Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Burgerinitiatief tegen Straatintimidatie: sympathiek, maar krachteloos

“Vrouwen en meisjes worden dagelijks geïntimideerd op straat. Zij worden bijvoorbeeld uitgescholden voor ‘hoer’, krijgen agressieve seksueel expliciete opmerkingen te horen, of worden een tijdje achtervolgd. Wij vinden dat vrouwen in een vrije samenleving ongehinderd over straat moeten kunnen gaan. Met dit burgerinitiatief vragen wij de overheid door middel van wetgeving een duidelijk signaal af te geven dat dit gedrag niet wordt getolereerd.”

Met ‘straatintimidatie.nl’ is het zoveelste sympathieke, maar helaas krachteloze burgerinitiatief gelanceerd sinds de invoering ervan op 1 mei 2006. In deze bijdrage bespreek ik kort waarom ook dit initiatief geen praktische kans van slagen heeft. Dat de opstellers dat feitelijk ook zelf onderkennen, is opmerkelijk. “Maar we doen het toch.”

De initiatiefnemers hebben als doel 40.000 steunbetuigingen te ontvangen zodat de Kamer wat zij noemen “Straatintimidatie” agendeert en uiteindelijk in het Wetboek van Strafrecht expliciet opneemt als strafbaar, naast de reeds bestaande wetgeving die bijvoorbeeld beledigen, smaad en laster strafbaar stelt. Hoewel er wordt gesteld dat straatintimidatie “in brede zin niet alleen vrouwen overkomt, maar bijvoorbeeld ook homo’s, transgenders of Joodse mensen” richt het initiatief zich klaarblijkelijk alleen op vrouwelijke slachtoffers, gelet ook op de brief aan de Tweede Kamer.

Allereerst wordt hier een moreel probleem aan de kaak gesteld. Vrouwen die ‘worden uitgemaakt voor ‘hoer’, worden nagesist, of herhaaldelijk en agressief gevraagd worden door een volslagen onbekende of ze seks willen’ lijkt me voornamelijk een uiting van een ernstig gebrek aan (sociale) intelligente en een culturele discrepantie die het meest laat denken aan primitieve of middeleeuwse toestanden. Dat echter een hedendaagse samenleving de vrouw heeft gecultiveerd tot stereotype en voornamelijk seksueel symbool (van rare muziekclips tot Hollands Next Topmodel, van de vrouwen in Zeemanbikini in het bushokje tot aan de door en door stigmatiserende Axe-reclames, etc, etc.) geeft wel aan dat het een breder en hardnekkiger fenomeen is dan alleen de onaangepaste mannetjes die zich seksistisch en intimiderend gedragen. Zolang een samenleving dit soort stereotypes blijft cultiveren, is ieder initiatief dweilen met de kraan open.

Maar goed. Als ik het juist begrijp, willen de initiatiefnemers dat een vrouw in het geval van bijvoorbeeld nasissen de politie belt, waarna er een agent ter plaatse moet komen, die dan bewijs gaat verzamelen dat er een onbekend iemand heeft gesist. ‘Zelfs als dit niet gevonden wordt, worden daders zo in ieder geval vaker aangesproken op hun gedrag.’ Ja, dat heet, als de politie komt en de dader niet allang weg is…

Nu stelt het initiatief op basis van cijfers dat 81-97% van de vrouwen in het openbaar wel eens wordt lastiggevallen of belaagd. Nu kent Nederland een bevolking van ongeveer 16.8 miljoen mensen. Laten we zeggen dat daar 6,5 miljoen van volwassen vrouwen zijn. Daarvan wordt laten we aannemen 89% minstens 1x per week slachtoffer van Straatintimidatie, wat neerkomt op 5785000 strafbare feiten als het opgenomen wordt in het wetboek van strafrecht. Als daarvan laten we conservatief schatten slechts 25% van de vrouwen de politie belt, komt dit in de praktijk neer op 1446250 meldingen. Nu zijn er in totaal in Nederland ongeveer 51.000 agenten die ‘op straat’ werken. Dit betekent dat iedere agent ongeveer 112x per maand kan komen opdraven om bewijs te verzamelen en een boete uit te schrijven (aan welke gevlogen vogel dan ook). Als dit alles ongeveer een uurtje in beslag neemt, is oom agent 75% van zijn werkweek kwijt aan dit plan als het werkt zoals men zich voorstelt.

Gelukkig stelt het initiatief: ‘Er hoeft dus geen aangifte gedaan te worden door het slachtoffer. Wanneer de agent een boete uitschrijft, kan hiertegen wel een procedure worden aangespannen door de dader. Maar dan ligt de last van een procedure aanspannen dus niet bij het slachtoffer, maar bij de dader.’ Ik hoef echter niet nogmaals met een kafkaëske rekensom te laten zien dat rechters overuren mogen gaan maken voor al die trotse mannetjes die voor hun idee niks fout hebben gedaan, van niks weten, het echt niet zo bedoelde, er helemaal niet bij betrokken waren etc. Het aantal boetes dat zal worden geseponeerd lijkt me daarbij vanuit juridisch oogpunt immens groot. Bij de geringste twijfel aan de strafbaarheid van een verdachte, dient de verdachte immers te worden vrijgesproken.

Het allergrootste bezwaar is waarschijnlijk nog wel, dat door het strafbaar stellen van “straatintimidatie” het probleem helemaal niet verdwijnt, maar zelfs zou kunnen verergeren. Naast het feit dat de politie erbij roepen de zaak kan doen escaleren, het sociale gewin voor de vrouw in kwestie op dit moment volstrekt onduidelijk is, het de samenleving klauwen met geld kost voor een minimaal effect en de politie waarschijnlijk in zijn geheel niet zit te wachten op dit soort extra ballast weten we van huidige wetgeving op bijvoorbeeld beledigen dat het beledigen zelf er niet bepaald door is afgenomen. Een alledaagse wandel door enkele bekende webfora toont wel aan dat helemaal niemand zich door die wet schijnt te laten tegenhouden. Kortom: het is niet alleen symboolwetgeving (is er niet pas het verbod op Godslastering geschrapt?), het is ook een signaal van machteloosheid. De misvatting dat om een belangrijk signaal af te geven dat dit gedrag niet thuishoort in onze maatschappij er een onuitvoerbare en krachteloze wet moet komen is in ieder geval opmerkelijk, maar wordt desondanks hardnekkig door de opstellers verdedigd.

Dat de initiatiefnemers een uiting als “he lekker kontje” (zie juridische bijlage) bestraft zouden willen zien met een gevangenisstraf van drie maanden of een boete uit de tweede categorie (dus tot € 4050), doet welhaast verlangen naar een proefproces waarbij de uiter in de verdediging zijn gedrag tracht te objectiveren: “Maar meneer de rechter, kijkt u zelf eens. Ze heeft toch ook een lekker kontje. Ik ga dat niet ontkennen! Hoe kon ik nu toch de aanmerkelijke kans aanvaarden dat het gevolg zou intreden dat ik daarmee het slachtoffer het gevoel zou geven van de beperking van het gevoel van persoonlijke vrijheid? ”, waarna het slachtoffer moet toegeven dat ze het op zich wel eens is met de stelling dat ze een lekker kontje heeft. Toch zegt haar juridisch adviseur: ‘(…) dat het desondanks zeer vervelend was om het aan te moeten horen (zonder dat het direct beledigend was) en de opmerking een gevoel van onveiligheid gaf, (maar dit niet bedreigend was omdat de uiting niet expliciet genoeg was). De rechter vraagt tenslotte waar de verborgen camera is en of de heren van Koefnoen tevoorschijn willen komen.

Nu zal men wellicht zeggen, ‘ja dit is vast geschreven door een man. Het ridiculiseren van het fenomeen toont maar weer eens aan dat het vanuit die hoek niet serieus wordt genomen.’ Maar dan raad ik aan dit alles nogmaals goed te lezen en zich af te vragen wat effectuering van dit initiatief werkelijk toevoegt en bijdraagt aan oplossing van het verschijnsel. Als het probleem op te lossen was door iedereen zijn paspoort af te nemen of op strafkamp te sturen zou ik er mee instemmen, maar dat doet het niet. Dommigheid is nu eenmaal niet te verhelpen door repressieve maatregelen. Daarbij benoemt het initiatief te weinig man en paard: wie doen dit precies, wie zijn al die daders? En als dit initiatief het niet redt (wat ik zeer waarschijnlijk acht, nee waar ik zeker van ben), is het dan geen maatschappelijk probleem (natuurlijk wel!)? Ten slotte weiger ik vrouwen te beschouwen als collectief weerloos omdat ze klaarblijkelijk de hulp en steun van de wetgever nodig hebben om een moreel probleem aan te pakken. Hoezo moet de overheid een signaal afgeven? Kunnen we zelfs dat dan als samenleving niet meer zelf opbrengen?

Misschien ben ik naïef, maar ik geloof erin dat vrouwen veel sterker zijn dan hier wordt gesuggereerd en in onze vrije en open samenleving ook zonder juridische wasneus echt wel hun …..mannetje kunnen staan.

Foodwatch burgerinitiatief: een miskenning van de ouder als verantwoordelijk opvoeder

Er moet een strenge wet komen tegen reclames voor ongezond eten, gericht op kinderen. Daarvoor start de consumentenorganisatie Foodwatch een burgerinitiatief. Bij tenminste 40.000 steunbetuigingen moet de Tweede Kamer de inhoud van het initiatief dan agenderen en bespreken. In deze bijdrage zet ik enkele argumenten op een rij waarom dit ogenschijnlijk sympathieke idee vooral niets concreet oplost. Het kernidee is namelijk dat de overheid een wettelijk verbod moet afkondigen op alle vormen van kinder- en jongerenmarketing voor ongezonde producten. En dit moet dan ook gelden voor media als internet en sociale netwerken.

Daar ligt het eerste probleem al. Het is natuurlijk onwenselijk dat een overheid een vrij medium als internet of Facebook (als sociaal netwerk) moet gaan controleren, waarbij het ook nog eens niet te handhaven is. De meeste fabrikanten opereren bovendien internationaal, en zullen dan buiten de Nederlandse wet om hun producten aanprijzen. Naast een ellenlange bureaucratische Europese afstemming die daar nog eens op zou moeten volgen, ligt daar echter nog niet eens het grootste probleem. Dat ligt namelijk bij de sterk onderbelichte rol van de ouders door Foodwatch.

Want wie zoekt in het 44 pagina’s tellende kleurrijke rapport van Foodwatch naar de rol van de ouder binnen dit geheel, komt bedrogen uit. Op pagina 25 wordt er een alinea aan gewijd, ogenschijnlijk om dat –niet onbelangrijke- thema “gedekt” te hebben. Met een argumentum ad verecundiam wordt snel geconstateerd dat ouders er niet zo toe doen: ‘Jaap Seidell vindt het niet eerlijk om van ouders te verwachten dat ze in hun eentje kunnen opboksen tegen de levensmiddelenbedrijven met hun miljardenbudgetten voor reclame.’ En: ‘‘Het gezag van ouders wordt simpelweg ondermijnd’, stelt ook hoofdredacteur Justine Pardoen van Ouders Online vast.’ Met een tekst achter de hand van de Amerikaanse psychiater Suzan Linn lijkt ten slotte ook een wetenschapper gevonden die past in de doelen van Foodwatch. Van wetenschappelijke pedagogische studies over opvoeding en verantwoordelijkheid ontbreekt ieder spoor.

Foodwatch stelt middels een Jaap en Justine de ouder voor als een domme en machteloze enkeling die zich geconfronteerd ziet met Grote Broer die de kroost stelselmatig injecteert met giftige boodschappen. Eenmaal vetgemest door de Industrie kijkt mama naar haar Dikkertje Dap dat de trap op waggelt en heft ze haar handen ten hemel, roepende: ‘waarom sport mijn kindje toch niet, waarom zit het de hele dag achter de computer, waarom kijkt het zoveel televisie, waarom koopt het van zijn zakgeld zoveel snoep, en waarom kook ik zo ongezond, waarom gaan we met feestjes altijd naar de McDonalds…..waarom! Het is allemaal de schuld van de Industrie, want die heeft mijn gezag ondermijnd met valse en stoute marketingtechnieken!’

Door de rol van de ouder zo weinig serieus te nemen en de verantwoordelijkheid volledig bij de overheid neer te leggen, verschuift Foodwatch het werkelijke probleem. Het lijkt een regelrechte ontkenning van het antropologische grondfeit, zoals M.J. Langeveld dat formuleerde. Zolang het kind nog niet zelf in staat is verantwoordelijkheid te dragen voor zijn handelingen, heeft de primaire socialisator de absolute  taak van plaatsvervangend geweten.

Als bijvoorbeeld blijkt uit het rapport dat tussen de maaltijden door peuters en kleuters vooral fruit, koek en snoep eten, en limonade van siroop, frisdranken en zuiveldranken drinken, is er echt wel wat meer aan de hand dan een stukje marketing. Wie levert de peuter de zoetigheid immers aan, wie staat met zijn volle boodschappenkar -bij zijn volle verstand- af te rekenen? De Industrie of de ouder? Wie jonge kinderen op deze manier de zoetigheid aanreikt moet inderdaad niet raar opkijken dat wanneer het kind meer zelfstandig wordt, het zijn aangeleerde gedrag zelf in de praktijk handhaaft.

En draai het eens om. Als 15% van de kinderen tussen de 7 en 10 jaar overgewicht heeft (waarbij het probleem zich dus al ontwikkelt gedurende de jongste jaren), betekent dat dat er bij 85% geen overgewicht is. Laat Foodwatch dus vooral ook onderzoeken op welke manier gezonde kinderen een opvoeding hebben genoten. Want deze fitte, gezonde en sportieve kinderen worden evenzeer ‘stelselmatig’ blootgesteld aan de overmatige reclameboodschappen van fabrikanten, en zijn desondanks toch gezond en op gewicht. Hoe komt het dat zij wel weerbaar zijn? En is er bijvoorbeeld een relatie tussen SES en overgewicht die nadere aandacht verdient?

Aangezien overgewicht bij die 15% kinderen niet van de een op de andere dag plaatsvindt, zou er dus wel degelijk sprake kunnen zijn van een opvoedprobleem, in plaats van primair een marketingprobleem en weerloze ouderen. Maar op deze manier worden de ogen daarvoor diep gesloten en wordt de verantwoordelijkheid in het geheel weggenomen bij de ouders. Ouders hoeven niet te worden aangesproken op hun gedrag, want zij zijn immers slachtoffer volgens Foodwatch. Wie zijn gezag laat ondermijnen door reclame, is namelijk niet nodig toe aan een opvoedcursus of een sociale vermaning, maar verdient vooral een arm om de schouder. Een typisch geval van pamperen; want waarom niet veel nadrukkelijker de ouders aanspreken die verantwoordelijk zijn voor het ongezonde leefpatroon van hun kinderen?

Hoe ben je namelijk bezig als opvoeder wanneer je in de eerste 10 jaar van de opvoeding volledig de controle over het leefpatroon van je kind bent kwijtgeraakt? Hoe sta je ten opzichte van je kind als je ziet dat het ver over een normaal gewicht zit voor die leeftijd en ziet dat pestgedrag en kans op risicovolle ziekten toenemen en bewegingsenergie en conditie afnemen? En waarom lukt het al die andere opvoeders wel om hun kind op een verantwoorde manier om te laten gaan met verleidingen? En als we toch een overheid willen die zich bemoeit met de samenleving, waarom zou de overheid zich dan niet eens veel sterker moeten bemoeien met ouders die verantwoordelijk zijn voor zeer ongezonde kinderen? Waarom grenst dat bijvoorbeeld niet aan mishandeling? De ‘mishandeling’ wordt nu haast direct in de schoenen geschoven van de fabrikant die zijn product wil slijten, maar wat is er gebeurd met het kind als mede-burger dat recht heeft op een goede opvoeding tot zelfverantwoordelijke zelfbepaler?

De westerse wereld is een verzameling van verleidingen en uitdagingen. Zolang we de nadruk blijven leggen op het feit dat alle problemen veroorzaakt worden door een grote boze buitenwereld, en ons niet véél meer bewust worden van onze eigen intrinsieke kracht en verantwoordelijkheid, zijn we verloren. En als er dan toch een campagne of een beleid moet worden ingezet, kies dan altijd voor een tweesporen beleid, waarbij op zijn minst de individuele verantwoordelijkheid van opvoeders niet wordt miskend.

Het is de verdienste van Foodwatch dat ze aanhoudend de negatieve gevolgen van ongezond voedsel blijft belichten en natuurlijk mogen fabrikanten daarop worden aangesproken. Het is ook geen Parentwatch. Maar juist met de kennis die Foodwatch verstrekt, moeten wij ons voordeel doen en het initiatief terugnemen. Want wie tenslotte zijn kind fatsoenlijk opvoedt, en niet zoet houdt met zoethouders, heeft in Nederland alle ruimte om zijn kind groot te brengen tot een kritisch en verantwoordelijk individu, dat zelf een afgestemde verhouding kan aannemen ten opzichte van alle goeds en kwaads waar onze wereld rijk aan is.

Even though I walk through the valley of the shadow of death, I shall fear no evil, for education is with me. En laat dan die Industrie maar komen.

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2018 Stephan Wetzels © All Rights on texts Reserved