Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Europa. Best onbelangrijk.

Een kleine handreiking voor verdere discussie

Wie kritisch wil zijn op Europa hoeft zich niet heel erg in te spannen om met steekhoudende argumenten te komen. De idioterie van het eenmaal per maand vergaderen in Straatsburg a € 200.000.000 per jaar. Het salaris van Europarlementariërs dat fijntjes wordt aangevuld met iets vaags als kantoorkosten. Onbekwame bestuurders in Brussel die Volendam de stront in trekken. Het rondpompen van landbouwsubsidies. Polen, Hongaren en Roemenen die al dan niet vrijwillig voor een paar euro via dubieuze constructies op de vrachtwagen zitten voor een Nederlands bedrijf. 28 landen (and counting) die zonder heldere dominante culturele verwantschap (het christendom?) het eens moeten worden over de gekste regels, nog los van de bureaucratische verhoudingen die werkelijk niet aan iemand zonder vwo 6-niveau goed zijn uit te leggen.

Daartegenover staat het eeuwige geroep van de eurofiel vermomd in een studentikoze D’66 outfit, dat we veel te danken hebben aan Europa. Dat we Europa economisch nodig hebben en dat we alleen met Europa internationaal een vuist kunnen maken tegen de grote boze buitenwereld.

Maar het is de kiezer om het even. Als het goed gaat, is hij niet geïnteresseerd in Europa en als het slecht gaat is het de schuld van Europa. In beide gevallen is er geen draagvlak voor Europese gedachten. Het gevolg is een structurele en wijdverbreide desinteresse, die tot uiting komt in een erbarmelijk opkomstpercentage van hooguit 37%. Een groot gedeelte van die 37% gaat overigens niet stemmen vanwege doordachte Europese opvattingen, maar vanwege respect voor ‘het democratische idee’. Maar wat heeft een opkomst van 37% te maken met democratie? Het is een wonder dat een dergelijk opkomstpercentage überhaupt legitieme gelding kan hebben, nog los van wat Sammy van Tuyll in de Volkskrant terecht opmerkte dat ‘er in feite geen Europees Parlement wordt gekozen, maar een verzameling nationale delegaties. Die groeperen zich dan weer in ‘Europese fracties’, die onderling zeer heterogeen zijn (…)”.

Het legitimiteitvraagstuk zal echter spoedig in de onderste laden belanden wanneer onze Europarlementariërs dadelijk zijn ‘gekozen’.  De chaos is namelijk inmiddels zo groot dat wil men iets aan legitimiteit gaan doen, het hele kaartenhuis in elkaar zal storten. En dan redeneert men ‘liever een kaartenhuis, dan een in elkaar gestort kaartenhuis.’

Maar als Europa echt het democratische Europa wil zijn, zoals het zich presenteert, dan is het onacceptabel dat gekozen mensen in heel Europa steunen op amper 40% van die Europese bevolking. Europa moet het quasi-democratische kaartenhuis in elkaar laten storten en het legitimiteitsvraagstuk permanent op de agenda plaatsten. Of men kiest voor een bestuurbare aristocratie (wat het nu ook is, maar dan onbestuurbaar, onoverzichtelijk en vermomd als democratie) of men kiest om de Unie in zijn werking eens een jaar op te schorten. Een wetenschappelijke verantwoorde European shut-down, waarbij bij alle meta-Europese regel- en bestuursorganen een jaar lang de stekker eruit gaat, om vervolgens via de landelijke politiek te evalueren wat er nu daadwerkelijk is gemist en waar we godzijdank van af zijn. Dat betekent niet dat landen geen overleg meer met elkaar voeren, maar dat betekent wel dat het hele bureaucratische systeem (van Commissie tot parlement) een pas op de plaats maakt. Weten we ook gelijk of de anti-Europese bromvliegen daadwerkelijk een punt hebben.

Tenslotte moet het bespreekbaar worden dat een gebrekkig functioneren van democratie gesanctioneerd kan worden. Er is over het algemeen een hardnekkige weerstand tegen een sanctionaire democratie: democratie mag namelijk niet worden afgedwongen. Maar waarom eigenlijk niet? Waarom liever een systeem in stand houden dat op steeds minder steun kan rekenen en geen duidelijk draagvlak heeft, dan voorwaarden koppelen aan de democratische grondslag? Stel bijvoorbeeld dat het opkomstpercentage van invloed is op de invloed van een land in Europa. Hoe meer mensen gaan stemmen, hoe meer voordelen dat in Europa oplevert. Zoals het aantal inwoners in een land op dit moment bepaalt hoeveel zetels er te verdelen zijn in het parlement, zo kan ook het opkomstpercentage een rol spelen in de machtsverhoudingen. Daarmee wordt nationale trots en democratisch besef een onderdeel van Europese verkiezingen. Geen interesse? Geen invloed. Welterusten. Democratie is niet vrijblijvend!

Iemand zal nu wel roepen dat dit allerlei realiteitsloze ideeën zijn die maar wat snel zijn neergeklad (dat valt overigens best mee, zelfs voor een column zit er toch nog wat tijd in), maar zoals het er nu aan toe gaat, is Europa alleen nog maar te redden met een radicaal en krankzinnig idee. Anders hebben we over vijf jaar weer precies dezelfde poppenkast en hetzelfde lage opkomstpercentage als nu het geval is, inclusief alle problemen van de eerste alinea. Daar schiet u niks mee op, en Europa zeker niet.

Onze democratie is niet meer van deze tijd

Wat is het meest fundamentele probleem waar de politiek op dit moment mee te kampen heeft? De huizenmarkt, de zorg of misschien wel de euro(crisis)? Nee, allemaal marginale en tijdelijke problemen. Het werkelijke politieke probleem is de staat van ons democratisch bestel. Helaas is in tegenstelling tot allerlei financiële dilemma’s, het democratische dilemma geen aantrekkelijk onderwerp. Geen enkele politicus is zo ongelukkig om in deze tijd veel woorden te wijden aan het failliet van de Nederlandse parlementaire democratie. Een failliet dat inmiddels diep is geaard. Sta bijvoorbeeld eens stil bij enkele van de volgende knelpunten.

De absurde invloed van de media op stemgedrag. De verstikkende partijdiscipline. De staatsrechtelijke vaagheid van de invloed van de koningin. De onbekendheid c.q. onzichtbaarheid van 95% van de volksvertegenwoordigers. Het gebrek aan invloed van het volk op coalitievorming. Geen invloed op de minister-president. Geen fatsoenlijke invloed op de samenstelling van de Eerste Kamer. De blanco-stem die gewoon als ongeldig wordt beschouwd. 20% tot 60% thuisblijvers afhankelijk waarvoor gestemd wordt. Geen kiesdrempel en daarmee veel te veel kleine partijen met als gevolg een hoop onmogelijke coalitie- avonturen. De kabinetten Balkenende I, II, III, IV en Rutte I die niet voor niets allemaal voortijdig de mest in zijn getrokken….

En wat dat laatste kabinet betreft; gaan we dadelijk in één keer een geheel andere verhouding zien in het stemgedrag van het volk? Waar komt die SP plots vandaan! Toont dat niet aan hoe willekeurig en opportunistisch het volk stemt? Zou je niet verwachten dat zoiets als ‘politieke voorkeur’ een redelijk statisch gegeven is die niet veranderd bij iedere politieke zucht?Stilte voor... En als dat wel het geval is, dan zijn vier jaren regeren veel te lang. Dan zit er bijvoorbeeld twee of zelfs drie jaren lang een kabinet dat het volk niet echt pruimt. Maar omdat het volk zodanig verdeeld is, weet het zich niet overtuigend te organiseren in de samenleving en kabbelt het in theorie (denk aan Paars II) voort, met alle gevolgen van dien.

En wat te denken van het idee dat de 1,4 miljoen mensen die op zaterdag kijken naar een onbekende achtergrondzangeres met zwemdiploma A die kaarsrecht in een zwembad springt, dezelfde 1,4 miljoen zijn die de politieke verhoudingen in Nederland straks medebepalen? Of wat te denken van de honderdduizenden die op basis van een tiental stellingen hun fundamentele grondrecht toebedelen aan een al dan niet onvermoede politieke partij, omdat het stemwijzertje dat nu eenmaal tevoorschijn heeft getoverd? Dat is de nachtmerrie van ieder weldenkend mens en menig politicus. Dat is waarschijnlijk ook de voornaamste reden dat de laatste uiteindelijk gewoon doet waar hij zelf zin in heeft. Zolang hij maar gekozen wordt.

De vraag die al enige tijd (of misschien sinds de invoering van de democratie) hierbij van belang is, is deze: Is het algemene belang daadwerkelijk gediend bij algemeen kiesrecht? Het antwoord daarop is: ‘hoogstwaarschijnlijk niet. Maar om met Churchill te spreken: er is geen alternatief’. Plato met zijn verrassend actuele kritiek op de democratie (zie bijvoorbeeld Koolschijn, G. (2005). Plato. De aanval op de democratie.),  mag niet worden aangehaald, want dan ligt het verwijt van elitarisme en totalitarisme op de loer. Karl Popper heeft Plato niet voor niets met redelijk wat gezag in De open samenleving en haar vijanden tot volksvijand nummer 1 van de moderne tijd gekroond. Terecht? Daar zou over moeten kunnen worden gediscussieerd. De boodschap is in ieder geval duidelijk en bovendien makkelijk te verdedigen: ‘kom niet aan de democratie!’ Het is immers een verworvenheid. En van een verworvenheid doet men over het algemeen heel moeilijk afstand. Zelfs niet als blijkt dat de democratie ervoor zorgt dat een adequate rationele besluitvorming onmogelijk is geworden (en allerlei urgente politieke problemen jaren op de plank blijven liggen door eindeloos gepolder en uitstel van noodzakelijke keuzes). Zelfs niet als blijkt dat politieke partijen vooral bezig zijn met het naar de mond praten van hun eigen kiezers (denk aan de CPB-berekeningen), in plaats van op zoek te gaan naar duurzame samenwerking. Enzovoorts.

Als we dan om praktische redenen al snel tot de conclusie komen dat het (politiek) onmogelijk is te gaan rammelen aan het algemene kiesrecht (en daarbij accepteren dat we als samenleving dus ook niet meer krijgen dan we verdienen), dan moeten we dus op zoek gaan naar veranderingen binnen dat democratische systeem. Maar waarom lijkt op dat vlak ook geen enkele vernieuwing zich aan te dienen? Is men er sinds de mislukking van de gekozen burgemeester in Den Haag maar mee opgehouden over na te denken? Hoe staat het met het terugbrengen van 150 naar 100 leden van de Tweede Kamer? Waar blijft D66 in de media met democratische vernieuwing? Hebben ze ontdekt dat het niet bepaald een aantrekkelijk onderwerp was dat de kiezers trok? Wat is er gebeurd met het referendum? Komt er ooit die broodnodige kiesdrempel? Moeten we niet vaker naar de stembus?

Zolang de economische tegenwind de politieke agenda echter blijft domineren, voorzie ik geen serieuze discussie over het klaarblijkelijke democratische failliet. Jammer, want het volk verdient beter dan het huidige systeem.

De politieke realiteit als paradox

“Het poldermodel is failliet, we moeten gaan polderen”

Komende maanden zullen we dankzij onze ongetemperde mediacratie overgoten worden met politieke tegenstellingen. De bedoeling is dat we onze plaats bepalen in de wirwar van (sub)ideologie, pragmatisme en populistisch gekrakeel. Daarbij worden we gedreven door de hoop dat onze keuze de beste oplossing voor de moeilijkste problemen betekent, door een eigen agenda en/of een geloof in de democratie (stemplicht), in het achterhoofd houdende dat de overgrote meerderheid geen enkel idee heeft van de complexe politieke problematiek en economische realiteit.

Het huidige politieke landschap stemt echter buitengewoon somber. De voornaamste reden daarvoor is dat de pluriformiteit van de Nederlandse samenleving het politieke stelsel heeft lamgelegd. De zetelverdeling van 2010 heeft deze sluimerende verdeeldheid en politieke versnippering onverbiddelijk aan het licht gebracht. Het failliet van het poldermodel, is met de afgebroken onderhandelingen en de onwillige oppositie bovendien nogmaals bevestigd.

De pluriformiteit maakt echter een poldermodel binnen het huidige politieke systeem noodzakelijk. En daarom is op voorhand de uitslag van de nieuwe verkiezingen geen oplossing voor het bestaande probleem, maar slechts het probleem opnieuw definiëren, oftewel de paradox bevestigen. De overstelpende klaarblijkelijkheid van deze constatering maakt het onbegrip over het handhaven van het huidige systeem alleen maar onbegrijpelijker. Nog los van de onbegrijpelijke beweegredenen van de PVV om uit de gedoogconstructie te stappen. Als er al sprake was van de mogelijkheid tot politieke macht, dan was dit nu het geval-en wel buitengewoon riant. Met deze beweging van de PVV geeft ze feitelijk haar politieke invloed voor de komende jaren op. Het is te hopen dat de PVV-kiezer zal beseffen dat politieke invloed slechts kan plaatsvinden door middel van samenwerking, en slechts in een totalitaire staat een eigen partijprogramma tot in de puntjes kan worden vervuld.

Ter illustratie geef ik hier de situatie van 2010, en daarachter mijn voorspelling voor 2012:

Partij 2010 Voorspelling 2012
VVD 31 32
PvdA 30 24
PVV 24 18
CDA 21 15
SP 15 24
D66 10 15
GroenLinks 10 12
ChristenUnie 5 5
SGP 2 2
Partij voor de Dieren 2 2

 

Ongeacht of deze voorspelling realiteit wordt, het blijkt overduidelijk dat de vragen omtrent coalitievorming onverminderd belangrijk blijven: Waar haalt Links 28 zetels vandaan? Centrum Rechts is per definitie onmogelijk geworden, aangezien de PVV zichzelf heeft geïsoleerd. En juist het feit dat deze partij zich heeft geïsoleerd maakt een coalitie die te verzinnen is onmogelijk. Paars-plus blijkt de enige haalbare optie, maar dan moeten de mislukkingen van Paars II vergeten worden en zal er desondanks gepolderd moeten worden, wat het oppositie-populisme in de kaart zal spelen.

Oplossingen? Plato laten we voorlopig nog maar even in de kast. Een forse kiesdrempel lijkt op korte termijn de enige realistische oplossing en dan geen 5% maar 8% van het totaal aantal uitgebrachte stemmen. Dat zal voor de eerstvolgende verkiezingen een onmogelijke kaart blijken, maar de paradoxale situatie die zal ontstaan moet leiden naar een hervorming van het democratische bestel. Tot die tijd kunnen we ons verheugen met allerlei stukken, boeken, debatten, uitzendingen en krantenartikelen die al deze bovenstaande eenvoudige constateringen slechts zullen bevestigen.

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2017 Stephan Wetzels © All Rights on texts Reserved