Een promovendus in de fenomenologie vroeg me om een overweging te schrijven over de discussie die woedt omtrent de Maastrichtse hoogleraar preventieve geneeskunde Onno van Schayck. De discussie is lang, breed en kent alle fora bij elkaar genomen wel duizenden reacties.

Voor een overzicht zie:

Prof. Onno van Schayck over beenverlenging (Geloof en wetenschap)

Hoogleraar zag been aangroeien na gebed (Universiteitsblad Observant (document))

Onno van Schayck stapt op na ‘genezingswonder’ (cip.nl)

Affaire van Schayck is geen polemiek waard (Sargasso)

Debat in Maastricht met Onno van Schayck (26 maart 2013) (Geloof en wetenschap)

Hoogleraar blijft erbij: ik zag been aangroeien (Trouw)

Kort gezegd was Van Schayck ooit getuige van een wonderbaarlijke genezing na (christelijk) gebed. Via röntgenfoto’s werd zijns inziens bevestigd dat er een verandering was opgetreden die volgens hem niet geneeskundig kon worden verklaard. De röntgenfoto’s zijn nooit overlegd, maar zouden een groei van ongeveer 1 à 2 cm van een been laten zien van een persoon tussen de 40 en 50 jaar. Van Schayck blijft erbij dat hij iets gezien heeft wat hij een wonder noemt. De opwinding is ontstaan doordat de schijn is gewekt dat Van Schayck vanuit zijn positie als medische autoriteit het wonder vanuit medisch oogpunt heeft proberen te objectiveren, waarmee er een ontoelaatbare mengeling zou zijn ontstaan van geloven en weten.

Nihil tam absurde dici potest quod non dicatur ab aliquo philosophorum (Cicero, De Divinatione, ii. 58.)

De discussie tussen geloven en weten, tussen geloof, religie en wetenschap vermoeit me op een buitengewone manier, omdat het een discussie is waarin geen ontwikkeling meer zit. Het onderwerp is “op” en “uitontwikkeld”; niet alleen is alles erover gezegd wat menselijkerwijs mogelijk is, maar alles is ook al eindeloos herhaald. Deze bijdrage mag men dan ook gerust beschouwen als een paradox, die met tegenzin en vermoeienis tot stand is gekomen.

HerhalingDat de herhaling zich telkens in een andere gedaante openbaart, zoals in dit geval in een hoogleraar die een (persoonlijke) mededeling doet over een religieuze ervaring, en telkens weer gepaard gaat met dezelfde overspannen bombarie en stortvloed aan reacties, wekt de illusie dat het hier om iets belangrijks gaat. Iets wezenlijks waarin er sprake zou zijn van een “juist” of “onjuist”. Daar is echter geen sprake van. Zowel geloven als weten is gerechtvaardigd binnen de eigen grenzen. Maar wanneer ze elkaar ontmoeten, zoals in het geval Van Schayck het geval lijkt, ontstaat er paniek. Terwijl voor eenieder die verder kijkt dan zijn neus lang is het zonneklaar moet zijn dat zowel de wetenschapper als de gelovige ook bij Van Schayck feitelijk van elkaar gescheiden is.

Maar deze paniek is inmiddels ook dodelijk vermoeiend. Ik heb daarbij het idee dat de panische opwinding die ontstaat, ingegeven en versterkt door bijvoorbeeld overdadige media aandacht en alle clichématige blogs en krantencommentaren, meer draait om de opwinding omwille van de opwinding, dan om de opwinding die met recht is ingegeven door het schokkende en nieuwswaardig bronnenmateriaal.

Nee, media weten dat een onderwerp als dit op de een of andere manier ontzettend veel mensen aantrekt die graag wat willen en kunnen roepen. Want iedereen kan er iets van vinden. Ik noem het maar een soort aangeleerde ‘opwindingsgeilheid’ gevoed door economische wetten: ‘Aha, we hebben weer een prominente wetenschapper gevonden die heel waarschijnlijk mogelijkerwijs een hele rare religieuze sprong maakt waaraan hij het woord röntgenfoto en wetenschap heeft gekoppeld. Wie schiet als eerste?’

Klaarblijkelijk is men niet in staat om een wetenschapper op dat moment nog in het licht te zien van zijn wetenschappelijke werk. Dat Van Schayck een fatsoenlijk en groot wetenschapper is, is overduidelijk. Het is daarom ook onbegrijpelijk dat hij zelf (dan wel ingegeven door allerlei persoonlijke krachten om hem heen) heeft besloten om terug te treden als directeur van het gerenommeerde onderzoeksinstituut Caphri. In een verklaring zei Van Schayck dat hij stopt “vanwege de media-aandacht in de afgelopen weken rondom mijn persoon. Ik wil voorkomen dat onze School mogelijk hierdoor schade lijdt.” Het terugtreden lijkt mij dan een vorm van zwichten voor mensen die de ruimte voor nuance in de discussie en de bestaande gigantische hoeveelheid objectieve wetenschappelijke prestaties geheel uit het oog zijn verloren. Caphri had nooit moeten accepteren dat omwille van een incident als dit iemand terugtreedt.

Dat een wetenschapper als Van Schayck juist vanuit zijn wetenschappelijke denken af en toe geneigd is te trachten zijn geloof te objectiveren, of dat hij zich hiertoe op zijn minst heeft laten verleiden, is ongelukkig doch een begrijpelijke denkfout die geen enkele paniek of polemiek rechtvaardigt. Het is een vorm van beroepsdeformatie waarbij twee onafhankelijk van elkaar bestaande werelden elkaar heel even kruisen. Iedere gelovige weet namelijk dat zodra een wonder wordt geobjectiveerd, het wonder daarmee ophoudt te bestaan. De verleiding om wonderen te objectiveren door middel van bijvoorbeeld het aandragen van wetenschappelijke verklaringen, is in zichzelf paradoxaal en bovendien zonder doel: een atheïst zal er nooit door gaan geloven, en een gelovige heeft het bewijs niet nodig.

De poging waarin Van Schayck verzeild is geraakt laat nog het meest denken aan wat middeleeuwers probeerden te bewerkstelligen met Godsbewijzen; al wisten mannen als Thomas en Anselmus juist al te goed dat hun redelijke bewijzen voor het bestaan van God vooral geschikt waren om gelovigen een riem onder het hart te steken. Misschien heeft ook Van Schayck dat voor ogen gehad: een geruststelling voor gelovigen en voor zichzelf dat het onmogelijke wetenschappelijk kan worden aangetoond, waarmee het geloof in het onmogelijke wordt gerechtvaardigd.

Wonderen

Prof. dr. C.P. van SchayckMaar Van Schayck heeft het verkeerde wonder gebruikt. En misschien heeft hij te nadrukkelijk gezocht naar een relatie tussen gebed en een fysieke verandering. Van Schayck had de wereld en zichzelf op een andere manier moeten toespreken en moeten zeggen:

‘Jullie willen iets weten over een wonder? Nou luister dan goed. Dat ik er ben is een wonder! Dat iemand hoort en ziet dat ik er ben is een wonder! Dat er iedere dag een kind geboren wordt is een wonder! En het is een wonder dat er appels aan een boom groeien en dat water naar beneden stroomt en dat de wind waait van links naar rechts. En het is een wonder dat we geloven dat dat in essentie wetenschappelijk is te verklaren.’

‘En de momenten waarin ik God zie optreden, iedere dag weer, zit niet in het feit dat een been een centimeter langer wordt, maar zit in het feit dat voor wie gelooft het niet uitmaakt  dat zijn been een centimeter korter is. De ziekte is niet tot de dood voor wie gelooft. En juist omdat ik geloof dat Hij bestaat, is geen enkele ziekte tot de dood. Als de dood het grootste gevaar is, dan hoop je op het leven en bidt je voor genezing. Maar als de dood niet het grootste gevaar meer is, dan zie je het Leven.’

Ik heb zelf veel gebeden en ik ontdekte dat ik in een toestand kwam waarin ik van alle twijfel was gezuiverd, dat ik in een toestand belandde waarin ik niet meer afhankelijk was van een foto of een of ander bewijs, maar dat ik geloofde zonder dat ik zag en dat ik wist dat wat ik geloofde waar was.

‘En nu ga ik weer mensen beter maken als u het niet erg vindt, want dat is ook mijn vak.’