Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Ter verdediging van de racefietser op de openbare weg

Een persoonlijk perspectief

– Anticipeer op iedere medeweggebruiker zo dat je hem het meest domme verkeersgedrag toedicht wat op dat moment maar te bedenken is-

Ieder begin van de lente tot aan het hoogtepunt van de zomer is de racefietser of de wielrenner de gebeten hond. Van de politie die (symbolisch) extra gaat controleren op roekeloze wielrenners tot ongefundeerde haat op vele fora.

Dat valt al vele jaren op en wordt waarschijnlijk niet minder. Een bedroevend slecht geschreven artikel met nog meer taalfouten dan mislukte grappen van ene Marcel Harmsen geeft de tendens prima weer: ‘Wielrenners maken weinig geluid, rijden vaak knoerthard, kunnen meestal moeilijk een rechte lijn volgen, doen hun ding vaak in groepjes, vinden zichzelf King of te Road.’ (sic)
Kortom: ‘Wielrenners flikker op!’

Zo wordt er door veel mensen zonder al te veel diepte gedacht en in veel media over wielrenners gesproken. De racefietser zit in een vreemd negatief frame, waaruit maar moeilijk lijkt te ontsnappen. Toch pleit er genoeg voor een veel genuanceerder beeld. Ik geef wat voorzetten op basis van eigen ervaringen.

Ik fiets al enige jaren voor het plezier op een racefiets, om zowel de gedachten als het lichaam te bewegen. Naast het belangrijke feit dat ik ontdekt heb dat het vrijwel niets uitmaakt of ik op een fiets van € 1500 of € 5500 mij voortbeweeg, heb ik ook ontdekt hoe ongelofelijk veel verkeersovertredingen er worden gemaakt. En dan heb ik het niet over de racefietsers.

Als ik een eenvoudige middagrit van afgelopen week eens als uitgangspunt neem, waar ik ongeveer 60 km reed met een gemiddelde van 32 per uur over voornamelijk rechte en overzichtelijke wegen, dan kan ik zonder veel nadenken de volgende situaties beschrijven die ik tegenkwam:

  • wandelaars met een loslopende hond waar een hond niet los mag lopen. Die hond loopt dan natuurlijk zigzaggend over het fietspad
  • twee fietsers die al spelend met hun telefoon geheel in hun eigen wereld lijken te verkeren en geen enkel idee hebben van het overige verkeer. Op het fietspad rijdt er één meer aan de linker- dan aan de rechterkant, wat inhalen gevaarlijk maakte. Bellen had geen zin (ja ik heb een fietsbel!), want hij luisterde naar muziek
  • auto’s die geen richting aangeven of plotseling afslaan. Maar vooruit, dat wijt ik aan Kanaleneiland waar dat een gewoonterecht is geworden
  • als klap op de vuurpijl het gevaarlijkste wat ik tegenkwam, namelijk een vader met zijn kleine dochter achter zich in plaats van voor zich die zonder omkijken en zonder het uitsteken van een linkerhand volledig onverwacht links de weg oversteekt, waarna zijn dochtertje blind volgt.

Toen ik de beste man nog vriendelijk toeriep dat hij misschien zijn hand beter kan uitsteken volgende keer, viel mij een onlogische tirade ten deel.

Nu moet men weten dat ik een zeer bange en calculerende racefietser ben. Ik neem bochten met de rem vol erop, ik zit nooit dicht op een achterwiel, ik kijk altijd dubbel achterom bij inhalen en bovenal anticipeer ik op iedere medeweggebruiker zo dat ik hem het meest domme verkeersgedrag toedicht wat ik op dat moment maar kan bedenken. Dat gaat ten koste van snelheid, maar is ook precies de reden waarom ik dat meisje niet overhoop reed toen haar vader zonder omkijken dwars de weg overfietste, omdat ik er al rekening mee hield dat hij dat mogelijk zou kunnen doen. Wat echter geen enkele zin heeft, is om te proberen medeweggebruikers aan te spreken op hun gevaarlijke gedrag, domme handelingen of idiote verkeersmanoeuvres. Want het is altijd de schuld van de racefietser heb ik gemerkt.

Uit onderzoek blijkt dat er 815.000 wielersporters in Nederland zijn. Als ik er vanuit ga dat in het hoogseizoen deze wielersporters gemiddeld drie keer per week op de fiets zitten en ze daarbij even veel verkeersovertredingen waarnemen dan ik tijdens een gemiddelde training, dan levert dat een kleine 10 miljoen vastgestelde handelingen op die eigenlijk niet thuishoren in het verkeer. Als ik heel conservatief reken en 10% van die handelingen als een reëel gevaar voor de racefietser beschouw, hebben we het over bijna 100.000 situaties per week waarin een racefietser in gevaar wordt gebracht door een ander.

Het mag een wonder heten dat er dan feitelijk relatief weinig daadwerkelijke ongelukken plaatsvinden. Of wellicht is het wonder te verklaren door het feit dat juist de racefietsers sterk anticiperen op verkeersovertredingen en gevaarlijke situaties, omdat ze zich in een extreem kwetsbare situatie bevinden. Het is ook mijn ervaring met trainingsgroepen op de weg, dat er met zekere discipline wordt gefietst, bewust van de omgeving waarin met elkaar gecommuniceerd wordt over veiligheid. Racefietsers weten als geen ander dat vrachtwagens uit het niets kunnen opduiken, auto’s vaak geen richting aangeven en mensen zitten te bellen en muziek te luisteren op de fiets. Dan laat ik fietspaaltjes, smalle wegen, slechte wegen met scheuren en gaten en kuilen, 45KM auto’s op fietspaden en opgevoerde scooters buiten beschouwing.

Niemand hoeft me uiteraard te vertellen dat er ook overtredingen worden begaan door racefietsers. Maar ik plaats dat hier in een perspectief. Natuurlijk kan adrenaline de overhand nemen, is er onterechte ergernis over scootmobielen die met 10 km/h voortbewegend het fietspad blokkeren of wordt er wel eens randje rood gepakt bij een stoplicht.

Maar als ik de racefietser zou moeten beschrijven, is dat als volgt: Een verstandige beweger die meester is in het anticiperen, vanuit kwetsbaarheid zijn eigen veiligheid en dus die van anderen vooropstelt en welbeschouwd gemiddeld de nationale ziektekosten nog aardig drukt ook.  

Onthoud die beschrijving en je hoeft je nooit meer druk te maken over racefietsers, tenzij je natuurlijk van je sokken wordt gereden…

 

___________

Lees ook: Zijn racefietsers vogelvrij?

Utrecht Centraal: impressie van de chaos compleet

-Utrecht Centraal: impressie van de chaos compleet-
Of: hoe een tevreden Maastrichtenaar, via het gemoedelijke Nijmegen de chaos van de grote stad trotseert.

‘Bureaucraten geven niets om levensgevaarlijke situaties, zoveel heb ik geleerd’, zei iemand. ‘Die zijn enkel bezig met een beeld van een toekomst wat ze zelf hebben gecreëerd. Het heden moet daar voor wijken’.

Al enige weken ben ik een dagelijkse getuige van een heden dat moet wijken. Aan wat nog het meest laat denken aan een post-apocalyptische woestenij zoals we dat uit films kennen, (ver)dwaal ik rondom het Centraal Station van Utrecht. Het is er werkelijk  zo’n ongelofelijke chaos dat je er ter plekke ongelukkig van wordt.  Ik heb in een week tijd zeker vier mensen gezien die in een levensgevaarlijke situatie terecht kwamen en op de rand van de dood balanceerden.  Bus vs. fietser. Voetganger vs. taxi. Een oorlog van allen tegen allen.

Het is me daarom een raadsel waarom er desondanks zo’n relatieve rust heerst om dat Centraal Station. Het aanschouwen van de gelatenheid van de in zichzelf gekeerde mensen die altijd haast lijken te hebben, is misschien nog wel akeliger dan het aangezicht van de honderden meters stof en puin en de gammele stellages. De met graffiti bespoten muren en de volstrekt willekeurig geplaatste ijzeren hekken. De elkaar tegensprekende verkeersborden en dat eindeloze fietsenkerkhof.

Fietsenkerkhof UtrechtJa, dat afzichtelijke fietsenkerkhof! Want hoeveel fietsen hebben niet rondom het CS Utrecht hun laatste rustoord gevonden? De vervallen roestbak tegen de naar urine stinkende boom… De uit elkaar gevallen omafiets hangende aan gene zijde van een rek… Alleen al het prangende beeld van deze dump zo ver men zien kan, heeft me in menig droom achtervolgd. Je vindt het pas echt in Utrecht. Droomstad.

Terwijl ik me als een beschonken acrobaat langs talloze in tegengestelde richting lopende mensen moet manoeuvreren, omdat er maar één looprichting mogelijk is naar de bussen, sta ik even later te wachten op een bus. Vaak staat de bus zo ver weg klaar, dat je al van een kilometer kunt zien aankomen dat hij ieder moment kan wegrijden. Ik gaf me nog wel eens over aan een wanhopige sprint, maar ik weiger nu nog te rennen voor de gunst van een chauffeur.

De bus die ik moet hebben komt maar niet. Ik sta er al zeker een half uur. Er schijnt weer wat gebeurd te zijn zo roezemoest het. Het mooie is wel dat zelfs immer drukke mensen rustig worden van eeuwig wachten. En vanuit een gezamenlijk wachten ontstaat er altijd wel een ontmoeting, een gesprek. Gedeelde smart is halve smart. Utrecht brengt mensen samen! Wel op een heel wonderbaarlijke manier…

Welke ambtenaar deze gekte ook op zijn geweten heeft, je moet er medelijden mee hebben, zoveel is me helder. Veel anders komt hem niet toe vermoed ik. MedelijdenCalimero heb ik ook met de ongelukkige die ze een geel hesje hebben gegeven, al dan niet bedrukt met ‘prorail’ of ‘veiligheid en service’. Ik zie een jongeman die druk staat te gebaren in zijn veel te grote reflectiehemd. Hij lijkt een willekeurig van de straat geplukte student, en ik heb het bange vermoede dat ze hem wijs hebben gemaakt dat hij een belangrijke taak heeft. Namelijk: alles in goede banen leiden. Maar hoe hij ook druk doende is, in goede banen gaat het natuurlijk nooit. Het gaat niet eens in banen. Sterker nog, hij lijkt zijn eigen leven te wagen voor een hopeloze zaak. Ternauwernood zie ik hem net voor een bus weg springen. En wonderwel, dan vangen de drukke gebaartjes weer aan…alsof er niets gebeurd is.

Moet ik ook gelaten worden?  Zien ze me nog in 2030, zoals de posters hopen? 2030! Waar is het ontzag voor de tijd gebleven! Moet ik onkunde, bureaucratie en emotieloze ambtenaren voor lief nemen? Moet ik me troosten met de woorden van de Utrechtenaar die zo graag wijst op die mooie binnenstad? Ik heb het gevoel dat de gelaten mens misschien wel verder is dan ik, in plaatst van oneindig achter geraakt. Misschien is het zelfs geen gelatenheid, maar een soort superkracht die ik nog moet ontdekken. Misschien moet ik gewoon nog wennen aan de Grote Stad…

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2017 Stephan Wetzels © All Rights on texts Reserved