Stephan Wetzels
Denken en Zijn

De opmerkelijke dood van Simone: een rechtsfilosofische puzzel

De opmerkelijke dood van Simone: een rechtsfilosofische puzzel

De volgende oefening is uitermate geschikt om na te denken over basale concepten betreffende ‘schuld’, ‘intentie’, ‘verantwoordelijkheid’, ‘causaliteit’ en ‘moraal’ en leent zich goed als casus voorafgaand op diepere bestudering van de materie.

De casus: wie is de moordenaar?
Te midden van de Grote Zandwoestijn bevinden zich een vrouw en twee mannen. Simone, Herbert en Ronald. Met elk een watervoorraad van een week wachten ze op redding uit het gebied, die nog 7 dagen op zich laat wachten. Herbert heeft echter een gruwelijke hekel aan Simone, en wil niet dat zij wordt gered. Die nacht sluipt Herbert naar de tent van Simone en vergiftigt haar watertank met slangengif. Los van Herbert, heeft ook Ronald het op Simone gemunt. Ook hij sluipt die nacht naar haar tent en boort een klein gaatje in haar watertank (zonder dat hij beseft dat het water al vergiftigd is door Herbert), waardoor de tank is leeg gelopen voordat Simone wakker wordt. Als gevolg daarvan sterft Simone enkele dagen later aan uitdrogingsverschijnselen.

Beide mannen worden enkele dagen later gered, maar het reddingsteam vermoedt opzet in de dood van Simone en onderzoekt de zaak waarbij ze tot de conclusie komt dat er zowel gif zat in haar water, als dat de tank was gesaboteerd.

De vraag is echter: wie heeft de dood van Simone op zijn geweten, Herbert of Ronald? (Vrij naar: Smullyan, R.M. (1978). ‘What’s the name of this book?’)

Een eerste blik
Wanneer we intuïtief naar de casus kijken, dan ligt Ronald voor de hand, omdat Simone nooit het vergiftigde water heeft gedronken. Met andere woorden, Simone zou zelfs als Herbert het gif niet in het water had gedaan zijn overleden door het toedoen van Ronald.

Aan de andere kant echter, ligt ook Herbert voor de hand als moordenaar. Want het feit dat Ronald een gat heeft geboord in de tank, is volstrekt irrelevant: het water was immers al vergiftigd en of Ronald nu wel of geen gat zou hebben geboord, Simone was al ten dode opgeschreven op het moment dat het water vergiftigd was door Herbert.

Welke argumentatie is nu het sterkst?

Een nadere blik I
De casus laat me denken aan het probleem wat er gebeurt wanneer een niet te stoppen kracht botst tegen een onverplaatsbaar object. De oplossing is dan flauw: er kan geen werkelijkheid bestaan waarin beide krachten gelijktijdig existeren. Ook hier lijken beide argumentaties elkaar op te heffen, met dit verschil dat ze logischerwijs wel naast elkaar kunnen bestaan. We zullen dus moeten kijken naar onze eigen achterliggende opvattingen, hoe we tot een oplossing zouden kunnen komen. Het ligt niet voor de hand dat er één juiste oplossing bestaat. De oplossing is dus afhankelijk van het rechtssysteem (wat te denken van juryrechtspraak in deze), de achterliggende filosofische principes en de invulling van aanverwante relevante begrippen.

Om aan het dilemma te ontsnappen, zou er kunnen worden gekozen voor een tussenoplossing: beiden zijn schuldig aan moord op Simone. Beide mannen hadden immers dezelfde kwade intentie en wie het principe aanhangt dat iemand onafhankelijk van het causale verband (dat bijvoorbeeld door geluk of toeval tot stand komt) daarom straf verdient, heeft de oplossing gevonden. Herbert mag namelijk niet straffeloos ermee wegkomen omdat hij het geluk had dat Ronald een gat boorde, en Ronald mag niet straffeloos wegkomen omdat hij het geluk had dat Herbert het water toch al vergiftigd had (zie ook: Wil, toeval en straf: een korte studie binnen het materiële strafrecht.)

Het probleem is echter dat er geen rechtssysteem is dat primair zo functioneert. Het recht is niet primair gebaseerd op ethische grondslagen. Het is bijvoorbeeld onethisch om een kind dat bedelt voor voedsel te negeren, maar het is juridisch legaal. In ons geval zouden we namelijk een moreel oordeel (beide mannen zijn slecht) verwarren met een juridisch oordeel (wie is verantwoordelijk voor de dood op Simone). In de praktijk halen we zulke zaken (ethiek en recht) nog wel eens door elkaar, omdat ons gevoel zegt dat iemand die een bijzonder slechte bedoeling heeft, daar niet mee weg mag komen (en helemaal niet wanneer hij toevalligerwijs de mazzel had dat iets of iemand anders dan deze slechte bedoeling heeft geleid tot het door hem gewenste effect. Vgl ook.: De Zaak A. )

Intermezzo I: de ‘Nijmeegse scooterzaak’
Vergelijk dit bijvoorbeeld ook eens met de zogenaamde ‘Nijmeegse scooterzaak’. Dit gaat weliswaar over medeplegen, maar we voelen een gelijkwaardig dilemma waar het aankomt op straf in relatie tot het plegen.

Op 15 januari 2010 zijn twee mannen op de vlucht voor de politie met hun scooter. Het duo was met hoge snelheid op de vlucht voor de politie, die hun plan om een hotel te overvallen had doorzien. Tijdens deze vlucht rijden ze een Arnhemmer dood die op een zebrapad in Nijmegen loopt.

In eerste aanleg krijgen ze 8 jaar (bestuurder) en 16 maanden (man achterop) cel voor hun dollemansrit.

Het gerechtshof spreekt ze in hoger beroep (mei 2012) echter vrij: volgens het hof is het niet duidelijk geworden wie de scooter bestuurde, omdat ze naar elkaar blijven verwijzen (een op zichzelf interessante juridische verdedigingstruc, die laat denken aan het prisoner’s dilemma). Op grond daarvan kan niet een iemand een hogere straf worden toebedeeld. Dan zou in theorie immers degene die niet heeft bestuurd acht jaren kunnen krijgen en dat is juridisch onwenselijk.

In cassatie (december 2013) stelt de Hoge Raad echter dat de zaak over moet en verwijst deze terug naar het hof in ’s-Hertogenbosch. Die inhoudelijke behandeling moet op dit moment nog plaatsvinden, maar de uitkomst daarvan zal ongetwijfeld een nieuwe standaard verschaffen over hoe we moeten nadenken over schuld en straf, wanneer het onduidelijk is wie primair verantwoordelijk is voor het uiteindelijke effect (wanneer beide wel gelijktijdig hetzelfde effect wensten).

Natuurlijk hebben deze beide criminelen het effect van hun handelen (de dood van de Arnhemmer) niet gewenst, zoals Herbert en Ronald het effect van hun handelen wel hebben gewenst en in de scooterzaak gaat het hier vooral over medeplegen. Het recht worstelt echter zichtbaar met de vraag in hoeverre iemand straf verdient, als niet is komen vast te staan dat hij degene is geweest die direct verantwoordelijk is geweest voor het effect (we kunnen immers niet willen dat een onschuldig iemand gestraft wordt), en in dat perspectief is het fenomeen interessant voor onze casus. Ook hier zien we duidelijk dat een stevige dubbele veroordeling door het publiek wenselijk wordt gevonden (beide mannen verdienen flinke straf en geen vrijspraak) terwijl juristen op zoek zijn naar een objectief onderscheid en rechtvaardiging voor de mate van straf.

Het hof in Arnhem motiveerde haar vrijspraak op grond van de opvatting dat de bijrijder van de scooter niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het rijgedrag van de bestuurder en de fatale gevolgen daarvan, terwijl het misschien wel de vraag is of er sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet van beide mannen: in hoeverre heeft de een en de ander niet van tevoren kunnen voorzien dat ongeacht wie reed dit een redelijkerwijs te verwachten effect is geweest. Heeft immers de bijrijder het niet in zijn macht gehad de vluchtpoging te staken, maar deed hij dit niet omdat hij deze even graag als de rijder zelf wilde uitvoeren, omdat hij immers net zo goed aan de politie wilde ontsnappen om daarmee zijn straf te ontlopen voor de poging tot overval van het hotel? Het lijkt er in ieder geval op dat het gerechtshof straks toch tot een soort salomonsoordeel gaat komen, misschien wel door wat juridisch gegoochel (het recht moet objectief blijven) om daarmee het publiek dat hecht aan de subjectieve benadering tegemoet te komen.

Inzake medeplegen nog dit: bedenk ook eens wat de situatie zou kunnen zijn als Herbert en Ronald wel van elkaar weten dat ze allebei Simone dood willen. Om niets aan het toeval over te laten doet Herbert eerst gif in het water (voor het geval Simone wil drinken voor de tank leeg is) en boort Ronald daarna een klein gat in de tank (voor het geval het gif niet werkt). Simone wordt wakker en ziet een lege tank: als gevolg daarvan sterft ze enkele dagen later aan uitdrogingsverschijnselen.

Een nadere blik II
Als we niet aan het dilemma proberen te ontsnappen door ze allebei een straf te geven, rest ons niets anders dan te kijken naar welke verdediging zowel Herbert als Ronald zouden voeren voor de rechtbank.

Laten we ons voorstellen dat we de verdediging voeren voor Ronald, degene die een gat heeft geboord in de watertank van Simone. Het verwijderen van vergiftigd water kan onmogelijk worden beschouwd als het vermoorden van iemand. Sterker nog, doordat Ronald het vergiftigde water heeft weg laten lekken, heeft Simone nog een aantal dagen geleefd. Had ze het vergiftigde water gedronken, dan was ze vrijwel onmiddellijk gestorven. Ook al wist Ronald er niets van (maar een verdediging zal ongetwijfeld aansturen op het feit dat hij dit wel wist…en wat dan?), hij heeft feitelijk haar leven verlengd, in plaats van dat hij haar heeft vermoord.

Verdedigen we echter Herbert, degene die het gif in het water deed, dan zal het sterkste argument wat we kunnen aandragen zijn dat hij nooit veroordeeld kan worden voor moord, aangezien er geen enkel verband is tussen de dood van Simone en zijn handelen. Met andere woorden, het ontbreekt aan causaliteit om hem als moordenaar aan te merken. Hij had het gif net zo goed in haar beker kunnen doen. Zonder water had ze daar ook nooit uit gedronken. Als Herbert een dag later gemerkt had dat er geen water voorhanden was voor Simone, had hij het gif uit haar beker verwijderd. Er is dan zelfs ook maar hooguit een poging tot moord geweest…’maar Herbert kwam tijdig tot inkeer’…

Intermezzo II: poging
Een poging laat zich eenvoudig omschrijven. Het is een inspanning, een ‘trachten’. Het is een streven gericht op een doel. Poging en bedoeling zijn dan ook nadrukkelijk met elkaar verbonden. Wanneer ik iets poog, heb ik een bedoeling. En met bedoeling is het begrip ‘intentie’ verbonden, waarmee ‘verantwoordelijkheid’ een rol gaat spelen. Er is dus al met al een sterke relatie tussen denken, willen, voornemen en handelen, wanneer we over poging spreken.

Ligt de oplossing van ons probleem dan niet in het feit dat ze het allebei hebben gepoogd (weer een middenoplossing dus)? Kunnen ze derhalve wanneer we niet kunnen kiezen tussen Ronald en Herbert als moordenaar niet beide veroordeeld worden wegens poging tot moord (nou…er is wel een dode, dus dat lijkt toch onmogelijk…)?

Poging tot misdrijf is immers strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard (artikel 45 Sr, lid 1). Met andere woorden, in beide gevallen kunnen we stellen dat de mannen een begin van uitvoering hebben gemaakt. Ook wordt duidelijk hoe de subjectieve component van het pogen door de wetgever geobjectiveerd wordt door een zichtbaar begin van uitvoering te verlangen. Dit lijkt erop dat het kwade zich moet tonen en het onvoldoende is enkel het kwade te willen om tot een juridische veroordeling te komen. Zowel Herbert als Ronald hebben duidelijk een begin van uitvoering laten zien. Maar ontstaat er dan niet het probleem van de mislukte poging? In hoeverre is namelijk de poging van Herbert die het water vergiftigde uiteindelijk een mislukte poging en die van Ronald een gelukte poging?

Er is duidelijk sprake van een kwade wil bij Herbert, maar zijn poging mislukt. Of bedenk eens dat zijn poging ondeugdelijk zou zijn: vergelijk de casus indien Herbert slangengif had gebruikt wat buiten zijn weten om volstrekt onschuldig zou zijn geweest indien Simone het had gedronken. Weten we eigenlijk wel zeker dat Simone aan het gif was overleden? Hoeveel gif was het eigenlijk – was het voldoende? Ronalds poging is duidelijk: noch mislukt noch ondeugdelijk.

Hoe moeten we een poging tot moord kwalificeren die mislukt op basis van toeval? Het is immers toevallig dat buiten Herbert om Ronald de tank laat leeglopen. Het gaat dus ook om de vraag of we op de een of andere manier Herbert toch een flinke straf kunnen geven, omdat hij voor ons gevoel niet deugt. Maar een moordenaar zal hij niet zijn: wie zegt immers niet dat Simone had kunnen struikelen en haar water zo had gemorst? Een poging blijft staan, maar haar dood is niet aan zijn poging te wijten.

Of is Herbert toch de uiteindelijke moordenaar? Heeft Ronald haar niet gered per toeval? En is dit niet hetzelfde toeval dat in het voordeel spreekt van Ronald, als het eerdergenoemde toeval in het voordeel zou kunnen spreken van Herbert (dat hij door toeval niet als moordenaar kan worden aangewezen)?

Ten slotte
Wreek Simone!
Simone is overduidelijk door het handelen van een van beide mannen om het leven gekomen. Als ze niets hadden gedaan, dan was ze net als zij gered geweest. Als alleen Ronald had gehandeld, was ze dood geweest. Als alleen Herbert had gehandeld was ze dood geweest. Als Ronald eerder was geweest met het laten leeglopen van de watertank, dan had Herbert ontdekt dat vergiftiging niet meer nodig was geweest. Dan zouden we in dat geval ook geen begin van uitvoering van handeling bij Herbert hebben kunnen ontdekken. Dat maakt hem moreel niet beter, maar juridisch gezien zou hij daarmee ontsnappen. Maar stel dat Simone had geweten dat het water vergiftigd was door iemand, dan was ze eveneens gestorven door uitdroging, net als feitelijk nu het geval is.

Hoe dan ook, het tragische einde van Simone verlangt stevige vergelding – of is het denkbaar dat beide heren vrijuit gaan?

___________________________________________________

Zie voor enkele Engelse commentaren en discussies:
http://www.debate.org/forums/Philosophy/topic/27255/
http://forums.civfanatics.com

 

Wil, toeval en straf: een korte studie binnen het materiële strafrecht

In zijn Fundering voor de metafysica van de zeden (1785; vertaling Th. Mertens, 2008) stelt Immanuel Kant dat een goede wil niet goed is door wat hij tot stand brengt of verricht, maar slechts goed is door het willen als willen. De wil staat los van alle spelingen van het lot, toevalligheden of een ongelukkige ‘karige bedeling van een stiefmoederlijke natuur’(2008, p. 62). Als we Kant zouden volgen in zijn opvatting over de op zichzelf staande wil, zou dit verregaande consequenties kunnen hebben voor onze praktische ideeën over schuld en straf. Kants opvatting zou binnen het Nederlandse strafrecht voor ‘subjectieve theorie’ doorgaan, waarbij verantwoordelijkheid volgt uit een gevaarlijke wil, in tegenstelling tot de objectieve theorie, die de ernst van de daad op de voorgrond stelt. Het Nederlands strafrecht kiest volgens Hazewinkel-Suringa (1996) voor een middenpositie die eerder neigt naar de objectieve theorie. De vraag is: waarom?

In deze bijdrage overweeg ik enkele scenario’s die samenhangen met het idee van een opzichzelfstaande wil en de idee dat we de wil altijd moeten beschouwen in het licht van gevolgen.

1. We maken mensen geen verwijten voor iets waar ze niets aan kunnen doen. Voor ons moet er grofweg een erkende relatie bestaan tussen een intentie, gevolgd door een (weloverwogen) handeling en uiteindelijk gevolg, willen we een (juridisch of moreel) oordeel kunnen vellen over een persoon. Voor Kant is het gevolg echter veel minder relevant: volgens hem kunnen we immers al een uiteindelijk oordeel vellen over een persoon indien we zicht hebben op diens wezenlijke intentie. Binnen het Nederlandse strafrecht wordt echter uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen een louter kwade wil en een kwade wil met een negatief gevolg. Het gevolg is dus strafrechtelijk relevant, en dat lijkt intuïtief logisch. Toch valt er het nodige over te zeggen.

2. In artikel 45 Sr. wordt duidelijk hoe de wetgever een onderscheid maakt tussen louter kwade wil en een kwade wil die poogt (nog los van mogelijk gevolg). Iemand die iets (kwaad) wil, waarbij hij begrijpt dat datgene wat hij wil binnen zijn mogelijkheden ligt, geeft daarmee aan dat hij binnen zijn mogelijkheden de wens heeft iets te ondernemen, zodanig dat die handeling zijn wil tegemoetkomt. Een ‘willende wil’ wacht als het ware op bevrediging, wanneer begrepen wordt dat door middel van handelen bevrediging tot de mogelijkheden behoort. De moeite die men doet om tot het gewenste effect te komen (om de wil te bevredigen), noemen we dan poging. De poging kan zowel lukken als mislukken, en daarin zit dus dat belangrijke strafrechtelijke verschil, voor de oorspronkelijke wil maakt het immers niet uit: die is wat hij is.

3. Kijken we naar artikel 45 Sr. lid 1, lezen we: Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. De strafbaarheid begint dus daar waar een begin van een handeling tot een bepaald (door de wet strafbaar gesteld) gevolg kan worden vastgesteld. In lid 2 blijkt dat de poging waarbij het gewenste effect dus niet wordt gehaald minder strafwaardig is dan wanneer de poging slaagt: Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij poging met een derde verminderd. De bijkomende straffen zijn voor poging wel gelijk aan het voltooide (gelukte) misdrijf.

4. Of de poging de strafbaar is, hangt voor een groot gedeelte af in hoeverre de opvatting bestaat dat mijn poging alles in zich heeft tot daadwerkelijke verwerkelijking van het misdrijf. Mijn kwade wil op zichzelf is onvoldoende, maar zoals ik zojuist heb aangegeven, suggereert een kwade willende wil altijd een poging tot bevrediging. De kwade wil openbaart zich dan in een handeling, op grond waarvan we een persoon verantwoordelijk kunnen houden. Het kwade willen, maar niet pogen suggereert dat het ofwel niet werkelijk gewild wordt, dan wel dat datgene wat men wil zo wordt ingeschat dat het door welk handelen dan ook onmogelijk kan worden verkregen. Kant zou dit waarschijnlijk afkeuren –in morele zin sowieso- maar wanneer een kwade wil niet redelijkerwijs tot uitdrukking komt in enige handeling (die zo eenvoudig kan zijn als een mededeling), kan niemand zich een oordeel vormen en kunnen praktische consequenties niet anders dan uitblijven (vergelijk: ‘ik vermoed dat hij iets kwaads in de zin heeft, maar hij gedraagt zich voorbeeldig’).

5. De belangrijkste vraag die nu voorligt is deze: waarom wordt iemand zwaarder gestraft naarmate een poging slaagt, in vergelijking met wanneer de poging niet slaagt? Immers, het is denkbaar dat in beide gevallen de bedoeling gevoed door de kwade wil hetzelfde was. Dat de bedoeling door omstandigheden waar een actor bijvoorbeeld geen grip op heeft mislukt, zegt niks over de oorspronkelijke bedoeling. Dit komt in de buurt van wat de Amerikaanse filosoof Thomas Nagel het principe van ‘moral luck’ noemt. In zijn beroemde essay uit 1979 benoemd Nagel het probleem dat een omstandigheid volledig buiten iemands macht ervoor kan zorgen dat hij niet gestraft wordt (of veel minder gestraft wordt), terwijl we intuïtief het kwade willen straffen. Als het kwaad dus uitblijft door een toevalligheid, lijkt dat tegen onze natuurlijke opvatting van rechtvaardigheid in te gaan, omdat het kwade wel degelijk bestaat en aangewezen kan worden door te verwijzen naar iemands wil.

Dat we het principe toevalligheid toch (stilzwijgend) accepteren is wellicht vooral een gevoelskwestie of het gevolg van pragmatische afwegingen. Dat het normativeren van toeval een hoog irrationeel karakter heeft, weten we van John Rawls die ons in zijn Theorie van rechtvaardigheid wijst op hoe toevalligheden leiden tot nationalisme (‘ik ben trots dat ik Nederlander ben!’, terwijl ik daar natuurlijk niets aan kan doen) of zelfs seksisme (mannen boven vrouwen) of racisme (blank boven gekleurd). In al die gevallen begrijpen we dat het volstrekt onzinnig is ons te beroepen op eigenschappen die toevallig tot ons zijn gekomen bij geboorte. Dat toeval dus toch een rol speelt binnen het strafrecht, is daarom een nadere overdenking waard.

6. Stel bijvoorbeeld dat ik de wil heb om mijn vriend te vermoorden. Daarvoor koop ik een wapen, oefen ik van dichtbij op poppen en hou ik een dagboek bij waarin ik beschrijf hoe en wanneer ik overga tot de moord. Ik houd me strik aan het plan en alles loopt zoals ik het bedacht en opgeschreven had. Op enig moment sta ik dan achter hem met het pistool tegen zijn hoofd, en op het moment dat ik de trekker wil overhalen blokkeert door een technisch probleem het pistool door een ondeugdelijke kogel. Mijn vriend draait zich om, ziet het pistool en overmand mij. De politie is snel ter plekke om mij in te rekenen. Er wordt natuurlijk spoedig geconstateerd dat er geen sprake is van een ondeugdelijke poging en bovendien wijst alles op een duidelijke opzet en uitvoering. Technisch onderzoek levert bovendien het bewijs dat ik daadwerkelijk de trekker heb overgehaald. Toch levert mij hier de toevallige blokkering flink minder straf op, zelfs als ik geheel bij zinnen een volledige verklaring afleg dat het daadwerkelijk mijn wil was om hem te vermoorden.

Enige tijd later in mijn cel, bedenk ik hoezeer ik de toevallige omstandigheid dankbaar ben (wat een geluk dat precies die ene kogel die mij een moordenaar had kunnen maken ondeugdelijk bleek), terwijl ik mij tegelijkertijd bedenk dat ik geen verhouding heb met het toeval, dus ook het toeval feitelijk niet dankbaar kan zijn. In de literatuur is het moeizaam te achterhalen wat de lagere straf rechtvaardigt. Intuïtief hangt het samen met vergelding; aangezien er geen dode is gevallen, hoeven nabestaanden minder te worden gecompenseerd in de vorm van een langere gevangenisstraf. Of anders gezegd, ik hoef een minder hoge prijs te betalen omdat een ernstig gevolg uitbleef. Maar toch, dat is niet bepaald mijn verdienste.

6. Dat feitelijke intentie en een kwade wil überhaupt er niet noodzakelijk toe doen, blijkt wel uit het feit dat er binnen het strafrecht ook zoiets bestaat als een absoluut ondeugdelijke poging. Oftewel, niet zozeer de toevallige omstandigheid, dan wel mijn incompetentie of onwetendheid (die in beide gevallen niets zeggen over mijn motief) leiden tot het gevolg dat ik geen enkele straf verdien.

Vergelijk: iemand bidt dat de ander moet sterven (waarbij hij zich richt tot een Opperwezen dat verzocht wordt de wens uit te voeren), maar dat gebeurt niet. Dan volgt er geen straf (immers bidden is een ondeugdelijk middel (!) ).

Maar stel, iemand bidt dat de ander moet sterven en die sterft daadwerkelijk -spontaan- een dag later, waarbij geen duidelijke doodsoorzaak gevonden wordt. Kan er dan sprake zijn van een straf? Of sterker: Kan het feit dat de andere die ook gelovig bleek en te weten is gekomen dat er gebeden werd dat hij moest sterven (en meende dat hij zo vervloekt was) een reden zijn dat degene die gebeden heeft voor zijn dood straf verdient? Denk aan de empirische vaststelling dat mensen die weten dat voor ze gebeden wordt onder bepaalde omstandigheden een grotere kans hebben dat hun medische conditie verslechtert.

Of neem het voorbeeld van een vrouw die haar man wilde doden door gras in zijn eten te doen. Ze was er vast van overtuigd dat het gras in hun achtertuin radioactief besmet was, en hij spoedig de pijp uit zou gaan. In een rechtszaak wordt dan bewezen dat de vrouw geprobeerd heeft haar echtgenoot te vermoorden door hem met gras te vergiftigen. Hoewel de opzet op het misdrijf aanwezig is (kwade wil), stelt de rechter dat het toedienen van gras een ondeugdelijk middel is, waardoor niet gezegd kan worden dat dit een “poging tot moord” is.

De poging wordt hier dus niet gemotiveerd vanuit de kwade wil (denk weer aan Kant), maar strandt op een vorm van incompetentie en onder iedere omstandigheid noodzakelijk gebrek aan gevolg. Het heeft er overigens alle schijn van dat de absoluut ondeugdelijke poging alleen begrepen kan worden in het geval van een grote mate van zwakbegaafdheid (zie De Hulu (2003), materieel strafrecht, p. 398). Dat lijkt erop alsof we in dit geval een verdachte zien als een klein kind en zeggen: ‘het heeft de bedoeling geuit om mij neer te slaan, maar iedere slag die het uitdeelt mist kracht.’ Omdat het doel van het kind nooit kan worden bereikt, kan de wil nog zo kwaad zijn, het gedrag blijft onschuldig.

7. Laten we het voorbeeld scherper maken en het volgende bedenken (ontleent aan W.J.P Pompe in: Tekst & Commentaar: Strafrecht, 2008, p. 394). Ik wil mijn vriend vermoorden met gif. Ik bestel dit gif via de apotheek en ontvang een doosje witte poeder. Wat ik echter niet weet, is dat het betreffende poeder waarvan ik redelijkerwijs aanneem dat het dodelijk gif is, in werkelijkheid meel is, omdat zich een vergissing heeft voorgedaan in het distributiecentrum. Hoeveel ik van het spul ook in zijn koffie doe, hij wil maar niet sterven. Vanuit Kant gezien, dus vanuit een subjectieve theorie, heeft mijn wil hier alles in zich om zwaar gestraft te worden, terwijl vanuit een objectieve theorie ieder gevaar voor het overlijden van mijn vriend ontbreekt. Is hier nu ook sprake van een absoluut ondeugdelijke poging? Het verschil is natuurlijk uiterst subtiel. Er is sprake van noch een absoluut ondeugdelijk middel, waarbij voor een poging tot moord in geen enkele omstandigheid de dood een gevolg is (want de verdachte gaat uit van een dodelijk middel) noch van een relatief ondeugdelijk middel, waarbij het middel dat gebruikt is bij poging tot moord wel de dood tot gevolg heeft, maar bijvoorbeeld een veel te geringe dosis is toegediend. Welk standpunt rest ons dan nog?

Iemand kan zeggen dat objectief uit het feit niet is gebleken dat een misdadige aanslag bedoeld werd, maar eveneens kan iemand zeggen dat subjectief is gebleken dat de intentie tot moord enkel niet is vervuld door een toevalligheid. Het lijkt tenslotte dat het strafwaardig achten hier een kwestie is van smaak, waarbij de Nederlandse rechtspraak neigt naar een objectief kader, dat ik in deze korte studie niet redelijkerwijs gemotiveerd heb gevonden.

8. En overweeg het volgende. Als ik voor de grap meel in de koffie doe van mijn vriend, omdat ik de bedoeling heb hem een vies gezicht te laten trekken, wordt dat beschouwd als een aardige of misschien flauwe grap. Omdat ik hier weet heb van het feit dat ik meel in zijn koffie doe, kan mij geen kwade intentie worden toegeschreven. Maar stel dat ik voor de grap meel in de koffie doe van mijn vriend omdat ik de bedoeling heb hem een vies gezicht te laten trekken, maar zonder dat ik het weet arsenicum in zijn koffie doe waarna hij sterft, zou men mij dan niet eveneens als onschuldig beschouwen, omdat ook hier mijn wil geen kwade bedoelingen had? En aangezien ik ook geen gevaarlijke daad had kunnen voorzien, kan ook niemand zich beroepen op de objectieve theorie, ondanks het feit dat het gevolg van mijn handelen wel degelijk ernstig is. Kortom: ook iemand die strikt een objectieve theorie aanhangt, moet op enig moment een relatie kunnen leggen met iemands wil. Terwijl aan de andere kant iemand die een strikt subjectieve theorie aanhangt, niet op enig moment een relatie hoeft te leggen met het (uitblijvende) gevolg om te straffen.

9. Verdienen mensen die (absoluut) ondeugdelijke pogingen ondernemen met de bedoeling iets kwaads te bewerkstelligen onze morele verontwaardiging, daar waar juridische consequenties uitblijven? Dat lijkt mogelijk als we de wil als kwaad op zichzelf beschouwen. De morele verontwaardiging heeft dan hier de bedoeling om de wil een goede richting op te sturen, door de persoon ervan te overtuigen dat zijn huidige wens niet in overeenstemming is wat bijvoorbeeld een samenleving van hem verwacht. Maar buiten morele verontwaardiging is een bewuste morele houding en de nodige sociale controle het beste medicijn om veel van bovenstaande discussies te voorkomen.

De zoon die zijn vader wilde vermoorden en dat per ongeluk deed…

Toen ik wederom in de krant las dat er sprake was van (weer eens) een schietongeluk tijdens de jacht, liet me dat denken aan een van de leukste filosofische kruimels die ik ooit heb geschreven “De zaak A”. Het lijkt een wat technisch geschreven stuk (dat ik ooit schreef voor het vak philosophy of action bij prof. dr. Jan Bransen), maar wie de moeite neemt de gedachten te volgen, heeft voor een hele avond discussiemateriaal achter de hand. Er zal meer zijn, maar onder de tekst van de zaak A. volgen krantenartikelen, die ik afgelopen jaar heb overgenomen in mijn aantekeningen. Toeval? Ongeluk? Of is er twijfel na de zaak A…Oordeel zelf!
_____________________________________________________

De zaak A.
Handelen in het licht van Davidson en Frankfurt

 

-Als je handelt, ben je verantwoordelijk-

A heeft de wens (W) zijn vader B te vermoorden (x). Hij besluit met hem op wild te gaan jagen en hem tijdens de jacht dood te schieten (Y), zodanig dat het op een ongeluk lijkt. Tijdens het jagen wordt A (die achter zijn vader loopt) echter overweldigd en overmand (Z) door het idee dat hij zijn vader over een uur gaat vermoorden, wat een spontane vingerbeweging (S) bij A veroorzaakt en de trekker van zijn geweer doet overgaan. B wordt in zijn hoofd getroffen en sterft ter plekke (x”). Is A nu verantwoordelijk voor de dood van zijn vader B?

Primair zouden we zeggen dat er sprake is van een ongeluk. A had weliswaar vooraf een ongeluk in gedachten, maar dat ongeluk zou feitelijk geen ongeluk zijn geweest, aangezien A de intentie had B te vermoorden (oftewel, vooraf een ongeluk in gedachten hebben is een contradictio in terminis). Het verschil is dus dat er nu werkelijk sprake lijkt van een ongeluk. Het idee dat wanneer er sprake is van een ongeluk, A niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor de dood van B (omdat daarbij het aspect ‘voorbedachte rade’ evenals ‘opzet’ vervalt) was op voorhand A’s uitgangspunt.

Is echter de omstandigheid dat er iets onverwachts (S) gebeurt dat in dit geval letsel veroorzaakt met de dood als gevolg een ongeluk te noemen? Om deze vraag te beantwoorden moeten we een onderscheid maken tussen actions en mere bodily movements. Waar we action intuïtief koppelen aan verantwoordelijkheid hangt een mere bodily movement meer samen met een intentieloze beweging. Maar is dat correct? Is (S) (in tegenstelling tot (Y)) intentieloos? Stel dat we als uitgangspunt nemen dat er sprake is van een action indien deze wordt veroorzaakt door wens en verwachting (desire+belief–>action), dan zou je kunnen stellen dat er een causaal verband bestaat tussen A’s voltrekking van (Wx) en A’s (Z) en (S). Immers, zonder (Wx) zou A nooit hebben geschoten1. Dus (Z) (S) heeft A aan zichzelf te danken/wijten en dus is A verantwoordelijk. Stel maar eens dat we aan A vragen ‘waarom ging dat geweer af?’ Als A eerlijk zou antwoorden zou hij zeggen: ‘het geweer ging af, omdat ik de bedoeling had weldra mijn vader te vermoorden en plots zo door dit idee bevangen werd dat ik spontaan vuurde.’

Een belangrijk probleem hierbij is echter dat de common sense opvatting (desire+belief–>action) te beperkt is2. Frankfurt (The problem of action. In Mele (1997)) is van mening dat action weliswaar begeleid (accompanied) of voorafgegaan (preceded) kan worden door desire+belief, maar ze hoeft er niet door te worden veroorzaakt. Voor Frankfurt bestaat er namelijk een wezenlijk intrinsiek verschil tussen actions en mere bodily movements. Tijdens een action is een actor namelijk ‘in touch with his movement’, wat bij een mere bodily movement niet het geval is. Volgens hem kunnen we alleen spreken van action als actor A in dit geval zijn lichaam gedurende S onder controle (guidance) heeft, wat duidelijk niet het geval is. Als er sprake is van bodily movement under the guidance of the agent, moet er sprake zijn van purposive3 bodily movement, oftewel doelgericht gedrag; gedrag directed at the achievement of some goal or purpose. A bereikt dus weliswaar zijn doel (x), toch is er hier sprake van Non-purposive bodily movement not under the control of the agent. We moeten vaststellen dat A niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor de dood van zijn vader. Immers, had hij een uur later over willen gaan tot (Y), dan had hij als rational agent in control nog de mogelijkheid (Wx) op te schorten of er van af te zien, zonder dat er sprake zou zijn van Z–>S. Dan was er dus nog de mogelijkheid geweest dat A en B op het eind van de dag een biertje hadden gedronken, terwijl dat in dit geval hoe dan ook is uitgesloten. Hoe verderfelijk A ook lijkt, de keuze zijn vader te vermoorden heeft hij nooit gemaakt. Of toch?

__________________________________

1 Dit is meen ik, globaal de argumentatie van Donald Davidson’s Action, reasons, and causes in Mele (1997).
2 “…suppose a man takes heroin because he enjoys its effects and considers them to be beneficial. But suppose further that he is unknowingly addicted to the drug, and hence that he will be driven to take it in any event, even if he is not led to do so by his own beliefs and attitudes.” (P. 49) Frankfurt stelt dat het injecteren van drugs een action is, maar duidelijk geen die volgt op desire+belief.“The example bears upon the point that is actually at issue, by illustrating how an action (including, of course, any requisite attitudinal constituents) may have no causes other than non-attitudinal or alien ones.”(p. 50).
3 “Behaviour is purposive when its course is subject to adjustments which compensate for the effects of forces which would otherwise interfere with the course of the behaviour, and when the occurrence of these adjustments is not explainable by what explains the state of affairs that elicits them. The behaviour is in that case under the guidance of an independent causal mechanism, whose readiness to bring about compensatory adjustments tends to ensure that the behaviour is accomplished.” (p. 47.)

Vader schiet enige zoon dood tijdens jachtpartij
Het Portugese jachtseizoen is net een week geopend, maar een eerste drama heeft zich al afgespeeld. Gisteren nam António uit Fojo (Abrantes) zijn 16 jarige zoon Marco mee op duivenjacht in Constância. Toen de vader richtte op een tortel bevond zijn zoon in de vuurlinie, maar omdat hij op de grond zat zou er geen probleem moeten zijn. Helaas besloot Marco net op het moment dat zijn vader afvuurde op te staan, om een eerder geschoten tortel binnen te halen. De jongen werd in zijn nek geschoten en was op slag dood. De vader was een ervaren jager en nam zijn zoon, die ook zijn licentie wilde gaan halen, regelmatig mee op jacht. Beide ouders zouden in een staat van shock verkeren. (Augustus 2009)

Man schiet zwijn imiterende zoon dood
Een 26-jarige Rus is door zijn eigen schoonvader doodgeschoten tijdens een bizar jachtincident. De man zou op zeer overtuigende wijze een wild zwijn hebben nagedaan terwijl de twee aan het jagen waren in een bosgebied bij Tyumen in Siberië.
De 68-jarige schoonvader had zich net na het invallen van de duisternis op een hoog gelegen uitzichtpunt verschanst, waarop zijn schoonzoon een geintje dacht uit te halen en geluiden maakte die leken op die van een wild zwijn en wat in de begroeiing rommelde.
Volgens het Openbaar Ministerie in Rusland twijfelde de oudste jager geen moment en schoot. Toen hij poolshoogte ging nemen trof hij zijn schoonzoon aan met een keurig schotwond in het hoofd. De schoonvader waarschuwde daarop zelf de politie. (September 2011; De Spits)

Jager geraakt door schot hagel
Een 47-jarige jager uit Opheusden heeft aan den lijve ondervonden hoe het voelt als je getroffen wordt door een schot. Hij werd door een andere jager geraakt tijdens een jachtpartij in Randwijk. De jager is met wonden aan het gezicht en zijn bovenlichaam opgenomen in een ziekenhuis in Nijmegen, aldus de politie. Het gezelschap liep in een weiland toen het onfortuinlijke schot viel. De politie heeft de schutter aangehouden en verhoord, maar denkt dat het om een ongeluk gaat. (December 2011)’

Boer schiet op vos maar doodt per ongeluk zijn vrouw
POLEN – Een Poolse boer wilde gisteravond op een vos schieten, maar veroorzaakte daarbij een tragedie. De vos had al meerdere kippen gestolen van zijn boerderij in het zuidoostelijke dorp Pielnia. Toen de boer met een schot hagel de vos wilde doden, kwam een deel van de hagel door het raam. Binnen werd zijn echtgenote dodelijk geraakt.
De vos was slechts gewond. De politie gaat uit van een ongeluk. De 56-jarige boer is voorlopig toch in hechtenis genomen. (Januari 2012)

Man gewond door schietongeluk na jacht
Een 64-jarige man uit Oldebroek is donderdagavond in Wezep na het jagen gewond geraakt door een schot uit het wapen van een familielid. Dat meldde de politie vrijdag.
Het 38-jarig familielid wilde zijn jachtwapen ontladen, maar loste daarbij per ongeluk een schot. Het slachtoffer werd in zijn arm en buik geraakt en is naar het ziekenhuis gebracht.
Het ongeval gebeurde aan de Heidehoeksweg. Hoe het wapen kon afgaan, is nog onbekend. (Januari 2013)

Jager krijgt werkstraf voor dodelijk jachtongeluk
Assen/Zwiggelte – De 31-jarige jager uit Dronten, die op 21 september in Zwiggelte het voor Henk Koning fatale jachtongeluk veroorzaakte, krijgt een werkstraf van tachtig uur. Dat besliste de rechtbank in Assen vrijdag.
Daarnaast kreeg de man drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.
De jager zag in het donker de hond van de 71-jarige Koning – eigenaar van de grond waarop de Drontenaar aan het jagen was – aan voor die van een vos. De kogel die hij vervolgens afvuurde, raakte niet de hond, maar Koning die er vlak naast liep. Hij kwam in zijn buik terecht. De boer uit Zwiggelte overleed diezelfde nacht in het ziekenhuis aan inwendige bloedingen.
De rechtbank vindt dood door schuld bewezen. Ze stelt dat de jager nooit had mogen schieten, omdat hij vanwege de duisternis de afstand tot zijn doelwit niet goed kon bepalen. Die afstand bleek tijdens een reconstructie 350 meter te zijn geweest, terwijl het geweer dat de Drontenaar gebruikte was afgesteld op een nauwkeurigheid van negentig meter. Volgens de rechtbank heeft de jager nooit kunnen vaststellen dat hij daadwerkelijk op een vos schoot.
De jager verklaarde tijdens de rechtszaak dat hij kort voor het ongeluk een vos had aangeschoten, maar dat het dier was gevlucht. Toen hij enkele seconden later weer ogen zag oplichten in de lichtbundel van zijn jachtschijnwerper, ging hij er vanuit dat dat die vos was. Die aanname komt volgens de rechtbank geheel voor zijn rekening, omdat de ogen van de hond die hij zag rood oplichtten, terwijl die van een vos in een lichtbundel altijd geel van kleur zijn.
Vanwege de ernst van de zaak en het ‘onnoemelijk en onherstelbaar leed’ voor de nabestaanden, vond de rechtbank alleen een werkstraf, zoals het Openbaar Ministerie had geëist, niet genoeg. Wel hield ze er rekening mee dat de Drontenaar het slachtoffer niet heeft willen doden en dat hij zelf ook voor het leven is getekend. (Maart 2013; http://www.dekrantvanmiddendrenthe.nl)

Jager mist eland, raakt toiletganger
Een Noorse jager heeft per ongeluk een man neergeschoten die op het toilet zat. Hij mikte op een eland, maar de kogel vloog langs het dier door de houten muur van een toiletgebouw.

Een wc-bezoeker, een man van in de 70, kreeg de kogel in zijn maag. Hij is met een helikopter naar een ziekenhuis gebracht.

De verwondingen van het slachtoffer zijn niet levensbedreigend. De eland kwam met de schrik vrij.
(Nos.nl, 26 okt. 2013)

Jacht op ‘Bigfoot’ loopt verkeerd af
Een jacht naar de legendarische Bigfoot in de Amerikaanse staat Oklohoma liep niet goed af voor drie heren en een dame. De politie arresteerde een van de mannen nadat hij zijn vriend in de rug schoot. Dat meldt de lokale nieuwssite KFOR-TV.

De mannen waren op jacht in de bossen van Catoosa, toen de 21-jarige Omar Pineda schrok van een ‘blaffend geluid’. Daarop schoot hij zijn jachtpartner ‘per ongeluk’ in zijn rug. De politie geloofde deze verklaring echter niet en verrichte drie arrestaties. Pineda werd gearresteerd voor roekeloos gedrag met een vuurwapen en zijn vrouw voor het hinderen van een politieagent. Een vierde persoon, hun vriend James Perry is opgepakt voor het doen verdwijnen van bewijsmateriaal. Perry zou het vuurwapen namelijk in een meer geworpen hebben.

Het slachtoffer is met verwondingen naar het ziekenhuis gebracht, maar zijn toestand is inmiddels stabiel. 
(ad.nl, 6 november 2013.
Niet bepaald een goede smoes overigens….)

Man rijdt per ongeluk zijn vrouw  omver
Poeldijk – Op de Willem-Alexanderlaan is een man met zijn auto achteruit de voortuin van een woning in gereden; zijn vrouw die op de stoep voor de tuin stond is daarbij zwaar gewond geraakt.
De man stapte rond kwart voor negen in zijn auto en wilde weg rijden. De auto heeft een automatische versnelling en waarschijnlijk heeft de man per abuis de auto in z’n achteruit gezet en heeft toen gas gegeven.
Hierop is de man met zijn auto hard achteruit de voortuin van de woning in gereden. Hij heeft daarbij zijn vrouw aangereden, die zwaar gewond raakte en onder de auto terecht kwam. De man reed tijdens het ongeval ook nog een lantaarnpaal omver.
(www.regio15.nl/ 22 december 2013)

Oma (82) rijdt in op kerkgangers
Een 82-jarige vrouw uit Vinkeveen heeft de avond verpest van een aantal mensen dat met kerst op weg was naar de kerk. Ze reed vanavond met haar auto in op een groepje kerkgangers. Dat heeft de lokale politie laten weten.
Rond 20:00 uur schoot de bejaarde plotseling vooruit met haar auto na afloop van de kerkdienst op eerste kerstdag. Ze schampte de eerste vrouw, die lichtgewond raakte. Een andere vrouw werd overreden en moest met heupletsel naar het ziekenhuis.
De bejaarde vrouw, die zei dat ze het niet met opzet deed, kwam er zonder schrammen vanaf. De rest van de geschrokken kerkbezoekers is opgevangen door de kerk.
(AD  25.27 december 2013)

Achtergelaten na mountainbike-ongeluk
Een dertigjarige mountainbiker is na een ongeluk dood achtergelaten op de Vaalserberg.
Henk van Gulik was drie weken geleden bij een val hard met zijn borst en buik op een boomstam terechtgekomen en overleed ter plekke. De man met wie hij aan het fietsen was, wiste al zijn sporen en ging er vandoor. Het lichaam werd twee dagen later gevonden door wandelaars.

Waarom de fietsmakker er vandoor ging is een raadsel. Volgens de politie kon hij namelijk niets doen aan het ongeluk. De man is ondergedoken en wil de familie van Van Gulik niet te woord staan.
(Telegraaf 1 augustus 2015)

Jongen (10) gedood door geweerschot tijdens jacht
Een 10-jarig jongetje is zaterdag tijdens een jacht in een nationaal park in de Amerikaanse staat Utah om het leven gekomen. Dat melden Amerikaanse media zondag. De politie van Cache County, waar het park onder valt, gaat uit van een ongeluk. Er is daarom geen aanklacht ingediend.

De jongen zat verscholen in een terreinwagen toen het geweer van een vriend die naast hem zat ineens afging. Het slachtoffer overleed ter plaatse. Zijn naam is nog niet bekendgemaakt omdat de politie eerst alle familieleden wil inlichten. ‘Zij zijn er natuurlijk kapot van’, aldus plaatsvervangend sheriff Matt Bilodeau, tegen ABC News.

‘Het uitstapje was bedoeld om van de natuur te genieten en familie en vrienden bij elkaar te brengen. Het is ondenkbaar dat juist zoiets moest gebeuren.’
(Ad.nl 12/10/2015)

Tiener VS per ongeluk gedood door kogel familielid
Een 17-jarig meisje uit Missouri in de Verenigde Staten is overleden nadat een familielid haar per ongeluk in het gezicht zou hebben geschoten. Een familielid was bezig de munitie uit het wapen te halen, waarna het per ongeluk zou zijn afgegaan, zo verklaarde politie tegen de lokale zender KFVS. De vader dacht dat het wapen niet geladen was.
(Ad.nl 27/12/2015)

 


Zie ook: http://www.maevin.nl/jacht-incidenten

Wijsgerige dwalingen omtrent verantwoordelijkheid, intentie en wil

In deze bijdrage buig ik mij over verschillende vragen omtrent verantwoordelijkheid, intentie en wil. Ik begeef mij daarbij op een terrein, waarbij ik het risico loop fout op fout te stapelen, omdat ik de specialistische kennis omtrent bijvoorbeeld het juridische gebruik van bepaalde begrippen ontbeer. Desalniettemin verwacht ik dat mijn beschrijvingen voldoende stof met zich meebrengt om het verstand enige tijd bezig te houden.

De casus zoals ik deze zal beschrijven, heeft weliswaar iets weg van een gedachtenexperiment, maar ik beroep me graag op het uitgangspunt dat een filosoof het zo gek niet kan verzinnen, of er zijn voorbeelden in de praktijk te vinden die er aan raken. Het behoeft geen toelichting dat er per alinea talloze verschillende nuances zijn aan te brengen, die de zaak in een volstrekt ander licht kunnen brengen. De vragen die voorts ontstaan, en hier niet worden beantwoord, zijn een gewild gevolg van hetgeen ik hier beschrijf.

1. Laten we aannemen dat we te maken hebben met een persoon, die we A. noemen. Het is een persoon die bekend staat als een sociaal en moreel sterk mens. Tweemaal in zijn leven heeft A. bedwelmend middel X. gebruikt, in een kleine hoeveelheid, en in beide gevallen bemerkte hij in zichzelf een bepaalde oncontroleerbare en gevaarlijke agressie jegens vrouwen (waarbij A. opmerkelijk genoeg wist dat hij onder invloed zijn gedrag wel wilde), die hem in nuchtere toestand zodanig beangstigde dat hij besloot uit principe niet meer X. te nemen, laat staan andere drogerende middelen te gebruiken. In de meest uiteenlopende situaties weet hij zijn principes te handhaven. Eenmaal heeft B. gezien wat een kleine hoeveelheid X. met A. deed; maar hij heeft deze informatie strikt en alleen voor zichzelf gehouden.

2. Op een avond gaat A. stappen met zijn vriend B. en zijn vrouw C.

Op het einde van de avond besluit B., wanneer ze nog met zijn drieën zijn, een flinke hoeveelheid van X. in een drankje te doen van A.

3. A. raakt na enige tijd buiten zinnen en vermoordt C. met een stukgeslagen bierglas. Eenmaal bijgekomen, heeft A. geen idee meer wat hij heeft gedaan. De vragen zijn nu: heeft A. schuld, moet A. straf krijgen, moet A. behandeld worden? En welke schuld heeft B.? En moet B. gestraft worden? Volgens welke maatstaven moet hij worden berecht?

4. De eenvoudigste oplossing lijkt te zitten in het principe dat in dit geval A. niet verwijtbaar is komen te verkeren in een toestand van een ziekelijke storing van zijn geestvermogens. Culpa in causa vervalt hier dus voor A.; er is in dit geval duidelijk geen sprake van voorwaardelijk opzet. Immers, had A. zelf (in grotere hoeveelheiden) het middel ingenomen, dan was zijn daad verwijtbaar geweest. De daad zelf is weliswaar in een roes begaan, maar had A. ervoor gekozen het middel te nemen, dan was het feit dat A. kennis had dat X. hem in een gevaarlijke roes zou brengen, te verwijten geweest. In dit geval is er echter sprake van een onvrijwillige roes, waarbij er een causaal verband tussen de stoornis die veroorzaakt is door de roes en het strafbare feit aannemelijk is, die geleid heeft tot iets wat zowel niet gewenst, gewild als voorzien was. Er is hier dus geen sprake van een van oorsprong vrije handeling (actio libera in causa).

5. Ingewikkelder wordt het bij andere vragen. Verschuift bijvoorbeeld de culpa in causa naar B., zodanig dat B. hier feitelijk A. is? Laten we eens aannemen dat B. A. willens en wetens aan een zeker risico heeft blootgesteld een misdaad te plegen. In theorie zou het mogelijk zijn dat A. daarmee iets heeft gedaan wat B. niet alleen had kunnen vermoeden of voorzien (we achten hier een aanmerkelijke kans aannemelijk), maar ook zelf had willen doen. Dat er sprake is van een kans volgt uit het feit dat er in deze casus, en waarschijnlijk in de praktijk, geen zekerheid bestaat of kan bestaan bij B. over het handelen van A.

Dit laat sterk denken aan de casus die Richard Taylor beschrijft in Metaphysics (1974) waarin het compatibilisme wordt aangevallen. Daarin voert hij een ingenieuze fysioloog op die door middel van een afstandsbediening een kastje kan bedienen in een persoon, zodat die persoon bepaalde handelingen verricht, en daarbij ook de indruk heeft dat hij die handelingen wil verrichten. Uiteindelijk stelt Taylor dat men weliswaar een handeling kan willenVrijheid?, maar het willen niet veroorzaakt mag zijn door een externe oncontroleerbare factor, wil het handelen vrij zijn (i.e.: 1. ‘An action that is free must be caused by the agent who performs it, and it must be such that no other set of antecedent conditions was sufficient for the occurrence of just that action’ en 2.   ‘An agent is a self or person, and not merely a collection of things or events, but a self-moving being’ (pp. 51-52).) Deze uitgangspunten sluiten aan bij het gezonde verstand dat ook zal zeggen dat in dit geval A. onvrijwillig iets heeft gewild. Hij is immers geen agent in de zin van self-moving being. Zijn willen mag en kan immers niet worden toegeschreven aan een weloverwogen handelen (desire+believe, uitgangspunten voor een self-moving being), waardoor A. geen verantwoordelijkheid heeft (waarbij hij de gevolgen van zijn gedrag kan aanvaarden) met betrekking tot zijn daad C. te vermoorden. De vraag die eventueel nog rest is hoe arbitrair het willen onder invloed is. Wil men niet te snel in de psychoanalytische verklaringen vallen van onderdrukte verlangens die manifest worden door in dit geval X. (waarbij er sprake is van een soort indirecte verantwoordelijkheid, omdat A. immers wel degelijk die verlangens had, in dit geval C. iets aan te doen) dan zou ik stellen dat een grote hoeveelheid X. A. volledig ontoerekeningsvatbaar heeft gemaakt.

Waar zou in dit geval B. voor moeten worden vervolgd? Waarin verschilt deze situatie van de situatie waarin B. zelf zijn vrouw had vermoord? Het verschil kan hooguit gevonden worden in de kans. De casus zou wat dat betreft zodanig kunnen worden geformuleerd, dat B. zeker zou zijn van de gedragingen van A. indien hij X. had toegediend, maar dan speelt de casus zich exclusief af binnen de gedachten. In praktische zin zal het overigens zo zijn dat het willen van B. nauwelijks kan worden bewezen.

Vergelijkbare gedachte-experimenten zijn te bedenken met hypnotiseurs. Stel bijvoorbeeld eens dat ik aan een hypnotiseur vraag dat hij mij hypnotiseert met het verlangen mijn vrouw te vermoorden. Wie moet(en) er dan worden vervolgd indien ik dat daadwerkelijk doe? Bij wie ligt de verantwoordelijkheid? Welke straffen moeten er worden uitgedeeld?

6. Is de reden dat niet iedereen die gedrogeerd wordt met (een aanzienlijke hoeveelheid) X. een strafbaar feit pleegt, aanleiding om A. te straffen? Nee, de straf zou zowel een preventief als een repressief doel missen. Of is er dan tenminste aanleiding om A. te verplichten tot medicatie of therapie, zelfs wanneer A. zoals door deskundigen is vastgesteld moreel (er is geen enkel verlangen) in staat is X. geheel te laten? Dat zou ongetwijfeld het geval kunnen zijn indien de kans dat A. onvrijwillig met X. wordt gedrogeerd aanzienlijk zou zijn. Maar zelfs wanneer de kans buitengewoon klein zou zijn, zou er een reden kunnen zijn A. te verplichten. Immers, de mogelijke gevolgen zijn aanzienlijk te noemen. In hoeverre weegt dan de vrijheid die A. moet opgeven op tegen de buitengewoon kleine kans dat hij wederom in een situatie terecht komt, waarbij hij gevaarlijk kan worden? In hoeverre mag de vrijheid (of gezondheid) van een individu worden geofferd aan de potentieel kleine kans op herhaling van een strafbaar feit? Daargelaten, dat zowel medicatie als therapie niet alleen langdurig zijn, maar ook geen exclusief uitsluitsel geven dat A. in een identiek geval geen gevaarlijk gedrag zal vertonen.

Het ziet er voorlopig naar uit dat slechts wanneer X. wereldwijd vernietigd wordt, er enige rust in de gedachten kan ontstaan…

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2017 Stephan Wetzels © All Rights on texts Reserved