Stephan Wetzels
Denken en Zijn

En het sneeuwde in Rome: Een apologie bij een geweigerde recensie

Begin maart 2017 werd ik gevraagd door de redactie van LITER om een recensie te schrijven over het boek En het sneeuwde in Rome van Stefan van Dierendonck. ‘Een onontkoombare liefdesgeschiedenis, een moderne bildungsroman, een overdonderende zoektocht naar betekenis.’ De lat wordt gelukkig nooit erg hoog gelegd op achterkanten, en er worden gelukkig niet teveel verwachtingen gewekt.

Ongeveer zes weken later, 240 pagina’s verder en meer dan 14 uur schaven aan de recensie bood ik mijn stuk aan aan de redactie. Daarbij had ik al het bijzondere voorgevoel dat ze niet onverdeeld gelukkig zou zijn met de kritiek die ik in de recensie aan de dag leg. Wat niet helpt is dat de auteur, Stefan van Dierendonck, zelf lid is van de redactie van dit tijdschrift. Feitelijk een zeer merkwaardige constructie die belangenverstrengeling in de hand werkt en vragen oproept over de vrijheid die een recensent ten aanzien van het boek heeft.

Voorafgaand aan de inzending van mijn recensie heb ik een stuk of 10 mensen het verhaal kritisch laten lezen. In alle gevallen was het commentaar hetzelfde: scherp, maar goed onderbouwd.

Eigenlijk naar verwachting kreeg ik van de redactie te horen dat ze deze recensie niet willen plaatsen:

“De recensie in deze vorm kunnen we niet plaatsen. De toon is te negatief en dat past niet bij ons tijdschrift. Ook het feit dat de recensie op de persoon gericht is viel niet in goede aarde. Men vond dit niet passend bij een literaire bespreking. Een iets positievere recensie zit er niet in, begreep ik eerder al?”

Dit neigt naar mijn idee sterk naar censuur en dat is een literaire doodzonde. Het lijkt eerder dat het niet in de straat past van auteur Van Dierendonck, althans die suggestie wek je op deze manier. In hoeverre beschermt een redactie zijn redactieleden? Het doet mij persoonlijk ook de vraag stellen wat precies ‘een literaire recensie’ is. Moet de recensie zelf literair zijn of handelt de recensie over literatuur?

Recent las ik de Scheldkritieken van Lodewijk van Deyssel en ik kan niet zeggen dat ik het geen literaire recensies vond of dat ze niet handelden over literatuur. Dat hij geen spaan heel laat van de pulp -literatuur- die hij moet beoordelen, doet niet ter zake. Ik ben blij dat hij dat gedaan heeft. Het is aan mij te beoordelen of ik het dan met hem eens ben. Dus ik geloof dat recensies over literatuur best kritisch mogen zijn, zolang ze zich aan de feiten houden en het duidelijk is dat het niet meer is dan een mening van één lezer.

Nu is het alles behalve mijn bedoeling Scheldkritieken te schrijven of een bleke imitatie daarvan te presenteren, maar ik vond het boek oprecht ongelofelijk zwak in alle opzichten. Het is niet bepaald plezierig om je 240 pagina’s lang te ergeren aan vorm en inhoud. Natuurlijk mag je een schrijver er niet op afrekenen, maar een afschuwelijke zin als “We zagen elkaar en we poepten in onze broek van herkenning. Zoiets.”, achtervolgde me dagenlang, tot zelfs in mijn slaap. Dat is niet gezond. Je hoopt dan zelfs dat de auteur dat ergens schaamteloos gejat heeft en niet zelf heeft bedacht.

Ik heb aan de redactie medegedeeld dat ik ongelukkig werd van het boek en daaraan toegevoegd dat het mij interessant en zinvol leek dat de auteur in kwestie in een brief uitvoerig commentaar zou mogen leveren op de recensie. Het zou bovendien een interessante briefwisseling kunnen worden, die wellicht ook mijn perspectief op het boek zou kunnen veranderen. Dat blijft nu helaas achterwege, maar dat past ook wel weer bij de weekheid die de schrijver in zijn literaire idem ego aan de dag legt. Het personage in de roman, waarvan ik dus vermoed dat het een kopie is van de schrijver zelf, legt een ondraaglijke lichtheid aan de dag, zowel in denken als in doen. Ik heb tientallen keren tegen het boek geroepen: ‘Kom nu toch eens op voor jezelf jongen! Stop met die treurige zelfdenigratie, stap uit je rancuneuze anti-katholieke frame en wees daadwerkelijk de existentialist die je wil zijn!’ Maar ik riep het tevergeefs, het boek veranderde niet, alleen mijn gemoedstoestand.

Het is interessant om te bedenken in hoeverre kritiek op het personage in het boek, kritiek is op de schrijver. Mijn grootste bezwaar, zoals ook blijkt uit onderstaande recensie, is dat de schrijver suggereert fictie te bedrijven, terwijl het in werkelijkheid autobiografisch is. “Het boek is een roman en staat daarmee los van de werkelijkheid.” Ik sluit niet uit dat het een literaire truc is die ik niet begrijp, of een vrijheid die gepermitteerd mag worden bij het schrijven van een roman, maar het heeft mij 240 pagina’s in de weg gezeten. Ik begrijp best dat mensen soms de behoefte hebben om iets verdekt op te schrijven als het gaat over liefde of homoseksualiteit of onprettige ervaringen, maar noem het dan geen fictie. Neem verantwoordelijkheid voor wat je schrijft, of doe het dan onder een pseudoniem. Maar omgekeerd heb ik er moeite mee: je echte naam gebruiken en doen alsof je fictie schrijft. Ik moet eens nader overwegen, waarom me dat zo stoort, los van de karakterloosheid.

Tenslotte wil ik niet miskennen hoe ongelofelijk moeilijk het is om een bestaan op te bouwen als schrijver. Ik kan me goed voorstellen dat iemand vooral op zoek is naar instemmende recensenten en welgevallige lof ter zelfbevestiging. Schrijven is namelijk kwetsbaar zijn. Anderen oordelen over jouw intiemste gedachten, over het maximale wat je uit je pen krijgt. Dat is niet altijd prettig en zelfs als de inhoud van een boek niet terugslaat op de schrijver zelf, wordt nog steeds het schrijven beoordeeld, waarmee de schrijver zelf. Ik (h)erken die kwetsbaarheid ten volle, maar dat is wel het risico van het schrijven. Wie dat risico neemt, moet de consequenties durven aanvaarden. Plato zou om die reden zijn romans in het vuur hebben geworpen. Het zou goed één van de redenen kunnen zijn waarom ik misschien zelf wel nooit tot een roman zal komen of waarom ik niet bij leven hecht aan een groot publiek. Ik zou me net als Stefan van Dierendonck doodergeren aan die oppervlakkige buitenwereld die iets te klagen heeft over dat waar ik jaren aan heb gewerkt. Ik zou me doodergeren aan recensenten die mijn boek met enkele pennenstreken als te licht beoordelen, waarbij ik op de top van mijn kunnen gedachten op papier heb overgezet.

In dat opzicht voel ik oprecht medelijden met Van Dierendonck, maar kan ik enkel tegen iedereen zeggen: oordeel zelf en weerspreek vooral mijn recensie met de scherpst inhoudelijke argumenten die je kunt vinden. Het is ten slotte maar één mening.

____________________________________________________________________________

Deze recensie is verschenen op 8Weekly. Het bovenstaande niet goed gelezen en toch benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan nu een kijkje op de site aldaar!

Menselijk, al te menselijk

Boekrecensie: En het sneeuwde in Rome

En het sneeuwde in Rome is het tweede boek van Stefan van Dierendonck (1972) na En het regende brood uit 2012. Het (symbolisch?) 12-hoofdstukken tellende verhaal laat zich in enkele zinnen vertellen: een jonge priester vertrekt naar Rome voor een studie kerkgeschiedenis. In Rome lijkt hij enkel karikaturen te ontmoeten totdat zijn docente Italiaans Arianna Girasole (‘een vrije heiden met mondaine hakken’) hem doet ontwaken uit de sluimer van het katholicisme en zijn vals verstane roeping. Hij vindt de liefde en zegt de Kerk vaarwel.

Het boek is duidelijk niet geschreven vanwege het verhaal. Het gaat hier om het literair proberen te vangen van een existentiële crisis. Het gaat om een poging tot verbeelding te komen van het spanningsveld tussen het profane en het heilige. Het gaat over zoeken naar identiteit voor en na de vervreemding.

Op de eerste pagina van het boek wordt de lezer geconfronteerd met een merkwaardige mededeling: ‘dit boek is een roman en staat daarmee los van de werkelijkheid. Voor zover er al banden zijn met de werkelijkheid is die werkelijkheid door de auteur naar zijn hand gezet en tot fictie gemaakt.’

Maar Van Dierendonck moet de lezer niets wijsmaken of voor zot houden. Het boek is onmiskenbaar autobiografisch en staat helemaal niet los van de werkelijkheid, integendeel. Van Dierendonck is voormalig priester, geboren in Budel, heeft een glutentrauma, studeerde in Rome en vond de liefde. De vertellende ‘ik-figuur’ heet niet toevallig Stefan, is geboren in Budel, heeft glutenallergie, studeert als priester in Rome en vindt er de liefde. Waarom moet Van Dierendonck van zichzelf dit freudiaanse schimmenspel spelen?

Wellicht is een voorname reden dat de verteller in het boek tientallen pagina’s lang een ondraaglijke lichtheid tentoonspreidt, waar Van Dierendonck niet direct mee geassocieerd wenst te worden. Want omdat er vrijwel niets gebeurd in het boek, moet de lezer die tot het eind wil geraken mee met de memoires van de hoofdpersoon en diens sporadisch oppervlakkige ‘filosofische’ overwegingen.

In hoofdstuk 5 bijvoorbeeld, komt het tot een kleine bespiegeling waarmee expliciet kritiek wordt geleverd op de priesteropleiding. ‘Let op voor Thomas van Aquino, kijk uit voor Augustinus en consorten. (….) Verstandig leren geloven. Zo wordt een priester gevormd. Wat docenten vergeten, is dat Hij hiermee definitief in het rijk van de filosofische concepten wordt getrokken. God wordt een abstractie. Ben ik nog te volgen?’

Ja hoor, Stefan is uitstekend te volgen. Maar Stefan is vooral een ongelofelijke slappeling die in honderden pagina’s telkens als hij iets van waarde lijkt te noteren, op de proppen komt met een afleidingsmanoeuvre. Een mini-college kerkgeschiedenis over een valse Paus. Een trage reisbeschrijving. Een droom die, zoals Frederik van Eeden al wist, alleen interessant is voor degene die de droom heeft gehad. Of de wanstaltige ontboezeming van zijn eerste masturbatie (‘Ik was niet veel ouder dan 14 jaar, denk ik, toen ik voor het eerst ontdekte dat ik mezelf kon melken.’). Er wordt zelfs een ‘joker’ gespeeld wanneer het ernstig dreigt te worden en Stefan over homoseksuele gevoelens van een bevriend pastoor moet schrijven. Evert Helmes alias Pim Poldermans en het trauma wat zijn naam draagt. Het blijft in nevelen. Allemaal in fictieve nevelen uiteraard. Want dit is fictie. Een roman…

En dan mijmert Stefan weer verder. Aanhoudend verontschuldigend dweept hij met vederlichte reflecties en herinneringen, waarin alles consequent klein wordt gemaakt en waarin hij nergens trots durft te zijn op zichzelf. ‘Toon toch eens karakter, jongen! Denk toch wat meer aan Kierkegaard waarop je bent afgestudeerd!’, wil je als lezer schreeuwen. En het is dan dat je beseft dat jij niet moet opgeven het boek uit te lezen. ‘Misschien valt straks alles samen…misschien komt straks de Liefde.’

Tja, de Liefde! Het boek heet immers ‘een onontkoombare liefdesgeschiedenis’. Maar de liefde is flinterdun. Haast afwezig. Na 188 pagina’s -eindelijk- is er een kusje met de femme fatale: Arianna. Het wordt aan de fantasie van de lezer overgelaten wat Arianna precies aantrekt in Stefan. Probeert ze een chronisch gevoel van lucht en leegte te vullen? Is het de sensatie van de verovering? Schept ze er plezier in een onbeschreven blad te bekrassen? Arianna lijkt een akelige vrouw die op het moment dat haar prooi dreigt te ontglippen zelfs de absolute troef speelt dat het leven zinloos is zonder Stefan: ‘Ik weet niet wat ik mezelf had aangedaan als het wel een afscheid was geweest’. Er is geen zin verder verwijderd van liefde dan deze. Eng, griezelig: wegwezen. Maar voor Stefan is het een absurde aanmoediging. Hij mag met Arianna friemelen en ze helpt hem breken met een heilig gemaakte belofte. Ze helpt hem te ontsnappen aan iets waartoe hij zelf nooit de moed heeft gehad. Is Arianna de duivel? Is zij het enige immateriële personage in het boek? Is zij een ontluikend gedachtespinsel van Stefans geest na jaren verdrongen seksuele fantasieën? Vragen die wellicht beantwoord worden in deel III: En het hagelde in de bovenkamer.

De belangrijkste vraag tenslotte die heel het boek oproept, pagina voor pagina, is nog blijven liggen. Namelijk: Voor wie is dit boek geschreven? Voor Romegangers een onttovering. Voor filosofen veel te licht. Voor theologen te eenzijdig. Voor bij de open haard tergend te traag. Voor verliefden te laf. Wie blijft er nog over behalve familieleden en de mensen die een draai om hun oren krijgen in het boek of met hoofdletter worden aangeduid? Priesters die worstelen met zichzelf? Die konden al terecht bij John Henry Newman.

Het kan iemand niet ontzegd worden om op therapeutische basis zaken aan papier toe te vertrouwen. Het is duidelijk dat alle gedachten die we lezen in dit boek moeten helpen bij het zeer langdurig verwerkingsproces van de auteur die alle grond onder zijn voeten heeft zien wegvallen. Zodra deze gedachten echter publiekelijk worden gemaakt, kan het geen louter therapie meer heten. Dan moet men zich kunnen en durven verantwoorden. Maar daar is het nog veel te vroeg voor. Dat verklaart ook het angstige gegoochel met pseudoniemen en de verdekte weergave van werkelijke gebeurtenissen.

Komt het nog goed? Van Dierendoncks onafscheidelijke metgezel Stefan durft in ieder geval te vloeken. Hij weet bovendien aanhoudend alle schuld te verschuiven naar het katholieke systeem, waarmee zijn eigen schuldgevoelens langzaam wegsijpelen en de zoektocht naar een nieuwe identiteit los van dit verhaal eindelijk kan aanvangen. Met medelijden vervuld, is het de lezer die hem tenslotte toeroept: ‘Hou vol jongen. In godsnaam, hou vol!’

_______________________________________________________

Boek: En het Sneeuwde in Rome
ISBN: 9789400400603
Maart 2017 bij Thomas Rap

Lees meer besprekingen:

Jan Maurits Schouten voor Ugenda.nl

Rob Schouten voor Trouw

Petra van der Ploeg voor Bookiewoogie

Sebastiaan Kort voor NRC

Een verloren liefde

-Aforismen/ bekentenissen/ dialogen/ herinneringen-

Op 20 oktober kocht ik bij een boekwinkeltje enkele tweedehands boeken. Op zich niets bijzonders, behalve dat ik in één ervan twaalf dubbelzijdig handgeschreven blaadjes aantrof samen met een krantenbericht uit 1989

Het boek in kwestie, Prefaces: Light Reading for Certain Classes As the Occassion May Require, by Nicolaus Notabene wilde ik sowieso hebben, en een vluchtige blik op de papieren deed mij vermoeden dat het om aantekeningen ging. Ik dacht dat ze verband hielden met het boek; ik had er dan ook niet echt oog voor in de winkel.

Ik rekende de boeken af. Eenmaal thuis besloot ik de blaadjes eens verder te bekijken en tot mijn schrik, of tot mijn verrassing zag ik dat het een persoonlijke verzameling notities en aforismen betrof, die niets met het boek van doen had. Vrijwel allemaal verwezen ze naar een gebroken hart en een verloren liefde voor, ik geloof, een bijzondere vrouw.

Ik heb na wat wikken en wegen besloten om een gedeelte ervan hier te publiceren. Het is een selectie van fragmenten die het best leesbaar was en voor mijn idee het meest samenhangend. Verschillende notities lijken verder half af. Ik heb de oorspronkelijke volgorde van de papieren aangehouden. Waar ik het niet goed lezen kon (het was alles in potlood genoteerd en hier en daar onleesbaar of vervaagd), vermeld ik dat en waar een streep onder een woord staat, heb ik ervoor gekozen om dat woord schuin te schrijven. Titels heb ik vet gemaakt. Ik heb een enkele noot toegevoegd, waar ik dat op zijn plaats vond.

Ik hoop dat de auteur mocht hij hoe onwaarschijnlijk ook ooit tegen dit stuk aanlopen, het mij niet kwalijk neemt. Ik denk dat het redelijk is dat ze rond 1989 zijn geschreven. Dat is ook de verschijningsdatum van het betreffende boek. Dat maakt de notities 25 jaren oud. Hoe oud de schrijver zelf is, is onduidelijk. Als hij nog leeft, is het in ieder geval geen jonge man meer, want de melancholie en de zwaarte van de tekst zie ik niet zo uit een jonge pen rollen. Het is daarbij een schrijven dat enkel onder een zwaar gemoed kan worden geconstrueerd en me erg nieuwsgierig heeft gemaakt naar achtergronden (ik vermoedde soms zelfs een opzet voor een toneelstuk; maar daarvoor is er teveel ‘ernst’). En ergens heeft het me ook een bedroefd en ongemakkelijk gevoel gegeven. Het stopt even abrupt als dat het begint. Misschien is er nog meer, maar dit is wat in het boek zat.

Ik hoop van ganser harte dat het hem beter is vergaan, dan dit schrijven doet vermoeden…want het is niet enkel een verloren, maar ook een met spijt en schuld beladen liefde.


-Aforismen/ bekentenissen/ dialogen/ herinneringen-

Wat kunnen herinneringen een vreselijke last zijn, wanneer ze verwijzen naar iets dat voorgoed verdwenen is.

Het verraderlijke aan een laatste kus is dat je pas achteraf werkelijk besef hebt dat de toegang tot deze kus voorgoed afgesloten is. Ze is opgehouden mogelijk te zijn. Pas dan bedenk je je hoe de laatste kus recht had moeten worden gedaan.

Het is een krankzinnig moeilijke zo niet onmogelijke oefening een vrouw te tonen dat je van haar houdt, zonder dat je daarmee het doel wil dienen haar terug te veroveren.

Dialoog. Langzamerhand doven, onmerkbaar worden, onhoorbaar zijn
-‘Als ik morgen zou sterven, zou ze dan op mijn begrafenis zijn?’
α ‘Morgen nog wel, maar volgende week misschien niet meer.’

{noot: de schrijver gebruikt een soort alfa in de dialoogjes die hij houdt om een kritisch gesprekspartner aan te duiden}

Ik begrijp nu hoe zij zich gevoeld moet hebben, vlak nadat ze met mij brak. Ze heeft weken <onleesbaar> gevoeld. Ik probeerde dat te relativeren. Ik was immers niet weg. Maar dat was juist haar pijn: ik was voor haar weg. Ze sprak met iemand die uitgespeeld was en dat deed haar ongelofelijk veel pijn.

Ik besef me hoe schitterend ze schrijven kon en dat stemt me ongelukkig. Die prachtige eigenschap is zo’n zeldzaamheid, dat ik er niet eens naar op zoek wil gaan om het ooit nog te vinden.

Het intieme kan men slechts eenmaal delen zonder herinnering
Ik hoor mijn hart kloppen en zie haar tegen mijn borst aanliggen, ze hoort me leven. Maar ook toen ik al sliep luisterde ze naar de kalme slagen van mijn hart. Welke vrouw doet nu zoiets moois?

Ik kon bij haar zozeer mezelf zijn dat ik vergat dat zij ook zichzelf wilde zijn bij mij.

Ik zou haar om vergeving willen vragen, maar dat doe ik niet, omdat ze die zonder meer verlenen zou en ik dan zelfs dat niet meer van haar te verwachten heb.

Het jaagt me angst aan te merken hoezeer ik lijd onder haar afwezigheid.
Het enige wat ik kan doen is mezelf dwingen niet aan haar te denken, maar die inspanning doet me aan haar denken. 

‘Wat mis je dan meer: haar liefde of haar vriendschap?’
‘Ik zou antwoorden dat haar vriendschap gemotiveerd was vanuit liefde. Je keuze is oneigenlijk en dus maak ik die niet.’

‘O wat gruwel ik van de gedachte dat er zich binnen de kortste keren wel een of ander lachwekkend clowntje zal aandienen dat haar ‘de ware liefde’ zal tonen. Natuurlijk! Er is geen hart zo gemakkelijk te veroveren als een gebroken hart. En hij zal er nog trots op zijn ook. Hij heeft eindelijk iemand gevonden die naar hem om wil zien! De stoethaspel die het vanaf het prille begin van de daken zal schreeuwen aan iedereen die het horen wil, omdat hij aan haar zijn eigenwaarde ontleent. Wat een vreselijke voorstelling!
Waar ik vele jaren voor heb gestreden, geleden, geschreven en gebeden, kletst dit clowntje in een mum van tijd voor elkaar.’

α ‘Zelden heb ik iemand zijn diepe jaloezie zo opzichtig zien uitdrukken…’

De innerlijke blik die me is gegund in haar vrouwelijkheid, ontroert me telkens weer wanneer ik er bij stil sta.

Ergernis. Juist toen ze haar leven een wending wilde geven en daarvoor mij de rug toekeerde, hoorde ik pas hoe lovend iedereen over haar sprak. Niemand wilde me sparen en een uitzondering maken door iets vervelends over haar te zeggen. Dit spreken is oorverdovend en ik schaam me.

Jezelf bedriegen als het gaat om liefde is het ergste, is een eeuwig verlies dat niet goed te maken is in tijd…

Ik slaap niet goed en voel bij het veel te vroeg ontwaken een drukkende pijn in het midden van mijn buik. Haar remedie tegen de ziekte was van het medicijn afblijven. En ze genas. Mijn remedie is zo snel mogelijk het medicijn innemen. Maar het probleem is, dat het medicijn niet alleen niet voor handen is, maar dat het zich ook niet laat innemen. Ik blijf ziek.

‘Jij hebt bemerkt dat iedere vorm van aandacht die je krijgt van een andere vrouw, prettig is, omdat het verdovend werkt. Jouw probleem nu is, dat je de hoop koestert dat zij er ook zo in staat wanneer ze aandacht krijgt van een man.’
α ‘Nee, je moet het anders zeggen: ‘De aandacht die je krijgt van een andere vrouw toont je telkens weer wat voor een geweldige vrouw je eigenlijk had en die werkelijk om je gaf. Het is dus alles behalve een verdoving.”
{noot: dit is geen dialoog, maar een soort alternatief van α aan α, als het ware α}

In alles wat ik vond, wist ik dat ik haar zocht.

Godzijdank is ze morgen niet meer jarig, zodat de vraag of ik haar laat weten dat ik aan haar denk me niet meer uit de slaap houdt.

Ik weet niet wat beroerder is… Dat mijn geest mij op willekeurige momenten overvalt met dromen over haar, dat ze daarin consequent schitterend is of dat ik haar bij het ontwaken telkens meer mis dan ooit tevoren.

(…)

Dialoog
α ‘Gaat het je om haar of gaat het je om de remedie die ze bewerkstelligt? Want je hebt geen idee hoe kortstondig die zou kunnen zijn. Zij wel. Je hebt er nogal een gewoonte van gemaakt om een eenvoudig medicijn te verheffen tot de kuur die alles geneest.’
‘Ik begrijp volkomen wat je zegt. Ik wil mezelf genezen, maar daar heb ik haar voor nodig.’
α ‘Je hebt haar <onleesbaar> gebruikt om een balans in jezelf te vinden. Je hebt haar beschouwd als een sociaal <onleesbaar> experiment, waarbij je tot het geloof bent gekomen dat ze genoeg aan je gehecht zou raken, dat ze er wel tot in de lengte van haar leven mee zou instemmen. Dat is een zo weerzinwekkende gedachte, dat je weinig rest behalve diepe schaamte. Dat ze nu haar eigen weg gaat, raakt je zo intens diep, omdat ze daarmee je experimentje ruw heeft verstoord en je als het ware weer terug moet naar de eerste tekeningen van je relationele schetsboek.’
‘Ik moet me diep schamen, dat zie ik in. Ik heb de schoonheid van haar persoonlijkheid veronachtzaamd ten koste van een abstractie. Die abstractie bestaat nog steeds, maar toont zich aan mij in volle leegte als nooit tevoren. Ik wil haar laten zien – zelfs wanneer ze dat niet verlangt – dat ik haar niet op  werkelijke waarde heb geschat, maar haar te vaak voor lief heb genomen.’
α ‘Waarom zou je haar iets willen laten zien waarvan je weet dat ze het niet verlangt? Dat draait dus weer enkel en alleen om jezelf. Zonder dat je het door hebt -en daar twijfel ik over, want je bent dan wel een dwaas, maar geen achterlijke dwaas- probeer je haar opnieuw te gebruiken voor je eigen gemoedstoestand. Het valt te prijzen dat ze dit ten lange leste niet meer heeft geaccepteerd, hoezeer je ook geprobeerd hebt haar wel recht te doen: je hield te veel afstand om dat geloofwaardig te maken. En het zou me niets verbazen als al <onleesbaar> niet meer is dan een zoveelste poging haar weer binnen je experiment te trekken, om zo de schok die je overkomen is door het inzicht dat ze zich niet meer aan je uitleent te verstillen. Je hebt het naïeve geloof dat je met <onleesbaar> een hart kunt terugwinnen dat zich reeds lang gesloten heeft. En als je het dan niet kunt terugwinnen, dan heb je voor jezelf iets poëtisch gecreëerd op papier als troost. Maar dat is dan vooral iets mistroostig.’

-Wat is een dichter? Een ongelukkige, die in zijn hart diep verdriet verbergt, maar wiens lippen zo zijn gevormd dat zuchten en jammerkreten, wanneer die over ze uitstromen, klinken als schone muziek.-

(…)

Het tragische en het droevige
De enige die mijn diepste verdriet begrijpen kan, is de enige die er niets mee te maken wil hebben.

Dialoog
‘Ik begrijp nu wat ik eerder voor krankzinnig hield: een man die uitroept bereid te zijn alles voor een vrouw over te hebben. Mijn hele gevoel spreekt mij niet tegen wanneer ik overweeg al het mogelijke te doen. Ik zou mijn huis vaarwel zeggen, ik zou mijn werkzaamheden opzeggen, ik zou zelfs tegen haar kunnen zeggen dat ik van haar hou. Maar dan voor altijd.’
α ‘Maar waarom zou je dat nu wel kunnen zeggen? Heb je enig idee hoe zwak dit klinkt? En ik wil je “houden van” niet bagatelliseren, maar hield je niet eerder van je kalme leventje wat je nu kwijt bent geraakt dan van haar? Dat kalme leventje is vervangbaar, zij niet.
‘Ik vrees dat ik nu in een staat verkeer, waarin ik het geloof niet heb dat ik er ongeschonden uitkom. Zij is inderdaad het onvervangbare: ik wil geen vervanging. De laatste keer dat ik mezelf in een sentimentele misère zag over een vrouw, duurde het jaren voordat ik daar grip op kreeg. En toen was er slechts sprake van één verdwaalde kus.’
α ‘Vooruit…in dat geval mag je best medelijden hebben met jezelf, dat is werkelijk geen lichtzinnig probleem. Zoveel geef ik je toe. Misschien moest je maar eens wat meer de handen vouwen.’

(…)

Hoewel ik het begrijp, blijft het misschien wel ten diepste krankzinnig: alles over hebben voor een vrouw, moet iets zijn wat een vrouw nooit kan willen.

We kennen elkaar zo goed, ik zou zelfs uit duizenden haar schaduw herkennen!

‘Die ander kan zijn huis enkel en alleen bouwen op de grond die ik heb bewerkt.’
‘In bewerkte grond kun je niet wonen, dat heeft deze ander toch goed opgemerkt.’
{noot: hier ontbreekt α; het betreft wel een reflectie}

‘Alles in haar gedrag scheen te zeggen: ‘Aangezien hij nooit van me gehouden heeft, kan de rest me niets meer schelen!’ Maar ik hield wel van haar, en ik had zelfs nog nooit zo van haar gehouden… Maar het haar bewijzen was onmogelijk. Dat is het afschuwelijke.’
{noot: is dit een citaat?}

Zelfs toen ik voor de vierde maal mijn brief las die ik voor haar geschreven had, begonnen mijn ogen zo hard te tranen dat ik halverwege moest stoppen met lezen: is dat een bewijs van de oprechtheid van de inhoud?

Wat ik mij nu bedenk is dat op het moment dat ze met mij brak, ik standvastig had moeten zijn en had moeten roepen: ‘Maar daar ga ik niet mee akkoord! Wij hebben niet zo <onleesbaar> gestreden, om op het moment dat we elkaar zo goed kennen te zeggen: ‘En verder mag je me niet meer leren kennen. Ik hef de toegang die je tot mij had op’. Maar ik zei niets <onleesbaar> liet iets oneindig waardevols achter.

Geen mens is dom genoeg om zijn eigen intelligentie over het hoofd te zien, maar ik was dom genoeg om de hare zo weinig op te merken.

(…)

Het is mij niet gelukt een mens voor het leven te leren kennen! Maar lijd ik niet veel meer onder het idee dat zij mij niet voor het leven wilde leren kennen?

Ze vertelde me dat ze de dood in de ogen had gekeken en ik moest lachen.
In een droom vertelde ze me het verhaal nog een keer. Ik nam toen haar hand vast en zei: ‘Ik ben zo blij dat je er nog bent!’
Was ik toch maar wat meer de man van mijn dromen…

‘Koester de mooie dingen als een goede herinnering.’
Maar hoe kan iets gekoesterd worden als het gegrond is op onherstelbare mislukking? Hoe kunnen duizenden warme herinneringen stand houden tegen die ene ijzingwekkende koude? – Ik bevries, wat ik me ook bedenk.

De taal is ontoereikend om haar te kunnen schrijven wat ik denk, omdat al mijn denken -hoe ik dat ook zou proberen- een beweging genereert die ik tegelijkertijd kan willen en niet kan willen. Zelfs dit inzicht levert zo’n beweging op (evenals dit meta-inzicht en de herkenning daar weer van (ad infinitum)): Mijn stellingen zijn verhelderend omdat hij die me begrijpt, ten slotte erkent dat ze onzinnig zijn, als hij door middel van mijn stellingen – er op – boven ze uit geklommen is. (Hij moet om zo te zeggen de ladder omvergooien na erop geklommen te zijn.)
{noot: overduidelijk Wittgenstein. De schrijver schreef het in het Duits, ik heb hier de Nederlandse vertaling gebruikt. Ik heb ook van verschillende andere teksten geprobeerd na te gaan of het citaten zouden kunnen zijn, of dat ze ergens zouden zijn gepubliceerd, maar ik heb verder niets kunnen vinden.}

De hele nacht verscheen ze af en aan in mijn dromen, maar dan zo dat ik haar enkel vanaf een onoverbrugbare afstand waarnam in haar ogenschijnlijke nieuwe leven…Ik kon roepen wat ik wilde, ze hoorde me niet. Telkens als ik haar bezig zag in haar doen en laten, hoopte ik slechts één ding: dat ze tot besef zou komen hoezeer ik geprobeerd heb haar werkelijk lief te hebben en hoeveel spijt ik heb dat ik daarin heb gefaald. Ik wenste vurig dat ze me niet liet wegglijden in haar oude herinnering, maar dat ze net als ik zou verlangen naar nieuwe herinneringen.

En de goden spraken tot mij: ‘We gunnen je drie momenten waarop zich een mogelijkheid aandient dat je haar alles wat je wenst schrijven kunt. Gebruik die wijs en verstandig, want daarna zal ze zich afsluiten en is er voor jou niets meer aan haar te zeggen. Voor die drie keer, zal ze alles wat je schrijft met aandacht en toewijding lezen. Wat haar hartsgesteldheid echter betreft, die ligt zelfs buiten onze macht – …’
Ik was verheugd met deze mogelijkheid. Het is niet iedereen gegeven tot driemaal toe het allerlaatste tegen iemand te kunnen zeggen en ermee een mogelijk nieuw begin teweeg te brengen. Zodoende schreef ik, formuleerde en las, verwijderde en herlas, schaafde en schrapte, wikte en woog. En ik ontdekte hoeveel er te zeggen was, hoeveel ik zeggen wilde en hoeveel ik nog nooit gezegd had.
Ik verstuurde mijn eerste brief, en had terstond spijt dat ik er niet veel meer in had verteld. Ik verstuurde mijn tweede brief en gelijk daarop wist ik dat ik het anders had moeten schrijven. En ik verstuurde mijn laatste brief. Ik had er zo lang over nagedacht, maar ook hier wist ik meteen dat er veel meer was dan waar ik mee op de proppen was gekomen…
En de goden spraken weer tot mij: ‘Dit is dan nu je lot én je straf! Waar je geest ingesteld zal blijven op het idee een leven lang alles met haar te kunnen delen, is dat nu voorgoed afgesloten.’
‘O, goden! Hoe kan ik haar nu toch ooit nog prijzen om wie ze is? Dat ik dat niet meer kan, waarvan ik weet dat ik het zo lang heb nagelaten, dat is onverdraaglijk. Het lot accepteer ik, maar de straf is te zwaar.’

Dialoog
‘Wat is de straf?’

‘Een vraag die voor altijd blijft.’
‘Maar wat is de vraag?’
‘Was het mogelijk geweest iets te schrijven wat haar wel van gedachten had kunnen doen veranderen?’
‘Dus wat is de straf?’
‘Dat ik geloof dat het mogelijk was, maar alleen binnen het ogenblik dat nu voorgoed voorbij is.’
{noot: dit fragment lijkt aan te sluiten bij het vorige. α ontbreekt.)

Iemand die met alles wat hij in zich heeft een unieke wedstrijd loopt, maar in het zicht van de finish in elkaar zakt, troost men niet met de woorden: ‘Koester toch de herinnering dat je zo ver nog gekomen bent!’

Zij redt levens. Ik red gedachten.

Ik ken haar diepste zorgen en ik weet wie haar beste vrienden zijn. Ik heb haar telefoonnummer, ik weet waar ze woont en waar ze werkt. Maar ik kan haar niet meer bereiken.

(…)

Ik was samen met haar uit, toen ik op enig moment vast kwam te zitten achter een deur waarvan het slot doordraaide. Ik schat dat ze mij na ongeveer 15 minuten kwam bevrijden uit mijn benarde situatie. Ze voelde als geen ander aan dat ik haar nodig had. Toen heb ik even gedacht dat ze me voorgoed ook bevrijd had van al mijn demonen.

Wanneer iemand zegt: ‘Ik heb hem in dierbare herinnering’ is dat pijnlijk als degene nog leeft. Gewoonlijk zegt men dat over de doden.

‘Geef me op. Laat me gaan. Je houdt het niet met me uit…’
‘Ik ben geduldig!’
‘Maar ik kan het niet meer… Kus me nog één laatste keer en dan herneem ik mijn vrijheid.’
‘Maar ik verdraag je liever dan dat ik je laat gaan! Dat is mijn trouw aan jou! Ik wil niet dat verliezen, waar ik diep van binnen zo trots op ben, zoveel rust aan ontleen en waar ik zo vaak naar uit heb gezien!’
‘Je moet, ik laat je geen keuze. Er is geen of/of meer.’

‘Elke scheiding is een voorsmaak van de dood’
Van de ene op de andere dag was ze voorgoed onbereikbaar, zoals dat alleen is voor te stellen bij iemand die plots sterft: ik zag haar nimmer meer.
{noot: citaat mij onbekend}

Ik zou haar enkel kunnen zien als ik haar minuten mag omhelzen.

Ik zie geen reden om het afscheid nemen te beëindigen. Ik hou haar daarom in gedachten.

α: Wie het vaste geloof heeft dat een verloren liefde is terug te winnen, miskent dat hetgeen verloren is het metafysische vermogen bezit zich onvindbaar te verstoppen.

Toegegeven, ze heeft me van een gigantisch vraagstuk verlost, maar dan wel door er zelf voor in de plaats te komen.

Treurnis om verloren liefde is in aanvang altijd aandoenlijk en kan rekenen op sympathie van eenieder. Maar o wee de man die er te lang mee rondloopt: dan wordt de treurnis onmiddellijke ergernis voor wie er bekend mee is en in aanraking komt.
α: Dat komt omdat langdurig verdriet tegen het hopeloze aan schuurt. En een mens weet zich over het algemeen geen raad met het hopeloze.

Wie iets afbreekt, bouwt sneller op dan wie is afgebroken.
{noot: het eerste deel spreekt van ‘iets’, het tweede van ‘iemand’. Toch lijkt de zin een (begrijpelijke) relatie te veronderstellen}

Ze had beloofd mij te leren wat liefde werkelijk betekent; maar juist nu ik nog maar zo weinig nodig heb om het te begrijpen, heeft ze haar belofte verbroken.

(…)

Het is plots voorbij! Het boek is gesloten, terwijl ik nog aan het lezen was. Wat ik ook probeer, ik krijg het boek niet meer open…

Aan Sanne Eschbach

 Voor Sanne Eschbach; uit de aantekeningen ‘Afstemming en Verhouding.’ Fragmenten uit de nummers 4600-5400 e.v.

Indrukken bij de eerste druk VI: Jules Léquyers La Recherche d’une Première Vérité uit 1865

Indrukken bij de eerste druk VI
Jules Léquyers La Recherche d’une Première Vérité uit 1865
~En de ontdekking van een brief~

~Voor die ene die ontdekken wil~

Het essay wat ik eerder publiceerdeStatue Lequier, met daarin een bescheiden uiteenzetting van enkele gedachten van Jules Lequier (noot 1), bracht me tot een zoektocht naar de beschikbaarheid van de eerste druk van zijn postuum verschenen filosofische fragmenten, die zijn vriend Charles Renouvier in 1865 heeft uitgegeven bij Imprimerie de Mme Ve Belin, Saint-Cloud.

Het is aantrekkelijk en ook enigszins voor de hand liggend om het werk van Lequier te vergelijken met dat van Kierkegaard. Er is geen enkele aanwijzing dat ze elkaar gekend hebben of hebben beïnvloed, maar Lequiers existentiële grondslagen, de keuze voor verantwoordelijkheid en vrijheid en het pleidooi voor bestaansrecht van corsaren3het individu (anti-Hegeliaans in die zin) vertonen grote overeenkomsten met het filosofische project van Kierkegaard. Hier en daar wordt zelfs de vergelijking gemaakt tussen Kierkegaards verhouding tot Regine Olsen en Lequiers verhouding tot Anne Deszille (vgl. Clair, A. (2008). Kierkegaard et Lequier: Lectures croisées). Dat lijkt me echter ver gezocht. Jammer genoeg is er over Anne Deszille niets te vinden, zodat haar mysterie in tegenstelling tot dat van Olsen voorgoed bewaard blijft.

Prof. dr. Donald Viney, de Engelse autoriteit op het gebied van het denken van Lequier, merkt op dat Kierkegaard en Lequier eenzelfde soort literaire filosofische stijl hanteren (het lezen van Het Heggenblad doet dat bevestigen) waarbij wijsgerige en religieuze thema’s met elkaar vervlochten zijn en het christendom op een nieuwe filosofische manier wordt opgevat. Het spreekt voor zich dat Kierkegaard hierin veel ‘systematischer’, consequenter en uiteindelijk ook succesvoller is geweest, maar in thematiek zijn er inderdaad naast talrijke verschillen interessante gelijkenissen op te merken.

Lequier was een toegewijd rooms-katholiek. Het verhaal gaat dat hij op 15 augustus 1846 een mystieke ervaring heeft gehad, die doet denken aan Pascals Memorial, helemaal omdat hij de ervaring neerschreef gecombineerd met Franse en Latijnse teksten. Die ervaring is niet opgenomen in het boek, maar verder staan alle belangrijke teksten erin, die Renouvier na verschillende correspondenties heeft gebundeld.

Eerste druk LequierDe uitgave was nadrukkelijk niet bedoeld voor de verkoop zoals ook staat vermeld in het boek zelf, maar voor vrienden en kennissen ter nagedachtenis aan de filosofische nalatenschap van Lequier. De oplage bedroeg dan ook slechts 120 exemplaren. Het geluk was met mij, dat ik na wat zoekwerk een aangeboden exemplaar bij een Frans antiquariaat (J. Vrin) tegenkwam, zo niet het laatste exemplaar op de wereld in de verkoop. Nadat ik hem een eerste bod had gedaan per e-mail, wat zonder reactie bleef, kon ik op een avond de slaap niet vatten door de gedachte ernaast te grijpen, dat ik zodoende de ochtend erna het boek direct aanschafte. Het gevoel een stuk geschiedenis in zijn meest oorspronkelijke vorm te bezitten, had me toch weer gegrepen.

Enkele dagen later ontving ik het boek, en tot mijn grote verrassing bevond zich in het boek een handgeschreven brief van twee kantjes van Jules Lequier zelf. Ik besloot daarop contact te zoeken met de Amerikaanse hoogleraar Donald W. Viney. Ik stuurde hem een fotokopie van de brief, waarmee de speurtocht geopend was niet zozeer naar het boek, maar naar de achtergrond van de brief.

Ik ontving vrijwel per omgaande een informatieve en zeer vriendelijke reactie van Viney:

I very much appreciate the copy of the Lequyer letter that you sent. It is clearly not in Jean Grenier’s edition of Lequyer’s complete works and so is of great interest to me and to anyone else with more than a passing interest in Jules Lequyer. The letter is very difficult to decipher and there are words I can’t make out. I have sent the letter (and forwarded your email) to Goulven Le Brech in Paris. His native French “eye” will help to understand this. It is clearly written during Lequyer’s time in Paris at the École Polytechnique, but I’m still not sure who the recipient was. I wonder if there is any clue in your edition of La Recherche d’une Première Vérité of who owned it. As you know, Charles Renouvier gave copies of this book freely to those who were interested, and presumably some copies went to Lequyer’s friends. I once owned an original copy (like the one you have) and on the inside cover of my copy was a handwritten dedication that reads “Offert à M- Beaurrier par l’éditeur C. Renouvier”. Is there anything comparable in your copy? Perhaps not.

Ik schreef naar aanleiding hiervan oud-collega Georgette Molenaar aan die de Franse taal meester is om te achterhalen wat precies in de brief stond en aan wie hij was gericht. Ik vroeg haar om op de eerste plaats het handschrift om te zetten naar de Franse tekst om vervolgens een Nederlandse vertaling toe te voegen. Het onderstaande is het verdienstelijke resultaat hiervan.Brief Jules Lequier

Klik hier voor de afbeelding op hoge resolutie

Frans Origineel (Zoals gezien door G. Molenaar)

1844

  1. Viens, mon ami, mon frère. Viens passer quelque temps avec nous. Nul de ceux que tu aimes et qui seront heureux de te revoir, n’éprouveront en t’embrassant de plaisir comparable au mien.
  2. J’avais prié Michelot de joindre au lettre que je t’envoie une lettre de lui et voilà qu’aprés quelques jours de chercher amèrement, perdue enfouie dans cet épouvantable masse de papiers qui encombre ma chambre et où ma maladresse l’a engloutie, J’aime mieux t’envoyer ceci et ne pas attendre que j’ai retrouvé sa lettre. A ton arrivée je la remettrai ainsi qu’une vieille lettre de Guerin l’asmeilleur Guerin, qui me tombe quelquefois sous la main quand je fais la grande inspection de mes papiers et qui m’a ému toujours.
  3. De dire que je pensais toute cette (période)) a toi, que je me proposais de mois en mois de t’écrire des volumes ce serait ne rien t’apprendre. Mais ma vie a été si agitée, si travers à, à bientôt, cher ami; tu trouveras ici tous tes fidèles amis, moi en tête.
  4. Si je ne te connaissais pas si parfaitement (moi qui te connais si bien, mieux qu’un frère) tes lettres m’auraient un peu inquiété. Mais tu n’as pu prendre la doctrine de Fourrier que par le grand côté et peut-être meme par ce qui la dépasse, lui prêtant la grandeur de ton propre cœur. Si tu es Fourrieriste c’est en maître et non en disciple de Fourrier je trouve .. dans tes travaux tes préoccupations, tes aspirations vers le bien et la vérité, ton âme si noble, objet pour moi d’une si tendre affection. Oh que je serai heureux t’embrasser mon cher Fréderic.
  5. Puisses-tu hâter cet heureux moment ne m’en voulez pas, ami, de mon silence. Si tu savais comment j’ai été malheureux après ton départ mais l’horizon s’éclaircit et les temps meilleurs s’annoncent. Mets moi à part dans ton cœur, oui j’ai droit à une place à part.
  6. A bientôt, noble ami.

Jules Lequyer
Rue Vaugirard 52 bis

Nederlandse vertaling (Vertaling door G. Molenaar)

1844

  1. Kom, mijn vriend (A), mijn broer. Kom wat tijd doorbrengen met ons. Niemand van degenen waarvan jij houdt en die blij zullen zijn je terug te zien, zullen bij het omhelzen, hetzelfde plezier voelen als ik.
  2. Ik had Michelot (B) verzocht om een brief van hem te voegen bij de brieven die ik je stuur en ziedaar na enkele dagen bitter zoeken, verloren geraakt weggezakt  in die afschuwelijke massa papier die mijn kamer hinderlijk vult en waar mijn onhandigheid hem in heeft verzwolgen. Ik stuur liever deze brief nu en ga niet wachten tot dat ik zijn brief terug vind. Bij je aankomst zal ik je hem geven evenals een oude brief van Guerin (C) de allerbeste Guerin waar ik soms de hand op leg als ik een grote inspectie houdt van mijn papieren en die mij altijd heeft geraakt.
  3. Om te zeggen dat ik de hele tijd aan je dacht, dat ik me van maand tot maand voornam om je hele boekwerken te schrijven daarmee zou ik je niets nieuws vertellen. Maar mijn leven is zo veelbewogen geweest zo vol tegenslag. Tot gauw beste vriend je zult hier op tijd je trouwe vrienden vinden, mij voorop.
  4. Als ik je niet zo perfect zou kennen ( ik die je zo goed kent, beter dan een broer) zouden jouw brieven me een beetje ongerust hebben gemaakt. Maar jij hebt slechts de doctrine van De Fourrier (D) groots toegepast en misschien zelfs wel overstegen, hem verlenende de grootsheid van je eigen hart. Als je al Fourrieriste bent dan is het als meester en niet als volgeling. Ik vind jouw ziel in jouw werken terug, in je zorgen en in je aspiraties naar het goede en de waarheid, jouw ziel zo edel, voor mij voorwerp van een zo tedere genegenheid. Oh wat zal ik gelukkig zijn om je te omhelzen mijn lieve Frederik.
  5. Kon je dit gelukkige moment maar versnellen. Vriend, neem me mijn zwijgzaamheid niet kwalijk als je wist hoezeer ik ongelukkig ben geweest na je vertrek maar de horizon wordt lichter en betere tijden kondigen zich aan. Zet mij apart in je hart, ja ik heb recht op een aparte plek.
  6. Tot gauw edele vriend.

Jules Lequyer
Rue Vaugirard 52 bis

Aantekeningen bij de Nederlandse tekst
A. Frédéric Zurcher (1816-1890): vriend van Jules Lequier (en Charles Renouvier), Polytechnique (klas van 1834).
B. Paul Michelot (1817-1885): vriend van Jules Lequier, Polytechnique (klas van 1834)
C. Waarschijnlijk Léon Guérin (1807-1885), schrijver, journalist, historicus en Frans dichter.
D. Charles Fourier (1772-1837): Franse filosoof.

Engelse vertaling
Prof. Viney, die ook de Franse taal meester is, heeft hier een Engelse vertaling aan toegevoegd.

Ik heb deze, samen met mijn eigen oorspronkelijke Engelse vertaling (die van mindere kwaliteit is dan die van Viney rechtstreeks uit het Frans) in een overzichtelijk pdf-document geplaatst, wat hier te vinden is.

In de verdere briefwisseling die ik had met Viney, gaf hij de informatie dat er aanwijzingen zijn dat naar alle waarschijnlijkheid de helft van het aantal gedrukte exemplaren is vernietigd.

There is some reason to believe that half of the 120 copies that Renouvier published may have been destroyed, or so Jean Grenier speculates in his little article “La première publication de La Recherche d’une première vérité” in Revue Philosophique de la France et de l’Étranger, LXXIX, 7-9 (1954): pp. 412-415. (zie voor dit artikel hier)

Dat betekent dus dat er nog maar ongeveer 60 exemplaren op de wereld van deze eerste uitgave beschikbaar zouden zijn. Aangezien zoals reeds opgemerkt, Charles Renouvier de exemplaren vooral als cadeau gaf aan liefhebbers en nabestaanden (onder wie William James), bevatten ze niet zelden een persoonlijke opdracht van Renouvier. Dat is ook het geval in mijn exemplaar. We lezen daar:

Opdracht groot LequierOffert en mémoire de leur vieux camarade à son ami F.Zurcher par l’éditeur C. Renouvier.

(Aangeboden ter herinnering aan hun oude kameraad aan zijn vriend F. Zurcher door de uitgever C. Renouvier).

De brief die is aangetroffen in mijn boek, blijkt na onderzoek inderdaad te zijn gericht aan Frédéric Zurcher (1816-1890). Deze studievriend van Lequier zwaaide in hetzelfde jaar af (1834) en klaarblijkelijk hadden ze in 1844 (het jaartal wat in potlood geschreven op de brief is geplaatst, waarschijnlijk door Zurcher) nog innig contact. Volgens gegevens van de Ecole Polytechnique was hij blond, met een onbedekt gezicht, grote neus, blauwe ogen, gemiddelde mond, ronde kin en 1,78 m lang. Na zijn studie werd hij succesvol marine-officier. Zurcher publiceerde bovendien veel populair wetenschappelijke boeken en artikelen (waaronder vijftien boeken over vulkanen, stormen, meteoren, gletsjers en de onderwaterwereld). In maart 1852 trad hij met Justine Camille Margolle in het huwelijk, waaruit twee jongens werden geboren die net als hun vader een militaire loopbaan hadden. Nadat hij het leger verlaat stort Zurcher zich tot het einde van zijn leven op het denken van Charles Fourier, wat hij met verve propageert.

Viney heeft de brief zoals opgemerkt ook aan de Franstalige autoriteit Goulven Le Brech laten zien en schrijft:

Goulven thinks that this letter is important in showing that, during his days in Paris, which may have been the most important of his life, Lequyer was at the center of a circle of friends with vast intellectual interests. Zurcher was, as the letter indicates, a follower of Fourierisme. François Marie Charles Fourier (1772-1837) was a social philosopher who advocated socialist ideas and is credited with first using the word “feminism.”

Dat het boek dus in bezit is geweest van Frédéric Zurcher, maken zowel de persoonlijke opdracht van Renouvier, als de aanwezige brief in het boek duidelijk.

De vondst is inmiddels ook internationaal opgemerkt, en gepubliceerd op het Jules Lequyer Archief: https://juleslequier.wordpress.com/2016/07/13/decouverte-dune-lettre-inedite-de-jules-lequier/.

Daarin wordt, naast mijn verkeerd geschreven naam, overigens ten onrecht een verbondenheid aan de universiteit Utrecht gesuggereerd; mij is verzekerd dat dit wordt gecorrigeerd.

Opdracht en voorblad LequierWat verder opvalt is dat dit boek opnieuw moet zijn gebonden. De reden daarvoor is dat zich in het boek tussen de pagina waarin het aantal gedrukte exemplaren wordt vermeld en de aanvang van het voorwoord van Renouvier, eeRichebourg Phot de la Couronnen pagina is toegevoegd met daarop de afbeelding van het gemaakte standbeeld van Lequier. Het standbeeld is pas in 1868 bij het graf van Lequier gebouwd, terwijl de uitgave stamt uit 1865. Op de ingevoegde pagina die duidelijk van zwaardere kwaliteit is dan de rest van de pagina’s, treffen we ook een stempel aan van ‘Richebourg Phot. de la Couronne. De onderste regel is niet goed zichtbaar, maar de zaak moet zijn gevestigd in Parijs aan de Quai de l’horloge 29. Een blik op Google Maps toont ons nu een theehuis. Speurwerk brengt me tot de waarschijnlijke fotograaf Pierre-Ambroise Richebourg (1810-1875).Stempel fotograaf

De stempels van Richebourg zijn zeldzaam (te vinden) en bevinden zich voornamelijk rond de jaren 1840-1870, als je zoekt in Google books. Het is zeer waarschijnlijk dat de foto rond deze tijd is gemaakt. Wat wel opvalt zijn de gelijkenissen met beschikbare foto’s op internet, wat vragen doet naar de originaliteit van de afbeelding.

Foto en oplageblad


Zo is deze indruk van de eerste druk niet het verhaal geworden van al te veel achtergronden wat betreft het boek en haar inhoud, maar meer van een verloren brief die weer gevonden is, en waar ik toch minstens 3 wereldburgers zeer mee heb verblijd. De brief is inmiddels ingelijst en een blik erop laat afdwalen naar de gelukkigere tijden van Lequier, waar hij zijn vriend schreef, zoals wij dat tegenwoordig nog maar zo zelden doen.

Noot
(1) Zoals waarschijnlijk is opgevallen, is de schrijfwijze van zijn achternaam op verschillende manieren mogelijk. Ik hanteer hier consequent ‘ Lequier’, omdat dit het meest gangbaar lijkt, maar juister is feitelijk ‘Léquyer’. Zijn geboortecertificaat vermeldt ‘Lequier’, maar dat is door zijn vader later gecorrigeerd tot ‘Lequyer’. Daarbij is het bekend dat Lequier zelf geregeld zijn naam op een verschillende wijze schreef. In de mij beschikbare brief heeft hij zich bedient van ‘Jules Léquyer’. Op zijn grafsteen in Plérin staat Lequyer.

Verder lezen?
Bronnen over Lequier. Gedeeltelijk overgenomen uit: Vincelette, A. (2009). Recent catholic philosophy. The 19th century.  Milwaukee, Wisconsin: Marquette University Press:

Lequiers vertaalde werk in het Engels: Translation of Works of Jules Lequyer: The Hornbeam Leaf, The Dialogue of the Predestinate and the Reprobate, Eugene and Theophilus, vert. Donald Wayne Viney (Lewiston: The Edwin Mellen Press, 1998); Jules Lequyer’s ‘Abel and Abel’ Followed by ‘Incidents in the Life and Death of Jules Lequyer’, vert. Mark West (Lewiston: The Edwin Mellen Press, 1999). Delen uit The Problem of Knowledge zijn vertaald in Philosophers Speak of God, Charles Hartshorne en William Reese, eds. (Chicago: University of Chicago Press, 1953), pp. 227- 230; The Hornbeam Leaf ook vertaald in 1974 door Harvey Brimmer en Jacqueline Delobel in “Jules Lequier’s The Hornbeam Leaf,” Philosophy in Context 3 (1974), pp. 94-100; en in The Dialogue of the Predestinate and the Reprobate door Donald Viney in Questions of Value Readings for Basic Philosophy (Needham Neights: Ginn Press, 1989).

Secundaire bronnen:
Russell, Leonard, “Review of La recherche d’une premiere vérité,” Mind 36 (1927), pp. 512-514; Grenier, Jean, La philosophie de Jules Lequier (Paris: Belles Lettres, 1936); Lazareff, Adolophe, “L’enterprise philosophique de Jules Lequier,” in Vie et Connaissance, Boris de Schloezer, ed. (Paris: Félix Alcan, 1948), pp. 21-40; Wahl, Jean, Jules Lequier: Introduction et choix (Paris: Trois Collines, 1948); Charlton, Donald, Positivist Thought in France during the Second Empire, 1852-1870 (Oxford: Clarendon Press, 1959), pp. 18-19, 232; Callot, Emile, Propos sur Lules Lequier: philosophe de la liberté (Paris: Marcel Riviere, 1962); Pasquali, Antonio, Fundamentos gnoseológicos para una ciencia de la moral ; ensayo sobre la formación de una theor’a especial del concimiento moral en las filosof’as de Kant, Lequier, Renouvier y Bergson (Caracas: Universidad Central de Venezuela, 1963); Tilliette, Xavier, Jules Lequier ou le tourment de la liberté (Paris: Desclée de Brouwer, 1964); Roggerone, Giuseppe, La via nuova di Lequier (Milan: Marzorati, 1968); Sipfle, David, “A Wager on Freedom,” International Philosophical Quarterly 8 (1968), pp. 200-211; Petterlini, Arnaldo, Jules Lequier e il problema della libertà (Milan: Vita e pensiero, 1969); Brimmer, Harvey, “Jules Lequier’s ‘The Hornbeam Leaf ’,” Philosophy in Context 3 (1974), pp. 94-100; Prontera, Angelo, ed., Libertà e Ontologia (Lecce: Milella, 1984); Viney, Donald, “Faith as a Creative Act: Kierkegaard and Lequier on the Relation of Faith and Reason,” in Faith and Creativity: Essays in Honor of Eugene H. Peters, George Nordgulen and George Shields, eds. (St. Louis: CBP Press, 1987); Shields, George, “Some Recent Philosophers and the Problem of Future Contingents,” The Midwest Quarterly 34 :3 (1993), pp. 294-309; Viney, Donald, “Review of La recherche d’une premiere vérité et autres textes,” Process Studies 23:4 (1994), pp. 290-291; Viney, Donald, “On the Trail of a French Philosopher of Genius: Jules Lequyer,” Pittsburgh State University Magazine 6:1 (1995), pp. 12-14; Tilliette, Xavier, “Lequier Lecture de Fichte,” in Fichte et la France, ed. Ives Radrizzani (Paris: Beauchesne, 1997), v. I, pp. 183-199; Viney, Donald, “Jules Lequyer and the Openness of God,” Faith and Philosophy 14:2 (1997), pp. 212-235; Viney, Donald, “William James on Free Will: The French Connection,” History of Philosophy Quarterly 14:1 (1997), pp. 29-52; Armellini Paolo, Lequier: La solitudine di Dio (Rome: Ed. studium, 1998); Viney, Donald, “The Nightmare of Necessity: Jules Lequyer’s Dialogue of the Predestinate and the Reprobate,” Journal of the Association for the Interdisciplinary Study of the Arts 5:1 (1999), pp. 19-32; Clair, André, Métaphysique et Existence: Essai sur la philosophie de Jules Lequier (Paris: Vrin, 2000); Pagani, Paolo, Libertà e non-contraddizione in Jules Lequier (Milan: F. Angeli, 2000); Josse, Jacques, Jules Lequier et la Bretagne (Moëlan-sur-mer: Blanc Silex, 2001); Le Brech, Goulven, Jules Lequier (Rennes: La Part Commune, 2007).

Lees ook:

  1. Indrukken bij de eerste druk V: Martin Heideggers Sein und Zeit uit 1927
  2. Indrukken bij de eerste druk IV: Derek Parfits Reasons and Persons uit 1984 in de hand (met een korte inleiding tot het boek)
  3. Indrukken bij de eerste druk III: H.L.A. Harts The Concept of Law uit 1961 in de hand (met een kleine rechtsfilosofische bijdrage)
  4. Indrukken bij de eerste druk II: John Henry Newmans Grammar of Assent uit 1870 in de hand
  5. Indrukken bij de eerste druk: Søren Kierkegaards Frygt og Bæven uit 1843 in de hand

 

 

Jules Lequier. Existentialisme van een vergeten ongelukkige

 Jules Lequier
Existentialisme van een vergeten ongelukkige

~Bold traveler in the worlds of thought, I have explored more than one route, I have sounded more than one abyss.~

Per toeval stuitte ik op een triest verhaal, wat mij viLequier-marchea wat omwegen bracht tot een fragmentarische studie naar het leven en denken van de Franse filosoof Jules Lequier (1814-1862. Ook: Lécuyer en Lecuyer; uitgesproken als: ‘Lekiejeh’).

Jules Lequier is zo onbekend dat je er je verdere leven nooit meer iets over horen of lezen zult, maar precies zo bekend dat met weinig inspanning er overal sporen te vinden zijn. Verschillende van die sporen ben ik nagelopen, met als resultaat onderstaande studie. Omdat ik het Frans nauwelijks machtig ben, rust het merendeel op secundaire bronnen.

Het waarschijnlijk belangrijkste spoor is zijn zelfmoord. In een uit het Frans vertaald Duits boek genaamd Frühstück bei Sokrates. Philosophen ganz privat (1998) van Frédéric Pagès lezen we op p. 14 hoe Lequier tot zijn laatste adem kwam. Op 11 februari 1862 begeeft hij zich naar het strand bij Plérin aan de Côtes-du-Nord (tegenwoordig genaamd Côtes-d’Armor). Het bleek een van zijn gewoonten te zijn om in de winterse kou zichzelf met zeewater te wassen, om zo wat hij noemde ‘de brandende pijn in de borst’ te verlichten. Zijn miskende leven bracht hem deze keer echter niet tot een therapeutische handeling met koud water, maar tot een duik in de zee gevolgd door een zwemtocht tot hij niet meer kon. Later in de avond vonden ze zijn lichaam.

Lequier had toen een ongelukkig leven achter zich. Op een enkel stuk na publiceerde hij zijn geschreven teksten niet; zijn perfectionisme verbood hem zijn gedachten de wereld in te sturen, zolang ze dus niet perfect waren. Op zijn 23e verloor hij zijn vader die hem bovendien met grote schulden opzadelde (1), en een jaar later slaagde hij niet voor het toelatingsexamen tot legerofficier. Hij probeerde een politieke loopbaan op te bouwen, maar dat mislukte jammerlijk. Voortdurend in financiële moeilijkheden is hij gedwongen zijn ouderlijk huis te verkopen en de erfenis van zijn tante gaat geheel naar de schuld die hij dan bij zijn neef had uitstaan. In 1851 krijgt hij een zenuwinzinking waarbij hij zijn arm probeert af te hakken met een bijl. Enkele vrienden brengen hem daaropvolgend tegen zijn zin in een maand lang onder in een gesticht. Verschillende zelfmoordpogingen die hij daar onderneemt mislukken nog.

Enkele maanden na zijn ontslag uit de kliniek doet hij jeugdliefde Anne Deszille (1818-1909) een huwelijksaanzoek. Als kinderen schreven ze elkaar liefdesbrieven en lieten ze boodschappen voor elkaar achter bij een boom, meldt Donald W. Viney in Jules Lequyer: Prophet of Open Theism (2014). Deszille weigert zijn aanzoek echter onder het voorwendsel dat haar ouders het huwelijk zouden afkeuren. Gelet op zijn mentale staat niet helemaal onbegrijpelijk. Na wat omzwervingen waarin hij verschillende posten bekleedt als docent en zelfs als hoogleraar in de wiskunde, doet hij nadat Deszilles vader is overleden (28 december 1861) haar opnieuw een aanzoek ergens in de eerste week van februari 1862. Ze wijst zijn genegenheid nu definitief af. Vlak na deze afwijzing, op 11 februari, begeeft Lequier zich voor een laatste keer naar de kust.

Alan Vincelette geeft in het overzichtswerk Recent catholic philosophy (2009) aan dat de officiële doodsoorzaak was vastgesteld op ‘accidental drowning of an individual with a “disturbed Spirit’’’(p. 80), maar dat er voldoende bewijs is dat Lequier zich met opzet heeft verdronken. Een week voordat hij stierf had hij een vriend toevertrouwd dat hij in zo’n grote geestelijke nood verkeerde dat hij hem binnenkort niet meer zou zien. Zijn secretaris, Jean-Louis Le Hesnan heeft verklaard dat op de dag van zijn dood Lequiers laatste woorden toen hij de baai uitzwom een afscheidskreet betrof aan de vrouw die hem tot twee keer toe had afgewezen. “Adieu, Nanine”, zou hij hebben geroepen, de koosnaam van Anne Deszille. Anderen hebben nog gespeculeerd dat hij na zijn afscheidsgroet om hulp geroepen zou hebben (p. 276; originele bron naar mijn inschatting Derniers Moments de Jules Lequyer (1862) Krantenartikel van Charles le Maout, Le Publicateur des Côtes-du-Nord 1 maart).

Volgens zijn vriend Louis Prat zou Lequier een ultieme weddenschap met God zijn aangegaan waarin hij vroeg om zijn genie te redden (zie Viney, D. (2010). The Hornbeam Leaf). God heeft daarin in zekere zin woord gehouden.

Charles Renouvier

Charles Renouvier

In een artikel van Jean Grenier in Rencontre (november 1951) getiteld Un grand philosophe inconnu et méconnu: Jules Lequier (Een groot filosoof onbekend en niet herkend) komt een psychiater tot de conclusie dat op basis van het beschikbare bronnenmateriaal sprake zou zijn van ‘een cyclothyme stoornis’, dat wil zeggen, een manisch-depressieve persoonlijkheid.

Zijn levensvriend -de niet onfortuinlijke filosoof- Charles Renouvier (1815-1903) verzorgde een grafsteen met daarop de inscriptie: ‘Ter nagedachtenis aan een ongelukkige vriend en een man van groot genie’.

Het heggenblad
Volgens hoogleraar filosofie aan de universiteit van Pittsburg Donald W. Viney, die geldt als (enige) serieuze hedendaagse Engelstalige kenner van Lequiers werk, staat de invloed die Lequier heeft gehad niet in verhouding tot zijn bekendheid van naam en werk. Zoals ik al opmerkte, is die bekendheid (buiten Frankrijk sowieso) marginaal en vereist het grondig onderzoek om tot de filosofie te kunnen doordringen. Op de eerste plaats is er in het Nederlandse taalgebied nauwelijks relevante informatie beschikbaar. Daar kom ik zo nog op terug. Op de tweede plaats zijn er enkele in het Engels vertaalde werken (door Viney), maar die zijn zeer schaars, moeilijk verkrijgbaar en duur. Via secundaire bronnen is de denkwereld van Lequier echter wel enigszins te ontrafelen.
Heggenblad

Wat betreft het Nederlandse taalgebied blijkt schrijfster Charlotte Mutsaers (zowat als enige) enkele bespiegelingen aan Lequier te hebben geweid. In een artikel uit het literaire tijdschrift De Revisor (25, 1998) bespreekt ze de filosofisch poëtische indrukken die Lequiers La feuille de Charmille (Het Heggenblad) op haar heeft gemaakt; het enige wat Lequier bij leven heeft gepubliceerd. Ook Mutsaers liep per toeval tegen Lequier aan, toen ze er over las in de door André Breton zelf herziene roman Nadja (1962), waar hij melding maakt van ‘Het Heggenblad’. Klaarblijkelijk goed het Frans machtig heeft Mutsaers een vertaling geschreven van het volgens haar meest aansprekende deel van La feuille de Charmille. Ik heb dat hier overgenomen en aan de linkerkant de originele Franse tekst geplaatst. De letters (A, B, ) heb ik erbij gezet zodat de vergelijking met de alinea’s wat eenvoudiger is. Navraag bij een kenner van de Franse taal leert dat Mutsaers een vertaling heeft gepubliceerd van zeer hoog niveau, hoewel het juister is om Charmille te vertalen als Haagbeuk. (klik hier voor de tekstversie voor mobiele apparaten)

Het Heggenblad

De filosofie van Lequier
Lequier first printHet door Mutsaers vertaalde fragment geeft in sterke mate weer in welke richting we de filosofie van Lequier kunnen begrijpen. In 1865 verschijnt postuum een verzameling belangrijke filosofische essays bijeengebracht door zijn vriend Charles Renouvier, met de mooie titel La recherche d’une première vérité (De zoektocht naar een eerste waarheid). Renouvier geeft in het boek aan dat het niet bestemd is voor de verkoop, daar hij het waarschijnlijk heeft bedoeld als cadeau voor vrienden en nabestaanden. In de oplage van 120 exemplaren treffen we aan naast Het Heggenblad (La feuille de charmille) ook Het probleem van de kennis (Le probleme de la science), De nalatenschap (Le legs), Geheimen (Confidences), Advies en appel aan een kind (Conseils et appels a un enfant), Dinan, Dialoog over het voorbestemde en de verworpenen (Le dialogue du prédestiné et du réprouvé), Probus, Abel en Abel (Abel et Abel), Afscheidsgroet aan een kind (Adieux a l’enfant) en Lofzang op het bewustzijn (Cantique a la conscience) (2)

Stuk voor stuk interessewekkende titels, die gelet op het feit dat ik het Frans vrijwel niet machtig ben, vooralsnog grotendeels een mysterie blijven. Vincelette (2009) geeft echter een goed geïnformeerde en uitvoerige weergave in zijn boek van de essays die ik hier gebruik om in hoofdlijnen enkele filosofische ideeën van Lequier uiteen te zetten,  aangevuld met enkele eigen illustraties.

Want wat betekent een zoektocht naar de eerste waarheid?

De eerste waarheid

Op zichzelf een vraag die we ons allemaal kunnen stellen. Wat is voor ons de eerste waarheid? Op welke vaste grond bouwen we ons leven? Als Fransman ontkomt Lequier niet aan de nalatenschap van Descartes. Deze filosoof had in de lijn van Augustinus door middel van zijn beroemde twijfelexperiment als eerste waarheid gevonden het bestaan van het ‘ik’. Kort gezegd: Als ik aan alles twijfel, dan moet er tenminste iemand zijn die twijfelt, daaraan valt niet te twijfelen. En dat is het ‘Ik’, of wat daar ook van over is. Lequier vindt echter een andere eerste waarheid wanneer hij in navolging van Descartes eenzelfde twijfelexperiment opzet, in zijn zoektocht naar een eerste waarheid, een grondzaak waaraan onmogelijk getwijfeld kan worden omdat twijfel ten opzichte van deze grondzaak tot een paradox zou leiden. De waarheid die de twijfel van Lequier tot rust brengt is deze, namelijk die van de menselijke vrijheid. In het essay Het probleem van de kennis schrijft hij hoe zeker hij is van deze waarheid en dat deze waarheid de eerste waarheid is, namelijk dat hij vrij is buiten alles. Hij verstaat deze vrijheid als de mogelijkheid om onafhankelijk van ons karakter, omstandigheden en de wetten van de natuur te kunnen handelen (p. 82). Het idee van de eerste waarheid moet dus begrepen worden als vrijheid, aangezien het begrip waarheid pas betekenis heeft wanneer we vrij zijn. Een twijfel die leidt tot iets noodzakelijks, kan geen twijfel zijn. Dus ook Descartes moet het idee van vrijheid aanvaarden, wil hij beginnen met zijn twijfel die leidt tot zijn eerste waarheid

Lequier toont zich een voorloper van wat we nu noemen het Libertarisme: er is geen determinisme, maar er is wel een vrije wil. We zijn zelf de ultieme oorzaak van ons eigen handelen. Onze vrije handelingen zijn niet terug te voeren op een eindeloze keten van gebeurtenissen, van oorzaken en gevolgen, zoals de vallende steen die viel door de wind, die veroorzaakt werd door (ad infinitum).

Het overweldigende idee van deze absolute vrijheid, met op ieder moment een StatueLequieroneindig aantal alternatieve mogelijkheden totdat er is gekozen, is ook wat we lezen in het (vertaalde) fragment van Het Heggenblad. Het sluit in die zin aan bij onze alledaagse ervaring, of in ieder geval bij onze meest positieve opvatting over wat het betekent om mens te zijn: namelijk in vrijheid te kunnen kiezen en als enige wezen in dit universum daartoe de mogelijkheid te bezitten.

Stilstaand bij het fragment van Het Heggenblad is niet per se gezegd dat onze handelingen niet vooraf zijn bepaald. Het gevoel dat wanneer men gekozen heeft, men het ook anders had kunnen doen is echter wezenlijk, ondanks het feit dat de gekozen handeling een onvermijdelijke keten van nieuwe bewegingen op gang brengt. Maar voor die onvermijdelijkheid is men vrij en in die zin ook verantwoordelijk voor hoe de wereld eruit ziet. Zoals God de wereld creëerde en daarmee een keten van min of meer gedetermineerde bewegingen op gang bracht, zo creëren wij telkens nieuwe werelden met onze keuzes (die net als de keuze van God op zich staan).

We zien in Het Heggenblad ook een sterke verwijzing naar wat we nu kennen als het Butterfly-effect. De vleugels van een vlinder in Amsterdam veroorzaken een orkaan in het zuiden van China. Het verschil ten opzichte van de vlinder is dit, dat onze keuze iets veroorzaakt in plaats van een spontane fysieke beweging. Dat we ons bewust zijn van het starten van een oneindige keten, op basis van een keuze – zoals het kind (onbedoeld) de dood van de vogel veroorzaakt door zijn afwegingen-, daarin ligt vrijheid. Zelfs als we volledig gedetermineerd zouden zijn, dan nog zien we hoe wij de wereld creëren door het idee van de keuzes die we maken. Mijn keuze maakt de wereld mede zoals ze is.

Dat is een overweldigend idee dat wellicht in een gedachte-experiment beter begrepen kan worden. Sta bijvoorbeeld eens stil bij de mogelijkheid om in een volle trein op te staan en te roepen: ‘ik ben een klein lief kuikentje. Hoera!’ Het is een mogelijkheid die enkel in gedachten komt doordat u dit leest, maar daarmee nog steeds een mogelijkheid. Die handeling van het roepen zal voor een groot deel bepalen hoe de wereld er op dat moment verder uit zal zien. De gedachten van anderen (en wellicht hun handelingen, afwegingen et cetera) worden er direct door beïnvloed. Ze vertellen in de avond aan een vriend de anekdote, die deze herinnering vervolgens weer jaren later ophaalt. Het eerstvolgende treinbezoek zal anders zijn dan wanneer het voorval niet plaats zou hebben gevonden enzovoorts enzovoorts. De gedachte om op deze manier de wereld te kunnen creëren, is wat Lequiers opvatting van vrijheid veronderstelt. Daarin vertoont hij sterke grondslagen van existentialisme en het principe van excentrische positionaliteit. Of in de woorden van Lequier: Durf te denken. Durf om mens te zijn. Imiteer niet de lelijke soldaat. Jean-Paul Sartre zal een kleine tachtig jaar later (1943) deze uitgangspunten als grondslag van zijn filosofie gebruiken in L’être et le néant: Essai d’ontologie phénoménologique (Het Zijn en het Niet: een proeve van een fenomenologische ontologie). 

De keuzes die we maken vormen niet enkel verder de wereld, maar vormen ook ons zelf. Lequier stelt dat de keuze geen noodzakelijke consequentie is van wetmatigheid, zonder er volledig van los te hoeven staan. Binnen de afhankelijkheid die wij hebben van een fysiek gedetermineerde realiteit, is er die onafhankelijke menselijke beweging. We zijn zoals hij dat zegt een Afhankelijke onafhankelijkheid. Onze keuze is niet alleen afhankelijk van ons karakter, ons karakter is ook een uitdrukking van onze gemaakte keuzes, waarbij de keuze dus de ultieme oorzaak is, die geen gedetermineerde grond kent. Het verleden is dus noodzakelijk verantwoordelijk voor de mogelijkheid van de keuze, maar de keuze is niet noodzakelijk.

Dat de veronderstelling van de vrije keuze als ultieme oorzaak nog steeds een axioma schijnt, blijkt uit het feit dat ook Lequier zijn toevlucht moet zoeken in de opvatting dat vrijheid wortelt in ons idee van moraliteit. Zonder vrijheid is de mens een machine zonder waardigheid, waarbij het verschil tussen goed en kwaad (en morele verantwoordelijkheid) geen betekenis heeft. Wanneer we bovendien een keuze moeten maken tussen goed en fout, veronderstelt dit vrijheid. Zonder vrijheid zou juist en onjuist geen betekenis hebben. In een gedetermineerde realiteit zou immers alles zijn zoals het is, waarmee je niet kunt stellen dat het onjuist of juist zou zijn.

We houden een vogel die tegen ons aanvliegt niet verantwoordelijk voor de pijn die hij veroorzaakt (omdat hij niet anders kon), waarom zouden we een mens verantwoordelijk houden voor de pijn die hij veroorzaakt als hij niets meer is dan die gedetermineerde vliegende vogel, hooguit wat complexer in zijn determinisme? Een strikt determinisme is volgens Lequier niet verenigbaar met de vrije wil. De vrije wil veronderstelt zowel bewuste aansturing, verantwoordelijkheid en van daaruit voortvloeiend de zelfverwerkelijking. En die veronderstelling berust op een sterk intrinsiek gevoel: het idee dat men kan zoeken naar een eerste waarheid, het idee dat men een moreel handelend wezen is met bijvoorbeeld een geweten en het idee dat men de eerste auteur is van een weloverwogen keuze. Hoewel het mogelijk is dat wanneer we op basis van langdurige introspectie tot de conclusie komen dat keuzes die we gemaakt hebben gebaseerd zijn op gebeurtenissen uit het verleden, hebben we ook het gevoel dat sommige keuzes niet aan voorafgaande zaken zijn te relateren. Sterk uitgedrukt: hoezeer we ook ons beroepen op reflectie, er is geen voorafgaande oorzakelijkheid te vinden voor de keuze die we aanstaande zijn te maken, ongeacht dat de keuze een gevolg is van hetgene aan ons vooraf is gegaan. Dat gevoel, of dat idee kent ieder mens.

Blaise Pascal

Lequier komt uiteindelijk (hoezeer hij ook met argumenten tracht de vrijheid te bewijzen) zoals Kant dat ook verantwoord en noodzakelijk achtte tot het postuleren van onze vrijheid. Op basis van de vaststelling dat de kleine inspanning die het kost de vrijheid te aanvaarden, te voelen en te begrijpen er de grootst mogelijke schoonheid, zingeving en waardigheid uit voortvloeit. Daarin lijkt de keuze voor vrijheid op het gevolg die gelijk is aan de weddenschap van Blaise Pascal: wanneer men niet aan een optie ontkomt die op zichzelf niet te bewijzen valt, kiest men altijd voor de meest gunstige mogelijkheid. De keuze immers tussen een volledig gedetermineerde wereld, die de menselijkheid opheft, gevoelens overbodig of op zijn minst betekenisloos maakt, die werkzaamheden van grote geesten onbeduidend maakt (er is zelfs in de inspanningen namelijk geen verantwoordelijkheid te ontdekken) etc., staat dan tegenover de keuze van de vrije wereld, met zijn moraliteit en zingeving. Aangezien zowel de vrijheid als het determinisme niet onomstotelijk zijn vast te stellen, wat let iemand te kiezen voor de optie van de vrijheid?

De tragiek van de dood van Lequier is in het licht van zijn filosofie een absolute keuze geweest. En evenzeer een keuze die de wereld op een andere manier heeft gevormd en een keten van nieuwe bewegingen in gang heeft gezet. Van de publicatie van zijn nagelaten werk in 1865 tot aan enkele romans van Charlotte Mutsaers tot aan het verschijnen van dit stuk. En wat ik er nog meer over ga zeggen, lezen en schrijven.

________________

Bronnen:
– Vincelette, A. (2009). Recent catholic philosophy. The 19th century.  Milwaukee, Wisconsin: Marquette University Press.

– Pagès. F. (1997). Frühstück bei Sokrates. Philosophen ganz privat. Aus dem Französischen von Christel Kauder. Munchen: Deutscher Taschenbuch Verlag.

– Charlotte Mutsaers. Heggenblad van Lequier, je woord gaat nog altijd op! In: De Revisor. Jaargang 25 (1998).

– Donald W. Viney Jules Lequyer: Prophet of Open Theism (2014). PDF. Zie: http://digitalcommons.pittstate.edu/phil_faculty/15/ Geraadpleegd tussen 5 juni en 20 juli 2016.

-Donald W. Viney Jules Lequyer. Bron http://www.iep.utm.edu/lequyer/ geraadpleegd tussen 5 juni en 20 juli 2016

– Voor een chronologie van het leven van Lequier zie: https://godisopen.com/2015/07/18/chronology-of-jules-lequyer-and-his-influence-on-subsequent-philosophy/.
Deze is klaarblijkelijk met permissie overgenomen van Donald W. Viney (2010), die deze tijdslijn publiceerde in zijn vertaling van Lequyer’s “The Hornbeam Leaf” (Pittsburg, Kansas: Logos-Sophia Press, 2010).

________________

1 Dit zou blijken uit een voorwoord van Charles Renouvier bij zijn postuum verschenen werk (1865), opgemerkt door Charlotte Mutsaers. In een biografische uiteenzetting van Donald Viney zou er echter sprake zijn van een acceptabele erfenis van zijn vader: ‘Upon leaving the École Polytechnique, Lequyer used the inheritance from his father to retire to Plermont where he lived with his mother and the family servant (…)’. Zie hier.
Noot: na een onderhoud met prof. Viney, is duidelijk dat er waarschijnlijk meer te zeggen valt voor het feit dat zijn vader hem een erfenis in plaats van een schuld naliet, en Lequier zelf de oorzaak was van zijn financiële malaise:

“There is indeed some question about the state of Lequyer’s finances when his father died. Here is what I wrote in “Incidents in the Life and Death of Jules Lequyer”:
Differing accounts exist of Lequyer’s financial situation after his father’s death. It is known that, after the death of Lequyer’s maternal grandfather (December 2, 1834) at the age of 71, the supplements to the Lequyer income from the Digaultrays ran dry. On the other hand, in 1837 Lequyer and his mother owned four houses and 82 acres of land (Huerre, 115). However, Renouvier claims that Lequyer’s father left a number of debts, which his son felt honor bound to pay, and which depleted his inheritance (Dugas 1924, 63).
Without doubting Renouvier’s sincerity, [Proper] Hémon questions his facts. He notes that, after Dr. Lequyer’s death, in an eleven year period from 1840 to 1851, the family property was sold and mortgaged (Huerre lists the sales, 115-116). In the end, only Plermont remained, and it too was mortgaged. In addition, Lequyer borrowed so much money from his friends that he could not pay them back. Finally, in 1844, Lequyer donated an important piece of land to the town of Saint-Brieuc on the sole condition that the new street would be named after Dr. Lequyer (which was done).
The conclusion of Hémon and [Baptiste-Marie] Jacob is that Lequyer was not the victim of his father’s debts, but rather the author of his own financial decline and ruin. Jacob goes further and claims that Lequyer was the dupe of his own theory of free will, which led him to misunderstand the rigorous conditions of actions (Hémon, 150-151).”

2 Vertalingen van mijn hand uit het Engels met behulp van Frans-Nederlandse vertalingen

Zonder deugd meer geluk. Een bespreking van De Lamettries geluksopvatting

Deze recensie is geschreven voor 8Weekly en daar als eerste verschenen. Benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan nu een kijkje op de site aldaar!

De Wereldbibliotheek is een uitgever die grossiert in literaire pareltjes waar je als lezer eerder toevallig tegen aanloopt, dan dat je er daadwerkelijk naar op zoek was. Het kan goed zijn dat Het geluk van  de Franse arts en filosoofLa-Mettrie,Julian-Offray (1709-1751) daar ook onder valt.

De 18e -eeuwse Franse filosofen hebben een onmiskenbare stempel gedrukt op de wijze waarop wij tegenwoordig naar de wereld kijken. Denkers als Diderot, d’Alembert en Voltaire hebben de Westerse weg geplaveid tot de mogelijkheid van het vrije denken over een staat zonder kerk, leven zonder onsterfelijke ziel en zin zonder God. Julien Offray de Lamettrie (feitelijk De la Metrie) past uitstekend binnen dit progressieve denken, waarbij hij het mechanische materialistische wereldbeeld dat door Thomas Hobbes reeds was voorbereid radicaliseert.

In zijn beroemdste filosofische werk uit 1747, L’Homme machine (vert. De mens een machine (Boom, 1994)), verdedigt hij dan ook de stelling dat er een naturalistische grond moet zijn voor zowel fysieke als psychische processen.  De Lamettrie keert zich daarmee af van de traditie van het metafysisch dualisme van Descartes, Malebranche en Leibniz. De mens is niets anders dan een enkelvoudig zelfvoorzienend systeem, bestaande uit dynamisch met elkaar verbonden organische delen. De mens is een levende machine.

Het veel minder invloedrijke en bekende, en nu door Jabik Veenbaas in het Nederlands vertaalde Discours sur le Bonheur (1748/1751) kan worden beschouwd als De Lamettries praktische filosofie volgend uit zijn deterministisch, ethisch-relativistisch, materialistische wereldbeeld.

Gelukkig zonder schuld

De Lamettries atheïsme en bijkomend zijn satirische sneren naar de in zijn ogen fröbelende collega-artsen hadden hem niet bepaald geliefd gemaakt. Vrij publiceren was dus geen sinecure. Het geluk verscheen daarom aanvankelijk als een inleiding op Seneca’s De beata vita, maar was feitelijk een op zichzelf luckstaande verhandeling tegen dat stoïcisme, die De Lamettrie meerdere keren intensief heeft bewerkt. De centrale gedachte in Het geluk rust op het idee dat geluk is voorbestemd door de natuur aan eenieder die zich er naar richt. Met andere woorden, geluk is niet afhankelijk van zaken als deugd en ondeugd, religieuze opvatting, sociale status en verantwoordelijkheid, terwijl die wel de kans op schuldgevoelens maximaliseren. Schuldgevoelens, en daarin acht De Lamettrie zich uiterst origineel, vormen de kern van ieder ongeluk; het is in alles een vruchteloze remedie. Gelukkig hij die in staat is door middel van reflectie zijn schuldgevoelens te onderdrukken!

Een gevolg is dat ook bijvoorbeeld de misdadiger volmaakt gelukkig kan zijn. Ook al bestaat volgens De Lamettrie de misdaad op zichzelf niet (p.86), een booswicht zonder schuldgevoelens zal gelukkiger zijn dan wie na een goede daad spijt krijgt dat hij die heeft verricht (p. 119). Het is niet vreemd dat De Lamettrie hierin vaak verkeerd is geciteerd of begrepen. Het feit dat een misdadiger naar zijn aard gelukkig kan zijn, is echter nog geen uitnodiging tot misdaad. De Lamettrie wil als filosoof begrepen worden, waarin hij een feitelijk systeem presenteert hoe ‘de geluksmachine’ werkt, zonder er een ethisch of moreel oordeel aan te hangen. Geluk is een vrucht die iedereen kan plukken. Arm, rijk, misdadiger, losbol, geleerde of onwetende; de natuur biedt de mogelijkheid gelukkig te zijn, zolang sociale structuren er geen roet in gooien.

Tijdsdocument

Jabik Veenbaas -filosoof, poëet en publicist- heeft zijn vertaling voorzien van een vlotte inleiding en verklarende noten, waarop (op wat schoonheidsfoutjes na) weinig is aan te merken. De Lamettries persoonlijke stijl is toegankelijk, maar is toch niet echt geestig te noemen zoals wordt gesuggereerd. Het is ook de vraag in hoeverre De Lamettries gedachten de hedendaagse lezer nog voldoende aan zullen spreken. Het boek is zeker een interessant tijdsdocument dat, vanuit de gedachte dat De Lamettries teksten zelfs de Nederlandse liberalen van die tijd schokten, lezenswaardig is. Maar filosofisch kraakt het inmiddels (logischerwijs) in de voegen. Hedendaagse denkers als Derk Peereboom of Daniel Dennett, hebben thematiek omtrent bewustzijn, determinisme en straf veel verder uitgewerkt en zelfs radicaler dan De Lamettrie zich kon voorstellen. De Lamettries organische verklaringen voor het geluk lijden onder achterhaald medisch gebabbel van aderlating tot modificatie van zenuwen. Het is ook geen verhaal om vrolijk van te worden, iets wat sowieso niet is toevertrouwd aan deterministische psychologie, en relativisme waarbij minachting geen kwaad heet of een lofprijzing iets goeds zou zijn.

Dat neemt niet weg dat dit geschrift een uitstekend inkijkje geeft in een vrije geest van weleer, die zonder angst schreef en bovendien de geneugten van het leven proefde met alle zintuigen die hij rijk was. Dat De Lamettrie niet lang na dit geschrift stierf aan een overdadige maaltijd, waarschijnlijk door een bedorven taart, is het vleugje ironie wat het leven dan weer heeft, maar dit boek wat meer had kunnen gebruiken.

En hier komt het geheim. Een bespreking van Garffs Kierkegaardbiografie

Deze recensie is geschreven voor 8Weekly en daar als eerste verschenen. Benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan nu een kijkje op de site aldaar!

Hier komt het geheim
Joakim Garff- Kierkegaard. Een biografie.

Joakim Garffs 800 pagina’s tellende biografie over de Deense filosoof Søren Kierkegaard (1813-1855) is 16 jaar na verschijning vertaald in het Nederlands door Edith Koenders en Jan Millekamp. De vermaarde, maar niet onomstreden biografie voegt een belangrijk hoofdstuk toe aan de groeiende Nederlandse Kierkegaard-bibliotheek.

kierkegaard biografieIn een inleidend werk uit 1952 noteert Gregor Malantschuk dat ‘De toekomst zal bewijzen of de belangstelling voor Søren Kierkegaard en zijn geschriften meer is dan een modeverschijnsel’ (p.11). Kierkegaard zelf heeft altijd volgehouden dat niet alleen zijn filosofie, maar juist ook zijn leven, ‘dat intrigerende geheim van de hele machinerie’, keer op keer bestudeerd zou worden en dat hij pas na zijn dood werkelijk goed begrepen kon worden. Inmiddels is duidelijk dat de internationale Kierkegaard-studie een van de meest veelomvattende hedendaagse filosofieprojecten vormt. Sinds het eerste nog uit het Duits vertaalde boek van Kierkegaard in 1886 verscheen, zijn willekeurig talloze artikelen en vertalingen verschenen, totdat Uitgeverij Damon vanaf 2006 begon met het systematisch uitgeven van Kierkegaards werk. Het einde daarvan is nog lang niet in zicht, waarbij een enkeling zelfs de hoop koestert dat Kierkegaards dagboeken ooit nog volledig in vertaling verschijnen. Dat nu bij Uitgeverij Ten Have de vertaling van Garffs geprezen Kierkegaard biografie verschenen is, bevestigt dat Kierkegaard ook in Nederland al lang geen modeverschijnsel meer is. Deze biografie maakt Kierkegaards leven en denken voor een nog breder publiek toegankelijk, zonder concessies te doen aan de complexiteit van diens karakter, denken en levenswandel.

Vertalen
corsaren3De Nederlandse vertaling is gebaseerd op de Deense jubileumuitgave die verscheen in 2013 ter gelegenheid van Kierkegaards 200ste geboortedag. Opvallend is dat een aantal hoofdstukken ontbreekt die in de oorspronkelijke uitgave uit 2000 en de daaropvolgende Duitse (2004) en Engelse vertaling (2005) wel zijn opgenomen. Volgens de uitgever omdat het voor de Nederlandse lezer om Deense, al te Deense uiteenzettingen zou gaan. Weggelaten is onder meer een beschouwing van het ondergrondse Kopenhagen destijds evenals een vermakelijke uiteenzetting van een nooit door Kierkegaard gepubliceerd werk over literaire snoeverij bij monde van A.B.C.D.E.F. Godthaab. Toch de moeite van het lezen waard, en voor wie Kierkegaard nog beter binnen zijn Deense context verstaan wil, zeker niet overbodig. Wie het Deens niet machtig is, maar wel die achtergronden wil lezen, kan altijd nog terecht bij de Engelse vertaling van Bruce Kirmmse.

De Nederlandse vertaling is al met al een 70 pagina’s ingekort, waar de lezer voor zolang hij het niet doorheeft niets van merkt. De vertalers hebben daarbij een complex werk dat aaneenhangt van nooit eerder vertaalde brieven, dagboekpassages, rapporten, krantenknipsels en de nodige filosofische fragmenten, om weten te zetten naar een vlot lezende tekst.

Vermaard controversieel
corsaren2De oorspronkelijke uitgave, die de belangrijke Deense ‘George Brandes literatuurprijs’ won, is desalniettemin sinds verschijnen onderwerp van stevig academisch debat. Hoewel internationaal vrijwel alle recensies lovend zijn, heeft met name Peter Tudvad in uiteenlopende commentaren gewezen op de vele fouten die te vinden zouden zijn in de biografie. Garff zou fouten en valse speculaties uit secundaire literaire bronnen hebben overgenomen en bovendien gedreven door sensatiezucht Kierkegaard een nauwelijks onderbouwde duw hebben gegeven richting het beeld van een dweperige dandy. Garff zou ook geregeld met een Freudiaanse bril op geneigd zijn tot absurde insinuaties, en toegegeven: ‘Met ambivalente gevoelens en misplaatste loyaliteit, die haast te vergelijken is met de paradoxale toewijding van een incestslachtoffer, laat Kierkegaard ons meestal tussen haakjes weten dat zijn vader de beste van alle vaders is’ (p. 39-40), is op zijn minst een ongelukkige woordkeuze.

In het in 2004 verschenen artikel En uvidenskabelig biografi om Kierkegaard stelt Tudvad vast dat Garff bovendien schuldig is aan plagiaat, vanwege het geregeld zonder (juiste) bronvermelding overnemen van teksten uit eerdere Kierkegaardstudies, met name Jørgen Bukdahls Søren Kierkegaard og den menige mand uit 1961. Ondanks zijn faam zou het boek zonder twijfel ‘afgewezen worden als masterscriptie’ maar desondanks ‘wordt het als de meest gezaghebbende biografie beschouwd van wellicht de grootste Deense denker allertijden’.

Naast deze scherpe kritiek wijst ook de Amerikaanse filosofe Marilyn Piety al geruime tijd op de onterechte waardering die Garff ontvangt. Haar felle aanvaringen met de vertaler van de Engelse uitgave Bruce Kirmmse zouden zelfs op vriendjespolitiek duiden en het moedwillig verbloemen van frauduleuze passages. Een nader te verschijnen studie van haar hand getiteld Fear and Dissembling: The Copenhagen Kierkegaard Controversy zou een definitief overzicht moeten geven van de lacunes in Garffs biografie, en het probleem van het onderscheiden van biografische feiten en fictie.

Het is echter de vraag of deze studie ooit het daglicht zal zien, nu deze al enige jaren is vertraagd en Garff met de jubileumeditie een aantal kritiekpunten lijkt te hebben ontmanteld. Althans, in zijn nieuwe voorwoord noteert Garff dat ‘voor zover de omstandigheden dat toelieten’ hij de aantekeningen die Tudvad heeft geplaatst bij zijn academische aanpak in de oorspronkelijke uitgave in deze editie ten goede heeft laten komen. Dat is een vriendelijke manier van zeggen dat hij zich de kritiek enigszins heeft aangetrokken. De psychoanalytische kijk en het beeld van de jonge Kierkegaard als ijdele dandy zijn echter niet verdwenen. Overigens ironisch genoeg liet Kierkegaard zich in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten nooit fotograferen, waardoor we zo weinig idee hebben van hoe ‘deze scheve kabouter met zijn te hoge schouders en dunne benen’ (p. 296) er werkelijk uitzag. De bekende romantische beeltenis van de jonge Kierkegaard getekend door zijn neef Niels Christian Kierkegaard siert ook de Nederlandse cover.

‘Het heeft geen nut om te lijden zoals ik lijd en dan niets te doen als je leven toch geen enkele betekenis heeft. Maar hier komt het geheim: de betekenis van mijn leven correspondeert juist met mijn lijden.’

Hij werd geboren, werkte en stierf
corsaren1Het leven van Kierkegaard laat zich in enkele regels vertellen, noteert Frits Florin in een bloemlezing (2003). Het zou ook weinig spectaculair zijn. Dat zijn twee vergissingen: wie Kierkegaards levensverhaal bestudeert, komt onvermijdelijk tot de conclusie dat Kierkegaard meer overhoop heeft gehaald in 43 levensjaren dan menigeen voor zich zou wensen. Ook het eenvoudige leven kan spectaculair zijn. Kierkegaards ambivalente jeugd, dramatische liefdesverhouding met Regine Olsen, voortdurende opstand tegen de massa en de verwoestende aanvallen op de Deense Staatskerk: dat is opzienbarend. Daarbij, iemands leven in enkele regels uit de doeken doen is juist bij Kierkegaard de valkuil die men moet vermijden, omdat geen levenswandel zo verbonden is met de filosofische ontwikkeling als bij Kierkegaard.

Garff verweeft wat dat betreft nadrukkelijk leven en denken met elkaar, en erkent in zijn inleiding dat hij kritischer, historischer en minder eerbiedig te werk is gegaan dan voorgangers. Niet alleen de grote gebeurtenissen, maar ook de kleine voorvallen en bijkomstigheden moeten verteld worden. De biografie is een zoektocht geweest naar ‘de scheuren in het graniet van zijn genie, naar de gekte die vlak onder de oppervlakte school, naar zijn intensiteit en de prijs die hij (…) heeft moeten betalen voor zijn maniakale geschrijf, en naar de onpeilbare ondoorgrondelijkheid van deze man, met wie je nooit helemaal klaar bent’ (p. 17). Met dit boek heeft Garff beoogt ‘zo uitgebreid mogelijk een complexe Kierkegaard te beschrijven’ (idem).

Garff heeft ervoor gekozen het verhaal van geboorte tot na de dood onder te kierkegaardverdelen in vijf kenmerkende perioden waarbij de belangrijkste bronnen Kierkegaards correspondentie en dagboekfragmenten zijn. Opmerkelijk is dat Kierkegaards roemruchte notitie IV A 85 ontbreekt in een herschreven hoofdstuk ‘Oefening achter de coulissen’ waarin hij schreef: ‘Na mijn dood, en dat is mij een troost, zal niemand in mijn papieren één verklaring vinden over datgene wat eigenlijk mijn leven vervuld heeft; niemand zal in mijn innerlijk de sleutel vinden die alles verklaart (….)’. Wellicht heeft Garff gemeend dat hoe hij dit ook uitlegt of nuanceert het een te grote schaduw werpt op de biografische poging.

Een ander belangrijke bron die Garff benut is Kierkegaards Gezichtspunt voor mijn schrijverswerkzaamheid (vert. 2015) waarin Kierkegaard een verantwoording geeft over de totstandkoming en duiding van zijn (pseudonieme) geschriften. Hier toont zich de moeilijkheid van ‘objectieve levensbeschrijving’. Garff geeft niet louter een presentatie van levensfeiten, maar kiest bewust voor een interpretatie waarin hij in dit geval veronderstelt dat Kierkegaards autobiografische verantwoording een product is van de fantasie met hier en daar een passage die ‘het midden houdt tussen een vervalsing en een parodie’ van de realiteit (p. 542). C. Stephen Evans (2009) betwist dit punt echter stellig en wijst op de gevolgen voor de Kierkegaard-studie wanneer men uitgaat van zulke ‘postmoderne verwijten’. Volgens Evans moeten we Kierkegaard meer geloofwaardigheid toekennen in zijn bekentenissen, dan Garff veronderstelt.

Veelkleurige vertelling
Garff laat er geen misverstand over bestaan dat zijn studie een poging is om de afstand tussen het vertellen van een goed verhaal en het presenteren van een ware geschiedenis zo klein mogelijk te houden. In dat opzicht leest zijn biografie als een sterk gedocumenteerde roman, en is ze veel uitgebreider en beter dan Peter Thielsts Het verhaal van Søren Kierkegaard. Roman over het leven van een filosoof (vert. 1999). Uit de lucht gegrepen beweringen dat Kierkegaard een trouw bezoeker zou zijn van het bordeel en wijnhuis (p. 144), treft men in Garff niet aan zonder het nodige voorbehoud (p. 112-118). Garff is ook toegankelijker dan de bijna 500 pagina’s tellende ‘intellectuele biografie’ Kierkegaard A Biography van Alastair Hannay (2001) die als eerste alternatief van recente Kierkegaard-biografieën moet worden genoemd. Ook Hannay is overigens breed bekritiseerd, wat eens temeer duidelijk maakt dat er niet zoiets kan bestaan als de ‘definitieve biografie’ waarmee uitgever Ten Have schermt of een ‘waarschijnlijk definitieve presentatie van feiten’ zoals de Frankfurter Algemeine Zeitung meende. Daarvoor heeft Kierkegaard teveel raadsels en geheimen achtergelaten.

Garffs biografie is een veelkleurige vertelling die op eigen wijze deze geheimen en raadsels tegemoet treedt en dat indrukwekkend doet. Zolang er geen gelijkwaardige biografische inspanningen het daglicht zien, is dit boek nu ook voor de Nederlandse Kierkegaardlezers een eerste en onmisbare toegang tot het leven en denken van de Deense spion in dienst van het Hogere.

Jezelf anders zien: een bespreking van Jan Keijs alternatieve Kierkegaardstudie

Deze recensie is geschreven voor 8Weekly en daar als eerste verschenen. Benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan nu een kijkje op de site aldaar!

De Deense filosoof Kierkegaard (1813-1855) interpreteren vanuit een seculier of atheïstisch oogpunt; is dat revolutionair of eerder provocerend? Jan Keij excuseert zich er overmatig voor en presenteert een alternatieve inleiding voor gevorderden.

soren kierkegaardTerwijl Kierkegaard-minnend Nederland uitziet naar de lang verwachte vertaling van het Afsluitend onwetenschappelijk naschrift of het te verschijnen biografische standaardwerk van Joakim Garff voor ons taalgebied, is er Jan Keij met een nieuwe Kierkegaard-studie. Keij, gepromoveerd op de Frans-joodse filosoof Levinas, belooft in Kierkegaard anders gezien ‘een geheel eigen en nieuwe kijk op Kierkegaard’. Dat zou revolutionair zijn, want de (internationale) Kierkegaard-studie is een van de meest veelzijdige en becommentarieerde gebieden in de hedendaagse wijsbegeerte. Er is werkelijk niet veel onontgonnen terrein over om nog met ‘een geheel nieuwe kijk’ op Kierkegaard te komen.

Keij lijkt dan ook niet zozeer met iets nieuws te komen, maar eerder met een ongebruikelijke invalshoek. Vanuit zijn kennis van Nietzsche en Levinas en met behulp van het deconstructivisme van Derrida komt hij met een postmoderne interpretatie van Kierkegaard, waarbij Kierkegaard ruimte lijkt te verschaffen voor een seculiere levensbeschouwing. De kritiek op postmoderne interpretaties van Kierkegaard is al vaak benadrukt (vgl. Walsh 1991, Rudd 1998), wat niet betekent dat er niets goeds van kan komen (Dooley, 2001).

Gevorderden
Keijs hele boek leest als een inleiding op Kierkegaard voor gevorderden waarbij belangrijke inzichten van Kierkegaard zoals angst, vrijheid, geest, zelf en paradox uiteen worden gezet op een manier die voor de hand lijkt te liggen. Rode draad van het boek is een schema dat grotendeels ontleent is aan de opening geschreven door Kierkegaards pseudoniem Anti-Climacus in De ziekte tot de dood:

    ‘De mens is geest. Maar wat is geest?  Geest is het zelf. Maar wat is het zelf? Het zelf is een verhouding die zich tot zichzelf verhoudt. Het zelf is niet de verhouding, maar dat de verhouding zich tot zichzelf verhoudt (…).’

Kierkegaards knipoog naar de Duitse filosoof G.W.F. Hegel (1770-1831) in deze tekst, die bekend stond om zijn ondoorgrondelijke taalgebruik, wordt door Keij verder opgepakt, uitgelegd en uitgewerkt.

Keij plaatst Kierkegaards verhouding tot Hegel, die met zijn dialectisch Systeem het individu leek te vernietigen, in perspectief waarbij Kierkegaard als differentiedenker of verschildenker wordt opgevat: iemand die fundamentele kritiek levert op eenheids- of systeemdenken. Het individu, de enkeling, die ene mens, kan nooit opgeheven worden in een krachtenspel van ideologieën. Kierkegaards excentrische positionaliteit, de mens beschouwend als ‘dat dubbelzinnige, dialectische wezen van het tijdelijke en het eeuwige, van lichaam en ziel, van vrijheid en noodzaak, van eindigheid en oneindigheid’ (p. 72) toont de mens die ten diepste appèlgevoelig, zich tot zichzelf en de ander verhoudt zonder er mee samen te vallen.

De Franse denker Gilles Deleuze zag Kierkegaard in 1968 in Différence et répétition al als voorloper van het differentiedenken. Keij borduurt daar op voort en combineert existentiële thema’s zoals verveling, wanhoop en het huwelijk met de opvatting dat Kierkegaards filosofie net als die van Levinas het absolute verschil van het menselijke individu benadrukt. Ieder mens is uitzonderlijk verschillend van anderen, wat hem juist deelgenoot maakt van de mens. Dit kader tenslotte reikt allerlei mogelijkheden aan om Kierkegaards filosofie op onszelf te betrekken en na te gaan welke betekenis deze heeft voor mij. Hoe kan ik handelen? Hoe zou ik leven? Wie ben ik?

Aanstoot
Zoals opgemerkt leest het boek als een inleiding voor gevorderden. Er zijn zelfs een bibliografie en register aanwezig. Juist daarom is het storend dat Keij zijn hele verhaal opbouwt met het knippen en plakken van fragmentjes uit Kierkegaards oeuvre zonder context. Citaten met paginaverwijzingen naar de seculieroriginele bron zijn bij uitstek in filosofische werken een must. Daarnaast dient het de lezer duidelijker te zijn dat alle citaten nadrukkelijk worden verdedigd door een pseudoniem van Kierkegaard en niet door Kierkegaard zelf. Keij schenkt aan dat laatste wel minieme aandacht (p. 25), maar lijkt het zo uit te leggen dat daarmee zijn eigen interpretaties dus gelegitimeerd zijn: hij reageert niet op Kierkegaard, maar op ‘een derde’. Is dat Kierkegaard anders zien?

Een ander opvallend kenmerk van het boek, is Keijs nadrukkelijk aanwezige angst -of beter vrees- om zijn seculiere lezer te verliezen of voor het hoofd te stoten. De door het boek verweven bewegingen van anti-metafysering, waarmee Keij met veel moeite zijn seculiere lezers tracht te behouden, zijn de zwakste schakels in het lopende verhaal. ‘We moeten zelf de Messias zijn’, schrijft Keij (p.253). Dat Kierkegaard zijn hele schrijverswerkzaamheid heeft verklaard vanuit maar één doel, namelijk om christen te worden, vindt Keij niet zo relevant: uit de teksten kan men ook op een creatieve manier een humanisme abstraheren. De Liefde is een universeel menselijke waarde, waarvoor het christendom niet nodig is om dat te begrijpen. God kan worden afgeschaft, zijn bestaan doet er niet toe. Kierkegaard veegt bij monde van eveneens Anti-Climacus de vloer aan met dergelijke opvattingen in Oefening in Christendom (vgl. Taels, 1991, p. 158), maar Keij lijkt zich te verschuilen achter een hermeneutiek die synoniem lijkt voor anything goes. En gek genoeg is dat ook weer de kracht van het boek: het levert een vrije filosofische oefening op.

‘Hier ben ik’
Het bezwaarde gemoed en de onschuldWant Keij toont zich wel een echte denker die de lezer nadrukkelijk bij de hand neemt en hardop diepzinnig speculeert over grote thema’s van het leven op basis van handreikingen die hij bij Kierkegaard aantreft. Leunend op het adagium dat de subjectiviteit, de innerlijkheid de waarheid is, mondt het hoogtepunt van het boek uit in een onvermijdelijke interpretatie van Kierkegaards klassieker Vrees en beven. Met  inzichten van Levinas en Derrida zet Keij het Offer van Abraham zo uiteen, dat de lezer telkens gedwongen wordt zich reflexief te verhouden tot de tekst. Keijs demystificatie en ontreligisering pakken hier goed uit, al rust een en ander erg zwaar op Derrida’s interpretatie van Vrees en beven in De gave van de dood. Het appèl dat Keij uiteindelijk op de lezer doet kan worden samengevat als: ‘Hier ben ik!’ En gelijk Abraham het zei tegen God, zouden wij het vaker moeten zeggen tegen onszelf.

Keij heeft een werk afgeleverd waarin de lezer aan het werk wordt gezet. Het is geen eenvoudig boek, maar binnen het perspectievencircus die de filosofie kan zijn, heeft Keij voor het Nederlandse taalgebied een aparte inleiding op Kierkegaard geschreven, waarin vele lezers veel verschillende dingen zullen ontdekken. Enerzijds 2 sterren vanwege genoemde bezwaren, maar anderzijds 4 sterren  vanwege de diepte die Keij in de interpretatie  weet te leggen. Kierkegaard zou dan uitkomen op 3 1/2 ster.

 
Verder lezen:

Kierkegaard anders gezien. Over de denker die het verschil maakt
Schrijver: Jan Keij
Uitgever: Boekencentrum B.V.
Prijs: €19,95
Bladzijden: 268
ISBN: 9789086871681

– Walsh, S. (1991). Kierkegaard and postmodernism. International Journal for Philosophy of Religion 29 (2):113-122.
– Rudd, A. (1998). Kierkegaard’s Critique of Pure Irony in: Pattison, G. & Shakespeare, S., Kierkegaard on Self and Society, p. 82-96.
– Dooley, M. (2001). The Politics of Exodus. Soren Kierkegaard’s Ethics of Responsibility.
– Taels, J. (1991). Soren Kierkegaard als filosoof. De weg terug naar het subject.
– Derrida, J. (2006). De gave van de dood.

Men kan zichzelf geen raadsel opgeven: Een introductie bij Friedrich Hebbel

~Men kan zichzelf geen raadsel opgeven~
Een introductie bij Friedrich Hebbel

en zijn werk:

Een blinde bij zonsopgang
Bladen uit een dagboek

Friedrich Hebbel. Een blinde bij zonsopgang. Bladen uit een dagboek.Niet zelden leidt het toeval je naar literaire pareltjes die je anders nooit was tegengekomen. Zoveel boeken die liggen te wachten om te worden ontdekt, maar alleen door het toeval onder het stof der vergetelheid kunnen worden gehaald. Zo kwam ik in een citatenboek een aforisme tegen van de Duitse dichter, schrijver en filosoof Friedrich Hebbel (1813-1863) en ben ik naar aanleiding daarvan gaan kijken of er Nederlandstalige literatuur beschikbaar was.

Het enige beschikbare boek, naast een vertaalde roman van Sibylle Knauss over het leven van Elise Lensing, de tragische geliefde van Hebbel aan wie hij zich nooit binden kon, bleek nummer 198 te zijn uit de beroemde reeks Privé-domein van de Arbeiderspers. Het gaat hier om een verzameling dagboekfragmenten die Hebbel van 1838 tot 1863 bijhield en is gebundeld onder de poëtische titel Een blinde bij zonsopgang.

Ik kocht onmiddellijk een exemplaar en toen het me na een paar pagina’s lezen al zo goed beviel nog één. Nu had ik een exemplaar om in te schrijven en stuk te lezen en een exemplaar om te bewaren. Noem dat een gezonde trek van een boekenliefhebber.

Het 341 pagina’s dikke boek is voor een habbekrats volop verkrijgbaar via tweedehands kanalen en heeft waarschijnlijk nog in de ramsj gezeten. Het verscheen in 1996 vertaald, geannoteerd en van een verantwoording voorzien door Klaus Siegel en was toen te koop voor een prijs van fl. 59,90.

Onderstaande tekst is een introductie op weg naar het lezen van Hebbels dagboekfragmenten, waarmee ik hoop dat de lezer naar aanleiding hiervan er met enthousiasme aan begint.

Een blinde bij zonsopgang
Hebbel zag zijn leven als een langzame terechtstelling van zijn innerlijk. De tragiek die Hebbel aan het leven toekent, kent hij maar al te vaak ook aan zichzelf toe. Op het pathetische af:

Door mijn karakter is mijn leven al bij voorbaat tot mislukking gedoemd. Misschien moet het geluk niets van me hebben omdat het beseft dat er met mij toch niets valt te beginnen. (p. 139).

En in talloze passage valt te proeven hoezeer hij poëtisch lijdt aan het leven:

De kiem van alle ongeluk in mijn leven ken ik maar al te goed: Het is mijn dichterlijke talent. Het is te groot dan dat ik het zou kunnen onderdrukken en te klein dan dat het mij voor alle moeite die ik eraan besteed, naar rato zou kunnen belonen. (p.68)

De naam Friedrich Hebbel heeft bij iedereen die ik ermee heb lastig gevallen geen enkel belletje doen rinkelen. Hebbel was zelf geen liefhebber van zijn eigen naam. Hij noteert indachtig zijn uiteindelijke vrouw Christine Enghaus:

Merkwaardige situatie tussen mijn vrouw en mij: zij houdt van mijn naam Friedrich en spreekt hem graag uit, ikzelf heb er een vreselijke hekel aan. Aan wie is het nu, rekening met de gevoelens van de ander te houden en zijn eigen gevoelens op te offeren? Ik geloof in haar, zelfs twijfel ik er niet aan dat ze me evengoed Friedrich, de ‘vrede-rijke’, zou noemen als ze besefte dat ik allesbehalve rijk aan vrede ben en me daarom zo ongaarne Friedrich laat noemen. (p. 211).

Hoeveel zelfbeklag ook, de Duitser die leefde in wat misschien wel het meest dynamische tijdperk van de Europese geschiedenis kan worden genoemd, werd toch tegen het einde van zijn leven herkend en erkend als groot schrijver. In de literatuurkritiek geldt hij tegenwoordig als de enige toneelschrijver van betekenis uit de Realistische periode. De dagboeken die hij vanaf zijn 23e levensjaar bijhield (vanaf 23 maart 1835) laten een intense worsteling zien met het leven waarbij zelfmedelijden, hoop, gedoseerde arrogantie en de zoektocht naar erkenning afgewisseld worden met levenswijsheden, anekdotes en scherpe beschouwingen over het leven van alledag.

Dat verklaart ook de keuze van de titel ‘Een blinde bij zonsopgang’ die de vertaler bedacht: ‘In het vacuüm tussen geluk en ellende is het oeuvre ontstaan van een schrijver die zichzelf als een blinde bij zonsopgang beschouwde. Hij wist dat het geluk bestond, maar hoe het eruitzag ontdekte hij pas zeer laat.’ (p. 9). Hebbel noteerde de frase  ‘Een blinde bij zonsopgang’ zelf ergens rond mei 1837, als hij nog aan het begin staat van een lange schrijfweg en een turbulente zoektocht naar geluk, erkenning en liefde. Later merkt hij ook nog op: ‘de mens is een blinde die droomt van het zien’ (p. 75). Dat is in ieder geval zijn eigen droom.

Wat het boek aantrekkelijk maakt om te lezen is dat een werk als dit niet oprechter kan worden geschreven worden, al is het duidelijk dat Hebbel altijd rekening heeft gehouden met de publicatie van zijn dagboeken:

Er is niemand die schrijft zonder dat hij met zijn autobiografie bezig is, en dat is nog het sterkst het geval naarmate hij zich er minder van bewust is. (p. 49).

En zo luiden zijn allereerste zinnen:

Ik begin dit cahier niet met de vooropgezette bedoeling mijn toekomstige biograaf ermee te plezieren, ofschoon ik gezien mijn kansen onsterfelijk te worden er zeker van kan zijn dat me een biograaf ten deel zal vallen.

En soms laat hij een tekst voorafgaan met: ‘Ten behoeve van mijn biografie’.

Hebbel schrijft het omdat hij schrijven wil. En geen enkel werk biedt zoveel vrijheid om te schrijven dan een aan de publiciteit onttrokken dagboek. En daarbij: hier spreekt een 22-jarige knul met bravoure zoals tijdgenoot Kierkegaard met bravoure voorspelde dat Vrees en beven (1843) hem eeuwige roem zou bezorgen terwijl er een amper paar honderd boekjes waren verkocht. Hebbel hoopt vooral dat hij de vergetelheid zal weten te trotseren. Krijgt hij gelijk, dan is het goud en krijgt hij geen gelijk, dan maalt niemand erom. Dat Hebbel zijn leven lang heeft willen bewijzen dat ook eenvoudige mensen in staat zijn tot groots denken maakt hem een kind van zijn tijd, waarin de vanzelfsprekendheid van meritocratie nog in de verste verte geen gemeengoed was.

Aan de hand van het thema ‘aforismen’ zal ik Hebbel kenschetsen op basis van gekozen fragmenten, die ik aanvul met een korte overweging. Er zijn veel meer thema’s denkbaar zoals ‘ergernissen en succes’ of ‘boze brieven aan beduidende mensen’, maar daarvoor is de lezer uitgenodigd die zelf op te pakken uit het dagboek. Aan het thema ‘liefde en tragiek’ was ik nog wel begonnen, maar de complexiteit daarvan heeft me na enkele pagina’s schrijven doen besluiten dat te staken. Meer over dit toch pakkende thema treft men aan in Klaus Siegels Het bevroren vuur van Friedrich Hebbels Brieven. In: Maatstaf 11/12 1987, pag. 70 e.v. of in het eerder genoemde boek van Sibylle Knauss (1981) Ach Elise – oder Lieben ist ein einsames geschäft. 

Aforismen
Een dagboek zonder aforismen is als liefde zonder romantiek: dat kan eigenlijk helemaal niet. In een literaire wereld waar het er vooral om draait langere samenhangende teksten te produceren, is het aforisme een zwaar onderschatte kunst.

Het is alsof het fragmentarische altijd een bijzondere verantwoording vereist. Toch kun je mij nergens meer een plezier mee doen dan met een verzameling weloverwogen aforismen, stelregels over de menselijkheid en zinspreuken op basis van inzicht in het leven. Het zet op een unieke manier aan tot zelfkritisch nadenken. Een treffend aforisme verraadt altijd een scherpe geest die behept is met een goed observatievermogen. Hebbels dagboeken worden gekenmerkt door een dergelijk vermogen.

Bij herlezen heb ik enkele fragmenten gekozen waar een bijzondere zeggingskracht vanuit gaat. Ik heb ze aangevuld met een eerste overweging met de bedoeling dat het leidt tot zelf verder denken.

  • Met ieder mens verdwijnt er een geheim uit de wereld. (Onverschillig om welke mens het gaat.) Een geheim dat vanwege zijn specifieke opzet slechts door die éne mens kon worden ontdekt en dat niemand na hem ooit zal ontdekken. (p. 58)

Heeft een dergelijk geheim zin? Kan iemand uit de wereld verdwijnen en het geheim hebben prijsgegeven? Is dit een ode aan de individualiteit?

  • Tot aan zijn dood kan ieder mens het zonder spijs en drank stellen; men noemt dit evenwel verhongeren. (p. 62)

Een dergelijke vorm van ironie gebruikt Hebbel vaker. Zijn korte verhaaltjes over moord en doodslag die in het dagboek verspreid zijn hebben iets geestig in hun ernst. Overigens noteert Hebbel enkele zinnen later ‘Een vette bedelaar’ en ‘Zich verhangen om niet te verhongeren’. (p.63). Hebbel moet in die tijd op de een of andere manier een indruk hebben gehad waardoor hij tot bovenstaande notities is gekomen. De aanleiding is misschien een reëel gevoel van honger dat hem heeft geraakt?

  • De mens kan zichzelf het best als een experiment van de natuur beschouwen. (p. 66)

De actuele tekst, zo merkt ook de vertaler op in een naschrift. Het opkomende existentialisme wat zijn oorsprong vindt bij Kierkegaard en later verder wordt geïnterpreteerd door de Duitse en Franse filosofen wortelt feitelijk in een zin als deze.

  • Zelfmoord is altijd een zonde wanneer een detail er de aanleiding toe geeft en niet het leven in zijn geheel. (p. 92)

Wie pleegt zelfmoord omwille van een detail? Dat is een gruwelijke gedachte! Ik geloof niet dat de zelfmoordenaar in staat is om te onderkennen dat het gaat om een detail wanneer hij een einde aan zijn leven maakt…

Veel later merkt Hebbel nog iets interessants op over de zelfmoordenaar: ‘Zelfmoordenaars schrikken terug voor heldere meertjes waarin de zon wordt weerspiegeld. Ze werpen zich in sombere putten of moerassige vijvers.’ (p. 270)

  • Zodra ze een kind heeft houdt de vrouw alleen nog maar zoveel van een man als hij van het kind houdt. (p. 104)

Deze stelling heb ik hier en daar aan mensen voorgelegd en ze leidt tot onmiddellijke stellingname (die alle kanten op kan). Iets om zelf uit te proberen.

  • Veel mensen onderscheiden zich daardoor dat, als er ergens geen beul aanwezig is, ze onmiddellijk staan te dringen diens functie over te nemen. (p. 107)

Hebbels fragmentarische wijsgerige antropologie is geen vrolijke. Dit gezegde is feitelijk een lugubere variant van het gezegde ‘de beste stuurlui staan aan wal.’

  • Er zitten vlekken op de zon. Maar die geven geen schaduw. (p. 125)

Dit zijn typische observaties van een zich verwonderende geest, die geen nadrukkelijke overdenking verlangen, maar meer een uiting zijn van hoe men verwondering uit kan spelen met taal.

  • Zichzelf kan men geen raadsel opgeven. (p. 181)

Hebbel noteert dit in 1850 op 2 juli nogmaals: ‘Je kunt jezelf geen raadsel opgeven.’ (p. 237), waar hij dit eerder in februari 1844 had bedacht. Ik moet onmiddellijk denken aan mensen die met zichzelf schaak spelen: voortschrijdend inzicht maakt dat ze toch een tegenstander kunnen zijn van zichzelf en zich kunnen verrassen bovendien door een probleem wat ze in eerste instantie zelf hebben gecreëerd.

  • ‘Niemand is onafhankelijk, nog niet eens de mens die zich aan een balk zou verhangen, hij blijft afhankelijk van de balk.’ (p. 220)

Soms plaatst Hebbel zinnen tussen aanhalingstekens. Dat duidt erop dat hij een dergelijke zin waarschijnlijk ergens heeft gelezen of opgevangen. Uiteindelijk slaat het bovenstaande op het al oude metafysische principe: ‘alles komt voort uit iets.’

  • Er bestaat weliswaar een Latijnse, een Griekse, een Engelse taal enzovoorts, maar geen Latijnse, Griekse, Engelse et cetera wiskunde. Dat lijkt me het beste bewijs dat de taal niet logisch van aard is. (p. 287).

Hier waag ik mij maar niet aan. Bertrand Russell en Wittgenstein hebben hun leven gewijd om te proberen alledaagse taal te vertalen naar een logische vorm, die in zijn volmaaktheid elke dubbelzinnigheid uit zou moeten sluiten. Niet met onverdeeld succes.
_____________

Hebbels dagboeken bestaan uiteraard uit zoveel meer dan uit treffende inzichten en wonderlijke observaties, waarvan ik er hier een paar heb overgenomen. Brieven, reisverslagen, liefdesperikelen, ontboezemingen en, samenvattend, een niets verhelende blik in een innerlijk, maken dit boek een waardevolle spiegel voor iedere lezer die zichzelf net als Hebbel voor de nodige levensraadsels stellen wil.

Iemand moest Theo van W. belasterd hebben…

Deze recensie is geschreven voor 8Weekly en daar verschenen als Special. Benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan een kijkje op de site aldaar.

Gevallen vogel‘Iemand moest Theo van W. belasterd hebben, want zonder dat hij iets kwaads had gedaan, werd hij op een morgen gearresteerd.’ Zo begint het autobiografische Gevallen vogel van Theo van Willigenburg niet, maar het is wel de strekking van het merendeel van de 528 pagina’s. Een kafkaësk en verontrustend boek.

Dr. Theo van Willigenburg (1960), voormalig decaan en hoogleraar ethiek aan de Erasmusuniversiteit, zal de rest van zijn leven worden geassocieerd met twee geruchtmakende rechtszaken die verband houden met ontucht met minderjarige jongens, allen lid van het Roder Jongenskoor. De eerste zaak, waarin hij heeft bekend, liep in december 2005 uit op een voorwaardelijke veroordeling. De tweede rechtsgang, waarin Van Willigenburg onschuld bepleitte en nog bepleit, monde in 2010 uit in een veroordeling tot 18 plus 8 maanden gevangenisstraf voor ontucht met drie jongens, wat door het Hof werd bevestigd. Het cassatieberoep werd verworpen door de Hoge Raad.

Sinds 27 juli 2012 is hij definitief op vrije voeten en nu is er een poging tot rehabilitatie en een forse aanklacht tegen het rechtssysteem in de vorm van dit boek. Het is een tour de force om Van Willigenburg ter wille te zijn, want hoe onbevangen de lezer ook probeert te zijn, Van Willigenburg is natuurlijk alles behalve een objectieve partij. Want hoe zeer hij ook tracht ‘zijn verhaal’ eerlijk te vertellen, het is vechten tegen argwaan. Hij is een Lance Armstrong die het ware verhaal komt vertellen.

Matteüs 23:3
En de argwaan is niet zonder argument. Allereerst kampt het boek met één haast onoverkomelijk probleem. Wie namelijk het ene zegt (als hoogleraar ethiek), maar het andere doet (ontucht plegen met een dertienjarige, ontluikend homoseksuele koorjongen) merkt zichzelf met een enorm negatief stempel dat zeer moeilijk is af te spoelen. Voor zover ontuchtplegers al niet een onoverbrugbare achterstand hebben in een polemiek, heeft Van Willigenburg gewoon een groot probleem met zijn geloofwaardigheid. En hij weet het: zelfs zijn oprechtheid kan worden uitgelegd als een dubbele beweging: manipulatief en geveinsd voor een hoger doel. Hij zou er intelligent genoeg voor zijn. Daarmee is niet gezegd dat hij geen tweede of derde kans verdient, of dat we niet kritisch moeten kijken naar wat hij te berde brengt, maar dit boek had beter door een ander geschreven kunnen worden.

Want dat brengt ons bij een tweede probleem. Van Willigenburg hekelt de waarheidsvinding in ons rechtssysteem grondig (o.a. p. 386-387, 396), maar het ontbreekt in zijn boek aan bronnen en noten. Hij citeert lustig uit allerlei mogelijke verslagen, maar de lezer heeft niets in handen om de context te achterhalen. Zelfs advocaten worden merkwaardig onder pseudoniem genoemd (er bestaat geen mr. Richard Weermans of een mr. Bronkhorst). Verder laat Van Willigenburg velen ‘letterlijk’ aan het woord, maar het ziet er naar uit dat het zijn indruk weergeeft van welgevallige gesprekken. Wat er overblijft voor kritische lezers is de uitspraak uit 2009 van de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht. En ook dat document, met enkele belastende en kritische passages uit brieven die in het boek niet worden aangehaald, spreekt niet bepaalt in het voordeel van Van Willigenburg.

Daarbij, en dat is misschien een kwestie van smaak, wordt er wel erg vaak gesproken over de mannelijke schoonheid. De beeldschone Marokkaan op cel 12, Reggi de mooie Antilliaan, de knappe Surinamer op cel 18, bewaker Robert de blonde knapperd, Jelle, die knappe dertiger van de therapie, filosoof Agamben als een beeldschone jongeling… Schoonheid, Van Willigenburg – getrouwd omwille van het verschoningsrecht met de bekende predikant Pieter Oussoren – is er verzot op (p. 194). Het is niet verboden om te zijn blijven hangen in Kierkegaards esthetische stadium, maar het leest in deze context wel bijzonder ongemakkelijk. Zeker wanneer in ogenschouw wordt genomen dat ook de dertienjarige ‘Nils’ waarmee het verkeerd afliep erg bij Van Willigenburg in de smaak viel (‘Hij was zonder meer een mooie jongen (…)’, p. 164).

Sowieso zijn alle logeerpartijtjes in huis met jongelingen, waar geregeld sprake van blijkt in het boek, ongemakkelijk om te lezen, laat staan het amoureuze gedoe met ‘Rolf’, die kust, nog meer kust, omhelst, verliefd is en waarvan Van Willigenburg moet bekennen: ‘Laat ik eerlijk zijn (…). Er is misschien wat gebeurd toen hij achttien of negentien was. Nooit daarvoor. Ik keek wel uit!’ (p. 249). Maar het is wel onder andere deze Rolf die hem nog veel verder in de problemen brengt.

Ten slotte een laatste voorbeeld om te illustreren dat het de lezer niet gemakkelijk wordt gemaakt. Het is niet gek dat iemand in gevang een pasfoto van zijn pleegzoon in zijn portefeuille draagt. Maar waarom ook een pasfoto van een zekere Aris, die zijn studentkamer niet meer kon betalen en door Van Willigenburg thuis is opgevangen (p. 486)? Dat schuurt, hoe klein en onschuldig het detail ook mag lijken. Waarom doet iemand zoiets? Wat moet ‘Aris’ hiervan denken? 

Een naïef goed mens
Wat verder onmiskenbaar opvalt in het boek is Van Willigenburgs nadrukkelijke hang om erkenning. Het is alsof hij ons telkens wil zeggen: ‘ook al heb ik een vreselijke fout begaan, ook al was ik ongelofelijk naïef, ik ben écht gewoon een goed mens, écht.’ Want ook in de bak schuwt Van Willigenburg zijn verantwoordelijkheden niet. Theo die een boef gitaar leert spelen. Theo die helpt bij kerkdiensten. Theo die als een Andy Dufresne de BTW-carrousel uitlegt aan Antillianen. Theo die als belangenbehartiger van de gedetineerden bingo voor de gevangen organiseert. Theo die bezwaarschriften schrijft, medische brieven uitlegt, juridisch jargon verklaart, sociaal werker is, telefoonkaarten uitleent en er alles aan doet om een gebedsmatje voor zijn islamitische celgenoot in te voeren.

En zelfs de Theo die met de veroordeelde verkrachter en moordenaar Ron P. van de Puttense moordzaak bevriend raakt en ook daarin voor de lezer een bijzondere naïviteit aan de dag lijkt te leggen, die geheel los lijkt te staan van het onherstelbare leed dat deze man veroorzaakt heeft.

Hij heeft geen leven in de gevangenis en ook geen leven meer buiten de gevangenis. Ik denk niet aan wat hij gedaan heeft en óf hij het gedaan heeft. Ik kan me daar weinig bij voorstellen. Ik zie alleen maar iemand die niets meer heeft. (p. 238).

Of hij schuldig is of niet weet ik niet, al hoor ik dingen waardoor ik echt denk dat hij die jonge Puttense vrouw, met wie hij een kortstondige relatie had, niet heeft vermoord. (p.367).

Dat Ron P. in zijn zelfverklaarde, niet bepaald kortstondige, zeven maanden durende relatie met het slachtoffer, niet eens wist waar ze woonde, of ze haar oksels schoor, wat de kleur van haar ogen was, laat staan dat iemand buiten Ron iets wist van de relatie, moet Van Willigenburg zijn ontgaan. Het moet deze gevaarlijke combinatie van goedheid en naïviteit zijn geweest dat Van Willigenburg na zijn eerste veroordeling weer aan de slag gaat bij het Roder Jongenskoor, nu als zakelijk leider en manusje van alles. Het is de lezer die dan al met de handen in het haar zit: doe het nou niet Theo, daar komt niks goeds van!

De aanklacht I
Want het duurt niet lang, of de recherche staat weer aan de deur. Weer zijn er verschillende aantijgingen vanuit de koorwereld. De echte kwade genius in het hele spel, waar Van Willigenburg niet voldoende zijn afschuw over kwijt kan, blijkt ene ‘Geurt’ te zijn. Een niet toevallig gekozen pseudoniem. Geurt, ‘de ongewassen en ongeschoren puber die meent dat ie homo is’ met PDD-NOS, een jongen die je nog niet met handschoenen aan zou willen aanraken (p. 218). Geurt, de meest onappetijtelijke knul van het hele koor, ‘een afstotelijke, aandachtzuigende puber’ (p. 247), klaarblijkelijk mentaal niet in orde en in ‘heftige therapie’ bij een forensisch-psychiatrisch centrum omdat hij jonge kinderen op internet seksueel lastig valt en zijn twee zusjes heeft misbruikt (p. 277). Deze Geurt, die fantasie en werkelijkheid niet uit elkaar kan houden, heeft een verhaal verzonnen dat hij drie dagen lang in Friesland met Van Willigenburg is gaan zeilen en toen op de boot misbruikt is. En dat zou de reden zijn dat hij zelf verknipt is geraakt…

Van Willigenburg doet er in het boek alles aan om aan te tonen dat de beschuldiging absurd is en onmogelijk waar kan zijn. En eerlijk is eerlijk, binnen het complexe schimmenspel ben je geneigd hem te volgen in zijn verdediging. Toch leidt het tot een tweede veroordeling waarbij de rechtbank alle aantijgingen bewezen acht, wat een lange gevangenisstraf oplevert.

De aanklacht II
Dit alles leidt tot een ferme aanklacht tegen het Nederlandse juridisch stelsel. Op dit vlak is het boek ook het meest spraakmakend en verontrustend. Van Willigenburgs lang uitgesponnen, indringende, knap geschreven beschrijvingen van het – voor zedendelinquenten gevaarlijke – gevangenisleven zijn lezenswaardig en zijn poging tot nuancering binnen het maatschappelijke debat over pedofilie is dapper (o.a. p. 172-174, p. 492), maar zijn aanvallen op het juridische systeem geven het meest te denken. Ook al heeft Van Willigenburg sterk de neiging te generaliseren, als het waar is wat hij beweert over het openbaar ministerie, de psychologen en de rechters, verdient dat vanuit die hoek een stevig weerwoord of een grondige zelfevaluatie.

Van Willigenburg gebruikt vele manieren om het systeem aan de kaak te stellen. Het is duidelijk dat hij zelf alle vertrouwen is kwijtgeraakt:

Ik heb geen enkel geloof meer in de rechtspraak. Het OM is de vijand, dat zonder meer. Maar ook in rechtbanken heb ik geen vertrouwen meer. Het hangt er helemaal van af wie de rechters zijn. Er is niet zoiets als onpartijdigheid en onafhankelijkheid. (p. 372)

Maar ook zijn advocaten laat hij kritisch spreken:

Het gaat in alle rechtsprocedures immers niet meer om goed of kwaad, maar om productie: productie van strafvervolging, van besluiten en van vonnissen. Het strafrecht, is helemaal niet geïnteresseerd in slachtoffers van misdrijven of aangerichte schade. Rechters kennen alleen maar daders en die daders zijn vooral nummers die horen bij dossiers (p. 38)

en als rechters overtuigd zijn van schuld, dan kunnen ze alibi’s altijd wegredeneren (p. 346). De vraag of de verdachte schuldig is of niet is al beantwoord voor dat de zitting begint. Vaak ligt er al een concept-vonnis of arrest klaar, dat door de rechters na afloop alleen maar hoeft te worden aangevuld en gecorrigeerd. Daarnaast wordt ook gesuggereerd dat rechters elkaar de hand boven het hoofd houden en rechters die niet willen meebuigen door een voorzitter van de rechtbank met een smoesje vervangen zouden kunnen worden (p.343).

Bij het OM moet vooral productie worden gedraaid en telt daarbij eigenlijk alleen het aantal veroordelingen (p.74). Vrijspraak wordt altijd beschouwd als een vernedering en levert in hoger beroep rancuneuze officieren van justitie op die koste wat het kost een veroordeling willen en daarin meer gestuurd worden door tunnelvisie dan door feiten. Daarin wordt niets geschuwd, van selectieve bewijsvoering (ontlastende verklaringen worden zorgvuldig buiten dossier gehouden) tot vileine taalspelletjes. ‘Met bewoordingen als “meerdere keren gerecidiveerd” met “zeer jonge kinderen” probeert het OM een beeld te schetsen waartegen je je nauwelijks kunt verzetten’ (p. 413). Potsierlijk is de beschrijving van Van Willigenburg hoe het OM er alles aan is gelegen om twee oude vakantiefoto’s als kinderporno bestempeld te krijgen.

Ook de psychologie die omtrent het strafrecht is gebouwd krijgt ervan langs. Bij monde van de advocaat:

Zo’n psychologisch onderzoek, is alles behalve neutraal. De psychiater of psycholoog waarmee u te maken krijgt gaat er beroepshalve al vanuit dat u schuldig bent, dat is de standaard. Dus zullen ze gaan speuren naar dingen in uw gedrag en persoonlijkheid die het vermeende misdrijf verklaren. En wie zoekt, die vindt! (p. 298)

En met woorden van de Franse filosoof Michel Foucault:

De gedetineerde wordt gezien, maar hij ziet niet; hij is object van informatie, maar nooit subject van communicatie. Als een moderne gedetineerde met een psycholoog of psychiater praat dan wordt er niet naar hem geluisterd omwille van de inhoud van wat hij zegt, maar omwille van wat er zo geopenbaard wordt over zijn persoonlijkheid […]. (p. 407-408)

Helemaal ridicuul is ten slotte een passage waarin reclasseringsmedewerker ‘Dekker’ het rapport van een psycholoog over Van Willigenburg terzijde schuift:

Volgens de psychologe was er echter geen verband tussen die (narcistische) stoornis en mijn delict en zij stelt dan ook niet voor om tot een psychiatrische behandeling over te gaan. Dekker ziet dat heel anders. Die psychologe had dan wel een gedegen rapport geschreven nadat zij mij meer dan tien uur lang had onderzocht met een scala aan tests en vragenlijsten, maar zij was nog jong en onervaren in de forensische psychiatrie. Dekker zelf had twintig jaar gewerkt in een forensisch behandelcentrum en hij had al na tien minuten door hoe het met mij zat. (p. 121)

Filosofische kruimels
Natuurlijk werkt Van Willigenburg zijn kritiek ook uit. Naast verwijzingen naar alom bekende gerechtelijke dwalingen en hier en daar wat bronnen (onder meer De nieuwe kleren van de rechter. Achter de schermen van de rechtspraak (2010) van Rinus Otte) is de structuur van het boek zo opgebouwd dat het lopende verhaal telkens onderbroken wordt door een min of meer filosofisch intermezzo. In de zes hoofdstukken die het boek rijk is, staat ieder hoofdstuk een filosoof centraal die op de een of andere manier past bij het verhaal wat erin verteld wordt. Kant biedt intellectuele afleiding in Kamp Zeist tijdens het voorarrest, Wittgenstein geeft houvast tijdens de therapie bij De Waag na de veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf. Nietzsche levert bemoediging tijdens een nieuw voorarrest in Nieuwegein, Foucault verschaft inzicht in Vught tijdens de tweede veroordeling. En ten slotte zijn Agamben tijdens het hoger beroep in Arnhem en Lyotard voor het laatste deel van de gevangenisstraf in Lelystad tot steun.

Dat in ieder hoofdstuk een specifieke filosoof wordt besproken, maakt dit echter – anders dan de ondertitel van het boek doet vermoeden – geen filosofisch werk. Daarvoor doet een en ander wat selectief en geforceerd aan. Zo blijft Kants categorische imperatief wijselijk achterwege en zijn zeker de besprekingen van het werk van Agamben en Lyotard wat aan de oppervlakkige kant. Bovendien leiden de verschillende filosofische kruimels vaak af van het hoofdverhaal: de maatschappelijke val van een hooggeleerd man van groot aanzien. Van Willigenburg hinkt dan ook op teveel poten. Is dit boek een aanklacht tegen het systeem, een poging tot rehabilitatie, een psychoanalytische worsteling met zichzelf, een beschrijving van het gevangenisleven of een troost van de filosofie?

Het doet in ieder geval de vraag stellen of de filosofen hier niet zijn gebruikt als rechtvaardiging het tot een verantwoord boek te maken, in plaats van als volwaardige aanvulling. Zo bezien zijn alle filosofische passages slechts een schets voor een boek dat er nodig nog komen moet: een werkelijk wijsgerig verantwoorde aanval op het huidige strafbestel. Want dit boek zit, ondank alle bedenkingen die hier genoegzaam zijn geuit, boordevol interessante thematiek, die dwingt tot het stellen van kritische vragen, zowel in maatschappelijke als persoonlijke zin.

Denk na, oordeel zelf
Is er werkelijk een alternatief voor het huidige juridische bestel? Corrumpeert uiteindelijk niet ieder systeem? Wat antwoorden we onze leerlingen en studenten als ze ons vragen naar de blinddoek van Vrouwe Justitia? Kunnen we eigenlijk nog wel vertrouwen hebben in onafhankelijkheid van de rechtspraak? Hebben we eigenlijk wel een realistisch beeld van onze gevangenis? Wat is er sinds de jaren ‘80 gebeurt met de maatschappelijke opvattingen omtrent pedofilie? Past nuancering in dat debat en is er wel voldoende ruimte voor? Hebben bepaalde media die de onderbuik faciliteren een niet al te vertroebelende rol in het geheel? Is het juist om een veroordeelde topwetenschapper buiten de academische wetenschap te houden? Wat betekent vergeving? Wat is geloofwaardigheid? Zouden wij ons nog durven of willen inlaten met een veroordeelde zedendelinquent?

Het boek verdient alleen al omdat het deze vragen opwerpt ieders eigen oordeel en ieders eigen overweging. Hier ontvangt het ondanks de nodige bedenkingen het voordeel van de twijfel. Van Willigenburg is een gevallen vogel, die tracht opnieuw te vliegen. Hij zal zich niet verbergen, hij zal zijn mond niet houden. Hij zal zich laten zien en waar nodig mengen in het debat. En dat is goed, en dat is zijn goed recht.

__________________________

Reactie Van Willigenburg op de recensie

 

Open brief van de auteur van Gevallen Vogel

Stephan Wetzels heeft een spannende en gedegen recensie geschreven waaruit blijkt hoe goed hij mijn boek Gevallen Vogel heeft begrepen. Mijn autobiografische verhaal roept veel ongemak op en dat is ook precies de bedoeling. Ik heb mijn hele wetenschappelijke carrière als ethicus betoogd dat moraal geen kwestie is van zwart of wit maar van grijstinten. Maar pas nu ik zelf de zwarte kant heb gezien en ik erover schrijf wordt die boodschap echt gehoord. Inderdaad: dit boek botst en schuurt.

Gevallen Vogel is grotendeels gebaseerd op teksten die ik tijdens de lange uren in de cel heb geschreven. Het zijn intense verhalen omdat ik in die 16 tot 20 uur opgesloten achter een stalen deur met niemand kon praten en dus alleen maar kon schrijven over het geweld in de gevangenis of de dreiging daarmee, over de verwarring als je verhoord wordt over een beschuldiging waar je je niets bij kunt voorstellen en over het juridisch systeem dat heel anders blijkt te werken dan je altijd had gedacht. Ik schreef op wat ik meemaakte, hoe het daarbinnen ruikt, hoe het er uitziet en wie de waanzinnige wereld achter tralies bevolken.

Nú zou ik dat niet meer zó kunnen opschrijven en een ander zou dat zeker niet voor mij kunnen doen. Dus ben ik zelf aan het woord. En dat roept argwaan op. Want hoe geloofwaardig ben je nog als je je als hoogleraar ethiek vergrijpt aan een jongen en later nogmaals wordt beschuldigd van seksueel misbruik? Ben ik in dit boek mijn straatje aan het schoonvegen? Mijn enige verweer is volstrekte eerlijkheid. Ik schilder mijzelf niet af als een onschuldig lam, maar beschrijf precies wat ik verkeerd heb gedaan en waarom dat verkeerd was. Ik pluis ook tot in detail uit waar die tweede, absurde, beschuldiging vandaan komt en hoe ik me daar tegen kan verweren.

Ik probeer zo openhartig mogelijk te zijn, ook al komt me dat misschien niet goed uit. Dus verhul ik niet dat ik in de ruige bajesomgeving met zijn gehavende koppen en onverzorgde lijven aangenaam getroffen wordt door een mooie Antilliaan of een aantrekkelijke, blonde bewaarder. Waarom zou ik als homoman van vijftig een knappe vijfentwintigjarige Marokkaan niet aantrekkelijk mogen vinden? ‘Nils’, met wie ik in 2004 mijn misstap beging, viel in de smaak bij veel homo’s, zo vertelde hij zelf, en dat was niet zonder reden. Maar hij was veel te jong, ook had hij twee klassen overgeslagen waardoor ik hem ouder kon ‘denken’. En daar maakte ik een vreselijke fout: ik overtrad Kants morele wet (‘Behandel de ander nooit louter als middel, maar altijd ook als doel op zich’), een leerstuk waar ik zelf zoveel over had gepubliceerd.

In mijn portemonnee zat naast een pasfoto van onze pleegzoon ook een fotootje van de zestienjarige ‘Aris’, omdat zijn moeder een van mijn beste vriendinnen is en ik ook foto’s meedroeg van haar en haar dochter. Maar in die laatste foto’s was de politie natuurlijk niet geïnteresseerd, dus vermeld ik ze niet in mijn boek, ook al zou die context een ‘verkeerde indruk’ kunnen wegnemen.

Misschien is het naïef –daarin heeft Stephan Wetzels waarschijnlijk gelijk– net zoals wanneer ik in de gevangenis bevriend raak met Ron P. van de Puttense moordzaak en daar echt begin te denken dat Ron onschuldig is. Dat schrijf ik dan ook op. Inmiddels heb ik als vrij man trouwens een groot deel van zijn dossier gelezen en weet ik zeker dat de overtuiging van justitie en de media dat hij een moordenaar is niet klopt. Ik heb het laatste hoger beroep in Ron’s zaak meegemaakt en herken de mechanismen waardoor onschuldige mensen achter tralies verdwijnen. Rechters pikken uit het dossier alleen die snippers die een voorgegeven oordeel bevestigen. Het vonnis in mijn tweede zaak (2009) waarnaar Stephan Wetzels verwijst is daar een sprekend voorbeeld van. Er wordt contextloos geciteerd uit brieven van mij aan een van de aangevers (‘Rolf’ die zo verliefd was en die mij in de bajes kwam opzoeken), waardoor de indruk wordt gewekt dat het gaat over een contact met een minderjarige. Over de hoofdaangever in de 2009-zaak hadden twee van zijn drie hulpverleners overtuigend betoogd dat hij fantasie en werkelijkheid niet uit elkaar kan houden en ook zijn moeder bevestigt dat: “Fantasie en werkelijkheid uit elkaar houden, dat kan hij juist niet!” Maar het Hof citeert als bewijsmiddel uitgerekend die ene hulpverlener die meent dat hij dat heus wél kan!

Ik heb geleerd dat bewijsvoering in het recht totaal anders in elkaar zit dan bewijsvoering in de wetenschap. De hoofdaangever in de 2009-zaak doet op bepaald moment een tweede aangifte tegen mij die zo absurd is dat de politie hem niet gelooft. Het OM heeft deze aantijging wijselijk buiten de tenlastelegging gehouden. Elke nuchtere denker zou menen dat zo’n aantoonbaar verzonnen beschuldiging ook de eerste beschuldiging van deze jongeman onderuit haalt. Maar in het juridische denken kun je dat van elkaar scheiden. De enige vraag die telde was of er twee wettige bewijsmiddelen waren die de eerste beschuldiging steunden. Ik heb de ontnuchterende gesprekken van mijn advocaat gereconstrueerd waarin ik stap voor stap tot het inzicht kom dat je als verdachte nauwelijks kans hebt om je onschuld aan te tonen. En ik citeer regelmatig uit de vele proces-verbalen, al heb ik geen voetnoten opgenomen: dat zouden er honderden geworden zijn!

Gevallen Vogel is geen standaard filosofieboek, maar het is wel een boek over filosofie als hulp om te begrijpen waarom bijvoorbeeld het juridische redeneren zo afwijkt van het wetenschappelijke en alledaagse redeneren. Lyotards analyse van het ‘narratieve weten’ hielp me te zien dat juristen altijd een bepaald verhaal ‘rond willen krijgen’ en dat is meestal het ‘schuldig’ verhaal. Daartoe worden ‘passende’ feiten geselecteerd en ‘niet passende’ feiten eenvoudigweg genegeerd of snel weggeredeneerd. De filosofie in dit boek is ‘cognitieve therapie’: het hielp me om te begrijpen wat er gebeurde toen mijn wereld instortte, waarom mensen van je gaan walgen (walging en morele afkeuring versterken elkaar), waarom men alles doet om een verdachte te laten bekennen (Foucault), hoe je om kunt gaan met agressie van medegedetineerden (ze zijn net zo bang als ik! – Nietzsche), waarom zedendelinquenten in therapieën vooral een bepaald ‘taalspel’ moeten spelen (Wittgenstein) en waarom je je in de gevangenis zo vaak en zo nodeloos helemaal moet uitkleden (Agamben – Naaktheden).

Stephan Wetzels heeft gelijk: een meer grondige wijsgerige aanval op ons strafrechtsstelsel moet er nog komen. Ik schrijf zelf inmiddels veel over mogelijke alternatieven, in het licht van de vele recente sociaalpsychologische studies naar factoren die de menselijke oordeelsvorming (dus ook die van rechters) beïnvloeden en hoe je deze mechanismen kunt ‘neutraliseren’ door anders te werk te gaan.

Mijn boek en andere publicaties roepen ook onverwachte reacties op. Zo publiceerde het Nederlands Dagblad een namens ‘Rolf’ geschreven reactie waarin mij wordt verweten dat ik de feiten verdraai en waar de hoop wordt uitgesproken dat het boek uit de handel zal worden genomen. Deze ‘Rolf’ heeft tot op vandaag contact met mij gezocht, nu niet verliefd, maar met eisen van grote sommen geld (€ 10.000 en meer). Daar ga ik natuurlijk niet op in en gelukkig heb ik een uitgever die moedig is en die tegen de stroom ingaat.

(Reacties via info@damon.nl)

Theo van Willigenburg

__________________________

Lees ook:

Veroordeelde-pedofiel-schrijft-onder-valse-naam

Slachtoffer-pedo-van-willigenburg-noemt-boek-verwerpelijk

Recensie-gevallen-vogel-kant-wittgenstein-nietzsche-foucault-agamben-lyotard-achter (Zinweb)

Oordeel zelf! Een bespreking van Hegels Hoofdlijnen van de rechtsfilosofie

Deze recensie is geschreven voor 8Weekly. Benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan een kijkje op de site aldaar.

Na de vertaling van de Phenomenologie des Geistes (1807) is een jaar later nu ook Hegels Grundlinien der Philosophie des Rechts (1821) voor het eerst integraal beschikbaar in het Nederlands. Deze keer probeert uitgever Boom de lezer te verleiden in Hegel te duiken door het boek ‘opvallend toegankelijk’ te noemen.

In een lang vergeten recensie van dr. L.W. Nauta die op 26 november 1966 verscheen in Vrij Nederland staan waardevolle woorden die anno 2014 in deze Hegel-bespreking met genoegen in herinnering worden gebracht. Nauta (1929-2006), die vanaf 1971 hoogleraar filosofie werd aan de Rijksuniversiteit in Groningen, bespreekt de eerste uitgebrachte Nederlandse vertaling van Emmanuel Levinas’ Totalité et Infini:

Belangrijke filosofen van deze eeuw als Husserl en Wittgenstein, Carnap en Heidegger zijn niet in het Nederlands vertaald. Het loont de moeite niet. Wie ze wil lezen, begrijpt ze ook wel in hun eigen taal. Het is daarom merkwaardig dat ‘totalité et Infini’, een filosofisch vakwerk dat men niet maar even op een achternamiddag uitleest, in het dialect van onze provincie vertaald is. Een gebeurtenis om trots op te wezen, hoorde ik iemand al zeggen. Die trots kan echter zo groot niet zijn, want men heeft, merkwaardig genoeg, voor deze ene, unieke gelegenheid niet naar een vertaler gezocht die behalve van Frans ook iets van filosofie begreep.

De vertaling van Grundlinien der Philosophie des Rechts door Willem Visser laat nu een mooi contrast zien tussen waar Nauta zich in 1966 mee geconfronteerd zag, en waar wij in 2014 ons bevinden: in het midden van een verregaande filosofische vertaalevolutie.

Het is de taak van de filosofie…
Er is wel eens beweerd dat het vertalen van ingewikkelde filosofische klassiekers eenvoudiger is dan het vertalen van filosofisch toegankelijke teksten. De redenen daarvoor zouden gevonden worden in het feit dat complexe filosofie (zoals die van Hegel) veeleer bestaat uit technische termen die in hun abstractie niet door de vertaler hoeven te worden geduid, terwijl de subtiliteit van een ogenschijnlijk begrijpelijke wijsgerige tekst een veel groter beroep doet op de subjectiviteit van de vertaler(s). Wie echter ook maar een blik werpt op de vertalingen van bijvoorbeeld Heideggers Sein und Zeit, Kants Kritik der reinen Vernunft of in dit geval Hegels  Grundlinien gevoelt dat er ontegenzeggelijk een buitengewone intellectuele inspanning voor nodig is geweest om deze teksten naar hedendaags Nederlands om te zetten.

Het is daarom een geruststelling dat Hegels rechtsfilosofisch puzzelboek niet alleen is vertaald door iemand die het Duits meester is, maar ook door iemand die wel wijsgerig is onderlegd. Willem Visser is namelijk naast vertaler ook filosoof. In 2010 ontving hij samen met Jabik Veenbaas de vertaalprijs van het tijdschrift Filter voor hun vertaling van Immanuel Kants Kritiek der Urteilskraft en Visser was bovendien ook verantwoordelijk voor het vorig jaar verschenen Fenomenologie van de geest, dat door velen, waaronder Marc De Kesel is omschreven als een prachtige vertaling. Dat er telkens scherp en uitvoerig wordt gespard met een commissie van deskundigen, geeft aan hoe professioneel deze vertaling tot stand gekomen is.

Om datgene wat is te begrijpen…
Hoezeer echter het vertaalwerk ook aan vakmanschap voldoet en hoezeer uitgeverij Boom het werk opvallend toegankelijk noemt, Hegel lezen vereist net als het vertalen ervan een buitengewone inspanning. Dat de Hoofdlijnen van de rechtsfilosofie inderdaad toegankelijker is dan de Fenomenologie van de geest, is op zich natuurlijk geen verwonderlijke prestatie.

De Rechtsfilosofie is opgedeeld in drie delen (het abstracte recht, de moraliteit en de zedelijkheid) met tal van korte paragrafen die uitnodigen tot lezen, maar die schijn bedriegt toch. Ook dit boek is vrijwel onleesbaar zonder de nodige voor- en achtergrondkennis. Allereerst is kennis van Kants zedenleer (waar Hegel zonder het met veel woorden te benoemen erg veel aandacht aan besteedt) essentieel. Sociale en politieke opvattingen van onder meer Rousseau, Montesquieu en Burke helpen bovendien. Daarnaast is kennis van de tijd waarin Hegel leefde onontbeerlijk. Veel van wat Hegel namelijk schrijft in de Rechtsfilosofie is enkel te verstaan tegen de achtergrond van de Franse revolutie, de Pruisische staat (die feitelijk zijn werkgever was) en opkomende spanningen tussen de kapitalisering van de samenleving en de communistische antwoorden daarop. Het was niet voor niets Karl Marx die ruim vier jaar studie besteedde om te komen tot een kritiek op de Rechtsfilosofie.

En wat de talrijke kritiek op Hegel betreft, spant ongetwijfeld Karl Popper de kroon die in zijn De open samenleving en haar vijanden (1945/2007) Hegel inclusief diens Rechtsfilosofie met de grond gelijk maakt. Nieuwsgierige lezers zouden een blik moeten werpen op het vermakelijke hoofdstuk 11 van dat boek waarin Hegel er goed van langs krijgt als een der voornaamste wegbereiders van de totalitaire staat met als centrale opvatting dat de Staat zelf bepaalt wat objectieve waarheid is, en die met alle middelen mag verdedigen (p. 280 ev.). Wie dat eenmaal gelezen heeft, zal met moeite Hegel nog ‘objectief’ kunnen lezen en niet telkens een marionet zien schutteren in ijdelheid, hoogmoed en filosofisch gezwam. Wat dat aangaat kan men beter zijn toevlucht zoeken tot meer neutralere inleidingen als het eveneens bij Boom verschenen Hegel of de serie Kopstukken filosofie waar Peter Singer in het derde hoofdstuk ingaat op Hegels inhoudelijke opvattingen van de Rechtsfilosofie. Dat ook deze inleidingen een zekere complexiteit bezitten en veel woorden nodig hebben om te duiden waar Hegel heen wil, is precies de reden waarom hier geen poging wordt ondernomen om inhoudelijk weer te geven wat Hegel precies voor ogen heeft. Is het een verdediging van de moderne vrijheid of juist het definitieve einde ervan? Is het een pleidooi voor individualiteit of heft Hegel deze juist voorgoed op? Gaat het over oorlog of gaat het over vrede? Gelukkig zijn er op het internet inmiddels verschillende pennenvruchtjes te vinden die voor de doorzetters iets van de Rechtsfilosofie inhoudelijk inzichtelijk maken.

Want wat is, is de rede…
Dat we niet meer in een tijd leven waarin we verstoken zijn van goed vertaalde klassiekers, is een prettige gedachte en een werkelijke vooruitgang. Met Nederlandse vertalingen van Kant, Wittgenstein en Heidegger en in het najaar van 2016 zelfs het verschijnen van Oswald Spenglers De ondergang van het Avondland is inmiddels een flinke boekenplank te vullen. In het geval van Hegel echter blijft het de vraag wat de werkelijke meerwaarde van een goede vertaling is. Het blijft een duister werk dat jaren aan studie vereist waarna het nog niet te zeggen is of men dan door het leven gaat als hegeliaan of anti-hegeliaan, als verdediger van Hegels opvattingen en stijl of als fervent tegenstander.

Dat bovengetekende er na een kleine 40 uur studie van het werk en zijn achtergronden de brui aan gaf, is een eerlijke, doch noodzakelijke bekentenis, die niets af doet aan de historische waarde van dit werk die algemeen wordt erkend. Misschien is de werkelijke meerwaarde van deze vertaling dan ook dat Hegel op universiteiten voor studenten politicologie, geschiedenis, filosofie, recht en sociologie benaderbaar wordt en docenten Hegel op deze manier verantwoord in hun curriculum kunnen aanbieden, door een paar bladzijden op te nemen in een syllabus. Want nu de student het Duits al lang niet meer machtig is en hij ook bij Engelse teksten haastig op zoek gaat naar een vertaling, kan een Nederlandse vertaling in psychologische zin toch de weg openen naar een van de meest spraakmakende en ingewikkelde denkers uit de geschiedenis van de wijsbegeerte. Of dat ingewikkelde uiteindelijk vooral onzin is, deugdzaamheid, toegankelijk, begrijpelijk, humoristisch of gevaarlijk, is een zaak van vrije overweging waarin ieder voor zich het zelf mag bepalen.

Deze recensie is geschreven voor 8Weekly. Benieuwd naar hoeveel sterren dit boek krijgt? Neem dan een kijkje op de site aldaar.

De belangrijkste filosofische artikelen van de 20e eeuw

Wat zijn de belangrijkste filosofische artikelen van de 20e eeuw? In een eerdere bijdrage heb ik stilgestaan bij de belangrijkste filosofische boeken van de 20e eeuw. Daarbij heb ik mij onder andere gebaseerd op een onderzoek van Douglas P. Lackey. In datzelfde onderzoek probeert hij ook de belangrijkste filosofische artikelen in kaart te brengen. Dat blijkt aanmerkelijk ingewikkelder te zijn dan te komen tot een lijst van belangrijkste filosofische boeken. Dat is ook logisch, aangezien artikelen vaak geen zelfstandige verschijningsvorm hebben gehad en meestal werden gepubliceerd in tijdschriften of verzamelwerken, waarmee ze vooral vakgenoten bereikten en niet zo snel het grote publiek.

In deze bijdrage, waarmee ik betreffende artikelen opnieuw onder de aandacht breng en voor een Nederlands publiek, bespreek ik de top 20 waarmee Lackey op de proppen komt. Het onderzoek lezen van Lackey zelf, verdient warme aanbeveling.

Van geen enkel artikel is mij een Nederlandse vertaling direct bekend, behalve misschien van Sartre. De Nederlandse vertaling van L’existentialisme est une humanisme (‘over het existentialisme’ uitgegeven in 1980 bij Bruna) is inderdaad nog antiquarisch te verkrijgen.

Ik heb het jaartal van publicatie toegevoegd en een verwijzing naar een digitale versie van het betreffende artikel. Wat opvalt is dat de iets meer dan 400 Amerikaanse respondenten vaak niet precies de titel van het artikel konden noemen, maar wel ongeveer wisten waar het over ging.

Auteur/Nationaliteit Originele titel en link naar tekst Jaar van verschijning
1. W.V.O. Quine
Amerikaan
Two Dogmas of Empiricism 1951 
2. Bertrand Russell
Brit
On Denoting 1905 
3. Kurt Gödel
Oostenrijker
Über formal unentscheidbare Sätze der Principia Mathematica und verwandter Systeme I(On Formally Undecidable Propositions of Principia Mathematica and Other Systems) 1930/1931 
4. Alfred Tarski
Amerikaan /Pool
The Concept of Truth in Formalized Languages 1936
5. Wilfrid Sellars
Amerikaan
Empiricism and the Philosophy of Mind  1955/1956
6. Edmund Gettier
Amerikaan
Is Justified True Belief Knowledge? 1963
7. Hilary Putnam
Amerikaan
 
The Meaning of Meaning 1975
8. Judith Jarvis Thomson
Amerikaan
A Defense of Abortion

Zie ook mijn commentaar op dit artikel:

http://www.stephanwetzels.nl/judith-jarvis-thomsons-a-defense-of-abortion/

1971
9. Saul Kripke
Amerikaan
Naming and Necessity 1980
10. George Edward Moore
Brit
A Defense of Common Sense 1925
11. Elisabeth Anscombe
Brit
Modern Moral Philosophy 1958
John Rawls
Amerikaan
Justice as Fairness 1958
13. Thomas Nagel
Amerikaan
What Is It Like to Be a Bat? 1974
Jean-Paul Sartre
Fransman
L’existentialisme est un humanisme(Existentialism Is a Humanism) 1946
15. John Austin
Brit
A Plea for Excuses 1956/1957
W.V.O. Quine
Amerikaan
On What There Is 1948
17. John Rawls
Amerikaan
Two Concepts of Rules 1955
Donald Davidson
Amerikaan
The Very Idea of a Conceptual Scheme 1973/1974
19. George Edward Moore
Brit
A Refutation of Idealism 1903
20. Donald Davidson
Amerikaan
Truth and Meaning 1967
Herbert Paul Grice
Brit
Logic and Conversation 1967/1975
Peter Strawson
Brit
Freedom and Resentment 1962

In deze lijst zijn duidelijk de Amerikanen oververtegenwoordigd met 12 publicaties, tegenover zeven publicaties van een Brit, één van een Fransman en ten slotte één van een Oostenrijker (en ook een beetje Amerikaan…). Hoewel de respondenten in het onderzoek de Amerikaanse nationaliteit hadden, valt het niet mee om met artikelen op de proppen te komen van denkers met een andere nationaliteit dan bovenstaande lijst weergeeft.

Intuïtief mis ik Alan Turing (met zijn zeer invloedrijke artikel Computing Machinery and Intelligence) en John Searle (met zijn even briljante antwoord op Turing in Minds, Brains and Programs), die wel genoemd werden in het onderzoek, maar te weinig stemmen kregen. Het is mij dan onduidelijk waarom bijvoorbeeld een artikel als Two Concepts of Rules van Rawls invloedrijker of belangrijker zou zijn dan het artikel van Turing. Dat heeft toch echt waarschijnlijk meer te maken met herkenning en Amerikaans sentiment- en ook wat het eerste te binnen schiet.

Van alle genoemde filosofen moest ik Herbert Paul Grice en Wilfrid Sellars opzoeken, omdat ik er nog nooit van had gehoord. Wat betreft de artikelen ken ik inhoudelijk de strekking van Two Dogmas of Empiricism, Is Justified True Belief Knowledge?, A Defense of Abortion, Justice as Fairness, What Is It Like to Be a Bat?, Existentialism Is a Humanism en Freedom and Resentment. De rest doet soms een belletje rinkelen, maar kan ik inhoudelijk niet goed thuisbrengen.

Het zegt ongetwijfeld iets over interesse en specialisme; logica en de echte harde taalfilosofie heeft me wat dat betreft nooit sterk aangetrokken. Het zal overigens ook aan mijn voorliefde liggen van gedachte-experimenten dat ik genoemde artikelen inhoudelijk ken. De meeste ervan bieden namelijk een intuïtieve test, op grond waarvan een bepaald idee met behoorlijk veel kracht wordt getoetst. Het zijn dan ook die artikelen, zojuist genoemd, die ik van harte kan aanbevelen eens proberen te lezen.

Begin bijvoorbeeld eens met Is Justified True Belief Knowledge?, het kortst geschreven artikel dat de filosofie rijk is met een immense invloed, en probeer je dan af te vragen of je weet wat ‘kennis hebben van een feit’ eigenlijk precies betekent. Of probeer A Defense of Abortion eens te lezen terwijl je in je achterhoofd hebt dat je tegen abortus moet zijn. En als dat niks voor je is, kun je altijd nog proberen voor te stellen hoe het is om een te vleermuis zijn, om dan misschien tot de ontdekking te komen dat dat onmogelijk is om je voor te stellen- of niet?

Lees ook:De belangrijkste filosofische boeken van de 20e eeuw

Indrukken bij de eerste druk IV: Derek Parfits Reasons and Persons uit 1984 in de hand (met een korte inleiding tot het boek)

De Britse filosoof Parfit, geboren in 1942 en nog in leven, schreef met het boek Reasons and Persons een moderne klassieker (“Parfit’s career is unusual in that it largely revolves around a single work: Reasons and Persons”). In de Sunday Times werd het boek indertijd gerecenseerd als “een werk dat grenst aan het geniale”, zoals te lezen valt op de achterkant van de paperbackuitgave in 1986. Een aardige omschrijving die inmiddels tienduizenden malen is overgenomen op diverse websites. Het boek wist terecht een plek te veroveren bij de 25 meest belangrijke filosofische boeken van de 20e eeuw, volgens het onderzoek van Lackey. Met de 24e plaats is het de jongste titel in de top 25 en laat het Karl Poppers Logik der Forschung (plek 25) achter zich. Warempel geen lichte prestatie gelet op de grote invloed van dat boek.

Reasons and Persons

Reasons and Persons first edition

Ik vermoed dat de nabestaanden van Little, die op 93-jarige leeftijd in juli 2012 overleed, grotendeels zijn bibliotheek hebben overgedragen aan de lokale boekhandel. De toewijding van Parfit (‘With best wishes from Derek’, in een uiterst opvallend hakerig handschrift) kan dan ook niet anders dan rechtstreeks zijn gericht aan Little, die hiermee een exemplaar cadeau heeft gekregen vers van de pers. Bovendien heeft het boek in ieder geval de intentie om relevant te zijn voor de politieke theorie en de ontwikkelingseconomie (het terrein van Little). Het lijkt er overigens niet op dat Little het boek van kaft tot kaft heeft gelezen, gelet op de conditie van het werk. Toch vind ik na grondig doornemen van het boek op pagina 443 een kleine onduidelijke notitie in potlood en op pagina 446 een kleine penstreep in de kantlijn. Ik neem aan van Little.

Zoals inmiddels duidelijk, is er nauwelijks informatie beschikbaar over de oplage van de eerste editie. Sterker nog: er lijkt geen informatie over te bestaan. Na het succes van dit boek zijn er tienduizenden kopieën in herdruk verschenen, maar het is niet logisch dat bij het verschijnen van het boek de gigantische impact voorzien was. Op het internationale Abebooks (4 maart 2013) is nog één exemplaar uit 1984 in uitstekende staat te vinden, dan volgt een ex-bibliotheekexemplaar en dan is de koek op (Noot: op 11 maart was alleen nog het bibliotheek-exemplaar beschikbaar).

Een uitgebreide zoektocht langs andere bekende kanalen, levert niets op. Dat bevestigt mijn vermoeden een schitterend exemplaar in handen te hebben, ook nog eens met het handschrift van Parfit zelf, dat gerust uiterst zeldzaam kan worden genoemd- misschien niet zozeer in oplage, dan wel in beschikbaarheid.

Wie het boek in de hand heeft, wordt geconfronteerd met een nogal vage voorkant. We zien een schip aan de rechterkant van het boek dat binnenkomt glijden op het water. In de verte zijn de contouren van een kerk zichtbaar lijkt het. Het blijkt dat het een foto van Venetië is, door Parfit zelf geschoten, enkele jaren voor publicatie. Op de eerste bladzijde treffen we een citaat aan van Nietzsche:

-At last the horizon appears free to us again, even granted that it is not bright; at last our ships may venture out again, venture out to any danger; all the daring of the lover of knowledge is permitted again; the sea, our sea, lies open again; perhaps there has never yet been such an ‘open sea.’-
Nietzsche, p. 448

Het blijkt geciteerd uit Die fröhliche Wissenschaft uit 1882, terwijl Parfit enkel in zijn bibliografie één (uittreksel) boek uit 1963 van Nietzsche noteert: The Portable Nietzsche, ed. and trans, by W. Kaufman. New York: Viking Press. Waarschijnlijk wordt het citaat daarin aangehaald op p. 448. Ik heb echter de Duitse tekst erop nageslagen, en dan valt op dat het citaat enkel halverwege is overgenomen, want het volledige citaat luidt:

In der That, wir Philosophen und “freien Geister” fühlen uns bei der Nachricht, dass der “alte Gott todt” ist, wie von einer neuen Morgenröthe angestrahlt; unser Herz strömt dabei über von Dankbarkeit, Erstaunen, Ahnung, Erwartung, endlich erscheint uns der Horizont wieder  frei, gesetzt selbst, dass er nicht hell ist, endlich dürfen unsre Schiffe wieder auslaufen, auf jede Gefahr hin auslaufen, jedes Wagniss des Erkennenden ist wieder erlaubt, das Meer, unser Meer liegt wieder offen da, vielleicht gab es noch niemals ein so “offnes Meer”.
Nietzsche, p. 145

Opmerkelijk dat Parfit een van de beroemde verwijzingen naar “God is dood” zoals te lezen in het boek Die fröhliche Wissenschaft hier achterwege laat. Te geladen wellicht?  Door enkele tweede gedeelte van de zin te citeren, krijgt het echter een geheel op zichzelf staande lading waaruit een nieuwe verwondering spreekt. Nietzsche zag in het ‘offnes Meer’ een ‘zee’ van nieuwe mogelijkheden die waren ontstaan nu volgens hem de christelijke slavenmoraal definitief was ontmaskerd. Parfit ziet in de ‘open see’ ruimte voor een ethiek van de rede, een ‘Non-Religious Ethics’. Gelet op het feit dat het verdwijnen van het geloof in een grote God slechts mondjesmaat verdwijnt, staan we echter nog maar aan het begin van een dergelijke ethiek.

Hoe het ook zij, Parfits boek is een ode aan de rede en bovenal een ode aan het gedachte-experiment. Het is bekend dat het vooral op verschillende punten wordt bediscussieerd, en niet wordt gelezen (of zoals je vaker hoort: ‘I’ve never read the book cover to cover, but I’ve read the ‘famous bits.”). Want al wordt het werk op de stofomslag van de eerste editie aangeprezen als een boek dat geen grondige filosofische kennis vooraf vereist, het is een buitengewoon ingewikkeld en scherp geschreven boek dat enkel met buitengewone aandacht juist begrepen kan worden. De eerste herdruk in paperback (zie onderaan) kent deze aanprijzing dan ook niet meer. Doordat Parfits boek ongelofelijk rijk is aan ideeën, is het haast een blader boek. De vier delen waaruit het werk bestaat (154 paragrafen, 19 hoofdstukken en een sectie conclusies en appendices) hangen losjes met elkaar samen. Al lezend kom je echter telkens nieuwe gedachten tegen, waarover je je kunt verbazen, zonder dat je de samenhang direct hoeft te begrijpen. Hoewel het aantal ideeën per pagina groot is, zet ik zomaar enkele vragen en gedachten van Parfit op een rij:

–        Hoe ziet een wereld eruit waarin iedere leugen direct wordt opgemerkt?
–        Kan er in die wereld nog een reden zijn om te liegen?
–        Kan het verstandig/rationeel zijn irrationeel te handelen?
–        Is een brein een persoon (x), in die zin dat als je het gehele brein zou verplaatsen in een ander lichaam, we hooguit een verbaasde persoon (x) hebben in en ander lichaam?
–        1. Vrede 2. Een nucleaire oorlog die 99% van de bestaande wereldpopulatie vernietigt. 3. Een nucleaire oorlog die 100% vernietigt. Is het verschil tussen 1 en 2 nu groter of tussen 2 en 3?
–        Stel dat er een exacte replica van mij gemaakt wordt, maar dan zo dat als de replica af is, ik sterf. Ben ik de replica?
–        Stel dat er een exacte replica van mij gemaakt wordt, maar dan zo dat als de replica af is, ik blijf leven. Ben ik de replica en is de replica mij?
–        Dus wanneer ik door middel van teletransportatie cel per cel wordt overgezet van A naar B (waarbij ik bij punt A onder narcose wordt gedeconstrueerd en bij punt B cel voor cel wordt geconstrueerd, waarbij ik op punt B. de staat aanneem die ik had op het moment dat ik bij punt A. onder narcose ging), ben ik dan tijdelijk geen persoon (al is alle informatie opgeslagen in een computer)? En is A dezelfde persoon als B?
–        Stel dat een breinchirurg mij pijn doet, maar tijdens de operatie alle herinneringen van Napoleon in mijn brein stopt en al mijn eigen herinneringen wegmaakt. Al die tijd heb ik echter wel pijn. Is de continuïteit van mijn lichamelijke pijn voldoende reden om te zeggen dat ik nog steeds dezelfde ben?
–        En stel dat al mijn herinneringen weggemaakt worden, terwijl ik de pijn ervaar, maar dat er geen nieuwe herinneringen voor worden teruggeplaatst. Op enig moment word ik voor korte tijd bewusteloos gemaakt. Word ik dan wakker als een nieuw potentieel persoon in een bekend lichaam op grond waarvan de pijn die ik op dat moment ervaar het begin is van een eerste ervaring?
–        Het wegnemen van een korreltje zand op een berg zand, zal de berg zand niet doen verdwijnen. Het wegnemen van een herinnering in een persoon, zal de persoon niet doen verdwijnen. Maar als men doorgaat met het wegnemen van een korreltje zand op die berg, dan komt er een moment dat men een korreltje weg neemt en zegt: nu is het toch geen berg zand meer. Geldt dat ook met betrekking tot herinneringen?

Hardcover en copyright-pagina

Ik zou nog wel een poos door kunnen gaan, maar om te laten zien welke ideeën het boek bevat, is dit voorlopig voldoende. De beste raad is gewoon om het boek ter hand te nemen en neer te leggen op een plek waar men toch vaak komt. Bed, bad of toilet: Met het lezen van Parfit gaat de tijd sneller. Naar het schijnt gaat het met de gezondheid van Parfit niet zo goed, en heeft hij zelfs enkele problemen met zijn geheugen. We kunnen nog zo mooi filosoferen -de ironie van het leven ligt toch altijd een stap op ons voor.

Lees ook:

Indrukken bij de eerste druk III: H.L.A. Harts The Concept of Law uit 1961 in de hand
Indrukken bij de eerste druk: Søren Kierkegaards Frygt og Bæven uit 1843 in de hand
– Indrukken bij de eerste druk II: John Henry Newmans Grammar of Assent uit 1870 in de hand