Stephan Wetzels
Denken en Zijn

Fietsen in de regen is zuivere onschuld: Denken aan Anne Faber

Fietsen in de regen is zuivere onschuld

Wie deze overweging leest, weet vast wat er speelt. Anne Faber is vermist. Ze is van het publiek geworden. Ik ken haar niet, maar ik denk aan haar.

Ik heb vaker gelezen dat mensen die over haar schrijven zich haasten te verontschuldigen dat ze haar niet persoonlijk kennen en er toch persoonlijke woorden aan wijden. Hoe kun je persoonlijke woorden wijden aan iemand die je niet kent? Maar ik begrijp het. Ik heb hetzelfde: het zijn persoonlijke woorden voor onszelf. Het is op een eigen manier uitdrukking geven aan de tragiek van het verhaal. Het is uitdrukking geven aan de vraag waarom raakt het me? Waarom houdt het me bezig?

Ik denk omdat het een alledaags meisje is, the girl next door. Ze symboliseert een onschuld waarmee ik dagelijks omringt ben en zodoende komt het erg dichtbij. Want gaan fietsen in de regen is zuivere onschuld.

Anne Faber. Openbare Facebook foto

Annes tragiek is een tragiek die in de media niet verstilt en toch straks zo maar geschiedenis kan zijn. Het Algemeen Dagblad publiceert aanhoudend dagelijks de laatste stand van zaken. In liveblogs, met columns, met verhalen van omwonenden en van mensen die daar dan weer omwonen. Een fiets gevonden. Waarschijnlijk van Anne. Een tas gevonden. Waarschijnlijk van Anne. Waarschijnlijk! Maar zijzelf is zonder enig spoor.

Talloze media blijven aandacht schenken aan de jonge vrouw die fietsen ging, in de regen kwam en nooit meer terug. Ze schrijven omdat mensen het lezen. Ze schrijven omdat ik het blijf lezen. Maar ik wil niets commercieels denken bij haar vermissing. Ik wil vooral blij worden van de niet aflatende hartverwarmende zoektocht naar dat ene meisje. Altruïstische vrijwilligers die nooit zullen zeggen: “Ja, ik heb toen ook mee gezocht!” Zelfs het Nederlandse leger zoekt mee. Het leger had niet veel mee afgelopen tijd, maar ergens word ik heel trots van het feit dat ze mee zoeken.

Maar het hartverwarmende biedt slechts een weerloos tegenwicht aan het drama wat erachter schuilt. Aan de lelijkheid en lafheid die vroeg of laat geopenbaard zal worden. Zojuist, tijdens het schrijven van dit stukje is er zelfs iemand aangehouden. Zou het morgen weer achterhaalt zijn of is deze man….? Haar vermissing lijkt op een feuilleton. Een naargeestig feuilleton, waarvan ik de dagelijkse lezer ben.

Maar ik wil niet zo lezen over iemands lot alsof het een vervolgverhaal betreft. Wat maakt het werkelijk voor mij uit als ik morgen weet wat met haar is gebeurd? Wat in mij maakt dat ik het wil weten? Nieuwsgier vind ik te plat. Hoop vind ik te ongeloofwaardig. Ik geloof toch zeker niet meer dat het goed afloopt? Is de onzekerheid van haar lot wat bezig houdt? Hoe diep moet dan de pijn van naasten zijn. Zo diep kan ik nooit denken. Ik wil misschien wel uitdrukken dat ik meeleef.

Dat is de enige verantwoording voor openbare woorden.

Het enige wat hoop geeft is dat ze nog niet gevonden is. Ik kan geen andere hoop bedenken. Ik denk dan zelfs dingen die ik liever niet wil denken. Dingen die normaal gesproken abstract zijn en je voorlegt in lessen ethiek of hoort in collegezalen: zou je de zekerheid wensen van haar dood of de onzekerheid van een ontvoering? Het enige juiste antwoord is: ‘Sodemieter op met je utilistische dilemma! Ik wil me daar niet in inleven!’

Als ik denk wat velen voorvoelen, dan moet er ergens iemand rondlopen die een afschuwelijk geheim met zich meedraagt. Een geheim waarvan de last zo zwaar is dat hij er de rest van zijn leven ziek van moet zijn. Maar dan veronderstel ik een redelijk iemand. Hoe kan daar nu sprake van zijn? Want het enige wat ik kan bedenken is dat alleen iemand zonder geweten de onschuld iets aan kan doen. Iemand die zo laf is en gewetenloos dat alle warmte van alle betrokkenen hem koud laat, omdat hij volkomen koud is, dom, egoïstisch en betekenisloos. Maar heeft iemand zonder geweten eigenlijk ooit schuld? Ik hoop nu al dat iemand schuldig kan zijn en het geen waanzin was. Maar dit is toch waanzinnig hoe dan ook? Ik las bij Kierkegaard dat je in eenieder de liefde als aanwezig moet denken, maar dat lukt me hier niet.

“Ik hoop dat het Anne goed gaat, waar ze ook is”. Ik hoop het echt, maar het voelt krachteloos, bodemloos en leeg. Daartegenover staat dat krachtige beeld, wat me telkens voor de geest komt bij het meisje dat ging fietsen in de regen: de onschuld waar ik zo zeker van ben. Want gaan fietsen in de regen is zuivere onschuld. Ik ken Anne Faber niet, maar zal ook lang na deze woorden nog eens in stilte aan haar denken.

‘Lief dagboek’. Of het exploiteren van wat kwetsbaar is

Een zorgelijke uiting

Had jij een dagboek in je tienerjaren? Vertrouwde je je meest gênante ervaringen en gevoelens toe aan het papier? Dan zoeken wij jou!
goyaproductions.nl (2017)
~~~~~~~~~~~~~~~~~~
“Het droevigste misschien dat van een mens gezegd kan worden is: hij kan niet verheven worden, zijn eigen weten kan hem niet verheffen. Zoals een kind een vlieger oplaat, zo laat hij zijn weten opstijgen; (…) maar zelf stijgt hij niet omhoog, hij blijft in het moeras, steeds meer verlangend naar het opstijgende. Daarom, wie je ook bent, als het op de een of andere manier zo met je gesteld is: schaam je, schaam je, schaam je!”
Søren Kierkegaard, Het ogenblik, 1855

Er valt wat voor te zeggen je niet al te druk te maken over wanstaltige en aanmatigende ideeën in de marge. Soms echter wordt de geest dusdanig getergd en op de proef gesteld, dat niets anders rest dan de pen op te pakken in de hoop zo tot enige verlichting te komen. Vandaar deze kritiek in de marge, zelfs alvorens het daadwerkelijke kwaad is geschied.

Sinds enige weken word ik namelijk geregeld geconfronteerd met een promo op publieke zenders en sociale media voor een nieuw televisieprogramma, genaamd ‘Lief Dagboek’, wat me telkens meer stoorde, totdat het niet meer te verdragen was:


Volwassen mensen worden opgeroepen om hun persoonlijke ervaringen die ze ooit in hun puberteit aan papier hebben toevertrouwd te delen voor een ‘enthousiast’ publiek, en aan iedereen die veilig achter de (sociale) media zit mee te gluren. Daarbij wordt de valse suggestie gewekt dat de schaamte er toen al per definitie zou zijn. De bedoeling is dat er een zesdelig programma ontstaat, gebaseerd op een Amerikaanse theatertour genaamd Get Mortified. We zien Marc Marie Huijbregts eindigen met een zorgwekkende oneliner: #Share the shame#.

Voorproefje
In deze promo is een verontrustend fragment te zien van wat te wachten staat. Een ‘voorproefje’. We zien een kale veertiger, waarschijnlijk genaamd Frank Stojansek (aangezien dat groot is geprojecteerd op een scherm achter hem), die een onleuk clichématig stuk voorleest dat handelt over seksualiteit (want daar zijn pubers natuurlijk alleen maar mee bezig en dat typeert hun niveau), waarna er wordt geschakeld naar een publiek dat er om moet lachen en klappen en vrolijk van wordt. Ik maak me er sterk voor dat dit vermaakte publiek er zorgvuldig achter is gemonteerd, want mensen die hier om moeten huilen, zuchtend wegkijken, de handen ten hemel heffen of de mensheid als verloren beschouwen levert natuurlijk geen goede promo op, al zou het oneindig meer op zijn plaats zijn.

Medelijden
Zelfs slechts een paar seconden te zien, levert mij een diep medelijden op met deze Frank, die er waar het om schaamte gaat bijzonder glunderend bij staat.
Zijn oude zelf wordt publiekelijk te kakken gezet, wordt uitgelachen en in absolute zin geminacht zonder dat hij het zelf doorheeft -dat hoop je toch-, anders was hij er nooit gaan staan. Dat maakt het ‘komische’ inherent tragisch.

Daarbij en dat is nog ernstiger, wat dit hele concept van plan is te doen, is de puberteit te minachten. Te lachen om de ernst van die levensfase en feitelijk iedereen die zich daarin nu begeeft. Het is niet minder dan het pure denigreren van de puberteit en van het jongere zelf waarbij de schaamte wordt gebagatelliseerd, terloops belachelijk wordt gemaakt en bespot. Want er is feitelijk helemaal geen sprake van schaamte, of wel?

Stel dat deze mensen op dat podium zich daadwerkelijk schamen, past het dan te lachen? Men moet bij wijze van onethisch pedagogisch experiment eens een kind of puber consequent uitlachen wanneer er sprake is van schaamte. Bovendien, mensen die zich daadwerkelijk schamen buiten dat nooit uit op een podium laat staan dat ze er triomfantelijk genoegen in scheppen. Genoegen scheppen in schaamte is een contradictio in terminis.

Schaamte en ernst
Als we schaamte wel recht doen, dan beschouwen we deze als een kwetsbare en pijnlijke emotie die ontstaat vanuit het idee dat wie men is niet past bij wie men denkt te moeten of willen zijn*. Schaamte duidt op een sociaal-menselijk tekort (vgl. Dearing, R.L & Tangney, J.P. (2011) Putting shame in context. In: Shame in the therapy hour) waarbij er een constante verhouding is tot de ontwikkeling, identificatie en positionering van het zelf. Schaamte is niet een handeling waar mensen bewust voor kiezen, het is een toestand waarin ze terecht komen, die hen in de passieve zone van hun bestaan overvalt en waardoor zij zich in hun kwetsbaarheid blootgeven, zodanig dat ze dat willen opheffen (Verhoeven, C. (2002). Dierbare woorden. p. 350).

Dus als er dan toch sprake is van schaamte, hoe absurd is het dan om deze kwetsbaarheid te exploiteren voor een paar lachers op de hand? Hoe goedkoop doet men zijn innerlijkheid van de hand, dat ooit van waarde was, door zich als een van reflectie gespeend clowntje ter beschikking te stellen aan een kudde uit- en toe-lachers? Want denk je eens in: wat bezielt mensen om te gaan kijken naar hoe iemand uit de school klapt over ‘zijn meest gênante pubermomenten’?

Moet hier wellicht iets overwonnen worden? Is er sprake van een therapeutische, psychoanalytische bedoeling? In beide gevallen legt dit juist de pijnlijke minachting bloot: Pubers moeten zich schamen voor wat ze op dit moment schrijven, voelen, denken, zingen en dichten. Ze moeten zich schamen voor hun leefwereld. Ze moeten zich schamen voor hun zorgen, die door de volwassenen a postriori niet serieus worden genomen, maar worden weggelachen: ‘Want let maar op, de schaamte komt vanzelf’, zegt de volwassene. En het lachen is hier weer het denigreren. En als de tiener zich al werkelijk a priori schaamt, dan is er straks iemand op een podium die ervoor zorgt dat dit hoe dan ook totaal niet serieus genomen wordt: ‘We maken er gewoon een circus van, haha!’

Vragen…
Het doet diepere vragen stellen over de bedoelingen van dit alles en de ontische oorsprong van reflectieloos exhibitionisme. Waarom kan het kwetsbare niet privaat zijn, maar moet het publiek worden? Al langer is er de pathologische tendens waarneembaar dat kwetsbaarheid tentoonstellen loont. Enkele historische dieptepunten – waarbij het kijken je inderdaad doet schamen- betreffen de “losers” van Idols die in een Arena werden misbruikt voor de commercie, of het eveneens tragische lot van Ceri Rees in X-Factor. Met het indirect tentoonstellen en exploiteren van kwetsbaarheid zou je kunnen zeggen dat er een nieuwe quasi-intellectuele dimensie is aangeboord van juist schaamteloosheid.

Tenslotte
Iemand zal ongetwijfeld te berde brengen dat we eerst maar eens rustig moeten afwachten wat er daadwerkelijk van komt. Maar de grond van dit wanstaltige idee is m.i. zo vervuild, dat alles wat erop wordt gebouwd misselijk maakt. Een promo is de kern van wat men verkopen wil. Niemand zou überhaupt als doel op zichzelf moeten willen lachen over wat iemand in alle ernst in zijn tienerjaren heeft beleefd, en als dat dan toch op de een of andere manier een behoefte is, hoe onbegrijpelijk ook, doe dat dan samen in een stille kamer en wijd er eens wat diepere reflectie aan en laat het een aanzet zijn tot zelfonderzoek. Kijk vooral met eerlijke en respectvolle blik naar de betekenis van wat je toen opgeschreven hebt, in plaats vanuit een commercieel perspectief van valse schaamte of ridiculisering van een levensfase die voor een groot gedeelte ten grondslag ligt aan wie je nu bent. En ik hoop van ganser harte dat het niet dat clowntje is op dat podium.

________________

* Shame is a prevalent and painful emotion that arises frequently in everyday life and that can contribute to the psychological difficulties that cause people to seek treatment. Feelings of shame arise in situations in which an individual recognizes that he or she has committed an offense or violated a standard that is held to be important. Experiences of shame tend to be intense and overpowering because they evoke a sense of being bad, worthless, or contemptible. Shame is frequently associated with a sense of powerlessness, as well as sensations of shrinking, feeling small, being exposed, and wanting to disappear. (p. 4)

Ter verdediging van de racefietser op de openbare weg

Een persoonlijk perspectief

– Anticipeer op iedere medeweggebruiker zo dat je hem het meest domme verkeersgedrag toedicht wat op dat moment maar te bedenken is-

Ieder begin van de lente tot aan het hoogtepunt van de zomer is de racefietser of de wielrenner de gebeten hond. Van de politie die (symbolisch) extra gaat controleren op roekeloze wielrenners tot ongefundeerde haat op vele fora.

Dat valt al vele jaren op en wordt waarschijnlijk niet minder. Een bedroevend slecht geschreven artikel met nog meer taalfouten dan mislukte grappen van ene Marcel Harmsen geeft de tendens prima weer: ‘Wielrenners maken weinig geluid, rijden vaak knoerthard, kunnen meestal moeilijk een rechte lijn volgen, doen hun ding vaak in groepjes, vinden zichzelf King of te Road.’ (sic)
Kortom: ‘Wielrenners flikker op!’

Zo wordt er door veel mensen zonder al te veel diepte gedacht en in veel media over wielrenners gesproken. De racefietser zit in een vreemd negatief frame, waaruit maar moeilijk lijkt te ontsnappen. Toch pleit er genoeg voor een veel genuanceerder beeld. Ik geef wat voorzetten op basis van eigen ervaringen.

Ik fiets al enige jaren voor het plezier op een racefiets, om zowel de gedachten als het lichaam te bewegen. Naast het belangrijke feit dat ik ontdekt heb dat het vrijwel niets uitmaakt of ik op een fiets van € 1500 of € 5500 mij voortbeweeg, heb ik ook ontdekt hoe ongelofelijk veel verkeersovertredingen er worden gemaakt. En dan heb ik het niet over de racefietsers.

Als ik een eenvoudige middagrit van afgelopen week eens als uitgangspunt neem, waar ik ongeveer 60 km reed met een gemiddelde van 32 per uur over voornamelijk rechte en overzichtelijke wegen, dan kan ik zonder veel nadenken de volgende situaties beschrijven die ik tegenkwam:

  • wandelaars met een loslopende hond waar een hond niet los mag lopen. Die hond loopt dan natuurlijk zigzaggend over het fietspad
  • twee fietsers die al spelend met hun telefoon geheel in hun eigen wereld lijken te verkeren en geen enkel idee hebben van het overige verkeer. Op het fietspad rijdt er één meer aan de linker- dan aan de rechterkant, wat inhalen gevaarlijk maakte. Bellen had geen zin (ja ik heb een fietsbel!), want hij luisterde naar muziek
  • auto’s die geen richting aangeven of plotseling afslaan. Maar vooruit, dat wijt ik aan Kanaleneiland waar dat een gewoonterecht is geworden
  • als klap op de vuurpijl het gevaarlijkste wat ik tegenkwam, namelijk een vader met zijn kleine dochter achter zich in plaats van voor zich die zonder omkijken en zonder het uitsteken van een linkerhand volledig onverwacht links de weg oversteekt, waarna zijn dochtertje blind volgt.

Toen ik de beste man nog vriendelijk toeriep dat hij misschien zijn hand beter kan uitsteken volgende keer, viel mij een onlogische tirade ten deel.

Nu moet men weten dat ik een zeer bange en calculerende racefietser ben. Ik neem bochten met de rem vol erop, ik zit nooit dicht op een achterwiel, ik kijk altijd dubbel achterom bij inhalen en bovenal anticipeer ik op iedere medeweggebruiker zo dat ik hem het meest domme verkeersgedrag toedicht wat ik op dat moment maar kan bedenken. Dat gaat ten koste van snelheid, maar is ook precies de reden waarom ik dat meisje niet overhoop reed toen haar vader zonder omkijken dwars de weg overfietste, omdat ik er al rekening mee hield dat hij dat mogelijk zou kunnen doen. Wat echter geen enkele zin heeft, is om te proberen medeweggebruikers aan te spreken op hun gevaarlijke gedrag, domme handelingen of idiote verkeersmanoeuvres. Want het is altijd de schuld van de racefietser heb ik gemerkt.

Uit onderzoek blijkt dat er 815.000 wielersporters in Nederland zijn. Als ik er vanuit ga dat in het hoogseizoen deze wielersporters gemiddeld drie keer per week op de fiets zitten en ze daarbij even veel verkeersovertredingen waarnemen dan ik tijdens een gemiddelde training, dan levert dat een kleine 10 miljoen vastgestelde handelingen op die eigenlijk niet thuishoren in het verkeer. Als ik heel conservatief reken en 10% van die handelingen als een reëel gevaar voor de racefietser beschouw, hebben we het over bijna 100.000 situaties per week waarin een racefietser in gevaar wordt gebracht door een ander.

Het mag een wonder heten dat er dan feitelijk relatief weinig daadwerkelijke ongelukken plaatsvinden. Of wellicht is het wonder te verklaren door het feit dat juist de racefietsers sterk anticiperen op verkeersovertredingen en gevaarlijke situaties, omdat ze zich in een extreem kwetsbare situatie bevinden. Het is ook mijn ervaring met trainingsgroepen op de weg, dat er met zekere discipline wordt gefietst, bewust van de omgeving waarin met elkaar gecommuniceerd wordt over veiligheid. Racefietsers weten als geen ander dat vrachtwagens uit het niets kunnen opduiken, auto’s vaak geen richting aangeven en mensen zitten te bellen en muziek te luisteren op de fiets. Dan laat ik fietspaaltjes, smalle wegen, slechte wegen met scheuren en gaten en kuilen, 45KM auto’s op fietspaden en opgevoerde scooters buiten beschouwing.

Niemand hoeft me uiteraard te vertellen dat er ook overtredingen worden begaan door racefietsers. Maar ik plaats dat hier in een perspectief. Natuurlijk kan adrenaline de overhand nemen, is er onterechte ergernis over scootmobielen die met 10 km/h voortbewegend het fietspad blokkeren of wordt er wel eens randje rood gepakt bij een stoplicht.

Maar als ik de racefietser zou moeten beschrijven, is dat als volgt: Een verstandige beweger die meester is in het anticiperen, vanuit kwetsbaarheid zijn eigen veiligheid en dus die van anderen vooropstelt en welbeschouwd gemiddeld de nationale ziektekosten nog aardig drukt ook.  

Onthoud die beschrijving en je hoeft je nooit meer druk te maken over racefietsers, tenzij je natuurlijk van je sokken wordt gereden…

 

___________

Lees ook: Zijn racefietsers vogelvrij?

Naschrift bij ‘Nadere bedenkingen bij genderneutrale begroeting’

Voor eenieder die er nog niet moedeloos van is


In een vraag- en antwoordrelaas volgt een nadere motivatie voor argumenten eerder uiteengezet in Nadere bedenkingen bij genderneutrale begroeting. De vragen weerspiegelen hier en daar commentaren van derden, aangevuld met enkele inzichten uit langere overweging.

Q. Verbaast dat dit enige aandacht krijgt?

Ik tel mijn zegeningen! Wat me echter het meeste verbaast, is hoe ongelooflijk slecht mensen lezen of alleen op basis van een titel een heleboel eigen inzichtjes klaar hebben. Maar goed, zo werken deze zaken klaarblijkelijk en dat is natuurlijk ook het gevolg van een polemiek. Een soortgelijk lot ligt deze bijdrage waarschijnlijk te wachten, waarin ik voor de geïnteresseerde lezer alvast verklap dat ik niet veel nieuws te berde breng, hoewel ik door nadere overweging wel de kern van mijn verzuchting te pakken heb gekregen. Die heeft goed gesluimerd.

Q. Is dit eigenlijk geen uitzonderlijk marginale kwestie?

Dat is het interessante: het gaat feitelijk helemaal nergens over en tegelijkertijd over alles. Het heeft te maken met identiteit, normen en waarden. Het staat ook niet op zich; dit zit verpakt in een breder discours waar je als je helemaal tot de grond wil komen Oswald Spengler zelfs bij kunt halen. Het scheert over de oppervlakte, maar raakt mensen ergens ten diepste zonder dat ze goed weten uit te drukken waarom. Ik heb dat enigszins geprobeerd, maar ik beloof volgende keer gerust weer te schrijven over Jules Lequier of Friedrich Hebbel waar geen enkeling zich druk over hoeft te maken.

Q. In de bijdrage spreek je over “kuikentjes”. Als we normeren op basis van transpersonen, waarom dan niet op basis van personen die zich een kuikentje voelen. Is dat niet gevaarlijk, en ondermijn je daarmee niet transpersonen?

Waarom is dat in vredesnaam ‘gevaarlijk’? Het gebruiken van het woord ‘gevaarlijk’ is gevaarlijker. Er ligt bovendien een suggestie in verscholen dat mensen die de tekst lezen achterlijk zijn of infantiel, en dat geloof ik toch over het algemeen niet van mensen die mijn stukken lezen. Maar inderdaad, het valt natuurlijk niet uit te sluiten. Toch staat me veel tegen op dergelijke verwijten. Het hele artikel is doordrenkt van nuancering. En ten overvloede begin ik nog maar eens te zeggen dat ik voor emancipatie ben, respect en tegen discriminatie.

Volkomen overbodig natuurlijk, maar pas je niet op, zit je voor je het weet in een obscure rechtse hoek en ben je je alleen nog maar aan het verdedigen tegen zaken die nooit beweerd zijn. Feitelijk is dit alweer een verdediging, maar dat terzijde.

Er is nergens te lezen dat iemand niet mag zijn wie hij is. Ook bij de vergelijking wordt al aangegeven dat ik het verwijt van mogelijk ridiculiseren wel in de gaten heb, maar dat het doel overduidelijk anders is. De vergelijking heeft naast een ironische ondertoon mijns inziens namelijk een behoorlijke argumentatieve kracht. Het gaat om het aan de kaak stellen van een gelijkheidsfundamentalisme. Het is feitelijk een gedachte-experiment wat poogt gelijkheidsextremisten -ik weet geen beter woord- hun eigen overspannen agenda te tonen. Het artikel geeft één van de vele geluiden van mensen die het compleet doorgeslagen vinden dat we ons taalgebruik moeten veralgemeniseren ten behoeve van een zeer minieme minderheid. Het gevoel wat mensen hebben bij de vergelijking van het kuikentje (namelijk ergernis, ongemak, een doorgeslagen manier om mensen gelijk te behandelen), is precies het gevoel wat mensen hebben bij de beweging van de gemeente Amsterdam, de Nederlandse Spoorwegen et al. om de aanspreekwoorden “dames en heren” te schrappen.

Wie dat niet begrijpen kan, heeft in de discussie eigenlijk niets meer te zoeken. Maar toch als er één iemand in Nederland is die zich daadwerkelijk een kuikentje voelt, en dat sluit ik echt niet uit, dan moet noodzakelijkerwijs het gevolg zijn van het gelijkheidsfundamentalisme dat er rekening mee gehouden wordt. Ik vind dat dus absurd.

Q. Absurd?

Ja absurd. En fundamenteel onuitvoerbaar, ongelegen, onwerkbaar, onlogisch, onpraktisch, onhaalbaar, onwenselijk en ongefundeerd.

Q. Maar welk kwaad kan het om ook rekening te houden met de allerkleinste minderheden?

Dat is juist de hele zaak niet! Deze aanhoudende verwarring verbaast me. Het lijkt haast alsof de verwarring met opzet wordt gezaaid. Natuurlijk moet je rekening houden met zelfs de kleinste minderheden, maar dat is iets anders dan de taal aanpassen met als uitgangspunt een kleine minderheid. Dat is de kern van het hele verhaal.

We moeten aanvaarden dat we in algemene zin nooit altijd met iedereen rekening kunnen houden. Dat is de utopie van de gelijksheidsbeweging. Dat moeten we absoluut niet willen. Sterker nog: In een wereld waarin iedereen altijd en overal rekening moet houden met de ander, verliezen mensen juist hun sociale identiteit. En kan iemand zichzelf niet zijn omdat we een algemene beleefdheidsvorm hanteren die naar mannen en vrouwen verwijst? Ik moet bekennen dat ik vaak juist meer mezelf voel wanneer ik in een groep niet wordt aangesproken op wie ik ben: ‘ha, ik ben bijzonder!’

Q. Voorstanders roepen dat het geen kwaad kan om mannen en vrouwen aan te spreken als aanwezigen, reizigers of met meer van dergelijke algemene termen en containerbegrippen. Wat is er mis mee?

Ze vergeten daarbij dat ook bij dergelijke aanspreekvormen bepaalde mensen zich onjuist of onheus bejegend blijven voelen. Het lost helemaal niets op. Je creëert alleen een nieuw probleem of misschien wel meer dan één. Het is een enorme slippery slope. Het wijdverbreide onbegrip, de weerzin en de politieke tegenstand van de afgelopen dagen heeft dat wel genoegzaam duidelijk gemaakt: het middel is erger dan de kwaal. Het wekt hilariteit bovendien, en dat wil je juist niet. Het is interessant dat de miskenning van dit onbegrip hiervan precies hetzelfde is als wat voorstanders tegenstanders verwijten. Je mag hier namelijk niet over geërgerd zijn, want het is juist goed voor alle mensen. Je mag hier niet over geïrriteerd zijn, want in de perfecte wereld die voorgestaan wordt kan immers nooit iemand meer geïrriteerd, beledigd of geërgerd zijn.

Q. Maar hoeveel moet jij daadwerkelijk toegeven? In hoeverre moet jij je ergens naar schikken of word jij lastig gevallen als de conducteur voortaan ‘beste reizigers’ zegt, of wanneer jij voortaan bij een toespraak ‘goedenavond iedereen’ zal zeggen. Je zal je in dat laatste geval inderdaad een beetje moeten schikken, maar ook daar, hoeveel lever je in? Nagenoeg niets toch?

Op zich een interessant punt. Waarom zou ik me storen aan het almaar oprekken van de euthanasiewetgeving, de toenemende sociale indicatie van abortus, aanhoudende secularisering, postmodernisering, seksualisering van media en de samenleving, individualisering en normvervaging, decriminalisering van godslastering en de acceptatie ervan in alledaags spraakgebruik, laat staan een overheid die geslachtelijke identiteit het liefst afschaft in algemene omgangsnormen?

Het betreft hier niet meer dan een tegengeluid waar het gaat om een m.i. doorgeslagen progressieve postmoderne agenda, waarvan het bovenstaande enkele voorbeelden bevat, en dit de zoveelste opdringerige (je kunt er niet aan ontsnappen) moralisering is, dus niet van onderuit zoals zou moeten, maar van bovenaf.

Maar ik kom straks nog tot de kern van mijn verzuchting

Q. Maar wat als jij je nu man noch vrouw zou voelen? Kun je je eigenlijk wel genoeg inleven in mensen die zich man noch vrouw kunnen of willen noemen?

Leef je maar eens fatsoenlijk in mij in, dan ben je het helemaal met me eens. Maar zonder gekkigheid:

Ik zou mij tot op zekere hoogte wel willen inleven, maar ik moet daarin niet overvraagd worden of geconfronteerd met een voorstelling waarbij de variabelen zo talrijk en complex worden dat het niet zinvol is om de ‘wat als-vraag’ te stellen.

Zeker kan ik mij afvragen hoe het zou zijn als ik een minderheid was, wat ik toch ook nog wel eens ben geweest. En het zal vast allemaal minder erg zijn, hoor ik velen al denken, maar leef je maar eens in! Een katholiek onder de protestanten, een Maastrichtenaar onder de Nederlanders, een verstandig iemand onder de domoren (maar dat mag je natuurlijk niet zeggen zo, want dan ben je -met een kwinkslag- de arrogant onder de nederigen).

Maar ieder individu gaat daar anders mee om, dus als ik een van die minderheden zou zijn, betekent het nog niet dat ik dan representatief zou handelen voor die hele minderheid. De suggestie wordt namelijk gewekt dat je vermoedt dat indien ik zou behoren tot de genoemde minderheid, ik mij dan wel beledigd (geraakt, gekwetst, genegeerd enzovoorts) zou voelen en blij zou zijn met het feit dat een organisatie die zich bezig moet houden met het op tijd rijden van treinen, plotseling de ethiek en de moraal aanroert, en sociaal wenselijke proefballonnen oplaadt. Ik denk dat dat niet het geval is (maar daar zie je alweer de paradox). Omgekeerd geldt het ook: Amsterdam Pride is een steen des aanstoots voor ongelofelijk veel mensen die zogenaamd tot de doelgroep van het evenement zouden behoren, maar er volkomen niet mee geassocieerd willen worden. Ik vraag me ook sterk af door hoeveel mensen binnen de doelgroep dit eigenlijk wordt gedragen, het is per slot van rekening niet eens hun eigen initiatief, maar dat van enkele ambtenaren.

Enfin, het zogenaamde inleven is niet heel erg zinvol, omdat het 1. niet het antwoord oplevert wat je verwacht nadat ik mij heb ingeleefd, maar 2. ook omdat ik denk dat het iemand overvraagt en 3. de zaak al helemaal niet minder complex maakt.

Q. Zou het niet fijn zijn om in een wereld te leven waarin er geen geslachtelijke identiteit meer is?

Zo’n wereld is absurd, die is niet voor te stellen. Althans, laat ik het bij mezelf houden: ik kan die niet voorstellen. Het heeft dan ook geen zin om mij achter een sluier van onwetendheid te plaatsen of iets dergelijks: ik moet namelijk wel axiomatisch de redelijkheid veronderstellen. Ik kan mij een genderneutrale fiets voorstellen die de stang precies schuin door het midden heeft, maar ik kan mij geen wereld voorstellen waarin het mannelijke en vrouwelijke er niet meer is of in de taal betekenisloos is geworden. Het was er, is er en zal er altijd zijn. Het publiek aanspreken met mannen en vrouwen heeft ook helemaal niet de intentie om te beledigen, dat is geen onbelangrijke notie en draagt de kern van de ergernis over deze zaak in zich.

Q. Fijn dat er geen intentie is om te beledigen, maar in hoeverre maakt de intentie uit? Stel je voor dat ik uit een dorp kom, waar iedereen bij wijze van groet heel hard ‘lelijk gezwel’ naar elkaar schreeuwt. Op een dag kom jij dat dorp binnen en iedereen schreeuwt ‘lelijk gezwel’ naar jou. Waarschijnlijk ben je beledigd ondanks dat dat niet de intentie was.

Ik moet toegeven, aan absurde vergelijkingen ontbreekt het jou ook niet. Het is bijna een belediging voor het gezonde verstand, maar ik weet dat je het niet zo meent. Je vertekent hier het standpunt en doet net alsof “geachte dames en heren” te vergelijken is met “geacht lelijk gezwel”.

Ik moet dus omwille van het argument aannemen dat iemand een dergelijke betekenis hoort, wanneer hij zo wordt aangesproken. Dan moet ik bovendien aannemen dat iemand volslagen wereldvreemd is, opgegroeid is in een samenleving waarin dit niet de norm is, nooit heeft geleerd dat het een vriendelijke en zeer beleefde bejegening is, en tenslotte dus ook niet begrijpt dat deze aanspreekvorm wereldwijd en historisch volkomen logisch is in een werkelijkheid waarin 99,99% van de mensen hiermee correct wordt aangesproken. Ik denk dus dat indien iemand zich toch beledigd voelt door een dergelijke wijze van aangesproken worden, dat geheel voor rekening is van die persoon en niet van degene die iemand zo aanspreekt. Je kunt iemand niet verwijten zich naar de meest fatsoenlijke en meest logische normen te gedragen.

En laat ik hier mijn verzuchting in de kern motiveren. Het heeft me -vreemd genoeg- vele uren van overweging gekost om tot deze kern te komen. De beweging namelijk die in gang is gezet breng als vanzelf een beweging van het in sociale zin criminaliseren van alledaags taalgebruik met zich mee. Je ziet dat –en het is vast weer onbedoeld- al terug in de discussie waar ‘geachte dames en heren’ besmet is gemaakt en op één lijn gesteld wordt met ‘neger’ en ‘zieke homo’, alsof -met ook jouw ridicule vergelijking in het achterhoofd- iets vreselijks zegt én doet. Wat hier gebeurt, is mensen een schuldgevoel opdringen die een publiek toespreken met ‘dames en heren, jongens en meisjes’. Omdat ze mogelijk daarmee iemand als ‘lelijk gezwel’ zouden hebben aangesproken, en daarmee zijn ze verwerpelijk. Alsof mensen zich moeten schamen als ze deze vriendelijke woorden spreken. Je kunt dat ontkennen, maar dat gebeurt hier en passant.

Dat is wat me tegenstaat en dat is wat ik constant zie gebeuren, dat mensen die conservatief zijn (voor zover ‘Dames en heren’ conservatief is!) in een beklaagdenbank zitten omdat ze volgens een bepaalde groep niet ‘ruimdenkend’ genoeg zouden zijn, en daarmee fout of verwerpelijk –op zijn minst als suggestie. Het adagium: hoe ruimdenkender je bent, hoe beter je bent, is een zeer hardnekkig adagium. Ik denk dat het vals is of op zijn minst van een verkeerd begrip van ruimdenkend uitgaat. Je mag dat gerust conservatief noemen.

Q. Misken je feitelijk iemands identiteit als je die identiteit in het midden laat? Als een man of vrouw heeft bevestigt dat ze een man of vrouw zijn, dan ben je inderdaad vrij gek bezig als je ze daar niet in erkent, maar doe je dat als je de identiteit in het midden laat? En ben je niet eerder de identiteit van deze hele kleine, doch ergens aanwezige groep aan het miskennen als je het hebt over ‘dames en heren’?

Jij wilt in een wereld leven waarin je a priori alle mogelijke pijnpunten hebt uitgesloten in een sociale context… Ik wil met zo’n wereld niets te maken hebben. Het is een bange wereld waarin iedere sociale interactie gestuurd wordt door angst de ander te kwetsen.

Want ‘man en vrouw’ is echt niet het enige pijnpunt als je dat soms had gedacht. En ik herhaal: waar eindigt dit voor jou? Wanneer ben je tevreden? Nu gaat het over geslachtelijke identiteit, maar er zijn talloze andere zaken die iemand met zijn persoonlijkheid meedraagt en net zo zwaar of zwaarder weegt, waar ik op voorhand geen kennis van heb en waar ik ook niet het idee heb dat ik er op voorhand rekening mee zou moeten houden. Rekening houden met ontstaat a posteriori, niet a priori. Ik misken niets, want ik weet het nog niet. Hier spreken van miskennen is weer precies dat schuldgevoel opdringen.

Q. Dank voor alle toelichting. Of we het helemaal ooit eens met elkaar kunnen worden, durf ik niet te zeggen, maar ik zie welke weg je bewandelt. En aan de andere kant: het bevalt me dat er zoveel wegen bewandeld kunnen worden. Het niet met elkaar eens zijn is een gezonde kracht, die zou ik wat dat betreft nooit willen afschaffen…

Nadere bedenkingen bij genderneutrale begroeting

Toen ik ten vierde male in korte tijd zonder dat ik daar in het bijzonder mijn best voor had gedaan geconfronteerd werd met het nieuws dat de gemeente Amsterdam heeft aangekondigd voortaan een ‘genderneutrale’ gemeente te willen zijn, bemerkte ik in mijzelf een dieperliggende ergernis, of eerder een diepere verzuchting.

Wellicht heeft het te maken met dat dergelijke nieuwsfeiten meer dan gemiddeld boven water komen, zeker in een land waar de progressieve agenda al jaren zoekt naar nieuwe wegen om urgent te blijven, en die worden steeds smaller. Of het nu gaat om een OV-kaart die ontdaan wordt van de M/V-identiteit, het voetgangersstoplicht dat genderneutraal moet zijn, een regenboogzebrapad of openbare toiletten voor mensen met androgynie: op de een of andere manier mis ik dat nieuws nooit. Tegen wil en dank. En het einde hiervan is nog lang niet in zicht, dus neem ik hier een voorschot.

In deze nadere overweging zal ik proberen al schrijvend deze verzuchting te motiveren. Daarbij is de opzet licht polemisch van aard en hier en daar voorzien van een ironische noot, die voor een gezonde afstand tot de wereld zorgt en de relatieve onbeduidendheid waar ik me hier toch op richt een enkeling opvrolijkt.

Vooraf aan dit soort overwegingen is het vandaag de dag gebruikelijk om het nodige voorbehoud te maken, zodat er geen misverstanden gevonden kunnen worden of tere zielen nodeloos gekwetst zouden raken. Ik zal mij daarom ook beroepen op het Seinfeldiaanse “Not that there is anything wrong with that” (Nttiawwt) als je iets anders denkt. Met andere woorden: ik ben tegen discriminatie, ik juich ongedwongen emancipatie toe, eenieder mag zijn wie hij (of zij…of…) wil zijn en wat mij betreft gaat iemand in een paars latexpak met een voorbinddodo op een nummer van Nana Mouskouri out op de Amsterdamse grachten door een overdosis XTC. Prima als dat iemands identiteit vorm geeft, ik heb er niets mee, maar Nttiawwt!

We moeten natuurlijk bezien hoe heet deze soep precies wordt opgediend en welke slippery slope nu weer is opgetrokken, maar in de zogenaamde regenboogtaalgids van de gemeente Amsterdam die weldra een collectorsitem zal zijn, worden warme aanbevelingen gedaan aan ambtenaren om ‘op een respectvolle manier te praten en schrijven over seksuele en genderdiversiteit’. In plaats van ‘dames en heren’ of ‘geachte heer/mevrouw’ wordt bijvoorbeeld geadviseerd te kiezen voor vormen als ‘beste mensen’, ‘geachte aanwezigen’ of ‘beste Amsterdammers’. Het zou kunnen dat een aantal ambtenaren permanent verwart raakt wat nu wanneer te zeggen of in een identiteitscrisis belandt, want een kleine moeite is het allerminst. Maar dat terzijde.

Een eerste probleem openbaart zich hier: er is natuurlijk in de verste verte geen sprake van een gebrek aan respect wanneer iemand een ander aanspreekt met ‘geachte meneer’ of ‘beste mevrouw’. Die suggestie is daar foeilelijk ingeslopen, waardoor in bepaalde kringen binnen de kortste keren het idee ontstaat dat je fout bezig bent als je genderneutraliteit nalaat. Er is geen enkele intentie om te beledigen wanneer iemand een zaal toespreekt met ‘dag dames en heren’, net zo min als Ome Willem de ongelukkige androgyn op de korrel had (0:58). Correcter was echter volgens Amsterdamse richtlijnen: “Zeg eens even allemaal, zijn er hier ook aanwezigen in de zaal?” Dat kan iemand absurd vinden, maar dat is gewoon het gevolg van een regenboogagenda.

Iemand verklapte mij het argument dat men vroeger sprak van ‘negers’ of ‘homo’s als zieke mensen’, en we ons daar nu voor zouden schamen. Ongetwijfeld, maar waarom zou ik mij ooit gaan schamen omdat ik mensen aanspreek met man of vrouw? Er zit helemaal geen intentionele negatieve connotatie of denigrerende ondertoon of nare geschiedenis in het woord ‘man’ of ‘vrouw’ net zo min als in een groen stoplichtmannetje, zoals dit uiteraard wel aanwezig is in het woord ‘neger’ en ‘zieke homo’. Het zou bovendien bijzonder vreemd zijn als uiteindelijk het gevolg is dat de woorden man en vrouw zouden verworden tot scheldwoorden. Belediging is hier exclusief in the ear of the beholder.

Niet beledigd zijn door het naakt a.u.b., het is niet aanstootgevend bedoeld!

Het gaat er dus om dat er mogelijk mensen beledigd, gekwetst of ontdaan zijn door de aanspreekvorm man of vrouw. Dan hebben we het dus over mensen die zich noch man noch vrouw voelen. Wie zoekt kan altijd wel iemand vinden, daar ben ik zeker van. Maar wie goed zoekt kan ook iemand vinden die intens bedroeft is dat het Zuid-Oostzaanse lampi-werpen nooit enige aandacht krijgt bij Studio Sport. Terwijl het zijn lust en zijn leven is, wordt hij wekelijks op de onbeduidendheid daarvan gewezen, namelijk dat niemand er rekening mee houdt. Iemand zal mij verwijten gebruik te maken van een oneigenlijke vergelijking, maar ik probeer slechts aan te geven dat rekening houden met minieme doelgroepen niet per definitie betekent dat de grote massa zich ernaar moet schikken of ermee moet worden geconfronteerd bij algemene aangelegenheid.

Maar hoe miniem is miniem? Onderzoek van kenniscentrum Rutgers (2012) stelt dat er in Nederland 48.000 transgenders zijn in de leeftijd van 15 tot 70 jaar. Als we uitgaan van 14.500.000 mensen in Nederland die ouder zijn dan 15, levert dit een percentage op van 0.0033%. Let wel, dit gaat over transgenders, niet over individuen die zichzelf geen sekse kunnen of willen toeschrijven. Ik schat met een natte vinger die groep een factor 10 kleiner. Dus dan stel ik vast dat meer dan 99,99967% in Nederland zich wel een man of een vrouw voelt, los van seksuele voorkeur. Wanneer ik met mijn aanspreekvorm in 99,999 % van de gevallen iemand niet beledig, is het de vraag waarom ik (of een ambtenaar) überhaupt gedrag zou willen wijzigen.  De grootste denkfout die voorstanders maken zit er in dat genderneutraliteit 100% beledigingsvrij is. 100% prettig voor iedereen. Een indirecte miskenning of opschorting van iemands geslachtelijke identiteit, een erkenning waar bijvoorbeeld vrouwen (een relevante 50,8% in Nederland) vele decennia voor hebben gestreden, hangt sterk samen met het vermijden van het mannelijke en vrouwelijke in mensen. Wat ik dus wil zeggen is dat het kiezen voor dergelijke politieke richtlijnen, als vanzelf met zich meebrengt dat waarschijnlijk veel meer mensen geschoffeerd zijn, geërgerd of beledigd dan de groep die een politiek correcte elite ermee probeert te plezieren of te erkennen.

Het middel is erger dan de kwaal. Je kunt je al helemaal afvragen of het in algemene zin bijdraagt tot meer begrip, in plaats van minder. In utilitaristische zin is dit mijns inziens een absolute fiasco , daar hoef je geen raketwetenschapper voor te zijn. Het is ook zeker geen zure appel waar wij even heen door moeten bijten, daarvoor is de mens tot in de eeuwigheid teveel man of vrouw. Gelukkig maar trouwens voor de mensheid…

Een argument wat doorgaans samenhangt met het bovenstaande is dat zelfs de meest marginale groeperingen ook door de overheid beschermd moeten worden. Özcan Akyol -een uitstekend schrijver- gebruikte dat argument nog in zijn column van donderdag 27 juli in het Algemeen Dagblad. Dat is uiteraard terecht: iedereen heeft recht op bescherming van de overheid. Het gaat hier echter helemaal niet om bescherming! Het aanpassen van taalgebruik heeft niets met bescherming van individuen te maken. Het is eerder de vraag in hoeverre de overheid zich sturend moet bemoeien met taalgebruik van mensen, al dan niet met zogenaamde goedbedoelde suggesties. Het is al helemaal de vraag in hoeverre een overheid haar beleid moet normeren op basis van een absolute minderheid.

Daar heb ik al elders al wat ironische opmerkingen over gemaakt, waarvan ik het niet kan laten ze hier te herhalen, omdat ze toch ook een inhoudelijke kracht bezitten. Want als bijvoorbeeld een overheid klaarblijkelijk op paternalistische gronden haar beleid aanpast op basis van een absolute minderheid, waar eindigt dit dan? Waar ligt de grens? Wanneer is het gelijkheidsfundamentalisme bevredigd?

Kijk, het percentage mensen in Nederland dat zich geen mens voelt maar een kuikentje, ligt rond de 0,00087%. In dat geval voldoet een genderneutrale opening als ‘goedemiddag beste mensen’ niet. Iemand zou kunnen zeggen dat ik de zaak daarmee ridiculiseer, maar ik zou kunnen zeggen dat deze persoon geen respect heeft voor mensen die zich geen mens voelen en beledigd zijn als ze toch aangesproken worden als mens. Gaat dat niet wat ver? Ja, maar waar iemand de grens legt bij menselijke verschijningen die zich een kuikentje wanen waar we echt geen algemene richtlijnen voor moeten suggereren, leg ik de grens een paar tienden terug.

Dat brengt mij tenslotte tot een zekere essentie, namelijk de kunst van het niet al te snel beledigd, geraakt en gekwetst te zijn in samenspraak met het opzichtig rekening houden met alle denkbare gevoeligheden. Ik stoor mij bijvoorbeeld al lange tijd aan de omroepmededeling in de trein: ‘Dames en heren, goedemorgen.’ Niet omdat er gesproken wordt over ‘dames en heren’ in plaats van ‘reizigers’, maar dat een computerstem in plaats van een menselijke stem dat doet. Een computer die mij goedemorgen wenst, dat is voor wie het begrijpen wil bijzonder aanmatigend, betekenisloos en absurd! Ik zou dat liever dagelijks anders willen, maar ik snap ook wel dat techniek nu eenmaal de norm is en daar schik ik mij in. Prima, ik kan in de trein gewoon zijn wie ik wil zijn ook al word ik niet aangesproken op de manier hoe ik dat zou willen of waardoor ik me niet erger. En misschien moet ik mij helemaal niet zo aanstellen evenmin als dat ik altijd en overal als slachtoffer moet worden beschouwd van een systeem waar ik deel van uitmaak. Zowel ik als het systeem is daar niet bij gebaat.

Ik zal vast hier en daar wat draaien om mijn oren krijgen. Het pleit is namelijk nog lang niet beslecht, noch lijkt mijn dieper liggende verzuchting helemaal opgehelderd. Zolang ik echter mag blijven verzuchten, zul jij mij niet horen. Nu ja, ons niet horen.

 

Zie verder:

Naschrift bij nadere bedenkingen bij genderneutrale begroeting

__________________________

Zie o.a.:

http://www.ad.nl/politiek/en-welke-letter-bent-u~ad34b5a8/

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/07/26/geachte-dames-en-heren-nee-liever-niet-12257592-a1568036

https://www.parool.nl/amsterdam/amsterdam-wil-genderneutrale-toiletten-in-stadhuis~a4459714/

https://www.parool.nl/amsterdam/-gemeente-amsterdam-wordt-genderneutraal~a4508148/

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/05/18/je-moet-jezelf-opnieuw-uitvinden-9166903-a1559284

Wat heet een pyrrusoverwinning?

Wie anders dan een rechter brengt de mensen nog bijeen?

Kabaal om een klassenfoto. Een kritiek bij de zaak “Stichting De Haagse Scholen” vs “De minderjarigen”

Toen koning Pyrrhus zich gereedmaakte tegen Italië op te trekken, vroeg zijn wijze raadsman Cyneas, teneinde zijn vorst de zinloosheid van zijn plannen te doen inzien: ‘Waarom begint u aan zo’n grote onderneming, Sire?’‘Om mij van Italië meester te maken,’ antwoordde hij zonder dralen. ‘En,’ vroeg Cyneas weer, ‘daarna?’ ‘Dan trek ik op tegen Gallië en Spanje.’ ‘En daarna?’ ‘Dan verover ik Afrika, en tenslotte, als ik de hele wereld aan mij onderworpen heb, ga ik uitrusten en kan ik een kalm en gelukkig leven leiden.’ ‘In godsnaam, Sire,’ reageerde Cyneas weer, ‘als u dat wilt, waarom doet u dat dan niet meteen? Waarom neemt u niet nu al de rust waar u, zoals u zegt, naar uitziet, en bespaart u zich niet al die moeite en gevaren die u zich intussen bereidt?’
Michel de Montaigne (2009 vert.). De Essays. P. 346.

Pyrrhus (319-272 v.Chr.), de Molossische koning van Epirus kennen we voornamelijk van de uitdrukking ‘Nog één zo’n overwinning en ik ben verloren.’ Blaise Pascal maakt er in zijn Pensées geloof ik melding van en er zijn vele oudere bronnen die de hopeloze strijd van Pyrrhus kleurrijk weten te schetsen.

Pyrrhus is de kampioen van de schijnoverwinning, de overwinning waarbij de winnaar net zoveel verliezen lijdt als of meer verliezen lijdt dan bij een absolute nederlaag. En zoals dat schitterende citaat van beroepsverteller Montaigne hierboven laat zien, is het soms vele malen verstandiger, wijzer en beter om je te bezinnen en de strijd te laten voor wat het is. Niet iedere strijd is de moeite waard van het strijden, niet alle gelijk is gelukkig.

De gedachte aan koning Pyrrhus overviel mij onherroepelijk toen bekend werd dat een kantonrechter een schadevergoeding van € 500 heeft toegekend aan een ouder die een zaak (ECLI:NL:RBDHA:2017:7416) had aangespannen tegen de school waar haar kinderen genieten van uitstekend primair onderwijs. De Maria Montessorischool in Den Haag moet € 500 schadevergoeding betalen aan de moeder, omdat haar twee kinderen vanwege het Offerfeest niet op een klassenfoto staan. Het is een inmiddels even bekende als vermoeiende aangelegenheid.

Maar het is vooral een prachtig voorbeeld van wat nu een pyrrusoverwinning heet. Dit is nu een overwinning die laat zien wat verlies betekent. Want wat is er eigenlijk precies gewonnen? Het kan nooit een overwinning zijn waar iemand, wanneer hij alleen in zijn kamer zit en zijn diepste zelf onderzoekt, ook maar enige vreugde aan kan ontlenen. Deze overwinning staat symbool voor wat het betekent als alles is mislukt. En met alles bedoel ik dat iemand niet in staat is om er zonder een rechter uit te komen. Met alles bedoel ik dat kinderen willens en wetens inzet worden van een nationale -ongelukkige- discussie. Met alles bedoel ik dat de relatie met een school wordt vernietigd, waar kinderen met hun vrienden aan het opgroeien zijn. “Ach, kijk daar lopen ze…zal ik jullie op de foto zetten?” Nog goedbedoeld ook.

De immateriële schade die is geriskeerd, zou in ironische zin inzet moeten zijn van een nieuwe rechtszaak en jeugdzorg. Een moeder heeft de taak haar kinderen te beschermen, maar daar heeft dit geen zweem van. Ik ben er van overtuigd dat de immateriële schade die is geriskeerd – of in dit geval zelfs is geëffectueerd- vele malen groter is dan de zogenaamde immateriële schade van het niet staan op een klassenfoto. Let wel: officiële klassenfoto, want iedere bijdehante onderwijzer met een redelijke camera op zijn telefoon had al 28 nieuwe klassenfoto’s paraat. Dit heet namelijk een digitaal tijdperk te zijn. Maar daar gaat het natuurlijk niet om. Het gaat hier over de officiële klassenfoto. En daarbij een gebrek aan maatschappelijk schild wat af en toe beschermd tegen iets wat niet helemaal loopt zoals je had gewild. Zo’n schild ontwikkel je in een vrije samenleving, als alles goed gaat tenminste.

Maar wat ik dus werkelijk niet begrijpen kan is hoe een moeder nu kan geloven dat ze haar kinderen een dienst bewijst door in een tijd waarin anonimiteit niet meer bestaat ze inzet te maken van een ‘principiële’ kwestie. De kinderen staan nog steeds niet op de foto. ‘What’s done is done and cannot be undone’, zei Lady Macbeth ooit tegen haar man. En dat is hier een waar gegeven. De school heeft niet moedwillig kwaad gedaan, excuses gemaakt en ach, volgens de rechter niet alles evengoed onderbouwd dat ze écht hun best hebben gedaan het écht nog beter te proberen doen. En dan wordt het formeel, vervelend en spreken jonge kinderen plots in juridische volwassentaal: ‘Aldus heeft de Stichting indirect onderscheid gemaakt op grond van godsdienst, terwijl het gemaakte onderscheid geen legitiem doel diende, aldus de minderjarigen.’ Ja, er staat echt in het vonnis: aldus de minderjarigen.

Minderjarigen die zijn bedoezeld en bezoedeld door volwassenen zonder schild, door een samenleving die is gejuridiseerd en een wereld waarin men wil afdwingen in plaats van vergeven. Iedere schoolfoto die ooit nog genomen wordt is bovendien met deze aangelegenheid verbonden waarmee een zekere onschuld van deze kinderen volledig is vernietigd. Kinderen zijn ongetwijfeld flexibele wezens, die tegen een stootje kunnen, pragmatisch zijn en over het algemeen vrolijk en vergevingsgezind. Maar ze zijn ook buitengewoon gevoelig voor het gedrag van hun ouders. Ze hebben een feilloze antenne voor wat hun rolmodellen voorhouden, voelen en uitstralen. En dit is absoluut het verkeerde voorbeeld. Dit is geen open dialoog, dit is geen zand erover. Dit zijn kinderen in een rechtszaal die zich moeten verdedigen omdat moeder een zaak heeft aangespannen. En al zouden ze wat anders willen zeggen en vinden en voelen, dat gaat natuurlijk niet meer. De jeugd draait om een schoolfoto en een paar euro.

Iemand zou nog te berde kunnen brengen dat discriminatie niet moet worden gebagatelliseerd. Ik kan echter geen moedwilligheid ontdekken noch kan ik mij voorstellen dat dit in hoger beroep standhoudt. Daar is voldoende over gezegd, maar mijn punt blijft staan: zelfs als je hier een zaak denkt te hebben, en het zelfs niet uitmaakt of iets wel of niet moedwillig is, er excuses zijn gemaakt en alternatieven zijn geboden, is het nog iets anders de zaak te voeren. Want ik herhaal dan mijn vraag: wat is hier nu precies gewonnen?

Met Pyrrhus liep het slecht af. In een straatgevecht met een soldaat kreeg hij van een oude vrouw die waarschijnlijk haar zoon zag vechten met Pyrrhus een ferme steen op zijn hoofd, die hem van het paard sloeg en verlamde. Kort daarna werd hij onthoofd. Zover zal het hier toch niet geraken, al koester ik tegen beter weten een diep verlangen naar wijze woorden gevolgd door verstandige daden. Dat hoger beroep moet er komen nu die steen is gaan rollen. Waar is Cyneas als je hem nodig hebt?

Het recht een zwangere vrouw alcohol te weigeren

Aanreikingen voor een tafelgesprek

In deze overweging sta ik stil bij een casus* waarbij er een klassiek spanningsveld bestaat tussen recht en moraal. Wie wil kan er volledig in verdwalen, want de complexiteit is enorm. Dat is althans mijn opvatting nadat ik er enkele dagen aan heb besteed de finesses ervan te bestuderen in de literatuur.

Desondanks leent de casus zich uitstekend voor intuïtieve opvattingen en tafelgesprekken.

De situatie is als volgt:

Casus I
Je bent werkzaam in de horeca. Op enig moment neemt een vrouw, die overduidelijk hoogzwanger is, plaats aan de bar en bestelt een fles wijn. Je weigert echter de vrouw deze wijn te schenken. De vrouw is verontwaardigd en klaagt bij je baas. Die sommeert je vervolgens je werk te doen. Je blijft echter weigeren de vrouw te bedienen, wat voor hem een reden is voor ontslag op staande voet wegens werkweigering.

In deze casus spelen verschillende variabelen een rol.

Allereerst gaan we ervan uit dat het zeker is dat deze vrouw hoogzwanger is en haar kind wenst. Daarmee bedoel ik tenminste voorbij de 24 weken en in blije verwachting. Voorts nemen we aan dat de vrouw van plan is deze fles wijn te nuttigen, waarbij er geen sprake is van dronkenschap wat een legitieme reden zou zijn om te weigeren. Tenslotte gaan we ervan uit dat je baas je redelijke instructies geeft hoe de zaak volgens hem af te handelen, die echter niets afdoen aan je gewetensbezwaar.

De discussie gaat mij niet zozeer over ‘de waarschijnlijkheid’ of ‘de randvoorwaarden’, maar om de vraag of iemand die in dit geval op goede morele gronden werk weigert, daarvoor gestraft moet worden. Zijdelings hiermee verbonden is de vraag of de wet iemand kan dwingen immoreel te handelen. De dwang is hier de sanctie die staat op werkweigering.

Allereerst zal ik stilstaan bij wat ik hier beschouw als een goede morele grond op basis waarvan een handeling gerechtvaardigd is. De stellingen zijn voor discussie vatbaar, maar ik ga er vanuit dat ze uiterst redelijk zijn. Voor mijzelf bezitten ze een klaarblijkelijke evidentie. Ik zal aansluitend één en ander kort toelichten.

  1. Het is fout om bewust schade toe te brengen aan (beschermt) ongeboren menselijk leven

  2. Het is fout om iemand die van plan is bewust schade toe te brengen aan (beschermt) ongeboren menselijk leven daarin te ondersteunen, te helpen of te faciliteren

  • (NB: het is irrationeel om bewust schade toe te brengen aan een ongeboren gewenst menselijk leven)
  1. Waar het binnen iemand zijn mogelijkheden ligt om schade aan (beschermt) ongeboren menselijk leven te voorkomen, heeft hij de plicht om dat te doen

Ad 1.
Ik ga er vanuit dat dit een evident axioma is. Onder beschermt ongeboren menselijk leven versta ik hier het menselijke leven wat in staat is op zich te bestaan. In Nederland hanteren we hiervoor de 24 weken grens in de zwangerschap, waarna het kind ook buiten de baarmoeder levensvatbaar is.

Het is overigens ironisch dat de effecten van alcohol aan een kind jonger dan 24 weken in de zwangerschap nog schadelijker zijn. Het staat de lezer vrij het dilemma te doordenken in iedere fase van de zwangerschap.

Ad 2.
Wanneer een moeder haar pasgeboren kind zichtbaar wijn te drinken zou geven, zou dit voor niemand die over enige morele en verstandelijke vermogens beschikt acceptabel zijn. Het is daarom vreemd dat er twijfel zou zijn indien de moeder dit doet bij haar ongeboren kind van zeg 34 weken of zelfs enkele dagen voor de geboorte. Uit de laatste inzichten blijkt dat er geen veilige grens bestaat betrekking tot alcoholconsumptie gedurende de zwangerschap. Chang, Lockwood en Eckler (2016) concluderen verder in Alcohol intake and pregnancy (UpToDate Topic 4798) dat ‘Alcohol consumption appears to have negative effects throughout pregnancy’. Voorts adviseren ze ‘abstinence from alcohol at conception and during pregnancy’. Meer informatie over schadelijke effecten is hier te lezen.

Maar het behoeft eigenlijk geen nadere toelichting dat het drinken van alcohol (ernstige) schade kan toebrengen. Of dat nu een glas is of een fles, er is een aanmerkelijk risico op cel- en ontwikkelingsschade. Dat leidt tot de ‘nota bene’, waarin ik stel dat het volstrekt irrationeel is iets wat je graag wenst opzettelijk schade te berokkenen. Hieruit zou kunnen voortvloeien dat het een vanzelfsprekendheid is een vrouw er op te wijzen dat zij in strijd handelt met haar eigen wensen en belangen.

Ad 3.
Iemand zou nog naar een zelfbeschikkingsrecht van de moeder kunnen verwijzen. Maar dat is hier niet relevant, aangezien er evenzeer een recht is van iemand om niet bij te hoeven dragen aan het berokkenen van schade aan (beschermt) ongeboren menselijk leven. Dat is althans mijn stellige overtuiging in deze discussie. Iemand daartoe verplichten is absurd. Dat de moeder dan elders haar fles wijn zal bestellen, doet niet af aan iemands persoonlijke morele verantwoordelijkheid niet bij te dragen aan het schaden van beschermt ongeboren menselijk leven. De kastelein elders heeft daarin zijn eigen verantwoordelijkheid. Gelet op de wijze waarop ik de stelling formuleer, zou hij echter evenzeer de plicht hebben om de vrouw de fles wijn te weigeren om bovenstaande redenen.

Juridische status

In de preambule van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) is vastgesteld dat het kind ‘bijzondere bescherming en zorg nodig heeft, met inbegrip van geëigende wettelijke bescherming, zowel voor als na zijn geboorte’. De juridische geldigheid hiervan is beperkt, maar het geeft een nadrukkelijke aanwijzing. De discussie over de juridische status van het ongeboren kind is voorts zeer complex en kent vele verschillende nuances en richtingen.

Artikel 1:2 van ons Burgerlijk Wetboek biedt die ruimte ook nadrukkelijk. We lezen: ‘Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.’

Het is echter niet strafbaar om een hoogzwangere vrouw alcohol te schenken, hoewel het overduidelijk is dat dit niet in het belang is van het kind. De wet voorziet simpelweg niet in een strafbaarstelling hieromtrent. In die zin kan het huidige strafrecht niet bewerkstelligen dat het ongeboren kind daadwerkelijk gezond geboren wordt, hoewel er natuurlijk wel allerlei maatregelen kunnen worden getroffen waarbij de moeder onder toezicht komt te staan. Het voert te ver om hier nu nader op in te gaan**.

Nederland kent verder ook geen ondubbelzinnige wettelijke bepalingen ter voorkoming van schade aan een toekomstig kind zoals dat bijvoorbeeld in Tsjechië en Slowakije wel wettelijk is geregeld.  Dat iets niet juridisch helder is vastgesteld, zegt echter nog niets over onze morele verantwoordelijkheid. En het gaat mij hier dus om de redelijkheid van de morele opvatting, die iemand in vrijheid moet kunnen hebben en waarnaar hij zonder last en ruggespraak moet kunnen handelen.

In deze discussie hanteer ik de opvatting dat de geboorte niet doorslaggevend is om bescherming tegen ontwikkelingsschade te genieten, maar dat ook het ongeboren kind recht heeft op bescherming tegen invloeden die aantoonbaar schadelijk zijn voor zijn (toekomstige) leven. Mijn argument daarvoor is afgeleid van Don Marquis’ ‘deprivation argument’***. Het kind heeft recht op een toekomst evenzeer zoals wij dat hadden en hebben vanaf het moment dat wij levensvatbaar waren. Het toebrengen van schade is een gevaar voor iemands toekomstige gevoelens, ervaringen, geneugten en activiteiten op grond waarvan hij zijn leven vorm wil geven, op dezelfde wijze als dat het toebrengen van schade aan ons een bedreiging vormt voor onze toekomstige gevoelens, ervaringen, geneugten en activiteiten op grond waarvan wij ons leven vorm willen geven.

Argumenten om niet te weigeren

Iemand die geen aarzeling voelt de fles wijn te schenken, zal daarvoor zijn redenen hebben. Ik bedenk hier kort welke redenen dat zouden kunnen zijn. Redenen die zijn terug te voeren tot ‘ik voer slechts uit’ laat ik vanwege hun evidente armoedige karakter achterwege.

De voornaamste reden is waarschijnlijk het zelfbeschikkingsrecht van de moeder. Ik heb al aangegeven dat dit voor mij niet een bepaald sterk argument is. Iemand moet dus indien hij zich beroept op dit argument ook een oordeel vormen over de status van het ongeboren kind. Waarschijnlijk beoordeelt hij die status zodanig dat het zelfbeschikkingsrecht van de moeder altijd hoger wordt gewaardeerd dan de gezondheid van haar ongeboren kind. De vraag is of iemand dan helemaal geen grens heeft, of simpelweg het gevolg van het leegdrinken van de fles wijn onderschat of op de koop toeneemt. Ik neem aan dat iemand nog wel een fles wijn kan schenken, maar de moeder toch niet zou willen voorzien van een dosis xtc omdat ze toevallig naar een dansfeest wil. Ik neem evenzeer aan dat de persoon die de fles wijn schenkt dit zou weigeren indien de moeder reeds bevallen is en een gedeelte van deze wijn ook aan haar kleine geeft.

Het blijft voor mij dan ook sterk de vraag – zelfs met het idee van zelfbeschikking in het achterhoofd- wat het verschil is tussen een kind twee dagen voor de bevalling die de nodige wijn consumeert terwijl zijn moeder deze drinkt, en een kind twee dagen na de bevalling waarbij de moeder het kind een vergelijkbare hoeveelheid wijn te drinken geeft.

Voorts kunnen economische redenen worden aangewend. Een café schenkt nu eenmaal drank aan consumenten. De moeder is hier niets meer dan een consument met een eigen verantwoordelijkheid, waarbij het simpelweg niet strafbaar is wijn te verkopen. Dat is een soort legalisme, waarbij de moraal ondergeschikt is aan wat de wet al dan niet voorschrijft wat juist is.

Iemand zou nog kunnen zeggen dat hij niet wil discrimineren. Wat betreft dat laatste is er een interessant artikel hier te vinden, waarin de staat New York het verboden heeft op grond van discriminatie zwangere vrouwen te weigeren in cafetaria of waaruit blijkt dat het verboden is zwangere vrouwen alcohol te weigeren op grond van discriminatie. Zie hier het document NYC Commission on Human Rights Legal Enforcement Guidance on Discrimination on the Basis of Pregnancy waarin de richtlijnen staan uitgewerkt.

Ik blijf echter stellig ervan overtuigd dat het ondanks deze richtlijnen nog steeds oneigenlijk, onredelijk en immoreel is van iemand te verlangen dat hij bijdraagt aan het schaden van een ongeboren kind.

Slippery slope

Het recht om op morele gronden te weigeren een zwangere vrouw een fles wijn te schenken, omdat dit aantoonbaar schade oplevert voor een ongeboren kind, lijkt wellicht voor velen een uitgemaakte zaak. Het gaat in tegen het idee om kwetsbaar leven de best mogelijke kans te bieden een toekomst te genieten zoals wij die zelf voor ons zien. Het is bovendien in strijd met de redelijkheid indien de moeder zelf haar kind wenst. Ik kan mij goed voorstellen dat ik geen enkele aarzeling heb mij derhalve te verzetten tegen een opdracht om alcohol te schenken aan een zwangere vrouw en dat ik daarbij de vrouw in kwestie zal wijzen op haar irrationele gedrag.

Ik heb kort enkele argumenten genoemd die door mensen die wel zouden schenken zouden kunnen worden aangehaald. Het sterkste argument echter zit er mijn inziens in door te verwijzen naar het hellende vlak. Hoe evident het voor mij is in dit geval te weigeren, hoe evident is het om in de volgende gevallen te weigeren? Ik noem tenslotte enkele voorbeelden waarbij dit hellende vlak (min of meer) duidelijk blijkt. Het is aan de lezer zelf varianten te bedenken of variabelen toe te voegen die de discussie scherper of ingewikkelder maken. Bedenk ook in welk opzicht de afwezigheid van sancties je moreel standvastiger zouden maken.

Casus II
Je werkt bij de Albert Heijn. Aan de balie komt een hoogzwangere vrouw. Ze vraagt om een slof sigaretten. Nadat het je duidelijk is geworden dat deze sigaretten voor haarzelf zijn, weiger je haar de sigaretten te verkopen.

Vergelijk deze casus met de volgende:

Casus III
In het park tref je een hoogzwangere vrouw aan die van plan is een sigaret op te steken. Ze zoekt naar haar aansteker, maar kan deze zo snel niet vinden. Ze spreekt je aan en vraagt of je een vuurtje voor haar hebt. Ondanks dat je
toevallig een aansteker bij je hebt, weiger je haar het vuurtje.

En vergelijk deze casus weer met deze:

Casus IV
Een hoogzwangere vrouw komt op bezoek voor je verjaardag. De huiskamer staat inmiddels blauw met rook waar je vrienden al enige tijd met sigaren in de weer zijn. Je weigert haar je toegang tot de huiskamer.

Casus V
Een kind van ongeveer een jaar of vijf wandelt een patatzaak binnen en bestelt een grote hamburger voor zichzelf. Met extra Joppiesaus. Je ziet het kind aan en schat in dat zijn BMI ongeveer 34 is. Dat komt neer op 43 kg; ruim 20 kg te zwaar derhalve. Je weigert hem de hamburger.

Conclusie

Het is geen gemakkelijke situatie. Opvattingen en meningen zullen behoorlijk uiteen kunnen lopen en sterk afhankelijk zijn van de precieze situatie en de inschatting van het moment. Een wet kan/mag wat mij betreft simpelweg geen algemene richtlijnen stellen voor al die situationele inschattingen, waarbij bijvoorbeeld discriminatie als absoluut uitgangspunt wordt gehanteerd.

Als een wet zoals in dit geval bovendien onduidelijk, vaag en ambivalent is ten aanzien van de (juridische) status van het ongeboren kind, kunnen dus ook geen heldere en duidelijke richtlijnen worden verschaft over hoe iemand zich daar (juridisch) toe moet verhouden. En dus mag iemand zich beroepen op een morele overtuiging waarbij iemand voor zichzelf helderheid verschaft, waar de wet dit nalaat. Dat is ook precies waarom filosofen als John Henry Newman het geweten boven de wet plaatsen: wanneer iemand nadrukkelijk, intuïtief, weloverwogen en vanuit zijn geweten klaarblijkelijk bezwaard is ten aanzien van een richtlijn, wet of voorschrift (of een gebrek daaraan) is er de plicht (en wat mij betreft dus ook het recht) te weigeren hieraan te voldoen, of naar moreel inzicht te handelen. Een sanctie daaraan koppelen is absurd en miskent daarbij iemands recht op een (onderbouwd) gewetensbezwaar.

____________________________________________________

* Met dank aan Jette Mes voor het aandragen van deze casus. Ten behoeve van deze overweging is de casus scherper gesteld.
** Een studie die ik met zeer veel plezier heb gelezen en waar de nodige jurisprudentie wordt aangehaald die in het voordeel kan worden uitgelegd ter bescherming van het ongeboren kind is te vinden in: Mercanoglu, I. (2011). Rechtsbescherming ongeboren kind. Een onderzoek naar de juridische mogelijkheden om een ongeboren kind te beschermen tegen schade als gevolg van een onverantwoordelijke leefstijl van de zwangere vrouw. Heerlen: Open Universiteit.
*** zie voor het betreffende artikel van Marquis uit 1989, hier.  

De tragiek van de paradoxale affectie

Het is vrijwel nooit de moeite te schrijven over iets waar iedereen het over heeft. De ondraaglijke lichtheid van de irrationele Turkije-klucht waar heel Nederland vanaf de zijkant hoofdschuddend naar kijkt, is dan ook volstrekt oninteressant om dieper te duiden. Je kunt er donder op zeggen dat er iemand bedreigd wordt, dat er wat boze brieven over en weer in kranten verschijnen en de economische belangen straks alles weer gladstrijken. In een uur tijd was er alles over gezegd en alle naweeën zijn nu als vervelende strontvliegen, waar je wel naar kunt slaan, maar wat ze niet verjaagt.

Deze woorden zijn dan ook slechts en alleen een uitdrukking van zuiver medelijden. Ik ben er namelijk achter gekomen dat verschillende van onze Turkse Nederbroeders lijden aan een variant van het Stockholm-syndroom. Voor wie er nog nooit van gehoord heeft: het Stockholm-syndroom is de psychische reactie die wordt waargenomen bij gegijzelden, waarbij ze tekenen van sympathie, trouw aan of zelfs liefde voor hun gijzelnemer vertonen, ongeacht de waanzin die hen wordt voorgespiegeld. De kern van dit syndroom schuilt er dus in dat er sprake is van een affectie voor iets wat helemaal niet goed voor je is. Het is deze paradoxale affectie waar deze Nederturken onder gebukt gaan.

Foto in Rotterdam. AD.nl 12/3/17.

Het grootste probleem is echter dat ze niet doorhebben dat ze eraan lijden, dat is het tragische ervan. Er is niets erger dan in strijd te handelen met jezelf en het niet in de gaten hebben. Er is niets erger dan een slachtoffer te zijn maar het niet doorhebben dat je een slachtoffer bent. Er is niets waanzinniger dan irrationaliteit te omarmen als de waarheid waar je je leven op stoelt. En dat is precies waarom werelden nu botsen. Blijven wonen in een fascistische bananenrepubliek is absurd. Liefde betuigen aan een land waar je niet bent geboren is irrationeel. Zwaaien met de vlag van een land waar je alleen in de zomervakantie heen gaat naar opa of samen met opa is vreemd. Een man vereren die het land kapot maakt waar je klaarblijkelijk je enige trots aan ontleent is onbegrijpelijk.

En tenslotte nog het gebrek aan inzicht dat de man die je vereert, helemaal niet in jouw belang handelt, maar alleen geïnteresseerd is in zijn eigen machtspositie. Als het nodig is zelfs de internationale orde op het spel zet voor zijn eigen zaak en jouw onbeduidende stem. Een rel die het mogelijk maakt Europa en Nederland als kwade genius af te schilderen en de noodzaak voor een sterke leider urgenter maakt. Hoe schitterend, hoe opzichtig, hoe voorspelbaar! En er dan toch intrappen en niet herkennen dat je jezelf in alle opzichten een groter slachtoffer maakt dan je hoeft te zijn. Dat zijn de meest meelijwekkende patiënten die we ons kunnen voorstellen.

De tragiek van deze paradoxale affectie zit diep. Slechts met hulp van onze langdurige rationele affectie is er een kans op genezing. En in dat bijzondere geval lijkt me niet alleen de patiënt beter af.

De Studeerkamersessies

Foto's genomen op 26/11/2016. Nikon D5100, Tamron 18-200mm lens. Zonder flits. Nabewerking: Nik Silver effects pro 2/contrast, ruis en lichtsterkte.

Stephan Wetzels met vleugje ironie Stephan Wetzels Studeerkamer II  

Filosofische kruimels XX

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2016 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XX van XX.

Een filosofie over niks

‘Ken je de Amerikaanse televisieserie Seinfeld? Dat is mijn hele filosofie in een notendop.’
Goed nieuws: de wereld bestaat niet. Interview met de Duitse filosoof Markus Gabriel in Trouw, 6 april 2014

Markus Gabriel (1980), de hippe en jongste Duitse filosofieprofessor ooit, heeft met zijn boek Warum es die Welt nicht gibt (2013) een hit te pakken waarin hij de Grote vragen van het leven bespreekt. Via onder meer een gerecycled argument van Gilbert Ryle (1900-1976) legt hij uit waarom de wereld niet bestaat. Immers, als iemand mij de universiteit wil laten zien, en me door de collegezalen, de mensa, de bibliotheek en langs het standbeeld van Thomas van Aquino leidt, vraag ik mij nog steeds af wanneer we nu eindelijk de universiteit gaan zien. In het nawoord van zijn boek staat hij ook stil bij televisieseries. Televisie stelt ons namelijk de grote vraag of we ons leven moeten beschouwen als een tragedie of als een komedie. De Amerikaanse comedy Seinfeld (A show about nothing) zou daarin het hoogtepunt zijn van postmodernisme: totale willekeur, geen diepere lagen en een radicale afwijzing van metafysica. Het gaat letterlijk nergens over. Als dat echter de hele filosofie van Gabriel in een notendop is, dan neemt hij ons misschien wel net als net Jerry Seinfeld dat doet in de serie goed bij de neus.

__________

Bluf jezelf filosoof

‘Het is altijd een goed idee om je opmerkingen te verpakken in de vorm van een vraag, in het bijzonder wanneer je geen idee hebt waar je over spreekt, iets wat voor ongeveer 85% van de tijd het geval is binnen de filosofie.’
Jim Hankinson (1985). The bluffer’s guide to Philosophy.

The bluffer’s guide to Philosophy is een essentieel zakboekje voor diegenen die zonder veel kennis van zaken graag meedoen aan filosofische discussies. Hier enkele belangrijke trucs:

Vermijd te allen tijde uit te leggen wat filosofie is. Hou altijd een ontsnappingsroute voor jezelf in zicht en committeer je nooit aan één filosofische positie. Zorg dat je zo met een andere wind mee kunt waaien. Leer bijzondere quotes (op mijn website staan er genoeg) uit je hoofd en breng ze willekeurig ter sprake. Spreek langzaam en op een lage toon, dat maakt de zaak gewichtig en geeft tijd na te denken wat je nu eigenlijk zegt. Bij onduidelijke begrippen als ‘fenomenologie’ en ‘existentialiteit’, informeer met een stalen gezicht welke filosoof dat concept eigenlijk het beste recht deed. De ander zal wat graag uitweiden hierover. Wordt het echt moeilijk, biedt een drankje aan en haal het zelf.  Ideaal is echter wanneer je pijp rookt. Samen met het aansteken van de pijp kun je minstens 5 minuten erover doen om slechts te komen tot een begin van een antwoord op een ingewikkelde vraag. Wordt het uitzichtloos, dan is er nog altijd de jokerfilosoof: een zelfverzonnen obscure professor (zoals Heinrich Niemand) die omdat hij niet bestaat je eenvoudig uit allerlei problemen kan praten. Probeer het maar!

__________

Kerstgedachte 2016. 1e Kerstdag

‘Geloven betekent twijfel kunnen verdragen.’
Romano Guardini in Angefochtene Zuversicht (1985). Verzameling belangrijke teksten uit de jaren 1918-1968.

De Duitse priester, theoloog en hoogleraar voor godsdienstfilosofie Romano Guardini (1885-1968) is waarschijnlijk de grootste christelijk-sociaal denker sinds John Henry Newman (1801-1890). Dagblad Trouw typeerde Guardini in 1999 als ‘Een begenadigd spreker,(…) een wijs en inspirerend zielzorger en pedagoog, diep graver in het grensgebied van geloof en cultuur, een onafhankelijke geest en een groot en fijnzinnig religieus talent, het wandelende bewijs dat vroom en intelligent (…) kunnen samengaan’. De actualiteit van Guardini ligt heden ten dage in zijn profetische Europa-visie en kritiek. Aangezien de christelijke cultuur van Europa in de wortels is aangetast, betekent dit dat het belangrijkste en stevigste fundament van onze beschaving onder druk staat. Kerst is misschien wel het beste voorbeeld van de mens die zich verdwaalt ziet tussen historische identiteit en culturele waarde enerzijds en de commercialiteit en de ‘ethiek’ van de markt, van de techniek, de vrijetijdsindustrie en de massamedia anderzijds.

Kerstmis laat volgens Guardini dan ook meer dan ooit zien dat wie gelooft, vooral erg goed in staat moet zijn om te kunnen gaan met twijfel.

©Veenmedia.nl

______________________

Zie ook:

Filosofische kruimels XIX
Filosofische kruimels XVIII
Filosofische kruimels XVII
Filosofische kruimels XVI

Filosofische kruimels XV
Filosofische kruimels XIV
Filosofische kruimels XIII
Filosofische kruimels XII
Filosofische kruimels XI
Filosofische kruimels X
Filosofische kruimels IX
Filosofische kruimels VIII
Filosofische kruimels VII
Filosofische kruimels VI
Filosofische kruimels V
Filosofische kruimels IV
Filosofische kruimels III
Filosofische kruimels II
Filosofische kruimels I

Filosofische kruimels XIX

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2016 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XIX van XX.

Kwetsbaarheid als kracht

‘We moeten naar een breder kwetsbaarheidsperspectief dat oog heeft voor de geleefde ervaringen van de oudere patiënt en laat zien dat kwetsbaarheid niet louter beperkt is tot het lichaam maar ook betrekking heeft op menselijke relaties.’
Parafrase uit het proefschrift Why frailty needs vulnerability. A care ethical study into the lived experiences of older hospital patients van J.W. van der Meide (2015).

Schopenhauer schreef ooit dat de betrouwbaarste maatstaf voor de beschaving van een volk is, hoe zij de dieren beschouwen en behandelen. We zouden daar tegenwoordig aan kunnen toevoegen ‘en hoe zij ouderen behandelen’. Want met de toenemende vergrijzing en de westerse ideaal van de jonge, vlotte en productieve mens, staan ouderen onder druk.

In Why frailty needs vulnerability werpt Hanneke van der Meide (1984) zich op het ouderenvraagstuk en dan specifiek met betrekking tot zorg: hoe ervaren ouderen het ziekenhuis? Net als Atul Gawande (1965) in het vertaalde Sterfelijk zijn. Geneeskunde en wat er uiteindelijk toe doet (2015), kiest Van der Meide nadrukkelijk het perspectief van de oudere zelf in beeld te brengen. Via een zogenaamde fenomenologische shadowing studie heeft ze jarenlang verschillende patiënten intensief gevolgd van intake tot ontslag. Het blijkt dat ouderen zich in een ziekenhuis niet thuis voelen, zich beperkt weten en er weinig aandacht is voor hun geleefde ervaringen. Willen we ouderenzorg serieus nemen, dan zal er een nadrukkelijke omslag moeten komen: niet alleen het ‘technische’ genezen als meetbare component is van belang, ouderen voorzien van zingeving in het ziekenhuis is minstens, zo niet waardvoller aan het eind van hun levensloop.

__________

Voorwoord bij voorwoorden

‘Een voorwoord is een stemming. Het schrijven van een voorwoord is als het slijpen van een zeis, is als het stemmen van een gitaar, als het praten met een kind, als spugen uit het raam.’
Vertaling uit: Kierkegaard & Postmodernism. Prefaces: Light Reading for Certain Classes As the Occassion May Require, by Nicolaus Notabene (1989).

De Deense filosoof Søren Kierkegaard (1813-1855) publiceerde in zijn leven heel wat merkwaardige en bijzondere boekjes. Het in 1844 verschenen Forord (Voorwoorden) is daar geen uitzondering op. Forord bestaat uit acht voorwoorden die allen voorafgegaan worden door een voorwoord.

Volgens de pseudonieme auteur van dit boek, de estheticus Nicolaus Notabene, verdienen voorwoorden aandacht en studie. Ze lijken weliswaar onbeduidend in verhouding tot het boek zelf, maar juist daarom zijn ze bijzonder. Zoiets moet hij ook wel beweren, want Nicolaus is namelijk overeengekomen met zijn vrouw dat hij geen echte schrijver zal worden. Schrijvers zijn volgens haar niet alleen tijdens maar ook buiten het schrijven zo in gedachten verzonken, dat ze voor geliefden vrijwel altijd ontoegankelijk zijn. Nicolaus mag zich echter wel toeleggen op voorwoorden, die een boek suggereren wat er nooit komen zal. Forord is uiteindelijk naast een ode aan het voorwoord een scherpe kritiek op G.W.F. Hegel die het voorwoord tot een filosofische tekst als overbodig en ongepast had weggezet. Maar de belangrijke verwachting die het voorwoord wekt, moet worden verdedigd. Wat dat aangaat, zou het volgens Nicolaus Notabene de hoogste tijd zijn ook de filosofiekalender eens te voorzien van een woord vooraf…

__________

Even wat geld ‘wisselen’

‘Heeft het voornemen van de verdachten om een misdrijf te plegen zich door een begin van uitvoering geopenbaard?’
Centrale rechtsvraag in het Grenswisselkantoor-arrest (Hoge Raad 08-09-1987)

Het recht is net als de filosofie een interessante kraamkamer als het aankomt op begrippen verhelderen en kaderen. Zo maak het nogal uit of iemand een begin van uitvoering heeft geopenbaard (en dus straf verdient) of wanneer dit ontbreekt en er enkel voorbereidingen zijn.

Neem het Grenswisselkantoor-arrest. Twee mannen hadden het plan om een Grenswisselkantoor te overvallen. Ze zaten in hun auto te wachten op de eerste bankmedewerker, om actie te ondernemen wanneer deze het kantoor zou openen. De medewerker voelde echter intuïtief nattigheid en waarschuwde de politie. De politie kwam, de mannen vluchtten en werden na een wilde achtervolging ingerekend. Duidelijk begin van uitvoering overval? Niet volgens de Hoge Raad. Immers, wanneer iemand het voornemen heeft opgevat een bank te overvallen, is er geen begin van uitvoering wanneer hij zich enkel met een auto naar die bank begeeft, de auto niet verlaat noch iets deed in de auto wat leek op te willen overvallen. Dat de intuïtie van de bankmedewerker juist bleek, heeft wellicht erger voorkomen, maar zeker weten kunnen we dat niet.

De verdachten werden vrijgesproken. Omdat iedere lezer hier waarschijnlijk aanvoelt dat er iets wringt aan deze uitleg is de wetgever zo verstandig geweest om bij ernstige misdrijven (>8 jaar gevangenisstraf) de voorbereiding ook strafbaar te stellen. Maar waarom alleen bij ernstige misdrijven?

©Veenmedia.nl

Filosofische kruimels XVIII

Voor de filosofiekalender van het filosofiemagazine, verschenen in 2016 weer 12 kruimels van mijn hand. Voor wie ze gemist heeft, er nooit tegenaan is gelopen of gewoon nog eens na wil lezen, hier de teksten integraal. Deel XVIII van XX.

Antieke Metafysica

‘Dat de aarde het middelpunt van het universum is staat vast op grond van bewijzen die geen twijfel toelaten (…). Als de aarde namelijk niet in het midden stond zouden er geen even lange dagen en nachten kunnen bestaan.’
Gaius Plinius Secundus maior in Naturalis Historia (77 NChr.)

De Romein Plinius de Oudere (23NChr.-79) was een militair, letterkundige en zelfbenoemd wetenschapper. Daarmee geen filosoof in traditionele zin, maar wel iemand die vanuit buitengewone verwondering de wereld probeerde te beschrijven. Dit leidde uiteindelijk tot een levenswerk van 37 boeken dat daarmee met recht de titel ‘Wikipedia van de oudheid’ verdient. In 2004 verscheen voor het eerst een selectie uit deze werken in het Nederlands onder de titel De Wereld. Plinius verrast de hedendaagse lezer met zijn bedenksels en beschouwingen omtrent planten, zeedieren, metalen, stenen, landen, geneeskunst, vogels en insecten. Leuk zijn de observaties over mens en heelal.

Hoewel hij zaken presenteert als wetenschappelijk, zit er een hoop kwakzalverij en metafysische speculatie tussen. Toch komt ook Plinius al met voldoende argumenten waarom de aarde een bol moet zijn: de zon komt immers niet overal tegelijkertijd op. Plinius had ons ook nog graag willen laten weten hoe een vulkaanuitbarsting te werk gaat. Helaas kwam hij om het leven toen hij dit van dichtbij probeerde te beschrijven…

__________

Denken of kopen?

‘Ik denk, dus ik ben (duur).’
Vrije variant op Desartes’ Cogito ergo sum

Stel, u zou een eerste druk willen aanschaffen van René Descartes’ Discours de la méthode. Dit boek wordt door velen beschouwd als het belangrijkste dan wel invloedrijkste filosofische werk van de moderne tijd. Het verscheen in 1637 in Leiden bij Jan Maire. Descartes zal het voor iets meer dan een euro in de aanbieding hebben gehad, als we uitgaan van een hedendaagse boekenprijs van 30,- voor een mooi gebonden exemplaar. Antiquair Anton Gerits (1930) vermeldt in zijn Op dubbelspoor en Pilatusbaan (2000) dat hij in 1969 op dit bijzondere boek stuit. De prijs voor dat exemplaar was ƒ28.000. Dat komt overeen met een waarde van € 57.000 nu. Gaan we echter op zoek naar een beschikbaar exemplaar, dan valt dat niet mee. Zelfs het beroemde Deense Lynge & Søn die bijna alle klassiekers in huis heeft, beschikt niet over de Discours.

Gelukkig heeft het Britse Roger Gaskell Rare Books er nog ééntje liggen. Voor £120.000 mag hij weg, ongeveer €165.000. Dat is een hoop geld, voor die ene waarheid, die ik u ook wel gratis wil verklappen: denkt u? Wees dan zeker van uw bestaan.

__________

Een uiterst merkwaardige rechtszaak

‘Dit is de meest merkwaardige zaak die ik ooit heb meegemaakt. Ondanks het feit dat ik u schuldig acht aan moord boven iedere twijfel verheven, gebiedt de wet me u vrij te laten.’
Vrij vertaald uit: Smullyan, R.M. (1978). What’s the name of this book?

De (rechts)filosofie biedt veel lekenvermaak als het gaat om raadsels en gedachte-experimenten. Het aardige is, dat men de analyse zo ingewikkeld kan maken als men zelf wil. Neem het volgende probleem. We bevinden ons in een rechtsstaat met een jurysysteem voor strafzaken.

Bertrand en Willard, twee volwassen mannen, staan terecht voor moord. De jury vindt Willard schuldig, Bertrand wordt in het geheel vrijgepleit. De rechter spreekt de als schuldige aangewezen Willard toe en zegt: “dit is de meest merkwaardige zaak die ik ooit heb meegemaakt. Ondanks het feit dat ik u schuldig acht aan moord boven iedere twijfel verheven, gebiedt de wet me u vrij te laten”.

Hoe is dit nu mogelijk? Heeft het iets te maken met ne bis in idem? Ontoerekeningsvatbaarheid? Hypnose? Slaapwandelen? Of misschien is Willard een onschendbare koning? De oplossing is echter ingenieuzer en onverwachter: Bertrand en Willard zijn een Siamese tweeling. En aangezien de wet stelt dat het onwettig is om een onschuldig persoon op te sluiten, moet de rechter ook Willard laten gaan. Wellicht niet zonder straf, maar wel in vrijheid. Welke straf zou trouwens wel gepast zijn voor deze moordenaar?

©Veenmedia.nl

Geef je over aan Omdenken

Al geruime tijd loop ik met het idee rond me eens polemisch te uiten over het Omdenken, in brede kring ook wel bekend onder het synoniem Uitmelken. De quasi-geestige flauwekul gevoed door jatwerk, goedkoop effectbejag, mislukte ironie en gauw geld, ergert me al jaren. En ergernis komt toch het best tot bedaren op papier.

Omdenken presenteert zich als de ‘filosofie’ die van een probleem een feit maakt en daarmee een nieuwe mogelijkheid creëert. ‘Omdenken gaat om wat er is, en niet om wat er zou moeten zijn.’ Lees die zin gerust nog maar een paar keer. Deze en een diarree aan nog veel meer oppervlakkige onzin kan vrijwel niemand zijn ontgaan afgelopen jaren. Op Facebook volgen meer dan 400.000 mensen de Omdenken-pagina en inmiddels zijn er tientallen boekjes in omloop en nog veel meer troep die je niet onder je kerstboom hoopt aan te treffen, omdat de gever geen inspiratie had je iets van waarde cadeau te doen. Die one-trick pony boekjes lijken overigens niet alleen allemaal op elkaar, maar kunnen het beste gewoon illegaal worden gedownload. Bespaart een hoop centen. Of stuur me een mail, krijg je ze van mij. Omdenken doet daar niet moeilijk over, want ‘Dat kan immers, omdat het er is’.

De figuur achter de Omdenken-cultus is Berthold Gunster. De man moet iedere

Berthold Gunster oog in oog met God (Bron: http://ja-maar.nl/wie-zijn-wij/ontstaan)

avond van het lachen niet meer in slaap geraken hoe het toch mogelijk is geweest dat hij met een dergelijk gebrek aan originaliteit zo’n ongelofelijk groot publiek heeft weten te verleiden. Al is dat ook weer niet zo verwonderlijk als je bedenkt dat 2 miljoen mensen hun heil zoeken in een politiek programma van een A4’tje. Wat Loesje tot kunst verhief, transformeerde Berthold schaamteloos tot commercieel gedrocht.

Het is onmogelijk voor te stellen dat Berthold zelf gelooft in wat hij verkoopt. Als voormalig theaterregisseur acteert hij dan ook alles. Op de Omdenken-website acteert hij een orakel, visionair en groot denker. Berthold is het Antwoord en de Weg daar waar de kleinste beweging van zelfreflectie het laat afweten. Berthold geeft antwoord op het probleem van de vluchtelingen. Berthold geeft antwoord op het probleem van de echtscheiding. Een vrouw heeft moeite met haar lichaam, maar gelukkig biedt het Omdenken de verlichting: ‘accepteer jezelf, wees blij met wie je bent. Ook oud worden hoort erbij en dat kan ook prachtig zijn. Amen!’ Probleem opgelost. Iedereen blij.

Je ziet op de filmpjes dat Berthold af en toe moeite heeft om niet in de lach te schieten. De gauwdief die samen met zijn marketingafdeling uitgekauwde psychologische wijsheden van de bevroren grond achter elkaar plakt overgoten met een populair wetenschappelijk en esoterisch-filosofisch sausje, heeft een onverwacht grote sinaasappel gevonden. En die zal en moet tot de laatste druppel worden uitgeknepen. En zolang er nog onzekere directeuren te vinden zijn, een management van een of andere bank met teveel geld in de scholingskast of een theater wat een gat in de programmering moet opvullen, verkoopt Berthold zijn shows voor grof geld. Kun je hem boeken dan? Ja maar natuurlijk kun je hem boeken!

Ik was ooit eens in de ongelukkige omstandigheid om Berthold in een ‘sessie’, een show, een healing of hoe je het noemen moet aan het werk te zien. Niet vrijwillig overigens, maar bij gelegenheid. Het was een van de meest naargeestige voorstellingen die ik ooit in mijn leven bijwoonde. Het woord naargeestig dekt eigenlijk de lading niet eens, als ik mijn uitvoerig gedocumenteerde herinneringen erop nasla.

Berthold had zich de rol aangemeten van Ecclesiastes. Op enig moment kwam hij met een opdracht voor het aanwezige publiek die inhield dat je geen ‘nee’ mocht zeggen. Een lieve man die zich had voorgesteld als Ruud, bleek niet in staat te zijn overal ‘ja’ op te zeggen. Toen hij achteloos na een publiekelijk standje van de Prediker toch weer ‘nee’ antwoordde op een vraag, werd hij overvallen door een afkeurend rumoer vanuit de zaal. ‘Was hij soms mentaal niet in orde’? De volgende persoon wist wat haar te doen stond. Een vrouw van in de 30 gaf zonder enige tegenzin antwoord op de meest absurde vragen. Of ze zichzelf gruwelijk lelijk vond? Ja, natuurlijk! Ze mocht immers geen nee zeggen van de Prediker…

Ik observeerde nog een aantal mensen die zonder schroom op alles ja bleven antwoorden en toen overviel me het besef dat ik getuige was van een griezelig staaltje volksmennerij waarvan de ernst nauwelijks onderschat kon worden. Het maakte me intens droevig. Tenslotte kwam de Prediker weer terug bij Ruud. Ruud mocht, of eigenlijk moest het nog een keer proberen. ‘Hij had toch immers gezien hoe het ook kon?’ En wederom had hij er moeite mee, verslikte zich, ontkende half en nam het geroezemoes voor lief… Het eindigde. Zonder moraal, zonder doel. En niemand mocht ‘ja-maar’ zeggen. Dat was de doodzonde. Dat werd de publieke vernedering.

Ruud is een held, Berthold is een sukkel. Ruud laat zien dat je nooit moet zwichten voor de groepsdruk, volksmennende clowntjes, goedkope oplossingen of onelinerhulp. De troost van conformisme is de meest valse troost. Ruud toont dat je nooit je eigenheid moet opgeven. Dat je zingeving oneindig beter kunt vinden door introspectie dan je hoop te vestigen op Omdenk-esoterie. Dat je oneliners beter kunt zoeken bij Greshoff of Pascal. Ruud verdedigde Kierkegaards Hiin Enkelte op unieke wijze. Kierkegaard die overigens nooit een cent verdiende aan zijn boeken, iets waar het Omdenken een voorbeeld aan heeft als ze zichzelf werkelijk serieus zou Omdenken. Maar natuurlijk is er niets oprecht aan deze ‘filosofie’. Misschien ergert mij dat nog het meest. Zou er geen cent mee worden verdiend, dan was Berthold al lang en breed op zoek gegaan naar een ander kunstje.

Dit alles heb ik uiteraard geschreven als zuivere reclame voor het Omdenken. Want Omdenken is bedrog, lucht en leegte, volksverlakkerij en handig commercieel misbruik mogelijk geworden door een individualistisch oppervlakkig tijdperk. Een tijd waar dagelijks vermaak tot God verheven is. Omdenken is zo’n God. Ik had het dan ook niet beter de hemel in kunnen prijzen dan met deze woorden. Ga heen en Omdenk jezelf. En leg al je problemen en zorgen in de handen van het grote Niets. Omdat je het verdient, net als Berthold.

Het absolute recht van een stervende op de waarheid

Is het veinzen iemands stervenswens te eerbiedigen een daad van liefde? Een casus uit de notariële praktijk, frivool en haast achteloos geschreven (Algemeen Dagblad 3 oktober 2016, zie onderaan), werpt diepe existentiële vragen op, waar niemand achteloos over zou moeten denken. Een stellingname.

De casus

paddle-vaasEen man heeft zijn hele leven toegewijd gebouwd aan een unieke glasverzameling. Nu hij van zijn artsen heeft vernomen dat hij weldra sterven zal, heeft hij één wens: dat zijn verzameling bijeen blijft. Zijn twee zoons hebben geen interesse die wens in te willigen en lijken louter geïnteresseerd in centen.
De mogelijkheid bestaat nog dat de overheid de collectie overneemt vanwege de kunstzinnige waarde. Bij taxatie blijkt echter dat een groot deel van de collectie kitsch is en de man in veel gevallen is opgelicht. Hooguit enkele stukken zijn financieel de moeite waard. Een levenswerk spat uiteen.
Eén van zijn zoons ziet het met
medelijden aan en belooft zijn vader om zich over de collectie te ontfermen en deze bij elkaar te houden. Enkele maanden later overlijdt de man met het idee dat zijn laatste wens wordt gerespecteerd. Slechts enkele dagen na de crematie brengt deze zoon alle waardevolle stukken naar een veilinghuis en geeft de rest aan de kringloop.
Het artikel eindigt met de zinnen: ‘Keihard bedrog. Maar ook een teken van liefde.’

Een teken van liefde?
belofteWie dit als een teken van liefde beschouwt, baseert die opvatting waarschijnlijk op het idee dat het goed is iemand voor te liegen als dat bijdraagt aan de gemoedsrust van degene die wordt voorgelogen.

Ik ben het ten diepste met die opvatting oneens. Want wat is dit precies voor een liefde? Is dit een liefde die we kunnen wensen? Hoe kan bedriegen een daad van liefde zijn? Is dit een liefde die uit een zuiver hart is voortgekomen en uit een goed geweten? Want liefde is toch minstens een zaak van het goede geweten, lees ik bij Kierkegaard. Maar hoe kan een goed geweten samenvallen met het idee van een onherstelbare leugen?
Dat is iets wat ik niet begrijpen kan.

Ja, deze zoon zal zichzelf voorspiegelen iets goeds te hebben gedaan, hij zal wel moeten wil hij met zichzelf kunnen blijven leven. Maar hij heeft helemaal niets goeds gedaan. Hij heeft alleen een wens vernietigd, en vooral ook de mogelijkheid van de vader om in de laatste maanden van zijn leven zich te verzoenen met de waarheid en vorm te geven aan zijn nalatenschap, zijn levenswerk.

Het is evident dat als we een morele regel opstellen op basis van de opvatting ‘het is een teken van liefde wanneer je iemand bedriegt omwille van zijn gemoedsrust’, niemand nog zelfs op zijn sterfbed zijn bloedeigen zoon kan vertrouwen. Immanuel Kant heeft in Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785) lang geleden al gewezen op de totale absurditeit van zulke opvattingen. Hoe zou deze zoon immers kunnen willen dat hij mogelijk zelf bedrogen wordt op zijn sterfbed? Hoe zou hij gerust kunnen sterven met in het achterhoofd het idee dat zijn eigen zoon misschien naar voorbeeld van zijn vader dezelfde veinzerij aan de dag legt verpakt in een belofte, maar feitelijk niets meer zal doen dan zo snel mogelijk na zijn dood een heel levenswerk verkwanselen?

maskerDe leugen die deze man zijn vader heeft voorgespiegeld als waarheid heft feitelijk iedere gemoedsrust op. Hij heeft door zijn vader te bedriegen de gemoedsrust van iedere stervende vernietigd, omdat hij de belofte heeft vernietigd.

Maar wat dit nog intenser treurig maakt, is niet dit valse idee van liefde. Het is niet de geldzucht van de nabestaanden. Het is niet het klaarblijkelijke ontbreken van enige inspanning om een laatste wens te respecteren. Nee, het intense treurige zit hier in: Deze man die zijn hele leven blijkt te zijn bedrogen, wordt tenslotte ook nog eens bedrogen door zijn bloedeigen zoon.

Dat is een onvoorstelbare hardvochtige minachting voor de stervende en het sterven. Het is zeggen: ‘een stervende heeft geen recht op de waarheid, dat heb ik zo even beoordeeld’. Het is geworteld in dat misselijkmakende hedendaagse idee dat het lijden niet bij het leven hoort en het is zelfs minachting voor het leven, alsof de levende de waarheid niet aan kan. En minachting omdat wat bij leven is gemaakt, zonder enige vorm van spijt met één beweging kan worden vernietigd. Wie vertrouwt zo iemand bij leven nog dat hij niet de inschatting maakt dat de leugen gepast is? Ja, wie zou iemand die zo naar het leven en de dood kijkt als vriend willen hebben?

Het gaat er in deze niet om dat de laatste wens de zoon zou overvragen, want dat zou goed het geval kunnen zijn. Het gaat erom dat hij de belofte maakt terwijl hij weet dat hij deze niet zal houden. Het is iemand de liefde verklaren, waar er geen liefde is. Is dat liefde?

sterfbedNatuurlijk is de paradox duidelijk: wie in niets gelooft, hoeft niet bang te zijn dat bedrog wordt afgestraft. Dat onrechtvaardigheid wordt doorzien. Dat leugens moeten worden verantwoord. De dode is dood, en dood zal hij blijven. Maar wat is nog de waarde van menselijke nalatenschap als alles van waarde weerloos is? Weerloos tegenover de dood en zelfs weerloos tegenover je eigen familie? Zo’n houding maakt het leven zelf zinloos. Je moet haast hopen dat er geen diepere zin bestaat, voor iemand die zo denkt.

Onze laatste momenten in het leven verdienen waarheid. Je moet wanneer je dat kunt een stervende nooit het recht op de waarheid onthouden. Het is een absoluut recht. Dat de waarheid niet altijd welgevallig is, is van oneindig minder belang dan het recht van een stervende de laatste momenten van zijn leven vanuit waarheid op zijn eigen manier vorm te geven.

glazen-illusie-spat-uiteen morele ethische casus

Een verloren liefde

-Aforismen/ bekentenissen/ dialogen/ herinneringen-

Op 20 oktober kocht ik bij een boekwinkeltje enkele tweedehands boeken. Op zich niets bijzonders, behalve dat ik in één ervan twaalf dubbelzijdig handgeschreven blaadjes aantrof samen met een krantenbericht uit 1989

Het boek in kwestie, Prefaces: Light Reading for Certain Classes As the Occassion May Require, by Nicolaus Notabene wilde ik sowieso hebben, en een vluchtige blik op de papieren deed mij vermoeden dat het om aantekeningen ging. Ik dacht dat ze verband hielden met het boek; ik had er dan ook niet echt oog voor in de winkel.

Ik rekende de boeken af. Eenmaal thuis besloot ik de blaadjes eens verder te bekijken en tot mijn schrik, of tot mijn verrassing zag ik dat het een persoonlijke verzameling notities en aforismen betrof, die niets met het boek van doen had. Vrijwel allemaal verwezen ze naar een gebroken hart en een verloren liefde voor, ik geloof, een bijzondere vrouw.

Ik heb na wat wikken en wegen besloten om een gedeelte ervan hier te publiceren. Het is een selectie van fragmenten die het best leesbaar was en voor mijn idee het meest samenhangend. Verschillende notities lijken verder half af. Ik heb de oorspronkelijke volgorde van de papieren aangehouden. Waar ik het niet goed lezen kon (het was alles in potlood genoteerd en hier en daar onleesbaar of vervaagd), vermeld ik dat en waar een streep onder een woord staat, heb ik ervoor gekozen om dat woord schuin te schrijven. Titels heb ik vet gemaakt. Ik heb een enkele noot toegevoegd, waar ik dat op zijn plaats vond.

Ik hoop dat de auteur mocht hij hoe onwaarschijnlijk ook ooit tegen dit stuk aanlopen, het mij niet kwalijk neemt. Ik denk dat het redelijk is dat ze rond 1989 zijn geschreven. Dat is ook de verschijningsdatum van het betreffende boek. Dat maakt de notities 25 jaren oud. Hoe oud de schrijver zelf is, is onduidelijk. Als hij nog leeft, is het in ieder geval geen jonge man meer, want de melancholie en de zwaarte van de tekst zie ik niet zo uit een jonge pen rollen. Het is daarbij een schrijven dat enkel onder een zwaar gemoed kan worden geconstrueerd en me erg nieuwsgierig heeft gemaakt naar achtergronden (ik vermoedde soms zelfs een opzet voor een toneelstuk; maar daarvoor is er teveel ‘ernst’). En ergens heeft het me ook een bedroefd en ongemakkelijk gevoel gegeven. Het stopt even abrupt als dat het begint. Misschien is er nog meer, maar dit is wat in het boek zat.

Ik hoop van ganser harte dat het hem beter is vergaan, dan dit schrijven doet vermoeden…want het is niet enkel een verloren, maar ook een met spijt en schuld beladen liefde.


-Aforismen/ bekentenissen/ dialogen/ herinneringen-

Wat kunnen herinneringen een vreselijke last zijn, wanneer ze verwijzen naar iets dat voorgoed verdwenen is.

Het verraderlijke aan een laatste kus is dat je pas achteraf werkelijk besef hebt dat de toegang tot deze kus voorgoed afgesloten is. Ze is opgehouden mogelijk te zijn. Pas dan bedenk je je hoe de laatste kus recht had moeten worden gedaan.

Het is een krankzinnig moeilijke zo niet onmogelijke oefening een vrouw te tonen dat je van haar houdt, zonder dat je daarmee het doel wil dienen haar terug te veroveren.

Dialoog. Langzamerhand doven, onmerkbaar worden, onhoorbaar zijn
-‘Als ik morgen zou sterven, zou ze dan op mijn begrafenis zijn?’
α ‘Morgen nog wel, maar volgende week misschien niet meer.’

{noot: de schrijver gebruikt een soort alfa in de dialoogjes die hij houdt om een kritisch gesprekspartner aan te duiden}

Ik begrijp nu hoe zij zich gevoeld moet hebben, vlak nadat ze met mij brak. Ze heeft weken <onleesbaar> gevoeld. Ik probeerde dat te relativeren. Ik was immers niet weg. Maar dat was juist haar pijn: ik was voor haar weg. Ze sprak met iemand die uitgespeeld was en dat deed haar ongelofelijk veel pijn.

Ik besef me hoe schitterend ze schrijven kon en dat stemt me ongelukkig. Die prachtige eigenschap is zo’n zeldzaamheid, dat ik er niet eens naar op zoek wil gaan om het ooit nog te vinden.

Het intieme kan men slechts eenmaal delen zonder herinnering
Ik hoor mijn hart kloppen en zie haar tegen mijn borst aanliggen, ze hoort me leven. Maar ook toen ik al sliep luisterde ze naar de kalme slagen van mijn hart. Welke vrouw doet nu zoiets moois?

Ik kon bij haar zozeer mezelf zijn dat ik vergat dat zij ook zichzelf wilde zijn bij mij.

Ik zou haar om vergeving willen vragen, maar dat doe ik niet, omdat ze die zonder meer verlenen zou en ik dan zelfs dat niet meer van haar te verwachten heb.

Het jaagt me angst aan te merken hoezeer ik lijd onder haar afwezigheid.
Het enige wat ik kan doen is mezelf dwingen niet aan haar te denken, maar die inspanning doet me aan haar denken. 

‘Wat mis je dan meer: haar liefde of haar vriendschap?’
‘Ik zou antwoorden dat haar vriendschap gemotiveerd was vanuit liefde. Je keuze is oneigenlijk en dus maak ik die niet.’

‘O wat gruwel ik van de gedachte dat er zich binnen de kortste keren wel een of ander lachwekkend clowntje zal aandienen dat haar ‘de ware liefde’ zal tonen. Natuurlijk! Er is geen hart zo gemakkelijk te veroveren als een gebroken hart. En hij zal er nog trots op zijn ook. Hij heeft eindelijk iemand gevonden die naar hem om wil zien! De stoethaspel die het vanaf het prille begin van de daken zal schreeuwen aan iedereen die het horen wil, omdat hij aan haar zijn eigenwaarde ontleent. Wat een vreselijke voorstelling!
Waar ik vele jaren voor heb gestreden, geleden, geschreven en gebeden, kletst dit clowntje in een mum van tijd voor elkaar.’

α ‘Zelden heb ik iemand zijn diepe jaloezie zo opzichtig zien uitdrukken…’

De innerlijke blik die me is gegund in haar vrouwelijkheid, ontroert me telkens weer wanneer ik er bij stil sta.

Ergernis. Juist toen ze haar leven een wending wilde geven en daarvoor mij de rug toekeerde, hoorde ik pas hoe lovend iedereen over haar sprak. Niemand wilde me sparen en een uitzondering maken door iets vervelends over haar te zeggen. Dit spreken is oorverdovend en ik schaam me.

Jezelf bedriegen als het gaat om liefde is het ergste, is een eeuwig verlies dat niet goed te maken is in tijd…

Ik slaap niet goed en voel bij het veel te vroeg ontwaken een drukkende pijn in het midden van mijn buik. Haar remedie tegen de ziekte was van het medicijn afblijven. En ze genas. Mijn remedie is zo snel mogelijk het medicijn innemen. Maar het probleem is, dat het medicijn niet alleen niet voor handen is, maar dat het zich ook niet laat innemen. Ik blijf ziek.

‘Jij hebt bemerkt dat iedere vorm van aandacht die je krijgt van een andere vrouw, prettig is, omdat het verdovend werkt. Jouw probleem nu is, dat je de hoop koestert dat zij er ook zo in staat wanneer ze aandacht krijgt van een man.’
α ‘Nee, je moet het anders zeggen: ‘De aandacht die je krijgt van een andere vrouw toont je telkens weer wat voor een geweldige vrouw je eigenlijk had en die werkelijk om je gaf. Het is dus alles behalve een verdoving.”
{noot: dit is geen dialoog, maar een soort alternatief van α aan α, als het ware α}

In alles wat ik vond, wist ik dat ik haar zocht.

Godzijdank is ze morgen niet meer jarig, zodat de vraag of ik haar laat weten dat ik aan haar denk me niet meer uit de slaap houdt.

Ik weet niet wat beroerder is… Dat mijn geest mij op willekeurige momenten overvalt met dromen over haar, dat ze daarin consequent schitterend is of dat ik haar bij het ontwaken telkens meer mis dan ooit tevoren.

(…)

Dialoog
α ‘Gaat het je om haar of gaat het je om de remedie die ze bewerkstelligt? Want je hebt geen idee hoe kortstondig die zou kunnen zijn. Zij wel. Je hebt er nogal een gewoonte van gemaakt om een eenvoudig medicijn te verheffen tot de kuur die alles geneest.’
‘Ik begrijp volkomen wat je zegt. Ik wil mezelf genezen, maar daar heb ik haar voor nodig.’
α ‘Je hebt haar <onleesbaar> gebruikt om een balans in jezelf te vinden. Je hebt haar beschouwd als een sociaal <onleesbaar> experiment, waarbij je tot het geloof bent gekomen dat ze genoeg aan je gehecht zou raken, dat ze er wel tot in de lengte van haar leven mee zou instemmen. Dat is een zo weerzinwekkende gedachte, dat je weinig rest behalve diepe schaamte. Dat ze nu haar eigen weg gaat, raakt je zo intens diep, omdat ze daarmee je experimentje ruw heeft verstoord en je als het ware weer terug moet naar de eerste tekeningen van je relationele schetsboek.’
‘Ik moet me diep schamen, dat zie ik in. Ik heb de schoonheid van haar persoonlijkheid veronachtzaamd ten koste van een abstractie. Die abstractie bestaat nog steeds, maar toont zich aan mij in volle leegte als nooit tevoren. Ik wil haar laten zien – zelfs wanneer ze dat niet verlangt – dat ik haar niet op  werkelijke waarde heb geschat, maar haar te vaak voor lief heb genomen.’
α ‘Waarom zou je haar iets willen laten zien waarvan je weet dat ze het niet verlangt? Dat draait dus weer enkel en alleen om jezelf. Zonder dat je het door hebt -en daar twijfel ik over, want je bent dan wel een dwaas, maar geen achterlijke dwaas- probeer je haar opnieuw te gebruiken voor je eigen gemoedstoestand. Het valt te prijzen dat ze dit ten lange leste niet meer heeft geaccepteerd, hoezeer je ook geprobeerd hebt haar wel recht te doen: je hield te veel afstand om dat geloofwaardig te maken. En het zou me niets verbazen als al <onleesbaar> niet meer is dan een zoveelste poging haar weer binnen je experiment te trekken, om zo de schok die je overkomen is door het inzicht dat ze zich niet meer aan je uitleent te verstillen. Je hebt het naïeve geloof dat je met <onleesbaar> een hart kunt terugwinnen dat zich reeds lang gesloten heeft. En als je het dan niet kunt terugwinnen, dan heb je voor jezelf iets poëtisch gecreëerd op papier als troost. Maar dat is dan vooral iets mistroostig.’

-Wat is een dichter? Een ongelukkige, die in zijn hart diep verdriet verbergt, maar wiens lippen zo zijn gevormd dat zuchten en jammerkreten, wanneer die over ze uitstromen, klinken als schone muziek.-

(…)

Het tragische en het droevige
De enige die mijn diepste verdriet begrijpen kan, is de enige die er niets mee te maken wil hebben.

Dialoog
‘Ik begrijp nu wat ik eerder voor krankzinnig hield: een man die uitroept bereid te zijn alles voor een vrouw over te hebben. Mijn hele gevoel spreekt mij niet tegen wanneer ik overweeg al het mogelijke te doen. Ik zou mijn huis vaarwel zeggen, ik zou mijn werkzaamheden opzeggen, ik zou zelfs tegen haar kunnen zeggen dat ik van haar hou. Maar dan voor altijd.’
α ‘Maar waarom zou je dat nu wel kunnen zeggen? Heb je enig idee hoe zwak dit klinkt? En ik wil je “houden van” niet bagatelliseren, maar hield je niet eerder van je kalme leventje wat je nu kwijt bent geraakt dan van haar? Dat kalme leventje is vervangbaar, zij niet.
‘Ik vrees dat ik nu in een staat verkeer, waarin ik het geloof niet heb dat ik er ongeschonden uitkom. Zij is inderdaad het onvervangbare: ik wil geen vervanging. De laatste keer dat ik mezelf in een sentimentele misère zag over een vrouw, duurde het jaren voordat ik daar grip op kreeg. En toen was er slechts sprake van één verdwaalde kus.’
α ‘Vooruit…in dat geval mag je best medelijden hebben met jezelf, dat is werkelijk geen lichtzinnig probleem. Zoveel geef ik je toe. Misschien moest je maar eens wat meer de handen vouwen.’

(…)

Hoewel ik het begrijp, blijft het misschien wel ten diepste krankzinnig: alles over hebben voor een vrouw, moet iets zijn wat een vrouw nooit kan willen.

We kennen elkaar zo goed, ik zou zelfs uit duizenden haar schaduw herkennen!

‘Die ander kan zijn huis enkel en alleen bouwen op de grond die ik heb bewerkt.’
‘In bewerkte grond kun je niet wonen, dat heeft deze ander toch goed opgemerkt.’
{noot: hier ontbreekt α; het betreft wel een reflectie}

‘Alles in haar gedrag scheen te zeggen: ‘Aangezien hij nooit van me gehouden heeft, kan de rest me niets meer schelen!’ Maar ik hield wel van haar, en ik had zelfs nog nooit zo van haar gehouden… Maar het haar bewijzen was onmogelijk. Dat is het afschuwelijke.’
{noot: is dit een citaat?}

Zelfs toen ik voor de vierde maal mijn brief las die ik voor haar geschreven had, begonnen mijn ogen zo hard te tranen dat ik halverwege moest stoppen met lezen: is dat een bewijs van de oprechtheid van de inhoud?

Wat ik mij nu bedenk is dat op het moment dat ze met mij brak, ik standvastig had moeten zijn en had moeten roepen: ‘Maar daar ga ik niet mee akkoord! Wij hebben niet zo <onleesbaar> gestreden, om op het moment dat we elkaar zo goed kennen te zeggen: ‘En verder mag je me niet meer leren kennen. Ik hef de toegang die je tot mij had op’. Maar ik zei niets <onleesbaar> liet iets oneindig waardevols achter.

Geen mens is dom genoeg om zijn eigen intelligentie over het hoofd te zien, maar ik was dom genoeg om de hare zo weinig op te merken.

(…)

Het is mij niet gelukt een mens voor het leven te leren kennen! Maar lijd ik niet veel meer onder het idee dat zij mij niet voor het leven wilde leren kennen?

Ze vertelde me dat ze de dood in de ogen had gekeken en ik moest lachen.
In een droom vertelde ze me het verhaal nog een keer. Ik nam toen haar hand vast en zei: ‘Ik ben zo blij dat je er nog bent!’
Was ik toch maar wat meer de man van mijn dromen…

‘Koester de mooie dingen als een goede herinnering.’
Maar hoe kan iets gekoesterd worden als het gegrond is op onherstelbare mislukking? Hoe kunnen duizenden warme herinneringen stand houden tegen die ene ijzingwekkende koude? – Ik bevries, wat ik me ook bedenk.

De taal is ontoereikend om haar te kunnen schrijven wat ik denk, omdat al mijn denken -hoe ik dat ook zou proberen- een beweging genereert die ik tegelijkertijd kan willen en niet kan willen. Zelfs dit inzicht levert zo’n beweging op (evenals dit meta-inzicht en de herkenning daar weer van (ad infinitum)): Mijn stellingen zijn verhelderend omdat hij die me begrijpt, ten slotte erkent dat ze onzinnig zijn, als hij door middel van mijn stellingen – er op – boven ze uit geklommen is. (Hij moet om zo te zeggen de ladder omvergooien na erop geklommen te zijn.)
{noot: overduidelijk Wittgenstein. De schrijver schreef het in het Duits, ik heb hier de Nederlandse vertaling gebruikt. Ik heb ook van verschillende andere teksten geprobeerd na te gaan of het citaten zouden kunnen zijn, of dat ze ergens zouden zijn gepubliceerd, maar ik heb verder niets kunnen vinden.}

De hele nacht verscheen ze af en aan in mijn dromen, maar dan zo dat ik haar enkel vanaf een onoverbrugbare afstand waarnam in haar ogenschijnlijke nieuwe leven…Ik kon roepen wat ik wilde, ze hoorde me niet. Telkens als ik haar bezig zag in haar doen en laten, hoopte ik slechts één ding: dat ze tot besef zou komen hoezeer ik geprobeerd heb haar werkelijk lief te hebben en hoeveel spijt ik heb dat ik daarin heb gefaald. Ik wenste vurig dat ze me niet liet wegglijden in haar oude herinnering, maar dat ze net als ik zou verlangen naar nieuwe herinneringen.

En de goden spraken tot mij: ‘We gunnen je drie momenten waarop zich een mogelijkheid aandient dat je haar alles wat je wenst schrijven kunt. Gebruik die wijs en verstandig, want daarna zal ze zich afsluiten en is er voor jou niets meer aan haar te zeggen. Voor die drie keer, zal ze alles wat je schrijft met aandacht en toewijding lezen. Wat haar hartsgesteldheid echter betreft, die ligt zelfs buiten onze macht – …’
Ik was verheugd met deze mogelijkheid. Het is niet iedereen gegeven tot driemaal toe het allerlaatste tegen iemand te kunnen zeggen en ermee een mogelijk nieuw begin teweeg te brengen. Zodoende schreef ik, formuleerde en las, verwijderde en herlas, schaafde en schrapte, wikte en woog. En ik ontdekte hoeveel er te zeggen was, hoeveel ik zeggen wilde en hoeveel ik nog nooit gezegd had.
Ik verstuurde mijn eerste brief, en had terstond spijt dat ik er niet veel meer in had verteld. Ik verstuurde mijn tweede brief en gelijk daarop wist ik dat ik het anders had moeten schrijven. En ik verstuurde mijn laatste brief. Ik had er zo lang over nagedacht, maar ook hier wist ik meteen dat er veel meer was dan waar ik mee op de proppen was gekomen…
En de goden spraken weer tot mij: ‘Dit is dan nu je lot én je straf! Waar je geest ingesteld zal blijven op het idee een leven lang alles met haar te kunnen delen, is dat nu voorgoed afgesloten.’
‘O, goden! Hoe kan ik haar nu toch ooit nog prijzen om wie ze is? Dat ik dat niet meer kan, waarvan ik weet dat ik het zo lang heb nagelaten, dat is onverdraaglijk. Het lot accepteer ik, maar de straf is te zwaar.’

Dialoog
‘Wat is de straf?’

‘Een vraag die voor altijd blijft.’
‘Maar wat is de vraag?’
‘Was het mogelijk geweest iets te schrijven wat haar wel van gedachten had kunnen doen veranderen?’
‘Dus wat is de straf?’
‘Dat ik geloof dat het mogelijk was, maar alleen binnen het ogenblik dat nu voorgoed voorbij is.’
{noot: dit fragment lijkt aan te sluiten bij het vorige. α ontbreekt.)

Iemand die met alles wat hij in zich heeft een unieke wedstrijd loopt, maar in het zicht van de finish in elkaar zakt, troost men niet met de woorden: ‘Koester toch de herinnering dat je zo ver nog gekomen bent!’

Zij redt levens. Ik red gedachten.

Ik ken haar diepste zorgen en ik weet wie haar beste vrienden zijn. Ik heb haar telefoonnummer, ik weet waar ze woont en waar ze werkt. Maar ik kan haar niet meer bereiken.

(…)

Ik was samen met haar uit, toen ik op enig moment vast kwam te zitten achter een deur waarvan het slot doordraaide. Ik schat dat ze mij na ongeveer 15 minuten kwam bevrijden uit mijn benarde situatie. Ze voelde als geen ander aan dat ik haar nodig had. Toen heb ik even gedacht dat ze me voorgoed ook bevrijd had van al mijn demonen.

Wanneer iemand zegt: ‘Ik heb hem in dierbare herinnering’ is dat pijnlijk als degene nog leeft. Gewoonlijk zegt men dat over de doden.

‘Geef me op. Laat me gaan. Je houdt het niet met me uit…’
‘Ik ben geduldig!’
‘Maar ik kan het niet meer… Kus me nog één laatste keer en dan herneem ik mijn vrijheid.’
‘Maar ik verdraag je liever dan dat ik je laat gaan! Dat is mijn trouw aan jou! Ik wil niet dat verliezen, waar ik diep van binnen zo trots op ben, zoveel rust aan ontleen en waar ik zo vaak naar uit heb gezien!’
‘Je moet, ik laat je geen keuze. Er is geen of/of meer.’

‘Elke scheiding is een voorsmaak van de dood’
Van de ene op de andere dag was ze voorgoed onbereikbaar, zoals dat alleen is voor te stellen bij iemand die plots sterft: ik zag haar nimmer meer.
{noot: citaat mij onbekend}

Ik zou haar enkel kunnen zien als ik haar minuten mag omhelzen.

Ik zie geen reden om het afscheid nemen te beëindigen. Ik hou haar daarom in gedachten.

α: Wie het vaste geloof heeft dat een verloren liefde is terug te winnen, miskent dat hetgeen verloren is het metafysische vermogen bezit zich onvindbaar te verstoppen.

Toegegeven, ze heeft me van een gigantisch vraagstuk verlost, maar dan wel door er zelf voor in de plaats te komen.

Treurnis om verloren liefde is in aanvang altijd aandoenlijk en kan rekenen op sympathie van eenieder. Maar o wee de man die er te lang mee rondloopt: dan wordt de treurnis onmiddellijke ergernis voor wie er bekend mee is en in aanraking komt.
α: Dat komt omdat langdurig verdriet tegen het hopeloze aan schuurt. En een mens weet zich over het algemeen geen raad met het hopeloze.

Wie iets afbreekt, bouwt sneller op dan wie is afgebroken.
{noot: het eerste deel spreekt van ‘iets’, het tweede van ‘iemand’. Toch lijkt de zin een (begrijpelijke) relatie te veronderstellen}

Ze had beloofd mij te leren wat liefde werkelijk betekent; maar juist nu ik nog maar zo weinig nodig heb om het te begrijpen, heeft ze haar belofte verbroken.

(…)

Het is plots voorbij! Het boek is gesloten, terwijl ik nog aan het lezen was. Wat ik ook probeer, ik krijg het boek niet meer open…

Aan Sanne Eschbach

 Voor Sanne Eschbach; uit de aantekeningen ‘Afstemming en Verhouding.’ Fragmenten uit de nummers 4600-5400 e.v.

Abonneren


 

Verschenen

Copyright 2017 Stephan Wetzels © All Rights on texts Reserved