Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Een eerste en laatste blik op Voetbal International

Het zal niet meevallen om een artikel te schrijven over een televisieprogramma dat in de loop der jaren honderdduizenden reacties, opmerkingen en discussies heeft gegenereerd. Het is alsof ik iets ga schrijven over Zwarte Piet en Negerzoenen. Maar als liefhebber van het eerste uur met zeker zo’n 1250 geïnvesteerde kijkuren, wat overeenkomt met 52 dagen achter elkaar kijken, is het minstens de hoogste tijd er iets over te zeggen. Het gaat hier over niets minder dan Voetbal International. Dat programma begint overigens voor mij al bij Sport aan tafel uit 1999, dat opgevolgd werd door Voetbal Insite, waar het huidige VI uit is voortgekomen. Ik moet als eerste denken aan de oude Hugo Camps, onderdeel van de nostalgie uit de vorige eeuw. Hij schijnt zijn dichterlijke wijsheden over voetbal nog steeds rond te strooien, maar ik heb hem op de Nederlandse televisie al lang niet meer gesignaleerd. Nee, het programma zoals de meesten het kennen is Wilfred Genee, René Van der Gijp en Johan Derksen, met een vleugje Hans Kraaij Jr. en Jan Boskamp.

Zwakte: Herhaling I
Het voornaamste wat opvalt aan het programma dat voor televisiebegrippen een lange geschiedenis kent, is de ‘herhaling’. Er lijkt geen rem te zitten op het aantal malen dat bijvoorbeeld een fragment wordt getoond van een vallende Sepp Blatter, een juichende Louis van Gaal of een vloekende Huub Stevens. Zelfs wanneer het aanwezige publiek al lang niet meer glimlacht of gniffelt om het fragment, wordt het gerust nog een keer getoond. En nog een keer. En nog een keer. Het gênante zit er in voor de kijker die zichzelf al schuddend in zijn Dronken oomhoofd hoort zeggen ‘oh jongens, niet weer’, dat de hoofdrolspelers het zelf niet in de gaten lijken te hebben, of dat er niemand is die achteraf een keer zegt: ‘zullen we eens stoppen met die verwijzingen naar (…), het slaat echt helemaal dood. De mensen weten het nu wel, het is niet grappig meer- het is een zwaktebod’.

Het is inderdaad even ongelukkig als een oom die op een bruiloft weer eenzelfde schuine grap vertelt, en iedereen het maar aanhoort, omdat niemand de moeite wil of durft te nemen hem er op aan te spreken dat het niet zo geslaagd is: te pijnlijk. Een duidelijk geval van een pijnlijke scene laten uitsterven in plaats van het te benoemen en daarmee het pijnlijke uit te vergroten.

Zwakte: Herhaling II
Naast de herhaling van fragmenten zijn er de permanente verwijzingen naar een met een jasje gooiende Hans Kraaij, een paaldansclub bezoekende René Van der Gijp, een vretende Jan Boskamp of een geföhnde Wilfred Genee. Die dragen niet alleen sterk bij aan de karikaturisering van het programma, maar zorgt er ook voor dat kijker meer en meer afstand neemt van de personages. Want een kijker houdt van uitgesproken mensen, maar niet van karikaturen. Want wie een programma vaak kijkt, moet wel voor zichzelf kunnen uitleggen waarom hij dat dan doet. Meestal is dat omdat men zich kan identificeren met opvattingen en meningen. Of dat men de discussies interessant vindt over voetbal. Juist wanneer men het er niet altijd mee eens is.

Als er dan telkens een karikatuur van bijvoorbeeld ‘de vrouw’ wordt gemaakt, gemotiveerd vanuit het feit ‘dat mannen in voetbalkantines nu eenmaal zo spreken’ zonder dat dit ook voldoende wordt gerelativeerd, dan is dat ongemakkelijk, maar bij herhaling ook een bron van ergernis. Ongecontroleerde herhaling zorgt dat een vooroordeel ontdaan wordt van ironie en het meer ernst wordt. En ik kan me niet voorstellen dat iemand die in een voetbalkantine iedere keer weer spreekt over ‘wijven’ en ‘paaldansclubs’ niet eens tot de orde geroepen wordt, of niet met een diepe zucht aangehoord wordt. Om met Pascal te spreken: ‘wie zou zo iemand uiteindelijk als vriend willen hebben?’ Ja, misschien iemand die zelf zo oppervlakkig uit de hoek komt waarschijnlijk.

Zwakte: Herhaling III
Het is nu juist de fuik van de herhaling die het programma in het zware weer herhaling...heeft gebracht waar het zich nu in bevindt. Los van de herhaling van fragmenten en telkens uitvergroten van bepaalde eigenschappen, zijn met name de opvattingen rondom het voetbal zelf de bron van grotere kritiek dan het programma ooit heeft gehad. Je ziet het in de tendens van reacties op fora en in de media: wat ooit als sarcastisch en scherp werd gewaardeerd, wordt nu als negatief en zuur aangemerkt.

Waar er geen rem is op het uitvergroten van eigenschappen of het tonen van fragmentjes, is er ook geen rem meer op de kritiek op de persoon Van Gaal. Johan Derksen heeft zo vaak hetzelfde gezegd, dat het ook hier weer verbazingwekkend is dat het hem zelf niet meer opvalt hoezeer hij in herhaling valt. Ik wacht telkens op het moment dat het publiek in de zaal zich ook gaat roeren, maar dat blijft tot nu toe uit. De strekking ‘op de coach Van Gaal heb ik niets aan te merken’ wordt dan altijd gevolgd door iets als ‘maar als mens vind ik het een vreselijke vent’. En dat dag in dag uit. Het woord ‘stemverheffing’ kwam op enig moment in mijn dromen terug, zo vaak had ik het gehoord. Een keer heb ik Genee horen zeggen ‘we kennen je mening inmiddels wel Johan’, wat Derksen zag als een verkapte censuur van de RTL-directie. Desondanks was het voor Genee geen reden het onderwerp Van Gaal in andere uitzendingen gewoon weer aan te halen, waar Derksen wederom kon stellen “als coach heb ik…”

Ik heb mezelf wel eens afgevraagd of ik het met Derksen eens zou kunnen zijn wat betreft Van Gaal. Maar hoe vaak ik hem ook heb horen uitleggen hoezeer hij walgt van de stemverheffing van Van Gaal, de shows na een behaald kampioenschap op een of ander plein (met name dit fragment; maar denk het Duits in het Engels en je kunt er ook Martin Luther King in zien!) of de betutteling van een of andere speler: het laat me vrij koud. En waarom? Omdat het volstrekt ongevaarlijk is. Het is gek, karakteristiek, uit de toon en zeker soms gênant en over de top, maar ongevaarlijk en onschuldig. En vooral: het werkt op de een of andere manier. Net als VI zelf. En dat maakt het zo vreemd. Het programma bestaat juist dankzij kleurrijke figuren.

En bovendien, een programma dat zo vaak een fragment herhaalt van een huilende Toine van Peperstraten, waarmee de man tot in lengte van dagen zal worden geassocieerd, is minstens zo kwalijk als iemand wegzetten als een imitatie-Mussolini. Maar het stelselmatig belachelijk maken van karakters is klaarblijkelijk iets dat wel goed door de beugel kan als gedraging. Waarschijnlijk wordt dat dan verkocht als ‘ik mag mijn mening hebben’, waarmee het cliché-argument uit de kast is getrokken om nog kritiek te hebben over die herhaalde mening. Of het ‘wij maken satire’-argument wordt van stal gehaald wanneer men aanvoelt dat er grenzen van goed fatsoen zijn overschreden. Met vervolgens een klein beetje zelfspot wordt dan de scheve schaats bedekt: het is eigenlijk al jaren dezelfde formule.

Maar ook Derksen kent heus wel de destructieve kracht van TV. In dat opzicht is de stelselmatige negatieve benadering van het karakter van de mens Van Gaal evenzeer een vorm van volksmennerij als dat Derksen Van Gaal verwijt, behalve dan dat er een miljoen mensen achter de buis zit in plaats van op een plein staat. En gelukkig kunnen we ook hier zelfstandig denken en dringt uiteindelijk niemand ons een mening of een gedraging op.

Vergis je niet. Ik schrijf dit allemaal neer, juist omdat ik een fan ben van het eerste uur. Ik wil graag dat het zo goed vergaat. Maar de vraag is hoe lang de zelfspot nog werkt, voordat het programma definitief niet meer door het grotere publiek wordt omarmd.  De laatste spanningen die rondom het programma heersen zijn niet de eerste en waarschijnlijk niet de laatste, maar het zegt genoeg dat mannen die elkaar wekelijks moeten aanzien en aanhoren, via de media een polemiek uitvechten (zie de column van Johan Derksen). Daarbij is het niet relevant dat dit de kijkcijfers goed zou doen, want voor de geoefende kijkers is het overduidelijk dat de lol er echt wel even af is. En dan werkt ironie niet meer goed: dat is dan eerder ongemakkelijk dan verfrissend.

Kracht: authenticiteit
Maar uiteindelijk is dat de absolute uniek kracht van het programma: je denkt te kijken naar karikaturen, maar daaronder zit een bijzondere laag authentieke menselijkheid. En die wordt ontbloot wanneer het masker van de karikatuur door onderlinge spanningen of ergernis niet meer kan worden gedragen. Dat geeft het programma een unieke herkenbaarheid en brengt televisie echt heel dichtbij. Dat is niet zomaar een geoefend kunstje.

Dan zit je met het zweet in de handen als de grappenmaker Hans Kraaij eens echt even laat zien wat hij voelt of de brave Hans van Breukelen in een steeds scherper wordende woordenwisseling komt met Johan Derksen. Ook de werkelijke ergernissen tussen Genee en Derksen zijn inmiddels een bekend terugkerend onderdeel van het programma. En vrijwel altijd waren de ruzies gerelateerd aan voetbal. Tot nu. Want natuurlijk zit het programma niet voor het eerst in zwaar weer, maar met de naar buiten gebrachte verhalen van afgelopen dagen is het volgens mij wel de eerste keer dat we zien dat de spanningen tussen Van der Gijp en Derksen dieper liggen dan een verschil van mening over voetbal, tactiek, een te grote voorliefde voor Ajax of een suggestief aangehaalde bron binnen het wereldje. Dit is écht persoonlijk en tussen die twee had ik dit ook niet aanzien komen. En ga dan met goed fatsoen iedere week bij iemand aan tafel zitten. Dat neigt heel erg naar hypocrisie – en daar is geen masker tegen bestand, zonder dat het publiek het merkt.

Of de mannen hier uiteindelijk over heen kunnen stappen, en weer de weg vinden naar gezonde ironie, gedoseerde zelfspot en zeker niet te vergeten aanstekelijke opmerkingen over de voetbalsport, is uiteindelijk helemaal niet relevant. Ieder programma kent zijn einde. En misschien aanschouwen we hier het begin van het einde, en zullen we dat achteraf allemaal zeggen: ‘ja, toen doofde het licht van dat concept een beetje.’ Het absolute succes houdt een keer op. Iedere dag wekenlang op de buis is ook wat teveel. Dat kan eens tegen gaan zitten. Wanneer het anderen slecht gaat, vergaat het analisten en columnisten goed. Dat is nu dus even wennen, omdat het Nederlands elftal tegen de verwachtingen zo goed presteert. Maar ik haak absoluut niet af: ze laten nog steeds iets bijzonders zien. Nog steeds kijk ik met veel plezier, al is dat met het verstand op nul en doof voor de herhaling. Gelukkig zal er zolang er voetbal is, over gesproken worden. Het is te hopen dat we nog een paar laatste mooie kunsten zien van deze mannen, zoals een voetballer op leeftijd toch net nog dat ene passje  uit zijn tenen weet te halen. Maar hoe het ook verder gaat, VI heeft het voetbalpraatprogramma nu al een ereplek in de geschiedenis meegegeven.

 

 

Vier Verwonderingen over Volkerts Vrijheid

Vier Verwonderingen over Volkerts Vrijheid
-Reflectie op een ogenblik-

Dat de moordenaar van Pim zijn gevangenis in Zwolle voor de ketenen van de samenleving heeft verruild, kan niemand zijn ontgaan. Ik kom naar aanleiding van deze ‘vrijlating van de eeuw’ tot vier verwonderingen.

Verwondering I: hoe is het om Volkert te zijn?
Dat lijkt een gedachte-nachtmerrie voor iemand die zich dat probeert voor te Leviathanstellen. Maar het lijkt me ook een nachtmerrie voor Volkert zelf. Volkert die iedere ochtend wakker wordt en ontdekt: ik ben Volkert. En dan is de grootste nachtmerrie de realiteit zelf. Dan wil je zelfs niet ontwaken uit je nachtmerrie.

Er wordt vaak opgemerkt dat hij hoogbegaafd is, zeer intelligent. Atheneum, Landbouwuniversiteit, Meester in de rechten – dat soort zaken. Het is mij dan ook een raadsel waarom hij nog niet definitief is bezweken onder zijn eigen zwakzinnige daad die hij pleegde bij zijn volle verstand. Eén van de zwaarste mentale straffen voor een werkelijk intelligent iemand is namelijk tot inzicht komen, dat je handelen gebaseerd was op volstrekte dwaasheid.

Volkert stapt onze samenleving binnen en ziet dat zijn handelen helemaal niets bewerkstelligd heeft. Hij beseft dat hij niets heeft begrepen van politiek en democratie. Hij moet erkennen dat Fortuyn niet eens bazelde over de multiculturele luchtballon, maar gewoon iets heeft benoemd via het vrije woord. Hij ziet dat de hele politieke rechterflank volgelopen is met veel grotere demagogen en brievenbuspissers dan hij zich had kunnen voorstellen.

De armen zijn arm, de rijken zijn rijk en de dieren doen er nog even weinig toe. Kortom: De Graaf die zat vast, wij dronken een glas, deden nog een plas en alles bleef zoals het was. Arme Volkert, zijn hele leventje in het teken van een zinloze handeling – wat een gruwelijk besef!

Tragische heldHet is mij sowieso een raadsel hoe iemand bestand kan zijn tegen een dergelijke psychologische druk en daarbij gezond kan blijven. Helpen 12 jaren van bezinning daarbij, of verdwaal je dan alleen maar verder in de krochten van je geest? Kun je alleen met cognitieve dissonantie overeind blijven? Of heeft hij al die tijd gedacht aan de mogelijkheid van vergeving? Is zijn geest nu wel in staat om contact te leggen met de échte werkelijkheid, en niet die sprookjesrealiteit waarin hij zichzelf als tragische held verplicht zag tot moorden? De zelfverklaarde tragische held die toen uitkraamde: ‘ik deed het voor de zwakkeren in onze samenleving!’

Verwondering II: Volkert aan het woord
Volkert verkoopt wanneer het mag zijn levensverhaal aan de hoogste bieders. De samenleving spreekt er schande van, maar al snel onthult hij: ‘al het geld dat ik verdien met mijn verhaal, schenk ik aan nabestaanden van zinloos geweld. Ik verwacht er niets voor terug. Ik hoop dat ze het geld willen aanvaarden…’

Hij spreekt over toen: ‘Ik weet wat me bezielde, maar ik weet niet waarom me kon bezielen wat me bezielde. Het was gewoon zo. Het was een samenraapsel van alle ideeën in mijn hoofd. En ja, ook mijn zogenoemde obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis heeft daarin een rol gespeeld.’

‘U moet begrijpen, iemand die er werkelijk van overtuigd is dat hij kan vliegen, springt zo van het dak af. Dat is voor hem volkomen logisch. Voor iemand die gelooft dat hij een kuikentje is, is niets gewoner dan dat. Het zijn juist alle anderen die het niet meer helder hebben.’ ‘Nu, ik was zogezegd dat kuikentje en ik kon écht vliegen. Had men mij toen aan een leugendetector gelegd en de vraag gesteld: ‘bent u een kuikentje?’ en ik had geantwoord met ‘Nee, natuurlijk niet gek!’, dan waren de meters rood uitgeslagen…’

‘Ik was iemand die te vuur en te zwaard zou kunnen verdedigen dat de aarde vierkant was. Ik geloofde daar heilig in. Elvis leefde en we zijn nooit op de maan geweest. Plaatst u mij terug in de tijd en ik verdedig het ten koste van jarenlange gevangenschap. Dan moet het toch wel een ware overtuiging zijn?’

‘Ik geloofde wat ik geloofde, en in alle oprechtheid en in alle eerlijkheid kan ik u zeggen: het was een vals geloof. Ik ben daarmee dus echt iemand anders dan 12 jaar geleden. Ik ben niet meer dezelfde persoon. In psychologische zin ben ik radicaal anders en ik spuug op de waanzinnige van 12 jaar geleden. Hij is dood voor mij. Het enige wat hij mij uiteindelijk gebracht heeft, is het inzicht dat hij niets te brengen had. Periissem nisi periissem.

‘Ik weet dat het verder onmogelijk is voor mij om er meer over te zeggen en er ook maar één iemand zou zijn die gelooft wat ik zeg. En iemand die wel waarde hecht aan mijn woorden, die zal als een naïeveling worden versleten. Misschien is dat de reden waarom ik beter zou moeten zwijgen, zoals ik al die tijd deed: ik kan simpelweg niet spreken.’

Verwondering III: De liefde! De liefde?
De vraag hoe het is om Volkert te zijn is al lastig voor te stellen, maar hoe het is om zijn vrouw te zijn of zijn dochter, is haast onmogelijk. Hoe kan het dat een man bij zinnen tot een gruwelijke daad komt, wanneer hij de liefde thuis heeft? Hoe kan het dat een man tot een gruwelijke daad komt, wanneer hij zojuist nog in de grote ogen heeft gekeken van zijn dochtertje van een half jaar oud? De theorie dat sociale bindingen mensen afhouden van plannen die een gevaar vormen voor die sociale bindingen is hier in ieder geval niet van toepassing.

Aan de andere kant, afgaande op wat we weten vanuit de media, is zijn vriendin hem trouw gebleven. Hoe is dat te verklaren? Is dat ware liefde? Is dat wat onvoorwaardelijk kiezen betekent? Is dat wat we verstaan onder echte trouw? Wie kan zich voorstellen dat zij iets te maken wil hebben met een man die de samenleving fundamenteel heeft geschokt en voor de rest van zijn leven en de geschiedenis verbonden is aan dat ene feit? Hoe is dan een relatie mogelijk? Hangt dit feit niet telkens als een zwaard van Damocles boven je? Is dat niet iets waar je altijd aan moet denken of kan zelfs dat gewennen? Moet je er dus per definitie een schild voor ontwikkelen? En is dat eigenlijk wel gezond? Wanneer heeft woede plaatsgemaakt voor vergeving? Er was toch zeker geen begrip?

Zou Volkert zichzelf googlen en zich verbazen? Zou hij dit lezen?

Deze verwondering leent zich helaas teveel voor speculatie. Misschien zit de media wel verkeerd en heeft zijn gezin zich al jaren van hem afgekeerd. Maar als dit niet het geval is, dan is het misschien wel het meest interessante microsociale vraagstuk wat ik mij kan voorstellen.

Verwondering IV: De Toekomst
Fortuyn is niet meer. Hij heeft zich nooit kunnen bewijzen en is daarom uitgegroeid tot een mythe. Grootse Nederlander. Visionair. Belofte… Hij is echter gestorven in een tijdperk dat achter ons ligt. Maar voor sommige mensen is dat tijdperk oneindig dichtbij en wordt dit vertegenwoordigd door Volkert van der Graaf. Ze willen niet meer in dat tijdperk leven, ze willen er een einde aan maken. Voor die mensen is ‘Volkert hunting’ begonnen. Voor hoeveel mensen dat niet enkel in hun fantasie geldt en hoe serieus ze daar dan in zijn, zou ik niet durven zeggen. Ze zijn onder ons.

Maar Volkert moet natuurlijk niet dood. De argumenten daarvoor zijn overweldigend en stuk voor stuk een open deur. Je wordt namelijk geen tragische held als je Volkert dood maakt, echt niet! Je wordt een crimineel die niets meer is dan Volkert zelf. Bovendien, Pim Fortuyn zelf zou het ten stelligste afkeuren. Wie Pim wil eren, onthoudt dat hij een zeer beschaafde man was met achting voor de rechtsstaat. Daarnaast, de dreiging dat je altijd iets kan overkomen lijkt mij veel erger dan de dood zelf – tenzij je gelooft in de hel (maar dan beland je daar zelf ook in, dus dat is niet erg zinvol).

Mensen die dan toch wraakgevoelens blijven koesteren kunnen zich troosten met de gedachte dat Volkerts leven echt geen feest is de komende decennia. Het is een zeer twijfelachtige vrijheid, waarbij hij als paria zich overal moet verantwoorden en bijna nergens zichzelf kan zijn. Hij zal altijd afhankelijk zijn van anderen, hij zal nooit meer kunnen doen wat hij echt zou willen. Hij heeft niets bereikt en zal nooit iets bereiken. Hij heeft zijn leven geheel vergooid; het is niet nodig om een vergooid leven te vernietigen.

Het is beter om wraakgevoelens te overwinnen. Straks, als alle aandacht weer is weggeëbd en het nieuws over Volkert verdwijnt naar de marges – zoals dat met alle grote gebeurtenissen gebeurt- dan staat zijn leven nog steeds in het teken van die idiote daad. Maar wij hebben dat ogenblik overwonnen en zijn bezig ons leven wel zinvol vorm te geven – een kans die Volkert voor eeuwig kwijt is en waar hij zolang hij leeft met bittere jaloezie naar moet kijken.

Overwegingen bij een absurde daad: de verdwijning van de broertjes Ruben en Julian

Het kan niemand zijn ontgaan dat in heel Nederland afgelopen dagen met ongelooflijk veel inzet en passie is gezocht naar de verdwenen broertjes Ruben en Julian. Tot nog toe zonder resultaat. En wie diep in zijn hart kijkt, zal waarschijnlijk tot de conclusie komen dat de hoop die wordt gekoesterd dat de broertjes levend teruggevonden worden niet zo heel groot is. Het idee van de mogelijke vondst van twee levenloze lichamen zal ons een rilling bezorgen gevolgd door berusting, om vervolgens tot het uiterste te komen tot die ene huiveringwekkende gedachte: de vader heeft dit voorbereid.

Vooropgesteld. Deze bijdrage is gestoeld op speculatie (in filosofische zin). Zolang de broertjes nog niet zijn gevonden en zolang het onderzoek loopt, zijn vele scenario’s mogelijk. Dat ene feit echter, namelijk de mededeling van politie en recherche dat de vader zich goed heeft voorbereid en de verdwijning opzettelijk heeft gepland, neem ik als uitgangspunt voor nadere overwegingen. Welke ideeën kunnen we iemand die zoiets doet toeschrijven? Ik kom tot verschillende vragen en antwoorden op grond van de volgende twee scenario’s.

1-De broertjes leven nog
Ze zijn dan niet in staat (geweest) zichzelf te bevrijden, zitten opgesloten bijvoorbeeld in de grond, waar een zuurstofvoorziening is aangelegd en voldoende proviand aanwezig is om gedurende zeer lange tijd te kunnen overleven. Misschien veronderstelt dit idee dat de vader (de 38-jarige Jeroen Denis)  voor zijn zelfmoord bij het Doornse Gat niet de intentie heeft gehad zijn zoons te vermoorden, maar in ieder geval de bedoeling heeft gehad te verontrusten of wellicht een ander nog onduidelijk duister doel heeft nagestreefd. Echter niet ten koste van zijn kinderen, althans niet direct ten koste van hun leven. Kunnen we ons voorstellen dat de vader de intentie heeft gehad dat de kinderen gevonden zouden worden? Dat zou voor een later moment ontzettend veel analyse vergen waarbij we ons waarschijnlijk moeten begeven naar gene zijde van goed en kwaad…

Ik denk dat dit scenario het meest ver gezocht is, maar feitelijk het enige dat plausibel is, als we de hoop koesteren dat ze nog gevonden worden en er buiten de vader niemand anders betrokken is. De dagenlange zoektocht door duizenden mensen en honderden deskundigen maken het echter helaas niet bijzonder waarschijnlijk.

2-De broertjes leven niet meer
In dit geval komen we nadrukkelijker bij de intentie van de vader. Veelal wordt zelfmoord geassocieerd met wanhoop, eerder dan met wraak. Het ligt namelijk niet voor de hand dat iemand vanuit een weloverwogen keuze primair zijn eigen leven neemt, om daarmee een ander te straffen. Het is meer voorstelbaar dat wanneer iemand wraak wil nemen op een ander (op een oneindig gruwelijke manier), deze het leven neemt van een dierbare. Dat zou hier gebeurd kunnen zijn. Het is in ieder geval zeer lastig voor te stellen dat de vader geen rekening gehouden heeft met de moeder (zijn ex-vrouw).

Gelet op alle voorbereidingen, moet er sprake zijn geweest van een zeer berekenende handeling. Het probleem van een berekenende handeling is dat we daarbij als vanzelfsprekend de actor rationaliteit toekennen. Een berekening vereist rationaliteit. We veronderstellen bovendien dat wanneer iemand zijn handelingen zorgvuldig plant, berekent, voorbereidt en vervolgens uitvoert daarbij constant voor ogen heeft wat de gevolgen van zijn handelingen zijn. Iemand die voorbereidingen treft om een blad papier met vuur aan te steken, weet dat zijn handelingen er uiteindelijk toe zullen leiden dat het papier zal verbranden. Iemand die willens en wetens zijn kinderen spoorloos maakt, weet dat

  1. er aandacht voor komt (bijzaak?)
  2. mensen zullen gaan zoeken (bijzaak?)
  3. mensen verdriet hebben vanwege het gemis (hoofdzaak?), en daarbij
  4. lijden bij nabestaanden wordt gemaximaliseerd, vanuit de gedachte dat het verwerken van leed een grond moet hebben, en juist die is hier ontnomen

Is dit op een andere manier te begrijpen dan vanuit een absolute vorm van egocentrisme? Waarbij de zelfmoord het egocentrische sluitstuk vormt omdat men enkel de ander en niet zichzelf achterlaat met het verdriet, de radeloosheid en de onbestemdheid? Maar toch doet zich er dan een andere moeilijkheid voor: Wat betekent “wraak” wanneer men zelf de sensatie van de wraak nooit beleeft? Bij wraak gaat het er prima facie om dat iemand ondervonden leed of onrecht aan de veroorzaker vergolden ziet. Maar met de zelfmoord ‘ontneemt’ men zich dit. Dan blijft er enkel en alleen nog het idee over. Maar zelfs dit idee is toch betekenisloos, omdat een idee zelf nog geen ervaring is en bovendien het idee ook sterft met het sterven. Hoe kunnen we de paradox rijmen dat we iemand rationaliteit toeschrijven, terwijl de gehele rationele handeling lijkt te leiden tot iets wat we als irrationeel opvatten?

Kunnen we ons verheugen in het weten dat een ander een ervaring krijgt waar we zelf geen weet van hebben? Misschien toch wel. In positieve zin kan ik mij voorstellen dat iemand op zijn sterfbed gelukzalig sterft in de wetenschap dat zijn dochter in blijde verwachting is. Hij maakt de geboorte van zijn kleinzoon niet meer mee, maar toch stemt hem het idee gelukzalig. Maar ik kan het niet omdraaien; ik kan mij niet iemand voorstellen die gelukzalig sterft in de wetenschap dat hij een ander in totale ellende stort. Tenzij ik hem als een waanzinnige voorstel; waanzinnig in de zin van dat hij voor zichzelf de moraal heeft opgeheven, de moraal heeft getranscendeerd niet in religieus opzicht, maar vanuit een zinsbegoocheling, gevoed door een blinde haat- waarbij het redelijke niet is gedoofd, maar het redelijke enkel het doel heeft gehad kwaad te doen, waarbij het redelijke vanuit het idee van het sterven zelf niet meer geraakt werd door zichzelf.

Iemand die bovendien in staat is tot de zelfmoord moet wel gevoed zijn door het idee dat het leven geen betekenis meer heeft of geen bedoeling. Maar kunnen we ons daarbij voorstellen dat de stap gemaakt wordt dat daarmee ook het leven van een ander geen bedoeling meer heeft? Oftewel, dat het leven op zich geen bedoeling heeft? Dat is moeilijk voor te stellen, omdat daarmee ook de hele zin van de wraak opgeheven wordt. Wraak heeft alleen maar zin als er een geloof is dat ze zin heeft, waarbij er op zijn minst wordt gehandeld vanuit de veronderstelling dat een ander wel gelooft dat zijn of haar leven zin heeft.

En aansluitend, heeft hij het leven zo gehaat en heeft hij zich zo intens verdrietig gevoeld, dat dit een manier is geweest om een gevoel over te brengen zoals hij zichzelf gevoeld heeft? In de zin van: ‘ik zal je laten voelen zoals jij mij hebt laten voelen’.

Het gaat wat ver om het volgende eraan toe te voegen, maar dat doe ik toch omwille van de gedachte, namelijk dat iemand door middel van een handeling de zin van het leven bij een ander wil ontnemen, op grond waarvan dan de eigen ervaren zinloosheid wordt verkondigd aan die ander. Daarmee krijgt de zinloosheid een soort religieuze bedoeling; dat zou in ieder geval de redelijkheid van het handelen kunnen verklaren. De relatie overigens tussen zinloosheid, nihilisme en het in zichzelf opschorten van de moraal zouden langere technische overwegingen rechtvaardigen.

Tot nog toe heb ik alleen een negatief perspectief bevraagd. Het perspectief waarbij vanuit een voorbereiding een absurde vorm van kwaad wordt verondersteld. Maar er is nog een andere mogelijkheid: dat ik deze handelingen probeer te begrijpen vanuit een goede intentie. Ben ik in staat om zelfs bij een daad als deze mij een goede bedoeling in te denken? Eerder heb ik gesproken over het doden van anderen om hen daarmee de ellende te besparen die men aan het leven toeschrijft. ‘Het leven is lijden, ik verlos jullie van dat lijden. Als ik mij zelf ombreng, moeten jullie leven met mijn dood-dat wil ik jullie niet aandoen, dus dood ik jullie ook’. Daarmee is echter het verdwijnen van de kinderen niet gemotiveerd, op grond waarvan het erg moeilijk wordt om deze ingewikkelde maar mogelijke hypothese te aanvaarden.

Hoe dit trieste verhaal ook eindigt, wezenlijk begrijpen zullen we het nooit. Maar hoe donker de redenen van de vader ook zijn geweest, dat duizenden zich met volle overgave storten op de zoektocht naar de jongens, toont aan dan het leven en de hoop niet zo snel verslagen worden.

Waarom het koningslied een fiasco werd: Vier misvattingen en vier lessen in kaart

‘You have created a Monster and he will destroy you.’
‘Patience, patience. I believe in this Monster, as you call it. And if you don’t, well, you must leave me alone. So far, he’s been kept in complete darkness. Wait till I bring him into the light.’

Met het terugtrekken van het Koningslied door componist John Ewbank als gevolg van een ewbankrun, is er een apotheose bereikt in iets wat een feestelijke samenzang had moeten worden op 30 april tijdens de abdicatie. In plaats van een collectief meezingen kwam er een collectieve klaagzang.

In deze bijdrage een analyse over de belangrijkste bijzaak van het moment. Waar ging het fout en wat zijn de lessen voor een volgende keer?

1.      We laten het volk meedenken, dan is het een lied voor het volk

Het hele volk was uitgenodigd om mee te schrijven aan de tekst van het Koningslied. Dit is ook wel bekend onder de foeilelijke term crowdsourcing. Talloze spinsels werden aldus aangeleverd, op grond waarvan een uiteindelijke tekst werd opgesteld. Zo kwam het woord “stamppot” bijvoorbeeld merkwaardig vaak voor in de 3300 inzendingen en dus werd daar maar een zin omheen gebouwd.

Had Ewbank even aan Mary Shelley’s roman Frankenstein gedacht dan had hij een klassieke les herinnerd. Victor Frankensteins droom om levenloos materiaal tot leven te brengen door onderdelen van diverse lijken te combineren tot één nieuw wezen eindigde namelijk in grote ontzetting. In plaats van een vriend van grote schoonheid, schiep Victor een monster. Met het Koningslied heeft Ewbank zichzelf gekroond als de Victor Frankenstein van de 21e eeuw: met grote geestdrift gewerkt aan een creatie van esthetische diepte, maar met het ontwaken van het lied tot eigen schrik ontdekt een gedrocht te hebben gecreëerd. Maar toen was het kwaad al geschied…

Les 1: probeer uit levenloze samenraapsels nooit een nieuwe entiteit te scheppen.

2.      Sociale media? Het zal wel meevallen!

Zoals ik al eerder aangegeven heb is een sociaal medium een potentieel monster. Oncontroleerbaar, onbeheersbaar en tot alles in staat. Het lag in de lijn der verwachting dat er een ontzettende storm zou gaan waaien omtrent het lanceren van dit lied op internet. Enerzijds omdat het lied zelf natuurlijk groots werd gepresenteerd, maar belangrijker anderzijds omdat het daadwerkelijk ook als iets ‘nationaals’ werd opgedrongen: dit is het lied dat wij Nederlanders presenteren. Het gevolg was dat werkelijk iedereen zich aangesproken voelde. En de beste hedendaagse manier om een gevoel te uiten is juist: gebruik te maken van een sociaal medium.

De tendens die vervolgens ontstond was in beginsel vaak positief verontwaardigd en geestig van opzet. Vanuit deze spottende insteek breidde het commentaar zich toen razendsnel uit en werd het steeds negatiever. Dat effect kennen we uit de communicatiewetenschappen en staat bekend als het zwijgspiraaleffect. Omdat mensen vooral afgaan op hun gevoelens en voortdurend bezig zijn met de status van hun digitale reputatie, zijn ze geneigd zich te conformeren aan populaire heersende opvattingen met als gevolg dat andere (tegen)opvattingen verstillen.

De sociale media moedigen afwijkende meningen niet aan, met als gevolg dat ook de traditionele media het heersende geluid overnamen, zodat uiteindelijk in alle media een zelfde beeld naar voren kwam: dit lied lijkt nergens op en is een grote schande!

Les 2: Begrijp hoe sociale media werken en presenteer nooit iets namens ‘De Nederlander’! Dat die overigens helemaal niet bestaat, weten we al van Máxima en van Wittgenstein, maar dat terzijde.

3.      Als alle schakels zwak zijn, valt de zwakste schakel niet op

Op zich een interessante gedachte, en ook juist in zijn redenering. Wat men echter vergeet is dat weliswaar de zwakste schakel niet opvalt, maar daardoor het geheel des te meer.

Want ondanks de theorie van de zwijgspiraal, zijn er wel degelijk goede argumenten te geven waarom dit niet zo’n geweldige productie is, waardoor de kritiek in beginsel is gerechtvaardigd. Alom bekend, toch even samengevat:

1. Voortekenen negeren
– Wel of geen plagiaat? Wel of geen christelijke praisesong? De voedingsbodem van het negatieve sentiment was daar al gelegd.
2. De toon van het lied infantiliseren
– Alsof een klein kind voor het eerst naar school mag.
3. Een melodie schrijven die laat denken aan een scène uit Walt Disney’s Belle en het Beest
– Niet leuk voor de koning hem te vergelijken met een beest.
4. De koning aanspreken met “je”
– Dat hoort natuurlijk niet in tijden van “respect”.
5. Taalkundig niet je best doen
– Met als gevolg alle docenten Nederlands boos.
6. Een “rap” erin stoppen om het 2013-proof te maken
– Daar trappen jongeren niet in.
7. Iedereen tevreden willen houden
– Daar trapt niemand in.

Les 3: Polderen is leuk voor politici, maar als er een topprestatie moet worden geleverd, laat men het beter achterwege.

4. Ik word beledigd, dus ik trek het lied terug

Het is de vraag of het daadwerkelijk fout is het lied ‘van het volk’ terug te trekken, of het kan en wat het eigenlijk precies betekent. De overige drie lessen zijn duidelijk, maar deze les moet nog worden geleerd. Wat wel ondeugdelijk is, is de reden voor het terugtrekken van het lied. Het terugtrekken is namelijk ingegeven door de aanhoudende beledigende opmerkingen aan het persoonlijke adres van Ewbank en niet op basis van kritiek die inhoudelijk is geleverd op zijn compositie. Dat is natuurlijk de verkeerde reden om iets terug te trekken. Immers, wie eenmaal zwicht voor datgene wat hij veracht, maakt datgene wat hij veracht sterker.

Het levert wel een bepaalde mate van sympathie op, omdat mensen begrijpen dat iemand bezweken is onder grove beledigingen. Zo wordt de angel uit het negatief sentiment gehaald en de zwijgspiraal enigszins doorbroken dankzij een beroep op medelijden. Het is goed ruim een week voor een feest tot besef te komen dat er nog altijd mensen achter een lied zitten. Toch was het misschien verstandiger geweest om niet aan te geven dat de macht van de pester, de populist of de opruier heeft gezegevierd, maar de macht van de verstandige criticus. Al doet Ewbank het met ironie, een lied terugtrekken omdat er goede redenen zijn aangedragen waarom het misschien niet zo goed is, was een volwassen gebaar geweest. Nu lijkt het meer op een gebaar van een verwend kind dat weer snel terug wil naar zijn geroemde leven. Maar helaas, Ewbank heeft auditie gedaan voor de volksjury en werd, gelijk aan hoe het volk het heeft geleerd uit Idols en X-Factor, afgeserveerd.

Les 4: Ik denk tenslotte weemoedig aan de woorden van Nietzsche, enigszins buiten context, maar toch: Was mich nicht umbringt, macht mich stärker…. We zullen zien hoe sterk precies op 30 april.

Voor altijd weg: overwegingen bij de veroordeling van Debby R.

Debby R. gaat voor 16 jaar de gevangenis in omdat zij vorig jaar januari haar twee zoontjes in een vakantiehuis in het Gelderse Terwolde doodde. Dat heeft de rechtbank in Zutphen op 5 februari 2013 besloten.

Op 16 januari 2012 kiest R. om uit het leven te stappen. Ze besluit om haar twee zoontjes van 10 en 7 mee te nemen naar de eeuwigheid. Haar zoontjes sterven aan een overdosis medicijnen, zelf wordt ze zwaargewond gevonden door haar vriend en afgevoerd naar het ziekenhuis. Daar wordt ze gearresteerd voor dubbele moord met voorbedachte rade. In het ziekenhuis vertelt ze dat het haar bedoeling was met z’n drieën heen te gaan. In een gevonden afscheidsbrief lezen we het volgende:

“Dit is een voor-altijd-weg-brief. Ik ben al 41 jaar aan het vechten. Alles is mis. Ik ga naar mijn vader die neemt me niet in de zeik. Waarom ook de kinderen? Waar moeten ze heen? Naar hun vader die ze geestelijk mishandelt, bedreigt en zo? Ik kan ze niets bieden en echt gelukkig zijn ze niet; hun vader heeft ze alleen coke te bieden en net als ik veel schulden.”

R. heeft een blanco strafblad. Psychologisch onderzoek laat onder andere een laag zelfbeeld zien, borderline en theatrale trekken. Ze was toen recent gescheiden, raakte arbeidsongeschikt en had toenemende zorgen om de kinderen. Volgens het Pieter Baan Centrum allemaal stress-verhogende factoren die R. parten hebben gespeeld bij de daad. In 2011 deed R. overigens ook al een poging tot zelfmoord. Het advies is uiteindelijk verminderd toerekeningsvatbaar. De verminderde toerekenbaarheid sluit hier de strafbaarheid van de verdachte overigens niet uit. Debby R. vraagt tenslotte om tbs; het rouwproces is nog niet eens begonnen en ze weet zich geen raad meer.

De rechter wijst in navolging van het Openbaar Ministerie het verzoek om tbs af. De kans op ‘herhaling’ wordt gering geschat. Conform de eis van het OM wordt ze veroordeeld tot 16 jaren cel. In deze eis is zowel rekening gehouden met het blanco strafblad als de verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachte rade haar zoons van 10 jaar en 7 jaar van het leven heeft beroofd. De verdachte heeft opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg haar beide zoons een hoeveelheid medicijnen, waaronder diazepam en tramadol, toegediend, gegeven of laten innemen, tengevolge waarvan beide jongens zijn overleden.

Tot zover een beknopte samenvatting van een dramatisch verhaal, dat gedetailleerd is te volgen in de uitspraak van de rechtbank– en diverse verslagen (die ik hier als bron gebruik). Een en ander overwegend, kom ik hier tot verschillende opmerkingen, vragen en gedachten.

Enkele overwegingen bij de verdediging

De verdediging heeft gedurende het proces ervoor gekozen de nadruk te leggen op 1. dat de verdachte zich niet meer precies kon herinneren van wat er precies is voorgevallen[1] en 2. dat er geen sprake is geweest van voorbedachte rade, daar beide zoons zelf een initiatief zouden hebben genomen tot het innemen van de medicatie, waarna zij hen volgde. Bovendien zou de doodsoorzaak van een zoon (‘A’ in de stukken van de rechtbank) te wijten zijn aan een hartspierontsteking (terwijl er wel een dodelijke hoeveelheid toxicologische stoffen in zijn lichaam zijn aangetroffen).

Ten aanzien van dat eerste punt, levert de verdediging zich naar mijn idee te eenvoudig over aan de overweldigende hoeveelheid beschikbare feiten (afscheidsbrief, zoekopdrachten op een computer over overdosis medicijnen, verklaring in het ziekenhuis over het “waarom” enzovoorts). Het lijkt erop dat de verdediging het gebrek aan herinnering gebruikt om twijfel te veroorzaken over intentionaliteit van de verdachte, iets dat verder wordt aangevuld met punt 2. Maar ook dat punt bezwijkt a priori onder de gegeven feiten die vanuit redelijkheid niets aan onduidelijkheid omtrent oorspronkelijke intentie en motief overlaten. Bovendien zadelen ze zich op met een paradox, namelijk dat een zoon zelf bezig was met het nemen van een grote hoeveelheid medicijnen[2], maar tegelijkertijd zijn doodsoorzaak moet worden gezocht in een hartspierontsteking. Dat heeft veel weg van een toevalligheid die in juridische zin (sofistisch) gebruikt wordt om daarmee de doodsoorzaak los te koppelen van haar handelen.

Zou de verdachte hier daadwerkelijk haar oorspronkelijke intenties niet meer weten? In hoeverre beseft een verdediging niet dat de intenties van de verdachte door de feiten (zoekopdrachten op internet, afscheidsbrief, verklaring in het ziekenhuis) zonneklaar zijn? Deze tactiek lijkt mij de slechts denkbare. Waarom niet een volledige erkenning van het oorspronkelijke -dramatische- motief? De nadruk op gebrek aan kwade intentie zou een betere insteek geweest kunnen zijn. Hoe over te brengen dat deze daad van zekere uiterste wanhoop, geen daad van liefde was (dat door de tekst van de afscheidsbrief zou kunnen worden ondersteund)? Ontoegankelijk voor ons gemoed (en in strijd met onze ratio), maar vanuit het idee dat men zelfs bereid is geweest zijn eigen leven te geven (waaruit kan vloeien dat ze de kinderen een gelijkwaardig leven van ellende wilde besparen), hoe is dat dan expliciet als fundamenteel kwaadaardig te beoordelen? Het is weinig existentialistisch, maar vanuit een leven van tegenspoed, kan zich de (pathologische) idee ontwikkelen dat je dat een ander niet gunt. Ik laat een nadere uitwerking van dit idee rusten.

Enkele overwegingen bij de motivatie van de rechtbank

De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen sprake is geweest van enige mate van vrijwilligheid van de beide zonen. ‘De rechtbank leidt uit de aard van de verdachtes gedragingen, de (alles)bepalende en sturende rol bij de inname van medicijnen door [zoon A] en [zoon B], af dat de verdachte de slachtoffers opzettelijk om het leven heeft gebracht.’

Ten aanzien van het medicijngebruik wordt er gesproken over dat er sprake is geweest dat R. deze heeft ‘“toegediend en/of gegeven en/of (heeft) laten innemen”. Dat mag op zijn minst vaag worden genoemd. Wat mij verbaast is dat hier niet expliciet uit blijkt dat er sprake is geweest van dwang. ‘Toedienen, geven of laten innemen’ legt vanzelfsprekend de verantwoordelijkheid bij degene die dat bewerkstelligt, maar gaat tegelijkertijd uit van een subject zonder enige wil of zonder enige mogelijkheid tot verweer. Dit is te begrijpen vanuit de idee dat bijvoorbeeld de wet zou stellen dat een subject in de leeftijd van 7 en 10 dit (formeel) niet toekomt, maar dat stuit op praktische bezwaren en is vanuit een pedagogisch perspectief een uiterst twijfelachtig gegeven. Juridisch is ten aanzien van kinderen dwang nooit vereist bij schadelijke handelingen, maar het gaat hier over de mogelijkheid van ‘instemming’.

Er is niet alleen vanuit de literatuur wel degelijk sprake van een zekere wilsbekwaamheid tot een leeftijd van bijvoorbeeld 12 jaar, maar daarbij beroept ook de verdediging zich op ‘een eigen instemming van de jongens’, waarbij hun wil dus wel degelijk een factor van belang is. Wordt de moeder verantwoordelijk gehouden voor de gedragingen van haar kinderen, dan zou dit een buitengewoon merkwaardig verweer zijn en zou dit a priori weerlegd moeten worden. Maar dat lijkt niet aan de orde. Wat hier dus belangrijk is, waarom gaat de rechtbank voorbij aan explicitering omtrent de wijze van toedienen en formuleert ze het open in de zin van dat de verdachte heeft toegediend en/of gegeven en/of (heeft) laten innemen”?

Voorts, beide jongens waren zeer bekend met medicijngebruik[3]. Dat kan dus betekenen dat het toedienen hier gemaskeerd is gebeurd zonder medeweten van beide jongens, dan wel dat ze het wél hebben geweten en daadwerkelijk hebben ingestemd (zonder zich te verzetten) dan wel dat ze het hebben geweten, maar de gevolgen niet hebben kunnen overzien. Dat laatste is een punt van discussie, in hoeverre dat daadwerkelijk een waarschijnlijke mogelijkheid is. Daar de rechtbank de tweede genoemde mogelijkheid uitsluit, zou zij op zijn minst moeten expliciteren hoe de medicijnen precies zijn toegediend, aangezien het wat mij betreft in een lijn der verwachting ligt dat bij het ongemaskeerd toedienen (laten innemen) van een grote hoeveelheid pillen[4] enige mate van verzet te verwachten was geweest. Of althans, hier zou de verdediging zich toch op kunnen beroepen daar dit een cruciaal punt is. Dus: Waar bewijst de rechtbank hier dat er geen sprake geweest kan zijn van enige instemming van de jongens, en waar sluit ze uit dat de jongens bijvoorbeeld niet onder een ‘act van loyaliteit’ hebben ingestemd? Los van ons gevoel over verantwoordelijkheid van een moeder voor haar kinderen, mag dat hier juridisch veel steviger onderbouwd worden. 

De motivatie van de rechtbank komt mij hier te axiomatisch voor, waarbij deze axioma’s wel het gevolg geven dat de verantwoordelijkheid in zijn geheel bij de verdachte wordt gelegd, terwijl er juist vanuit dit perspectief de mogelijkheid bestaat dat er wel degelijk sprake is geweest van enige instemming (waarbij dus achterliggend de vraagt ligt hoe wij deze instemming zouden moeten wegen).

Enkele overwegingen en open vragen in algemene en ethische zin

Het meest bevreemdende en ergens ook meest verontrustende gegeven is echter het feit dat iemand een handeling heeft verricht met het idee daaraan te sterven, zich geconfronteerd ziet met de louter toevallige mislukking hiervan en vervolgens een realiteit tegemoet treedt waarbij niet alleen haar twee zoons verloren zijn gegaan, maar zij zelf ook nog eens 16 jaren lang de gevangenis in moet en zich moet leren verhouden tot dat feit, want de staat staat haar zelfmoord niet toe.

Gevoelsmatig had ze de dood aanvaard, en leek niets de dood in de weg te staan. En dan lijkt het alsof ze wakker wordt en voor de troon van God staat die zegt: ‘je bent weliswaar overleden, maar daarmee vervalt niet je verantwoordelijkheid’. Het lijkt dat we hier een oordeel hebben waar het ons aan ontbreekt wanneer iemand overlijdt bij een gruwelijke daad, maar waar dat oordeel net zo goed op van toepassing is. Hoe vaak hebben we niet gelezen, zaken als:

Bij een familiedrama heeft een vader zijn beide kinderen en zichzelf om het leven gebracht. De politie vond vandaag de lichamen van een meisje van twee en een jongen van vijf in een woning (…)

 Of:

Vader doodt vrouw, kinderen en zichzelf-
De man zou zijn vrouw en kinderen om het leven hebben gebracht, daarna brand hebben gesticht en zichzelf van het leven hebben beroofd. De politie gaat er niet vanuit dat iemand anders de brand heeft veroorzaakt.

Vragen

Schudden we dan niet ons hoofd, zonder dat we daarbij de afschuw ervaren die ons overvalt wanneer de dader er niet voor kiest zijn eigen leven te nemen. In hoeverre is de term ‘familiedrama’ niet misleidend of wellicht juist een uiting van onze berusting? Wat doet het gegeven dat iemand zijn eigen leven niets meer waard vindt, met ons idee van ‘moordenaar’, waarbij het ook nog eens gaat over de verhoudingen tussen vader en zoon, moeder en zoon. (Hoe) moet het recht zich verhouden tot ontoegankelijke emoties? Welke wanhoop ligt eraan ten grondslag wanneer iemand ervoor kiest zijn eigen kinderen om te brengen? Of is het egoïsme, een fundamenteel onbegrijpelijk egoïsme? En wat is laffer? Te blijven leven, of jezelf te doden? Kunnen wij spreken van slechte redenen om jezelf van het leven te beroven? Bestaan überhaupt slechte redenen voor zelfmoord? Misschien niet. Maar er bestaan wel slechte redenen om je kinderen te vermoorden. Hoe zouden we die redenen anders kunnen begrijpen dan vanuit wraak of egoïsme? Maar kunnen we wraak en egoïsme begrijpen vanuit een perspectief van iemand die weet dat hij er zelf niet meer zal zijn? En omgekeerd: zouden we kunnen begrijpen dat iemand het uit liefde doet? Is dat voorstelbaar?

In het geval van Debby R. geeft de toevallige mislukking -als naargeestige variant op Thomas Nagels ‘morele pech’-de mogelijkheid tot straf, waarvan wij ons kunnen afvragen welke zin deze straf feitelijk heeft. Gelet op de drie hoofddoelen van straf, te weten vergelding, preventie (afschrikking) en beveiliging, lijkt hooguit ‘vergelding’ verdedigbaar. Maar dan is het wel de vraag, hoe dat hier verdedigd wordt.

Iemand met een doodswens lijdt klaarblijkelijk zo ernstig onder het leven, dat een gevangenisstraf met het doel ‘iemand in leven te houden’ iets onmenselijks heeft, of dat we toch ergens hier een vreemde paradox gevoelen.

Het ligt niet voor de hand dat de doodswens minder of verdwenen is, indachtig de mislukte zelfmoordpoging in 2011 en indachtig de door toeval niet gelukte zelfmoordpoging samen met de jongens. Bedenk daarbij ook het effect van de kennis van de feiten dat ze haar jongens vermoord heeft en dat ze opgesloten wordt (opsluiting, wat volgens Plato de ergste geestelijke straf is). Het lijken eerder redenen die op enig moment bijdragen aan vernieuwde pogingen zich van het leven te beroven. Wat gaat hier nog de wil tot leven worden in dit leven? En welke mogelijkheden biedt de staat (samenleving) hier om gedurende een gevangenisstraf iemand te begeleiden? Zover bekent vrijwel niets en dat is op zijn zachts gezegd zeer vreemd.

Alle overwegingen tezamen, mag het hier en daar misschien aanvoelen als een verzachtend pleidooi voor een onmenselijke daad. Dat is niet de bedoeling. Met betrekking tot bijvoorbeeld de kwestie van de ‘instemming’ is het vooral een formele interesse en een roep om explicitering. Ik heb ook geen aandacht besteed aan het enorme leed van de nabestaanden, waar geen twijfel over bestaat.

Ik heb vooral enkele kanttekeningen gemaakt, die nopen tot nadere en verdere overweging. Wat mij betreft is dit dan ook een eerste aanzet tot doordenken over een bijzonder –en in strafrechtelijke zin toch zeldzaam- fenomeen, waar het idee bij mij bestaat dat het recht en het systeem erom heen niet in zijn geheel de juiste instrumenten tot hun beschikking hebben om gelet op de (ethische en emotionele) complexiteit voldoende recht te doen aan wat hier werkelijk is gebeurd en wat er werkelijk achter steekt.

 


[1] Raadsman van R: ‘Heb je er zelf een verklaring voor dat je je nu minder herinnert dan tijdens de verhoren?’
R. antwoordt dat dit wellicht komt doordat zij veel antipsychotica slikt.

[2] ‘De verklaring van de verdachte dat [zoon A], korte tijd nadat hij enthousiast uit school was gekomen, het initiatief tot het beëindigen van hun levens zou hebben genomen, dat hij al bezig was de medicijnen in te nemen toen zij de hond had uitgelaten en dat [zoon B] en zij hem daarin zijn gevolgd, acht de rechtbank in het licht van al wat uit het onderzoek naar voren is gekomen niet aannemelijk geworden.’

[3] Onderzoek heeft uitgewezen dat naar aanleiding van een kinderpsychiatrisch onderzoek met als uitkomst dat bij [zoon B] sprake was van een autismespectrumstoornis aan hem Dipiperon, Ritalin en melatonine werden voorgeschreven. Bij [zoon A] is de diagnose ADHD van het gecombineerde type vastgesteld en ook aan hem werden Dipiperon, Ritalin en melatonine voorgeschreven.

[4] De verdachte heeft – in samenvattende zin – verklaard dat zij, [zoon A] en [zoon B] op 16 januari 2012 ‘s middags pillen hebben ingenomen en dat het daarbij onder meer ging om Tramadol 100 mg en Diazepam 10 mg. Zij denkt dat zij veertien à vijftien lege strips in de prullenbak heeft gedaan. Toen de kinderen moe waren geworden zijn zij op het bed gaan liggen in haar slaapkamer. Later is zijzelf ook op bed gaan liggen tussen [zoon A] en [zoon B] in. Op een gegeven moment is zij wakker geworden en heeft zij bij haar kinderen geen hartslag meer gevoeld. Zij heeft zichzelf vervolgens gesneden. Ook heeft de verdachte verklaard dat zij uit het leven wilde stappen samen met haar kinderen en dat zij niet wilde dat haar kinderen naar haar ex gingen.

Naschrift: Er zal een hoger beroep dienen.

Hoger beroep is inmiddels geweest. Opmerkelijke draai op basis van ‘nieuwe inzichten bij deskundigen’. 8 jaar cel en TBS.

Zie voor uitspraak:
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2013:9368&keyword=Overdosis+medicijnen

 

Roken kan echt niet meer, maar dat wisten wij eigenlijk al

Met de nieuwe campagne van KWF Kankerbestrijding tegen roken wordt gebroken met de nare beelden van doodzieke longpatiënten, impotente mannetjes en afgetakelde veertigers. Nieuwe ronde, nieuwe kansen?

Wetenschappers hadden al langer in de gaten dat negatieve campagnes een negatief effect hebben, maar nu is die kennis ook daadwerkelijk omgezet in een geheel nieuwe campagnestrategie. Onderzoekers zouden zich echter vooral moeten afvragen of dit soort campagnes überhaupt effect hebben, want dat is ook met deze nieuwe positieve insteek weer zeer twijfelachtig.

De campagne “roken kan echt niet meer” beoogt het roken een suf, achterhaald en gedateerd imago te geven. Vele verschillende spotjes en posters, aangevuld met de nodige aandacht in de social media, tonen ons vooral ‘hippe’ jongeren die de suffe roker minachtend toespreken. De boodschap is in alle gevallen dezelfde: Wie nu nog rookt, leeft in een wereld die al lang achter ons ligt. Strikt genomen, klopt dat overigens wel. Roken is uit, maar blowen is daarentegen hartstikke in!  Leven de campagnestrategen dus zelf eigenlijk in het hier en nu? Oftewel: hoe valide is deze campagne?

Mijn stelling is, dat deze campagne vooral de mensen aanspreekt die niet roken. Niet-rokers zullen met veel plezier instemmen, maar de rokers onder ons krijgen spontaan weer last van hardnekkige cognitieve dissonantie: hoezo is roken achterhaald?

Mensen -jongeren- die niet onder de indruk zijn van de tot in den treure bewezen feiten dat hun gedrag ertoe leidt dat ze langzaam hun lichaam aftakelen, een onzalig risico lopen op een vreselijke dood, een ontzettend beslag leggen op peperdure gezondheidsvoorzieningen en hun leefomgeving verzieken met kankerverwekkende stoffen, zullen niet onder de indruk zijn van dit zogenaamde ‘sociale argument’. Bovendien, het sociale aspect is juist het enige gegeven dat het roken (en de verslaving) nog wel lijkt te legitimeren. Dat zal een roker zich niet zo snel laten afnemen.

Maar er is een veel duidelijkere reden waarom deze campagne nauwelijks gaat werken. En dat is nog een veel ernstigere stelling die ik hier zou willen verdedigen. De beginnende roker van deze tijd namelijk -verslaafden moeten we als verloren beschouwen-, moet wel de broodnodige elementaire rationele en sociale kwaliteiten missen. Wie sociaal verleid wordt tot het roken, is sociaal arm en wie niet sociaal arm is maar desondanks wordt verleid tot het roken, is geestelijk zwak.

Daarmee kom ik tot een achterliggende analyse van het feitelijke probleem. Waar eerst een (mislukt) beroep werd gedaan op het gezonde verstand, wordt nu een beroep gedaan op sociale intelligentie. Maar het probleem is juist dat in beide gevallen het een en het ander grotendeels ontbreken. Anders is er namelijk geen enkele reden te verzinnen waarom iemand aanvangt met roken. De campagne versterkt dus op geen enkele manier datgene waar het werkelijk aan ontbreekt.

Het pedagogische probleem waarover hier wordt gesproken, kan niet door de overheid of door particuliere organisaties worden opgelost, maar slechts door de opvoeders. Daar ligt de verantwoordelijkheid om kinderen werkelijk sociaal weerbaar te maken. En dat begint al veel vroeger dan bij het evident weinig effectieve aanspreken van pubers, zoals deze campagne doet.

Bij de ouders ligt de verantwoordelijkheid om alle kennis die we op dit moment hebben over leven en gezondheid, zo over te dragen, dat het kind als zelfverantwoordelijke zelfbepaler in wording, vanuit een gezond ontwikkeld sociaal verstand ‘nee’ kan en durft te zeggen. Dan is (gebrek aan) intelligentie niet eens doorslaggevend.

Wat mij betreft mogen komende campagnes tegen roken, waarbij tegelijkertijd serieus iets wordt gedaan aan het prijspeil van de sigaret, dan ook expliciet worden gericht op de ouders. En als het kind dan toch begint met roken? Ouders hard aanpakken, en niet die arme, weerloze rokertjes…want wie er nu nog aan begint, die mogen we gerust als verloren beschouwen.
______________________

Bekijk hier de column van Jerry Goossens uit het AD (19/12/12) over waarom een campagne over roken echt niet meer kan…..

Een kleine wandeling door Vrees en beven

-Søren Kierkegaard/ Johannes de silentio-
Vrees en Beven

-Voor altijd actueel-

Het in 1843 door Johannes de silentio geschreven dichterlijke werk Vrees en beven heeft precies zoals Kierkegaard verwachtte[1] talloze studies, interpretaties en commentaren opgeleverd. Dat Paul Cliteur het boek dat handelt over geloven tot gevaarlijkste in de geschiedenis van de wijsbegeerte verklaarde, heeft binnen het Nederlandse taalgebied op zijn minst bijgedragen aan de hernieuwde belangstelling ervan. De spannende religieuze zoektocht die Kierkegaard erin onderneemt verdient die aandacht ook ten volle.

Je loopt alleen door het park met je kinderwagen. Met veel trots kijk je in de grote glimmende ogen van het kindje en je bedenkt hoe lang je niet hebt gedacht dat het er nooit meer van zou komen. Maar daar is ze: een kerngezond en prachtig kind! Terwijl je al wandelend verder mijmert over de gelukzaligheid van het nieuwe leven dat je voortduwt, klinkt er plotseling een heldere stem. Uit het niets. Je kijkt verschrikt om je heen en gelooft dat je je vergiste. Maar daar klinkt weer die stem, en ze richt zich duidelijk tot jou:

‘Ik ben het, de God die je dient. Ga met je enige dochter, die je innig liefhebt, morgen naar de grote boom aan het einde van het park en draag haar daar als brandoffer op.’

Wat moet je doen? Je bent er absoluut zeker van dat God tot je heeft gesproken. Zo zeker als van je eigen bestaan. Hoe kun je nu een oproep van God weigeren? Je zult alle ethisch geldende normen en waarden opzij moeten zetten om er gehoor aan te kunnen geven. Zou je het met iemand nog kunnen overleggen of bespreken? Dat heeft geen zin. Niemand zal je begrijpen. Nooit. Aan geen enkel mens op geen enkel moment in de gehele geschiedenis is dat wat je wil gaan doen uit te leggen, juist omdat je de ethiek moet loslaten. En wie het ethische verlaat is per definitie krankzinnig, omdat de wereld alleen maar kan oordelen op grond van de ethiek.

En toch, het is een keer eerder gebeurd. Je herinnert je Abraham, die werd opgedragen zijn eerste zoon Isaak te offeren[2]. Abraham verliet zijn innerlijk roepende normen, omdat hij wilde gehoorzamen aan God en sprak er met niemand over. Hij deed wat God hem verzocht en hief het mes naar de keel van zijn zoon.

Het moment is aangebroken. De grote boom aan het einde van het park is in zicht.

Ethisch onverantwoord

Beproeving. ‘Je vergeet dat Abraham maar op een ezel reed die langzaam voortgaat op de weg, dat zijn reis drie dagen duurde en dat hij ook nog enige tijd nodig had om het brandhout te kloven, Isaak vast te binden en zijn mes te slijpen.’

Vrees en beven handelt in zijn geheel over het bovenstaande, met Gods beproeving van  Abraham als uitgangspunt. De vragen die Kierkegaard opwerpt zijn even talrijk als ingewikkeld. Niet alleen verdraagt ons moderne denken maar moeizaam de voorstelling van een werkelijke oproep van God, bovendien is Gods appel dusdanig weerzinwekkend en in strijd met de moraal, dat velen het als onmogelijk en onvoorstelbaar zullen beschouwen. Het werk is dan ook niet bepaald ethisch verantwoord te noemen. Dit lijkt de voornaamste reden om het als gevaarlijk te kwalificeren: is dat wat ethisch onverantwoord is namelijk niet per definitie gevaarlijk?

Bij herhaalde lezing is het echter moeilijk uit te maken of het de silentio gaat om het legitimeren van religieus fanatisme of dat hij zonder meer een vrijbrief afgeeft voor religieus geweld. Een vrijbrief is wat dat betreft eenvoudiger te verkrijgen.

‘Hij gelooft dat God die zaak niet van hem zou eisen, terwijl hij toch bereid was om hem te offeren als dat verlangd zou worden. Hij geloofde krachtens het absurde, want van menselijke berekening kon geen sprake zijn. En het absurde was immers juist dat God, die dit van hem eiste, die eis het volgende ogenblik zou herroepen.’

De eerste paradox toont zich hier: er gebeurt niets kwaads, omdat Abraham werkelijke geloofszekerheid bezat! Het gaat hier om een zekerheid als waarneming van een waarheid met de waarneming dat het een waarheid is en blijft. Met andere woorden: het gaat om een waarheid die niet kan veranderen in onwaarheid. Abraham is hier overtuigd, dat, ondanks alles wat hem overkomen kan, die zaak zal blijven zoals ze is: God zal het goede doen. Zoals de Engelse denker John Henry Newman zei: ‘tienduizend moeilijkheden, maken nog niet één twijfel’. En de paradox is dat het voor Abraham vooraf duidelijk is, maar voor ons slechts achteraf. Daarom kan Abraham ook slechts zwijgen.

Is hij dus wel ethisch onverantwoord bezig?

‘Een paradoxale en nederige moed is er vereist om vervolgens heel de tijdelijkheid krachtens het absurde te grijpen, en dat is de moed van het geloof. Door het geloof deed Abraham geen afstand van Isaak, maar door het geloof verkreeg hij Isaak.’

Onrust

Zou ik zo’n beweging kunnen maken? Waar haal ik mijn zekerheid vandaan? Of is geloven nu juist een totaal gebrek aan zekerheid, maar het hartstochtelijke vertrouwen dat het desondanks toch goed komt?

‘Er is een jongen die nog geen vier schilling heeft, maar op een verkoop belandt en daar toch 40.000 daalders durft te bieden voor een landgoed en die, wanneer de voorwaarden worden voorgelezen, dat hij onmiddellijk gearresteerd zal worden als hij niet kan betalen, vervolgens 70.000 daalders biedt.

Dat is toch krankzinnig! Zeker. Maar het geheim schuilt hierin, dat er- wat anderen niet zien- achter hem een onzichtbaar wezen staat, dat hem steeds aanspoort: ‘Bied door, bied door!’

Dit is nu een voorbeeld van geloven.

Vervolgens is er slechts dit ene verschil, dat alles hier alleen berust op het geloof dat dat wezen nog met het geld over de brug zal komen ook. Komt het daarentegen echt op geloven aan, dan zal dat betekenen dat men net zo durft bieden, en dat zonder er rekening mee te houden dat het gevolg moet zijn, dat men wordt gearresteerd.[3]

De silentio ontbeert in ieder geval zowel dat vertrouwen als de durf. Het gaat hem er om de ontstellende paradox van het geloof te ontdekken. Hij tracht voortduren dat wat niet in woorden gevat kan worden in woorden te vatten Het gaat hem er bovendien om de hegeliaanse en kantiaanse beperkingen van het religieuze op te heffen. Zozeer zij de religie binnen de grenzen van de rede hebben getrokken, zozeer trekt Kierkegaard haar daar weer uit. Want hoe is Abraham binnen de grenzen van de rede te begrijpen?

Zijn we stoutmoedig genoeg dat we het handelen van Abraham toch proberen te (be)grijpen, dan wordt het zwart voor de ogen. Het is de onbewogen beweger van het handelen. We kunnen hooguit trachten zelf de beweging te maken voorbij het ethische systeem en voorbij wat Kierkegaard noemt de ‘oneindige resignatie[4]’, voorbij ‘het laatste stadium dat aan het geloof voorafgaat, en wel zo dat iedereen die deze beweging niet heeft gemaakt het geloof niet bezit. Want pas in de oneindige resignatie krijg ik een helder zicht op mijzelf in mijn eeuwige geldigheid, en pas dan kan er sprake van zijn krachtens het geloof het bestaan te grijpen.

Dit is echter precies de paradox waarin de poging tot begrijpen tot stilstand komt. Beschouw ik Abrahams handelen namelijk redelijk, kan ik hem niet begrijpen, maar maak ik de beweging krachtens het absurde -het redelijk onmogelijke wat toch mogelijk wordt-, dan begrijp ik Abraham. Maak ik de beweging krachtens het absurde, dan gaat het me niet om het geloof in dat wat  onwaarschijnlijk is of ik niet meer verwacht, maar, zoals Anti-Climacus zal zeggen[5], dan overwin ik (van) de wanhoop.

Abraham overwint en transcendeert ‘volkomen het ethische’ en ‘wendde zich naar een heil aan gene zijde van het ethische, waardoor het werd opgeheven’[6]. Abraham toont het verschil tussen een held en een heilige. Hij is niet groot door de deugd zoals tragische helden als Regulus[7], Agamemnon of Jefta die begrepen kunnen worden binnen het geldende ethische, maar groot door een subjectieve deugd, die niemand begrijpen kan, mits we zelf die mens zijn die de subjectieve beweging weet te maken.

Daarvoor is bijzonder veel moed nodig, omdat het een volledig eenzame, zuiver hartstochtelijke beweging is, gebaseerd op vertrouwen, of eerder een intrinsiek wonder. Daarmee gaat Vrees en beven over totale onrust binnen de verhouding van de enkeling tot het algemene. Of, zoals Wittgenstein het verwoordde toen hij in het schemerlicht van de beweging kwam: ‘Zoals gezegd besefte ik de voorbije nacht mijn volkomen nietigheid. Het heeft God behaagd mij die nietigheid te tonen. Ik heb daarbij steeds aan Kierkegaard moeten denken en geloofde dat mijn toestand angst en beven was…’ [8]

Filosofische oefening

De hoogste hartstocht in een mens is het geloof, en geen enkele generatie begint hier op een ander punt dan de voorgaande. Elke generatie begint van voren af aan. Volgende generaties komen niet verder dan de voorgaande, voor zover die althans haar opgave trouw bleef en deze niet in de steek liet.

De klassieke waarde ligt niet alleen in de uiterst scherpzinnige uiteenzetting van de existentiële gruwel die wordt opgetrokken, maar ook in de permanente drang tot reflectie die het werk veroorzaakt. Door het pagina’s lange dialectische geweld van de silentio lijken de problemen die hij wil bespreken zich tergend langzaam te ontvouwen, maar ondertussen kruipt hij zo wel diep in je ziel en ontspringen talloze vragen en wordt de fantasie voortdurend geprikkeld.

Bestaat er een verschil tussen wereldse en goddelijke autoriteit? Is hier geen sprake van mauvaise fois? Zou Sartre Abraham niet toeroepen: ‘ja, ja, God vroeg het, dus je had zeker geen keus? Wat is jouw verantwoordelijkheid in dit geheel?’

Dat is echter louter ethisch beschouwd. Maar toch, de gulden ethische code Gij zult niet doden overwint uiteindelijk wel. Want er wordt niet gedood. Is God nu of Abraham in wezen ethisch te noemen? Als dat eerste het geval is, dan is daarmee alle religieus geweld ongegrond, als het tweede het geval is, waar kwam die absurde neiging te moorden dan vandaan?

En wat betekent liefde voor een zoon? Is dat ethisch gezien het hoogste wanneer een vader bereid is zijn zoon te beschermen met zijn eigen leven? Dan zou Abraham moeten zeggen: ‘God, neem mij, want mijn zoon is onschuldig’. Maar religieus gezien is er misschien een liefde die de hoogste vorm van liefde binnen het ethische overstijgt, namelijk het gehoor geven aan God omwille van je zoon. Dit zou betekenen dat voor de ridder van het geloof die door God wordt opgedragen zijn zoon te offeren, het offer de hoogste manier is van zijn zoon liefhebben. Kan dat echte liefde zijn, of begrijpen we liefde enkel binnen het ethische? Hoe verhouden egoïsme en altruïsme zich hier eigenlijk?

Maar in hoeverre is het ethische werkelijk opgeschort, als men toch het ethische doet? Kan de  tijdelijke, als voornemen bestaande opschorting ook als ethisch gevaarlijk worden beschouwd? En is er wel sprake van dat het religieuze werkelijk het ethische suspendeert, wanneer dat ten koste van anderen gaat? Wordt in existentieel opzicht het perspectief van Isaak binnen de teleologische suspensie van het ethische niet noodzakelijk opgeheven? En wat zou een werkelijke voltrekking van het voornemen betekenen?

En wie beproeft wie eigenlijk? De ridder van het geloof weet, of vertrouwt, dat God toch niet van hem zal vragen zijn zoon te vermoorden. Hij weet, of vertrouwt erop dat hij hoe dan ook zijn zoon terugkrijgt. De ridder van het geloof weet dat zijn vrije wil het voor God onmogelijk maakt zijn keuze te doorzien. In hoeverre is er sprake van een werkelijk en oprecht voornemen in het licht van zulk vertrouwen, van zulk geloof? Het lijkt beangstigend dat de mens door dat geloof God test, eerder dan God het geloof van de mens. ‘Ik doe het hoor, ik doe het zeg ik U!’

En wat zegt dit alles over God? Naast het bewijs dat Hij de uitkomsten van een vrije handeling werkelijk niet kan kennen, maar binnen een oneindig aantal mogelijkheden die Hij voor zich ziet moet ‘afwachten’ welke zich zal voltrekken, is het me zelfs onduidelijk of het hier wel om God gaat. Misschien moet ik ‘God’ vervangen door ‘een intrinsiek hogere eis dan het ethisch begrijpelijke’. Misschien voert de silentio God op als synoniem voor de absolute verplichting die zich in een mens kan voltrekken gelijk aan iemand die zijn leven en dat van zijn kinderen riskeert door gedurende de oorlog joden in huis op te nemen.

En dan nog Sara. Hoe zou het voor haar zijn geweest als ze was beproefd? Onbegrijpelijk anders? Omdat moeders nu eenmaal anders zijn? Of…of…

Oordeel zelf!

‘Hoe meer woorden, hoe meer onzin. En wat heb je daaraan? Niemand weet immers wat goed is voor de mens in dit ijdele, kortstondige bestaan, dat als een schaduw voorbijgaat. En niemand kan hem vertellen wat er na hem komt onder de zon.’

Wie enige tijd grasduint in analyses die er van Vrees en beven bestaan, komt tot de conclusie dat Kierkegaard altijd de lachende derde blijft. De haast talloze (tegenstrijdige) interpretaties, waaronder die van niet de minste denkers als Levinas, Derrida, Heidegger, en vooruit, Cliteur, tonen in ieder geval één ding aan: men moet dit boek zelf lezen en zelf ontdekken wat het boek doet. De subjectiviteit is de waarheid. De interpretatie is de waarheid. Kierkegaard goed lezen dwingt tot reflectie, niet tot fanatisme.

Bovendien, en dat maakt Kierkegaard lezen zo boeiend, je krijgt het werk nooit uit. Vrees en beven is geen opzichzelfstaand boek; wie het zo leest, maakt een ernstige fout. Alleen al in zijn dagboeken toont Kierkegaard ons vele aanwijzingen over hoe we de zoektocht die hij voor ons heeft uitgezet beter kunnen volbrengen. De honderden aldaar beschikbare gedachten over de aard van liefde, geloven, denken en zijn maken het lezen van Vrees en beven tot een telkens andere ervaring. En dan spreek ik nog niet over de vele ‘ethisch verantwoorde’ en ‘stichtelijk opbouwende’ geschriften die hij na Vrees en beven publiceerde, waaronder het grootse Wat de liefde doet (1847).

De toekomst is permanent onzeker, maar zolang er geloof bestaat, blijft dit een uiterst belangrijk en hoopvol boek.


[1] Vgl. fragment van X2 A15 uit Kierkegaards dagboeken.

[2] Genesis 22:1-12.

[3] Fragment van XI 11 A122 uit Kierkegaards dagboeken.

[4] Een uitvoerige analyse van dit stadium vinden we in Kangas, D.J. (2007). Kierkegaard’s Instand. On beginnings. Indiana: Indiana University Press. P. 151-155. 

[5] Zie Florin, F. (2002). Geloven als noodweer. Het begrip ‘het religieuze’ bij Kierkegaard. Kampen: Agora.

[6] Fetter, J.C.A. (1954). Inleiding tot het denken van Kierkegaard. Amsterdam: Uitgeverij Born NV. P. 21. 

[7] Vgl Horatio Ode III of Montaigne (2004). De essays. Amsterdam: Polak en van Gennep. P. 1183.

[8] Somavilla, I. (2007). Ludwig Wittgenstein: Licht en schaduw. Een droom en een brief over religie. Kok Ten Have. P. 13. 

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2017 Stephan Wetzels © All Rights on texts Reserved