Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Het recht een zwangere vrouw alcohol te weigeren

Aanreikingen voor een tafelgesprek

In deze overweging sta ik stil bij een casus* waarbij er een klassiek spanningsveld bestaat tussen recht en moraal. Wie wil kan er volledig in verdwalen, want de complexiteit is enorm. Dat is althans mijn opvatting nadat ik er enkele dagen aan heb besteed de finesses ervan te bestuderen in de literatuur.

Desondanks leent de casus zich uitstekend voor intuïtieve opvattingen en tafelgesprekken.

De situatie is als volgt:

Casus I
Je bent werkzaam in de horeca. Op enig moment neemt een vrouw, die overduidelijk hoogzwanger is, plaats aan de bar en bestelt een fles wijn. Je weigert echter de vrouw deze wijn te schenken. De vrouw is verontwaardigd en klaagt bij je baas. Die sommeert je vervolgens je werk te doen. Je blijft echter weigeren de vrouw te bedienen, wat voor hem een reden is voor ontslag op staande voet wegens werkweigering.

In deze casus spelen verschillende variabelen een rol.

Allereerst gaan we ervan uit dat het zeker is dat deze vrouw hoogzwanger is en haar kind wenst. Daarmee bedoel ik tenminste voorbij de 24 weken en in blije verwachting. Voorts nemen we aan dat de vrouw van plan is deze fles wijn te nuttigen, waarbij er geen sprake is van dronkenschap wat een legitieme reden zou zijn om te weigeren. Tenslotte gaan we ervan uit dat je baas je redelijke instructies geeft hoe de zaak volgens hem af te handelen, die echter niets afdoen aan je gewetensbezwaar.

De discussie gaat mij niet zozeer over ‘de waarschijnlijkheid’ of ‘de randvoorwaarden’, maar om de vraag of iemand die in dit geval op goede morele gronden werk weigert, daarvoor gestraft moet worden. Zijdelings hiermee verbonden is de vraag of de wet iemand kan dwingen immoreel te handelen. De dwang is hier de sanctie die staat op werkweigering.

Allereerst zal ik stilstaan bij wat ik hier beschouw als een goede morele grond op basis waarvan een handeling gerechtvaardigd is. De stellingen zijn voor discussie vatbaar, maar ik ga er vanuit dat ze uiterst redelijk zijn. Voor mijzelf bezitten ze een klaarblijkelijke evidentie. Ik zal aansluitend één en ander kort toelichten.

  1. Het is fout om bewust schade toe te brengen aan (beschermt) ongeboren menselijk leven

  2. Het is fout om iemand die van plan is bewust schade toe te brengen aan (beschermt) ongeboren menselijk leven daarin te ondersteunen, te helpen of te faciliteren

  • (NB: het is irrationeel om bewust schade toe te brengen aan een ongeboren gewenst menselijk leven)
  1. Waar het binnen iemand zijn mogelijkheden ligt om schade aan (beschermt) ongeboren menselijk leven te voorkomen, heeft hij de plicht om dat te doen

Ad 1.
Ik ga er vanuit dat dit een evident axioma is. Onder beschermt ongeboren menselijk leven versta ik hier het menselijke leven wat in staat is op zich te bestaan. In Nederland hanteren we hiervoor de 24 weken grens in de zwangerschap, waarna het kind ook buiten de baarmoeder levensvatbaar is.

Het is overigens ironisch dat de effecten van alcohol aan een kind jonger dan 24 weken in de zwangerschap nog schadelijker zijn. Het staat de lezer vrij het dilemma te doordenken in iedere fase van de zwangerschap.

Ad 2.
Wanneer een moeder haar pasgeboren kind zichtbaar wijn te drinken zou geven, zou dit voor niemand die over enige morele en verstandelijke vermogens beschikt acceptabel zijn. Het is daarom vreemd dat er twijfel zou zijn indien de moeder dit doet bij haar ongeboren kind van zeg 34 weken of zelfs enkele dagen voor de geboorte. Uit de laatste inzichten blijkt dat er geen veilige grens bestaat betrekking tot alcoholconsumptie gedurende de zwangerschap. Chang, Lockwood en Eckler (2016) concluderen verder in Alcohol intake and pregnancy (UpToDate Topic 4798) dat ‘Alcohol consumption appears to have negative effects throughout pregnancy’. Voorts adviseren ze ‘abstinence from alcohol at conception and during pregnancy’. Meer informatie over schadelijke effecten is hier te lezen.

Maar het behoeft eigenlijk geen nadere toelichting dat het drinken van alcohol (ernstige) schade kan toebrengen. Of dat nu een glas is of een fles, er is een aanmerkelijk risico op cel- en ontwikkelingsschade. Dat leidt tot de ‘nota bene’, waarin ik stel dat het volstrekt irrationeel is iets wat je graag wenst opzettelijk schade te berokkenen. Hieruit zou kunnen voortvloeien dat het een vanzelfsprekendheid is een vrouw er op te wijzen dat zij in strijd handelt met haar eigen wensen en belangen.

Ad 3.
Iemand zou nog naar een zelfbeschikkingsrecht van de moeder kunnen verwijzen. Maar dat is hier niet relevant, aangezien er evenzeer een recht is van iemand om niet bij te hoeven dragen aan het berokkenen van schade aan (beschermt) ongeboren menselijk leven. Dat is althans mijn stellige overtuiging in deze discussie. Iemand daartoe verplichten is absurd. Dat de moeder dan elders haar fles wijn zal bestellen, doet niet af aan iemands persoonlijke morele verantwoordelijkheid niet bij te dragen aan het schaden van beschermt ongeboren menselijk leven. De kastelein elders heeft daarin zijn eigen verantwoordelijkheid. Gelet op de wijze waarop ik de stelling formuleer, zou hij echter evenzeer de plicht hebben om de vrouw de fles wijn te weigeren om bovenstaande redenen.

Juridische status

In de preambule van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) is vastgesteld dat het kind ‘bijzondere bescherming en zorg nodig heeft, met inbegrip van geëigende wettelijke bescherming, zowel voor als na zijn geboorte’. De juridische geldigheid hiervan is beperkt, maar het geeft een nadrukkelijke aanwijzing. De discussie over de juridische status van het ongeboren kind is voorts zeer complex en kent vele verschillende nuances en richtingen.

Artikel 1:2 van ons Burgerlijk Wetboek biedt die ruimte ook nadrukkelijk. We lezen: ‘Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.’

Het is echter niet strafbaar om een hoogzwangere vrouw alcohol te schenken, hoewel het overduidelijk is dat dit niet in het belang is van het kind. De wet voorziet simpelweg niet in een strafbaarstelling hieromtrent. In die zin kan het huidige strafrecht niet bewerkstelligen dat het ongeboren kind daadwerkelijk gezond geboren wordt, hoewel er natuurlijk wel allerlei maatregelen kunnen worden getroffen waarbij de moeder onder toezicht komt te staan. Het voert te ver om hier nu nader op in te gaan**.

Nederland kent verder ook geen ondubbelzinnige wettelijke bepalingen ter voorkoming van schade aan een toekomstig kind zoals dat bijvoorbeeld in Tsjechië en Slowakije wel wettelijk is geregeld.  Dat iets niet juridisch helder is vastgesteld, zegt echter nog niets over onze morele verantwoordelijkheid. En het gaat mij hier dus om de redelijkheid van de morele opvatting, die iemand in vrijheid moet kunnen hebben en waarnaar hij zonder last en ruggespraak moet kunnen handelen.

In deze discussie hanteer ik de opvatting dat de geboorte niet doorslaggevend is om bescherming tegen ontwikkelingsschade te genieten, maar dat ook het ongeboren kind recht heeft op bescherming tegen invloeden die aantoonbaar schadelijk zijn voor zijn (toekomstige) leven. Mijn argument daarvoor is afgeleid van Don Marquis’ ‘deprivation argument’***. Het kind heeft recht op een toekomst evenzeer zoals wij dat hadden en hebben vanaf het moment dat wij levensvatbaar waren. Het toebrengen van schade is een gevaar voor iemands toekomstige gevoelens, ervaringen, geneugten en activiteiten op grond waarvan hij zijn leven vorm wil geven, op dezelfde wijze als dat het toebrengen van schade aan ons een bedreiging vormt voor onze toekomstige gevoelens, ervaringen, geneugten en activiteiten op grond waarvan wij ons leven vorm willen geven.

Argumenten om niet te weigeren

Iemand die geen aarzeling voelt de fles wijn te schenken, zal daarvoor zijn redenen hebben. Ik bedenk hier kort welke redenen dat zouden kunnen zijn. Redenen die zijn terug te voeren tot ‘ik voer slechts uit’ laat ik vanwege hun evidente armoedige karakter achterwege.

De voornaamste reden is waarschijnlijk het zelfbeschikkingsrecht van de moeder. Ik heb al aangegeven dat dit voor mij niet een bepaald sterk argument is. Iemand moet dus indien hij zich beroept op dit argument ook een oordeel vormen over de status van het ongeboren kind. Waarschijnlijk beoordeelt hij die status zodanig dat het zelfbeschikkingsrecht van de moeder altijd hoger wordt gewaardeerd dan de gezondheid van haar ongeboren kind. De vraag is of iemand dan helemaal geen grens heeft, of simpelweg het gevolg van het leegdrinken van de fles wijn onderschat of op de koop toeneemt. Ik neem aan dat iemand nog wel een fles wijn kan schenken, maar de moeder toch niet zou willen voorzien van een dosis xtc omdat ze toevallig naar een dansfeest wil. Ik neem evenzeer aan dat de persoon die de fles wijn schenkt dit zou weigeren indien de moeder reeds bevallen is en een gedeelte van deze wijn ook aan haar kleine geeft.

Het blijft voor mij dan ook sterk de vraag – zelfs met het idee van zelfbeschikking in het achterhoofd- wat het verschil is tussen een kind twee dagen voor de bevalling die de nodige wijn consumeert terwijl zijn moeder deze drinkt, en een kind twee dagen na de bevalling waarbij de moeder het kind een vergelijkbare hoeveelheid wijn te drinken geeft.

Voorts kunnen economische redenen worden aangewend. Een café schenkt nu eenmaal drank aan consumenten. De moeder is hier niets meer dan een consument met een eigen verantwoordelijkheid, waarbij het simpelweg niet strafbaar is wijn te verkopen. Dat is een soort legalisme, waarbij de moraal ondergeschikt is aan wat de wet al dan niet voorschrijft wat juist is.

Iemand zou nog kunnen zeggen dat hij niet wil discrimineren. Wat betreft dat laatste is er een interessant artikel hier te vinden, waarin de staat New York het verboden heeft op grond van discriminatie zwangere vrouwen te weigeren in cafetaria of waaruit blijkt dat het verboden is zwangere vrouwen alcohol te weigeren op grond van discriminatie. Zie hier het document NYC Commission on Human Rights Legal Enforcement Guidance on Discrimination on the Basis of Pregnancy waarin de richtlijnen staan uitgewerkt.

Ik blijf echter stellig ervan overtuigd dat het ondanks deze richtlijnen nog steeds oneigenlijk, onredelijk en immoreel is van iemand te verlangen dat hij bijdraagt aan het schaden van een ongeboren kind.

Slippery slope

Het recht om op morele gronden te weigeren een zwangere vrouw een fles wijn te schenken, omdat dit aantoonbaar schade oplevert voor een ongeboren kind, lijkt wellicht voor velen een uitgemaakte zaak. Het gaat in tegen het idee om kwetsbaar leven de best mogelijke kans te bieden een toekomst te genieten zoals wij die zelf voor ons zien. Het is bovendien in strijd met de redelijkheid indien de moeder zelf haar kind wenst. Ik kan mij goed voorstellen dat ik geen enkele aarzeling heb mij derhalve te verzetten tegen een opdracht om alcohol te schenken aan een zwangere vrouw en dat ik daarbij de vrouw in kwestie zal wijzen op haar irrationele gedrag.

Ik heb kort enkele argumenten genoemd die door mensen die wel zouden schenken zouden kunnen worden aangehaald. Het sterkste argument echter zit er mijn inziens in door te verwijzen naar het hellende vlak. Hoe evident het voor mij is in dit geval te weigeren, hoe evident is het om in de volgende gevallen te weigeren? Ik noem tenslotte enkele voorbeelden waarbij dit hellende vlak (min of meer) duidelijk blijkt. Het is aan de lezer zelf varianten te bedenken of variabelen toe te voegen die de discussie scherper of ingewikkelder maken. Bedenk ook in welk opzicht de afwezigheid van sancties je moreel standvastiger zouden maken.

Casus II
Je werkt bij de Albert Heijn. Aan de balie komt een hoogzwangere vrouw. Ze vraagt om een slof sigaretten. Nadat het je duidelijk is geworden dat deze sigaretten voor haarzelf zijn, weiger je haar de sigaretten te verkopen.

Vergelijk deze casus met de volgende:

Casus III
In het park tref je een hoogzwangere vrouw aan die van plan is een sigaret op te steken. Ze zoekt naar haar aansteker, maar kan deze zo snel niet vinden. Ze spreekt je aan en vraagt of je een vuurtje voor haar hebt. Ondanks dat je
toevallig een aansteker bij je hebt, weiger je haar het vuurtje.

En vergelijk deze casus weer met deze:

Casus IV
Een hoogzwangere vrouw komt op bezoek voor je verjaardag. De huiskamer staat inmiddels blauw met rook waar je vrienden al enige tijd met sigaren in de weer zijn. Je weigert haar je toegang tot de huiskamer.

Casus V
Een kind van ongeveer een jaar of vijf wandelt een patatzaak binnen en bestelt een grote hamburger voor zichzelf. Met extra Joppiesaus. Je ziet het kind aan en schat in dat zijn BMI ongeveer 34 is. Dat komt neer op 43 kg; ruim 20 kg te zwaar derhalve. Je weigert hem de hamburger.

Conclusie

Het is geen gemakkelijke situatie. Opvattingen en meningen zullen behoorlijk uiteen kunnen lopen en sterk afhankelijk zijn van de precieze situatie en de inschatting van het moment. Een wet kan/mag wat mij betreft simpelweg geen algemene richtlijnen stellen voor al die situationele inschattingen, waarbij bijvoorbeeld discriminatie als absoluut uitgangspunt wordt gehanteerd.

Als een wet zoals in dit geval bovendien onduidelijk, vaag en ambivalent is ten aanzien van de (juridische) status van het ongeboren kind, kunnen dus ook geen heldere en duidelijke richtlijnen worden verschaft over hoe iemand zich daar (juridisch) toe moet verhouden. En dus mag iemand zich beroepen op een morele overtuiging waarbij iemand voor zichzelf helderheid verschaft, waar de wet dit nalaat. Dat is ook precies waarom filosofen als John Henry Newman het geweten boven de wet plaatsen: wanneer iemand nadrukkelijk, intuïtief, weloverwogen en vanuit zijn geweten klaarblijkelijk bezwaard is ten aanzien van een richtlijn, wet of voorschrift (of een gebrek daaraan) is er de plicht (en wat mij betreft dus ook het recht) te weigeren hieraan te voldoen, of naar moreel inzicht te handelen. Een sanctie daaraan koppelen is absurd en miskent daarbij iemands recht op een (onderbouwd) gewetensbezwaar.

____________________________________________________

* Met dank aan Jette Mes voor het aandragen van deze casus. Ten behoeve van deze overweging is de casus scherper gesteld.
** Een studie die ik met zeer veel plezier heb gelezen en waar de nodige jurisprudentie wordt aangehaald die in het voordeel kan worden uitgelegd ter bescherming van het ongeboren kind is te vinden in: Mercanoglu, I. (2011). Rechtsbescherming ongeboren kind. Een onderzoek naar de juridische mogelijkheden om een ongeboren kind te beschermen tegen schade als gevolg van een onverantwoordelijke leefstijl van de zwangere vrouw. Heerlen: Open Universiteit.
*** zie voor het betreffende artikel van Marquis uit 1989, hier.  

Mag je je stervende partner verlaten?

Mag je je stervende partner verlaten?
Tussen moreel heldendom en realistisch falen

Enkele beschouwingen bij een ethisch handelen

Mag je je stervende partner verlatenVrijdag 30 mei verschijnt het boek Naupaka van Lideweij Bosman waarin ze probeert uit te leggen waarom ze haar stervende man Sander met wie ze dertien jaren samen was in de steek liet. Buiten een beperkt aantal nuanceringen wordt op sociale media geen spaan van deze vrouw heel gelaten. Veel reacties concentreren zich op de promotie van het boek (moet je op deze manier een boek willen verkopen) en natuurlijk op het verlaten van haar man zelf. Twee weken voor zijn dood vertrok ze namelijk naar Hawaï en kwam ze ondanks zijn verzoek toen hij wist dat hij ging sterven niet terug.

Hoewel we wat betreft de inhoudelijke verantwoording het boek zelf moeten afwachten, staat ons niets in de weg om de titelvraag nader te bespreken in het licht van haar opmerkingen en verantwoording in diverse media. Toegegeven: op basis van het relaas dat ze geeft in onder andere het Algemeen Dagblad, komt ze niet onder een stringent egoïsme uit. Het is dan ook de vraag of daar überhaupt aan te ontsnappen is en of we een manier kunnen vinden om dit toch te begrijpen.

‘Heeft u een wegwijzer wel eens de weg zien gaan die hij wijst’?
Alvorens we nader ingaan op de moeilijkheden die samenhangen met de vraag, is het van belang te begrijpen dat een theoretische beschouwing ten aanzien van een praktische moraal twee wezenlijk verschillende zaken zijn. Veel (vluchtige sociale media-) kritiek die wordt geleverd op een praktisch handelen, veronderstelt dat we in een soortgelijke situatie zelf naar onze kritiek zouden handelen (‘practice what you preach’). Maar het probleem is echter dat we de soortgelijke situatie alleen maar theoretisch kunnen beantwoorden. Met andere woorden, weten we ook daadwerkelijk of wij wanneer onze geliefde jarenlang aftakelt door kanker in staat zijn om hem of haar niet te verlaten?

We zijn waarschijnlijk terecht geneigd om te denken dat we moeten handelen naar onze ethische opvattingen, maar dat is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Ik geloof namelijk dat het wezenlijk onmogelijk is ons voor te stellen is hoe wij precies zullen handelen in zeer complexe sociaal-emotionele situaties.

Desondanks betekent dit niet dat we niet beschouwend of kritisch mogen zijn op iemand die er volgens ons een bedenkelijke praktische moraal op na houdt. Daarbij is echter een voorbehoud op zijn plaats waarbij we ons in ieder geval ervan moeten overtuigen dat iemand daadwerkelijk kan bezwijken onder een ethische eis (in dit geval: “een stervende geliefde laat je nooit achter”). Dit zal ook een kern blijken van mijn stellingname ten aanzien van de vraag:

Mag je je stervende partner verlaten?
Het betreft hier een normatief ethische vraagstelling, die anders gezegd vraagt of het goed is om een stervend iemand achter te laten. Ik ga ervan uit dat we geneigd zijn om op voorhand in te stemmen met de stelling ‘het is beter om een geliefde nabij te zijn wanneer hij sterft, dan om hem te verlaten’. Over waarom deze stelling (mij) vanzelfsprekend lijkt, ga ik hier niet nader in. Mocht de stelling voor de lezer niet als vanzelfsprekend worden opgevat op voorhand, dan verneem ik daarover graag een uiteenzetting.

Wanneer iemand er nu voor kiest om een stervende geliefde achter te laten, ontstaan er op basis van bovenstaande stelling relevante vragen. Is het denkbaar dat zo iets ook goed kan zijn? Is zo iets mogelijk te verantwoorden? Wanneer bijvoorbeeld iemand zegt ‘ik heb mijn stervende moeder achtergelaten terwijl ze naar me vroeg’, dan eisen wij intuïtief een zeer sterke verklaring. Het probleem is echter dat iedere mogelijk denkbare verklaring strandt in egoïsme, en we op grond van dat egoïsme nooit geneigd zullen zijn om die verantwoording te accepteren.

Wanneer er immers sprake is van een liefdevolle situatie en het de wens is van de stervende om hem of haar nabij te zijn (zoals in het geval van Lideweij Bosman) is het paradoxaal om geen gehoor te geven aan die wens en te kiezen voor jezelf. Een geliefde laat je juist in een beslissend ogenblik nooit in de steek is dan de redenering.

Bosman stelt in het AD: ‘Sander vond het ook niet leuk dat ik niet terugkwam, maar hij respecteerde mijn besluit. Hij wilde dat ik een nieuwe start maakte.’ Ongetwijfeld respecteerde hij haar besluit. Maar hij zou ook vredig willen sterven en juist vanuit altruïsme haar niet in zijn laatste uren willen confronteren met haar egoïsme. Niemand wil bovendien gekrenkt en verbitterd sterven. En wat betreft ‘een nieuwe start maken’, het is moeilijk voor te stellen dat het maken van een nieuwe start onverenigbaar is met het gehoor geven aan een wens van een stervende om nabij te zijn.

Dat Bosman gewag maakt van de immens grote (psychologische) druk die op haar lag en dat aanvoert als voornaamste reden van haar handelen, is voorstelbaar, maar niet per se begrijpelijk of acceptabel. Het gaat namelijk om één laatste moment. Er is misschien afscheid genomen van de relatie, maar dat is nog geen duidelijke reden om daarmee het laatste levende moment aan je voorbij te laten gaan. Het is inderdaad verschrikkelijk als door een ziekte je wordt meegesleurd door je grote liefde, en daar kun je en moet je op momenten afstand van nemen – maar in het laatste moment doet iemand afstand van het leven zelf. Dat zijn twee verschillende dingen die hier door elkaar lopen en het handelen van Bosman onbegrijpelijker maken.

Kunnen we accepteren dat iemand egoïstisch handelt?
Het lijkt mij onmogelijk dat Bosmans relaas ethisch verantwoord overeind kan blijven; dat moet ze ook niet proberen. Ik kan me ook niet voorstellen dat dat haar doel is, al heeft ze de schijn tegen. Als ze dat al doet lijkt me dat een vorm van cognitieve dissonantie.

Ze moet juist erkennen dat ze ethisch heeft gefaald. Want dat is uiteindelijk helemaal niet erg. Als we namelijk de volgende stelregel accepteren, wordt het duidelijk dat een persoon niet per se als moreel persoon moet worden afgeschreven. Want:

Iemand die egoïstisch handelt, doet dit niet per definitie omdat hij egoïstisch wil zijn.

Dat klinkt dan als volgt, als we een denkbeeldige Lideweij horen spreken: ‘Ik kon zijn wanhoop niet meer aanzien. Ik heb voor mezelf gekozen omdat ik die strenge ethische eis niet langer kon dragen. Ik zou hem hebben willen dragen, maar ik bleek er simpelweg niet toe in staat te zijn. Ik ben daar eerlijk over. Ik ben bezweken onder de verwachting die iemand van mij als mens zou mogen hebben. Ik had dat nooit gedacht en ik heb dat nooit voorzien. Toen iemand mij jaren geleden vroeg: ‘Zou jij je stervende geliefde ooit verlaten?’, antwoordde ik in alle oprechtheid: ‘natuurlijk niet!’ Maar ik was toen volkomen in balans. Ik kreeg  echter een enorme duw, en het bleek onmogelijk om mijn evenwicht te bewaren: ik moest vallen om weer terug te komen in evenwicht.’

Het is dus naar mijn opvatting mogelijk dat iemand ondanks de beste bedoelingen op voorhand, waarbij hij instemt met een ethische eis, in de praktijk ontdekt dat hij niet in staat is om deze te houden. Het is daarbij nog steeds de wens om uiteindelijk te voldoen aan de ethische eis, maar praktisch gezien is hij gewoon bezweken onder de verwachtingen die men van hem zou mogen hebben. In het geval van Bosman ben ik ervan overtuigd dat ze uiteindelijk haar gedrag niet wil willen of kan willen, en dat ze door de praktische ervaring nu beter opgewassen is tegen de ethische eisen die worden gesteld in de situatie waarin ze terecht is gekomen. Met andere woorden, wanneer zich dit in haar leven nog een keer voor zou doen (wat we haar niet gunnen), is ze inhoudelijk wel in staat praktisch te doen wat de theoretische eis verlangt (namelijk: een stervende geliefde niet te verlaten).

Ethisch heldendom is in onze maatschappij een uitgangspunt van de twitterende massa en begrippen als ‘onvoorwaardelijke liefde’ en ‘standvastige belofte’ worden daarin gebezigd alsof het eenvoudige zaken zijn. Daarmee is niet gezegd dat we niet ethisch moeten zijn, niet onze beloften in stand moeten houden of dat er geen morele plichten zijn. Integendeel. Een ethisch leven blijft op voorhand altijd een uitgangspunt en een streven. Wanneer iemand echter redelijkerwijs er alles aan gedaan heeft om ethisch te handelen, en dan toch is bezweken kan er weinig ruimte zijn voor verwijten. Wat dat aangaat moeten we er vertrouwen in koesteren dat wanneer het op leven en dood aankomt, geen mens werkelijk voor zichzelf wil kiezen.

Lees hier het artikel in het AD

Lees hier de blog van Sanders broer

De opmerkelijke dood van Simone: een rechtsfilosofische puzzel

De opmerkelijke dood van Simone: een rechtsfilosofische puzzel

De volgende oefening is uitermate geschikt om na te denken over basale concepten betreffende ‘schuld’, ‘intentie’, ‘verantwoordelijkheid’, ‘causaliteit’ en ‘moraal’ en leent zich goed als casus voorafgaand op diepere bestudering van de materie.

De casus: wie is de moordenaar?
Te midden van de Grote Zandwoestijn bevinden zich een vrouw en twee mannen. Simone, Herbert en Ronald. Met elk een watervoorraad van een week wachten ze op redding uit het gebied, die nog 7 dagen op zich laat wachten. Herbert heeft echter een gruwelijke hekel aan Simone, en wil niet dat zij wordt gered. Die nacht sluipt Herbert naar de tent van Simone en vergiftigt haar watertank met slangengif. Los van Herbert, heeft ook Ronald het op Simone gemunt. Ook hij sluipt die nacht naar haar tent en boort een klein gaatje in haar watertank (zonder dat hij beseft dat het water al vergiftigd is door Herbert), waardoor de tank is leeg gelopen voordat Simone wakker wordt. Als gevolg daarvan sterft Simone enkele dagen later aan uitdrogingsverschijnselen.

Beide mannen worden enkele dagen later gered, maar het reddingsteam vermoedt opzet in de dood van Simone en onderzoekt de zaak waarbij ze tot de conclusie komt dat er zowel gif zat in haar water, als dat de tank was gesaboteerd.

De vraag is echter: wie heeft de dood van Simone op zijn geweten, Herbert of Ronald? (Vrij naar: Smullyan, R.M. (1978). ‘What’s the name of this book?’)

Een eerste blik
Wanneer we intuïtief naar de casus kijken, dan ligt Ronald voor de hand, omdat Simone nooit het vergiftigde water heeft gedronken. Met andere woorden, Simone zou zelfs als Herbert het gif niet in het water had gedaan zijn overleden door het toedoen van Ronald.

Aan de andere kant echter, ligt ook Herbert voor de hand als moordenaar. Want het feit dat Ronald een gat heeft geboord in de tank, is volstrekt irrelevant: het water was immers al vergiftigd en of Ronald nu wel of geen gat zou hebben geboord, Simone was al ten dode opgeschreven op het moment dat het water vergiftigd was door Herbert.

Welke argumentatie is nu het sterkst?

Een nadere blik I
De casus laat me denken aan het probleem wat er gebeurt wanneer een niet te stoppen kracht botst tegen een onverplaatsbaar object. De oplossing is dan flauw: er kan geen werkelijkheid bestaan waarin beide krachten gelijktijdig existeren. Ook hier lijken beide argumentaties elkaar op te heffen, met dit verschil dat ze logischerwijs wel naast elkaar kunnen bestaan. We zullen dus moeten kijken naar onze eigen achterliggende opvattingen, hoe we tot een oplossing zouden kunnen komen. Het ligt niet voor de hand dat er één juiste oplossing bestaat. De oplossing is dus afhankelijk van het rechtssysteem (wat te denken van juryrechtspraak in deze), de achterliggende filosofische principes en de invulling van aanverwante relevante begrippen.

Om aan het dilemma te ontsnappen, zou er kunnen worden gekozen voor een tussenoplossing: beiden zijn schuldig aan moord op Simone. Beide mannen hadden immers dezelfde kwade intentie en wie het principe aanhangt dat iemand onafhankelijk van het causale verband (dat bijvoorbeeld door geluk of toeval tot stand komt) daarom straf verdient, heeft de oplossing gevonden. Herbert mag namelijk niet straffeloos ermee wegkomen omdat hij het geluk had dat Ronald een gat boorde, en Ronald mag niet straffeloos wegkomen omdat hij het geluk had dat Herbert het water toch al vergiftigd had (zie ook: Wil, toeval en straf: een korte studie binnen het materiële strafrecht.)

Het probleem is echter dat er geen rechtssysteem is dat primair zo functioneert. Het recht is niet primair gebaseerd op ethische grondslagen. Het is bijvoorbeeld onethisch om een kind dat bedelt voor voedsel te negeren, maar het is juridisch legaal. In ons geval zouden we namelijk een moreel oordeel (beide mannen zijn slecht) verwarren met een juridisch oordeel (wie is verantwoordelijk voor de dood op Simone). In de praktijk halen we zulke zaken (ethiek en recht) nog wel eens door elkaar, omdat ons gevoel zegt dat iemand die een bijzonder slechte bedoeling heeft, daar niet mee weg mag komen (en helemaal niet wanneer hij toevalligerwijs de mazzel had dat iets of iemand anders dan deze slechte bedoeling heeft geleid tot het door hem gewenste effect. Vgl ook.: De Zaak A. )

Intermezzo I: de ‘Nijmeegse scooterzaak’
Vergelijk dit bijvoorbeeld ook eens met de zogenaamde ‘Nijmeegse scooterzaak’. Dit gaat weliswaar over medeplegen, maar we voelen een gelijkwaardig dilemma waar het aankomt op straf in relatie tot het plegen.

Op 15 januari 2010 zijn twee mannen op de vlucht voor de politie met hun scooter. Het duo was met hoge snelheid op de vlucht voor de politie, die hun plan om een hotel te overvallen had doorzien. Tijdens deze vlucht rijden ze een Arnhemmer dood die op een zebrapad in Nijmegen loopt.

In eerste aanleg krijgen ze 8 jaar (bestuurder) en 16 maanden (man achterop) cel voor hun dollemansrit.

Het gerechtshof spreekt ze in hoger beroep (mei 2012) echter vrij: volgens het hof is het niet duidelijk geworden wie de scooter bestuurde, omdat ze naar elkaar blijven verwijzen (een op zichzelf interessante juridische verdedigingstruc, die laat denken aan het prisoner’s dilemma). Op grond daarvan kan niet een iemand een hogere straf worden toebedeeld. Dan zou in theorie immers degene die niet heeft bestuurd acht jaren kunnen krijgen en dat is juridisch onwenselijk.

In cassatie (december 2013) stelt de Hoge Raad echter dat de zaak over moet en verwijst deze terug naar het hof in ’s-Hertogenbosch. Die inhoudelijke behandeling moet op dit moment nog plaatsvinden, maar de uitkomst daarvan zal ongetwijfeld een nieuwe standaard verschaffen over hoe we moeten nadenken over schuld en straf, wanneer het onduidelijk is wie primair verantwoordelijk is voor het uiteindelijke effect (wanneer beide wel gelijktijdig hetzelfde effect wensten).

Natuurlijk hebben deze beide criminelen het effect van hun handelen (de dood van de Arnhemmer) niet gewenst, zoals Herbert en Ronald het effect van hun handelen wel hebben gewenst en in de scooterzaak gaat het hier vooral over medeplegen. Het recht worstelt echter zichtbaar met de vraag in hoeverre iemand straf verdient, als niet is komen vast te staan dat hij degene is geweest die direct verantwoordelijk is geweest voor het effect (we kunnen immers niet willen dat een onschuldig iemand gestraft wordt), en in dat perspectief is het fenomeen interessant voor onze casus. Ook hier zien we duidelijk dat een stevige dubbele veroordeling door het publiek wenselijk wordt gevonden (beide mannen verdienen flinke straf en geen vrijspraak) terwijl juristen op zoek zijn naar een objectief onderscheid en rechtvaardiging voor de mate van straf.

Het hof in Arnhem motiveerde haar vrijspraak op grond van de opvatting dat de bijrijder van de scooter niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het rijgedrag van de bestuurder en de fatale gevolgen daarvan, terwijl het misschien wel de vraag is of er sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet van beide mannen: in hoeverre heeft de een en de ander niet van tevoren kunnen voorzien dat ongeacht wie reed dit een redelijkerwijs te verwachten effect is geweest. Heeft immers de bijrijder het niet in zijn macht gehad de vluchtpoging te staken, maar deed hij dit niet omdat hij deze even graag als de rijder zelf wilde uitvoeren, omdat hij immers net zo goed aan de politie wilde ontsnappen om daarmee zijn straf te ontlopen voor de poging tot overval van het hotel? Het lijkt er in ieder geval op dat het gerechtshof straks toch tot een soort salomonsoordeel gaat komen, misschien wel door wat juridisch gegoochel (het recht moet objectief blijven) om daarmee het publiek dat hecht aan de subjectieve benadering tegemoet te komen.

Inzake medeplegen nog dit: bedenk ook eens wat de situatie zou kunnen zijn als Herbert en Ronald wel van elkaar weten dat ze allebei Simone dood willen. Om niets aan het toeval over te laten doet Herbert eerst gif in het water (voor het geval Simone wil drinken voor de tank leeg is) en boort Ronald daarna een klein gat in de tank (voor het geval het gif niet werkt). Simone wordt wakker en ziet een lege tank: als gevolg daarvan sterft ze enkele dagen later aan uitdrogingsverschijnselen.

Een nadere blik II
Als we niet aan het dilemma proberen te ontsnappen door ze allebei een straf te geven, rest ons niets anders dan te kijken naar welke verdediging zowel Herbert als Ronald zouden voeren voor de rechtbank.

Laten we ons voorstellen dat we de verdediging voeren voor Ronald, degene die een gat heeft geboord in de watertank van Simone. Het verwijderen van vergiftigd water kan onmogelijk worden beschouwd als het vermoorden van iemand. Sterker nog, doordat Ronald het vergiftigde water heeft weg laten lekken, heeft Simone nog een aantal dagen geleefd. Had ze het vergiftigde water gedronken, dan was ze vrijwel onmiddellijk gestorven. Ook al wist Ronald er niets van (maar een verdediging zal ongetwijfeld aansturen op het feit dat hij dit wel wist…en wat dan?), hij heeft feitelijk haar leven verlengd, in plaats van dat hij haar heeft vermoord.

Verdedigen we echter Herbert, degene die het gif in het water deed, dan zal het sterkste argument wat we kunnen aandragen zijn dat hij nooit veroordeeld kan worden voor moord, aangezien er geen enkel verband is tussen de dood van Simone en zijn handelen. Met andere woorden, het ontbreekt aan causaliteit om hem als moordenaar aan te merken. Hij had het gif net zo goed in haar beker kunnen doen. Zonder water had ze daar ook nooit uit gedronken. Als Herbert een dag later gemerkt had dat er geen water voorhanden was voor Simone, had hij het gif uit haar beker verwijderd. Er is dan zelfs ook maar hooguit een poging tot moord geweest…’maar Herbert kwam tijdig tot inkeer’…

Intermezzo II: poging
Een poging laat zich eenvoudig omschrijven. Het is een inspanning, een ‘trachten’. Het is een streven gericht op een doel. Poging en bedoeling zijn dan ook nadrukkelijk met elkaar verbonden. Wanneer ik iets poog, heb ik een bedoeling. En met bedoeling is het begrip ‘intentie’ verbonden, waarmee ‘verantwoordelijkheid’ een rol gaat spelen. Er is dus al met al een sterke relatie tussen denken, willen, voornemen en handelen, wanneer we over poging spreken.

Ligt de oplossing van ons probleem dan niet in het feit dat ze het allebei hebben gepoogd (weer een middenoplossing dus)? Kunnen ze derhalve wanneer we niet kunnen kiezen tussen Ronald en Herbert als moordenaar niet beide veroordeeld worden wegens poging tot moord (nou…er is wel een dode, dus dat lijkt toch onmogelijk…)?

Poging tot misdrijf is immers strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard (artikel 45 Sr, lid 1). Met andere woorden, in beide gevallen kunnen we stellen dat de mannen een begin van uitvoering hebben gemaakt. Ook wordt duidelijk hoe de subjectieve component van het pogen door de wetgever geobjectiveerd wordt door een zichtbaar begin van uitvoering te verlangen. Dit lijkt erop dat het kwade zich moet tonen en het onvoldoende is enkel het kwade te willen om tot een juridische veroordeling te komen. Zowel Herbert als Ronald hebben duidelijk een begin van uitvoering laten zien. Maar ontstaat er dan niet het probleem van de mislukte poging? In hoeverre is namelijk de poging van Herbert die het water vergiftigde uiteindelijk een mislukte poging en die van Ronald een gelukte poging?

Er is duidelijk sprake van een kwade wil bij Herbert, maar zijn poging mislukt. Of bedenk eens dat zijn poging ondeugdelijk zou zijn: vergelijk de casus indien Herbert slangengif had gebruikt wat buiten zijn weten om volstrekt onschuldig zou zijn geweest indien Simone het had gedronken. Weten we eigenlijk wel zeker dat Simone aan het gif was overleden? Hoeveel gif was het eigenlijk – was het voldoende? Ronalds poging is duidelijk: noch mislukt noch ondeugdelijk.

Hoe moeten we een poging tot moord kwalificeren die mislukt op basis van toeval? Het is immers toevallig dat buiten Herbert om Ronald de tank laat leeglopen. Het gaat dus ook om de vraag of we op de een of andere manier Herbert toch een flinke straf kunnen geven, omdat hij voor ons gevoel niet deugt. Maar een moordenaar zal hij niet zijn: wie zegt immers niet dat Simone had kunnen struikelen en haar water zo had gemorst? Een poging blijft staan, maar haar dood is niet aan zijn poging te wijten.

Of is Herbert toch de uiteindelijke moordenaar? Heeft Ronald haar niet gered per toeval? En is dit niet hetzelfde toeval dat in het voordeel spreekt van Ronald, als het eerdergenoemde toeval in het voordeel zou kunnen spreken van Herbert (dat hij door toeval niet als moordenaar kan worden aangewezen)?

Ten slotte
Wreek Simone!
Simone is overduidelijk door het handelen van een van beide mannen om het leven gekomen. Als ze niets hadden gedaan, dan was ze net als zij gered geweest. Als alleen Ronald had gehandeld, was ze dood geweest. Als alleen Herbert had gehandeld was ze dood geweest. Als Ronald eerder was geweest met het laten leeglopen van de watertank, dan had Herbert ontdekt dat vergiftiging niet meer nodig was geweest. Dan zouden we in dat geval ook geen begin van uitvoering van handeling bij Herbert hebben kunnen ontdekken. Dat maakt hem moreel niet beter, maar juridisch gezien zou hij daarmee ontsnappen. Maar stel dat Simone had geweten dat het water vergiftigd was door iemand, dan was ze eveneens gestorven door uitdroging, net als feitelijk nu het geval is.

Hoe dan ook, het tragische einde van Simone verlangt stevige vergelding – of is het denkbaar dat beide heren vrijuit gaan?

___________________________________________________

Zie voor enkele Engelse commentaren en discussies:
http://www.debate.org/forums/Philosophy/topic/27255/
http://forums.civfanatics.com

 

Het Wilders-dilemma

Het Wilders-dilemma

Zelfs nu de PVV (en niet Wilders, al zijn dat tegenwoordig synoniemen) maar in twee gemeenten meedeed met de raadsverkiezingen, wist ze toch hét nieuws van de avond te genereren. De inmiddels veelbesproken bijeenkomst in Den Haag waar het aanwezige publiek werd gevraagd of ze meer of minder Marokkanen in de stad wensten (en de kudde riep: ‘minder, minder’) zal nog wel even het gesprek van de dag blijven.

De vraag is echter wat schokkender is: de vraag stellen of er meer of minder Marokkanen in een stad horen, of de vraag luidkeels beantwoorden met ‘minder, minder’. Ik denk dat dat laatste de meeste mensen meer heeft geschokt, dan de vraag zelf of de er op volgende uitleg. Een roepende massa is namelijk iets anders dan een begaafde politieke clown: massaliteit toont veel meer de ernst van wat er aan de hand is en wekt angst voor wat er nog komen kan. Bovendien is in tegenstelling tot een individuele politicus op een roepende massa nauwelijks grip te krijgen.

Ik denk overigens dat de voornaamste reden waarom Wilders dit heeft gedaan erin schuilt dat hij in beide steden geen enkele trek heeft in coalitievorming. Deze actie sluit alle raadsleden (als ware het synoniemen van Wilders) uit van het College van Burgemeester & Wethouders. Want besturen lijkt niet het doel te zijn van Wilders merkwaardig genoeg. De enige kans die hij heeft gehad, en waar hij in een landelijke gedoogzetel de politiek best denkbare uitgangspositie had, liep uiteindelijk uit in een fiasco (inclusief dierenpolitie) en een fors zetelverlies in de daaropvolgende verkiezingen.

Maar dat is de kudde alweer lang vergeten. Want voor de kudde is het politieke landschap vergelijkbaar met de Tinder-app: een minuutje keuren, en dan naar de volgende mogelijkheid. En het aardige van oppositie voeren is nu eenmaal dat je jezelf als mogelijkheid kunt presenteren. En het mogelijke is bijna altijd beter te verkopen dan het werkelijke. Want het mooie van het mogelijke is dat alles mogelijk is.

Dus als je jezelf overal weet buiten te sluiten zoals de PVV dat magistraal kan, de schuld daarvan weet te leggen bij anderen, dan ben je gegarandeerd van de oppositie, waar je jezelf weer kunt verkopen als mogelijkheid. En dat trekt de kiezer, zoals we ook hebben gezien met de grote winst van SP en D’66. Een SP die nog nooit regeringsverantwoordelijkheid heeft gedragen, en D’66 die dat wel eens deed bij tegenwind en daarna bijna opgeheven kon worden.

En dat brengt ons tot het Wilders-dilemma of misschien wel de Wilders-paradox. Om hem politiek aan te pakken, moet je hem juist mee laten doen en hem daarin geen ontsnappingsroute aanbieden. Om de kiezers van de PVV niet nog dieper in zijn handen te drijven, moet je gekke uitspraken juist niet bij het Openbaar Ministerie neerleggen, maar moet je ze in de publieke en politieke arena op een beschaafde manier bevechten. En nu precies het tegenovergestelde heeft Wilders weer voor elkaar: politiek wordt hij uitgesloten en allerlei gehaaste lui roepen om vervolging vanwege het ‘schenden van de vrijheid van meningsuiting’ en wat niet meer is.

Maar een vervolging zou weer zo ontzettend veel aandacht voor deze politicus genereren, dat hij er zelfs bij een kleine veroordeling (want wat verwacht men toch in vredesnaam van de rechter!) alleen maar garen bij spint. Bovendien wordt het geblaat dat dit dan racisme zou zijn vermoeiend zolang men niet wil begrijpen welk pijnpunt Wilders blootlegt en waar hij gek genoeg allang een belachelijk zware prijs voor betaalt. Aan dat laatste doet een eventueel strafje van de rechter niets af en doet het probleem dat zijn kiezers massaal aantrekt echt niet als sneeuw voor de zon verdwijnen. Het lost kortom he-le-maal niets op.

Want laten we tenslotte niet vergeten, dat de miljoenen (potentiële) kiezers natuurlijk niet zomaar meeschreeuwen met Wilders, maar dat daar achter wel degelijk problemen schuilgaan. En één zo’n probleem dat klaarblijkelijk concreet aansluit bij persoonlijke ervaringen van mensen, is echt niet zo moeilijk te doorzien. Laat ik dat illustreren met een voorval waar ik getuige van was en me nogal trof.

Een jongen fietst nadat hij van een trappetje is gelopen verder en wordt in het voorbijgaan bespuugt door twee Marokkaanse jongens die hem ook iets onverstaanbaars toeroepen. Een van de Marokkaanse jongens rent nog achter zijn fiets aan en trapt tegen het achterwiel aan. Ik zie de jongen verder fietsen, maar plots houdt hij op een veilige afstand halt, en roept: “Wacht maar klootzakken –  ik stem Wilders!!”

De woede waar zo’n jongen mee verder fietst, en die hij gekoeld ziet in een stem, rechtvaardigt geenszins de gebeurtenissen in Den Haag bij de PVV- bijeenkomst. Maar verwacht niet dat zo’n jongen niet ‘minder, minder’ gaat roepen, want naar alle waarschijnlijkheid kunnen deze twee Marokkaanse jongens hem gestolen worden. Dit is waar hier ‘minder’ naar verwijst, en nergens anders na.

Daarom, geef Wilders de ruimte. Wees niet bang, heb vertrouwen in onze goed gefundeerde democratie en maak geen domme vergelijkingen met 70 jaar geleden. Laat een rechter een onoplosbaar probleem niet proberen op te lossen. Sluit Geert in de armen of bestrijdt hem met scherpe ironie. Durf de redenen van zijn populariteit eens echt te doorzien en geef hem bovenal veel verantwoordelijkheid. Alleen dan is het mogelijk dat zijn stijgende populariteit een halt wordt toegeroepen. Al het andere is alleen maar koren op zijn molentje.

Het Vonnis: wat moeten we met wraakgevoelens wanneer Justitie faalt?

Het Vonnis: wat moeten we met wraakgevoelens wanneer Justitie faalt?
Een filosofische overweging naar aanleiding van de film Het Vonnis (2013) als aanzet voor verdere discussie

***Let op: onderstaande tekst bevat informatie
over de verhaallijnen van de film***

Het Vlaamse rechtbankdrama Het Vonnis (2013) is een van de meest intrigerende films die ik zag sinds het Deense Jagten (2012). Hoewel de verhaallijn relatief simpel is, weet het geschetste dilemma diep door te dringen in het voorstellingsvermogen dankzij de goede acteerprestaties en dialogen. Er zal voor puristen voldoende op aan te merken zijn, maar ik geloof dat de film oprecht een probleem aankaart dat in anderhalf uur niet beter (op het einde wellicht na) had kunnen worden weergegeven. In deze overwegingen zal ik stilstaan bij verschillende dilemma’s en problemen die deze film oproept.

1. De verhaallijn

Hoewel ik poog om de verhaallijn zo duidelijk mogelijk weer te geven waardoor de zaak als een op zichzelf staande casus te begrijpen is, kan ik niet de vele en treffende nuanceringen aanbrengen die in de film voorbijkomen.

1.1 Aanzet

Hoofdrolspeler Luc Segers heeft een prima leven. Mooie baan, gelukkig getrouwd en een prachtige dochter. Op een avond na een borrel rijden ze met zijn drieën naar huis en tijdens het tanken besluit zijn vrouw naar een onbemande avondwinkel aan de overkant te gaan om brood te kopen. In deze winkel wordt ze echter aangevallen door Kenny De Groot die haar tot bloedens toe en zonder duidelijke reden neerslaat. Luc vertrouwt het niet helemaal en besluit te gaan kijken waar zijn vrouw blijft. Terwijl hij geconfronteerd wordt met het feit, slaat de dader hem neer die vervolgens vlucht per motor. Het dochtertje dat alles gade geslagen heeft in de auto, rent in paniek de straat op en wordt daar geschept door een andere wagen. Luc ziet het gebeuren alvorens hij zijn bewustzijn verliest. Drie weken later ontwaakt hij uit zijn coma en moet hij vernemen dat zijn vrouw en dochter inmiddels zijn begraven.

1.2.1 Procedure: Het OM

De vermeende dader wordt opgepakt, op basis van fotoherkenning door Luc. De kijker weet net als Luc dat het wel de juiste man is. Er waren echter geen vingerafdrukken, geen camerabeelden, geen andere getuigen en Kenny had zelfs niets meegenomen van de vrouw. Technisch gesproken is er dan geen sprake van roofmoord. Sterker nog, het Belgische Openbaar Ministerie stelt dat ze hem kan vervolgen voor ‘slagen en verwondingen met de dood tot gevolg’, niet te verwarren met doodslag. De verwachting is dan maximaal 10 jaar celstraf, waarvan Kenny in de praktijk ongeveer zes jaar zal uitzitten. De dood van zijn dochtertje is een noodlottig ongeval, wat juridisch van geen belang is.

1.2.2 Procedure: De advocaat van de verdachte

Kenny De Groot krijgt een topadvocaat toegewezen. De raadsman van Luc legt uit dat Kenny vanwege zijn lage inkomen recht heeft op een pro-deo advocaat. Deze pro-deo advocaten werken niet op basis van een niet te stuiten idealisme aldus deze raadsman, maar hebben het recht om hun rekeningen in te dienen bij de Staat. Omdat het hier ogenschijnlijk om een zaak gaat die veel publiciteit zal genereren, is dat de reden waarom een armoedzaaier als Kenny toch de beschikking krijgt over een topjuriste.

1.2.3 Procedure: De vormfout

Alvorens de zaak echter aan kan vangen gebeurt er iets wat de rest van de film het centrale thema zal blijken. De advocate van Kenny heeft een procedurefout ontdekt. De vordering tot gerechtelijk onderzoek naar de dood van Lucs vrouw was namelijk niet ondertekend door de procureur (officier van Justitie), op grond waarvan het document ongeldig is. Alle handelingen die vervolgens op basis van dat document zijn uitgevoerd, blijken daarmee hun rechtsgeldigheid verloren te hebben. In casu is het hele opsporingsonderzoek onrechtmatig. De begane fout is dusdanig fundamenteel volgens de wetgever, dat de raadkamer niets anders rest dan de verdachte vrij te laten. Het Openbaar Ministerie kan nog wel vervolgen, maar omdat het waarschijnlijk is dat alle bewijzen die tijdens de arrestatie zijn vergaard nietig zullen worden verklaard, heeft dat weinig zin. Kortom: geen rechtsgang, geen veroordeling en geen genoegdoening voor slachtoffer en samenleving.

1.3.1 Dilemma: het slachtoffer

Nu Luc weet dat de zekere dader op vrije voeten blijft, lijkt hij te breken onder het toch al zware verdriet. Hij besluit Kenny te volgen en enkele weken observeert hij de man in een garage waar hij werkzaam is. De film laat het verloop van wat er dan allemaal gebeurt fragmentarisch met terugwerkende kracht zien. Luc vermoordt Kenny namelijk met negen min of meer gerichte schoten vanuit een illegaal aangeschafte Walter P5.

1.3.2 Dilemma: de jurist

Luc geeft zichzelf aan en bekent wat hij heeft gedaan. Zijn advocaat zegt hem dat hij zou kunnen proberen het op doodslag te houden. Maar Luc wil echter worden aangeklaagd voor moord ten overstaande voor de volksjury: “De Groot heb ik al gepakt, nu wil ik het systeem pakken.”

Zijn advocaat legt hem twee opties voor: het meest voor de hand ligt dat hij voor uitlokking zal pleiten, waarmee een maximumstraf van vijf jaar wordt geriskeerd. Iedereen wint, want de jury kan een schuldige aanwijzen, de rechtstaat verliest zijn gezicht niet en de straf zal neerkomen op twee jaar effectief zitten. Optie twee echter heeft meer risico’s in zich, maar zou indien succesvol wel een ‘overwinning’ betekenen, waarbij het Openbaar Ministerie zijn verlies zou moeten nemen. Hiertoe zou een beroep moeten worden gedaan op Artikel 71 Strafwetboek, onweerstaanbare dwang:

Er is geen misdrijf wanneer de beschuldigde of de beklaagde op het tijdstip van de feiten leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast, of wanneer hij gedwongen werd door een macht die hij niet heeft kunnen weerstaan.

Hoewel uitlokking voor de hand lijkt te liggen, wil Luc gaan voor de optie artikel 71. Als de jury dan echter “ja” antwoordt op de schuldvraag, riskeert hij daarmee levenslang.

1.3.3 Dilemma: de aanklager

De aanklager is er alles aan gelegen om de rechtstaat te doen zegevieren. De bewijzen zijn er: er is een volledige bekentenis en het lijkt in alles op een goed voorbereide, weldoordachte en geplande moord, op iemand die zich niet kon verdedigen. Er wordt besloten om op alle fronten het volkse sentiment te weerspreken met feiten en niets dan feiten: dit is een ordinaire wraakmoord die dient te worden bestraft. Wat er is gebeurd is vreselijk, en niemand ontkent dat Luc zijn leven lang de pijn zal moeten dragen voor wat hem is overkomen. Maar wat hem is overkomen in de zin van leed, is niet uniek en geeft hem niet het recht om naar eigen goeddunken te handelen.

1.3.4 Dilemma: De Volksjury

De vermoorde man heeft geen relevante familie en was iemand met een ellenlang strafblad, die als verdachte in een ernstige zaak mogelijk een veroordeling heeft ontlopen vanwege een procedurefout. Voor hen zit een man met een glansrijke carrière in het bedrijfsleven, bekend als weldoener en gezinsman die op gruwelijke wijze zijn vrouw en kind heeft verloren.

Wat moet de volksjury nu beslissen?

2. Opmerkingen, vragen en overweging

Omdat anders dan in Nederland België werkt met een volksjury, kan de film de kijker sterker meeslepen in de voorstelling zelf onderdeel te zijn van de volksjury. Gaat hij mee met het sentiment dat duidelijk voelbaar is voor de hoofdrolspeler? Of kiest hij toch voor de rechtsstaat omwille van de rechtsstaat?

De concrete vragen die we moeten bespreken zijn de volgende:

  1. Staan we onszelf uitzonderingen toe ten opzichte van afgesproken rechtsregels?
  2. Hoe verhouden procedurefouten zich tot de redelijkheid?
  3. Kunnen onweerstaanbare wraakgevoelens fungeren als strafuitsluitingsgrond?
    (Kunnen wraakgevoelens onweerstaanbaar zijn?)

Staan we onszelf uitzonderingen toe ten opzichte van afgesproken rechtsregels?

Het recht zoals wij dat kennen is grotendeels een product van de Verlichting, waar volkse emotie en potentiële willekeur los gemaakt werd van filosofische rede en rechtvaardigheid. Daarbij staat een dominante Kantiaanse notie dat het recht geen uitzonderingen verdraagt, tenzij datzelfde recht daar een geschreven redelijke grondslag voor aandraagt, centraal. In principe stemt het volk in met deze opvatting, op grond van een sociaal contract: in ruil voor verschillende rechten, aanvaarden ze daarbij wetgeving en plichten.

Het spanningsveld ontstaat nu daar waar het lijkt alsof de redelijkheid in het geding is, en we dat ‘aanvoelen’. Stel bijvoorbeeld dat je als voetganger om 2:00 uur ‘s nachts aankomt op een rechte weg, waar het stoplicht op rood staat. Er is in de verste verte geen ander verkeer waarneembaar. De wet gebiedt desondanks te wachten op groen licht op straffe van 65,- boete, terwijl de meeste mensen zullen voorvoelen dat het oversteken hier in alle redelijkheid kan plaatsvinden. Als de wetgever hier toch volhoudt dat de boete op zijn plaats is, simpelweg omdat een regel is overtreden, dan ontstaat er de discrepantie tussen burgers en staat waar we hier over spreken, omdat de staat daarmee voor de burgers zijn menselijke gezicht lijkt te hebben verloren. Vadertje Staat lijkt dan meer op een regelmachine die eerder op grond van pragmatische dan idealistische opvattingen wetten handhaaft.

Hoe verhouden procedurefouten zich tot de redelijkheid?

Dat brengt ons dan bij de volgende vraag, misschien wel de eigenlijke vraag die de film probeert op te werpen. Het is overduidelijk dat de wet ook een verdachte moet beschermen, maar in welk opzicht is er sprake van het beschermen van een verdachte wanneer uit onrechtmatig verkregen bewijs blijkt dat hij de dader is van een gruwelijk feit? Ook hier ontstaat er een discrepantie tussen de volkse opvatting van rechtvaardigheid en de strafrechtelijke opvatting van rechtvaardigheid. De discussie zit er dan in in hoeverre deze volkse opvatting van rechtvaardigheid ook redelijk kan zijn, in relatie tot in hoeverre de strafrechtelijke opvatting van rechtvaardigheid ook onredelijk kan zijn. Het idee dat een wetgever per definitie redelijke opvattingen omzet in wetten, is een diepgeworteld idee bij menig jurist, maar dat mag en moet terdege ter discussie worden gesteld, zelfs als dat zichtbaar wordt in basale emotionele uitingen van het volk. Want de uiting kan wel primitief lijken, ze is nog steeds gestoeld op een fundamenteel menselijke emotie die zelfs de meest geharde legalisten moeten herkennen in zichzelf.

Nog niet zo lang geleden had de Nederlandse rechtsstaat zijn vingers ook kunnen branden aan een vergelijkbaar dilemma zoals in de film. De inmiddels tot 19 jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging veroordeelde Robert M. had namelijk op grond van procedurefouten vrijgesproken moeten worden, aangezien het belangrijkste bewijsmateriaal onrechtmatig in beslag was genomen, aldus zijn verdediging. Dit vormverzuim werd met veel juridisch vertoon door het Hof getackeld. ‘Al met al is het verzuim naar het oordeel van het hof niet ernstig te noemen. (…) Nu niet aannemelijk is dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden van het vormverzuim, ziet het hof ook overigens geen aanleiding aan het vormverzuim enig rechtsgevolg te verbinden.’

De doos van Pandora bleef daarmee ongeopend, maar daarmee is de doos zelf echter verre van vernietigd. Toch lijkt het Hof terdege tussen de regels door rekening te houden met de ernst van het gepleegde, in relatie tot de fout:

‘Voorts moet bij de waardering van de ernst van het verzuim worden bezien of de rechter-commissaris, indien de officier daartoe een vordering zou hebben gedaan, tot (het afgeven van een machtiging tot) doorzoeking van de woning zou zijn overgegaan. Daartoe zijn de volgende feiten en omstandigheden, die de officier van justitie, naar moet worden aangenomen, aan de vordering ten grondslag zou hebben gelegd, van belang (…). Gelet op de feiten en omstandigheden bestond in de avond van 7 december 2010 een zodanige verdenking van ernstige strafbare feiten, gepleegd door M., dat naar het oordeel van het hof de rechter-commissaris zonder enige twijfel desgevorderd tot doorzoeking ter inbeslagneming zou zijn overgegaan of een machtiging daartoe zou hebben verstrekt.’

Die laatste alinea reikt ook de sleutel aan voor de oplossing van het filmdilemma. Ook hier geldt dat een mogelijke uitzondering de oplossing zou kunnen betekenen: het feit waarvan de verdachte wordt verdacht is dusdanig ernstig en heeft de rechtsorde zo fundamenteel geschokt, dat de procedurele fout van het vergeten te plaatsen van een handtekening onder een bevel tot gerechtelijk onderzoek vervolging niet kan voorkomen. De niet geplaatste handtekening is bovendien een gevolg van werkdruk en/of vergeetachtigheid, niet van gerede twijfel omtrent de aanhouding van de verdachte die positief is geïdentificeerd door slachtoffer: die handtekening zou er hoe dan ook toch wel zijn gekomen. Een dergelijk ‘proportionaliteitsbeginsel’ lijkt op zijn minst te rechtvaardigen wanneer het gaat om misdrijven die een gevangenisstraf van bijvoorbeeld twee jaren of meer in zich houden. Dat is uiteraard geen vrijbrief voor prutswerk van politie en openbaar ministerie, maar doet meer recht aan samenleving en slachtoffer. De rechter kan het openbaar ministerie terdege nog op de vingers tikken, zonder dat daarmee de rechtsgang afgebroken wordt. Tenslotte moet ook overwogen worden in hoeverre een vormfout überhaupt in het voordeel van een verdachte is, wanneer hij zich de volkswoede ermee op de hals haalt.

Kunnen onweerstaanbare wraakgevoelens fungeren als strafuitsluitingsgrond?

Dat in de film het geblunder van Justitie wel leidt tot het vrijlaten van de vermeende moordenaar, is vanzelfsprekend de aanleiding tot het dilemma van de burger die vervolgens het recht in eigen hand neemt omdat hij in de steek is gelaten door het systeem. De genoegdoening die hem had moeten worden geschonken via vergelding door de rechtsgang, hoopt hij zo te krijgen door middel van wraak. Intuïtief hebben we het idee dat iemand die gestraft wordt wanneer hij vrijwillig een ander kwaad heeft berokkend, iets goeds is – mits het maar door een onpartijdige instantie wordt voltrokken. Betekent dit dan vanzelfsprekend dat het straffen van iemand die vrijwillig een ander kwaad heeft berokkend niet goed is wanneer ondanks duidelijke feiten dit wordt gedaan door een partijdige instantie?

Stel bijvoorbeeld dat een gevangene ontsnapt, terwijl hij nog 12 jaar gevangenisstraf tegoed had. Hij wordt opgespoord door het slachtoffer die hem vervolgens 12 jaren opsluit bij hem thuis onder vergelijkbare voorwaarden als in de gevangenis. Zouden we dat immoreel vinden? Of zit het immorele er juist in dat een partijdige instantie juist onredelijk straft? In het geval van de film wordt de vermeende moordenaar namelijk vermoord. En dat is nooit een straf die in welk proces dan ook uitgesproken had kunnen worden. Misschien was de verdachte inderdaad veroordeeld wegens doodslag, en had hij tussen de vijf en 15 jaren gevangenisstraf gekregen. Hadden we het redelijk gevonden indien hij alsnog opgezocht was door het slachtoffer wanneer hij vrijgelaten werd – bijvoorbeeld omdat hij de lage straf nooit heeft kunnen verkroppen? Soortgelijke bewegingen lijken zich te ontwikkelen in onze samenleving waar het gaat om pedofielen of concreter omtrent de moordenaar van Pim Fortuyn.

De vraag of genoegdoening daadwerkelijk plaatsvindt door middel van wraak, wanneer het slachtoffer (om van willekeurige betrokkenen uit de samenleving te zwijgen) niet kan instemmen met de straf is niet eenvoudig te beantwoorden. Het lijkt in ieder geval geen grond voor redelijke discussie te hebben dat indien een verdachte is veroordeeld zonder dat daarbij noemenswaardige fouten zijn gemaakt, hij nadat hij zijn straf heeft uitgezeten alsnog met recht bedreigd wordt in zijn leven. Het standaardargument dat het recht in eigen hand nemen leidt tot middeleeuwse toestanden en chaos slaagt dan duidelijk. Duidelijker in mijn optiek dan wanneer het wordt gebruikt op het moment dat door een procedurefout er geen recht wordt gedaan.

Kunnen wij immers van een burger verwachten dat een ander hem straffeloos leed kan berokkenen? Dat lijkt niet redelijk. Hoewel vergeving evenals het toekeren van de andere wang een groot goed is, kan men niet van iemand verlangen dat hij zich neerlegt bij het feit dat iemand vrijuit gaat die zojuist zijn vrouw heeft doodgeslagen. Want het recht zegt weliswaar ‘laat dat maar aan ons over’, maar beantwoordt onvoldoende de vraag aan wie iets moet worden overgelaten wanneer door fouten iets niet meer aan het recht kan worden overgelaten. Er is dan nog steeds een fundamenteel tekort, een onafgesloten hoofdstuk, een te vullen gat bij slachtoffer en samenleving. Geen enkel strafdoel, of het nu gaat om generale of speciale preventie, vergelding of reparatie/resocialisatie, wordt namelijk bereikt.

In de film wordt de hoofdpersoon misschien onbedoeld geportretteerd als tragische held: hij lijkt immers een levenslange straf omwille van een hoger principe te aanvaarden. Misschien gesterkt door een overwegend positieve publieke opinie, maar misschien ook wel gesterkt door een diepgewortelde innerlijkheid van rechtvaardigheidsgevoel. Dat dit innerlijke rechtvaardigheidsgevoel hapert wanneer het gaat over het vermoorden van een ander mens, dat is dan wat we zouden kunnen verstaan onder onweerstaanbare dwang. Wraak is ook zoiets als ‘a kind of wild justice’ zoals Francis Bacon al betoogde in 1625.

In een onderzoek van Bies en Tripp uit 1996 (Beyond distrust; ‘Getting even’ and the need for revenge. In: R.M. Kramer en T.R. Tyler (red.) Trust in organizations: frontiers of theory and research. Thousand Oaks: Sage) werd mensen gevraagd zich een situatie in te denken wanneer ze het een ander betaald zouden willen zetten. Het meest gegeven antwoord was: ‘wanneer mijn vertrouwen ernstig is misbruikt’. Hoewel het hier niet echt ging over concrete strafbare feiten (en eenieder zich zijn eigen voorstelling mocht maken), geeft het wel een interessante richting in onze casus.

Het vertrouwen in de rechtsstaat was immers ernstig beschadigd, en dat heeft in korte tijd (in de film wordt de moord binnen een maand gepleegd na de fatale avond) geleid tot zeer heftige gevoelens die gevoed door het idee ‘recht’ te doen en/of het idee van pijn in het gemoed te willen verzachten tot moord heeft geleid.

In hoeverre het idee juist is dat iemand door wraak te nemen zijn ondraaglijke gemoedstoestand kan verlichten, staat los van het idee dat iemand dat idee redelijkerwijs kan hebben. De verwachting dat wraak nemen pijn zal verlichten neigt in ieder geval naar een verwachting die iemand ook onweerstaanbaar kan hebben. Stel bijvoorbeeld dat iemand plots geconfronteerd wordt met een schier ondraaglijke geestelijke pijn, en na een maand is dat nog verre van weg. Er bestaat een deugdelijk medicijn, maar hij heeft echter niet de middelen om dat medicijn te bekostigen. Kunnen we het zo iemand dan kwalijk nemen dat hij vervolgens een inbraak pleegt in een ziekenhuis om dit medicijn te bemachtigen waarmee hij zijn gemoed weet te verlichten? Is hij niet bezweken onder zijn pijn? Is dit geen daad met de moed der wanhoop?

Het is natuurlijk dat het hier om een moord gaat, en niet om een inbraak, waardoor we anders kijken naar de daad. Maar het lijkt mij voorstelbaar dat iemand zodanig heeft geleden onder de omstandigheden dat hij in een langdurige roes van bittere ellende tot deze daad is gekomen, gedreven door de hoop zijn pijn te verlichten. Dat wij weten dat we beter moeten weten, is daarbij ook een vorm van hoop waarop we mogen hopen dat we het weten wanneer we –God verhoedde het- te maken krijgen met de situatie waarbij het recht ons in de steek lijkt te laten.

Een beroep op morele intuïtie: ethische gedachte-experimenten op de grens van leven en dood

Ter overweging voor eenieder

In deze bijdrage breng ik verschillende gedachte-experimenten bij elkaar, die allen iets te maken hebben met (de keuze tussen) leven en dood. Een vaak gehoord kritiekpunt van (morele) gedachte-experimenten is dat ze erg geënsceneerd overkomen; ze zouden nauwelijks raken aan een concrete praktijk en de realiteit onverantwoord versimpelen. ‘In de echte wereld is er nooit een zekerheid gegeven. In de echte wereld spelen veel meer factoren een rol. In de echte wereld kunnen we overmand worden door emoties en impulsen,’ etc..

Die kritiek miskent dat nadenken over scherpe en vastomlijnde ethische dilemma’s wel degelijk zeggingskracht heeft, namelijk waar het onze morele opvattingen en intuïtie aangaat. Het gaat er ook niet om dat er een algemeen geldende academische ethiek uit kan of moet worden afgeleid, het gaat er bij deze gedachte-experimenten primair om om onze morele intuïtie te activeren en nader te onderzoeken: filosofische problemen zijn niet zomaar te vergelijken met empirische problemen!

De kracht van scherp geformuleerde morele vraagstukken ligt in het feit dat onze antwoorden erop iets onthullen over onze opvattingen over goed en kwaad. Onze vooronderstellingen en onze normen en waarden die bloot komen te liggen met onze antwoorden, zijn bovendien aanleiding tot zelfonderzoek. Daarnaast wordt ook ons redeneervermogen op de proef gesteld, zeker wanneer de vraagstukken op een subtiele manier nét iets anders worden gepresenteerd. Dit finetunen is te vergelijken met een kamer waarin alles constant gehouden wordt, op één detail na. Kijken we vervolgens anders tegen de kamer aan? En waarom dan precies?

Ik baseer mij hier onder meer op wijsgerige bijdragen van Elizabeth Anscombe (1919-2001), Philippa Foot (1920-2010), Thomas Nagel (1937) en Judith Jarvis Thomson (1929) en David Edmonds, die met hun hedendaagse morele filosofie menig huiskamerethicus een leuke avond hebben bezorgd. Dat is ook precies de bedoeling van onderstaande uitwerkingen en zelfverzonnen varianten. Hoewel sommige experimenten erg op elkaar lijken, kan het verschil toch zitten in een subtiliteit. Soms lijkt een antwoord voor de hand te liggen (onderzoek waarom), soms is het moeilijker om tot een keuze te komen (onderzoek waarom).

Ik kies er bewust voor om niet al te veel toelichting te geven of de experimenten te voorzien van achterliggende morele theorieën, zodat de lezer uiteindelijk slechts aangewezen is op zichzelf, zijn intuïtie en zijn verstand. Iedere casus eindigt met specifieke vragen en opmerkingen, maar het staat de lezer vrij om zelf varianten te bedenken of met andere vragen te eindigen. De mogelijkheden zijn eindeloos.

Nb:
-Personen die genoemd worden zijn in eigenschappen willekeurig en gelijkwaardig, tenzij anders vermeld.
-De term “dikzak” is nogal veel gebruikt in de genoemde casuïstiek. Men mag daarvoor ook allerlei andere termen invullen, waarmee eenzelfde voorstelling wordt bereikt.
-Auteur is niet aansprakelijk voor geruzie in de lespraktijk of aan de keukentafel voortvloeiend uit discussie

A1. Een op hol geslagen tram I: één tegen vijf

Je ziet een op hol geslagen tram. De remmen zijn stuk. Een eindje verderop zijn op het spoor vijf personen vastgebonden. Als je niets doet, zullen de vijf mensen doodgereden worden. Gelukkig bevindt je je in de buurt van een schakelaar, waarmee je de tram van spoor kunt laten wisselen. Echter, op dat spoor bevindt zich één vastgebonden persoon. Zet je de schakelaar om, dan zal deze persoon worden doodgereden.

>> Wat moet je doen?

> Is het moreel verantwoord om een muntje op te gooien?

Zie: Ph. Foot. The Problem of Abortion and the Doctrine of the Double Effect. In: the Oxford Review, 5, 1967.

A2. Een op hol geslagen tram II: één voor vijf

Hetzelfde scenario als bij A1. Met dit verschil:
–        de vijf vastgebonden personen roepen allemaal in koor: “wij zijn bereid ons leven te geven voor die ander!”

>> Je staat nog steeds bij de schakelaar. Kom je tot een andere keuze dan bij A1?

A3. Een op hol geslagen tram III: de emotionele band

En nog een variant…

Hetzelfde scenario als bij A1. Met dit verschil:

–        de vijf vastgebonden personen zijn allemaal onbekenden. Je ziet echter tot je schrik dat de persoon op het andere spoor een bekende van je is, waarmee je een affectieve relatie hebt (familielid, geliefde et cetera).

>> Je staat nog steeds bij de schakelaar. Kom je tot een andere keuze dan bij A1?

A4. Een op hol geslagen tram IV: intentie en handeling

Hetzelfde scenario als bij A1. Met dit verschil:

–        de vijf mensen vastgebonden zijn onbekenden. De man op het andere spoor is echter de grootste vijand die je het leven tot nog toe zuur heeft gemaakt. Je denkt: “het interesseert me niet of de andere vijf overleven, maar dit is mijn kans om hem te vermoorden.”

>> Is het moreel toegestaan om de schakelaar om te zetten?

> Vgl. het antwoord met het antwoord op A1

B1. Een op hol geslagen tram en de dikke man

Je ziet een op hol geslagen tram. De remmen zijn stuk. Een eindje verderop zijn op het spoor vijf personen vastgebonden, die komen te overlijden wanneer er niets gebeurt. Je bevindt je echter op een voetgangersbrug die over het spoor loopt. In het midden daarvan staat een dikke man voorovergebogen te kijken naar het tafereel. Als je hem nu een duw zou geven, dan tuimelt hij voorover en zal hij op het spoor belanden, waarna zijn gewicht de tram tot stilstand brengt. De vijf vastgebonden mensen overleven, maar de dikke man sterft bij dit voorval.

>>Zul je de dikke man een duw geven?
> Bedenk dat je een robot bent -geen gevoel dus-, en vanuit die positie handelt. Wat doe ja dan? (In verschillende scenario’s kun je de robotvoorstelling van toepassing maken).

Zie: J.J. Thomson. Killing, Letting Die, and The Trolley Problem. In: Ethical Theory. An Anthology. Ed. Russ Shafer-Landau. Blackwell Publishing Ltd, 2007. 543-550. Oorspronkelijk verschenen in: Yale Law Journal 94, 1985.

Zie ook: Greene JD, Sommerville RB, et al. An fMRI Investigation of Emotional Engagement in Moral Judgment. Science. 2001; 293. 2105-2108.

En lees: http://www.iflscience.com/technology/should-self-driving-car-be-programmed-kill-its-passengers-greater-good-scenario

B2. Een op hol geslagen tram en het geval van de zware rugzak

Hetzelfde scenario als bij B1. Echter met dit verschil:

–        er is geen dikke man in de buurt om te duwen. Je staat zelf met een loodzware rugzak op het midden van de brug. Jullie gezamenlijke gewicht kan de tram tot stilstand brengen. Dat bekoop je echter met de dood, maar de vijf zullen overleven.

>>Geef je jezelf het laatste zetje?

B3. Een op hol geslagen tram, de dikke man en het “ongeluk” (vgl. Plato’s ring van Gyges)

Hetzelfde scenario als bij B1. Echter met dit verschil:

–        de dikke man staat op een brokkelig middenstuk van de brug. Als je hard springt dan breekt bij je landing de gammele brug en valt de dikke man samen met het puin op het spoor waarna de tram tot stilstand komt en de vijf gered worden.

Zelf kom je er ongeschonden vanaf.

Daarbij: Alles lijkt een bizar ongeluk.

>>Spring je zodat de brokstukken en de dikke man op de rails vallen?


C1. Een op hol geslagen tram en de bekende gevolgen

Je ziet een op hol geslagen tram. De remmen zijn stuk. Een eindje verderop zijn op het spoor vijf personen vastgebonden op een kar, die komen te overlijden wanneer er niets gebeurd. Je bevindt je in de buurt van een schakelaar die wonderwel een motor op de kar kan activeren, waarbij de kar wegschiet van het spoor, en een heuvel afrijdt. Aan de onderkant van die heuvel bevindt zich een spelend kind, wat dan overreden zal worden door deze kar en komt te overlijden. De vijf vastgebonden personen op de kar overkomt niets.

>>Activeer je met de schakelaar de motor van de kar?

(Nb: ‘kind’ kan ook vervangen worden door ‘willekeurig volwassen persoon’)

C2. Een op hol geslagen tram en de onbekende gevolgen

Dit scenario is vergelijkbaar met C1, behalve dat zich onderaan de heuvel 15 spelende kinderen bevinden. Je weet dat de kar op deze kinderen zal inrijden indien je besluit de motor met de schakelaar te activeren. Je kunt echter niet inschatten wat de gevolgen zijn. Een snelle kansberekening leert dat de kans dat er geen dode valt, of dat ze alle 15 zullen sterven, even groot is. De vijf mensen op de kar zullen hoe dan ook overleven, indien je de motor activeert.

>>Gelet op de geboden kans, activeer je met je schakelaar de motor van de kar?

C3. De dikke man en het ongelukkige dagje uit

Zes vrienden zijn afgedaald in een grot. Op het moment om naar huis te gaan, gaat een dikke gast als eerste door het gat naar buiten, maar ongelukkigerwijs blijft hij vast zitten. Er wordt geprobeerd hem te bevrijden, maar dat lukt niet. Ondertussen begint de waterspiegel in de grot te stijgen, en duurt het nog maar even voordat de grot onder water staat. Een van de vrienden heeft een staaf dynamiet bij zich. “We kunnen enkel met zijn vijven overleven, als we deze dikzak opblazen en voor onszelf een weg naar buiten creëren. Doen we niets, dan sterven we en zal onze dikke vriend straks worden bevrijd door de reddingsbrigade.”

>> Mag de dikke gast worden opgeblazen?

> Zou jij in staat zijn het lont aan te steken?

Vgl: wat is het verschil indien er niets gebeurt, alle vrienden overlijden? Kan dat motiveren om wanneer het antwoord luidt: “je mag een onschuldige dikke gast niet vermoorden”, dan wél te kiezen voor het aansteken van de staaf dynamiet?

Vgl: N. Zack (2010). Ethics for Disaster. Rowman & Littlefield Publishers. P. 35-48.

C4. De reddingsboot en de drenkelingen. Of: een hedendaags survival of the fittest?

Tijdens een schipbreuk zijn er 50 mensen in het water beland. Er is een reddingsboot voorhanden en omdat je in de buurt was, ben je een van de eersten die aan boord weet te klimmen. De reddingsboot heeft echter een standaardcapaciteit van maximaal 25 mensen. Aan alle kanten komen echter mensen aangezwommen die dreigen te verdrinken indien ze niet in de reddingsboot worden opgenomen. Op dat moment zitten er al 30 mensen in de boot. Komt er nog een drenkeling bij, dan kapseist de reddingsboot en belandt iedereen in het water. Nu is er een geweer voorhanden met 20 kogels.

>> Is het toegestaan het geweer te gebruiken om drenkelingen die de reddingsboot dreigen te kapseizen ervan af te schieten?

>> Vergelijk: indien het geweer niet gebruikt wordt, zal er net zo lang om de boot gevochten worden dat de sterksten overblijven en de andere 20 niet meer in staat zijn om aan te klampen als de boot wederom kapseist.

C5. De reddingsboot en de drenkelingen. Of: de pech van het overgewicht?

Hetzelfde scenario als bij C4. Echter met het volgende verschil:

–        in de reddingsboot bevinden zich met jou 10 dikke mensen, die samen de capaciteit innemen van de gehele boot, die 25 mensen met een normaal postuur kan dragen.

–        Je hebt een geweer voorhanden met 50 kogels.

>> Is het toegestaan het geweer te gebruiken om de dikke mensen van de reddingsboot af te schieten, zodat meer dan het dubbele aantal drenkelingen in het water kunnen worden gered?

Vgl. ook: ‘Bewuste roker heeft minder recht op nieuwe donorlong

C6. Tom Dudley, Edwin Stephens en Edmund Brooks vs de Engelse Staat. Of: hoe de werkelijkheid soms toch doet denken aan een gedachte-experiment.

Na een schipbreuk beland je 1000 mijlen van land samen met drie andere mannen (Parker, Stephens en Brooks) in een reddingsboot en dobbert rond op de eindeloze oceaan. Richard Parker is 17 jaar oud en de jongste van het stel. Na 20 dagen dobberen is er gebrek aan alles. Geen voedsel, geen water; kortom: de dood is in het zicht. Parker raakt in een coma. Jij, Stephens en Brooks overleggen wat te doen. Jullie hebben allen een gezin, Parker niet. Parker doden voordat hij een natuurlijke dood sterft betekent dat zijn bloed beter drinkbaar is, zo wordt geredeneerd.

Brooks weigert te doden. Stephens is voor. Het wapen is voorhanden: een pen.

>>  Kies je ervoor Parker met een steek in de halsslagader te doden?

> Veronderstelt dat je daarvoor kiest. Heeft Brooks recht om toch een deel van Parkers lichaam als voedsel te gebruiken om te overleven?

> Een Duitse boot ziet de drenkelingen en pikt de drie overlevenden op. Eenmaal terug in het vaderland worden jij en Stephens aangeklaagd voor moord. Moet je worden vrijgesproken?

> Indien het antwoord op de vorige vraag nee is. Wat is een acceptabele straf?

Zie: Mallin, M. G. (1967). In warm blood: Some historical and procedural aspects of Regina v. Dudley and Stephens. University of Chicago Law Review (The University of Chicago Law Review) 34 (2): 387–407.

Zie ook: Regina v Dudley and Stephens case: is overlevingskannibalisme toegestaan?

Vgl: The Life of Pi. Of: How Richard Parker Came to Get His Name

C7. De ladder met de verstijfde jongen. Of: is intentioneel doden altijd slecht?

Tijdens een schipbreuk is er voor een aantal mensen nog maar één mogelijkheid om te overleven. Er is een ladder beschikbaar die omhoog leidt naar een veilige plaats. Onderaan de ladder is het koude water levensgevaarlijk. Halverwege de ladder bevindt zich een jongen die verstijfd is van angst of de kou, waarschijnlijk beide. Hij is niet meer in staat om te bewegen en blokkeert de weg naar boven. De kapitein beneden moet tot een moeilijke beslissing komen:

>> Klimt hij de ladder op om de jongen ervan af te duwen, waarna deze te pletter valt?

> Kan de jongen (niet in staat te communiceren) onder deze omstandigheden nog aanspraak maken op rechten? Met andere woorden: kan de jongen als we zijn wil zouden kennen met recht willen (het recht een natuurlijke dood te sterven?)

> Vgl: de rechten van Richard Parker bij C6.

> Vgl. de stelling: “indien iemand wanneer er niets gebeurt binnen afzienbare tijd toch zal sterven, is het moreel toegestaan deze persoon te vermoorden voor een hoger goed.”

> Of: “Verliest iemand rechten, wanneer zijn rechten weldra natuurlijk worden opgeheven, maar op het moment de rechten van anderen in de weg staat”.

> En bediscussieer: “Ieder mens heeft een gelijke claim op een volwaardig basispakket aan rechten en vrijheden. Deze rechten en vrijheden zijn verenigbaar met de rechten en vrijheden van anderen. De politieke overheid dient deze basisrechten en vrijheden te garanderen.”

Zie: Herald of Free Enterprise: hoe een routinetrip een nachtmerrie werd

C8. De luchtballon en de keuze van Sophie

Een moeder is samen met haar jonge zoon en dochter een dagje uit met de luchtballon. De wind gooit echter roet in het eten en de ballon dwaalt af. Op enig moment doemt er een gevaarlijke rots op. Het gewicht van de ballon is te zwaar om over de rots heen te vliegen. Als er niets gebeurt slaat de ballon te pletter. De meter geeft aan dat er 40 kg overgewicht is. Iemand zal uit de luchtballon moeten, zodat de ballon hoogte krijgt. Achter de rots kan er veilig worden geland. De moeder is het zwaarst met 70 kg, maar als zij zich uit de ballon werpt, zullen de kinderen niet in staat zijn veilig te landen en het niet overleven. Beide kinderen hebben een gewicht van 40 kg.

>> Moet de moeder tot een keuze komen een van de kinderen te offeren, zodat de ballon veilig kan landen?

> Stel je voor dat het je eigen kinderen zijn. Stel ze voor op gelijke leeftijd. Kun je op basis van de eigenschappen van je kinderen tot een keuze komen?

> Zowel bij het tramprobleem als hier, zijn morele filosofen druk in de weer geweest om het emotionele aspect toe te voegen aan de zakelijke casus. Het offerdilemma kan daarom op allerlei mogelijke manieren persoonlijk worden gemaakt (vgl. Het scenario bij A4).

Vgl: de keuze van Sophie

C9. Het Nazi-dilemma

Een tiental onderduikers, waaronder een moeder en haar baby, is op de vlucht voor de nazi’s. Ze vinden een schuilplaats, maar de baby is niet stil te krijgen en dreigt de hele groep te verraden, waarna ze zullen worden afgevoerd. De enige manier om niet ontdekt te worden, is wanneer de moeder het kind verstikt.

>> Wat moet de moeder doen?

> Het offer als “deus ex machina”:
Is de beste optie niet deze: dat de moeder zich samen met haar kind prijsgeeft, en daarmee de groep redt?

D1. De ongelukkige patiënten

Als verantwoordelijke chirurg van een ziekenhuis is er vanwege de oorlog aan alles gebrek. Je hebt eigenlijk nog maar voldoende materiaal om één patiënt te redden. Op dat moment worden drie patiënten binnengebracht. Een bevriende oude generaal, een hoogzwangere jonge vrouw en een geestelijk gehandicapte puber. Je bedenkt: de oude generaal kan belangrijk zijn in het overwinnen van de oorlog, wat tienduizenden levens kan schelen. De hoogzwangere vrouw draagt een kind bij zich en dat betekent dat je onmiddellijk twee levens kunt redden.

>>Maar dan…..is er een goede reden te bedenken waarom je in dit geval ook zou kiezen voor de geestelijk gehandicapte puber (of ontdek je in jezelf hoe dun het vernis van de beschaving is)?

D2. De ongelukkige patiënten (of: de ongelukkige arts) II

Een arts moet een routineoperatie verrichten, op grond waarvan de betreffende patiënt een aantal uren onder narcose gaat. Op het moment dat hij de operatie wil aanvangen, worden vijf patiënten binnengebracht die allemaal binnen 4:00 uur zullen sterven, mits ze een orgaan krijgen. De een heeft een lever nodig de ander een hart, de derde twee nieren en de anderen allebei een long. Helaas zijn deze organen niet voorhanden, behalve dan bij de patiënt die op dat moment op de operatietafel ligt. Als je zijn organen gebruikt, sterft hij uiteraard. Doe je dat niet dan sterven de vijf patiënten.

>>Help je de vijf patiënten?

Vergelijk deze casus met je antwoord op B1.

>> Bedenk of het uitmaakt voor je beslissing dat de patiënt onder narcose een veroordeelde seriemoordenaar is (die na de operatie zijn levenslange straf weer gaat uitzitten).

>> Een variant die hiermee samenhangt, is de volgende: “kan er een recht gevonden worden om de moeder van Hitler te vermoorden, voordat ze hem heeft gebaard”? (Overigens is dan waarschijnlijk de grens van wat zelfs een doorgewinterde liefhebber van de meest exotische gedachte-experimenten vermag, wel bereikt…)

Vgl: Voorhoeve, A. (2009). Conversations on Ethics. Oxford: Oxford UP.

D3. De ongelukkige patiënten (of: waarom men voorzichtig moet zijn met stapavonden)

Na een wilde stapavond, word je de volgende ochtend wakker in een soort ziekenhuisbed. Je merkt dat je vastzit aan allerlei infuusapparaten en slangen. Op het moment dat je je los wil rukken, zie je dat de slangen zijn verbonden met een persoon naast je in bed. Er komt een man aangesneld en begint uit te leggen wat er is gebeurd. “Toen we u laveloos aantroffen gisteravond in een steeg, merkten we dat u een bijzondere bloedgroep heeft. Naast u ligt namelijk een beroemde violist, met een dodelijk nierprobleem. Een stagiaire heeft hem op u aangesloten, zodat de gifstoffen via uw nieren uit zijn lichaam kunnen worden verwijderd en hij kan herstellen. Hij had dat niet mogen doen en we hadden de stagiaire tot de orde moeten roepen, maar nu bent u eenmaal aangesloten… En om u los te koppelen, betekent dat wij hem doden. Maar wees gerust: het is maar voor negen maanden. Daarna kunt u veilig losgekoppeld worden en wordt de patiënt uit zijn coma gehaald, om vervolgens weer als een gezond mens verder te leven.”

>> Maak je jezelf los van het infuus?

Zie: Judith Jarvis Thomson: A Defense of Abortion. In: Intervention and Reflection: Basic Issues in Medical Ethics, 5th ed., ed. Ronald Munson (Belmont; Wadsworth 1996). pp 69-80.

D4. Het katholieke echtpaar, de tweeling en de rechtszaak

Een vrouw brengt een Siamese tweeling ter wereld. Artsen stellen dat zowel Maria als Jody (de tweeling) zullen sterven, tenzij er een operatie plaatsvindt. Maar zelfs als deze operatie plaatsvindt zal een van de meisjes sterven. Jody zal overleven. De ouders van de kinderen, beiden overtuigd rooms-katholiek, weigeren deze operatie. Ze motiveren dit als volgt:

“Wij kunnen niet aanvaarden noch overwegen dat een van onze kinderen sterven moet, zodat de ander zal overleven. Dat is niet de wil van God. Iedereen heeft recht op leven, dus waarom zouden wij een van onze dochters moeten vermoorden zodat de ander kan voortbestaan?”

De artsen willen echter een van de kinderen redden.

>> Moeten de artsen een zaak aanspannen bij de rechter zodat de operatie kan plaatsvinden?

> Wat is de juiste beslissing van de rechter indien er een zaak plaatsvindt?

Zie: Law decided fate of Mary and Jodie

Zie: A Common Law Tragedy: Life, Death and Siamese Twins Rosie and Gracie Attard

Vgl: Johannes de silentio in Kierkegaards Vrees en Beven. Of de geloofsparadox: de teleologische suspensie van het ethische als recht?

D5. Het katholieke echtpaar, de tweeling en de langdurige rechtszaak I

Zie scenario D4. De rechtszaak wordt aangespannen door de artsen. Omdat het een complexe zaak is, duurt het zo lang voordat een rechter tot een uitspraak kan komen, dat beide kinderen dreigen te overlijden voordat er een beslissing is gevallen door de rechter. Prognoses geven aan dat ze nog minder dan een week hebben. Een idealistische arts besluit daarom voordat het te laat is de Siamese tweeling te ontvoeren en de operatie uit te voeren. Zoals verwacht overleeft Jody en sterft Maria.

Het toeval wil dat de Hoge Raad een week later met het oordeel komt dat het rechtmatig is om de tweeling te opereren.

>> Heeft de arts rechtmatig gehandeld en een leven gered?

> Of had hij de uitspraak moeten afwachten met als gevolg dat de kinderen allebei zouden zijn overleden?

D6. Het katholieke echtpaar, de tweeling en de langdurige rechtszaak II

Zie scenario D5. Een idealistische arts besluit voordat het te laat is de Siamese tweeling te ontvoeren en de operatie uit te voeren. Zoals verwacht overleeft Jody en sterft Maria.

Het toeval wil dat de Hoge Raad een week later met het oordeel komt dat het onrechtmatig is om de tweeling te opereren.

>> Heeft de arts een leven gered of heeft hij door zijn handelen een leven op zijn geweten?

> Vergelijk je intuïtie met de antwoorden gegeven bij D5.

E1. De man die zijn vrouw wilde vermoorden

Bert heeft een hekel aan zijn vrouw en wil haar vermoorden. Daarom doet hij een giftig middel in haar koffie, waarna ze sterft.

>>Is Bert een moordenaar?

Vgl. Parfit, D. (1984). Reasons and persons. Oxford: Oxford UP.

E2. De man die zijn vrouw wilde vermoorden

Karel heeft een hekel aan zijn vrouw en wil haar vermoorden. Terwijl hij bedenkt hoe hij dat het beste kan doen, ziet hij dat zijn vrouw een giftig middel in haar koffie doet terwijl ze denkt dat het koffiecrème is. Hoewel Karel een tegengif heeft, houdt hij dit op zak.

>>Is Karel een moordenaar? (Maar bovenal: is er een moreel verschil tussen Bert en Karel?)

E3. De man die zijn rijke schoonmoeder wilde vermoorden

Peter heeft een rijke schoonmoeder op leeftijd. Als ze sterft, erft hij heel veel geld. De schoonmoeder draagt om haar hals een bewijs dat indien ze een hartaanval krijgt, zij niet gereanimeerd wil worden.

Op een zeker moment neemt zij een bad, terwijl Peter naar binnen sluipt en haar verdrinkt in het bad. Hij doet dit zo dat het een ongeluk lijkt.

>>Is Peter een moordenaar?

E4. De man die zijn rijke schoonmoeder wilde vermoorden

Dit scenario is vergelijkbaar met E3. Nu sluipt Pieter de badkamer binnen, met de bedoeling zijn schoonmoeder te verdrinken. De schoonmoeder schrikt echter bij het zien van Pieter, en krijgt een hartaanval, nog voordat hij haar ook maar met één vinger heeft aangeraakt. Pieter ziet hoe ze wegzakt in het water en verdrinkt.

>>Is Pieter een moordenaar?

>En: is er een moreel verschil met Peter?

>En ook: stel dat de schoonmoeder geen bewijs om haar hals zou hebben dat ze bij een hartaanval niet wil worden gereanimeerd, is er dan een moreel verschil tussen Peter die zijn schoonmoeder zelfstandig verdrinkt en Pieter die passief toekijkt hoe zijn schoonmoeder verdrinkt?

>En verder: hangt straf af van geluk of pech met betrekking tot omstandigheden, eerder dan met betrekking tot intentie?

>En tenslotte: zou je indien je niet uit zou zijn op het geld van je schoonmoeder, terwijl ze schrikt van jouw plotse binnenkomst, haar toch niet reanimeren?

Vgl: Nagel, Thomas. Moral Luck. Mortal Questions. Cambridge: Cambridge University Press, 1979. pp. 24–38.

Zie ook: Wetzels, S. (2009). De Zaak A. De zoon die zijn vader wilde vermoorden en dat per ongeluk deed

En: Wetzels, S. (2012) Wijsgerige dwalingen omtrent verantwoordelijkheid, intentie en wil.

En: Wetzels, S. (2012). Supplement op wijsgerige dwalingen omtrent verantwoordelijkheid, intentie en wil.

F1. Het doel en de middelen

Het zoontje van een rijke bankier is door een rechtenstudent gekidnapt. Hij vraagt 1 miljoen losgeld. Op het moment dat hij het losgeld komt ophalen, grijpt de politie hem in de kraag. Het jongetje is echter in geen velden of wegen te bekennen. Op het politiebureau levert dagenlang verhoren niets op. De tijd begint te dringen. Op enig moment besluit de commissaris van de politie de rechtenstudent te bedreigen met marteling indien hij niet de schuilplaats van het jongetje bekendmaakt. Dat dreigement maakt indruk en de rechtenstudent vertelt waar ze het jongetje kunnen vinden.

>>Stond de commissaris in zijn recht de rechtenstudent te bedreigen? (Bedenk dat de vraag ook zo gesteld kan worden: is het moreel toegestaan om in dit geval te dreigen met marteling?)

> Indien het antwoord nee luidt: welke straf verdient de commissaris voor het overtreden van de wet?

Vgl: de zaak en uitspraak in Magnus Gäfgen vs Duitse overheid

F2. Het doel en de middelen II

Hier geldt hetzelfde scenario als bij F1. Er wordt nu echter niet alleen gedreigd met marteling, want dat leverde niets op, maar er wordt daadwerkelijk gemarteld-maar zodanig dat er geen blijvend letsel aan wordt overgehouden. Na een half uur bekend de rechtenstudent waar het jongetje verborgen is.

>>Stond de commissaris in zijn recht de rechtenstudent te laten martelen? (Bedenk dat de vraag ook zo gesteld kan worden: is het moreel toegestaan om in dit geval te martelen?)

F3. Het doel en de middelen III

Hier geldt hetzelfde scenario als bij F2. Echter aangenomen dat nu gesproken wordt tegenover mensen die zich beroepen op het verbod op martelen krachtens het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 3. Het antwoord bij F2, is dan vergelijkbaar met het juridische antwoord van de Duitse Hoge Raad:

Folteringen, onmenselijke of onterende behandeling kunnen zelfs niet worden toegestaan in omstandigheden waarin het leven van een individu in gevaar is. (…..) Artikel 3, dat is geformuleerd in ondubbelzinnige termen, erkent dat ieder mens heeft een absoluut, onvervreemdbaar recht heeft niet te worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandeling onder alle omstandigheden, zelfs de moeilijkste.

>>Maar stel nu dat je zelf gevangen bent, en de enige mogelijkheid om levend bevrijd te worden is wanneer de politie de verdachte mishandelt zoals voorgesteld. Wat zegt dan je primaire intuïtieve ingeving?

F4. Het doel en de middelen IV

De rechtenstudent wordt gemarteld en bekent waar het lichaam van het jongetje kan worden gevonden. Het jongetje blijkt echter vermoord, wanneer de politie de schuilplaats vindt. Er geldt volgens de wet dat alle informatie die de politie verkrijgt op illegale wijze niet mag worden gebruikt tegen iemand en dat die informatie buiten het proces wordt gehouden.

>>Moet de rechtenstudent niet vervolgd worden voor moord vanwege het feit dat de politie onrechtmatig te werk is gegaan (was hij niet gemarteld dan was er immers nooit een lijk gevonden)?

F5. De tikkende tijdbom

Verreweg het bekendste scenario waarin utilitarisme wordt beproefd is dat van de tikkende tijdbom.

Een beruchte terrorist heeft een bom geplaatst ergens in de stad. De inlichtingendienst is er achter gekomen en heeft sluitend bewijs dat hij weet waar hij de bom heeft geplaatst. De man lacht en zegt dat de bom over 4:00 uur zal afgaan en zeker 1000 levens zal vergen. Als de man wordt gemarteld, is het zeker dat hij de locatie van de bom binnen een half uur prijsgeeft.

>>Is het toegestaan om de man te martelen?

F6. De tikkende tijdbom II

Er is hetzelfde aan de hand als bij F5. Echter geldt er een absoluut verbod op martelen van mensen. De tijd dringt en de inlichtingendienst is ten einde raad, want de terrorist is niet bereid om te verklappen waar hij de bom heeft geplaatst. Dan komt echter een agent binnengestormd met de hond van de terrorist. Het blijkt zijn lievelingsdier te zijn waar hij een zeer innige band meeheeft. Als de hond wordt gemarteld, is het zeker dat hij de locatie van de bom binnen een half uur prijsgeeft.

>>Is het toegestaan om de hond te martelen?

G1. Het Knobe effect: de inhalige president-directeur

Een medewerker van een groot bedrijf gaat naar de president-directeur en zegt: ‘we hebben een nieuw project! Het gaat ons karrenvrachten geld opleveren voor ons bedrijf, maar het zal ook het milieu aanzienlijke schade toebrengen.’ De president directeur antwoordt zijn medewerker: ‘ik realiseer mij dat het project het milieu aanzienlijk zal schaden. Dat interesseert me echter op geen enkele manier. Het enige waarin ik geïnteresseerd in ben, is om zo veel als mogelijk geld binnen te harken. Dus vang aan dat project!’

Het project gaat van start, en het is geen verrassing: het milieu wordt aanzienlijke schade toegebracht.

>> Is de president-directeur verantwoordelijk voor de aanzienlijke milieuschade?
(Verdient hij straf?)

G2. Het Knobe effect: de inhalige president-directeur

Een medewerker van een groot bedrijf gaat naar de president-directeur en zegt: ‘we hebben een nieuw project! Het gaat ons karrenvrachten geld opleveren voor ons bedrijf. Het zal daarnaast ook een weldadig effect hebben op het milieu.’ De president directeur antwoordt zijn medewerker: ‘ik realiseer mij dat het project een weldadig effect zal hebben op het milieu. Dat interesseert me echter op geen enkele manier. Het enige waarin ik geïnteresseerd ben, is om zo veel als mogelijk geld binnen te harken. Dus vang aan dat project!’

Het project gaat van start, en het is geen verrassing: het milieu vaart er wel bij.

>> Is de president-directeur verantwoordelijk voor het weldadige effect op het milieu?
(Verdient hij een prijs?)

Zie: Knobe, J. (2004b). What is Experimental Philosophy? In: The Philosophers’ Magazine, 28.

Knobe, J. (2007). Experimental Philosophy and Philosophical Significance. In: Philosophical Explorations, 10: 119-122.

Knobe, J. & Nichols, S.(2008). Experimental philosophy. Oxford University Press.

H. Hiroyuki Joho vs Gayane Zokhrabov Een lugubere zaak. Of: hoe de werkelijkheid soms toch doet denken aan een gedachte-experiment.

Een man genaamd Hiro rent in de stromende regen met zijn paraplu het spoor op om een trein te halen. Hij ziet daardoor niet dat er een andere trein met 100 km/uur aankomt en komt ermee dodelijk in botsing. Zijn lichaam wordt gelanceerd en raakt tientallen meters verderop een wachtende vrouw op het perron. Deze vrouw breekt haar beide polsen

>>Kan ze Hiro aansprakelijk stellen voor de geleden schade? Of anders gezegd: kan een dode man verantwoordelijk worden gehouden voor de verwondingen die zijn veroorzaakt door zijn rondvliegende lichaamsdelen toen hij werd geraakt door een trein?

I1. Een vreemde wandeling in Zuid Amerika

Je wandelt op je gemak ergens in Zuid-Amerika, als je plotseling in een dorp komt, waar een grote kerel met “Pedro” op zijn shirt je tegemoet komt lopen. Hij verwelkomt je en spreekt van een speciale gelegenheid. Hij was van plan om twintig Indianen dood te schieten. Als bijzondere geste echter aan jou als blanke broeder, de eer om er één te doden en dan mogen de andere negentien vrijuit gaan. Erewoord. Als je weigert, is er uiteraard geen speciale gelegenheid en zal “Pedro” doen wat hij van plan was. Pedro overhandigt je het geweer. Even bekijk je of het mogelijk is om Pedro zelf neer te schieten, maar dat zit er helaas niet in met alle soldaten om je heen.

>> Zul je één Indiaan vermoorden, zodat er 19 in vrijheid verder kunnen leven?

>> Indien ja: waarom ben jij bereid om een moordenaar te worden?

>> Indien ja: wat maakt je anders dan Pedro de moordenaar?

Zie: Bernard Williams. 1981. Moral Luck. Cambridge: Cambridge University Press.

En: Bernard Williams. 1985. Ethics and the Limits of Philosophy. London: Fontana.

I2. Een vreemde wandeling in Zuid Amerika II

Hetzelfde scenario als bij I1. Echter met dit verschil:

–        Pedro vraagt je er 15 te vermoorden.

>> Zul je 15 indianen vermoorden, zodat er 5 in vrijheid verder kunnen leven?

I3. Een vreemde wandeling in Zuid Amerika III

Hetzelfde scenario als bij I1. Echter met dit verschil:

–        Pedro vraagt je niet om de indiaan te vermoorden, maar om één indiaan een paar uur te martelen via de Chinese methode. ‘Haha – zodat hij het zijn leven niet zal vergeten! Maar dan laat ik de andere 19 gaan’, verzekert Pedro.

>> Zul je één indiaan martelen, zodat er 19 vrijuit kunnen gaan?

Merk op indien je antwoord “nee” is en bij I1 “ja”, er dan klaarblijkelijk een verschil is tussen “moorden” (een moordenaar zijn) en “martelen” (een beul zijn) …

I4. George de chemicus

George is een werkloze wetenschapper. Op enig moment wordt hem een baan aangeboden in een laboratorium waar onderzoek wordt gedaan naar biologische en chemische wapens. George is echter sterk gekant tegen het vervaardigen en gebruiken van chemische en biologische wapens. Als hij de baan niet aanneemt, zal hij zijn huis moeten verkopen en zijn vrouw en kinderen daarvan de dupe. Bovendien, als hij het werk niet aanneemt, zal de baan naar iemand anders gaan die hetzelfde onderzoek zonder idealisme en met een stuk minder remmingen zal bewerkstelligen.

>>Moet George de baan nemen?
(Oftewel: zou jij de baan nemen?)

Vgl: Greenpeace Arctic 30: wat is er tot nu toe gebeurd?
Of: wat is een ideaal waard?

_________________________________________

Hoewel er nog vele andere varianten mogelijk zijn en de bron van gedachte-experimenten nog lang niet is opgedroogd, kom ik tot de conclusie dat mijn eigen intuïtie op dit moment zoveel overuren heeft gemaakt, dat ze daarbij recht heeft op een aantal uren volstrekte oppervlakkigheid. Ik kruip aldus uit de filosofische zwarte doos, en begeef mij weer in de echte wereld… Gewapend met nieuwe kennis? Ik wacht mijn dilemma’s af…

Zie ook:

Your Morals Depend on Language 

 

Ethische dilemma’s bij het vermoeden van kindermisbruik

Een verontrustende denkoefening

Met het hoger beroep van Robert M. in zicht, krijgt de grootste zedenzaak van Nederland e.o., een ongemakkelijk juridisch vervolg. Reden om in het verlengde van dit ongemakkelijke, enkele aangrenzende gedachte-experimenten uit te werken, met behulp van de vrije pen.

Honderdduizenden ouders brengen hun telg dagelijks naar de kinderopvang, oppas-oma of gastoudergezin. Dat gaat vrijwel altijd goed, maar er kan zich altijd een situatie voordoen, waarin er plotseling twijfel is. Deze twijfel zou ik hier willen verkennen. Allereerst door een gedachte-experiment uit te denken, waarbij er geen sprake is van twijfel. Overweeg namelijk eens het volgende:

Je weet zeker dat je kind is misbruikt, misschien wel een jaar lang, maar er is geen direct bewijs tegen de dader (die we X noemen), met als gevolg dat er juridisch weinig aan te doen is. Om dat directe bewijs te verkrijgen, moet je je kind nog één dag bij de betreffende man achterlaten, met een verborgen cameraatje dat alles vastlegt. Het directe bewijs is een sterke garantie voor een lange gevangenisstraf en zelfs TBS. Je voorkomt dat je met je onbewijsbare zekere kennis blijft zitten, en je voorkomt herhaling van andere slachtoffers. Je kind, dat nog niet kan spreken, komt er al een jaar. Is het directe bewijs het waard om met de kennis van misbruik, er één dag aan toe te voegen?

Hoewel het vanzelfsprekend moeilijk is voor te stellen dat er sprake kan zijn van een ‘zeker weten’, gaat het hier in eerste instantie om de ethische grenzen van een scherp afgebakend geval te verkennen.

Bedenk: Het was dat Robert M. zelf een verzameling afschuwelijke opnames had gemaakt, die een sterk direct bewijs vormde voor zijn wandaden, want aangezien zijn weloverwogen slachtoffers allemaal uitgezocht werden in de leeftijd dat ze nog niet konden spreken, was zonder beeldmateriaal in juridische zin er niet veel van terechtgekomen. Het bovenstaande gedachte-experiment is in het verlengde hiervan misschien eenvoudig te beantwoorden, als we bedenken of we om Robert M. achter de tralies te krijgen, ons kind één dag met hem zouden laten doorbrengen. Het antwoord lijkt dan snel duidelijk: onder geen enkele voorwaarde. Let wel, daarmee ontloopt hij zijn straf en kan hij doorgaan andere slachtoffers te maken. Wat maakt dan toch dat we primair resoluut zullen zijn in ons antwoord?

Wat overigens het verschil is met bovenstaand gedachte-experiment, en wat het ook ingewikkelder maakt, is dat ons kind reeds een jaar lang bij X kwam, en één dag extra in het licht komt te staan van bijvoorbeeld een gegarandeerde forse gevangenisstraf en TBS. Zou dat voor ons de overweging anders maken? Zouden we de drukkende onrechtvaardigheid die blijft bestaan wanneer we het niet zouden doen, op kunnen laten wegen tegen ons onethische handelen? Ook hier zal toch het antwoord zijn: zeer waarschijnlijk niet. Primair lijkt het onethische karakter van onze handelingen, niet op te wegen tegen de rechtvaardige consequenties.

Bovendien, in hoeverre maakt onze voorkennis van datgene wat er gaat gebeuren, ons niet medeplichtig? En in hoeverre wordt degene die het toch zou doen begrepen in zijn “offer”? Naar wie gaat dan primair onze meeste afschuw uit: naar de ouder die omwille van ‘een hoger doel’ (dat is dus betwijfelbaar) willens en wetens zijn kind blootstelt aan een perverse crimineel, of naar de perverse crimineel die jonge onmondige kinderen misbruikt?

In hoeverre is er überhaupt sympathie op te brengen voor een ouder die dit doet? En is ons gebrek aan sympathie niet het bewijs dat er verkeerd is gehandeld? Merk op in welke mate je antipathie uitgaat naar de ouder of de perverseling. De ouder heeft hier zijn primaire taak verzaakt, namelijk het kind beschermen tegen een kwaad. Het kind dat zelf onmondig is, en geen keuze heeft. Het kind dat je later moet gaan uitleggen wat je hebt gedaan. “Maar dat deed ik om een groter kwaad te voorkomen! Ik deed het omwille van de rechtvaardigheid. Ik deed het omdat hij moest gestraft worden voor wat hij jou had aangedaan.” “Maar pap, weet je eigenlijk wel wat je mij toen hebt aangedaan?” “Ja…….maar het was nog maar één dag……..één dag……en ik dacht, je was nog zo jong, je zou er vast niets….”

We denken nog even door. Wat namelijk als door middel van de handeling van een betreffende ouder, voorkomen zou worden dat jouw kind zou worden misbruikt? Want toevallig was je net van plan je kind bij de betreffende gastouders onder te brengen…. Of hebben we het gevoel dat we hier in een oneigenlijk dilemma zijn beland? Wellicht, maar het legt wel wat bloot over hoe consequent je ethische principes hanteert.

Afrondend maken we het nog iets ingewikkelder, door het gedachte-experiment scherper te stellen en de zekerheid eruit te halen. Daarmee komt het ook dichter bij de realiteit te staan. Stel namelijk voor:

Je hebt het vermoeden dat er misschien iets niet in de haak is bij de gastouder (Y). Je kind geeft rare signalen, die misschien niet helemaal passen bij de ontwikkeling. Intuïtief gaan alarmbellen rinkelen, en je denkt: onmiddellijk weg daar. Bij twijfel niet oversteken! Maar welke prijs betaal je daarvoor? Je weet niet wat er precies is gebeurd. Hoelang wil je in onzekerheid blijven zitten? Welke verantwoordelijkheid heb je naar andere ouders toe? Je hebt geen enkel bewijs, dus informeren, aanklagen, geruchten verspreiden, is allemaal geen echte optie. Daarvoor is het verwijt veel te groot zonder fatsoenlijke grondslagen, buiten het wat vreemd gedrag van je kind. Kun je het echter aan jezelf verantwoorden, dat je je vermoeden niet hebt gestaafd? En in hoeverre kun je jezelf verlossen van het idee dat er niets gebeurd is, dat je niet bij elk vreemd gedrag denkt dat het mogelijk is te herleiden tot misbruik?

De vraag die samenhangt met dit gedachte-experiment, is nu in hoeverre het bij gebrek aan zekerheid wel ethisch verantwoord is om je kind uitgerust met een cameraatje op pad te sturen naar Y. Een en ander zal ongetwijfeld afhangen van hoe de kans wordt ingeschat (slippery slope), maar het gaat hier juist om die twijfel die je weg wil nemen bij jezelf. Of moet je stellen: omdat ik twijfel, moet ik mijn kind geen enkel risico laten lopen.

Bij twijfel is er sprake van het idee dat het kind een zeker risico loopt, dus in hoeverre ben je bereid dat risico te nemen omwille van zekerheid (eventueel rechtvaardigheid in tweede instantie)? En wat zegt de zekerheid achteraf over je twijfel als blijkt dat die twijfel gerechtvaardigd bleek en er daadwerkelijk iets aan de hand was? Is er dan spijt, of is er dan geruststelling? In hoeverre is dan het goede gedaan? En in hoeverre zou dat dan naar onszelf toe kunnen worden verantwoord? Want waarom hebben we het risico genomen? Wat zijn de achterliggende redenen dat het maakt dat we hier veel meer moeite hebben het juiste antwoord te vinden, dan in het geval we zeker zijn van wat er gebeurd?

Misschien kan de vraag helpen of we feitelijk nog handelen in het belang van het kind (behoort dat niet per definitie de primaire richtlijn te zijn?), of dat we handelen omwille van gemoedsrust (waar we in het eerste geval lijken te handelen omwille van een vorm van rechtvaardigheid). Ook hier geldt echter weer dat het belang van het kind doorwerkt op alle andere kinderen, waarbij het ergens lijkt alsof het belang van ons kind niet bovengeschikt mag worden gemaakt ten opzichte van het belang van andere kinderen. En juist dat laatste kan een reden zijn om op grond van ons vermoeden, zekerheid te wensen. Omdat het niet alleen om ons kind gaat, maar ook om alle andere kinderen….maar was dat in het eerste geval ook niet zo?


Plichtsethiek (dat het kwaad bij jezelf stopt, maar niet bij de ander) en gevolgenethiek (waarbij we op een glijdende helling zitten) zijn in deze weer sterk met elkaar in een strijd verwikkeld. Als de realiteit niet zo ongelukkig zou zijn, dan waren al deze vragen bovenal goed voor enkele uren discussie. Nu echter, zijn ze komende weken ergens ook weer bittere ernst.

Ethische overvraging

Een 48-jarige vrouw heeft door een administratieve fout een jaar lang geld van de gemeente Utrecht op haar rekening gestort gekregen, tot een totaalbedrag van ruim 9 ton. Ze betaalde er onder andere schulden mee af en deed er leuke dingen mee. Het geld was bedoeld voor haar werkgever, welzijnsorganisatie Portes. Voor de rechtbank in Utrecht eiste de officier van justitie donderdag 30 maanden gevangenisstraf. Zij is ontslagen door haar werkgever, er is beslag gelegd op haar bezittingen en zij moet het geld in zijn geheel terugbetalen.

Dit is niet het eerste dramatische verhaal, waarin een enkeling wordt geconfronteerd met een grote som geld die niet van hem is. Los van de nuances met betrekking tot bovenstaand verhaal, dat dit bijvoorbeeld een jaar lang heeft kunnen duren zonder dat het werd opgemerkt, zitten er vele interessante juridische en filosofische vragen aan vast. In deze bijdrage probeer ik daar enkele van aan te raken.

Het centrale morele dilemma hangt samen met het ontvangen van geld dat ons niet toebehoort. Er zijn vele verschillende varianten te bedenken van reële situaties die ons zouden kunnen overkomen. Het meest alledaagse geval is het ontvangen van teveel wisselgeld, bijvoorbeeld bij de bakker. In plaats van twee euro, geeft de bakker ons € 10 terug.

Wijzen we hem op zijn fout? En zouden we hem op zijn fout wijzen als we zelf pas enige tijd later de fout ontdekken, bijvoorbeeld bij thuiskomst? In hoeverre speelt het idee mee dat het niet heel waarschijnlijk is dat de bakker kan bewijzen of zich herinneren dat hij de fout heeft gemaakt in ons geval?

Ingewikkelder wordt het bij gedachte-experimenten waar wat meer geld in omgaat. De vraag bijvoorbeeld “wat zouden wij doen als iedere maand €5000 van een onbekende aan ons wordt overgemaakt” is een buitengewoon lastige vraag. Primair zouden velen waarschijnlijk antwoorden: “het bedrag terugstorten, aangezien het niet van mij is”. Toch vermoed ik dat in plaats van dit stichtelijke antwoord ons (primair) een bepaalde passiviteit zou overvallen: even kijken wat er gebeurt, even afwachten of degene die deze fout gemaakt heeft zich gaat melden, ervan afblijven en er niets mee doen, maar het ook niet terugstorten.

En van wie is het geld eigenlijk? Zou het verschil uitmaken als het zou gaan over een grote logge instantie, crimineel geld of een treurig oud vrouwtje? Misschien niet, maar laten we ons eens voorstellen dat het op zeker zou gaan om geld dat niet gemist zou worden, zou dat ons handelen beïnvloeden? Hoe moreel zijn we als de pakkans tegen nul aanligt?

Naast dergelijke finesses, spelen onze persoonlijke omstandigheden een belangrijke rol. Gaat het ons goed? Wat zouden we met het geld kunnen doen? Wat mag hier ethisch van ons verwacht worden?

De Wet is natuurlijk duidelijk. De samenleving hanteert over het algemeen een norm op grond waarvan iemand die de algemene moraal negeert ten gunste van zichzelf moet worden gestraft. Mijn vraag is in deze hoe redelijk deze norm is. Houden wij een eenvoudig mens niet al te makkelijk de ‘samenlevingsnorm’ voor? Wanneer is datgene wat de Wet stelt een aanval op het gezonde verstand of op onze morele capaciteit?

Stel, dat een ander een fout begaat, vergelijkbaar met de aanhef, bijvoorbeeld door €100.000 aan mij over te maken. Dan wordt van mij verwacht, volgens de Wet, dat ik niets doe met dit bedrag behalve het terugstorten. Ik word verantwoordelijk gemaakt om de grote fout van een ander te herstellen. Waar komt het idee vandaan dat ik deze verantwoordelijkheid aankan?

Het meest basale antwoord van voorstanders van de Wet, die hier bovenal een soort ethische code inhoudt, is dat leven nu eenmaal verantwoordelijkheid met zich meebrengt, waaronder vele verantwoordelijkheden waarom we niet hebben gevraagd (waaronder het leven zelf). Bovendien kan ik de grove fout, met een ogenschijnlijk simpele handeling herstellen. Al word ik echter door het leven zelf onmiddellijk voor ongevraagde dilemma’s geplaatst waarvan wordt verondersteld dat ik er tegenwicht aan kan bieden- mijn stelling is dat daar een grens aan is, die arbitrair is.

Ik wil hier niet op zoek gaan naar dé uitzondering, die een rechter er normaal gesproken feilloos uit zou moeten kunnen halen (al denk ik niet dat een rechter het eens zou zijn met de stelling dat de grens arbitrair is, of in het leven is geroepen om uitzonderingen te vinden), maar ik wil de veronderstelling van de samenleving aan de kaak stellen, dat ik, of de gewone arme burger met zijn bescheiden loon, grote dromen en grote schulden, in staat moet worden geacht de moraal te handhaven, dat wil zeggen het geld zonder pardon terugstorten naar degene die de fout heeft begaan.

Als hier overigens niet sprake is van een soort paradoxale onbedoelde uitlokking, wat als sociaal experiment buitengewoon interessant zou kunnen zijn, dan zou er op zijn minst veel meer nadruk moeten worden gelegd op de verantwoordelijkheid van degenen die mij (of de vrouw) voor dit dilemma plaatsen. Maar die verantwoordelijkheid wordt klein gehouden door het een administratieve slordigheid te noemen. Dat is bureaucratie nu eenmaal. Maar wat is nu een redelijke straf die zou kunnen gelden voor dergelijke fouten die gemaakt worden door bijvoorbeeld overheidsinstanties waarvan men mag verwachten dat ze met gemeenschapsgeld zeer zorgvuldig omgaan?  Fouten die onschuldige burgers plaatsen voor buitengewone grote morele dilemma’s? Die hun leven waarschijnlijk eerzaam hadden blijven leven, indien ze niet overvraagd waren door een ongevraagde situatie? Moeten burgers niet beschermd worden tegen bureaucraten die ongewenst hun praktische ethische opvattingen tergen?

Want wat betreft die overvraging. Dat is een oninleefbaar gevoel. Zoekend naar een vergelijking, waarbij ons verstand zou kunnen begrijpen wat er gebeurt indien we in een dergelijke situatie zouden kunnen belanden, heb ik het volgende gedachte-experiment uitgewerkt, waarbij het de vraag is of we in dat geval ook zouden kiezen voor de Wet.

Stel, we hebben een ernstige ziekte. De enige manier om deze ziekte te genezen is door het gebruik van een speciaal medicijn dat €100000 kost. Helaas is het voor ons onmogelijk om het te betalen noch wordt het door de verzekering gedekt. Nu komt er toevallig een pakket aan bij de post, dat per ongeluk aan ons is geadresseerd omdat degene die het heeft verstuurd zich heeft vergist in het adres en de postbode een en ander niet meer heeft gecontroleerd. We zetten haastig een krabbel en in het pakket blijkt het bewuste medicijn te zitten dat eigenlijk voor een laboratorium is bestemd. Zijn wij nu in staat dit pakket aan de rechtmatige eigenaar terug te sturen? Of worden we passief en…

Bij de primaire tegenwerping: op grond waarvan menen wij te stellen dat dit dilemma zwaarder weegt dan het eerder genoemde? Omdat het hier gaat over leven en dood? Of gaat het meer over geluk? En kan armoede, schuld hebben, niet een chronische ziekte zijn waaraan men lijdt? Het probleem is dat de ethische druk niet te voelen is, en we ons moeten proberen voor te stellen (indien wij ons moreel sterk genoeg achten het aanzienlijke bedrag terstond terug te storten) wat onze moraal zou doen wankelen. Daartoe dient het gedachte-experiment, maar men is vrij om het medicijn te vervangen door een goed dat het eerbare handelen zou kunnen doen wankelen.

Ik ben ervan overtuigd dat we veel eenvoudiger dan wordt verondersteld door de Wet, moreel overvraagd worden, zeker waar het gaat over vreemd geld dat plotseling in onze handen komt. Daar mag in juridische zin en vanuit de samenleving een stuk coulanter op worden gereageerd dan met ontslag, 30 maanden cel, een persoonlijk faillissement en het wijzende vingertje.

 

De vrouw heeft geen helder antwoord kunnen geven op de vraag waarom zij niet aan de bel heeft getrokken over de geldstortingen….

 

Zie ook: http://www.socialevraagstukken.nl/site/2014/10/13/uitkeringsfraude-bezint-eer-ge-bestraft/

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2017 Stephan Wetzels © All Rights on texts Reserved