haar koffie doet terwijl ze denkt dat het koffiecrème is. Hoewel Karel een tegengif heeft, houdt hij dit op zak.

>>Is Karel een moordenaar? (Maar bovenal: is er een moreel verschil tussen Bert en Karel?)

E3. De man die zijn rijke schoonmoeder wilde vermoorden

Peter heeft een rijke schoonmoeder op leeftijd. Als ze sterft, erft hij heel veel geld. De schoonmoeder draagt om haar hals een bewijs dat indien ze een hartaanval krijgt, zij niet gereanimeerd wil worden.

Op een zeker moment neemt zij een bad, terwijl Peter naar binnen sluipt en haar verdrinkt in het bad. Hij doet dit zo dat het een ongeluk lijkt.

>>Is Peter een moordenaar?

E4. De man die zijn rijke schoonmoeder wilde vermoorden

Dit scenario is vergelijkbaar met E3. Nu sluipt Pieter de badkamer binnen, met de bedoeling zijn schoonmoeder te verdrinken. De schoonmoeder schrikt echter bij het zien van Pieter, en krijgt een hartaanval, nog voordat hij haar ook maar met één vinger heeft aangeraakt. Pieter ziet hoe ze wegzakt in het water en verdrinkt.

>>Is Pieter een moordenaar?

>En: is er een moreel verschil met Peter?

>En ook: stel dat de schoonmoeder geen bewijs om haar hals zou hebben dat ze bij een hartaanval niet wil worden gereanimeerd, is er dan een moreel verschil tussen Peter die zijn schoonmoeder zelfstandig verdrinkt en Pieter die passief toekijkt hoe zijn schoonmoeder verdrinkt?

>En verder: hangt straf af van geluk of pech met betrekking tot omstandigheden, eerder dan met betrekking tot intentie?

>En tenslotte: zou je indien je niet uit zou zijn op het geld van je schoonmoeder, terwijl ze schrikt van jouw plotse binnenkomst, haar toch niet reanimeren?

Vgl: Nagel, Thomas. Moral Luck. Mortal Questions. Cambridge: Cambridge University Press, 1979. pp. 24–38.

Zie ook: Wetzels, S. (2009). De Zaak A. De zoon die zijn vader wilde vermoorden en dat per ongeluk deed

En: Wetzels, S. (2012) Wijsgerige dwalingen omtrent verantwoordelijkheid, intentie en wil.

En: Wetzels, S. (2012). Supplement op wijsgerige dwalingen omtrent verantwoordelijkheid, intentie en wil.

F1. Het doel en de middelen

Het zoontje van een rijke bankier is door een rechtenstudent gekidnapt. Hij vraagt 1 miljoen losgeld. Op het moment dat hij het losgeld komt ophalen, grijpt de politie hem in de kraag. Het jongetje is echter in geen velden of wegen te bekennen. Op het politiebureau levert dagenlang verhoren niets op. De tijd begint te dringen. Op enig moment besluit de commissaris van de politie de rechtenstudent te bedreigen met marteling indien hij niet de schuilplaats van het jongetje bekendmaakt. Dat dreigement maakt indruk en de rechtenstudent vertelt waar ze het jongetje kunnen vinden.

>>Stond de commissaris in zijn recht de rechtenstudent te bedreigen? (Bedenk dat de vraag ook zo gesteld kan worden: is het moreel toegestaan om in dit geval te dreigen met marteling?)

> Indien het antwoord nee luidt: welke straf verdient de commissaris voor het overtreden van de wet?

Vgl: de zaak en uitspraak in Magnus Gäfgen vs Duitse overheid

F2. Het doel en de middelen II

Hier geldt hetzelfde scenario als bij F1. Er wordt nu echter niet alleen gedreigd met marteling, want dat leverde niets op, maar er wordt daadwerkelijk gemarteld-maar zodanig dat er geen blijvend letsel aan wordt overgehouden. Na een half uur bekend de rechtenstudent waar het jongetje verborgen is.

>>Stond de commissaris in zijn recht de rechtenstudent te laten martelen? (Bedenk dat de vraag ook zo gesteld kan worden: is het moreel toegestaan om in dit geval te martelen?)

F3. Het doel en de middelen III

Hier geldt hetzelfde scenario als bij F2. Echter aangenomen dat nu gesproken wordt tegenover mensen die zich beroepen op het verbod op martelen krachtens het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 3. Het antwoord bij F2, is dan vergelijkbaar met het juridische antwoord van de Duitse Hoge Raad:

Folteringen, onmenselijke of onterende behandeling kunnen zelfs niet worden toegestaan in omstandigheden waarin het leven van een individu in gevaar is. (…..) Artikel 3, dat is geformuleerd in ondubbelzinnige termen, erkent dat ieder mens heeft een absoluut, onvervreemdbaar recht heeft niet te worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandeling onder alle omstandigheden, zelfs de moeilijkste.

>>Maar stel nu dat je zelf gevangen bent, en de enige mogelijkheid om levend bevrijd te worden is wanneer de politie de verdachte mishandelt zoals voorgesteld. Wat zegt dan je primaire intuïtieve ingeving?

F4. Het doel en de middelen IV

De rechtenstudent wordt gemarteld en bekent waar het lichaam van het jongetje kan worden gevonden. Het jongetje blijkt echter vermoord, wanneer de politie de schuilplaats vindt. Er geldt volgens de wet dat alle informatie die de politie verkrijgt op illegale wijze niet mag worden gebruikt tegen iemand en dat die informatie buiten het proces wordt gehouden.

>>Moet de rechtenstudent niet vervolgd worden voor moord vanwege het feit dat de politie onrechtmatig te werk is gegaan (was hij niet gemarteld dan was er immers nooit een lijk gevonden)?

F5. De tikkende tijdbom

Verreweg het bekendste scenario waarin utilitarisme wordt beproefd is dat van de tikkende tijdbom.

Een beruchte terrorist heeft een bom geplaatst ergens in de stad. De inlichtingendienst is er achter gekomen en heeft sluitend bewijs dat hij weet waar hij de bom heeft geplaatst. De man lacht en zegt dat de bom over 4:00 uur zal afgaan en zeker 1000 levens zal vergen. Als de man wordt gemarteld, is het zeker dat hij de locatie van de bom binnen een half uur prijsgeeft.

>>Is het toegestaan om de man te martelen?

F6. De tikkende tijdbom II

Er is hetzelfde aan de hand als bij F5. Echter geldt er een absoluut verbod op martelen van mensen. De tijd dringt en de inlichtingendienst is ten einde raad, want de terrorist is niet bereid om te verklappen waar hij de bom heeft geplaatst. Dan komt echter een agent binnengestormd met de hond van de terrorist. Het blijkt zijn lievelingsdier te zijn waar hij een zeer innige band meeheeft. Als de hond wordt gemarteld, is het zeker dat hij de locatie van de bom binnen een half uur prijsgeeft.

>>Is het toegestaan om de hond te martelen?

G1. Het Knobe effect: de inhalige president-directeur

Een medewerker van een groot bedrijf gaat naar de president-directeur en zegt: ‘we hebben een nieuw project! Het gaat ons karrenvrachten geld opleveren voor ons bedrijf, maar het zal ook het milieu aanzienlijke schade toebrengen.’ De president directeur antwoordt zijn medewerker: ‘ik realiseer mij dat het project het milieu aanzienlijk zal schaden. Dat interesseert me echter op geen enkele manier. Het enige waarin ik geïnteresseerd in ben, is om zo veel als mogelijk geld binnen te harken. Dus vang aan dat project!’

Het project gaat van start, en het is geen verrassing: het milieu wordt aanzienlijke schade toegebracht.

>> Is de president-directeur verantwoordelijk voor de aanzienlijke milieuschade?
(Verdient hij straf?)

G2. Het Knobe effect: de inhalige president-directeur

Een medewerker van een groot bedrijf gaat naar de president-directeur en zegt: ‘we hebben een nieuw project! Het gaat ons karrenvrachten geld opleveren voor ons bedrijf. Het zal daarnaast ook een weldadig effect hebben op het milieu.’ De president directeur antwoordt zijn medewerker: ‘ik realiseer mij dat het project een weldadig effect zal hebben op het milieu. Dat interesseert me echter op geen enkele manier. Het enige waarin ik geïnteresseerd ben, is om zo veel als mogelijk geld binnen te harken. Dus vang aan dat project!’

Het project gaat van start, en het is geen verrassing: het milieu vaart er wel bij.

>> Is de president-directeur verantwoordelijk voor het weldadige effect op het milieu?
(Verdient hij een prijs?)

Zie: Knobe, J. (2004b). What is Experimental Philosophy? In: The Philosophers’ Magazine, 28.

Knobe, J. (2007). Experimental Philosophy and Philosophical Significance. In: Philosophical Explorations, 10: 119-122.

Knobe, J. & Nichols, S.(2008). Experimental philosophy. Oxford University Press.

H. Hiroyuki Joho vs Gayane Zokhrabov Een lugubere zaak. Of: hoe de werkelijkheid soms toch doet denken aan een gedachte-experiment.

Een man genaamd Hiro rent in de stromende regen met zijn paraplu het spoor op om een trein te halen. Hij ziet daardoor niet dat er een andere trein met 100 km/uur aankomt en komt ermee dodelijk in botsing. Zijn lichaam wordt gelanceerd en raakt tientallen meters verderop een wachtende vrouw op het perron. Deze vrouw breekt haar beide polsen

>>Kan ze Hiro aansprakelijk stellen voor de geleden schade? Of anders gezegd: kan een dode man verantwoordelijk worden gehouden voor de verwondingen die zijn veroorzaakt door zijn rondvliegende lichaamsdelen toen hij werd geraakt door een trein?

I1. Een vreemde wandeling in Zuid Amerika

Je wandelt op je gemak ergens in Zuid-Amerika, als je plotseling in een dorp komt, waar een grote kerel met “Pedro” op zijn shirt je tegemoet komt lopen. Hij verwelkomt je en spreekt van een speciale gelegenheid. Hij was van plan om twintig Indianen dood te schieten. Als bijzondere geste echter aan jou als blanke broeder, de eer om er één te doden en dan mogen de andere negentien vrijuit gaan. Erewoord. Als je weigert, is er uiteraard geen speciale gelegenheid en zal “Pedro” doen wat hij van plan was. Pedro overhandigt je het geweer. Even bekijk je of het mogelijk is om Pedro zelf neer te schieten, maar dat zit er helaas niet in met alle soldaten om je heen.

>> Zul je één Indiaan vermoorden, zodat er 19 in vrijheid verder kunnen leven?

>> Indien ja: waarom ben jij bereid om een moordenaar te worden?

>> Indien ja: wat maakt je anders dan Pedro de moordenaar?

Zie: Bernard Williams. 1981. Moral Luck. Cambridge: Cambridge University Press.

En: Bernard Williams. 1985. Ethics and the Limits of Philosophy. London: Fontana.

I2. Een vreemde wandeling in Zuid Amerika II

Hetzelfde scenario als bij I1. Echter met dit verschil:

–        Pedro vraagt je er 15 te vermoorden.

>> Zul je 15 indianen vermoorden, zodat er 5 in vrijheid verder kunnen leven?

I3. Een vreemde wandeling in Zuid Amerika III

Hetzelfde scenario als bij I1. Echter met dit verschil:

–        Pedro vraagt je niet om de indiaan te vermoorden, maar om één indiaan een paar uur te martelen via de Chinese methode. ‘Haha – zodat hij het zijn leven niet zal vergeten! Maar dan laat ik de andere 19 gaan’, verzekert Pedro.

>> Zul je één indiaan martelen, zodat er 19 vrijuit kunnen gaan?

Merk op indien je antwoord “nee” is en bij I1 “ja”, er dan klaarblijkelijk een verschil is tussen “moorden” (een moordenaar zijn) en “martelen” (een beul zijn) …

I4. George de chemicus

George is een werkloze wetenschapper. Op enig moment wordt hem een baan aangeboden in een laboratorium waar onderzoek wordt gedaan naar biologische en chemische wapens. George is echter sterk gekant tegen het vervaardigen en gebruiken van chemische en biologische wapens. Als hij de baan niet aanneemt, zal hij zijn huis moeten verkopen en zijn vrouw en kinderen daarvan de dupe. Bovendien, als hij het werk niet aanneemt, zal de baan naar iemand anders gaan die hetzelfde onderzoek zonder idealisme en met een stuk minder remmingen zal bewerkstelligen.

>>Moet George de baan nemen?
(Oftewel: zou jij de baan nemen?)

Vgl: Greenpeace Arctic 30: wat is er tot nu toe gebeurd?
Of: wat is een ideaal waard?

_________________________________________

Hoewel er nog vele andere varianten mogelijk zijn en de bron van gedachte-experimenten nog lang niet is opgedroogd, kom ik tot de conclusie dat mijn eigen intuïtie op dit moment zoveel overuren heeft gemaakt, dat ze daarbij recht heeft op een aantal uren volstrekte oppervlakkigheid. Ik kruip aldus uit de filosofische zwarte doos, en begeef mij weer in de echte wereld… Gewapend met nieuwe kennis? Ik wacht mijn dilemma’s af…

Zie ook:

Your Morals Depend on Language 

 

Overwegingen bij een absurde daad: de verdwijning van de broertjes Ruben en Julian

Het kan niemand zijn ontgaan dat in heel Nederland afgelopen dagen met ongelooflijk veel inzet en passie is gezocht naar de verdwenen broertjes Ruben en Julian. Tot nog toe zonder resultaat. En wie diep in zijn hart kijkt, zal waarschijnlijk tot de conclusie komen dat de hoop die wordt gekoesterd dat de broertjes levend teruggevonden worden niet zo heel groot is. Het idee van de mogelijke vondst van twee levenloze lichamen zal ons een rilling bezorgen gevolgd door berusting, om vervolgens tot het uiterste te komen tot die ene huiveringwekkende gedachte: de vader heeft dit voorbereid.

Vooropgesteld. Deze bijdrage is gestoeld op speculatie (in filosofische zin). Zolang de broertjes nog niet zijn gevonden en zolang het onderzoek loopt, zijn vele scenario’s mogelijk. Dat ene feit echter, namelijk de mededeling van politie en recherche dat de vader zich goed heeft voorbereid en de verdwijning opzettelijk heeft gepland, neem ik als uitgangspunt voor nadere overwegingen. Welke ideeën kunnen we iemand die zoiets doet toeschrijven? Ik kom tot verschillende vragen en antwoorden op grond van de volgende twee scenario’s.

1-De broertjes leven nog
Ze zijn dan niet in staat (geweest) zichzelf te bevrijden, zitten opgesloten bijvoorbeeld in de grond, waar een zuurstofvoorziening is aangelegd en voldoende proviand aanwezig is om gedurende zeer lange tijd te kunnen overleven. Misschien veronderstelt dit idee dat de vader (de 38-jarige Jeroen Denis)  voor zijn zelfmoord bij het Doornse Gat niet de intentie heeft gehad zijn zoons te vermoorden, maar in ieder geval de bedoeling heeft gehad te verontrusten of wellicht een ander nog onduidelijk duister doel heeft nagestreefd. Echter niet ten koste van zijn kinderen, althans niet direct ten koste van hun leven. Kunnen we ons voorstellen dat de vader de intentie heeft gehad dat de kinderen gevonden zouden worden? Dat zou voor een later moment ontzettend veel analyse vergen waarbij we ons waarschijnlijk moeten begeven naar gene zijde van goed en kwaad…

Ik denk dat dit scenario het meest ver gezocht is, maar feitelijk het enige dat plausibel is, als we de hoop koesteren dat ze nog gevonden worden en er buiten de vader niemand anders betrokken is. De dagenlange zoektocht door duizenden mensen en honderden deskundigen maken het echter helaas niet bijzonder waarschijnlijk.

2-De broertjes leven niet meer
In dit geval komen we nadrukkelijker bij de intentie van de vader. Veelal wordt zelfmoord geassocieerd met wanhoop, eerder dan met wraak. Het ligt namelijk niet voor de hand dat iemand vanuit een weloverwogen keuze primair zijn eigen leven neemt, om daarmee een ander te straffen. Het is meer voorstelbaar dat wanneer iemand wraak wil nemen op een ander (op een oneindig gruwelijke manier), deze het leven neemt van een dierbare. Dat zou hier gebeurd kunnen zijn. Het is in ieder geval zeer lastig voor te stellen dat de vader geen rekening gehouden heeft met de moeder (zijn ex-vrouw).

Gelet op alle voorbereidingen, moet er sprake zijn geweest van een zeer berekenende handeling. Het probleem van een berekenende handeling is dat we daarbij als vanzelfsprekend de actor rationaliteit toekennen. Een berekening vereist rationaliteit. We veronderstellen bovendien dat wanneer iemand zijn handelingen zorgvuldig plant, berekent, voorbereidt en vervolgens uitvoert daarbij constant voor ogen heeft wat de gevolgen van zijn handelingen zijn. Iemand die voorbereidingen treft om een blad papier met vuur aan te steken, weet dat zijn handelingen er uiteindelijk toe zullen leiden dat het papier zal verbranden. Iemand die willens en wetens zijn kinderen spoorloos maakt, weet dat

  1. er aandacht voor komt (bijzaak?)
  2. mensen zullen gaan zoeken (bijzaak?)
  3. mensen verdriet hebben vanwege het gemis (hoofdzaak?), en daarbij
  4. lijden bij nabestaanden wordt gemaximaliseerd, vanuit de gedachte dat het verwerken van leed een grond moet hebben, en juist die is hier ontnomen

Is dit op een andere manier te begrijpen dan vanuit een absolute vorm van egocentrisme? Waarbij de zelfmoord het egocentrische sluitstuk vormt omdat men enkel de ander en niet zichzelf achterlaat met het verdriet, de radeloosheid en de onbestemdheid? Maar toch doet zich er dan een andere moeilijkheid voor: Wat betekent “wraak” wanneer men zelf de sensatie van de wraak nooit beleeft? Bij wraak gaat het er prima facie om dat iemand ondervonden leed of onrecht aan de veroorzaker vergolden ziet. Maar met de zelfmoord ‘ontneemt’ men zich dit. Dan blijft er enkel en alleen nog het idee over. Maar zelfs dit idee is toch betekenisloos, omdat een idee zelf nog geen ervaring is en bovendien het idee ook sterft met het sterven. Hoe kunnen we de paradox rijmen dat we iemand rationaliteit toeschrijven, terwijl de gehele rationele handeling lijkt te leiden tot iets wat we als irrationeel opvatten?

Kunnen we ons verheugen in het weten dat een ander een ervaring krijgt waar we zelf geen weet van hebben? Misschien toch wel. In positieve zin kan ik mij voorstellen dat iemand op zijn sterfbed gelukzalig sterft in de wetenschap dat zijn dochter in blijde verwachting is. Hij maakt de geboorte van zijn kleinzoon niet meer mee, maar toch stemt hem het idee gelukzalig. Maar ik kan het niet omdraaien; ik kan mij niet iemand voorstellen die gelukzalig sterft in de wetenschap dat hij een ander in totale ellende stort. Tenzij ik hem als een waanzinnige voorstel; waanzinnig in de zin van dat hij voor zichzelf de moraal heeft opgeheven, de moraal heeft getranscendeerd niet in religieus opzicht, maar vanuit een zinsbegoocheling, gevoed door een blinde haat- waarbij het redelijke niet is gedoofd, maar het redelijke enkel het doel heeft gehad kwaad te doen, waarbij het redelijke vanuit het idee van het sterven zelf niet meer geraakt werd door zichzelf.

Iemand die bovendien in staat is tot de zelfmoord moet wel gevoed zijn door het idee dat het leven geen betekenis meer heeft of geen bedoeling. Maar kunnen we ons daarbij voorstellen dat de stap gemaakt wordt dat daarmee ook het leven van een ander geen bedoeling meer heeft? Oftewel, dat het leven op zich geen bedoeling heeft? Dat is moeilijk voor te stellen, omdat daarmee ook de hele zin van de wraak opgeheven wordt. Wraak heeft alleen maar zin als er een geloof is dat ze zin heeft, waarbij er op zijn minst wordt gehandeld vanuit de veronderstelling dat een ander wel gelooft dat zijn of haar leven zin heeft.

En aansluitend, heeft hij het leven zo gehaat en heeft hij zich zo intens verdrietig gevoeld, dat dit een manier is geweest om een gevoel over te brengen zoals hij zichzelf gevoeld heeft? In de zin van: ‘ik zal je laten voelen zoals jij mij hebt laten voelen’.

Het gaat wat ver om het volgende eraan toe te voegen, maar dat doe ik toch omwille van de gedachte, namelijk dat iemand door middel van een handeling de zin van het leven bij een ander wil ontnemen, op grond waarvan dan de eigen ervaren zinloosheid wordt verkondigd aan die ander. Daarmee krijgt de zinloosheid een soort religieuze bedoeling; dat zou in ieder geval de redelijkheid van het handelen kunnen verklaren. De relatie overigens tussen zinloosheid, nihilisme en het in zichzelf opschorten van de moraal zouden langere technische overwegingen rechtvaardigen.

Tot nog toe heb ik alleen een negatief perspectief bevraagd. Het perspectief waarbij vanuit een voorbereiding een absurde vorm van kwaad wordt verondersteld. Maar er is nog een andere mogelijkheid: dat ik deze handelingen probeer te begrijpen vanuit een goede intentie. Ben ik in staat om zelfs bij een daad als deze mij een goede bedoeling in te denken? Eerder heb ik gesproken over het doden van anderen om hen daarmee de ellende te besparen die men aan het leven toeschrijft. ‘Het leven is lijden, ik verlos jullie van dat lijden. Als ik mij zelf ombreng, moeten jullie leven met mijn dood-dat wil ik jullie niet aandoen, dus dood ik jullie ook’. Daarmee is echter het verdwijnen van de kinderen niet gemotiveerd, op grond waarvan het erg moeilijk wordt om deze ingewikkelde maar mogelijke hypothese te aanvaarden.

Hoe dit trieste verhaal ook eindigt, wezenlijk begrijpen zullen we het nooit. Maar hoe donker de redenen van de vader ook zijn geweest, dat duizenden zich met volle overgave storten op de zoektocht naar de jongens, toont aan dan het leven en de hoop niet zo snel verslagen worden.

Voor altijd weg: overwegingen bij de veroordeling van Debby R.

Debby R. gaat voor 16 jaar de gevangenis in omdat zij vorig jaar januari haar twee zoontjes in een vakantiehuis in het Gelderse Terwolde doodde. Dat heeft de rechtbank in Zutphen op 5 februari 2013 besloten.

Op 16 januari 2012 kiest R. om uit het leven te stappen. Ze besluit om haar twee zoontjes van 10 en 7 mee te nemen naar de eeuwigheid. Haar zoontjes sterven aan een overdosis medicijnen, zelf wordt ze zwaargewond gevonden door haar vriend en afgevoerd naar het ziekenhuis. Daar wordt ze gearresteerd voor dubbele moord met voorbedachte rade. In het ziekenhuis vertelt ze dat het haar bedoeling was met z’n drieën heen te gaan. In een gevonden afscheidsbrief lezen we het volgende:

“Dit is een voor-altijd-weg-brief. Ik ben al 41 jaar aan het vechten. Alles is mis. Ik ga naar mijn vader die neemt me niet in de zeik. Waarom ook de kinderen? Waar moeten ze heen? Naar hun vader die ze geestelijk mishandelt, bedreigt en zo? Ik kan ze niets bieden en echt gelukkig zijn ze niet; hun vader heeft ze alleen coke te bieden en net als ik veel schulden.”

R. heeft een blanco strafblad. Psychologisch onderzoek laat onder andere een laag zelfbeeld zien, borderline en theatrale trekken. Ze was toen recent gescheiden, raakte arbeidsongeschikt en had toenemende zorgen om de kinderen. Volgens het Pieter Baan Centrum allemaal stress-verhogende factoren die R. parten hebben gespeeld bij de daad. In 2011 deed R. overigens ook al een poging tot zelfmoord. Het advies is uiteindelijk verminderd toerekeningsvatbaar. De verminderde toerekenbaarheid sluit hier de strafbaarheid van de verdachte overigens niet uit. Debby R. vraagt tenslotte om tbs; het rouwproces is nog niet eens begonnen en ze weet zich geen raad meer.

De rechter wijst in navolging van het Openbaar Ministerie het verzoek om tbs af. De kans op ‘herhaling’ wordt gering geschat. Conform de eis van het OM wordt ze veroordeeld tot 16 jaren cel. In deze eis is zowel rekening gehouden met het blanco strafblad als de verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachte rade haar zoons van 10 jaar en 7 jaar van het leven heeft beroofd. De verdachte heeft opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg haar beide zoons een hoeveelheid medicijnen, waaronder diazepam en tramadol, toegediend, gegeven of laten innemen, tengevolge waarvan beide jongens zijn overleden.

Tot zover een beknopte samenvatting van een dramatisch verhaal, dat gedetailleerd is te volgen in de uitspraak van de rechtbank– en diverse verslagen (die ik hier als bron gebruik). Een en ander overwegend, kom ik hier tot verschillende opmerkingen, vragen en gedachten.

Enkele overwegingen bij de verdediging

De verdediging heeft gedurende het proces ervoor gekozen de nadruk te leggen op 1. dat de verdachte zich niet meer precies kon herinneren van wat er precies is voorgevallen[1] en 2. dat er geen sprake is geweest van voorbedachte rade, daar beide zoons zelf een initiatief zouden hebben genomen tot het innemen van de medicatie, waarna zij hen volgde. Bovendien zou de doodsoorzaak van een zoon (‘A’ in de stukken van de rechtbank) te wijten zijn aan een hartspierontsteking (terwijl er wel een dodelijke hoeveelheid toxicologische stoffen in zijn lichaam zijn aangetroffen).

Ten aanzien van dat eerste punt, levert de verdediging zich naar mijn idee te eenvoudig over aan de overweldigende hoeveelheid beschikbare feiten (afscheidsbrief, zoekopdrachten op een computer over overdosis medicijnen, verklaring in het ziekenhuis over het “waarom” enzovoorts). Het lijkt erop dat de verdediging het gebrek aan herinnering gebruikt om twijfel te veroorzaken over intentionaliteit van de verdachte, iets dat verder wordt aangevuld met punt 2. Maar ook dat punt bezwijkt a priori onder de gegeven feiten die vanuit redelijkheid niets aan onduidelijkheid omtrent oorspronkelijke intentie en motief overlaten. Bovendien zadelen ze zich op met een paradox, namelijk dat een zoon zelf bezig was met het nemen van een grote hoeveelheid medicijnen[2], maar tegelijkertijd zijn doodsoorzaak moet worden gezocht in een hartspierontsteking. Dat heeft veel weg van een toevalligheid die in juridische zin (sofistisch) gebruikt wordt om daarmee de doodsoorzaak los te koppelen van haar handelen.

Zou de verdachte hier daadwerkelijk haar oorspronkelijke intenties niet meer weten? In hoeverre beseft een verdediging niet dat de intenties van de verdachte door de feiten (zoekopdrachten op internet, afscheidsbrief, verklaring in het ziekenhuis) zonneklaar zijn? Deze tactiek lijkt mij de slechts denkbare. Waarom niet een volledige erkenning van het oorspronkelijke -dramatische- motief? De nadruk op gebrek aan kwade intentie zou een betere insteek geweest kunnen zijn. Hoe over te brengen dat deze daad van zekere uiterste wanhoop, geen daad van liefde was (dat door de tekst van de afscheidsbrief zou kunnen worden ondersteund)? Ontoegankelijk voor ons gemoed (en in strijd met onze ratio), maar vanuit het idee dat men zelfs bereid is geweest zijn eigen leven te geven (waaruit kan vloeien dat ze de kinderen een gelijkwaardig leven van ellende wilde besparen), hoe is dat dan expliciet als fundamenteel kwaadaardig te beoordelen? Het is weinig existentialistisch, maar vanuit een leven van tegenspoed, kan zich de (pathologische) idee ontwikkelen dat je dat een ander niet gunt. Ik laat een nadere uitwerking van dit idee rusten.

Enkele overwegingen bij de motivatie van de rechtbank

De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen sprake is geweest van enige mate van vrijwilligheid van de beide zonen. ‘De rechtbank leidt uit de aard van de verdachtes gedragingen, de (alles)bepalende en sturende rol bij de inname van medicijnen door [zoon A] en [zoon B], af dat de verdachte de slachtoffers opzettelijk om het leven heeft gebracht.’

Ten aanzien van het medicijngebruik wordt er gesproken over dat er sprake is geweest dat R. deze heeft ‘“toegediend en/of gegeven en/of (heeft) laten innemen”. Dat mag op zijn minst vaag worden genoemd. Wat mij verbaast is dat hier niet expliciet uit blijkt dat er sprake is geweest van dwang. ‘Toedienen, geven of laten innemen’ legt vanzelfsprekend de verantwoordelijkheid bij degene die dat bewerkstelligt, maar gaat tegelijkertijd uit van een subject zonder enige wil of zonder enige mogelijkheid tot verweer. Dit is te begrijpen vanuit de idee dat bijvoorbeeld de wet zou stellen dat een subject in de leeftijd van 7 en 10 dit (formeel) niet toekomt, maar dat stuit op praktische bezwaren en is vanuit een pedagogisch perspectief een uiterst twijfelachtig gegeven. Juridisch is ten aanzien van kinderen dwang nooit vereist bij schadelijke handelingen, maar het gaat hier over de mogelijkheid van ‘instemming’.

Er is niet alleen vanuit de literatuur wel degelijk sprake van een zekere wilsbekwaamheid tot een leeftijd van bijvoorbeeld 12 jaar, maar daarbij beroept ook de verdediging zich op ‘een eigen instemming van de jongens’, waarbij hun wil dus wel degelijk een factor van belang is. Wordt de moeder verantwoordelijk gehouden voor de gedragingen van haar kinderen, dan zou dit een buitengewoon merkwaardig verweer zijn en zou dit a priori weerlegd moeten worden. Maar dat lijkt niet aan de orde. Wat hier dus belangrijk is, waarom gaat de rechtbank voorbij aan explicitering omtrent de wijze van toedienen en formuleert ze het open in de zin van dat de verdachte heeft toegediend en/of gegeven en/of (heeft) laten innemen”?

Voorts, beide jongens waren zeer bekend met medicijngebruik[3]. Dat kan dus betekenen dat het toedienen hier gemaskeerd is gebeurd zonder medeweten van beide jongens, dan wel dat ze het wél hebben geweten en daadwerkelijk hebben ingestemd (zonder zich te verzetten) dan wel dat ze het hebben geweten, maar de gevolgen niet hebben kunnen overzien. Dat laatste is een punt van discussie, in hoeverre dat daadwerkelijk een waarschijnlijke mogelijkheid is. Daar de rechtbank de tweede genoemde mogelijkheid uitsluit, zou zij op zijn minst moeten expliciteren hoe de medicijnen precies zijn toegediend, aangezien het wat mij betreft in een lijn der verwachting ligt dat bij het ongemaskeerd toedienen (laten innemen) van een grote hoeveelheid pillen[4] enige mate van verzet te verwachten was geweest. Of althans, hier zou de verdediging zich toch op kunnen beroepen daar dit een cruciaal punt is. Dus: Waar bewijst de rechtbank hier dat er geen sprake geweest kan zijn van enige instemming van de jongens, en waar sluit ze uit dat de jongens bijvoorbeeld niet onder een ‘act van loyaliteit’ hebben ingestemd? Los van ons gevoel over verantwoordelijkheid van een moeder voor haar kinderen, mag dat hier juridisch veel steviger onderbouwd worden. 

De motivatie van de rechtbank komt mij hier te axiomatisch voor, waarbij deze axioma’s wel het gevolg geven dat de verantwoordelijkheid in zijn geheel bij de verdachte wordt gelegd, terwijl er juist vanuit dit perspectief de mogelijkheid bestaat dat er wel degelijk sprake is geweest van enige instemming (waarbij dus achterliggend de vraagt ligt hoe wij deze instemming zouden moeten wegen).

Enkele overwegingen en open vragen in algemene en ethische zin

Het meest bevreemdende en ergens ook meest verontrustende gegeven is echter het feit dat iemand een handeling heeft verricht met het idee daaraan te sterven, zich geconfronteerd ziet met de louter toevallige mislukking hiervan en vervolgens een realiteit tegemoet treedt waarbij niet alleen haar twee zoons verloren zijn gegaan, maar zij zelf ook nog eens 16 jaren lang de gevangenis in moet en zich moet leren verhouden tot dat feit, want de staat staat haar zelfmoord niet toe.

Gevoelsmatig had ze de dood aanvaard, en leek niets de dood in de weg te staan. En dan lijkt het alsof ze wakker wordt en voor de troon van God staat die zegt: ‘je bent weliswaar overleden, maar daarmee vervalt niet je verantwoordelijkheid’. Het lijkt dat we hier een oordeel hebben waar het ons aan ontbreekt wanneer iemand overlijdt bij een gruwelijke daad, maar waar dat oordeel net zo goed op van toepassing is. Hoe vaak hebben we niet gelezen, zaken als:

Bij een familiedrama heeft een vader zijn beide kinderen en zichzelf om het leven gebracht. De politie vond vandaag de lichamen van een meisje van twee en een jongen van vijf in een woning (…)

 Of:

Vader doodt vrouw, kinderen en zichzelf-
De man zou zijn vrouw en kinderen om het leven hebben gebracht, daarna brand hebben gesticht en zichzelf van het leven hebben beroofd. De politie gaat er niet vanuit dat iemand anders de brand heeft veroorzaakt.

Vragen

Schudden we dan niet ons hoofd, zonder dat we daarbij de afschuw ervaren die ons overvalt wanneer de dader er niet voor kiest zijn eigen leven te nemen. In hoeverre is de term ‘familiedrama’ niet misleidend of wellicht juist een uiting van onze berusting? Wat doet het gegeven dat iemand zijn eigen leven niets meer waard vindt, met ons idee van ‘moordenaar’, waarbij het ook nog eens gaat over de verhoudingen tussen vader en zoon, moeder en zoon. (Hoe) moet het recht zich verhouden tot ontoegankelijke emoties? Welke wanhoop ligt eraan ten grondslag wanneer iemand ervoor kiest zijn eigen kinderen om te brengen? Of is het egoïsme, een fundamenteel onbegrijpelijk egoïsme? En wat is laffer? Te blijven leven, of jezelf te doden? Kunnen wij spreken van slechte redenen om jezelf van het leven te beroven? Bestaan überhaupt slechte redenen voor zelfmoord? Misschien niet. Maar er bestaan wel slechte redenen om je kinderen te vermoorden. Hoe zouden we die redenen anders kunnen begrijpen dan vanuit wraak of egoïsme? Maar kunnen we wraak en egoïsme begrijpen vanuit een perspectief van iemand die weet dat hij er zelf niet meer zal zijn? En omgekeerd: zouden we kunnen begrijpen dat iemand het uit liefde doet? Is dat voorstelbaar?

In het geval van Debby R. geeft de toevallige mislukking -als naargeestige variant op Thomas Nagels ‘morele pech’-de mogelijkheid tot straf, waarvan wij ons kunnen afvragen welke zin deze straf feitelijk heeft. Gelet op de drie hoofddoelen van straf, te weten vergelding, preventie (afschrikking) en beveiliging, lijkt hooguit ‘vergelding’ verdedigbaar. Maar dan is het wel de vraag, hoe dat hier verdedigd wordt.

Iemand met een doodswens lijdt klaarblijkelijk zo ernstig onder het leven, dat een gevangenisstraf met het doel ‘iemand in leven te houden’ iets onmenselijks heeft, of dat we toch ergens hier een vreemde paradox gevoelen.

Het ligt niet voor de hand dat de doodswens minder of verdwenen is, indachtig de mislukte zelfmoordpoging in 2011 en indachtig de door toeval niet gelukte zelfmoordpoging samen met de jongens. Bedenk daarbij ook het effect van de kennis van de feiten dat ze haar jongens vermoord heeft en dat ze opgesloten wordt (opsluiting, wat volgens Plato de ergste geestelijke straf is). Het lijken eerder redenen die op enig moment bijdragen aan vernieuwde pogingen zich van het leven te beroven. Wat gaat hier nog de wil tot leven worden in dit leven? En welke mogelijkheden biedt de staat (samenleving) hier om gedurende een gevangenisstraf iemand te begeleiden? Zover bekent vrijwel niets en dat is op zijn zachts gezegd zeer vreemd.

Alle overwegingen tezamen, mag het hier en daar misschien aanvoelen als een verzachtend pleidooi voor een onmenselijke daad. Dat is niet de bedoeling. Met betrekking tot bijvoorbeeld de kwestie van de ‘instemming’ is het vooral een formele interesse en een roep om explicitering. Ik heb ook geen aandacht besteed aan het enorme leed van de nabestaanden, waar geen twijfel over bestaat.

Ik heb vooral enkele kanttekeningen gemaakt, die nopen tot nadere en verdere overweging. Wat mij betreft is dit dan ook een eerste aanzet tot doordenken over een bijzonder –en in strafrechtelijke zin toch zeldzaam- fenomeen, waar het idee bij mij bestaat dat het recht en het systeem erom heen niet in zijn geheel de juiste instrumenten tot hun beschikking hebben om gelet op de (ethische en emotionele) complexiteit voldoende recht te doen aan wat hier werkelijk is gebeurd en wat er werkelijk achter steekt.

 


[1] Raadsman van R: ‘Heb je er zelf een verklaring voor dat je je nu minder herinnert dan tijdens de verhoren?’
R. antwoordt dat dit wellicht komt doordat zij veel antipsychotica slikt.

[2] ‘De verklaring van de verdachte dat [zoon A], korte tijd nadat hij enthousiast uit school was gekomen, het initiatief tot het beëindigen van hun levens zou hebben genomen, dat hij al bezig was de medicijnen in te nemen toen zij de hond had uitgelaten en dat [zoon B] en zij hem daarin zijn gevolgd, acht de rechtbank in het licht van al wat uit het onderzoek naar voren is gekomen niet aannemelijk geworden.’

[3] Onderzoek heeft uitgewezen dat naar aanleiding van een kinderpsychiatrisch onderzoek met als uitkomst dat bij [zoon B] sprake was van een autismespectrumstoornis aan hem Dipiperon, Ritalin en melatonine werden voorgeschreven. Bij [zoon A] is de diagnose ADHD van het gecombineerde type vastgesteld en ook aan hem werden Dipiperon, Ritalin en melatonine voorgeschreven.

[4] De verdachte heeft – in samenvattende zin – verklaard dat zij, [zoon A] en [zoon B] op 16 januari 2012 ‘s middags pillen hebben ingenomen en dat het daarbij onder meer ging om Tramadol 100 mg en Diazepam 10 mg. Zij denkt dat zij veertien à vijftien lege strips in de prullenbak heeft gedaan. Toen de kinderen moe waren geworden zijn zij op het bed gaan liggen in haar slaapkamer. Later is zijzelf ook op bed gaan liggen tussen [zoon A] en [zoon B] in. Op een gegeven moment is zij wakker geworden en heeft zij bij haar kinderen geen hartslag meer gevoeld. Zij heeft zichzelf vervolgens gesneden. Ook heeft de verdachte verklaard dat zij uit het leven wilde stappen samen met haar kinderen en dat zij niet wilde dat haar kinderen naar haar ex gingen.

Naschrift: Er zal een hoger beroep dienen.

Hoger beroep is inmiddels geweest. Opmerkelijke draai op basis van ‘nieuwe inzichten bij deskundigen’. 8 jaar cel en TBS.

Zie voor uitspraak:
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2013:9368&keyword=Overdosis+medicijnen

 

De zoon die zijn vader wilde vermoorden en dat per ongeluk deed…

Toen ik wederom in de krant las dat er sprake was van (weer eens) een schietongeluk tijdens de jacht, liet me dat denken aan een van de leukste filosofische kruimels die ik ooit heb geschreven “De zaak A”. Het lijkt een wat technisch geschreven stuk (dat ik ooit schreef voor het vak philosophy of action bij prof. dr. Jan Bransen), maar wie de moeite neemt de gedachten te volgen, heeft voor een hele avond discussiemateriaal achter de hand. Er zal meer zijn, maar onder de tekst van de zaak A. volgen krantenartikelen, die ik afgelopen jaar heb overgenomen in mijn aantekeningen. Toeval? Ongeluk? Of is er twijfel na de zaak A…Oordeel zelf!
_____________________________________________________

De zaak A.
Handelen in het licht van Davidson en Frankfurt

 

-Als je handelt, ben je verantwoordelijk-

A heeft de wens (W) zijn vader B te vermoorden (x). Hij besluit met hem op wild te gaan jagen en hem tijdens de jacht dood te schieten (Y), zodanig dat het op een ongeluk lijkt. Tijdens het jagen wordt A (die achter zijn vader loopt) echter overweldigd en overmand (Z) door het idee dat hij zijn vader over een uur gaat vermoorden, wat een spontane vingerbeweging (S) bij A veroorzaakt en de trekker van zijn geweer doet overgaan. B wordt in zijn hoofd getroffen en sterft ter plekke (x”). Is A nu verantwoordelijk voor de dood van zijn vader B?

Primair zouden we zeggen dat er sprake is van een ongeluk. A had weliswaar vooraf een ongeluk in gedachten, maar dat ongeluk zou feitelijk geen ongeluk zijn geweest, aangezien A de intentie had B te vermoorden (oftewel, vooraf een ongeluk in gedachten hebben is een contradictio in terminis). Het verschil is dus dat er nu werkelijk sprake lijkt van een ongeluk. Het idee dat wanneer er sprake is van een ongeluk, A niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor de dood van B (omdat daarbij het aspect ‘voorbedachte rade’ evenals ‘opzet’ vervalt) was op voorhand A’s uitgangspunt.

Is echter de omstandigheid dat er iets onverwachts (S) gebeurt dat in dit geval letsel veroorzaakt met de dood als gevolg een ongeluk te noemen? Om deze vraag te beantwoorden moeten we een onderscheid maken tussen actions en mere bodily movements. Waar we action intuïtief koppelen aan verantwoordelijkheid hangt een mere bodily movement meer samen met een intentieloze beweging. Maar is dat correct? Is (S) (in tegenstelling tot (Y)) intentieloos? Stel dat we als uitgangspunt nemen dat er sprake is van een action indien deze wordt veroorzaakt door wens en verwachting (desire+belief–>action), dan zou je kunnen stellen dat er een causaal verband bestaat tussen A’s voltrekking van (Wx) en A’s (Z) en (S). Immers, zonder (Wx) zou A nooit hebben geschoten1. Dus (Z) (S) heeft A aan zichzelf te danken/wijten en dus is A verantwoordelijk. Stel maar eens dat we aan A vragen ‘waarom ging dat geweer af?’ Als A eerlijk zou antwoorden zou hij zeggen: ‘het geweer ging af, omdat ik de bedoeling had weldra mijn vader te vermoorden en plots zo door dit idee bevangen werd dat ik spontaan vuurde.’

Een belangrijk probleem hierbij is echter dat de common sense opvatting (desire+belief–>action) te beperkt is2. Frankfurt (The problem of action. In Mele (1997)) is van mening dat action weliswaar begeleid (accompanied) of voorafgegaan (preceded) kan worden door desire+belief, maar ze hoeft er niet door te worden veroorzaakt. Voor Frankfurt bestaat er namelijk een wezenlijk intrinsiek verschil tussen actions en mere bodily movements. Tijdens een action is een actor namelijk ‘in touch with his movement’, wat bij een mere bodily movement niet het geval is. Volgens hem kunnen we alleen spreken van action als actor A in dit geval zijn lichaam gedurende S onder controle (guidance) heeft, wat duidelijk niet het geval is. Als er sprake is van bodily movement under the guidance of the agent, moet er sprake zijn van purposive3 bodily movement, oftewel doelgericht gedrag; gedrag directed at the achievement of some goal or purpose. A bereikt dus weliswaar zijn doel (x), toch is er hier sprake van Non-purposive bodily movement not under the control of the agent. We moeten vaststellen dat A niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor de dood van zijn vader. Immers, had hij een uur later over willen gaan tot (Y), dan had hij als rational agent in control nog de mogelijkheid (Wx) op te schorten of er van af te zien, zonder dat er sprake zou zijn van Z–>S. Dan was er dus nog de mogelijkheid geweest dat A en B op het eind van de dag een biertje hadden gedronken, terwijl dat in dit geval hoe dan ook is uitgesloten. Hoe verderfelijk A ook lijkt, de keuze zijn vader te vermoorden heeft hij nooit gemaakt. Of toch?

__________________________________

1 Dit is meen ik, globaal de argumentatie van Donald Davidson’s Action, reasons, and causes in Mele (1997).
2 “…suppose a man takes heroin because he enjoys its effects and considers them to be beneficial. But suppose further that he is unknowingly addicted to the drug, and hence that he will be driven to take it in any event, even if he is not led to do so by his own beliefs and attitudes.” (P. 49) Frankfurt stelt dat het injecteren van drugs een action is, maar duidelijk geen die volgt op desire+belief.“The example bears upon the point that is actually at issue, by illustrating how an action (including, of course, any requisite attitudinal constituents) may have no causes other than non-attitudinal or alien ones.”(p. 50).
3 “Behaviour is purposive when its course is subject to adjustments which compensate for the effects of forces which would otherwise interfere with the course of the behaviour, and when the occurrence of these adjustments is not explainable by what explains the state of affairs that elicits them. The behaviour is in that case under the guidance of an independent causal mechanism, whose readiness to bring about compensatory adjustments tends to ensure that the behaviour is accomplished.” (p. 47.)

Vader schiet enige zoon dood tijdens jachtpartij
Het Portugese jachtseizoen is net een week geopend, maar een eerste drama heeft zich al afgespeeld. Gisteren nam António uit Fojo (Abrantes) zijn 16 jarige zoon Marco mee op duivenjacht in Constância. Toen de vader richtte op een tortel bevond zijn zoon in de vuurlinie, maar omdat hij op de grond zat zou er geen probleem moeten zijn. Helaas besloot Marco net op het moment dat zijn vader afvuurde op te staan, om een eerder geschoten tortel binnen te halen. De jongen werd in zijn nek geschoten en was op slag dood. De vader was een ervaren jager en nam zijn zoon, die ook zijn licentie wilde gaan halen, regelmatig mee op jacht. Beide ouders zouden in een staat van shock verkeren. (Augustus 2009)

Man schiet zwijn imiterende zoon dood
Een 26-jarige Rus is door zijn eigen schoonvader doodgeschoten tijdens een bizar jachtincident. De man zou op zeer overtuigende wijze een wild zwijn hebben nagedaan terwijl de twee aan het jagen waren in een bosgebied bij Tyumen in Siberië.
De 68-jarige schoonvader had zich net na het invallen van de duisternis op een hoog gelegen uitzichtpunt verschanst, waarop zijn schoonzoon een geintje dacht uit te halen en geluiden maakte die leken op die van een wild zwijn en wat in de begroeiing rommelde.
Volgens het Openbaar Ministerie in Rusland twijfelde de oudste jager geen moment en schoot. Toen hij poolshoogte ging nemen trof hij zijn schoonzoon aan met een keurig schotwond in het hoofd. De schoonvader waarschuwde daarop zelf de politie. (September 2011; De Spits)

Jager geraakt door schot hagel
Een 47-jarige jager uit Opheusden heeft aan den lijve ondervonden hoe het voelt als je getroffen wordt door een schot. Hij werd door een andere jager geraakt tijdens een jachtpartij in Randwijk. De jager is met wonden aan het gezicht en zijn bovenlichaam opgenomen in een ziekenhuis in Nijmegen, aldus de politie. Het gezelschap liep in een weiland toen het onfortuinlijke schot viel. De politie heeft de schutter aangehouden en verhoord, maar denkt dat het om een ongeluk gaat. (December 2011)’

Boer schiet op vos maar doodt per ongeluk zijn vrouw
POLEN – Een Poolse boer wilde gisteravond op een vos schieten, maar veroorzaakte daarbij een tragedie. De vos had al meerdere kippen gestolen van zijn boerderij in het zuidoostelijke dorp Pielnia. Toen de boer met een schot hagel de vos wilde doden, kwam een deel van de hagel door het raam. Binnen werd zijn echtgenote dodelijk geraakt.
De vos was slechts gewond. De politie gaat uit van een ongeluk. De 56-jarige boer is voorlopig toch in hechtenis genomen. (Januari 2012)

Man gewond door schietongeluk na jacht
Een 64-jarige man uit Oldebroek is donderdagavond in Wezep na het jagen gewond geraakt door een schot uit het wapen van een familielid. Dat meldde de politie vrijdag.
Het 38-jarig familielid wilde zijn jachtwapen ontladen, maar loste daarbij per ongeluk een schot. Het slachtoffer werd in zijn arm en buik geraakt en is naar het ziekenhuis gebracht.
Het ongeval gebeurde aan de Heidehoeksweg. Hoe het wapen kon afgaan, is nog onbekend. (Januari 2013)

Jager krijgt werkstraf voor dodelijk jachtongeluk
Assen/Zwiggelte – De 31-jarige jager uit Dronten, die op 21 september in Zwiggelte het voor Henk Koning fatale jachtongeluk veroorzaakte, krijgt een werkstraf van tachtig uur. Dat besliste de rechtbank in Assen vrijdag.
Daarnaast kreeg de man drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.
De jager zag in het donker de hond van de 71-jarige Koning – eigenaar van de grond waarop de Drontenaar aan het jagen was – aan voor die van een vos. De kogel die hij vervolgens afvuurde, raakte niet de hond, maar Koning die er vlak naast liep. Hij kwam in zijn buik terecht. De boer uit Zwiggelte overleed diezelfde nacht in het ziekenhuis aan inwendige bloedingen.
De rechtbank vindt dood door schuld bewezen. Ze stelt dat de jager nooit had mogen schieten, omdat hij vanwege de duisternis de afstand tot zijn doelwit niet goed kon bepalen. Die afstand bleek tijdens een reconstructie 350 meter te zijn geweest, terwijl het geweer dat de Drontenaar gebruikte was afgesteld op een nauwkeurigheid van negentig meter. Volgens de rechtbank heeft de jager nooit kunnen vaststellen dat hij daadwerkelijk op een vos schoot.
De jager verklaarde tijdens de rechtszaak dat hij kort voor het ongeluk een vos had aangeschoten, maar dat het dier was gevlucht. Toen hij enkele seconden later weer ogen zag oplichten in de lichtbundel van zijn jachtschijnwerper, ging hij er vanuit dat dat die vos was. Die aanname komt volgens de rechtbank geheel voor zijn rekening, omdat de ogen van de hond die hij zag rood oplichtten, terwijl die van een vos in een lichtbundel altijd geel van kleur zijn.
Vanwege de ernst van de zaak en het ‘onnoemelijk en onherstelbaar leed’ voor de nabestaanden, vond de rechtbank alleen een werkstraf, zoals het Openbaar Ministerie had geëist, niet genoeg. Wel hield ze er rekening mee dat de Drontenaar het slachtoffer niet heeft willen doden en dat hij zelf ook voor het leven is getekend. (Maart 2013; http://www.dekrantvanmiddendrenthe.nl)

Jager mist eland, raakt toiletganger
Een Noorse jager heeft per ongeluk een man neergeschoten die op het toilet zat. Hij mikte op een eland, maar de kogel vloog langs het dier door de houten muur van een toiletgebouw.

Een wc-bezoeker, een man van in de 70, kreeg de kogel in zijn maag. Hij is met een helikopter naar een ziekenhuis gebracht.

De verwondingen van het slachtoffer zijn niet levensbedreigend. De eland kwam met de schrik vrij.
(Nos.nl, 26 okt. 2013)

Jacht op ‘Bigfoot’ loopt verkeerd af
Een jacht naar de legendarische Bigfoot in de Amerikaanse staat Oklohoma liep niet goed af voor drie heren en een dame. De politie arresteerde een van de mannen nadat hij zijn vriend in de rug schoot. Dat meldt de lokale nieuwssite KFOR-TV.

De mannen waren op jacht in de bossen van Catoosa, toen de 21-jarige Omar Pineda schrok van een ‘blaffend geluid’. Daarop schoot hij zijn jachtpartner ‘per ongeluk’ in zijn rug. De politie geloofde deze verklaring echter niet en verrichte drie arrestaties. Pineda werd gearresteerd voor roekeloos gedrag met een vuurwapen en zijn vrouw voor het hinderen van een politieagent. Een vierde persoon, hun vriend James Perry is opgepakt voor het doen verdwijnen van bewijsmateriaal. Perry zou het vuurwapen namelijk in een meer geworpen hebben.

Het slachtoffer is met verwondingen naar het ziekenhuis gebracht, maar zijn toestand is inmiddels stabiel. 
(ad.nl, 6 november 2013.
Niet bepaald een goede smoes overigens….)

Man rijdt per ongeluk zijn vrouw  omver
Poeldijk – Op de Willem-Alexanderlaan is een man met zijn auto achteruit de voortuin van een woning in gereden; zijn vrouw die op de stoep voor de tuin stond is daarbij zwaar gewond geraakt.
De man stapte rond kwart voor negen in zijn auto en wilde weg rijden. De auto heeft een automatische versnelling en waarschijnlijk heeft de man per abuis de auto in z’n achteruit gezet en heeft toen gas gegeven.
Hierop is de man met zijn auto hard achteruit de voortuin van de woning in gereden. Hij heeft daarbij zijn vrouw aangereden, die zwaar gewond raakte en onder de auto terecht kwam. De man reed tijdens het ongeval ook nog een lantaarnpaal omver.
(www.regio15.nl/ 22 december 2013)

Oma (82) rijdt in op kerkgangers
Een 82-jarige vrouw uit Vinkeveen heeft de avond verpest van een aantal mensen dat met kerst op weg was naar de kerk. Ze reed vanavond met haar auto in op een groepje kerkgangers. Dat heeft de lokale politie laten weten.
Rond 20:00 uur schoot de bejaarde plotseling vooruit met haar auto na afloop van de kerkdienst op eerste kerstdag. Ze schampte de eerste vrouw, die lichtgewond raakte. Een andere vrouw werd overreden en moest met heupletsel naar het ziekenhuis.
De bejaarde vrouw, die zei dat ze het niet met opzet deed, kwam er zonder schrammen vanaf. De rest van de geschrokken kerkbezoekers is opgevangen door de kerk.
(AD  25.27 december 2013)

Achtergelaten na mountainbike-ongeluk
Een dertigjarige mountainbiker is na een ongeluk dood achtergelaten op de Vaalserberg.
Henk van Gulik was drie weken geleden bij een val hard met zijn borst en buik op een boomstam terechtgekomen en overleed ter plekke. De man met wie hij aan het fietsen was, wiste al zijn sporen en ging er vandoor. Het lichaam werd twee dagen later gevonden door wandelaars.

Waarom de fietsmakker er vandoor ging is een raadsel. Volgens de politie kon hij namelijk niets doen aan het ongeluk. De man is ondergedoken en wil de familie van Van Gulik niet te woord staan.
(Telegraaf 1 augustus 2015)

Jongen (10) gedood door geweerschot tijdens jacht
Een 10-jarig jongetje is zaterdag tijdens een jacht in een nationaal park in de Amerikaanse staat Utah om het leven gekomen. Dat melden Amerikaanse media zondag. De politie van Cache County, waar het park onder valt, gaat uit van een ongeluk. Er is daarom geen aanklacht ingediend.

De jongen zat verscholen in een terreinwagen toen het geweer van een vriend die naast hem zat ineens afging. Het slachtoffer overleed ter plaatse. Zijn naam is nog niet bekendgemaakt omdat de politie eerst alle familieleden wil inlichten. ‘Zij zijn er natuurlijk kapot van’, aldus plaatsvervangend sheriff Matt Bilodeau, tegen ABC News.

‘Het uitstapje was bedoeld om van de natuur te genieten en familie en vrienden bij elkaar te brengen. Het is ondenkbaar dat juist zoiets moest gebeuren.’
(Ad.nl 12/10/2015)

Tiener VS per ongeluk gedood door kogel familielid
Een 17-jarig meisje uit Missouri in de Verenigde Staten is overleden nadat een familielid haar per ongeluk in het gezicht zou hebben geschoten. Een familielid was bezig de munitie uit het wapen te halen, waarna het per ongeluk zou zijn afgegaan, zo verklaarde politie tegen de lokale zender KFVS. De vader dacht dat het wapen niet geladen was.
(Ad.nl 27/12/2015)

 


Zie ook: http://www.maevin.nl/jacht-incidenten

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2017 Stephan Wetzels © All Rights on texts Reserved